XIII.De lont.’n Week lang merkten de ridders geen spoor van vijanden. Hun onrust zakte en van zelf begonnen ze afleiding te zoeken in andere bezigheden.Dodo en Rip waren weer hersteld, maar toch bleven ze in huis, de kelder bleek ’n alles behalve veilige schuilplaats te zijn.De notaris had de ridders ook eens onder handen genomen en hen gedreigd met afsluiting van den toren als dat vechten niet ophield!Hesse en Wibbe verdedigden zich!Zijwaren niet begonnen,zijwilden niets liever dan arme dieren zoeken en die verplegen,zijwaren geen laffe beulen....De notaris wist ’t wel en dus vertelde hij, dat de vreemde jongens eenvoudig niet meer in ’t dorp werden toegelaten.Van nu af aan herleefden ze!Wat wisten zij van Flips vreeselijke plan!Onbewust van ’t dreigend gevaar begonnen ze met nieuwen moed hun zwerftochten door de omstreken, op zoek, zooals echte ridders betaamt naar onderdrukte en lijdende dieren. En ’t lot was hun gunstig!In ’t naburig dorp Elde werd kermis gevierd. Nou, kermis en jongens, die trekken elkaar aan. Mevrouw had Wibbe en Hesse ’n extra kwartje gegeven onder voorwaarde, dat ze ’t geld niet al te dwaas zouden besteden.Henk en Jan en Kees waren óók van de partij!’n Vroolijke boel, daar in Elde!Langs de hoofdstraat aan weerskanten tal van kramen en stalletjes, twee draaimolens en ’n paar spellen!En ’n volk op de been! Heel veel uit de stad. Met d’r vijven lieten ze zich door den stroom meevoeren, wrongen zich eens los om te blijven kijken naar ’t bal werpen, ’t messen gooien en meer van die vermakelijkheden, waar jongens dol op zijn.’n Vroolijke boel!’n Vroolijke boel!Hesse waagde ’n dubbeltje, want hij zag ’n mes—’n mes, nee maar, ’n pracht van ’n mes. En hij zou den ring er ineens over wippen. Zeven ringen voor één dubbeltje! Zeven kansen!En Hesse mikte.... mikte.... gooide zes maal mis.... zeven maal mis.... en Hesse had ’n dubbeltje minder en ook wat plezier.Kees moest met alle geweld ’n koek winnen, ’n groote natuurlijk, zoo één met ’n vracht suikerletters en kleurige vruchten.Zoo’n koek had je pardoes voor ’n stuiver! Ja zeker, voor ’n stuiver, als je ten minste wòn. Twaalf menschen moesten meedoen, elk voor vijf centen en wie dan ’t hoogste aantal oogen wierp, die hàd de koek.Niets moeielijk!Je zorgde maar, dat je méér gooide dan de anderen!Tot z’n groot verdriet gooide Kees minder en dus kreeg hij géén koek en ’n stuiver was weg.Henk liet zich nergens toe overhalen en lachte om Wibbe, die eventjes met ’n bal zou werpen in ’t kuiltje, waar ’n roode streep door liep. Dan won je ’n doos chocolade!Stel je voor, ’n groote doos voor ’n dubbeltje! Maar och help, Wibbe’s bal kwam in ’n heel ander kuiltje, en daarom kreeg hij ’n dun reepje van zes centen waarde!Henk zei: „Je had voor je dubbeltje beter ’n reep van ’n dubbeltje kunnen koopen!”En Jan probeerde listig met ’n flesch te slingeren, ’n leege flesch, die aan ’n touwtje hing.Bij ’t teruggaan moest je ’n kegeltje omwerpen en dan won je iets moois, dat je mocht kiezen uit ’n verzameling.Maar die domme flesch slingerde akelig aan den linkerkant van ’t kegeltje terug, als je hem rechts had doen afgaan.En Jan verloor ook ’n dubbeltje!’n Dubbeltje, waarvoor je vijf keer in den draaimolen kon zitten, of ’t kalf met twee koppen voor mocht bewonderen.Henk deed niets, tot hij aan de schietkraam kwam. ’t Gezicht van de windbuksen, al de pijpen die je stuk mocht schieten, al de knoppen, die je kon raken en waardoor dan iets aardigs te voorschijn kwam uit ’n hokje, ’t dansende glinsterende balletjeop ’n spuitend fonteintje, ’t deed Henk ’n dubbeltje offeren om twee maal te kunnen schieten.En Henk, bewonderend gadegeslagen, legde aan, mikte en schoot niets!En Henk legde weer aan, mikte weer en schoot weer....Toen raakte hij ’t knopje van ’t linkerkastje, waaruit onder algemeene toejuichingen en groot gelach ’n komieke oude vrouw kwam schuiven.Ze reed tot vlak bij en—gaf Henk ’n dubbeltje!„Zie je,” zei Henk, „twee maal geschoten, jool gehad en ’t heeft niets gekost.”„Nou ja, omdat je bij ongeluk geraakt hebt,” zei Jan.Henk stoof òp!„Bij ongeluk? Raak is raak! Dan zijn alle raakschoten bij ongeluk!”Ze kregen haast ruzie, maar gelukkig trok ’n nieuw schouwspel hun aandacht.Aan ’t eind van de straat sloeg je rechts af, dan kwam je op ’n pleintje. Daar zat ’n kat in ’n ton en die ton hing hoog aan ’n paal. Met knuppels probeerden nu ’n aantal boerenjongens de kat te raken.’t Beest klemde zich met de nagels in doodsangst vast, maar elke stoot tegen de ton, deed er haar toch weer half uitvliegen. Dan probeerde ’n volgende ’t dier te treffen, want wie ’t beest doodelijk raakte, die was winner!Hesse geloofde z’n oogen niet!Mòcht dat? Voelden die jonge mannen niet, hoe vreeselijk zoo’n dier moest lijden?Ze dachten er natuurlijk niet over. Hun vaders hadden ook heel wat katten doodgeknuppeld, waarom zij niet? Ze vonden ’t een leuk spel.Hesse niet!Zijngevoelig hart kwam in opstand, maar wat kon hij er aan doen?O, maar dan ken je Hesse niet!In ’n oogenblik wist hij, wat hem te doen stond.Tot verbazing van de spelers verscheen er ’n tweede kat, nee, ’n jongen, die als ’n kat in de paal klom, ruiter te paard over de dwarsbalk schoof, zich liet zakken, de kat bij ’t nekvel greep en haar boven op de dwarspaal zette....Toen eerst beseften de jonge kerels wat er gebeurde! Ze begonnen te schreeuwen, maar Hesse liet ze schreeuwen!Langzaam schoof hij terug, nam de kat mee, en daarna gleed hij met ’t versufte beest naar beneden.De spelers wachtten hem op, maar Hesse, vechtend voor ’t leven van ’n dier, sprong als ’n dolleman heen en weer, nu geholpen door de vrienden.Schreeuwend als ’n bezetene, trappend en schoppend verdedigde Hesse ’t geredde beest, tot één der beulen riep: „Laat loopen! katten genoeg!” En Hesse liep!En de vier ridders liepen!De heele kermis vergaten ze, tot ze buiten ’t dorp uitgeput neervielen met poes.’t Dier zag er treurig uit!Eén pootje hing er bij en één oog zat half toe.Na kort beraad besloot Hesse, ’t gewonde beestnaar huis te brengen, dan mochten de anderen verder kermis vieren.„Tegen!” brulde Henk, „samen uit, samen thuis! We gaan mee en dan laten we die heele kermis waaien.”„Dan gaan we morgen draaien!” riep Jan.„Met rijmen!” bromde Henk.„Dan redden we wéér ’n kat!” schreeuwde Hesse, „ik vind ’t geen leuke beesten, maar ik kan toch niet hebben, dat ze mishandeld worden.”Mevrouw sloeg de handen in elkaar van verbazing bij de verschijning van de nieuwe gewonde.„Nee maar!” riep ze, „dat is nummer vier! Hou nu alsjeblieft op! m’n huis is toch geen ziekeninrichting!”Ondanks d’r gemopper begon ze toch dadelijk de arme poes te behandelen en daarbij keken acht belangstellenden toe, te weten: vijf ridders, Dodo, Rip en de vleermuis.Na ’n uitstekende verbinding werd poes in een mand gelegd en—eensklaps, gebeurde er iets vreemds, want de huiskat, Mimi genoemd, die van jaloezie weg was geloopen, kwam binnen en ze begon bij ’t zien van die indringster te blazen en aanstalten te maken tot ’n gevecht op leven en dood.„Hoor ’s,” zei mevrouw, „jullie wolven komen waarschijnlijk nooit terug. Ik zou dus de kelder maar weer in gebruik stellen, want je ziet hoe ’t hier zou gaan.”En ze drukte Mimi tegen zich aan, in elke hand, één poot.Zoo kwam ’t, dat vier zieken over werden gebracht naar de kelder, waar elk ’n eigen hoekje kreeg.’t Groote schild lieten ze nog maar voor ’t luchtgat. Je kon nooit weten!Dodo en Rip vonden ’t niet zoo bar plezierig! Zij zouden liever in gezelschap van die lieve mevrouw gebleven zijn, maar de ridders sloofden zich uit, om ’t den dieren naar den zin te maken.En dan, ze waren nu toch met d’r vieren!„Verbeeld je,” zei Jan, „verbeeld je, dat Rip de kat dood bijt of de kat eerst de vleermuis op eet.”Jan werd uitgelachen!„Zieke dieren eten elkaar niet op en dan—ze zullen toch wel begrijpen, dat zoo iets verboden is,” beweerde Kees.Toch sloten ze ’t vleermuisje door wat latwerk ’n beetje af, en ook poes diende zich voorloopig met ’n hokje te vergenoegen, tot gebleken was, hoe Rip over die zaak dacht.Het werd dien dag te laat om nog naar de kermis terug te gaan.Maar—onder ’t middagmaal vertelden Hesse en Wibbe van ’t katknuppelen.Eigenlijk gezegd zat Wibbe z’n vriend hemelhoog te prijzen om z’n dappere daad, en natuurlijk stemde de notaris daar mee in.Toen Hesse vertelde, dat hij den volgenden dag weer ’n kat ging redden, stak de notaris er ’n speldje vóór.