IX.

IX.In de kelder.Daar stonden ze met d’r vijven!Sprakeloos.Hesse was de eerste die wat zei.„Dit blijft geheim, hoor je!”Ze knikten alleen.„We gaan er in,” zei Hesse.Hij haalde den lantaren en wilde de kaars aansteken, maar hij miste lucifers.Driftig vroeg hij: „Geef ’s gauw lucifers!”Alle vier zochten ze op ’n drukke manier, helaas, niemand kon ’n doosje vinden.Alleen Kees vischte ’n ongelukkig stompje uit de scheuren van zijn voering, maar dit vertoonde niet eens ’n kop.„’k Móét ze hebben!” riep Hesse, en tegelijkertijd holde hij weg om ze te halen.Met ’n vaart stoof hij naar binnen, juist mevrouw tegen ’t lijf.„Hei hei, Hes, wat is dat voor ’n haast!” riep ze, maar de jongen gunde zich niet eens den tijd om behoorlijk antwoord te geven.„’k Moet lucifers hebben!”Weg rende hij.Mevrouw werd ’n weinigje boos om die manieren van Hesse. Ze ging ’m achterna en toen hij met ’n doosje weg wilde stuiven, greep ze ’m bij ’n arm en ontstemd vroeg ze:„Wat moet je met die lucifers? Ik vind je manier van doen niet zooals ’t hoort.”Hesse kwam in ’n lastig parket....Van de kelder mocht ze in geen geval iets weten, dus maakte hij er zich af door te zeggen: „’t Is zoo donker in den toren, we hebben iets ontdekt!”Mevrouw zag nu wel, hoe opgewonden hij deed, haar goede hart dreef haar tot ’n kort: „Voorzichtig met vuur, hoor!”Nu moest Hesse toch lachen!In dien uitgebranden toren voorzichtig met vuur zijn? Alleen voor die oude kisten met papieren?Hij zei maar niets, veel te blij, dat hij kon weg snappen.Hijgend kwam hij in den toren terug en met zenuwachtige haast stak hij de kaars aan.Toen ging ’t behoedzaam ’t trapje af.... Hesse liet den lantaren zooveel mogelijk zakken om te kunnen zien....Veel onderscheidde hij niet en dus daalde hij verder, terwijl de vier andere ridders op hun knieënin spanning afwachtten hoe ’t onderzoek zou afloopen.Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Hesse’s hoofd verdween in ’t donkere gat.... ’t licht van den lantaren wierp zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Toen klonk er ’n stem als uit ’n graf:„Kom maar!”De jongens keken elkander aan.Wibbe, als oudste vriend, voelde zich verplicht om eerst te gaan.Voorzichtig zette hij z’n voeten op de eerste trede, toen lager, en eindelijk stond hij naast Hesse.Rondom ’n dikke duisternis, alleen ’n lichtvlak voor hun voeten.De bodem voelde kleffig aan, geen geluid drong in de diepte door.... alleen de stem van Henk....Ook deze stond na ’n paar minuten bij Wibbe en Hesse, die als vastgevroren op dezelfde plek bleven staan.Jan en Kees volgden....Geen van de vijf verroerde zich, allen luisterden ze en trachtten ’t duister te doorboren.Eindelijk kwam er ’n woord van Hesse:„’t Loopt onder den vloer van de kerk dóór.”De vier anderen zagen hem bewegen en mèt Hesse bewoog ook ’t lichtvlak, zoodat ze nu meer in ’t donker stonden.„Zie je wat?” fluisterde Henk.Hesse antwoordde niet, hij had al z’n aandacht noodig bij ’t voortgezet onderzoek.Schoorvoetend volgden de anderen!Ze vonden ’t veiliger om bij ’t licht te blijven.Hesse schoof heel langzaam verder, tot hij plotseling bleef staan.’t Lichtvlak schoot opeens naar boven met ’n hoek....De starende ridders zagen ’n muur....Langzaam stapten ze verder, één hand tastend tegen den muur.„’t Is hier benauwd,” klaagde Jan.Inderdaad hing er in ’t gewelf ’n dompige zware lucht, waardoor de hoofden begonnen te gloeien.Toch wilden ze ’t onderzoek nu niet opgeven. Eerst moesten ze weten of er iets bizonders ontdekt werd.Hesse bleef voorop gaan, den lantaren hoog in de hand.Zóó schoven ze langs de muren verder, tot ze weer bij de trap uitkwamen, aangeduid door ’n flauwe schemering, die uit den toren neerviel.„Nog even in ’t midden kijken,” aldus kommandeerde Hesse.Hij en Wibbe lieten de drie anderen staan en stevenden nu recht uit naar ’t midden.Eensklaps klonk er ’n gil....Henk en de twee anderen schrikten op en met wijde oogen probeerden ze te zien wat er gebeurde....Ze verroerden geen vin!Toen klonk weer de scherpe stem van Wibbe:„Kom dan, gauw! gauw!”Met popelende harten en bevend van angst naderden de drie....Wat was er gebeurd?....Zou Hesse....?Ze wisten niet wat ze dachten—ze waren alleen maar bang!Bang voor ’t onbekende....Nauwelijks waren ze bij ’t lichtvlak, of ze begrepen met één oogopslag waarom Hesse zoo had gegild....Hij lag in ’n put!....Wibbe trok uit alle macht, maar vergeefs!’t Bloed stroomde de drie weer naar de wangen!Snel grepen ze Hesse bij de armen en heschen hem uit ’t water.Druipend zat de jonge ridder in ’t slik van den kant en z’n eerste woord was:„Stommeriken!”Op die manier scheen hij de vrienden te willen bedanken voor hun hulp.Waarom Hesse hen voor stommeriken uitschold, bleef ’n raadsel.Henk zei ’t ook: „Wat doe jij zoo stom te wezen om in die put te rollen?”Hesse begon zich droog te schudden en terloops gaf hij antwoord: „Wist ik, dat er hier ’n put was!”De anderen moesten toegeven, dat ’t hen verbaasdeen ze begonnen allerlei veronderstellingen te opperen.Snel grepen ze Hesse.Snel grepen ze Hesse.Waarschijnlijk was ’t niet anders dan grondwater, langzamerhand in deze put verzameld.Maar Hesse vroeg: „Hoe komt die put er dan?” Zou ze gegraven zijn? Kwamen hier menschen? Wibbe deed ’n zeer verstandig voorstel, toen niemand ’n goede oplossing vond.„Ga jij nou mee naar huis om je natte boeltje uit te doen. Laat mevrouw ’t niet merken, anders mogen we misschien niet meer. Morgen komen we weer bij elkaar en dan moet elk ’n lantaren hebben plus ’n paar kaarsen. Dan gaan we de kelder hier schitterend verlichten en meteen eens goed kijken wat er te zien is.”Hesse wilde eerst niet van weggaan weten, maar de vier bezwoeren hem, in ’s hemelsnaam niet ziek te worden.Voor de meerderheid moest Hesse wijken.Ze kropen dus weer uit de donkere ruimte, sloten den toegang af door de zerk, en daarop schoven ze de kisten.Vlug namen ze afscheid.Drie draafden ’t dorp uit, den weg op naar de stad.Wibbe nam Hesse bij ’n arm en holde naar huis.Dichtbij liepen ze heel kalm alsof er geen windje aan de lucht was en veilig kwamen ze op de kamer van Hesse.Wibbe deed kordaat!Hij trok hem de schoenen en kousen uit—de eerste verstopte hij in de kast en de laatste wrong hij stevig uit om ze te drogen tegen den volgenden dag.„Je neemt je andere laarzen,” zei Wibbe, „en daar stop je dan je bloote voeten in, dat gaat best.”Ook de broek en de onderbroek nam Wibbe onderhanden.„Ik leg alles op zolder,” zei hij, „je trekt je oude broek maar aan en anders niets.”Wibbe hielp handig en vlug en ongemerkt wist hij de natte boel op zolder te krijgen, waar alles werd uitgespreid.Hesse zag er toch wel ’n beetje pipsch uit, misschien door ’t beleefde avontuur en door de vochtigheid.Mevrouw scheen de ongewone rustigheid vande jongens te bevreemden. Ze geloofde aan ’t een of andere kattekwaad en dus ging ze eens kijken, maar de twee jongens zaten opWibbe’skamer heel aandachtig platen te kijken.„Wat zijn jullie vroeg binnen, er is toch niets?”Hesse zat gelukkig aan den versten kant van de tafel, waardoor mevrouw de onderste helft van z’n lichaam niet kon zien.Wibbe antwoordde ferm: „We spelen riddertje en nu moeten we morgen weten, hoe die vroegere ridders met verraders deden.”Dat klinkt vreeselijk, dacht Wibbe, nu zal ze wel gauw weggaan, maar mevrouw ging er op in! Ze wilde weten wie de verrader was!Toen diende Wibbe wel vol te houden met ’t vertellen van ’n toekomstig plan.„Ik ben ’t,” zei hij, „en nu zoeken we naar ’n plaat, die ik gezien heb, waar onder staat: De dood van den verrader.”Hesse zei geen enkel woord en hij herademde toen mevrouw de kamer verliet.„Als ze toch iets merkt,” zei Hesse later, „dan móét je liegen. Ze mag niets van onze geheime kelder weten! Dan is de aardigheid er af.”Wibbe moest dat toegeven en dus beloofde hij alleen te zullen zeggen: Hesse is in ’t water gevallen.Tot groote vreugde van de jongens, kreeg mevrouw er geen erg in.Veilig belandden ze in bed en ze droomden van hun kelder.Den anderen dag droeg Hesse z’n zelfde kleerenweer. Ja, de bovenbroek voelde nog min of meer vochtig aan, maar allo, ze gingen eerst ’n uurtje in ’t gras liggen om van de zon wat warmte af te gappen.Deze laatste uitdrukking was van Hesse en nog afkomstig uit z’n vroegere jaren.Maar ’n uur hielden ze ’t niet uit!„We hebben geen kaarsen,” riep Hesse, „zullen we ze gaan vragen?”„Mevrouw zal ons aan zien komen!” meende Wibbe, „ik wil ’t toch wel probeeren!”Weg draafde hij en acht minuten later keerde hij terug met twee kaarsen.„Dat vindt ze genoeg!” riep hij tegen Hesse. „Maar ’t is lang niet genoeg! We moeten er minstens tien hebben.”Hesse dacht even na....Toen vroeg hij: „Heb je nog zakgeld?”Wibbe bezat nog zeven centen, Hesse niemendal. Voor zeven centen is ’t kwaad kaarsen koopen en toch wilden ze er meer hebben.Opeens riep Hesse: „we gaan naar Jans Kroep, die moet ze maar poffen.”„Wat?” vroeg Wibbe.„We zeggen, dat we ze naderhand wel zullen betalen.”Wibbe vond ’t plan maar zóó zóó!Toch volgde hij z’n vriend op z’n ren naar den winkel van Jans.Deze oude juffrouw hield er ’n soort manusje van alles op na.De jongens hadden er al meermalen boterbrokkengekocht, maar ook ’t bewuste pistooltje, waar Hesse den eersten dag zoo naar verlangd had. Jans kende de jongens heel goed door hun herhaalde bezoeken en door hun geregeld voorbijgaan.Toch zette ze ’n leelijk gezicht, toen Wibbe haar vóórstelde, hem tien kaarsen te geven om pas later ’t geld te ontvangen.