XVI.Inwijding.In de burgemeesterskamer van ’t dorp Kooten waren de leden van ’t gemeentebestuur vergaderd en zéér verwonderd luisterden ze naar ’t volgende:„Ik heb u ’n buitengewoon belangrijke mededeeling te doen,” zoo sprak de burgemeester. „Ik twijfel er niet aan of u zult evenals ik bizonder verheugd zijn als u weet, dat ’n jonge weldoener ons dorp zeer mild heeft bedacht.„U kent allen den pleegzoon van den notaris, Wibbe....”Alle hoofden knikten met nadruk.„Tien jaar geleden is hij in ’t gezin van den notaris opgenomen en sinds enkele dagen is hij meerderjarig geworden.„U weet allen, hoe uitstekend hij heeft geleerd, en hoe hij met z’n vriend Hesse, altijd ’n paar eerlijke flinke jongens zijn geweest met warme harten!„Nu zijn ’t een paar ijverige, veelbelovende studenten geworden. We zullen er nog wel méér van hooren.„Maar nu ons dorp!„Wat raakt dat alles ons dorp?„U weet allen, hoe hier door de gemeenteleden is gespaard om ons aardige oude kerkje weer te doen opbouwen, maar ze zijn arm en in al die jaren is nauwelijks de helft van ’t benoodigde geld bijeen.„En ziet! Hier heb ik een kennisgeving van notaris Broekenaaier, dat zijn pleegzoon als ’n herinnering aan de gelukkige jaren, op Kooten doorgebracht, en ook als ’n bewijs van dankbaarheid tegenover z’n twee pleegvaders, den heer Bribon en den notaris, een som van vijftig duizend gulden heeft geschonken om ’n nieuwe kerk te bouwen....”Deze woorden van den burgemeester verwekten groote geestdrift....„Vijftig duizend gulden!„Ja zeker,” vervolgde de burgemeester, „dat geld gevoegd bij de reeds bespaarde som, is zeker wel voldoende.„En weet u, heeren, wat ’t aardigste is?„Wibbe heeft nooit vermoed, dat hij de erfgenaam van den heer Bribon was. Niet eerder dan met z’n meerderjarigheid heeft de notaris hem dit verteld.„Mooi dus, dat z’n eerste daad is geweest om ons dorp op die manier te gedenken.„En nu nog iets....”Nòg iets?Met verbaasde gezichten keken alle aanwezigen den burgemeester aan.... nog iets? Zou die Wibbe....? wat dan?.... wat dan?....Daar hoorden ze:„Ook stelt dezelfde schenker een som van honderd duizend gulden beschikbaar voor den bouw van ’n toevluchtsoord van arme onbeschermde dieren. Daarbij voegt hij nog vijftig duizend gulden om mishandelde dieren vrij te koopen en menschlievende redders te beloonen en tevens om de propaganda voor betere dierenwetten te bevorderen.”Verbluft zaten ze allen te kijken, toen de burgemeester zweeg.Boer Peggers riep uit: „Dat is de opkomst van ons dorp. Dat geeft vertier en verdienste. God zegene dien braven Wibbe! Wat ben ik blij, dat ik ze vroeger geholpen heb, toen hij nog tegen de wolven vocht.”Nog nooit waren de leden van ’t gemeentebestuur zoo vreemd te moede huiswaarts gegaan, en zóó babbelziek.Letterlijk iedereen werd aangeklampt en dan werd ’t groote nieuws verteld.Als een loopend vuurtje ging ’t door ’t dorp!Er komt ’n nieuwe kerk!Er komt ’n dierenhuis!Dien verderen dag werd bijna door niemand gewerkt!Overal stonden groepjes menschen en overal spraken de opgewonden bewoners over ’t groote nieuws.En later vertoonden ze elkaar ’n krant, waarin over de nieuwe kerk en ’t toevluchtsoord voor dieren werd geschreven.Kooten scheen plotseling ’n beroemd dorp te zullen worden, want van nu af aan stroomden de bezoekers er weer heen.Niet alleen nieuwsgierigen!O nee! Daar kwamen de mannen, die de ruïne moesten opruimen en eerst eens door opzichters den toestand deden beschouwen.Dan moest er