„’t Is nu goed afgeloopen,” zei hij, „’n tweeden keer zullen ze je niet gemakkelijk laten begaan! Je hebt gehandeld uit echt medelijden en dat isgoed, heel goed! Maar verder—basta!”Dat verbod speet Hesse geweldig, al moest Wibbe eerlijk bekennen, dat ’t voor de tweede maal een gevaarlijk werkje zou worden.En de drie stadsridders vonden ’t ook maar beter toen ze er den anderen dag van hoorden. Dien morgen hielden de vijf zich met de vier bezig. Het bleek dat Rip heelemaal niet van plan was om de verminkte poes aan te vallen, integendeel, hij en Dodo zaten broederlijk bij de doos en keken ook verder vredelievend toe bij ’t vernieuwen van ’t verband.Knuppeltje noemden ze de kat en de vleermuis die nog steeds niet fladderen kon, kreeg den naam van Oortje.Na de algemeene verzorging van de dieren in de kelder, na ’t uitdeelen van verschillende lekkernijen vervaardigden de ridders meerdere afgeschoten plaatsen en met d’r negenen gebruikten ze ’t tweede ontbijt.’s Middags trokken de ridders er weer op uit om goede werken te verrichten.’t Lot bleef hen gunstig!In ’n weiland zagen ze ’n aantal kinderen met iets bezig....Hesse vermoedde mishandeling!Hij er op af!En jawel, ’n paar jongens hadden kikkers gevangen en nu waren ze bezig om die dieren zoo goed als dood te martelen.De ridders sloegen de martelaars op de vlucht, brachten vier half doode beesten in de kelder.Henk kreeg ’n paar folteraars te pakken. Hij schudde ze dan door elkander en vroeg: „Waarom doen jullie dat, hè? Dacht je, dat die arme beesten geen gevoel hadden?”Toen antwoordde één van de lummels: „Hij schreeuwt toch niet!”Over dit antwoord stonden de ridders verbaasd, alleen Henk zei:„Je ziet maar, dat ’t dikwijls domheid is, als kinderen wreed zijn.”De kikkers kregen ’n fijn plaatsje, veel gras en ’n partijtje vliegen, zoodat ze zoetjes aan bij kwamen. Nu konden de ridders toch duidelijk zien, hoe fraai die beestjes eigenlijk zijn.Dien zelfden middag werden ze in de gelegenheid gesteld nòg ’n goede daad te verrichten.Het gebeurde buiten ’t dorp op den weg naar Elde.Vermoeid van ’t zwerven, zaten de vijf aan den kant van den weg te rusten.Eensklaps werden ze opgeschrikt door luid geschreeuw....Daar kwam ’n hondenkar aan, en de kerel, die er op zat, gilde als ’n bezetene, sloeg met de zweep woedend naar ’n hond. ’t Dier liep snel voort, maar nog niet snel genoeg naar den zin van den kerel. Hij vloekte en raasde, tot plotseling enkele meters van de ridders af, de hond ineenzakte, half hangend tusschen de boomen. De tong kwam als ’n trillende bleekroode lap uit z’n bek en een geelachtig schuim vlakte op den grond. Maar nu werd de kerel nòg woedender!Hij rukte aan de leidsels, sprong van den wagenen begon ’t machtelooze beest te schoppen, tot hij er zelf van hijgde....De jongens waren opgesprongen, in ’t eerst verschrikt, maar toen ontwaakte bij Hesse weer ’t heftig medelijden met ’t gemartelde dier.Met ’n vaart stoof hij op den beul af en haast gillend klonk z’n stem: „Schei uit! laat ’t! beul! beul! beul!”Even verwonderd liet de kerel de zweep rusten en hij staarde de jongens met z’n beloopen oogen aan, maar toen hij begreep, alleen met kinderen te doen te hebben, begon hij opnieuw....’t Bloed steeg Hesse naar ’t hoofd!Z’n driftige aard kwam boven en als ’n dolleman vloog hij op den kerel aan, greep de zweep en als ’n roofdier klampte hij zich aan den man vast om hem verder martelen te beletten....Toen keerde zich de woede van den kerel tegen Hesse en hij begon heftige pogingen in ’t werk te stellen om zich van den jongen te ontdoen....Dat ging niet zonder pijn gepaard en dus schreeuwde Hesse om hulp....Dat deed de overige ridders eindelijk aanpakken!Onder aanvoering van Henk stormden ze op den kerel los en ze begonnen hem aan te vallen bij ’t uiten van doordringende kreten....’t Duurde niet lang, of van twee zijden naderden nieuwsgierigen en ’t spreekt van zelf, dat de jongens geholpen werden....Hesse trad als aanklager op, en iedereen, die ’t stervende dier zag liggen, moest de waarheid erkennen van Hesse’s woorden.Stormden ze op den kerel los.Stormden ze op den kerel los.Een auto hield stil....Snel stapte ’n heer uit, ondervroeg enkele omstanders en toen richtte hij zich tot den kerel, stelde hem enkele vragen, sneed onderwijl alle touwen en riemen los en toen volgde z’n bevel: „Sjouw jij zelf je kar, dat arme beest neem ik onder m’n bescherming. Je zult er meer van hooren!”De drank had uitgewerkt.... stumperig stond de kerel tegenover den burgemeester van Elde en mompelde flauwe verontschuldigingen.Onderwijl droegen Hesse en Wibbe den hond in de auto en na ’n kort gesprek tusschen den burgemeester en Hesse klommen de vijf ridders óók in den wagen, twee bij den chauffeur.Beteuterd zag de kerel de auto wegrijden en onder ’t minachtend lachen van de omstanders, die nu dóór liepen, bleef de dierenbeul alleen bij z’n kar....In de auto leerde de Eldensche burgemeester den jongen ridder Hesse pas goed kennen. Hij hoorde van den halven toren, van Dodo, Rip, Oortje en Knuppeltje. Het spreekt van zelf, dat hij den hond Kas heel graag onder bescherming van de vijf ridders stelde.Hesse begon meteen over ’t katknuppelen en nu bleek, dat dit laffe spel werkelijk verboden was. De burgemeester zou er achterheen zitten, dat beloofde hij.In korten tijd reden ze naar Kooten, waar jongens en hond bij den notaris werden afgezet.Notaris en burgemeester wisselden ’n paar woordjes en ’t zaakje kwam in orde.Daar deed ’n nieuw slachtoffer z’n intrede! De andere bewoners van de kelder toonden zeer groote belangstelling, behalve de kikkers.De arme Kas, met litteekens overdekt, ellendig uitgezakt en vergroeid door het te zware trekken, lag languit op ’t stroo.Hij begreep den toestand niet....Waar bleven ’t dreigend geschreeuw, de felle slagen, de ruwe trappen?....Hij liet z’n helpers stil begaan en ’t leek wel of hij zacht huilde....De ridders voelden zich trotsch met deze redding en vooral Hesse.Er kwam enkele dagen later ’n geldzending als bijdrage in de kosten van onderhoud. De vroegereeigenaar was afgekocht en toch bekocht, want hij kreeg straf ook.De burgemeester van Elde deed door ’t gestuurde geld van z’n belangstelling blijken en de ridders konden nu van alles koopen voor hun beschermelingen.—Na dien dag scheen ’t wel, of de ridders alle ongelukkige dieren in den omtrek moesten ontmoeten. Ten minste de kelder werd achtereenvolgens bevolkt door nog vier nieuwe beklagenswaardige dieren. Daar kwam eerst ’t geitje, Lizi gedoopt en gered uit de handen van ’n vrouw, die algemeen voor niet goed wijs werd gehouden.Op Lizi volgde ’t eekhoorntje Koko, uit ’t geldpotje vrijgekocht na ’n ellendig leven in ’n soort van molentje.Na Koko verscheen Witje, de duif, verlost uit de ruwe handen van Joe, den mandenmaker. Deze had ’t diertje aan één poot opgehangen!....Ten slotte volgde—Bles!’n Paard toch zeker niet?Toch wel!’n Oud, halfblind, kreupel uitgemergeld paard! Dat was ’n triomf voor de ridders, dit armzalige dier uit z’n slavernij gehaald te hebben voor de som van zeventien gulden, eerlijk voldaan uit de geldpot voor de dieren.De notaris zorgde wel, dat die pot goed gevuld was, zoogenaamd door allerlei dierenvrienden, maar in werkelijkheid.... nou ja.Zegepralend voerden ze Bles mee en bezorgden den stakker ’n lekkeren stal in den toren!Ziezoo.Even de lijst oplezen: Dodo, Rip, Oortje, Knuppeltje, Groenrokken, Kas, Lizi, Koko, Witje en Bles.De groenrokken verlieten ’t gezelschap na hun herstel. Zij voelden zich hier vreemd en ze toonden ook heelemaal geen belangstelling in de anderen. De rest blééf.Geen wonder, dat de ridders ’t druk hadden en vooral Bles eischte heel wat zorgen, wilde de arme knol niet dood gaan.Maar hij háálde ’t,gelukkig!Natuurlijk kreeg de kelder nu ook bezoek van nieuwsgierigen en van dierenvrienden.Elk betaalde één dubbeltje toegangsprijs, ’n bijdrage in de kosten van onderhoud.En ’t was de burgemeester van Elde, die na ’n bezichtiging van de kelder tot de jongens zei:„Jullie bent echte ridders van den halven toren, je hebt mooi en flink gehandeld! ’t Zal jullie wel goed gaan!”Maar Flip was met z’n vreeselijk plan klaar! Op zekeren donkeren avond in de laatste week van de vacantie wist hij langs ’n omweg ’t dorp te bereiken, geheel alleen!Hij droeg ’n zak over den schouder....Voorzichtig sloop hij buiten om achter de boomen tot bij den toren....Hij wierp zich nu voorover en kroop naar den voet tot vlak bij de plek, waar de steen was los gemaakt.Hier werkte hij zich door de opening en nu stondhij onder in ’t duister van den toren.Even schrikte hij, omdat Bles met z’n poot op den vloer stampte....’t Lantarenlicht deed hem ’t paard zien, zoodat hij gerust gesteld werd.In ’n hoek opende hij den zak en haalde er enkele pakken uit....Hij wierp den inhoud, veel gelijkend op grijs zand onder de trap op ’n hoop....Daarna kwam er uit den zak ’n zeer lange witte in elkaar gedraaide driedubbele katoenen draad....’t Uiteinde legde hij in ’t grijze zand....Toen wikkelde hij den draad af en kroop met ’t uiteinde in de hand weer naar buiten....Daar stond hij behoedzaam stil....De honden hadden even aangeslagen, meer niet. ’t Uiteinde van den draad hield hij in de kaarsvlam....’t ding begon te smeulen en zachtjes verplaatste zich de gloed....Flip verdween snel in ’t duister....En de lont brandde langzaam op.... ’n blauwachtig vlammetje kroop den toren in en schoof al maar voort.... met ’n wijden boog om Bles heen in de richting van ’t kruit....