„Dus mevrouw Broekenaaier weet er niets van?” vroeg ze, „waar moeten ze voor dienen?”Wibbe en Hesse keken elkander eens aan.Zouden ze Jans alles zeggen?Dat kon niet!Dus—dus....Er kwam redding!Wibbe had op ’t lessenaartje ’n velletje postpapierontdekt. Jans scheen bezig met ’t schrijven van ’n brief, wat haar veel moeite kostte, want Wibbe herkende enkelevlekkenen allerzonderlingste hanepoten.Plotseling kreeg hij ’n ingeving!„Wil ik dien brief voor je schrijven?” vroeg hij.Jans keek hem wantrouwend aan, maar wie twijfelde aan Wibbe’s eerlijkheid als je in dat open gezicht keek.Ze begon te grinniken en ze antwoordde: „Brieven schrijven is nog m’n dood! Ja, als je ’t wil doen.”„Zeker!” riep Wibbe, „en de eene dienst is de andere waard, dan leen jij ons de kaarsen!”De ruil werd beklonken, en vol vreugde ijlden de twee ridders met hun twaalf kaarsen in de richting van den toren.Twee stuks had Wibbe van mevrouw meegekregen’n halve zat er nog in den lantaren—ze beschikten dus over twaalf en ’n half exemplaar.De drie andere ridders werden pas om één uur ’s middags verwacht.Wibbe en Hesse besteedden dus hun morgenuren aan ’t klauteren naar boven.Omdat ze nu ’t heerlijke gevoel hadden, ’n geheime kelder te bezitten, schepten ze veel meer plezier in die beklimming dan den eersten keer.Er stond weer ’n stralende zon en doordat de toren juist was doorgebroken op de plek waar ’n platje om zoo te zeggen de tweede verdieping aanwees, konden ze daar buitengewoon gezellig rondscharrelen. Hesse haalde natuurlijk ’t kunststuk uit om ruiter te paard op den afgebrokkelden muurrand te gaan zitten.Ongemerkt hield Wibbe hem achter aan z’n buis vast.Plotseling slaakte Hesse ’n kreet!Wibbe schrikte eerst, maar toen verstond hij ’t woord: vlag.Dadelijk vatte hij vuur en riep: „Ja, we moeten ’n vlag hebben of ’n banier!”De vervaardiging van iets dergelijks zou hen den ganschen morgen bezig houden!„Màg ’t wel?” vroeg Wibbe, toen ze op weg waren naar huis.„Waarom niet? We hebben verlof om hier te spelen. Waarom zou je er dan geen vlag mogen plaatsen.”Thuis klampten ze mevrouw aan en verlangden van haar ’n vlag.„Die heb ik niet! Ik geloof ’t ten minste niet. Zoolang ik hier woon, is ’t nog niet voorgekomen.„Ga maar mee! Ik zal eens op zolder zoeken.”Ze volgden.Mevrouw snuffelde in allerlei hoeken en gaten, in oude koffers, en ja, eindelijk vond ze iets, dat op ’n vlag leek. Het was ’n groote oranjelap vol scheuren en flarden.Toen juichten de jongens en dadelijk begonnen ze pogingen in ’t werk te stellen om er ’n toonbare vlag van te maken. Dat viel niet mee.De lap was zóó gehavend, dat er eigenlijk maar ’n vierkante decimeter van overschoot.Mevrouw wilde met alle plezier ’n handje helpen en dus knipte ze, en ze paste, en ze naaide....Onmiddellijk trokken de ridders op zoek naar ’n fatsoenlijken stok.Ze konden toch kwalijk ’n boonenstaak nemen!’t Is toch maar ’n moeilijke zaak om voor ridder te spelen. En dan was er nog niet eens sprake van harnassen!Maar de goede wereld levert wel stokken op en dus kregen Wibbe en Hesse er eindelijk één in bezit.De moeilijkheid zat ’m natuurlijk in de lengte. Stokken genoeg, maar ze moesten ’n lange hebben, die boven op den halven toren kon bevestigd worden.Zóó een haalden ze bij boer Peggers. Die goeie kerel stond er met plezier een af, omdat de notaris hèm zoo goed geholpen had toen hij ’n stukje land koopen wilde.De oranje lap, wèl vol toenaaisels en ingezettestukken werd nu met de bandjes aan den stok van drie meter veertig bevestigd.Daarna trokken de beide ridders met den jonggeborene naar hun verblijf.Het kostte hen menig zweetdruppeltje eer de stok goed en wel vast stond, want ze vonden hoegenaamd geen geschikte aanknoopingspunten.Ongeveer zes maal moesten ze de trap af, naar huis. Eerstens om hamer en spijker te halen, tweedens om ’n touw, toen weer om ’n kram, waarmee de stok aan ’t ondereinde moest vastgezet worden.Ze gunden zich haast géén tijd om ’n paar boterhammen in te slikken, zóó vervuld waren ze van hun vlag, te meer omdat Wibbe ’t plan opperde er ’n hond in te prikken en door de gaatjes zwart draad te trekken.Bij nader inzien kon dat nog wel later gebeuren.Juist toen de stok stevig stond, klonken de juichkreten van de drie stadsridders. Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag en even daarna stonden de vijf jongens met verrukte gezichten onder de wapperende vlag.Ja zeker, de wind blies fel uit ’t Zuid-Oosten en deed ’t doek ontplooien.„Heb jullie kaarsen meegebracht?” vroeg Hesse. Dadelijk doken de handen in de zakken en daar verschenen tien kaarsen.„We hebben er dus twee en twintig!” gilde Hesse en hij toonde zijn pak.„Ze moeten nog betaald worden,” vertelde hij.Henk trok ’n vies gezicht en hij vroeg: „Koopen jullie op krediet? Daar moet ik niets van hebben.”Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.„En als je nou geen geld hebt en je moet kaarsen hebben, wat dan?”—„Ja, wat dan? We zouden met tien kaarsen toch ook wel ’n mooie verlichting gehad hebben.”„Wat kosten ze?”—„Tien voor drie kwartjes.”Henk dacht even na en toen zei hij:„Allo Jan en Kees, opdokken! Hoeveel hebben jullie? Wij koopen die tien kaarsen en later betalen Wibbe en Hesse weer nieuwe.”Kees en Jan wisten samen drie en veertig centen op te diepen. Henk legde de rest er bij en op zijn bevel moest deze schuld eerst afgelost worden.Wibbe zou er voor zorgen, hij holde naar Jans en—daar kwam hij terug met vijf reepjes.Wibbe aan ’t verdeelen!„Dat is voor ’t schrijven van dien brief,” legde hij uit.Aldus verkwikt trokken de ridders omlaag. De kisten werden verschoven, met d’r vijven verlegden ze de zerk.Toen kreeg elk ’n brandende kaars in de hand en zóó daalden ze af.Dat meerdere licht gaf ’n heel andere kijk in de ruimte.En nog meer na ’t ontsteken van de overige zeventien kaarsen.Duidelijk onderscheidden ze nu rondom de muren van zware steenen. De bodem van de kelder bestond uit ’n dik glibberig zand. Midden in zagen ze de put, gevuld met slijkerig water.Langs de muren plaatsten de jongens op geregelde afstanden hun kaarsen, en vier om de put.Ziezoo, nu raakten ze op hun gemak!Hesse kreeg weer de oude praats.„Ik verklaar deze kelder voor onze geheime verzamelplaats. Hier houden we onze bijeenkomsten....”Méér wist Hesse niet te verzinnen op ’t oogenblik.Henk merkte op: „’t Is wel leuk, maar veel te nat. Ook kunnen we onmogelijk zooveel kaarsen betalen. Ik stel vóór, dat we ’n gat probeeren te maken in den vloer van de oude kerk. Als dat klaar is, gaan we zooveel mogelijk zand door de opening smijten om ’t hier ’n beetje droog te maken.„Als we ooit nog eens beschermelingen krijgen, moeten we die hier opbergen en dan dienen we toch ’n droog plekje te hebben.”’t Voorstel van Henk werd aangenomen.De kaarsen werden uitgeblazen en zorgvuldig in de kist gepakt.Wibbe kwam op den reuzeninval om al de papieren uit de kisten alvast naar beneden te brengen voor de drooglegging.Alles kon meehelpen, en dus verdwenen al de oude kranten in de kelder.Toen begon er ’n zeer moeilijk onderzoek tusschen de puinhopen om ’n losse zerk te vinden. Dat werd ’n hopeloos werk.Jan zei nog ’t verstandigste woord: „Er is maar één plek, waar we kans hebben.”Hij wees op ’n diepte, waar ’n groote steen bloot lag.„We moeten dien steen stuk slaan of anders de voegen openkrabbelen.”Dat laatste leek allen de eenigste kans van slagen.Met messen en spijkers begon er ’n langdurig gepeuter. Rondom de zerk werd ’t cement weggebikt, zoodat er ’n centimeter breede voeg open kwam.„Nu ligt deze zerk los,” beweerde Kees, maar Henk zei: „Je vergeet de stutbalken.”„Wat nou weer?” vroeg Hesse.„Je begrijpt, dat die steenen toch ergens op moeten rusten. Daarvoor zijn de steunbalken.”„En in de kelder zagen we niets.”„Ach jò, die balken zitten verborgen in ’n laag kalk of zoo.”„Praten jullie toch zoo niet! Hoe moet ’t nu verder?”Vijf nadenkende gezichten!Allerlei uitroepen!Henk zei eindelijk: „We moeten ’n plat ijzer hebben of anders ’n steenboor.”Beide voorwerpen bleken niet verkrijgbaar.Toen weer diep gedenk en ’n uitroep van Hesse:„We zullen er ’n hoek uithakken, dan kunnen we er ons dikke ijzer in krijgen.”Het was gevonden!Ze hakten!Stukje voor stukje vloog van de zerk los, en na ’n geweldige hakkerij, ontstond er ’n opening.Kees deed ook ’n uitvinding.Volgens hem moest er ’n dik touw door heen. In de kelder kon één er ’n dwarshout aan binden. Dan met z’n allen trekken!Aldus geschiedde!De zerk bewoog.... ze kwam op één kant te staan en plofte achterover.Vijf hoofden gluurden door de opening.Dat was ’n prachtig luchtgat en ’n prachtig lichtgat.Dadelijk gingen ze onderzoeken hoe ’t werkte.„Die vieze lucht is al weg,” vond Wibbe.„We kunnen nu best zien,” verklaarde Hesse.Henk oordeelde ’t noodig om nog ’n paar zerken om te wippen.Nou, dat ging heel wat vlugger!En zoo onstond er, vrijwel in ’t midden ’n uitstekend lucht en lichtgat.Vermoeid verlangden de arbeiders naar rust.Er werden wat brokken hout naar beneden geworpenen daarop namen de afgetobde ridders plaats.„Morgen beginnen we aan ’t zand kruien,” zei Hesse, „breng als je kunt ’n schop mee, dan schieten we op.”Ze voelden alle vijf, dat ze in dit natte slik niet konden blijven.Al ’t overtollige water was hier verzameld. Het zou waarschijnlijk wel wegzakken, maar ze konden daarop niet wachten.Zoo bracht ’n nieuwe dag, nieuwe arbeid. Ze werkten waarlijk voorbeeldig en stortten heele ladingen zand door middel van ’n geleenden kruiwagen in hun kelder.Later werd dat zand verspreid over den bodem.De put kreeg ’n vracht steenen te verzwelgen, nadat ’t vuile water er uitgeschept was.Toen verdween ze onder de last van zes kruiwagens zand.Verscheidene dagen had ’t werk geduurd, maar de zegepraal was volkomen.Hesse kondigde ’s middags half vijf, Donderdag 26 Juli plechtig aan:„Morgen feestelijke inwijding van ’t geheime verblijf der ridders van den halven toren!”