land worden gekocht om daar ’t Dierenhuis neer te zetten.De teekenaar van ’t nieuwe kerkje wilde de omgeving zien, de aannemer moest opmetingen doen.Kortom! ’t gansche dorp leefde in ’n nieuw tijdperk.Alle bewoners begonnen minder suf te worden, ze volgden alle voorbereidende maatregelen met stijgende belangstelling.En vooral de jeugd liet zich niets ontgaan! Ze bleef toeschouwster bij ’t wegruimen van de ruïne, van de muren en van den halven toren....De notaris en z’n vrouw leefden weer net als vroeger samen stil en gelukkig.Hun pleegzoons zouden binnen korten tijd bekwame mannen in de maatschappij worden en wat ’n voldoening, dat zij dien Wibbe en dien Hesse hadden opgeleid tot flinke knappe menschen!Maar de schitterende houding van Wibbe vervulde ze met trots!Scheen heel Kooten niet ondersteboven te keeren, was er iemand, die Wibbe niet hemelhoog prees?En hoe aardig bleven de vroegere jongens niet, al waren ’t nu heele heeren!Geregeld kwamen ze over, meestal om de veertien dagen om den Zondag bij hun pleegouders te slijten.Wibbe was niets veranderd, al bezat hij nu grooten rijkdom.Hij dacht er niet over, daarmee te pronken of ’n lui leven te gaan leiden.Hij werkte evenals Hesse met toewijding om eenmaal ’n nuttige werkkring te vinden als ingenieur.Kooit deed hij Hesse ook maar eenigszins voelen, dat hij rijk was en de vriend arm.Vast besloten om ’t geld, dat meneer Bribon hem had nagelaten, te besteden aan goede werken, leefde hij even eenvoudig als Hesse.Geregeld konden de twee vrienden nu de voorbereiding zien.Met weemoed hadden ze dien goeden halven toren zien afbreken....Ach ja.... die Dodo.... de trouwe Rip en Kas.... al die aardige dieren waren van hen heengegaan.Wat ’n mooie gelukkige tijd was het toch geweest!Die grappige Dodo!Hij kon niet sterven vóórdat de baas thuis was, ja, en Koko, vrijgelaten in ’t bosch, vonden ze later toch weer in de boomen bij de kerk....En nu verdween de ruïne....Dag aan dag waren er tal van menschen bezig om op de puinhoopen van de oude, ’n nieuwe kerk te doen herrijzen.En als Wibbe en Hesse over waren, dan liepen ze samen om de fundamenten, later om de muren en eindelijk om ’t gebouw zelf. Het werd ’n beeldig kerkje met ’n fraai slank torentje.Iedereen was er over uit!Buiten ’t dorp, dicht bij de brug, daar rezen de muren van ’t Dierenhuis en ook dat trok de twee vrienden telkens en telkens weer tot zich.Eenvoudig en doelmatig zou ’t worden, werkelijk ’n toevluchtsoord voor misdeelden en ongelukkigen onder de dieren.Toen kwam de groote dag!Inwijding van ’t nieuwe kerkje!Inwijding van ’t dierenhuis!Kort te voren hadden Hesse en Wibbe hun ingenieursexamen gedaan en vóórdat ze naar Roemenië vertrokken om daar enkele jaren werkzaam te zijn bij ’t boren van oliebronnen, wilden ze eerst de plechtigheid, ’t inwijden van de twee gebouwen, bijwonen!Voor de tweede maal vierde Kooten feest, den eersten keer in ’t bizonder ter eere van Hesse, nu voor Wibbe.Heel ’t dorp vlagde, en vier eerebogen warenopgericht, als huldebewijs voor den weldoener van ’t dorp.Wibbe vond al die drukte niet eens zoo plezierig, maar dat hoorde er nu eenmaal bij.Tal van aanzienlijke personen uit de stad zouden tegenwoordig zijn en niemand minder dan de minister van landbouw had beloofd persoonlijk ’t Dierenhuis in te wijden.Ook voor de kerkelijke plechtigheid werden tal van bekende mannen verwacht.Geen wonder, dat er over ’t heele dorp ’n plechtige stemming zweefde.Geen sprake van