XIII.De lont.’n Week lang merkten de ridders geen spoor van vijanden. Hun onrust zakte en van zelf begonnen ze afleiding te zoeken in andere bezigheden.Dodo en Rip waren weer hersteld, maar toch bleven ze in huis, de kelder bleek ’n alles behalve veilige schuilplaats te zijn.De notaris had de ridders ook eens onder handen genomen en hen gedreigd met afsluiting van den toren als dat vechten niet ophield!Hesse en Wibbe verdedigden zich!Zijwaren niet begonnen,zijwilden niets liever dan arme dieren zoeken en die verplegen,zijwaren geen laffe beulen....De notaris wist ’t wel en dus vertelde hij, dat de vreemde jongens eenvoudig niet meer in ’t dorp werden toegelaten.Van nu af aan herleefden ze!Wat wisten zij van Flips vreeselijke plan!Onbewust van ’t dreigend gevaar begonnen ze met nieuwen moed hun zwerftochten door de omstreken, op zoek, zooals echte ridders betaamt naar onderdrukte en lijdende dieren. En ’t lot was hun gunstig!In ’t naburig dorp Elde werd kermis gevierd. Nou, kermis en jongens, die trekken elkaar aan. Mevrouw had Wibbe en Hesse ’n extra kwartje gegeven onder voorwaarde, dat ze ’t geld niet al te dwaas zouden besteden.Henk en Jan en Kees waren óók van de partij!’n Vroolijke boel, daar in Elde!Langs de hoofdstraat aan weerskanten tal van kramen en stalletjes, twee draaimolens en ’n paar spellen!En ’n volk op de been! Heel veel uit de stad. Met d’r vijven lieten ze zich door den stroom meevoeren, wrongen zich eens los om te blijven kijken naar ’t bal werpen, ’t messen gooien en meer van die vermakelijkheden, waar jongens dol op zijn.’n Vroolijke boel!’n Vroolijke boel!Hesse waagde ’n dubbeltje, want hij zag ’n mes—’n mes, nee maar, ’n pracht van ’n mes. En hij zou den ring er ineens over wippen. Zeven ringen voor één dubbeltje! Zeven kansen!En Hesse mikte.... mikte.... gooide zes maal mis.... zeven maal mis.... en Hesse had ’n dubbeltje minder en ook wat plezier.Kees moest met alle geweld ’n koek winnen, ’n groote natuurlijk, zoo één met ’n vracht suikerletters en kleurige vruchten.Zoo’n koek had je pardoes voor ’n stuiver! Ja zeker, voor ’n stuiver, als je ten minste wòn. Twaalf menschen moesten meedoen, elk voor vijf centen en wie dan ’t hoogste aantal oogen wierp, die hàd de koek.Niets moeielijk!Je zorgde maar, dat je méér gooide dan de anderen!Tot z’n groot verdriet gooide Kees minder en dus kreeg hij géén koek en ’n stuiver was weg.Henk liet zich nergens toe overhalen en lachte om Wibbe, die eventjes met ’n bal zou werpen in ’t kuiltje, waar ’n roode streep door liep. Dan won je ’n doos chocolade!Stel je voor, ’n groote doos voor ’n dubbeltje! Maar och help, Wibbe’s bal kwam in ’n heel ander kuiltje, en daarom kreeg hij ’n dun reepje van zes centen waarde!Henk zei: „Je had voor je dubbeltje beter ’n reep van ’n dubbeltje kunnen koopen!”En Jan probeerde listig met ’n flesch te slingeren, ’n leege flesch, die aan ’n touwtje hing.Bij ’t teruggaan moest je ’n kegeltje omwerpen en dan won je iets moois, dat je mocht kiezen uit ’n verzameling.Maar die domme flesch slingerde akelig aan den linkerkant van ’t kegeltje terug, als je hem rechts had doen afgaan.En Jan verloor ook ’n dubbeltje!’n Dubbeltje, waarvoor je vijf keer in den draaimolen kon zitten, of ’t kalf met twee koppen voor mocht bewonderen.Henk deed niets, tot hij aan de schietkraam kwam. ’t Gezicht van de windbuksen, al de pijpen die je stuk mocht schieten, al de knoppen, die je kon raken en waardoor dan iets aardigs te voorschijn kwam uit ’n hokje, ’t dansende glinsterende balletjeop ’n spuitend fonteintje, ’t deed Henk ’n dubbeltje offeren om twee maal te kunnen schieten.En Henk, bewonderend gadegeslagen, legde aan, mikte en schoot niets!En Henk legde weer aan, mikte weer en schoot weer....Toen raakte hij ’t knopje van ’t linkerkastje, waaruit onder algemeene toejuichingen en groot gelach ’n komieke oude vrouw kwam schuiven.Ze reed tot vlak bij en—gaf Henk ’n dubbeltje!„Zie je,” zei Henk, „twee maal geschoten, jool gehad en ’t heeft niets gekost.”„Nou ja, omdat je bij ongeluk geraakt hebt,” zei Jan.Henk stoof òp!„Bij ongeluk? Raak is raak! Dan zijn alle raakschoten bij ongeluk!”Ze kregen haast ruzie, maar gelukkig trok ’n nieuw schouwspel hun aandacht.Aan ’t eind van de straat sloeg je rechts af, dan kwam je op ’n pleintje. Daar zat ’n kat in ’n ton en die ton hing hoog aan ’n paal. Met knuppels probeerden nu ’n aantal boerenjongens de kat te raken.’t Beest klemde zich met de nagels in doodsangst vast, maar elke stoot tegen de ton, deed er haar toch weer half uitvliegen. Dan probeerde ’n volgende ’t dier te treffen, want wie ’t beest doodelijk raakte, die was winner!Hesse geloofde z’n oogen niet!Mòcht dat? Voelden die jonge mannen niet, hoe vreeselijk zoo’n dier moest lijden?Ze dachten er natuurlijk niet over. Hun vaders hadden ook heel wat katten doodgeknuppeld, waarom zij niet? Ze vonden ’t een leuk spel.Hesse niet!Zijngevoelig hart kwam in opstand, maar wat kon hij er aan doen?O, maar dan ken je Hesse niet!In ’n oogenblik wist hij, wat hem te doen stond.Tot verbazing van de spelers verscheen er ’n tweede kat, nee, ’n jongen, die als ’n kat in de paal klom, ruiter te paard over de dwarsbalk schoof, zich liet zakken, de kat bij ’t nekvel greep en haar boven op de dwarspaal zette....Toen eerst beseften de jonge kerels wat er gebeurde! Ze begonnen te schreeuwen, maar Hesse liet ze schreeuwen!Langzaam schoof hij terug, nam de kat mee, en daarna gleed hij met ’t versufte beest naar beneden.De spelers wachtten hem op, maar Hesse, vechtend voor ’t leven van ’n dier, sprong als ’n dolleman heen en weer, nu geholpen door de vrienden.Schreeuwend als ’n bezetene, trappend en schoppend verdedigde Hesse ’t geredde beest, tot één der beulen riep: „Laat loopen! katten genoeg!” En Hesse liep!En de vier ridders liepen!De heele kermis vergaten ze, tot ze buiten ’t dorp uitgeput neervielen met poes.’t Dier zag er treurig uit!Eén pootje hing er bij en één oog zat half toe.Na kort beraad besloot Hesse, ’t gewonde beestnaar huis te brengen, dan mochten de anderen verder kermis vieren.„Tegen!” brulde Henk, „samen uit, samen thuis! We gaan mee en dan laten we die heele kermis waaien.”„Dan gaan we morgen draaien!” riep Jan.„Met rijmen!” bromde Henk.„Dan redden we wéér ’n kat!” schreeuwde Hesse, „ik vind ’t geen leuke beesten, maar ik kan toch niet hebben, dat ze mishandeld worden.”Mevrouw sloeg de handen in elkaar van verbazing bij de verschijning van de nieuwe gewonde.„Nee maar!” riep ze, „dat is nummer vier! Hou nu alsjeblieft op! m’n huis is toch geen ziekeninrichting!”Ondanks d’r gemopper begon ze toch dadelijk de arme poes te behandelen en daarbij keken acht belangstellenden toe, te weten: vijf ridders, Dodo, Rip en de vleermuis.Na ’n uitstekende verbinding werd poes in een mand gelegd en—eensklaps, gebeurde er iets vreemds, want de huiskat, Mimi genoemd, die van jaloezie weg was geloopen, kwam binnen en ze begon bij ’t zien van die indringster te blazen en aanstalten te maken tot ’n gevecht op leven en dood.„Hoor ’s,” zei mevrouw, „jullie wolven komen waarschijnlijk nooit terug. Ik zou dus de kelder maar weer in gebruik stellen, want je ziet hoe ’t hier zou gaan.”En ze drukte Mimi tegen zich aan, in elke hand, één poot.Zoo kwam ’t, dat vier zieken over werden gebracht naar de kelder, waar elk ’n eigen hoekje kreeg.’t Groote schild lieten ze nog maar voor ’t luchtgat. Je kon nooit weten!Dodo en Rip vonden ’t niet zoo bar plezierig! Zij zouden liever in gezelschap van die lieve mevrouw gebleven zijn, maar de ridders sloofden zich uit, om ’t den dieren naar den zin te maken.En dan, ze waren nu toch met d’r vieren!„Verbeeld je,” zei Jan, „verbeeld je, dat Rip de kat dood bijt of de kat eerst de vleermuis op eet.”Jan werd uitgelachen!„Zieke dieren eten elkaar niet op en dan—ze zullen toch wel begrijpen, dat zoo iets verboden is,” beweerde Kees.Toch sloten ze ’t vleermuisje door wat latwerk ’n beetje af, en ook poes diende zich voorloopig met ’n hokje te vergenoegen, tot gebleken was, hoe Rip over die zaak dacht.Het werd dien dag te laat om nog naar de kermis terug te gaan.Maar—onder ’t middagmaal vertelden Hesse en Wibbe van ’t katknuppelen.Eigenlijk gezegd zat Wibbe z’n vriend hemelhoog te prijzen om z’n dappere daad, en natuurlijk stemde de notaris daar mee in.Toen Hesse vertelde, dat hij den volgenden dag weer ’n kat ging redden, stak de notaris er ’n speldje vóór.