IX.In de kelder.Daar stonden ze met d’r vijven!Sprakeloos.Hesse was de eerste die wat zei.„Dit blijft geheim, hoor je!”Ze knikten alleen.„We gaan er in,” zei Hesse.Hij haalde den lantaren en wilde de kaars aansteken, maar hij miste lucifers.Driftig vroeg hij: „Geef ’s gauw lucifers!”Alle vier zochten ze op ’n drukke manier, helaas, niemand kon ’n doosje vinden.Alleen Kees vischte ’n ongelukkig stompje uit de scheuren van zijn voering, maar dit vertoonde niet eens ’n kop.„’k Móét ze hebben!” riep Hesse, en tegelijkertijd holde hij weg om ze te halen.Met ’n vaart stoof hij naar binnen, juist mevrouw tegen ’t lijf.„Hei hei, Hes, wat is dat voor ’n haast!” riep ze, maar de jongen gunde zich niet eens den tijd om behoorlijk antwoord te geven.„’k Moet lucifers hebben!”Weg rende hij.Mevrouw werd ’n weinigje boos om die manieren van Hesse. Ze ging ’m achterna en toen hij met ’n doosje weg wilde stuiven, greep ze ’m bij ’n arm en ontstemd vroeg ze:„Wat moet je met die lucifers? Ik vind je manier van doen niet zooals ’t hoort.”Hesse kwam in ’n lastig parket....Van de kelder mocht ze in geen geval iets weten, dus maakte hij er zich af door te zeggen: „’t Is zoo donker in den toren, we hebben iets ontdekt!”Mevrouw zag nu wel, hoe opgewonden hij deed, haar goede hart dreef haar tot ’n kort: „Voorzichtig met vuur, hoor!”Nu moest Hesse toch lachen!In dien uitgebranden toren voorzichtig met vuur zijn? Alleen voor die oude kisten met papieren?Hij zei maar niets, veel te blij, dat hij kon weg snappen.Hijgend kwam hij in den toren terug en met zenuwachtige haast stak hij de kaars aan.Toen ging ’t behoedzaam ’t trapje af.... Hesse liet den lantaren zooveel mogelijk zakken om te kunnen zien....Veel onderscheidde hij niet en dus daalde hij verder, terwijl de vier andere ridders op hun knieënin spanning afwachtten hoe ’t onderzoek zou afloopen.Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Hesse’s hoofd verdween in ’t donkere gat.... ’t licht van den lantaren wierp zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Toen klonk er ’n stem als uit ’n graf:„Kom maar!”De jongens keken elkander aan.Wibbe, als oudste vriend, voelde zich verplicht om eerst te gaan.Voorzichtig zette hij z’n voeten op de eerste trede, toen lager, en eindelijk stond hij naast Hesse.Rondom ’n dikke duisternis, alleen ’n lichtvlak voor hun voeten.De bodem voelde kleffig aan, geen geluid drong in de diepte door.... alleen de stem van Henk....Ook deze stond na ’n paar minuten bij Wibbe en Hesse, die als vastgevroren op dezelfde plek bleven staan.Jan en Kees volgden....Geen van de vijf verroerde zich, allen luisterden ze en trachtten ’t duister te doorboren.Eindelijk kwam er ’n woord van Hesse:„’t Loopt onder den vloer van de kerk dóór.”De vier anderen zagen hem bewegen en mèt Hesse bewoog ook ’t lichtvlak, zoodat ze nu meer in ’t donker stonden.„Zie je wat?” fluisterde Henk.Hesse antwoordde niet, hij had al z’n aandacht noodig bij ’t voortgezet onderzoek.Schoorvoetend volgden de anderen!Ze vonden ’t veiliger om bij ’t licht te blijven.Hesse schoof heel langzaam verder, tot hij plotseling bleef staan.’t Lichtvlak schoot opeens naar boven met ’n hoek....De starende ridders zagen ’n muur....Langzaam stapten ze verder, één hand tastend tegen den muur.„’t Is hier benauwd,” klaagde Jan.Inderdaad hing er in ’t gewelf ’n dompige zware lucht, waardoor de hoofden begonnen te gloeien.Toch wilden ze ’t onderzoek nu niet opgeven. Eerst moesten ze weten of er iets bizonders ontdekt werd.Hesse bleef voorop gaan, den lantaren hoog in de hand.Zóó schoven ze langs de muren verder, tot ze weer bij de trap uitkwamen, aangeduid door ’n flauwe schemering, die uit den toren neerviel.„Nog even in ’t midden kijken,” aldus kommandeerde Hesse.Hij en Wibbe lieten de drie anderen staan en stevenden nu recht uit naar ’t midden.Eensklaps klonk er ’n gil....Henk en de twee anderen schrikten op en met wijde oogen probeerden ze te zien wat er gebeurde....Ze verroerden geen vin!Toen klonk weer de scherpe stem van Wibbe:„Kom dan, gauw! gauw!”Met popelende harten en bevend van angst naderden de drie....Wat was er gebeurd?....Zou Hesse....?Ze wisten niet wat ze dachten—ze waren alleen maar bang!Bang voor ’t onbekende....Nauwelijks waren ze bij ’t lichtvlak, of ze begrepen met één oogopslag waarom Hesse zoo had gegild....Hij lag in ’n put!....Wibbe trok uit alle macht, maar vergeefs!’t Bloed stroomde de drie weer naar de wangen!Snel grepen ze Hesse bij de armen en heschen hem uit ’t water.Druipend zat de jonge ridder in ’t slik van den kant en z’n eerste woord was:„Stommeriken!”Op die manier scheen hij de vrienden te willen bedanken voor hun hulp.Waarom Hesse hen voor stommeriken uitschold, bleef ’n raadsel.Henk zei ’t ook: „Wat doe jij zoo stom te wezen om in die put te rollen?”Hesse begon zich droog te schudden en terloops gaf hij antwoord: „Wist ik, dat er hier ’n put was!”De anderen moesten toegeven, dat ’t hen verbaasdeen ze begonnen allerlei veronderstellingen te opperen.Snel grepen ze Hesse.Snel grepen ze Hesse.Waarschijnlijk was ’t niet anders dan grondwater, langzamerhand in deze put verzameld.Maar Hesse vroeg: „Hoe komt die put er dan?” Zou ze gegraven zijn? Kwamen hier menschen? Wibbe deed ’n zeer verstandig voorstel, toen niemand ’n goede oplossing vond.„Ga jij nou mee naar huis om je natte boeltje uit te doen. Laat mevrouw ’t niet merken, anders mogen we misschien niet meer. Morgen komen we weer bij elkaar en dan moet elk ’n lantaren hebben plus ’n paar kaarsen. Dan gaan we de kelder hier schitterend verlichten en meteen eens goed kijken wat er te zien is.”Hesse wilde eerst niet van weggaan weten, maar de vier bezwoeren hem, in ’s hemelsnaam niet ziek te worden.Voor de meerderheid moest Hesse wijken.Ze kropen dus weer uit de donkere ruimte, sloten den toegang af door de zerk, en daarop schoven ze de kisten.Vlug namen ze afscheid.Drie draafden ’t dorp uit, den weg op naar de stad.Wibbe nam Hesse bij ’n arm en holde naar huis.Dichtbij liepen ze heel kalm alsof er geen windje aan de lucht was en veilig kwamen ze op de kamer van Hesse.Wibbe deed kordaat!Hij trok hem de schoenen en kousen uit—de eerste verstopte hij in de kast en de laatste wrong hij stevig uit om ze te drogen tegen den volgenden dag.„Je neemt je andere laarzen,” zei Wibbe, „en daar stop je dan je bloote voeten in, dat gaat best.”Ook de broek en de onderbroek nam Wibbe onderhanden.„Ik leg alles op zolder,” zei hij, „je trekt je oude broek maar aan en anders niets.”Wibbe hielp handig en vlug en ongemerkt wist hij de natte boel op zolder te krijgen, waar alles werd uitgespreid.Hesse zag er toch wel ’n beetje pipsch uit, misschien door ’t beleefde avontuur en door de vochtigheid.Mevrouw scheen de ongewone rustigheid vande jongens te bevreemden. Ze geloofde aan ’t een of andere kattekwaad en dus ging ze eens kijken, maar de twee jongens zaten opWibbe’skamer heel aandachtig platen te kijken.„Wat zijn jullie vroeg binnen, er is toch niets?”Hesse zat gelukkig aan den versten kant van de tafel, waardoor mevrouw de onderste helft van z’n lichaam niet kon zien.Wibbe antwoordde ferm: „We spelen riddertje en nu moeten we morgen weten, hoe die vroegere ridders met verraders deden.”Dat klinkt vreeselijk, dacht Wibbe, nu zal ze wel gauw weggaan, maar mevrouw ging er op in! Ze wilde weten wie de verrader was!Toen diende Wibbe wel vol te houden met ’t vertellen van ’n toekomstig plan.„Ik ben ’t,” zei hij, „en nu zoeken we naar ’n plaat, die ik gezien heb, waar onder staat: De dood van den verrader.”Hesse zei geen enkel woord en hij herademde toen mevrouw de kamer verliet.„Als ze toch iets merkt,” zei Hesse later, „dan móét je liegen. Ze mag niets van onze geheime kelder weten! Dan is de aardigheid er af.”Wibbe moest dat toegeven en dus beloofde hij alleen te zullen zeggen: Hesse is in ’t water gevallen.Tot groote vreugde van de jongens, kreeg mevrouw er geen erg in.Veilig belandden ze in bed en ze droomden van hun kelder.Den anderen dag droeg Hesse z’n zelfde kleerenweer. Ja, de bovenbroek voelde nog min of meer vochtig aan, maar allo, ze gingen eerst ’n uurtje in ’t gras liggen om van de zon wat warmte af te gappen.Deze laatste uitdrukking was van Hesse en nog afkomstig uit z’n vroegere jaren.Maar ’n uur hielden ze ’t niet uit!„We hebben geen kaarsen,” riep Hesse, „zullen we ze gaan vragen?”„Mevrouw zal ons aan zien komen!” meende Wibbe, „ik wil ’t toch wel probeeren!”Weg draafde hij en acht minuten later keerde hij terug met twee kaarsen.„Dat vindt ze genoeg!” riep hij tegen Hesse. „Maar ’t is lang niet genoeg! We moeten er minstens tien hebben.”Hesse dacht even na....Toen vroeg hij: „Heb je nog zakgeld?”Wibbe bezat nog zeven centen, Hesse niemendal. Voor zeven centen is ’t kwaad kaarsen koopen en toch wilden ze er meer hebben.Opeens riep Hesse: „we gaan naar Jans Kroep, die moet ze maar poffen.”„Wat?” vroeg Wibbe.„We zeggen, dat we ze naderhand wel zullen betalen.”Wibbe vond ’t plan maar zóó zóó!Toch volgde hij z’n vriend op z’n ren naar den winkel van Jans.Deze oude juffrouw hield er ’n soort manusje van alles op na.De jongens hadden er al meermalen boterbrokkengekocht, maar ook ’t bewuste pistooltje, waar Hesse den eersten dag zoo naar verlangd had. Jans kende de jongens heel goed door hun herhaalde bezoeken en door hun geregeld voorbijgaan.Toch zette ze ’n leelijk gezicht, toen Wibbe haar vóórstelde, hem tien kaarsen te geven om pas later ’t geld te ontvangen.„Dus mevrouw Broekenaaier weet er niets van?” vroeg ze, „waar moeten ze voor dienen?”Wibbe en Hesse keken elkander eens aan.Zouden ze Jans alles zeggen?Dat kon niet!Dus—dus....Er kwam redding!Wibbe had op ’t lessenaartje ’n velletje postpapierontdekt. Jans scheen bezig met ’t schrijven van ’n brief, wat haar veel moeite kostte, want Wibbe herkende enkelevlekkenen allerzonderlingste hanepoten.Plotseling kreeg hij ’n ingeving!