luidruchtig gejoel of gehos! Iedereen besefte, dat de dag van heden zéér bizonder zou worden, ’t begin van ’n nieuw tijdperk van bloei.’s Morgens elf uur stroomde ’t kleine kerkje vol menschen en daaronder heel wat vreemden.’t Allerlaatst traden Wibbe en Hesse binnen met den notaris en z’n vrouw.Zij kregen afzonderlijke plaatsen.’t Orgel speelde.... de plechtige akkoorden ruischten door ’t gewelf....Toen betrad de voorganger den preekstoel en na ’t gebed hield hij ’n ontroerende toespraak.Hij had ’t over de naastenliefde....Goed voor elkander zijn, maar ook voor de dieren, zoo sprak hij.„Hèm zal ’t wel gaan, die de liefde kent: liefde toont voor al wat lijdt en hulp van noode heeft.”Alle aanwezigen begrepen op wie de predikerdoelde en later zongen zij hem van gansche harte toe.Na afloop van de godsdienstoefening mocht iedereen vrij ’t kerkje bezichtigen en Wibbe ontving in de consistoriekamer de dankbetuigingen van heel wat mannen en vrouwen.Niemand vermoedde, wat hij met Hesse deed, toen de kerk zoo goed als leeg was geloopen.Met d’r tweeën beklommen ze de torentrap en vlak onder de spits keken ze samen uit over de bekende omgeving en nu doorleefden ze weer de heerlijke jaren uit hun jeugd....Veel tijd voor overpeinzingen bleef er niet beschikbaar want dien zelfden dag moesten ze tegenwoordig zijn bij de opening van ’t Dierenhuis.En ook deze plechtigheid liep uitstekend af.De minister van landbouw bracht Wibbe hulde voor zijn mildheid. Hij hoopte, dat dit gebouw altijd leeg mocht staan....Iedereen stond verbaasd over de ruimte, over de uitstekende inrichting.Tal van zindelijke hokjes zouden heel wat mishandelde dieren kunnen bergen.Een dierendokter was aan de stichting verbonden met een staf van verplegers en verpleegsters.„Weet je nog, dat ik altijd dierendokter had willen worden?” zei Hesse.„Ommijheb je ’t niet gedaan,” antwoordde Wibbe.„’k Wilde altijd bij je blijven, dat is alles,” zei Hesse.De vrienden drukten elkaar de hand en—ze hielden woord.Onafscheidelijk zijn ze gebleven!’t Groote fortuin, dat de heer Bribon Wibbe had nagelaten, schonk duizenden ongelukkigen een beter lot en behoedde honderden voor ’n vreeselijken dood.Henk en de andere vrienden raakten in de verdere jaren op den achtergrond, maar wat Henk dikwijls zei was heel juist:„’k Heb nooit zoo’n paar vrienden gezien en nooit zal ik den tijd vergeten, toen we nog ridders waren van den halven toren. Maar ik zal ’t blijven zoolang ik leef, dàt verzeker ik je!”
XVI.Inwijding.In de burgemeesterskamer van ’t dorp Kooten waren de leden van ’t gemeentebestuur vergaderd en zéér verwonderd luisterden ze naar ’t volgende:„Ik heb u ’n buitengewoon belangrijke mededeeling te doen,” zoo sprak de burgemeester. „Ik twijfel er niet aan of u zult evenals ik bizonder verheugd zijn als u weet, dat ’n jonge weldoener ons dorp zeer mild heeft bedacht.„U kent allen den pleegzoon van den notaris, Wibbe....”Alle hoofden knikten met nadruk.„Tien jaar geleden is hij in ’t gezin van den notaris opgenomen en sinds enkele dagen is hij meerderjarig geworden.„U weet allen, hoe uitstekend hij heeft geleerd, en hoe hij met z’n vriend Hesse, altijd ’n paar eerlijke flinke jongens zijn geweest met warme harten!„Nu zijn ’t een paar ijverige, veelbelovende studenten geworden. We zullen er nog wel méér van hooren.„Maar nu ons dorp!„Wat raakt dat alles ons dorp?