„’t Is nu goed afgeloopen,” zei hij, „’n tweeden keer zullen ze je niet gemakkelijk laten begaan! Je hebt gehandeld uit echt medelijden en dat isgoed, heel goed! Maar verder—basta!”Dat verbod speet Hesse geweldig, al moest Wibbe eerlijk bekennen, dat ’t voor de tweede maal een gevaarlijk werkje zou worden.En de drie stadsridders vonden ’t ook maar beter toen ze er den anderen dag van hoorden. Dien morgen hielden de vijf zich met de vier bezig. Het bleek dat Rip heelemaal niet van plan was om de verminkte poes aan te vallen, integendeel, hij en Dodo zaten broederlijk bij de doos en keken ook verder vredelievend toe bij ’t vernieuwen van ’t verband.Knuppeltje noemden ze de kat en de vleermuis die nog steeds niet fladderen kon, kreeg den naam van Oortje.Na de algemeene verzorging van de dieren in de kelder, na ’t uitdeelen van verschillende lekkernijen vervaardigden de ridders meerdere afgeschoten plaatsen en met d’r negenen gebruikten ze ’t tweede ontbijt.’s Middags trokken de ridders er weer op uit om goede werken te verrichten.’t Lot bleef hen gunstig!In ’n weiland zagen ze ’n aantal kinderen met iets bezig....Hesse vermoedde mishandeling!Hij er op af!En jawel, ’n paar jongens hadden kikkers gevangen en nu waren ze bezig om die dieren zoo goed als dood te martelen.De ridders sloegen de martelaars op de vlucht, brachten vier half doode beesten in de kelder.Henk kreeg ’n paar folteraars te pakken. Hij schudde ze dan door elkander en vroeg: „Waarom doen jullie dat, hè? Dacht je, dat die arme beesten geen gevoel hadden?”Toen antwoordde één van de lummels: „Hij schreeuwt toch niet!”Over dit antwoord stonden de ridders verbaasd, alleen Henk zei:„Je ziet maar, dat ’t dikwijls domheid is, als kinderen wreed zijn.”De kikkers kregen ’n fijn plaatsje, veel gras en ’n partijtje vliegen, zoodat ze zoetjes aan bij kwamen. Nu konden de ridders toch duidelijk zien, hoe fraai die beestjes eigenlijk zijn.Dien zelfden middag werden ze in de gelegenheid gesteld nòg ’n goede daad te verrichten.Het gebeurde buiten ’t dorp op den weg naar Elde.Vermoeid van ’t zwerven, zaten de vijf aan den kant van den weg te rusten.Eensklaps werden ze opgeschrikt door luid geschreeuw....Daar kwam ’n hondenkar aan, en de kerel, die er op zat, gilde als ’n bezetene, sloeg met de zweep woedend naar ’n hond. ’t Dier liep snel voort, maar nog niet snel genoeg naar den zin van den kerel. Hij vloekte en raasde, tot plotseling enkele meters van de ridders af, de hond ineenzakte, half hangend tusschen de boomen. De tong kwam als ’n trillende bleekroode lap uit z’n bek en een geelachtig schuim vlakte op den grond. Maar nu werd de kerel nòg woedender!Hij rukte aan de leidsels, sprong van den wagenen begon ’t machtelooze beest te schoppen, tot hij er zelf van hijgde....De jongens waren opgesprongen, in ’t eerst verschrikt, maar toen ontwaakte bij Hesse weer ’t heftig medelijden met ’t gemartelde dier.Met ’n vaart stoof hij op den beul af en haast gillend klonk z’n stem: „Schei uit! laat ’t! beul! beul! beul!”Even verwonderd liet de kerel de zweep rusten en hij staarde de jongens met z’n beloopen oogen aan, maar toen hij begreep, alleen met kinderen te doen te hebben, begon hij opnieuw....’t Bloed steeg Hesse naar ’t hoofd!Z’n driftige aard kwam boven en als ’n dolleman vloog hij op den kerel aan, greep de zweep en als ’n roofdier klampte hij zich aan den man vast om hem verder martelen te beletten....Toen keerde zich de woede van den kerel tegen Hesse en hij begon heftige pogingen in ’t werk te stellen om zich van den jongen te ontdoen....Dat ging niet zonder pijn gepaard en dus schreeuwde Hesse om hulp....Dat deed de overige ridders eindelijk aanpakken!Onder aanvoering van Henk stormden ze op den kerel los en ze begonnen hem aan te vallen bij ’t uiten van doordringende kreten....’t Duurde niet lang, of van twee zijden naderden nieuwsgierigen en ’t spreekt van zelf, dat de jongens geholpen werden....Hesse trad als aanklager op, en iedereen, die ’t stervende dier zag liggen, moest de waarheid erkennen van Hesse’s woorden.Stormden ze op den kerel los.Stormden ze op den kerel los.Een auto hield stil....Snel stapte ’n heer uit, ondervroeg enkele omstanders en toen richtte hij zich tot den kerel, stelde hem enkele vragen, sneed onderwijl alle touwen en riemen los en toen volgde z’n bevel: „Sjouw jij zelf je kar, dat arme beest neem ik onder m’n bescherming. Je zult er meer van hooren!”De drank had uitgewerkt.... stumperig stond de kerel tegenover den burgemeester van Elde en mompelde flauwe verontschuldigingen.Onderwijl droegen Hesse en Wibbe den hond in de auto en na ’n kort gesprek tusschen den burgemeester en Hesse klommen de vijf ridders óók in den wagen, twee bij den chauffeur.Beteuterd zag de kerel de auto wegrijden en onder ’t minachtend lachen van de omstanders, die nu dóór liepen, bleef de dierenbeul alleen bij z’n kar....In de auto leerde de Eldensche burgemeester den jongen ridder Hesse pas goed kennen. Hij hoorde van den halven toren, van Dodo, Rip, Oortje en Knuppeltje. Het spreekt van zelf, dat hij den hond Kas heel graag onder bescherming van de vijf ridders stelde.Hesse begon meteen over ’t katknuppelen en nu bleek, dat dit laffe spel werkelijk verboden was. De burgemeester zou er achterheen zitten, dat beloofde hij.In korten tijd reden ze naar Kooten, waar jongens en hond bij den notaris werden afgezet.Notaris en burgemeester wisselden ’n paar woordjes en ’t zaakje kwam in orde.Daar deed ’n nieuw slachtoffer z’n intrede! De andere bewoners van de kelder toonden zeer groote belangstelling, behalve de kikkers.De arme Kas, met litteekens overdekt, ellendig uitgezakt en vergroeid door het te zware trekken, lag languit op ’t stroo.Hij begreep den toestand niet....Waar bleven ’t dreigend geschreeuw, de felle slagen, de ruwe trappen?....Hij liet z’n helpers stil begaan en ’t leek wel of hij zacht huilde....De ridders voelden zich trotsch met deze redding en vooral Hesse.Er kwam enkele dagen later ’n geldzending als bijdrage in de kosten van onderhoud. De vroegereeigenaar was afgekocht en toch bekocht, want hij kreeg straf ook.De burgemeester van Elde deed door ’t gestuurde geld van z’n belangstelling blijken en de ridders konden nu van alles koopen voor hun beschermelingen.—Na dien dag scheen ’t wel, of de ridders alle ongelukkige dieren in den omtrek moesten ontmoeten. Ten minste de kelder werd achtereenvolgens bevolkt door nog vier nieuwe beklagenswaardige dieren. Daar kwam eerst ’t geitje, Lizi gedoopt en gered uit de handen van ’n vrouw, die algemeen voor niet goed wijs werd gehouden.Op Lizi volgde ’t eekhoorntje Koko, uit ’t geldpotje vrijgekocht na ’n ellendig leven in ’n soort van molentje.Na Koko verscheen Witje, de duif, verlost uit de ruwe handen van Joe, den mandenmaker. Deze had ’t diertje aan één poot opgehangen!....Ten slotte volgde—Bles!’n Paard toch zeker niet?Toch wel!’n Oud, halfblind, kreupel uitgemergeld paard! Dat was ’n triomf voor de ridders, dit armzalige dier uit z’n slavernij gehaald te hebben voor de som van zeventien gulden, eerlijk voldaan uit de geldpot voor de dieren.De notaris zorgde wel, dat die pot goed gevuld was, zoogenaamd door allerlei dierenvrienden, maar in werkelijkheid.... nou ja.Zegepralend voerden ze Bles mee en bezorgden den stakker ’n lekkeren stal in den toren!Ziezoo.Even de lijst oplezen: Dodo, Rip, Oortje, Knuppeltje, Groenrokken, Kas, Lizi, Koko, Witje en Bles.De groenrokken verlieten ’t gezelschap na hun herstel. Zij voelden zich hier vreemd en ze toonden ook heelemaal geen belangstelling in de anderen. De rest blééf.Geen wonder, dat de ridders ’t druk hadden en vooral Bles eischte heel wat zorgen, wilde de arme knol niet dood gaan.Maar hij háálde ’t,gelukkig!Natuurlijk kreeg de kelder nu ook bezoek van nieuwsgierigen en van dierenvrienden.Elk betaalde één dubbeltje toegangsprijs, ’n bijdrage in de kosten van onderhoud.En ’t was de burgemeester van Elde, die na ’n bezichtiging van de kelder tot de jongens zei:„Jullie bent echte ridders van den halven toren, je hebt mooi en flink gehandeld! ’t Zal jullie wel goed gaan!”Maar Flip was met z’n vreeselijk plan klaar! Op zekeren donkeren avond in de laatste week van de vacantie wist hij langs ’n omweg ’t dorp te bereiken, geheel alleen!Hij droeg ’n zak over den schouder....Voorzichtig sloop hij buiten om achter de boomen tot bij den toren....Hij wierp zich nu voorover en kroop naar den voet tot vlak bij de plek, waar de steen was los gemaakt.Hier werkte hij zich door de opening en nu stondhij onder in ’t duister van den toren.Even schrikte hij, omdat Bles met z’n poot op den vloer stampte....’t Lantarenlicht deed hem ’t paard zien, zoodat hij gerust gesteld werd.In ’n hoek opende hij den zak en haalde er enkele pakken uit....Hij wierp den inhoud, veel gelijkend op grijs zand onder de trap op ’n hoop....Daarna kwam er uit den zak ’n zeer lange witte in elkaar gedraaide driedubbele katoenen draad....’t Uiteinde legde hij in ’t grijze zand....Toen wikkelde hij den draad af en kroop met ’t uiteinde in de hand weer naar buiten....Daar stond hij behoedzaam stil....De honden hadden even aangeslagen, meer niet. ’t Uiteinde van den draad hield hij in de kaarsvlam....’t ding begon te smeulen en zachtjes verplaatste zich de gloed....Flip verdween snel in ’t duister....En de lont brandde langzaam op.... ’n blauwachtig vlammetje kroop den toren in en schoof al maar voort.... met ’n wijden boog om Bles heen in de richting van ’t kruit....
XIII.De lont.