„Wil ik dien brief voor je schrijven?” vroeg hij.Jans keek hem wantrouwend aan, maar wie twijfelde aan Wibbe’s eerlijkheid als je in dat open gezicht keek.Ze begon te grinniken en ze antwoordde: „Brieven schrijven is nog m’n dood! Ja, als je ’t wil doen.”„Zeker!” riep Wibbe, „en de eene dienst is de andere waard, dan leen jij ons de kaarsen!”De ruil werd beklonken, en vol vreugde ijlden de twee ridders met hun twaalf kaarsen in de richting van den toren.Twee stuks had Wibbe van mevrouw meegekregen’n halve zat er nog in den lantaren—ze beschikten dus over twaalf en ’n half exemplaar.De drie andere ridders werden pas om één uur ’s middags verwacht.Wibbe en Hesse besteedden dus hun morgenuren aan ’t klauteren naar boven.Omdat ze nu ’t heerlijke gevoel hadden, ’n geheime kelder te bezitten, schepten ze veel meer plezier in die beklimming dan den eersten keer.Er stond weer ’n stralende zon en doordat de toren juist was doorgebroken op de plek waar ’n platje om zoo te zeggen de tweede verdieping aanwees, konden ze daar buitengewoon gezellig rondscharrelen. Hesse haalde natuurlijk ’t kunststuk uit om ruiter te paard op den afgebrokkelden muurrand te gaan zitten.Ongemerkt hield Wibbe hem achter aan z’n buis vast.Plotseling slaakte Hesse ’n kreet!Wibbe schrikte eerst, maar toen verstond hij ’t woord: vlag.Dadelijk vatte hij vuur en riep: „Ja, we moeten ’n vlag hebben of ’n banier!”De vervaardiging van iets dergelijks zou hen den ganschen morgen bezig houden!„Màg ’t wel?” vroeg Wibbe, toen ze op weg waren naar huis.„Waarom niet? We hebben verlof om hier te spelen. Waarom zou je er dan geen vlag mogen plaatsen.”Thuis klampten ze mevrouw aan en verlangden van haar ’n vlag.„Die heb ik niet! Ik geloof ’t ten minste niet. Zoolang ik hier woon, is ’t nog niet voorgekomen.„Ga maar mee! Ik zal eens op zolder zoeken.”Ze volgden.Mevrouw snuffelde in allerlei hoeken en gaten, in oude koffers, en ja, eindelijk vond ze iets, dat op ’n vlag leek. Het was ’n groote oranjelap vol scheuren en flarden.Toen juichten de jongens en dadelijk begonnen ze pogingen in ’t werk te stellen om er ’n toonbare vlag van te maken. Dat viel niet mee.De lap was zóó gehavend, dat er eigenlijk maar ’n vierkante decimeter van overschoot.Mevrouw wilde met alle plezier ’n handje helpen en dus knipte ze, en ze paste, en ze naaide....Onmiddellijk trokken de ridders op zoek naar ’n fatsoenlijken stok.Ze konden toch kwalijk ’n boonenstaak nemen!’t Is toch maar ’n moeilijke zaak om voor ridder te spelen. En dan was er nog niet eens sprake van harnassen!Maar de goede wereld levert wel stokken op en dus kregen Wibbe en Hesse er eindelijk één in bezit.De moeilijkheid zat ’m natuurlijk in de lengte. Stokken genoeg, maar ze moesten ’n lange hebben, die boven op den halven toren kon bevestigd worden.Zóó een haalden ze bij boer Peggers. Die goeie kerel stond er met plezier een af, omdat de notaris hèm zoo goed geholpen had toen hij ’n stukje land koopen wilde.De oranje lap, wèl vol toenaaisels en ingezettestukken werd nu met de bandjes aan den stok van drie meter veertig bevestigd.Daarna trokken de beide ridders met den jonggeborene naar hun verblijf.Het kostte hen menig zweetdruppeltje eer de stok goed en wel vast stond, want ze vonden hoegenaamd geen geschikte aanknoopingspunten.Ongeveer zes maal moesten ze de trap af, naar huis. Eerstens om hamer en spijker te halen, tweedens om ’n touw, toen weer om ’n kram, waarmee de stok aan ’t ondereinde moest vastgezet worden.Ze gunden zich haast géén tijd om ’n paar boterhammen in te slikken, zóó vervuld waren ze van hun vlag, te meer omdat Wibbe ’t plan opperde er ’n hond in te prikken en door de gaatjes zwart draad te trekken.Bij nader inzien kon dat nog wel later gebeuren.Juist toen de stok stevig stond, klonken de juichkreten van de drie stadsridders. Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag en even daarna stonden de vijf jongens met verrukte gezichten onder de wapperende vlag.Ja zeker, de wind blies fel uit ’t Zuid-Oosten en deed ’t doek ontplooien.„Heb jullie kaarsen meegebracht?” vroeg Hesse. Dadelijk doken de handen in de zakken en daar verschenen tien kaarsen.„We hebben er dus twee en twintig!” gilde Hesse en hij toonde zijn pak.„Ze moeten nog betaald worden,” vertelde hij.Henk trok ’n vies gezicht en hij vroeg: „Koopen jullie op krediet? Daar moet ik niets van hebben.”Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.„En als je nou geen geld hebt en je moet kaarsen hebben, wat dan?”—„Ja, wat dan? We zouden met tien kaarsen toch ook wel ’n mooie verlichting gehad hebben.”„Wat kosten ze?”—„Tien voor drie kwartjes.”Henk dacht even na en toen zei hij:„Allo Jan en Kees, opdokken! Hoeveel hebben jullie? Wij koopen die tien kaarsen en later betalen Wibbe en Hesse weer nieuwe.”Kees en Jan wisten samen drie en veertig centen op te diepen. Henk legde de rest er bij en op zijn bevel moest deze schuld eerst afgelost worden.Wibbe zou er voor zorgen, hij holde naar Jans en—daar kwam hij terug met vijf reepjes.Wibbe aan ’t verdeelen!„Dat is voor ’t schrijven van dien brief,” legde hij uit.Aldus verkwikt trokken de ridders omlaag. De kisten werden verschoven, met d’r vijven verlegden ze de zerk.Toen kreeg elk ’n brandende kaars in de hand en zóó daalden ze af.Dat meerdere licht gaf ’n heel andere kijk in de ruimte.En nog meer na ’t ontsteken van de overige zeventien kaarsen.Duidelijk onderscheidden ze nu rondom de muren van zware steenen. De bodem van de kelder bestond uit ’n dik glibberig zand. Midden in zagen ze de put, gevuld met slijkerig water.Langs de muren plaatsten de jongens op geregelde afstanden hun kaarsen, en vier om de put.Ziezoo, nu raakten ze op hun gemak!Hesse kreeg weer de oude praats.„Ik verklaar deze kelder voor onze geheime verzamelplaats. Hier houden we onze bijeenkomsten....”Méér wist Hesse niet te verzinnen op ’t oogenblik.Henk merkte op: „’t Is wel leuk, maar veel te nat. Ook kunnen we onmogelijk zooveel kaarsen betalen. Ik stel vóór, dat we ’n gat probeeren te maken in den vloer van de oude kerk. Als dat klaar is, gaan we zooveel mogelijk zand door de opening smijten om ’t hier ’n beetje droog te maken.„Als we ooit nog eens beschermelingen krijgen, moeten we die hier opbergen en dan dienen we toch ’n droog plekje te hebben.”’t Voorstel van Henk werd aangenomen.De kaarsen werden uitgeblazen en zorgvuldig in de kist gepakt.Wibbe kwam op den reuzeninval om al de papieren uit de kisten alvast naar beneden te brengen voor de drooglegging.Alles kon meehelpen, en dus verdwenen al de oude kranten in de kelder.Toen begon er ’n zeer moeilijk onderzoek tusschen de puinhopen om ’n losse zerk te vinden. Dat werd ’n hopeloos werk.Jan zei nog ’t verstandigste woord: „Er is maar één plek, waar we kans hebben.”Hij wees op ’n diepte, waar ’n groote steen bloot lag.„We moeten dien steen stuk slaan of anders de voegen openkrabbelen.”Dat laatste leek allen de eenigste kans van slagen.Met messen en spijkers begon er ’n langdurig gepeuter. Rondom de zerk werd ’t cement weggebikt, zoodat er ’n centimeter breede voeg open kwam.„Nu ligt deze zerk los,” beweerde Kees, maar Henk zei: „Je vergeet de stutbalken.”„Wat nou weer?” vroeg Hesse.„Je begrijpt, dat die steenen toch ergens op moeten rusten. Daarvoor zijn de steunbalken.”„En in de kelder zagen we niets.”„Ach jò, die balken zitten verborgen in ’n laag kalk of zoo.”„Praten jullie toch zoo niet! Hoe moet ’t nu verder?”Vijf nadenkende gezichten!Allerlei uitroepen!Henk zei eindelijk: „We moeten ’n plat ijzer hebben of anders ’n steenboor.”Beide voorwerpen bleken niet verkrijgbaar.Toen weer diep gedenk en ’n uitroep van Hesse:„We zullen er ’n hoek uithakken, dan kunnen we er ons dikke ijzer in krijgen.”Het was gevonden!Ze hakten!Stukje voor stukje vloog van de zerk los, en na ’n geweldige hakkerij, ontstond er ’n opening.Kees deed ook ’n uitvinding.Volgens hem moest er ’n dik touw door heen. In de kelder kon één er ’n dwarshout aan binden. Dan met z’n allen trekken!Aldus geschiedde!De zerk bewoog.... ze kwam op één kant te staan en plofte achterover.Vijf hoofden gluurden door de opening.Dat was ’n prachtig luchtgat en ’n prachtig lichtgat.Dadelijk gingen ze onderzoeken hoe ’t werkte.„Die vieze lucht is al weg,” vond Wibbe.„We kunnen nu best zien,” verklaarde Hesse.Henk oordeelde ’t noodig om nog ’n paar zerken om te wippen.Nou, dat ging heel wat vlugger!En zoo onstond er, vrijwel in ’t midden ’n uitstekend lucht en lichtgat.Vermoeid verlangden de arbeiders naar rust.Er werden wat brokken hout naar beneden geworpenen daarop namen de afgetobde ridders plaats.„Morgen beginnen we aan ’t zand kruien,” zei Hesse, „breng als je kunt ’n schop mee, dan schieten we op.”Ze voelden alle vijf, dat ze in dit natte slik niet konden blijven.Al ’t overtollige water was hier verzameld. Het zou waarschijnlijk wel wegzakken, maar ze konden daarop niet wachten.Zoo bracht ’n nieuwe dag, nieuwe arbeid. Ze werkten waarlijk voorbeeldig en stortten heele ladingen zand door middel van ’n geleenden kruiwagen in hun kelder.Later werd dat zand verspreid over den bodem.De put kreeg ’n vracht steenen te verzwelgen, nadat ’t vuile water er uitgeschept was.Toen verdween ze onder de last van zes kruiwagens zand.Verscheidene dagen had ’t werk geduurd, maar de zegepraal was volkomen.Hesse kondigde ’s middags half vijf, Donderdag 26 Juli plechtig aan:„Morgen feestelijke inwijding van ’t geheime verblijf der ridders van den halven toren!”