„U weet allen, hoe hier door de gemeenteleden is gespaard om ons aardige oude kerkje weer te doen opbouwen, maar ze zijn arm en in al die jaren is nauwelijks de helft van ’t benoodigde geld bijeen.„En ziet! Hier heb ik een kennisgeving van notaris Broekenaaier, dat zijn pleegzoon als ’n herinnering aan de gelukkige jaren, op Kooten doorgebracht, en ook als ’n bewijs van dankbaarheid tegenover z’n twee pleegvaders, den heer Bribon en den notaris, een som van vijftig duizend gulden heeft geschonken om ’n nieuwe kerk te bouwen....”Deze woorden van den burgemeester verwekten groote geestdrift....„Vijftig duizend gulden!„Ja zeker,” vervolgde de burgemeester, „dat geld gevoegd bij de reeds bespaarde som, is zeker wel voldoende.„En weet u, heeren, wat ’t aardigste is?„Wibbe heeft nooit vermoed, dat hij de erfgenaam van den heer Bribon was. Niet eerder dan met z’n meerderjarigheid heeft de notaris hem dit verteld.„Mooi dus, dat z’n eerste daad is geweest om ons dorp op die manier te gedenken.„En nu nog iets....”Nòg iets?Met verbaasde gezichten keken alle aanwezigen den burgemeester aan.... nog iets? Zou die Wibbe....? wat dan?.... wat dan?....Daar hoorden ze:„Ook stelt dezelfde schenker een som van honderd duizend gulden beschikbaar voor den bouw van ’n toevluchtsoord van arme onbeschermde dieren. Daarbij voegt hij nog vijftig duizend gulden om mishandelde dieren vrij te koopen en menschlievende redders te beloonen en tevens om de propaganda voor betere dierenwetten te bevorderen.”Verbluft zaten ze allen te kijken, toen de burgemeester zweeg.Boer Peggers riep uit: „Dat is de opkomst van ons dorp. Dat geeft vertier en verdienste. God zegene dien braven Wibbe! Wat ben ik blij, dat ik ze vroeger geholpen heb, toen hij nog tegen de wolven vocht.”Nog nooit waren de leden van ’t gemeentebestuur zoo vreemd te moede huiswaarts gegaan, en zóó babbelziek.Letterlijk iedereen werd aangeklampt en dan werd ’t groote nieuws verteld.Als een loopend vuurtje ging ’t door ’t dorp!Er komt ’n nieuwe kerk!Er komt ’n dierenhuis!Dien verderen dag werd bijna door niemand gewerkt!Overal stonden groepjes menschen en overal spraken de opgewonden bewoners over ’t groote nieuws.En later vertoonden ze elkaar ’n krant, waarin over de nieuwe kerk en ’t toevluchtsoord voor dieren werd geschreven.Kooten scheen plotseling ’n beroemd dorp te zullen worden, want van nu af aan stroomden de bezoekers er weer heen.Niet alleen nieuwsgierigen!O nee! Daar kwamen de mannen, die de ruïne moesten opruimen en eerst eens door opzichters den toestand deden beschouwen.Dan moest er land worden gekocht om daar ’t Dierenhuis neer te zetten.De teekenaar van ’t nieuwe kerkje wilde de omgeving zien, de aannemer moest opmetingen doen.Kortom! ’t gansche dorp leefde in ’n nieuw tijdperk.Alle bewoners begonnen minder suf te worden, ze volgden alle voorbereidende maatregelen met stijgende belangstelling.En vooral de jeugd liet zich niets ontgaan! Ze bleef toeschouwster bij ’t wegruimen van de ruïne, van de muren en van den halven toren....De notaris en z’n vrouw leefden weer net als vroeger samen stil en gelukkig.Hun pleegzoons zouden binnen korten tijd bekwame mannen in de maatschappij worden en wat ’n voldoening, dat zij dien Wibbe en dien Hesse hadden opgeleid tot flinke knappe menschen!Maar de schitterende houding van Wibbe vervulde ze met trots!Scheen heel Kooten niet ondersteboven te keeren, was er iemand, die Wibbe niet hemelhoog prees?En hoe aardig bleven de vroegere jongens niet, al waren ’t nu heele heeren!Geregeld kwamen ze over, meestal om