’n Week lang merkten de ridders geen spoor van vijanden. Hun onrust zakte en van zelf begonnen ze afleiding te zoeken in andere bezigheden.Dodo en Rip waren weer hersteld, maar toch bleven ze in huis, de kelder bleek ’n alles behalve veilige schuilplaats te zijn.De notaris had de ridders ook eens onder handen genomen en hen gedreigd met afsluiting van den toren als dat vechten niet ophield!Hesse en Wibbe verdedigden zich!Zijwaren niet begonnen,zijwilden niets liever dan arme dieren zoeken en die verplegen,zijwaren geen laffe beulen....De notaris wist ’t wel en dus vertelde hij, dat de vreemde jongens eenvoudig niet meer in ’t dorp werden toegelaten.Van nu af aan herleefden ze!Wat wisten zij van Flips vreeselijke plan!Onbewust van ’t dreigend gevaar begonnen ze met nieuwen moed hun zwerftochten door de omstreken, op zoek, zooals echte ridders betaamt naar onderdrukte en lijdende dieren. En ’t lot was hun gunstig!In ’t naburig dorp Elde werd kermis gevierd. Nou, kermis en jongens, die trekken elkaar aan. Mevrouw had Wibbe en Hesse ’n extra kwartje gegeven onder voorwaarde, dat ze ’t geld niet al te dwaas zouden besteden.Henk en Jan en Kees waren óók van de partij!’n Vroolijke boel, daar in Elde!Langs de hoofdstraat aan weerskanten tal van kramen en stalletjes, twee draaimolens en ’n paar spellen!En ’n volk op de been! Heel veel uit de stad. Met d’r vijven lieten ze zich door den stroom meevoeren, wrongen zich eens los om te blijven kijken naar ’t bal werpen, ’t messen gooien en meer van die vermakelijkheden, waar jongens dol op zijn.’n Vroolijke boel!’n Vroolijke boel!Hesse waagde ’n dubbeltje, want hij zag ’n mes—’n mes, nee maar, ’n pracht van ’n mes. En hij zou den ring er ineens over wippen. Zeven ringen voor één dubbeltje! Zeven kansen!En Hesse mikte.... mikte.... gooide zes maal mis.... zeven maal mis.... en Hesse had ’n dubbeltje minder en ook wat plezier.Kees moest met alle geweld ’n koek winnen, ’n groote natuurlijk, zoo één met ’n vracht suikerletters en kleurige vruchten.Zoo’n koek had je pardoes voor ’n stuiver! Ja zeker, voor ’n stuiver, als je ten minste wòn. Twaalf menschen moesten meedoen, elk voor vijf centen en wie dan ’t hoogste aantal oogen wierp, die hàd de koek.Niets moeielijk!Je zorgde maar, dat je méér gooide dan de anderen!Tot z’n groot verdriet gooide Kees minder en dus kreeg hij géén koek en ’n stuiver was weg.Henk liet zich nergens toe overhalen en lachte om Wibbe, die eventjes met ’n bal zou werpen in ’t kuiltje, waar ’n roode streep door liep. Dan won je ’n doos chocolade!Stel je voor, ’n groote doos voor ’n dubbeltje! Maar och help, Wibbe’s bal kwam in ’n heel ander kuiltje, en daarom kreeg hij ’n dun reepje van zes centen waarde!Henk zei: „Je had voor je dubbeltje beter ’n reep van ’n dubbeltje kunnen koopen!”En Jan probeerde listig met ’n flesch te slingeren, ’n leege flesch, die aan ’n touwtje hing.Bij ’t teruggaan moest je ’n kegeltje omwerpen en dan won je iets moois, dat je mocht kiezen uit ’n verzameling.Maar die domme flesch slingerde akelig aan den linkerkant van ’t kegeltje terug, als je hem rechts had doen afgaan.En Jan verloor ook ’n dubbeltje!’n Dubbeltje, waarvoor je vijf keer in den draaimolen kon zitten, of ’t kalf met twee koppen voor mocht bewonderen.Henk deed niets, tot hij aan de schietkraam kwam. ’t Gezicht van de windbuksen, al de pijpen die je stuk mocht schieten, al de knoppen, die je kon raken en waardoor dan iets aardigs te voorschijn kwam uit ’n hokje, ’t dansende glinsterende balletjeop ’n spuitend fonteintje, ’t deed Henk ’n dubbeltje offeren om twee maal te kunnen schieten.En Henk, bewonderend gadegeslagen, legde aan, mikte en schoot niets!En Henk legde weer aan, mikte weer en schoot weer....Toen raakte hij ’t knopje van ’t linkerkastje, waaruit onder algemeene toejuichingen en groot gelach ’n komieke oude vrouw kwam schuiven.Ze reed tot vlak bij en—gaf Henk ’n dubbeltje!„Zie je,” zei Henk, „twee maal geschoten, jool gehad en ’t heeft niets gekost.”„Nou ja, omdat je bij ongeluk geraakt hebt,” zei Jan.Henk stoof òp!„Bij ongeluk? Raak is raak! Dan zijn alle raakschoten bij ongeluk!”Ze kregen haast ruzie, maar gelukkig trok ’n nieuw schouwspel hun aandacht.Aan ’t eind van de straat sloeg je rechts af, dan kwam je op ’n pleintje. Daar zat ’n kat in ’n ton en die ton hing hoog aan ’n paal. Met knuppels probeerden nu ’n aantal boerenjongens de kat te raken.’t Beest klemde zich met de nagels in doodsangst vast, maar elke stoot tegen de ton, deed er haar toch weer half uitvliegen. Dan probeerde ’n volgende ’t dier te treffen, want wie ’t beest doodelijk raakte, die was winner!Hesse geloofde z’n oogen niet!Mòcht dat? Voelden die jonge mannen niet, hoe vreeselijk zoo’n dier moest lijden?Ze dachten er natuurlijk niet over. Hun vaders hadden ook heel wat katten doodgeknuppeld, waarom zij niet? Ze vonden ’t een leuk spel.Hesse niet!Zijngevoelig hart kwam in opstand, maar wat kon hij er aan doen?O, maar dan ken je Hesse niet!In ’n oogenblik wist hij, wat hem te doen stond.Tot verbazing van de spelers verscheen er ’n tweede kat, nee, ’n jongen, die als ’n kat in de paal klom, ruiter te paard over de dwarsbalk schoof, zich liet zakken, de kat bij ’t nekvel greep en haar boven op de dwarspaal zette....Toen eerst beseften de jonge kerels wat er gebeurde! Ze begonnen te schreeuwen, maar Hesse liet ze schreeuwen!Langzaam schoof hij terug, nam de kat mee, en daarna gleed hij met ’t versufte beest naar beneden.De spelers wachtten hem op, maar Hesse, vechtend voor ’t leven van ’n dier, sprong als ’n dolleman heen en weer, nu geholpen door de vrienden.Schreeuwend als ’n bezetene, trappend en schoppend verdedigde Hesse ’t geredde beest, tot één der beulen riep: „Laat loopen! katten genoeg!” En Hesse liep!En de vier ridders liepen!De heele kermis vergaten ze, tot ze buiten ’t dorp uitgeput neervielen met poes.’t Dier zag er treurig uit!Eén pootje hing er bij en één oog zat half toe.Na kort beraad besloot Hesse, ’t gewonde beestnaar huis te brengen, dan mochten de anderen verder kermis vieren.„Tegen!” brulde Henk, „samen uit, samen thuis! We gaan mee en dan laten we die heele kermis waaien.”„Dan gaan we morgen draaien!” riep Jan.„Met rijmen!” bromde Henk.„Dan redden we wéér ’n kat!” schreeuwde Hesse, „ik vind ’t geen leuke beesten, maar ik kan toch niet hebben, dat ze mishandeld worden.”Mevrouw sloeg de handen in elkaar van verbazing bij de verschijning van de nieuwe gewonde.„Nee maar!” riep ze, „dat is nummer vier! Hou nu alsjeblieft op! m’n huis is toch geen ziekeninrichting!”Ondanks d’r gemopper begon ze toch dadelijk de arme poes te behandelen en daarbij keken acht belangstellenden toe, te weten: vijf ridders, Dodo, Rip en de vleermuis.Na ’n uitstekende verbinding werd poes in een mand gelegd en—eensklaps, gebeurde er iets vreemds, want de huiskat, Mimi genoemd, die van jaloezie weg was geloopen, kwam binnen en ze begon bij ’t zien van die indringster te blazen en aanstalten te maken tot ’n gevecht op leven en dood.„Hoor ’s,” zei mevrouw, „jullie wolven komen waarschijnlijk nooit terug. Ik zou dus de kelder maar weer in gebruik stellen, want je ziet hoe ’t hier zou gaan.”En ze drukte Mimi tegen zich aan, in elke hand, één poot.Zoo kwam ’t, dat vier zieken over werden gebracht naar de kelder, waar elk ’n eigen hoekje kreeg.’t Groote schild lieten ze nog maar voor ’t luchtgat. Je kon nooit weten!Dodo en Rip vonden ’t niet zoo bar plezierig! Zij zouden liever in gezelschap van die lieve mevrouw gebleven zijn, maar de ridders sloofden zich uit, om ’t den dieren naar den zin te maken.En dan, ze waren nu toch met d’r vieren!„Verbeeld je,” zei Jan, „verbeeld je, dat Rip de kat dood bijt of de kat eerst de vleermuis op eet.”Jan werd uitgelachen!„Zieke dieren eten elkaar niet op en dan—ze zullen toch wel begrijpen, dat zoo iets verboden is,” beweerde Kees.Toch sloten ze ’t vleermuisje door wat latwerk ’n beetje af, en ook poes diende zich voorloopig met ’n hokje te vergenoegen, tot gebleken was, hoe Rip over die zaak dacht.Het werd dien dag te laat om nog naar de kermis terug te gaan.Maar—onder ’t middagmaal vertelden Hesse en Wibbe van ’t katknuppelen.Eigenlijk gezegd zat Wibbe z’n vriend hemelhoog te prijzen om z’n dappere daad, en natuurlijk stemde de notaris daar mee in.Toen Hesse vertelde, dat hij den volgenden dag weer ’n kat ging redden, stak de notaris er ’n speldje vóór.