IX.In de kelder.

Daar stonden ze met d’r vijven!Sprakeloos.Hesse was de eerste die wat zei.„Dit blijft geheim, hoor je!”Ze knikten alleen.„We gaan er in,” zei Hesse.Hij haalde den lantaren en wilde de kaars aansteken, maar hij miste lucifers.Driftig vroeg hij: „Geef ’s gauw lucifers!”Alle vier zochten ze op ’n drukke manier, helaas, niemand kon ’n doosje vinden.Alleen Kees vischte ’n ongelukkig stompje uit de scheuren van zijn voering, maar dit vertoonde niet eens ’n kop.„’k Móét ze hebben!” riep Hesse, en tegelijkertijd holde hij weg om ze te halen.Met ’n vaart stoof hij naar binnen, juist mevrouw tegen ’t lijf.„Hei hei, Hes, wat is dat voor ’n haast!” riep ze, maar de jongen gunde zich niet eens den tijd om behoorlijk antwoord te geven.„’k Moet lucifers hebben!”Weg rende hij.Mevrouw werd ’n weinigje boos om die manieren van Hesse. Ze ging ’m achterna en toen hij met ’n doosje weg wilde stuiven, greep ze ’m bij ’n arm en ontstemd vroeg ze:„Wat moet je met die lucifers? Ik vind je manier van doen niet zooals ’t hoort.”Hesse kwam in ’n lastig parket....Van de kelder mocht ze in geen geval iets weten, dus maakte hij er zich af door te zeggen: „’t Is zoo donker in den toren, we hebben iets ontdekt!”Mevrouw zag nu wel, hoe opgewonden hij deed, haar goede hart dreef haar tot ’n kort: „Voorzichtig met vuur, hoor!”Nu moest Hesse toch lachen!In dien uitgebranden toren voorzichtig met vuur zijn? Alleen voor die oude kisten met papieren?Hij zei maar niets, veel te blij, dat hij kon weg snappen.Hijgend kwam hij in den toren terug en met zenuwachtige haast stak hij de kaars aan.Toen ging ’t behoedzaam ’t trapje af.... Hesse liet den lantaren zooveel mogelijk zakken om te kunnen zien....Veel onderscheidde hij niet en dus daalde hij verder, terwijl de vier andere ridders op hun knieënin spanning afwachtten hoe ’t onderzoek zou afloopen.Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Hesse’s hoofd verdween in ’t donkere gat.... ’t licht van den lantaren wierp zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Toen klonk er ’n stem als uit ’n graf:„Kom maar!”De jongens keken elkander aan.Wibbe, als oudste vriend, voelde zich verplicht om eerst te gaan.Voorzichtig zette hij z’n voeten op de eerste trede, toen lager, en eindelijk stond hij naast Hesse.Rondom ’n dikke duisternis, alleen ’n lichtvlak voor hun voeten.De bodem voelde kleffig aan, geen geluid drong in de diepte door.... alleen de stem van Henk....Ook deze stond na ’n paar minuten bij Wibbe en Hesse, die als vastgevroren op dezelfde plek bleven staan.Jan en Kees volgden....Geen van de vijf verroerde zich, allen luisterden ze en trachtten ’t duister te doorboren.Eindelijk kwam er ’n woord van Hesse:„’t Loopt onder den vloer van de kerk dóór.”De vier anderen zagen hem bewegen en mèt Hesse bewoog ook ’t lichtvlak, zoodat ze nu meer in ’t donker stonden.„Zie je wat?” fluisterde Henk.Hesse antwoordde niet, hij had al z’n aandacht noodig bij ’t voortgezet onderzoek.Schoorvoetend volgden de anderen!Ze vonden ’t veiliger om bij ’t licht te blijven.Hesse schoof heel langzaam verder, tot hij plotseling bleef staan.’t Lichtvlak schoot opeens naar boven met ’n hoek....De starende ridders zagen ’n muur....Langzaam stapten ze verder, één hand tastend tegen den muur.„’t Is hier benauwd,” klaagde Jan.Inderdaad hing er in ’t gewelf ’n dompige zware lucht, waardoor de hoofden begonnen te gloeien.Toch wilden ze ’t onderzoek nu niet opgeven. Eerst moesten ze weten of er iets bizonders ontdekt werd.Hesse bleef voorop gaan, den lantaren hoog in de hand.Zóó schoven ze langs de muren verder, tot ze weer bij de trap uitkwamen, aangeduid door ’n flauwe schemering, die uit den toren neerviel.„Nog even in ’t midden kijken,” aldus kommandeerde Hesse.Hij en Wibbe lieten de drie anderen staan en stevenden nu recht uit naar ’t midden.Eensklaps klonk er ’n gil....Henk en de twee anderen schrikten op en met wijde oogen probeerden ze te zien wat er gebeurde....Ze verroerden geen vin!Toen klonk weer de scherpe stem van Wibbe:„Kom dan, gauw! gauw!”Met popelende harten en bevend van angst naderden de drie....Wat was er gebeurd?....Zou Hesse....?Ze wisten niet wat ze dachten—ze waren alleen maar bang!Bang voor ’t onbekende....Nauwelijks waren ze bij ’t lichtvlak, of ze begrepen met één oogopslag waarom Hesse zoo had gegild....Hij lag in ’n put!....Wibbe trok uit alle macht, maar vergeefs!’t Bloed stroomde de drie weer naar de wangen!Snel grepen ze Hesse bij de armen en heschen hem uit ’t water.Druipend zat de jonge ridder in ’t slik van den kant en z’n eerste woord was:„Stommeriken!”Op die manier scheen hij de vrienden te willen bedanken voor hun hulp.Waarom Hesse hen voor stommeriken uitschold, bleef ’n raadsel.Henk zei ’t ook: „Wat doe jij zoo stom te wezen om in die put te rollen?”Hesse begon zich droog te schudden en terloops gaf hij antwoord: „Wist ik, dat er hier ’n put was!”De anderen moesten toegeven, dat ’t hen verbaasdeen ze begonnen allerlei veronderstellingen te opperen.Snel grepen ze Hesse.Snel grepen ze Hesse.Waarschijnlijk was ’t niet anders dan grondwater, langzamerhand in deze put verzameld.Maar Hesse vroeg: „Hoe komt die put er dan?” Zou ze gegraven zijn? Kwamen hier menschen? Wibbe deed ’n zeer verstandig voorstel, toen niemand ’n goede oplossing vond.„Ga jij nou mee naar huis om je natte boeltje uit te doen. Laat mevrouw ’t niet merken, anders mogen we misschien niet meer. Morgen komen we weer bij elkaar en dan moet elk ’n lantaren hebben plus ’n paar kaarsen. Dan gaan we de kelder hier schitterend verlichten en meteen eens goed kijken wat er te zien is.”Hesse wilde eerst niet van weggaan weten, maar de vier bezwoeren hem, in ’s hemelsnaam niet ziek te worden.Voor de meerderheid moest Hesse wijken.Ze kropen dus weer uit de donkere ruimte, sloten den toegang af door de zerk, en daarop schoven ze de kisten.Vlug namen ze afscheid.Drie draafden ’t dorp uit, den weg op naar de stad.Wibbe nam Hesse bij ’n arm en holde naar huis.Dichtbij liepen ze heel kalm alsof er geen windje aan de lucht was en veilig kwamen ze op de kamer van Hesse.Wibbe deed kordaat!Hij trok hem de schoenen en kousen uit—de eerste verstopte hij in de kast en de laatste wrong hij stevig uit om ze te drogen tegen den volgenden dag.„Je neemt je andere laarzen,” zei Wibbe, „en daar stop je dan je bloote voeten in, dat gaat best.”Ook de broek en de onderbroek nam Wibbe onderhanden.„Ik leg alles op zolder,” zei hij, „je trekt je oude broek maar aan en anders niets.”Wibbe hielp handig en vlug en ongemerkt wist hij de natte boel op zolder te krijgen, waar alles werd uitgespreid.Hesse zag er toch wel ’n beetje pipsch uit, misschien door ’t beleefde avontuur en door de vochtigheid.Mevrouw scheen de ongewone rustigheid vande jongens te bevreemden. Ze geloofde aan ’t een of andere kattekwaad en dus ging ze eens kijken, maar de twee jongens zaten opWibbe’skamer heel aandachtig platen te kijken.„Wat zijn jullie vroeg binnen, er is toch niets?”Hesse zat gelukkig aan den versten kant van de tafel, waardoor mevrouw de onderste helft van z’n lichaam niet kon zien.Wibbe antwoordde ferm: „We spelen riddertje en nu moeten we morgen weten, hoe die vroegere ridders met verraders deden.”Dat klinkt vreeselijk, dacht Wibbe, nu zal ze wel gauw weggaan, maar mevrouw ging er op in! Ze wilde weten wie de verrader was!Toen diende Wibbe wel vol te houden met ’t vertellen van ’n toekomstig plan.„Ik ben ’t,” zei hij, „en nu zoeken we naar ’n plaat, die ik gezien heb, waar onder staat: De dood van den verrader.”Hesse zei geen enkel woord en hij herademde toen mevrouw de kamer verliet.„Als ze toch iets merkt,” zei Hesse later, „dan móét je liegen. Ze mag niets van onze geheime kelder weten! Dan is de aardigheid er af.”Wibbe moest dat toegeven en dus beloofde hij alleen te zullen zeggen: Hesse is in ’t water gevallen.Tot groote vreugde van de jongens, kreeg mevrouw er geen erg in.Veilig belandden ze in bed en ze droomden van hun kelder.Den anderen dag droeg Hesse z’n zelfde kleerenweer. Ja, de bovenbroek voelde nog min of meer vochtig aan, maar allo, ze gingen eerst ’n uurtje in ’t gras liggen om van de zon wat warmte af te gappen.Deze laatste uitdrukking was van Hesse en nog afkomstig uit z’n vroegere jaren.Maar ’n uur hielden ze ’t niet uit!„We hebben geen kaarsen,” riep Hesse, „zullen we ze gaan vragen?”„Mevrouw zal ons aan zien komen!” meende Wibbe, „ik wil ’t toch wel probeeren!”Weg draafde hij en acht minuten later keerde hij terug met twee kaarsen.„Dat vindt ze genoeg!” riep hij tegen Hesse. „Maar ’t is lang niet genoeg! We moeten er minstens tien hebben.”Hesse dacht even na....Toen vroeg hij: „Heb je nog zakgeld?”Wibbe bezat nog zeven centen, Hesse niemendal. Voor zeven centen is ’t kwaad kaarsen koopen en toch wilden ze er meer hebben.Opeens riep Hesse: „we gaan naar Jans Kroep, die moet ze maar poffen.”„Wat?” vroeg Wibbe.„We zeggen, dat we ze naderhand wel zullen betalen.”Wibbe vond ’t plan maar zóó zóó!Toch volgde hij z’n vriend op z’n ren naar den winkel van Jans.Deze oude juffrouw hield er ’n soort manusje van alles op na.De jongens hadden er al meermalen boterbrokkengekocht, maar ook ’t bewuste pistooltje, waar Hesse den eersten dag zoo naar verlangd had. Jans kende de jongens heel goed door hun herhaalde bezoeken en door hun geregeld voorbijgaan.Toch zette ze ’n leelijk gezicht, toen Wibbe haar vóórstelde, hem tien kaarsen te geven om pas later ’t geld te ontvangen.„Dus mevrouw Broekenaaier weet er niets van?” vroeg ze, „waar moeten ze voor dienen?”Wibbe en Hesse keken elkander eens aan.Zouden ze Jans alles zeggen?Dat kon niet!Dus—dus....Er kwam redding!Wibbe had op ’t lessenaartje ’n velletje postpapierontdekt. Jans scheen bezig met ’t schrijven van ’n brief, wat haar veel moeite kostte, want Wibbe herkende enkelevlekkenen allerzonderlingste hanepoten.Plotseling kreeg hij ’n ingeving!