de veertien dagen om den Zondag bij hun pleegouders te slijten.Wibbe was niets veranderd, al bezat hij nu grooten rijkdom.Hij dacht er niet over, daarmee te pronken of ’n lui leven te gaan leiden.Hij werkte evenals Hesse met toewijding om eenmaal ’n nuttige werkkring te vinden als ingenieur.Kooit deed hij Hesse ook maar eenigszins voelen, dat hij rijk was en de vriend arm.Vast besloten om ’t geld, dat meneer Bribon hem had nagelaten, te besteden aan goede werken, leefde hij even eenvoudig als Hesse.Geregeld konden de twee vrienden nu de voorbereiding zien.Met weemoed hadden ze dien goeden halven toren zien afbreken....Ach ja.... die Dodo.... de trouwe Rip en Kas.... al die aardige dieren waren van hen heengegaan.Wat ’n mooie gelukkige tijd was het toch geweest!Die grappige Dodo!Hij kon niet sterven vóórdat de baas thuis was, ja, en Koko, vrijgelaten in ’t bosch, vonden ze later toch weer in de boomen bij de kerk....En nu verdween de ruïne....Dag aan dag waren er tal van menschen bezig om op de puinhoopen van de oude, ’n nieuwe kerk te doen herrijzen.En als Wibbe en Hesse over waren, dan liepen ze samen om de fundamenten, later om de muren en eindelijk om ’t gebouw zelf. Het werd ’n beeldig kerkje met ’n fraai slank torentje.Iedereen was er over uit!Buiten ’t dorp, dicht bij de brug, daar rezen de muren van ’t Dierenhuis en ook dat trok de twee vrienden telkens en telkens weer tot zich.Eenvoudig en doelmatig zou ’t worden, werkelijk ’n toevluchtsoord voor misdeelden en ongelukkigen onder de dieren.Toen kwam de groote dag!Inwijding van ’t nieuwe kerkje!Inwijding van ’t dierenhuis!Kort te voren hadden Hesse en Wibbe hun ingenieursexamen gedaan en vóórdat ze naar Roemenië vertrokken om daar enkele jaren werkzaam te zijn bij ’t boren van oliebronnen, wilden ze eerst de plechtigheid, ’t inwijden van de twee gebouwen, bijwonen!Voor de tweede maal vierde Kooten feest, den eersten keer in ’t bizonder ter eere van Hesse, nu voor Wibbe.Heel ’t dorp vlagde, en vier eerebogen warenopgericht, als huldebewijs voor den weldoener van ’t dorp.Wibbe vond al die drukte niet eens zoo plezierig, maar dat hoorde er nu eenmaal bij.Tal van aanzienlijke personen uit de stad zouden tegenwoordig zijn en niemand minder dan de minister van landbouw had beloofd persoonlijk ’t Dierenhuis in te wijden.Ook voor de kerkelijke plechtigheid werden tal van bekende mannen verwacht.Geen wonder, dat er over ’t heele dorp ’n plechtige stemming zweefde.Geen sprake van luidruchtig gejoel of gehos! Iedereen besefte, dat de dag van heden zéér bizonder zou worden, ’t begin van ’n nieuw tijdperk van bloei.’s Morgens elf uur stroomde ’t kleine kerkje vol menschen en daaronder heel wat vreemden.’t Allerlaatst traden Wibbe en Hesse binnen met den notaris en z’n vrouw.Zij kregen afzonderlijke plaatsen.’t Orgel speelde.... de plechtige akkoorden ruischten door ’t gewelf....Toen betrad de voorganger den preekstoel en na ’t gebed hield hij ’n ontroerende toespraak.Hij had ’t over de naastenliefde....Goed voor elkander zijn, maar ook voor de dieren, zoo sprak hij.