„’t Is nu goed afgeloopen,” zei hij, „’n tweeden keer zullen ze je niet gemakkelijk laten begaan! Je hebt gehandeld uit echt medelijden en dat isgoed, heel goed! Maar verder—basta!”Dat verbod speet Hesse geweldig, al moest Wibbe eerlijk bekennen, dat ’t voor de tweede maal een gevaarlijk werkje zou worden.En de drie stadsridders vonden ’t ook maar beter toen ze er den anderen dag van hoorden. Dien morgen hielden de vijf zich met de vier bezig. Het bleek dat Rip heelemaal niet van plan was om de verminkte poes aan te vallen, integendeel, hij en Dodo zaten broederlijk bij de doos en keken ook verder vredelievend toe bij ’t vernieuwen van ’t verband.Knuppeltje noemden ze de kat en de vleermuis die nog steeds niet fladderen kon, kreeg den naam van Oortje.Na de algemeene verzorging van de dieren in de kelder, na ’t uitdeelen van verschillende lekkernijen vervaardigden de ridders meerdere afgeschoten plaatsen en met d’r negenen gebruikten ze ’t tweede ontbijt.’s Middags trokken de ridders er weer op uit om goede werken te verrichten.’t Lot bleef hen gunstig!In ’n weiland zagen ze ’n aantal kinderen met iets bezig....Hesse vermoedde mishandeling!Hij er op af!En jawel, ’n paar jongens hadden kikkers gevangen en nu waren ze bezig om die dieren zoo goed als dood te martelen.De ridders sloegen de martelaars op de vlucht, brachten vier half doode beesten in de kelder.Henk kreeg ’n paar folteraars te pakken. Hij schudde ze dan door elkander en vroeg: „Waarom doen jullie dat, hè? Dacht je, dat die arme beesten geen gevoel hadden?”Toen antwoordde één van de lummels: „Hij schreeuwt toch niet!”Over dit antwoord stonden de ridders verbaasd, alleen Henk zei:„Je ziet maar, dat ’t dikwijls domheid is, als kinderen wreed zijn.”De kikkers kregen ’n fijn plaatsje, veel gras en ’n partijtje vliegen, zoodat ze zoetjes aan bij kwamen. Nu konden de ridders toch duidelijk zien, hoe fraai die beestjes eigenlijk zijn.Dien zelfden middag werden ze in de gelegenheid gesteld nòg ’n goede daad te verrichten.Het gebeurde buiten ’t dorp op den weg naar Elde.Vermoeid van ’t zwerven, zaten de vijf aan den kant van den weg te rusten.Eensklaps werden ze opgeschrikt door luid geschreeuw....Daar kwam ’n hondenkar aan, en de kerel, die er op zat, gilde als ’n bezetene, sloeg met de zweep woedend naar ’n hond. ’t Dier liep snel voort, maar nog niet snel genoeg naar den zin van den kerel. Hij vloekte en raasde, tot plotseling enkele meters van de ridders af, de hond ineenzakte, half hangend tusschen de boomen. De tong kwam als ’n trillende bleekroode lap uit z’n bek en een geelachtig schuim vlakte op den grond. Maar nu werd de kerel nòg woedender!Hij rukte aan de leidsels, sprong van den wagenen begon ’t machtelooze beest te schoppen, tot hij er zelf van hijgde....De jongens waren opgesprongen, in ’t eerst verschrikt, maar toen ontwaakte bij Hesse weer ’t heftig medelijden met ’t gemartelde dier.Met ’n vaart stoof hij op den beul af en haast gillend klonk z’n stem: „Schei uit! laat ’t! beul! beul! beul!”Even verwonderd liet de kerel de zweep rusten en hij staarde de jongens met z’n beloopen oogen aan, maar toen hij begreep, alleen met kinderen te doen te hebben, begon hij opnieuw....’t Bloed steeg Hesse naar ’t hoofd!Z’n driftige aard kwam boven en als ’n dolleman vloog hij op den kerel aan, greep de zweep en als ’n roofdier klampte hij zich aan den man vast om hem verder martelen te beletten....Toen keerde zich de woede van den kerel tegen Hesse en hij begon heftige pogingen in ’t werk te stellen om zich van den jongen te ontdoen....Dat ging niet zonder pijn gepaard en dus schreeuwde Hesse om hulp....Dat deed de overige ridders eindelijk aanpakken!Onder aanvoering van Henk stormden ze op den kerel los en ze begonnen hem aan te vallen bij ’t uiten van doordringende kreten....’t Duurde niet lang, of van twee zijden naderden nieuwsgierigen en ’t spreekt van zelf, dat de jongens geholpen werden....Hesse trad als aanklager op, en iedereen, die ’t stervende dier zag liggen, moest de waarheid erkennen van Hesse’s woorden.Stormden ze op den kerel los.Stormden ze op den kerel los.Een auto hield stil....Snel stapte ’n heer uit, ondervroeg enkele omstanders en toen richtte hij zich tot den kerel, stelde hem enkele vragen, sneed onderwijl alle touwen en riemen los en toen volgde z’n bevel: „Sjouw jij zelf je kar, dat arme beest neem ik onder m’n bescherming. Je zult er meer van hooren!”De drank had uitgewerkt.... stumperig stond de kerel tegenover den burgemeester van Elde en mompelde flauwe verontschuldigingen.Onderwijl droegen Hesse en Wibbe den hond in de auto en na ’n kort gesprek tusschen den burgemeester en Hesse klommen de vijf ridders óók in den wagen, twee bij den chauffeur.Beteuterd zag de kerel de auto wegrijden en onder ’t minachtend lachen van de omstanders, die nu dóór liepen, bleef de dierenbeul alleen bij z’n kar....In de auto leerde de Eldensche burgemeester den jongen ridder Hesse pas goed kennen. Hij hoorde van den halven toren, van Dodo, Rip, Oortje en Knuppeltje. Het spreekt van zelf, dat hij den hond Kas heel graag onder bescherming van de vijf ridders stelde.Hesse begon meteen over ’t katknuppelen en nu bleek, dat dit laffe spel werkelijk verboden was. De burgemeester zou er achterheen zitten, dat beloofde hij.In korten tijd reden ze naar Kooten, waar jongens en hond bij den notaris werden afgezet.Notaris en burgemeester wisselden ’n paar woordjes en ’t zaakje kwam in orde.Daar deed ’n nieuw slachtoffer z’n intrede! De andere bewoners van de kelder toonden zeer groote belangstelling, behalve de kikkers.De arme Kas, met litteekens overdekt, ellendig uitgezakt en vergroeid door het te zware trekken, lag languit op ’t stroo.Hij begreep den toestand niet....Waar bleven ’t dreigend geschreeuw, de felle slagen, de ruwe trappen?....Hij liet z’n helpers stil begaan en ’t leek wel of hij zacht huilde....De ridders voelden zich trotsch met deze redding en vooral Hesse.Er kwam enkele dagen later ’n geldzending als bijdrage in de kosten van onderhoud. De vroegereeigenaar was afgekocht en toch bekocht, want hij kreeg straf ook.De burgemeester van Elde deed door ’t gestuurde geld van z’n belangstelling blijken en de ridders konden nu van alles koopen voor hun beschermelingen.—Na dien dag scheen ’t wel, of de ridders alle ongelukkige dieren in den omtrek moesten ontmoeten. Ten minste de kelder werd achtereenvolgens bevolkt door nog vier nieuwe beklagenswaardige dieren. Daar kwam eerst ’t geitje, Lizi gedoopt en gered uit de handen van ’n vrouw, die algemeen voor niet goed wijs werd gehouden.Op Lizi volgde ’t eekhoorntje Koko, uit ’t geldpotje vrijgekocht na ’n ellendig leven in ’n soort van molentje.Na Koko verscheen Witje, de duif, verlost uit de ruwe handen van Joe, den mandenmaker. Deze had ’t diertje aan één poot opgehangen!....Ten slotte volgde—Bles!’n Paard toch zeker niet?Toch wel!’n Oud, halfblind, kreupel uitgemergeld paard! Dat was ’n triomf voor de ridders, dit armzalige dier uit z’n slavernij gehaald te hebben voor de som van zeventien gulden, eerlijk voldaan uit de geldpot voor de dieren.De notaris zorgde wel, dat die pot goed gevuld was, zoogenaamd door allerlei dierenvrienden, maar in werkelijkheid.... nou ja.Zegepralend voerden ze Bles mee en bezorgden den stakker ’n lekkeren stal in den toren!Ziezoo.Even de lijst oplezen: Dodo, Rip, Oortje, Knuppeltje, Groenrokken, Kas, Lizi, Koko, Witje en Bles.De groenrokken verlieten ’t gezelschap na hun herstel. Zij voelden zich hier vreemd en ze toonden ook heelemaal geen belangstelling in de anderen. De rest blééf.Geen wonder, dat de ridders ’t druk hadden en vooral Bles eischte heel wat zorgen, wilde de arme knol niet dood gaan.Maar hij háálde ’t,gelukkig!Natuurlijk kreeg de kelder nu ook bezoek van nieuwsgierigen en van dierenvrienden.Elk betaalde één dubbeltje toegangsprijs, ’n bijdrage in de kosten van onderhoud.En ’t was de burgemeester van Elde, die na ’n bezichtiging van de kelder tot de jongens zei:„Jullie bent echte ridders van den halven toren, je hebt mooi en flink gehandeld! ’t Zal jullie wel goed gaan!”Maar Flip was met z’n vreeselijk plan klaar! Op zekeren donkeren avond in de laatste week van de vacantie wist hij langs ’n omweg ’t dorp te bereiken, geheel alleen!Hij droeg ’n zak over den schouder....Voorzichtig sloop hij buiten om achter de boomen tot bij den toren....Hij wierp zich nu voorover en kroop naar den voet tot vlak bij de plek, waar de steen was los gemaakt.Hier werkte hij zich door de opening en nu stondhij onder in ’t duister van den toren.Even schrikte hij, omdat Bles met z’n poot op den vloer stampte....’t Lantarenlicht deed hem ’t paard zien, zoodat hij gerust gesteld werd.In ’n hoek opende hij den zak en haalde er enkele pakken uit....Hij wierp den inhoud, veel gelijkend op grijs zand onder de trap op ’n hoop....Daarna kwam er uit den zak ’n zeer lange witte in elkaar gedraaide driedubbele katoenen draad....’t Uiteinde legde hij in ’t grijze zand....Toen wikkelde hij den draad af en kroop met ’t uiteinde in de hand weer naar buiten....Daar stond hij behoedzaam stil....De honden hadden even aangeslagen, meer niet. ’t Uiteinde van den draad hield hij in de kaarsvlam....’t ding begon te smeulen en zachtjes verplaatste zich de gloed....Flip verdween snel in ’t duister....En de lont brandde langzaam op.... ’n blauwachtig vlammetje kroop den toren in en schoof al maar voort.... met ’n wijden boog om Bles heen in de richting van ’t kruit....
’n Week lang merkten de ridders geen spoor van vijanden. Hun onrust zakte en van zelf begonnen ze afleiding te zoeken in andere bezigheden.
Dodo en Rip waren weer hersteld, maar toch bleven ze in huis, de kelder bleek ’n alles behalve veilige schuilplaats te zijn.