„Wil ik dien brief voor je schrijven?” vroeg hij.Jans keek hem wantrouwend aan, maar wie twijfelde aan Wibbe’s eerlijkheid als je in dat open gezicht keek.Ze begon te grinniken en ze antwoordde: „Brieven schrijven is nog m’n dood! Ja, als je ’t wil doen.”„Zeker!” riep Wibbe, „en de eene dienst is de andere waard, dan leen jij ons de kaarsen!”De ruil werd beklonken, en vol vreugde ijlden de twee ridders met hun twaalf kaarsen in de richting van den toren.Twee stuks had Wibbe van mevrouw meegekregen’n halve zat er nog in den lantaren—ze beschikten dus over twaalf en ’n half exemplaar.De drie andere ridders werden pas om één uur ’s middags verwacht.Wibbe en Hesse besteedden dus hun morgenuren aan ’t klauteren naar boven.Omdat ze nu ’t heerlijke gevoel hadden, ’n geheime kelder te bezitten, schepten ze veel meer plezier in die beklimming dan den eersten keer.Er stond weer ’n stralende zon en doordat de toren juist was doorgebroken op de plek waar ’n platje om zoo te zeggen de tweede verdieping aanwees, konden ze daar buitengewoon gezellig rondscharrelen. Hesse haalde natuurlijk ’t kunststuk uit om ruiter te paard op den afgebrokkelden muurrand te gaan zitten.Ongemerkt hield Wibbe hem achter aan z’n buis vast.Plotseling slaakte Hesse ’n kreet!Wibbe schrikte eerst, maar toen verstond hij ’t woord: vlag.Dadelijk vatte hij vuur en riep: „Ja, we moeten ’n vlag hebben of ’n banier!”De vervaardiging van iets dergelijks zou hen den ganschen morgen bezig houden!„Màg ’t wel?” vroeg Wibbe, toen ze op weg waren naar huis.„Waarom niet? We hebben verlof om hier te spelen. Waarom zou je er dan geen vlag mogen plaatsen.”Thuis klampten ze mevrouw aan en verlangden van haar ’n vlag.„Die heb ik niet! Ik geloof ’t ten minste niet. Zoolang ik hier woon, is ’t nog niet voorgekomen.„Ga maar mee! Ik zal eens op zolder zoeken.”Ze volgden.Mevrouw snuffelde in allerlei hoeken en gaten, in oude koffers, en ja, eindelijk vond ze iets, dat op ’n vlag leek. Het was ’n groote oranjelap vol scheuren en flarden.Toen juichten de jongens en dadelijk begonnen ze pogingen in ’t werk te stellen om er ’n toonbare vlag van te maken. Dat viel niet mee.De lap was zóó gehavend, dat er eigenlijk maar ’n vierkante decimeter van overschoot.Mevrouw wilde met alle plezier ’n handje helpen en dus knipte ze, en ze paste, en ze naaide....Onmiddellijk trokken de ridders op zoek naar ’n fatsoenlijken stok.Ze konden toch kwalijk ’n boonenstaak nemen!’t Is toch maar ’n moeilijke zaak om voor ridder te spelen. En dan was er nog niet eens sprake van harnassen!Maar de goede wereld levert wel stokken op en dus kregen Wibbe en Hesse er eindelijk één in bezit.De moeilijkheid zat ’m natuurlijk in de lengte. Stokken genoeg, maar ze moesten ’n lange hebben, die boven op den halven toren kon bevestigd worden.Zóó een haalden ze bij boer Peggers. Die goeie kerel stond er met plezier een af, omdat de notaris hèm zoo goed geholpen had toen hij ’n stukje land koopen wilde.De oranje lap, wèl vol toenaaisels en ingezettestukken werd nu met de bandjes aan den stok van drie meter veertig bevestigd.Daarna trokken de beide ridders met den jonggeborene naar hun verblijf.Het kostte hen menig zweetdruppeltje eer de stok goed en wel vast stond, want ze vonden hoegenaamd geen geschikte aanknoopingspunten.Ongeveer zes maal moesten ze de trap af, naar huis. Eerstens om hamer en spijker te halen, tweedens om ’n touw, toen weer om ’n kram, waarmee de stok aan ’t ondereinde moest vastgezet worden.Ze gunden zich haast géén tijd om ’n paar boterhammen in te slikken, zóó vervuld waren ze van hun vlag, te meer omdat Wibbe ’t plan opperde er ’n hond in te prikken en door de gaatjes zwart draad te trekken.Bij nader inzien kon dat nog wel later gebeuren.Juist toen de stok stevig stond, klonken de juichkreten van de drie stadsridders. Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag en even daarna stonden de vijf jongens met verrukte gezichten onder de wapperende vlag.Ja zeker, de wind blies fel uit ’t Zuid-Oosten en deed ’t doek ontplooien.„Heb jullie kaarsen meegebracht?” vroeg Hesse. Dadelijk doken de handen in de zakken en daar verschenen tien kaarsen.„We hebben er dus twee en twintig!” gilde Hesse en hij toonde zijn pak.„Ze moeten nog betaald worden,” vertelde hij.Henk trok ’n vies gezicht en hij vroeg: „Koopen jullie op krediet? Daar moet ik niets van hebben.”Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.„En als je nou geen geld hebt en je moet kaarsen hebben, wat dan?”—„Ja, wat dan? We zouden met tien kaarsen toch ook wel ’n mooie verlichting gehad hebben.”„Wat kosten ze?”—„Tien voor drie kwartjes.”Henk dacht even na en toen zei hij:„Allo Jan en Kees, opdokken! Hoeveel hebben jullie? Wij koopen die tien kaarsen en later betalen Wibbe en Hesse weer nieuwe.”Kees en Jan wisten samen drie en veertig centen op te diepen. Henk legde de rest er bij en op zijn bevel moest deze schuld eerst afgelost worden.Wibbe zou er voor zorgen, hij holde naar Jans en—daar kwam hij terug met vijf reepjes.Wibbe aan ’t verdeelen!„Dat is voor ’t schrijven van dien brief,” legde hij uit.Aldus verkwikt trokken de ridders omlaag. De kisten werden verschoven, met d’r vijven verlegden ze de zerk.Toen kreeg elk ’n brandende kaars in de hand en zóó daalden ze af.Dat meerdere licht gaf ’n heel andere kijk in de ruimte.En nog meer na ’t ontsteken van de overige zeventien kaarsen.Duidelijk onderscheidden ze nu rondom de muren van zware steenen. De bodem van de kelder bestond uit ’n dik glibberig zand. Midden in zagen ze de put, gevuld met slijkerig water.Langs de muren plaatsten de jongens op geregelde afstanden hun kaarsen, en vier om de put.Ziezoo, nu raakten ze op hun gemak!Hesse kreeg weer de oude praats.„Ik verklaar deze kelder voor onze geheime verzamelplaats. Hier houden we onze bijeenkomsten....”Méér wist Hesse niet te verzinnen op ’t oogenblik.Henk merkte op: „’t Is wel leuk, maar veel te nat. Ook kunnen we onmogelijk zooveel kaarsen betalen. Ik stel vóór, dat we ’n gat probeeren te maken in den vloer van de oude kerk. Als dat klaar is, gaan we zooveel mogelijk zand door de opening smijten om ’t hier ’n beetje droog te maken.„Als we ooit nog eens beschermelingen krijgen, moeten we die hier opbergen en dan dienen we toch ’n droog plekje te hebben.”’t Voorstel van Henk werd aangenomen.De kaarsen werden uitgeblazen en zorgvuldig in de kist gepakt.Wibbe kwam op den reuzeninval om al de papieren uit de kisten alvast naar beneden te brengen voor de drooglegging.Alles kon meehelpen, en dus verdwenen al de oude kranten in de kelder.Toen begon er ’n zeer moeilijk onderzoek tusschen de puinhopen om ’n losse zerk te vinden. Dat werd ’n hopeloos werk.Jan zei nog ’t verstandigste woord: „Er is maar één plek, waar we kans hebben.”Hij wees op ’n diepte, waar ’n groote steen bloot lag.„We moeten dien steen stuk slaan of anders de voegen openkrabbelen.”Dat laatste leek allen de eenigste kans van slagen.Met messen en spijkers begon er ’n langdurig gepeuter. Rondom de zerk werd ’t cement weggebikt, zoodat er ’n centimeter breede voeg open kwam.„Nu ligt deze zerk los,” beweerde Kees, maar Henk zei: „Je vergeet de stutbalken.”„Wat nou weer?” vroeg Hesse.„Je begrijpt, dat die steenen toch ergens op moeten rusten. Daarvoor zijn de steunbalken.”„En in de kelder zagen we niets.”„Ach jò, die balken zitten verborgen in ’n laag kalk of zoo.”„Praten jullie toch zoo niet! Hoe moet ’t nu verder?”Vijf nadenkende gezichten!Allerlei uitroepen!Henk zei eindelijk: „We moeten ’n plat ijzer hebben of anders ’n steenboor.”Beide voorwerpen bleken niet verkrijgbaar.Toen weer diep gedenk en ’n uitroep van Hesse:„We zullen er ’n hoek uithakken, dan kunnen we er ons dikke ijzer in krijgen.”Het was gevonden!Ze hakten!Stukje voor stukje vloog van de zerk los, en na ’n geweldige hakkerij, ontstond er ’n opening.Kees deed ook ’n uitvinding.Volgens hem moest er ’n dik touw door heen. In de kelder kon één er ’n dwarshout aan binden. Dan met z’n allen trekken!Aldus geschiedde!De zerk bewoog.... ze kwam op één kant te staan en plofte achterover.Vijf hoofden gluurden door de opening.Dat was ’n prachtig luchtgat en ’n prachtig lichtgat.Dadelijk gingen ze onderzoeken hoe ’t werkte.„Die vieze lucht is al weg,” vond Wibbe.„We kunnen nu best zien,” verklaarde Hesse.Henk oordeelde ’t noodig om nog ’n paar zerken om te wippen.Nou, dat ging heel wat vlugger!En zoo onstond er, vrijwel in ’t midden ’n uitstekend lucht en lichtgat.Vermoeid verlangden de arbeiders naar rust.Er werden wat brokken hout naar beneden geworpenen daarop namen de afgetobde ridders plaats.„Morgen beginnen we aan ’t zand kruien,” zei Hesse, „breng als je kunt ’n schop mee, dan schieten we op.”Ze voelden alle vijf, dat ze in dit natte slik niet konden blijven.Al ’t overtollige water was hier verzameld. Het zou waarschijnlijk wel wegzakken, maar ze konden daarop niet wachten.Zoo bracht ’n nieuwe dag, nieuwe arbeid. Ze werkten waarlijk voorbeeldig en stortten heele ladingen zand door middel van ’n geleenden kruiwagen in hun kelder.Later werd dat zand verspreid over den bodem.De put kreeg ’n vracht steenen te verzwelgen, nadat ’t vuile water er uitgeschept was.Toen verdween ze onder de last van zes kruiwagens zand.Verscheidene dagen had ’t werk geduurd, maar de zegepraal was volkomen.Hesse kondigde ’s middags half vijf, Donderdag 26 Juli plechtig aan:„Morgen feestelijke inwijding van ’t geheime verblijf der ridders van den halven toren!”

Daar stonden ze met d’r vijven!

Sprakeloos.

Hesse was de eerste die wat zei.

„Dit blijft geheim, hoor je!”

Ze knikten alleen.

„We gaan er in,” zei Hesse.

Hij haalde den lantaren en wilde de kaars aansteken, maar hij miste lucifers.

Driftig vroeg hij: „Geef ’s gauw lucifers!”

Alle vier zochten ze op ’n drukke manier, helaas, niemand kon ’n doosje vinden.

Alleen Kees vischte ’n ongelukkig stompje uit de scheuren van zijn voering, maar dit vertoonde niet eens ’n kop.

„’k Móét ze hebben!” riep Hesse, en tegelijkertijd holde hij weg om ze te halen.

Met ’n vaart stoof hij naar binnen, juist mevrouw tegen ’t lijf.

„Hei hei, Hes, wat is dat voor ’n haast!” riep ze, maar de jongen gunde zich niet eens den tijd om behoorlijk antwoord te geven.

„’k Moet lucifers hebben!”

Weg rende hij.

Mevrouw werd ’n weinigje boos om die manieren van Hesse. Ze ging ’m achterna en toen hij met ’n doosje weg wilde stuiven, greep ze ’m bij ’n arm en ontstemd vroeg ze:

„Wat moet je met die lucifers? Ik vind je manier van doen niet zooals ’t hoort.”

Hesse kwam in ’n lastig parket....

Van de kelder mocht ze in geen geval iets weten, dus maakte hij er zich af door te zeggen: „’t Is zoo donker in den toren, we hebben iets ontdekt!”

Mevrouw zag nu wel, hoe opgewonden hij deed, haar goede hart dreef haar tot ’n kort: „Voorzichtig met vuur, hoor!”

Nu moest Hesse toch lachen!

In dien uitgebranden toren voorzichtig met vuur zijn? Alleen voor die oude kisten met papieren?

Hij zei maar niets, veel te blij, dat hij kon weg snappen.

Hijgend kwam hij in den toren terug en met zenuwachtige haast stak hij de kaars aan.

Toen ging ’t behoedzaam ’t trapje af.... Hesse liet den lantaren zooveel mogelijk zakken om te kunnen zien....

Veel onderscheidde hij niet en dus daalde hij verder, terwijl de vier andere ridders op hun knieënin spanning afwachtten hoe ’t onderzoek zou afloopen.

Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....

Zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....

Hesse’s hoofd verdween in ’t donkere gat.... ’t licht van den lantaren wierp zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....

Toen klonk er ’n stem als uit ’n graf:

„Kom maar!”

De jongens keken elkander aan.

Wibbe, als oudste vriend, voelde zich verplicht om eerst te gaan.

Voorzichtig zette hij z’n voeten op de eerste trede, toen lager, en eindelijk stond hij naast Hesse.

Rondom ’n dikke duisternis, alleen ’n lichtvlak voor hun voeten.

De bodem voelde kleffig aan, geen geluid drong in de diepte door.... alleen de stem van Henk....

Ook deze stond na ’n paar minuten bij Wibbe en Hesse, die als vastgevroren op dezelfde plek bleven staan.

Jan en Kees volgden....

Geen van de vijf verroerde zich, allen luisterden ze en trachtten ’t duister te doorboren.

Eindelijk kwam er ’n woord van Hesse:

„’t Loopt onder den vloer van de kerk dóór.”

De vier anderen zagen hem bewegen en mèt Hesse bewoog ook ’t lichtvlak, zoodat ze nu meer in ’t donker stonden.

„Zie je wat?” fluisterde Henk.

Hesse antwoordde niet, hij had al z’n aandacht noodig bij ’t voortgezet onderzoek.

Schoorvoetend volgden de anderen!

Ze vonden ’t veiliger om bij ’t licht te blijven.

Hesse schoof heel langzaam verder, tot hij plotseling bleef staan.

’t Lichtvlak schoot opeens naar boven met ’n hoek....

De starende ridders zagen ’n muur....

Langzaam stapten ze verder, één hand tastend tegen den muur.

„’t Is hier benauwd,” klaagde Jan.

Inderdaad hing er in ’t gewelf ’n dompige zware lucht, waardoor de hoofden begonnen te gloeien.

Toch wilden ze ’t onderzoek nu niet opgeven. Eerst moesten ze weten of er iets bizonders ontdekt werd.

Hesse bleef voorop gaan, den lantaren hoog in de hand.

Zóó schoven ze langs de muren verder, tot ze weer bij de trap uitkwamen, aangeduid door ’n flauwe schemering, die uit den toren neerviel.

„Nog even in ’t midden kijken,” aldus kommandeerde Hesse.

Hij en Wibbe lieten de drie anderen staan en stevenden nu recht uit naar ’t midden.

Eensklaps klonk er ’n gil....

Henk en de twee anderen schrikten op en met wijde oogen probeerden ze te zien wat er gebeurde....

Ze verroerden geen vin!

Toen klonk weer de scherpe stem van Wibbe:

„Kom dan, gauw! gauw!”

Met popelende harten en bevend van angst naderden de drie....

Wat was er gebeurd?....

Zou Hesse....?

Ze wisten niet wat ze dachten—ze waren alleen maar bang!

Bang voor ’t onbekende....

Nauwelijks waren ze bij ’t lichtvlak, of ze begrepen met één oogopslag waarom Hesse zoo had gegild....

Hij lag in ’n put!....

Wibbe trok uit alle macht, maar vergeefs!

’t Bloed stroomde de drie weer naar de wangen!

Snel grepen ze Hesse bij de armen en heschen hem uit ’t water.

Druipend zat de jonge ridder in ’t slik van den kant en z’n eerste woord was:

„Stommeriken!”

Op die manier scheen hij de vrienden te willen bedanken voor hun hulp.

Waarom Hesse hen voor stommeriken uitschold, bleef ’n raadsel.

Henk zei ’t ook: „Wat doe jij zoo stom te wezen om in die put te rollen?”

Hesse begon zich droog te schudden en terloops gaf hij antwoord: „Wist ik, dat er hier ’n put was!”

De anderen moesten toegeven, dat ’t hen verbaasdeen ze begonnen allerlei veronderstellingen te opperen.

Snel grepen ze Hesse.Snel grepen ze Hesse.

Snel grepen ze Hesse.

Waarschijnlijk was ’t niet anders dan grondwater, langzamerhand in deze put verzameld.

Maar Hesse vroeg: „Hoe komt die put er dan?” Zou ze gegraven zijn? Kwamen hier menschen? Wibbe deed ’n zeer verstandig voorstel, toen niemand ’n goede oplossing vond.

„Ga jij nou mee naar huis om je natte boeltje uit te doen. Laat mevrouw ’t niet merken, anders mogen we misschien niet meer. Morgen komen we weer bij elkaar en dan moet elk ’n lantaren hebben plus ’n paar kaarsen. Dan gaan we de kelder hier schitterend verlichten en meteen eens goed kijken wat er te zien is.”

Hesse wilde eerst niet van weggaan weten, maar de vier bezwoeren hem, in ’s hemelsnaam niet ziek te worden.

Voor de meerderheid moest Hesse wijken.

Ze kropen dus weer uit de donkere ruimte, sloten den toegang af door de zerk, en daarop schoven ze de kisten.

Vlug namen ze afscheid.

Drie draafden ’t dorp uit, den weg op naar de stad.

Wibbe nam Hesse bij ’n arm en holde naar huis.

Dichtbij liepen ze heel kalm alsof er geen windje aan de lucht was en veilig kwamen ze op de kamer van Hesse.

Wibbe deed kordaat!

Hij trok hem de schoenen en kousen uit—de eerste verstopte hij in de kast en de laatste wrong hij stevig uit om ze te drogen tegen den volgenden dag.

„Je neemt je andere laarzen,” zei Wibbe, „en daar stop je dan je bloote voeten in, dat gaat best.”

Ook de broek en de onderbroek nam Wibbe onderhanden.

„Ik leg alles op zolder,” zei hij, „je trekt je oude broek maar aan en anders niets.”

Wibbe hielp handig en vlug en ongemerkt wist hij de natte boel op zolder te krijgen, waar alles werd uitgespreid.

Hesse zag er toch wel ’n beetje pipsch uit, misschien door ’t beleefde avontuur en door de vochtigheid.

Mevrouw scheen de ongewone rustigheid vande jongens te bevreemden. Ze geloofde aan ’t een of andere kattekwaad en dus ging ze eens kijken, maar de twee jongens zaten opWibbe’skamer heel aandachtig platen te kijken.

„Wat zijn jullie vroeg binnen, er is toch niets?”

Hesse zat gelukkig aan den versten kant van de tafel, waardoor mevrouw de onderste helft van z’n lichaam niet kon zien.

Wibbe antwoordde ferm: „We spelen riddertje en nu moeten we morgen weten, hoe die vroegere ridders met verraders deden.”

Dat klinkt vreeselijk, dacht Wibbe, nu zal ze wel gauw weggaan, maar mevrouw ging er op in! Ze wilde weten wie de verrader was!

Toen diende Wibbe wel vol te houden met ’t vertellen van ’n toekomstig plan.

„Ik ben ’t,” zei hij, „en nu zoeken we naar ’n plaat, die ik gezien heb, waar onder staat: De dood van den verrader.”

Hesse zei geen enkel woord en hij herademde toen mevrouw de kamer verliet.

„Als ze toch iets merkt,” zei Hesse later, „dan móét je liegen. Ze mag niets van onze geheime kelder weten! Dan is de aardigheid er af.”

Wibbe moest dat toegeven en dus beloofde hij alleen te zullen zeggen: Hesse is in ’t water gevallen.

Tot groote vreugde van de jongens, kreeg mevrouw er geen erg in.

Veilig belandden ze in bed en ze droomden van hun kelder.

Den anderen dag droeg Hesse z’n zelfde kleerenweer. Ja, de bovenbroek voelde nog min of meer vochtig aan, maar allo, ze gingen eerst ’n uurtje in ’t gras liggen om van de zon wat warmte af te gappen.

Deze laatste uitdrukking was van Hesse en nog afkomstig uit z’n vroegere jaren.

Maar ’n uur hielden ze ’t niet uit!

„We hebben geen kaarsen,” riep Hesse, „zullen we ze gaan vragen?”

„Mevrouw zal ons aan zien komen!” meende Wibbe, „ik wil ’t toch wel probeeren!”

Weg draafde hij en acht minuten later keerde hij terug met twee kaarsen.

„Dat vindt ze genoeg!” riep hij tegen Hesse. „Maar ’t is lang niet genoeg! We moeten er minstens tien hebben.”

Hesse dacht even na....

Toen vroeg hij: „Heb je nog zakgeld?”

Wibbe bezat nog zeven centen, Hesse niemendal. Voor zeven centen is ’t kwaad kaarsen koopen en toch wilden ze er meer hebben.

Opeens riep Hesse: „we gaan naar Jans Kroep, die moet ze maar poffen.”

„Wat?” vroeg Wibbe.

„We zeggen, dat we ze naderhand wel zullen betalen.”

Wibbe vond ’t plan maar zóó zóó!

Toch volgde hij z’n vriend op z’n ren naar den winkel van Jans.

Deze oude juffrouw hield er ’n soort manusje van alles op na.

De jongens hadden er al meermalen boterbrokkengekocht, maar ook ’t bewuste pistooltje, waar Hesse den eersten dag zoo naar verlangd had. Jans kende de jongens heel goed door hun herhaalde bezoeken en door hun geregeld voorbijgaan.

Toch zette ze ’n leelijk gezicht, toen Wibbe haar vóórstelde, hem tien kaarsen te geven om pas later ’t geld te ontvangen.

„Dus mevrouw Broekenaaier weet er niets van?” vroeg ze, „waar moeten ze voor dienen?”

Wibbe en Hesse keken elkander eens aan.

Zouden ze Jans alles zeggen?

Dat kon niet!

Dus—dus....

Er kwam redding!

Wibbe had op ’t lessenaartje ’n velletje postpapierontdekt. Jans scheen bezig met ’t schrijven van ’n brief, wat haar veel moeite kostte, want Wibbe herkende enkelevlekkenen allerzonderlingste hanepoten.