De notaris had de ridders ook eens onder handen genomen en hen gedreigd met afsluiting van den toren als dat vechten niet ophield!
Hesse en Wibbe verdedigden zich!
Zijwaren niet begonnen,zijwilden niets liever dan arme dieren zoeken en die verplegen,zijwaren geen laffe beulen....
De notaris wist ’t wel en dus vertelde hij, dat de vreemde jongens eenvoudig niet meer in ’t dorp werden toegelaten.
Van nu af aan herleefden ze!
Wat wisten zij van Flips vreeselijke plan!
Onbewust van ’t dreigend gevaar begonnen ze met nieuwen moed hun zwerftochten door de omstreken, op zoek, zooals echte ridders betaamt naar onderdrukte en lijdende dieren. En ’t lot was hun gunstig!
In ’t naburig dorp Elde werd kermis gevierd. Nou, kermis en jongens, die trekken elkaar aan. Mevrouw had Wibbe en Hesse ’n extra kwartje gegeven onder voorwaarde, dat ze ’t geld niet al te dwaas zouden besteden.
Henk en Jan en Kees waren óók van de partij!
’n Vroolijke boel, daar in Elde!
Langs de hoofdstraat aan weerskanten tal van kramen en stalletjes, twee draaimolens en ’n paar spellen!
En ’n volk op de been! Heel veel uit de stad. Met d’r vijven lieten ze zich door den stroom meevoeren, wrongen zich eens los om te blijven kijken naar ’t bal werpen, ’t messen gooien en meer van die vermakelijkheden, waar jongens dol op zijn.
’n Vroolijke boel!’n Vroolijke boel!
’n Vroolijke boel!
Hesse waagde ’n dubbeltje, want hij zag ’n mes—’n mes, nee maar, ’n pracht van ’n mes. En hij zou den ring er ineens over wippen. Zeven ringen voor één dubbeltje! Zeven kansen!
En Hesse mikte.... mikte.... gooide zes maal mis.... zeven maal mis.... en Hesse had ’n dubbeltje minder en ook wat plezier.
Kees moest met alle geweld ’n koek winnen, ’n groote natuurlijk, zoo één met ’n vracht suikerletters en kleurige vruchten.
Zoo’n koek had je pardoes voor ’n stuiver! Ja zeker, voor ’n stuiver, als je ten minste wòn. Twaalf menschen moesten meedoen, elk voor vijf centen en wie dan ’t hoogste aantal oogen wierp, die hàd de koek.
Niets moeielijk!
Je zorgde maar, dat je méér gooide dan de anderen!
Tot z’n groot verdriet gooide Kees minder en dus kreeg hij géén koek en ’n stuiver was weg.
Henk liet zich nergens toe overhalen en lachte om Wibbe, die eventjes met ’n bal zou werpen in ’t kuiltje, waar ’n roode streep door liep. Dan won je ’n doos chocolade!
Stel je voor, ’n groote doos voor ’n dubbeltje! Maar och help, Wibbe’s bal kwam in ’n heel ander kuiltje, en daarom kreeg hij ’n dun reepje van zes centen waarde!
Henk zei: „Je had voor je dubbeltje beter ’n reep van ’n dubbeltje kunnen koopen!”
En Jan probeerde listig met ’n flesch te slingeren, ’n leege flesch, die aan ’n touwtje hing.
Bij ’t teruggaan moest je ’n kegeltje omwerpen en dan won je iets moois, dat je mocht kiezen uit ’n verzameling.
Maar die domme flesch slingerde akelig aan den linkerkant van ’t kegeltje terug, als je hem rechts had doen afgaan.
En Jan verloor ook ’n dubbeltje!
’n Dubbeltje, waarvoor je vijf keer in den draaimolen kon zitten, of ’t kalf met twee koppen voor mocht bewonderen.
Henk deed niets, tot hij aan de schietkraam kwam. ’t Gezicht van de windbuksen, al de pijpen die je stuk mocht schieten, al de knoppen, die je kon raken en waardoor dan iets aardigs te voorschijn kwam uit ’n hokje, ’t dansende glinsterende balletjeop ’n spuitend fonteintje, ’t deed Henk ’n dubbeltje offeren om twee maal te kunnen schieten.
En Henk, bewonderend gadegeslagen, legde aan, mikte en schoot niets!
En Henk legde weer aan, mikte weer en schoot weer....
Toen raakte hij ’t knopje van ’t linkerkastje, waaruit onder algemeene toejuichingen en groot gelach ’n komieke oude vrouw kwam schuiven.
Ze reed tot vlak bij en—gaf Henk ’n dubbeltje!
„Zie je,” zei Henk, „twee maal geschoten, jool gehad en ’t heeft niets gekost.”
„Nou ja, omdat je bij ongeluk geraakt hebt,” zei Jan.
Henk stoof òp!
„Bij ongeluk? Raak is raak! Dan zijn alle raakschoten bij ongeluk!”
Ze kregen haast ruzie, maar gelukkig trok ’n nieuw schouwspel hun aandacht.
Aan ’t eind van de straat sloeg je rechts af, dan kwam je op ’n pleintje. Daar zat ’n kat in ’n ton en die ton hing hoog aan ’n paal. Met knuppels probeerden nu ’n aantal boerenjongens de kat te raken.
’t Beest klemde zich met de nagels in doodsangst vast, maar elke stoot tegen de ton, deed er haar toch weer half uitvliegen. Dan probeerde ’n volgende ’t dier te treffen, want wie ’t beest doodelijk raakte, die was winner!
Hesse geloofde z’n oogen niet!
Mòcht dat? Voelden die jonge mannen niet, hoe vreeselijk zoo’n dier moest lijden?
Ze dachten er natuurlijk niet over. Hun vaders hadden ook heel wat katten doodgeknuppeld, waarom zij niet? Ze vonden ’t een leuk spel.
Hesse niet!
Zijngevoelig hart kwam in opstand, maar wat kon hij er aan doen?
O, maar dan ken je Hesse niet!
In ’n oogenblik wist hij, wat hem te doen stond.
Tot verbazing van de spelers verscheen er ’n tweede kat, nee, ’n jongen, die als ’n kat in de paal klom, ruiter te paard over de dwarsbalk schoof, zich liet zakken, de kat bij ’t nekvel greep en haar boven op de dwarspaal zette....
Toen eerst beseften de jonge kerels wat er gebeurde! Ze begonnen te schreeuwen, maar Hesse liet ze schreeuwen!
Langzaam schoof hij terug, nam de kat mee, en daarna gleed hij met ’t versufte beest naar beneden.
De spelers wachtten hem op, maar Hesse, vechtend voor ’t leven van ’n dier, sprong als ’n dolleman heen en weer, nu geholpen door de vrienden.
Schreeuwend als ’n bezetene, trappend en schoppend verdedigde Hesse ’t geredde beest, tot één der beulen riep: „Laat loopen! katten genoeg!” En Hesse liep!
En de vier ridders liepen!
De heele kermis vergaten ze, tot ze buiten ’t dorp uitgeput neervielen met poes.
’t Dier zag er treurig uit!
Eén pootje hing er bij en één oog zat half toe.
Na kort beraad besloot Hesse, ’t gewonde beestnaar huis te brengen, dan mochten de anderen verder kermis vieren.
„Tegen!” brulde Henk, „samen uit, samen thuis! We gaan mee en dan laten we die heele kermis waaien.”
„Dan gaan we morgen draaien!” riep Jan.
„Met rijmen!” bromde Henk.
„Dan redden we wéér ’n kat!” schreeuwde Hesse, „ik vind ’t geen leuke beesten, maar ik kan toch niet hebben, dat ze mishandeld worden.”
Mevrouw sloeg de handen in elkaar van verbazing bij de verschijning van de nieuwe gewonde.
„Nee maar!” riep ze, „dat is nummer vier! Hou nu alsjeblieft op! m’n huis is toch geen ziekeninrichting!”
Ondanks d’r gemopper begon ze toch dadelijk de arme poes te behandelen en daarbij keken acht belangstellenden toe, te weten: vijf ridders, Dodo, Rip en de vleermuis.
Na ’n uitstekende verbinding werd poes in een mand gelegd en—eensklaps, gebeurde er iets vreemds, want de huiskat, Mimi genoemd, die van jaloezie weg was geloopen, kwam binnen en ze begon bij ’t zien van die indringster te blazen en aanstalten te maken tot ’n gevecht op leven en dood.
„Hoor ’s,” zei mevrouw, „jullie wolven komen waarschijnlijk nooit terug. Ik zou dus de kelder maar weer in gebruik stellen, want je ziet hoe ’t hier zou gaan.”
En ze drukte Mimi tegen zich aan, in elke hand, één poot.
Zoo kwam ’t, dat vier zieken over werden gebracht naar de kelder, waar elk ’n eigen hoekje kreeg.
’t Groote schild lieten ze nog maar voor ’t luchtgat. Je kon nooit weten!
Dodo en Rip vonden ’t niet zoo bar plezierig! Zij zouden liever in gezelschap van die lieve mevrouw gebleven zijn, maar de ridders sloofden zich uit, om ’t den dieren naar den zin te maken.
En dan, ze waren nu toch met d’r vieren!
„Verbeeld je,” zei Jan, „verbeeld je, dat Rip de kat dood bijt of de kat eerst de vleermuis op eet.”
Jan werd uitgelachen!
„Zieke dieren eten elkaar niet op en dan—ze zullen toch wel begrijpen, dat zoo iets verboden is,” beweerde Kees.
Toch sloten ze ’t vleermuisje door wat latwerk ’n beetje af, en ook poes diende zich voorloopig met ’n hokje te vergenoegen, tot gebleken was, hoe Rip over die zaak dacht.
Het werd dien dag te laat om nog naar de kermis terug te gaan.
Maar—onder ’t middagmaal vertelden Hesse en Wibbe van ’t katknuppelen.
Eigenlijk gezegd zat Wibbe z’n vriend hemelhoog te prijzen om z’n dappere daad, en natuurlijk stemde de notaris daar mee in.
Toen Hesse vertelde, dat hij den volgenden dag weer ’n kat ging redden, stak de notaris er ’n speldje vóór.
„’t Is nu goed afgeloopen,” zei hij, „’n tweeden keer zullen ze je niet gemakkelijk laten begaan! Je hebt gehandeld uit echt medelijden en dat isgoed, heel goed! Maar verder—basta!”
Dat verbod speet Hesse geweldig, al moest Wibbe eerlijk bekennen, dat ’t voor de tweede maal een gevaarlijk werkje zou worden.