Plotseling kreeg hij ’n ingeving!

„Wil ik dien brief voor je schrijven?” vroeg hij.

Jans keek hem wantrouwend aan, maar wie twijfelde aan Wibbe’s eerlijkheid als je in dat open gezicht keek.

Ze begon te grinniken en ze antwoordde: „Brieven schrijven is nog m’n dood! Ja, als je ’t wil doen.”

„Zeker!” riep Wibbe, „en de eene dienst is de andere waard, dan leen jij ons de kaarsen!”

De ruil werd beklonken, en vol vreugde ijlden de twee ridders met hun twaalf kaarsen in de richting van den toren.

Twee stuks had Wibbe van mevrouw meegekregen’n halve zat er nog in den lantaren—ze beschikten dus over twaalf en ’n half exemplaar.

De drie andere ridders werden pas om één uur ’s middags verwacht.

Wibbe en Hesse besteedden dus hun morgenuren aan ’t klauteren naar boven.

Omdat ze nu ’t heerlijke gevoel hadden, ’n geheime kelder te bezitten, schepten ze veel meer plezier in die beklimming dan den eersten keer.

Er stond weer ’n stralende zon en doordat de toren juist was doorgebroken op de plek waar ’n platje om zoo te zeggen de tweede verdieping aanwees, konden ze daar buitengewoon gezellig rondscharrelen. Hesse haalde natuurlijk ’t kunststuk uit om ruiter te paard op den afgebrokkelden muurrand te gaan zitten.

Ongemerkt hield Wibbe hem achter aan z’n buis vast.

Plotseling slaakte Hesse ’n kreet!

Wibbe schrikte eerst, maar toen verstond hij ’t woord: vlag.

Dadelijk vatte hij vuur en riep: „Ja, we moeten ’n vlag hebben of ’n banier!”

De vervaardiging van iets dergelijks zou hen den ganschen morgen bezig houden!

„Màg ’t wel?” vroeg Wibbe, toen ze op weg waren naar huis.

„Waarom niet? We hebben verlof om hier te spelen. Waarom zou je er dan geen vlag mogen plaatsen.”

Thuis klampten ze mevrouw aan en verlangden van haar ’n vlag.

„Die heb ik niet! Ik geloof ’t ten minste niet. Zoolang ik hier woon, is ’t nog niet voorgekomen.

„Ga maar mee! Ik zal eens op zolder zoeken.”

Ze volgden.

Mevrouw snuffelde in allerlei hoeken en gaten, in oude koffers, en ja, eindelijk vond ze iets, dat op ’n vlag leek. Het was ’n groote oranjelap vol scheuren en flarden.

Toen juichten de jongens en dadelijk begonnen ze pogingen in ’t werk te stellen om er ’n toonbare vlag van te maken. Dat viel niet mee.

De lap was zóó gehavend, dat er eigenlijk maar ’n vierkante decimeter van overschoot.

Mevrouw wilde met alle plezier ’n handje helpen en dus knipte ze, en ze paste, en ze naaide....

Onmiddellijk trokken de ridders op zoek naar ’n fatsoenlijken stok.

Ze konden toch kwalijk ’n boonenstaak nemen!

’t Is toch maar ’n moeilijke zaak om voor ridder te spelen. En dan was er nog niet eens sprake van harnassen!

Maar de goede wereld levert wel stokken op en dus kregen Wibbe en Hesse er eindelijk één in bezit.

De moeilijkheid zat ’m natuurlijk in de lengte. Stokken genoeg, maar ze moesten ’n lange hebben, die boven op den halven toren kon bevestigd worden.

Zóó een haalden ze bij boer Peggers. Die goeie kerel stond er met plezier een af, omdat de notaris hèm zoo goed geholpen had toen hij ’n stukje land koopen wilde.

De oranje lap, wèl vol toenaaisels en ingezettestukken werd nu met de bandjes aan den stok van drie meter veertig bevestigd.

Daarna trokken de beide ridders met den jonggeborene naar hun verblijf.

Het kostte hen menig zweetdruppeltje eer de stok goed en wel vast stond, want ze vonden hoegenaamd geen geschikte aanknoopingspunten.

Ongeveer zes maal moesten ze de trap af, naar huis. Eerstens om hamer en spijker te halen, tweedens om ’n touw, toen weer om ’n kram, waarmee de stok aan ’t ondereinde moest vastgezet worden.

Ze gunden zich haast géén tijd om ’n paar boterhammen in te slikken, zóó vervuld waren ze van hun vlag, te meer omdat Wibbe ’t plan opperde er ’n hond in te prikken en door de gaatjes zwart draad te trekken.

Bij nader inzien kon dat nog wel later gebeuren.

Juist toen de stok stevig stond, klonken de juichkreten van de drie stadsridders. Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag en even daarna stonden de vijf jongens met verrukte gezichten onder de wapperende vlag.

Ja zeker, de wind blies fel uit ’t Zuid-Oosten en deed ’t doek ontplooien.

„Heb jullie kaarsen meegebracht?” vroeg Hesse. Dadelijk doken de handen in de zakken en daar verschenen tien kaarsen.

„We hebben er dus twee en twintig!” gilde Hesse en hij toonde zijn pak.

„Ze moeten nog betaald worden,” vertelde hij.

Henk trok ’n vies gezicht en hij vroeg: „Koopen jullie op krediet? Daar moet ik niets van hebben.”

Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.

Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag.

„En als je nou geen geld hebt en je moet kaarsen hebben, wat dan?”

—„Ja, wat dan? We zouden met tien kaarsen toch ook wel ’n mooie verlichting gehad hebben.”

„Wat kosten ze?”

—„Tien voor drie kwartjes.”

Henk dacht even na en toen zei hij:

„Allo Jan en Kees, opdokken! Hoeveel hebben jullie? Wij koopen die tien kaarsen en later betalen Wibbe en Hesse weer nieuwe.”

Kees en Jan wisten samen drie en veertig centen op te diepen. Henk legde de rest er bij en op zijn bevel moest deze schuld eerst afgelost worden.

Wibbe zou er voor zorgen, hij holde naar Jans en—daar kwam hij terug met vijf reepjes.

Wibbe aan ’t verdeelen!

„Dat is voor ’t schrijven van dien brief,” legde hij uit.

Aldus verkwikt trokken de ridders omlaag. De kisten werden verschoven, met d’r vijven verlegden ze de zerk.

Toen kreeg elk ’n brandende kaars in de hand en zóó daalden ze af.

Dat meerdere licht gaf ’n heel andere kijk in de ruimte.

En nog meer na ’t ontsteken van de overige zeventien kaarsen.

Duidelijk onderscheidden ze nu rondom de muren van zware steenen. De bodem van de kelder bestond uit ’n dik glibberig zand. Midden in zagen ze de put, gevuld met slijkerig water.

Langs de muren plaatsten de jongens op geregelde afstanden hun kaarsen, en vier om de put.

Ziezoo, nu raakten ze op hun gemak!

Hesse kreeg weer de oude praats.

„Ik verklaar deze kelder voor onze geheime verzamelplaats. Hier houden we onze bijeenkomsten....”

Méér wist Hesse niet te verzinnen op ’t oogenblik.

Henk merkte op: „’t Is wel leuk, maar veel te nat. Ook kunnen we onmogelijk zooveel kaarsen betalen. Ik stel vóór, dat we ’n gat probeeren te maken in den vloer van de oude kerk. Als dat klaar is, gaan we zooveel mogelijk zand door de opening smijten om ’t hier ’n beetje droog te maken.

„Als we ooit nog eens beschermelingen krijgen, moeten we die hier opbergen en dan dienen we toch ’n droog plekje te hebben.”

’t Voorstel van Henk werd aangenomen.

De kaarsen werden uitgeblazen en zorgvuldig in de kist gepakt.

Wibbe kwam op den reuzeninval om al de papieren uit de kisten alvast naar beneden te brengen voor de drooglegging.

Alles kon meehelpen, en dus verdwenen al de oude kranten in de kelder.

Toen begon er ’n zeer moeilijk onderzoek tusschen de puinhopen om ’n losse zerk te vinden. Dat werd ’n hopeloos werk.

Jan zei nog ’t verstandigste woord: „Er is maar één plek, waar we kans hebben.”

Hij wees op ’n diepte, waar ’n groote steen bloot lag.

„We moeten dien steen stuk slaan of anders de voegen openkrabbelen.”

Dat laatste leek allen de eenigste kans van slagen.

Met messen en spijkers begon er ’n langdurig gepeuter. Rondom de zerk werd ’t cement weggebikt, zoodat er ’n centimeter breede voeg open kwam.

„Nu ligt deze zerk los,” beweerde Kees, maar Henk zei: „Je vergeet de stutbalken.”

„Wat nou weer?” vroeg Hesse.

„Je begrijpt, dat die steenen toch ergens op moeten rusten. Daarvoor zijn de steunbalken.”

„En in de kelder zagen we niets.”

„Ach jò, die balken zitten verborgen in ’n laag kalk of zoo.”

„Praten jullie toch zoo niet! Hoe moet ’t nu verder?”

Vijf nadenkende gezichten!

Allerlei uitroepen!

Henk zei eindelijk: „We moeten ’n plat ijzer hebben of anders ’n steenboor.”

Beide voorwerpen bleken niet verkrijgbaar.

Toen weer diep gedenk en ’n uitroep van Hesse:

„We zullen er ’n hoek uithakken, dan kunnen we er ons dikke ijzer in krijgen.”

Het was gevonden!

Ze hakten!

Stukje voor stukje vloog van de zerk los, en na ’n geweldige hakkerij, ontstond er ’n opening.

Kees deed ook ’n uitvinding.

Volgens hem moest er ’n dik touw door heen. In de kelder kon één er ’n dwarshout aan binden. Dan met z’n allen trekken!

Aldus geschiedde!

De zerk bewoog.... ze kwam op één kant te staan en plofte achterover.

Vijf hoofden gluurden door de opening.

Dat was ’n prachtig luchtgat en ’n prachtig lichtgat.

Dadelijk gingen ze onderzoeken hoe ’t werkte.

„Die vieze lucht is al weg,” vond Wibbe.

„We kunnen nu best zien,” verklaarde Hesse.

Henk oordeelde ’t noodig om nog ’n paar zerken om te wippen.

Nou, dat ging heel wat vlugger!

En zoo onstond er, vrijwel in ’t midden ’n uitstekend lucht en lichtgat.

Vermoeid verlangden de arbeiders naar rust.

Er werden wat brokken hout naar beneden geworpenen daarop namen de afgetobde ridders plaats.

„Morgen beginnen we aan ’t zand kruien,” zei Hesse, „breng als je kunt ’n schop mee, dan schieten we op.”

Ze voelden alle vijf, dat ze in dit natte slik niet konden blijven.

Al ’t overtollige water was hier verzameld. Het zou waarschijnlijk wel wegzakken, maar ze konden daarop niet wachten.

Zoo bracht ’n nieuwe dag, nieuwe arbeid. Ze werkten waarlijk voorbeeldig en stortten heele ladingen zand door middel van ’n geleenden kruiwagen in hun kelder.

Later werd dat zand verspreid over den bodem.

De put kreeg ’n vracht steenen te verzwelgen, nadat ’t vuile water er uitgeschept was.

Toen verdween ze onder de last van zes kruiwagens zand.

Verscheidene dagen had ’t werk geduurd, maar de zegepraal was volkomen.

Hesse kondigde ’s middags half vijf, Donderdag 26 Juli plechtig aan:

„Morgen feestelijke inwijding van ’t geheime verblijf der ridders van den halven toren!”


Back to IndexNext