En de drie stadsridders vonden ’t ook maar beter toen ze er den anderen dag van hoorden. Dien morgen hielden de vijf zich met de vier bezig. Het bleek dat Rip heelemaal niet van plan was om de verminkte poes aan te vallen, integendeel, hij en Dodo zaten broederlijk bij de doos en keken ook verder vredelievend toe bij ’t vernieuwen van ’t verband.
Knuppeltje noemden ze de kat en de vleermuis die nog steeds niet fladderen kon, kreeg den naam van Oortje.
Na de algemeene verzorging van de dieren in de kelder, na ’t uitdeelen van verschillende lekkernijen vervaardigden de ridders meerdere afgeschoten plaatsen en met d’r negenen gebruikten ze ’t tweede ontbijt.
’s Middags trokken de ridders er weer op uit om goede werken te verrichten.
’t Lot bleef hen gunstig!
In ’n weiland zagen ze ’n aantal kinderen met iets bezig....
Hesse vermoedde mishandeling!
Hij er op af!
En jawel, ’n paar jongens hadden kikkers gevangen en nu waren ze bezig om die dieren zoo goed als dood te martelen.
De ridders sloegen de martelaars op de vlucht, brachten vier half doode beesten in de kelder.
Henk kreeg ’n paar folteraars te pakken. Hij schudde ze dan door elkander en vroeg: „Waarom doen jullie dat, hè? Dacht je, dat die arme beesten geen gevoel hadden?”
Toen antwoordde één van de lummels: „Hij schreeuwt toch niet!”
Over dit antwoord stonden de ridders verbaasd, alleen Henk zei:„Je ziet maar, dat ’t dikwijls domheid is, als kinderen wreed zijn.”
De kikkers kregen ’n fijn plaatsje, veel gras en ’n partijtje vliegen, zoodat ze zoetjes aan bij kwamen. Nu konden de ridders toch duidelijk zien, hoe fraai die beestjes eigenlijk zijn.
Dien zelfden middag werden ze in de gelegenheid gesteld nòg ’n goede daad te verrichten.
Het gebeurde buiten ’t dorp op den weg naar Elde.
Vermoeid van ’t zwerven, zaten de vijf aan den kant van den weg te rusten.
Eensklaps werden ze opgeschrikt door luid geschreeuw....
Daar kwam ’n hondenkar aan, en de kerel, die er op zat, gilde als ’n bezetene, sloeg met de zweep woedend naar ’n hond. ’t Dier liep snel voort, maar nog niet snel genoeg naar den zin van den kerel. Hij vloekte en raasde, tot plotseling enkele meters van de ridders af, de hond ineenzakte, half hangend tusschen de boomen. De tong kwam als ’n trillende bleekroode lap uit z’n bek en een geelachtig schuim vlakte op den grond. Maar nu werd de kerel nòg woedender!
Hij rukte aan de leidsels, sprong van den wagenen begon ’t machtelooze beest te schoppen, tot hij er zelf van hijgde....
De jongens waren opgesprongen, in ’t eerst verschrikt, maar toen ontwaakte bij Hesse weer ’t heftig medelijden met ’t gemartelde dier.
Met ’n vaart stoof hij op den beul af en haast gillend klonk z’n stem: „Schei uit! laat ’t! beul! beul! beul!”
Even verwonderd liet de kerel de zweep rusten en hij staarde de jongens met z’n beloopen oogen aan, maar toen hij begreep, alleen met kinderen te doen te hebben, begon hij opnieuw....
’t Bloed steeg Hesse naar ’t hoofd!
Z’n driftige aard kwam boven en als ’n dolleman vloog hij op den kerel aan, greep de zweep en als ’n roofdier klampte hij zich aan den man vast om hem verder martelen te beletten....
Toen keerde zich de woede van den kerel tegen Hesse en hij begon heftige pogingen in ’t werk te stellen om zich van den jongen te ontdoen....
Dat ging niet zonder pijn gepaard en dus schreeuwde Hesse om hulp....
Dat deed de overige ridders eindelijk aanpakken!
Onder aanvoering van Henk stormden ze op den kerel los en ze begonnen hem aan te vallen bij ’t uiten van doordringende kreten....
’t Duurde niet lang, of van twee zijden naderden nieuwsgierigen en ’t spreekt van zelf, dat de jongens geholpen werden....
Hesse trad als aanklager op, en iedereen, die ’t stervende dier zag liggen, moest de waarheid erkennen van Hesse’s woorden.
Stormden ze op den kerel los.Stormden ze op den kerel los.
Stormden ze op den kerel los.
Een auto hield stil....
Snel stapte ’n heer uit, ondervroeg enkele omstanders en toen richtte hij zich tot den kerel, stelde hem enkele vragen, sneed onderwijl alle touwen en riemen los en toen volgde z’n bevel: „Sjouw jij zelf je kar, dat arme beest neem ik onder m’n bescherming. Je zult er meer van hooren!”
De drank had uitgewerkt.... stumperig stond de kerel tegenover den burgemeester van Elde en mompelde flauwe verontschuldigingen.
Onderwijl droegen Hesse en Wibbe den hond in de auto en na ’n kort gesprek tusschen den burgemeester en Hesse klommen de vijf ridders óók in den wagen, twee bij den chauffeur.
Beteuterd zag de kerel de auto wegrijden en onder ’t minachtend lachen van de omstanders, die nu dóór liepen, bleef de dierenbeul alleen bij z’n kar....
In de auto leerde de Eldensche burgemeester den jongen ridder Hesse pas goed kennen. Hij hoorde van den halven toren, van Dodo, Rip, Oortje en Knuppeltje. Het spreekt van zelf, dat hij den hond Kas heel graag onder bescherming van de vijf ridders stelde.
Hesse begon meteen over ’t katknuppelen en nu bleek, dat dit laffe spel werkelijk verboden was. De burgemeester zou er achterheen zitten, dat beloofde hij.
In korten tijd reden ze naar Kooten, waar jongens en hond bij den notaris werden afgezet.
Notaris en burgemeester wisselden ’n paar woordjes en ’t zaakje kwam in orde.
Daar deed ’n nieuw slachtoffer z’n intrede! De andere bewoners van de kelder toonden zeer groote belangstelling, behalve de kikkers.
De arme Kas, met litteekens overdekt, ellendig uitgezakt en vergroeid door het te zware trekken, lag languit op ’t stroo.
Hij begreep den toestand niet....
Waar bleven ’t dreigend geschreeuw, de felle slagen, de ruwe trappen?....
Hij liet z’n helpers stil begaan en ’t leek wel of hij zacht huilde....
De ridders voelden zich trotsch met deze redding en vooral Hesse.
Er kwam enkele dagen later ’n geldzending als bijdrage in de kosten van onderhoud. De vroegereeigenaar was afgekocht en toch bekocht, want hij kreeg straf ook.
De burgemeester van Elde deed door ’t gestuurde geld van z’n belangstelling blijken en de ridders konden nu van alles koopen voor hun beschermelingen.—
Na dien dag scheen ’t wel, of de ridders alle ongelukkige dieren in den omtrek moesten ontmoeten. Ten minste de kelder werd achtereenvolgens bevolkt door nog vier nieuwe beklagenswaardige dieren. Daar kwam eerst ’t geitje, Lizi gedoopt en gered uit de handen van ’n vrouw, die algemeen voor niet goed wijs werd gehouden.
Op Lizi volgde ’t eekhoorntje Koko, uit ’t geldpotje vrijgekocht na ’n ellendig leven in ’n soort van molentje.
Na Koko verscheen Witje, de duif, verlost uit de ruwe handen van Joe, den mandenmaker. Deze had ’t diertje aan één poot opgehangen!....
Ten slotte volgde—Bles!
’n Paard toch zeker niet?
Toch wel!
’n Oud, halfblind, kreupel uitgemergeld paard! Dat was ’n triomf voor de ridders, dit armzalige dier uit z’n slavernij gehaald te hebben voor de som van zeventien gulden, eerlijk voldaan uit de geldpot voor de dieren.
De notaris zorgde wel, dat die pot goed gevuld was, zoogenaamd door allerlei dierenvrienden, maar in werkelijkheid.... nou ja.
Zegepralend voerden ze Bles mee en bezorgden den stakker ’n lekkeren stal in den toren!
Ziezoo.
Even de lijst oplezen: Dodo, Rip, Oortje, Knuppeltje, Groenrokken, Kas, Lizi, Koko, Witje en Bles.
De groenrokken verlieten ’t gezelschap na hun herstel. Zij voelden zich hier vreemd en ze toonden ook heelemaal geen belangstelling in de anderen. De rest blééf.
Geen wonder, dat de ridders ’t druk hadden en vooral Bles eischte heel wat zorgen, wilde de arme knol niet dood gaan.
Maar hij háálde ’t,gelukkig!
Natuurlijk kreeg de kelder nu ook bezoek van nieuwsgierigen en van dierenvrienden.
Elk betaalde één dubbeltje toegangsprijs, ’n bijdrage in de kosten van onderhoud.
En ’t was de burgemeester van Elde, die na ’n bezichtiging van de kelder tot de jongens zei:
„Jullie bent echte ridders van den halven toren, je hebt mooi en flink gehandeld! ’t Zal jullie wel goed gaan!”
Maar Flip was met z’n vreeselijk plan klaar! Op zekeren donkeren avond in de laatste week van de vacantie wist hij langs ’n omweg ’t dorp te bereiken, geheel alleen!
Hij droeg ’n zak over den schouder....
Voorzichtig sloop hij buiten om achter de boomen tot bij den toren....
Hij wierp zich nu voorover en kroop naar den voet tot vlak bij de plek, waar de steen was los gemaakt.
Hier werkte hij zich door de opening en nu stondhij onder in ’t duister van den toren.
Even schrikte hij, omdat Bles met z’n poot op den vloer stampte....
’t Lantarenlicht deed hem ’t paard zien, zoodat hij gerust gesteld werd.
In ’n hoek opende hij den zak en haalde er enkele pakken uit....
Hij wierp den inhoud, veel gelijkend op grijs zand onder de trap op ’n hoop....
Daarna kwam er uit den zak ’n zeer lange witte in elkaar gedraaide driedubbele katoenen draad....
’t Uiteinde legde hij in ’t grijze zand....
Toen wikkelde hij den draad af en kroop met ’t uiteinde in de hand weer naar buiten....
Daar stond hij behoedzaam stil....
De honden hadden even aangeslagen, meer niet. ’t Uiteinde van den draad hield hij in de kaarsvlam....’t ding begon te smeulen en zachtjes verplaatste zich de gloed....
Flip verdween snel in ’t duister....
En de lont brandde langzaam op.... ’n blauwachtig vlammetje kroop den toren in en schoof al maar voort.... met ’n wijden boog om Bles heen in de richting van ’t kruit....