„Hèm zal ’t wel gaan, die de liefde kent: liefde toont voor al wat lijdt en hulp van noode heeft.”Alle aanwezigen begrepen op wie de predikerdoelde en later zongen zij hem van gansche harte toe.Na afloop van de godsdienstoefening mocht iedereen vrij ’t kerkje bezichtigen en Wibbe ontving in de consistoriekamer de dankbetuigingen van heel wat mannen en vrouwen.Niemand vermoedde, wat hij met Hesse deed, toen de kerk zoo goed als leeg was geloopen.Met d’r tweeën beklommen ze de torentrap en vlak onder de spits keken ze samen uit over de bekende omgeving en nu doorleefden ze weer de heerlijke jaren uit hun jeugd....Veel tijd voor overpeinzingen bleef er niet beschikbaar want dien zelfden dag moesten ze tegenwoordig zijn bij de opening van ’t Dierenhuis.En ook deze plechtigheid liep uitstekend af.De minister van landbouw bracht Wibbe hulde voor zijn mildheid. Hij hoopte, dat dit gebouw altijd leeg mocht staan....Iedereen stond verbaasd over de ruimte, over de uitstekende inrichting.Tal van zindelijke hokjes zouden heel wat mishandelde dieren kunnen bergen.Een dierendokter was aan de stichting verbonden met een staf van verplegers en verpleegsters.„Weet je nog, dat ik altijd dierendokter had willen worden?” zei Hesse.„Ommijheb je ’t niet gedaan,” antwoordde Wibbe.„’k Wilde altijd bij je blijven, dat is alles,” zei Hesse.De vrienden drukten elkaar de hand en—ze hielden woord.Onafscheidelijk zijn ze gebleven!’t Groote fortuin, dat de heer Bribon Wibbe had nagelaten, schonk duizenden ongelukkigen een beter lot en behoedde honderden voor ’n vreeselijken dood.Henk en de andere vrienden raakten in de verdere jaren op den achtergrond, maar wat Henk dikwijls zei was heel juist:„’k Heb nooit zoo’n paar vrienden gezien en nooit zal ik den tijd vergeten, toen we nog ridders waren van den halven toren. Maar ik zal ’t blijven zoolang ik leef, dàt verzeker ik je!”
XVI.Inwijding.
In de burgemeesterskamer van ’t dorp Kooten waren de leden van ’t gemeentebestuur vergaderd en zéér verwonderd luisterden ze naar ’t volgende:„Ik heb u ’n buitengewoon belangrijke mededeeling te doen,” zoo sprak de burgemeester. „Ik twijfel er niet aan of u zult evenals ik bizonder verheugd zijn als u weet, dat ’n jonge weldoener ons dorp zeer mild heeft bedacht.„U kent allen den pleegzoon van den notaris, Wibbe....”Alle hoofden knikten met nadruk.„Tien jaar geleden is hij in ’t gezin van den notaris opgenomen en sinds enkele dagen is hij meerderjarig geworden.„U weet allen, hoe uitstekend hij heeft geleerd, en hoe hij met z’n vriend Hesse, altijd ’n paar eerlijke flinke jongens zijn geweest met warme harten!„Nu zijn ’t een paar ijverige, veelbelovende studenten geworden. We zullen er nog wel méér van hooren.„Maar nu ons dorp!„Wat raakt dat alles ons dorp?„U weet allen, hoe hier door de gemeenteleden is gespaard om ons aardige oude kerkje weer te doen opbouwen, maar ze zijn arm en in al die jaren is nauwelijks de helft van ’t benoodigde geld bijeen.„En ziet! Hier heb ik een kennisgeving van notaris Broekenaaier, dat zijn pleegzoon als ’n herinnering aan de gelukkige jaren, op Kooten doorgebracht, en ook als ’n bewijs van dankbaarheid tegenover z’n twee pleegvaders, den heer Bribon en den notaris, een som van vijftig duizend gulden heeft geschonken om ’n nieuwe kerk te bouwen....”Deze woorden van den burgemeester verwekten groote geestdrift....„Vijftig duizend gulden!„Ja zeker,” vervolgde de burgemeester, „dat geld gevoegd bij de reeds bespaarde som, is zeker wel voldoende.„En weet u, heeren, wat ’t aardigste is?„Wibbe heeft nooit vermoed, dat hij de erfgenaam van den heer Bribon was. Niet eerder dan met z’n meerderjarigheid heeft de notaris hem dit verteld.„Mooi dus, dat z’n eerste daad is geweest om ons dorp op die manier te gedenken.„En nu nog iets....”Nòg iets?Met verbaasde gezichten keken alle aanwezigen den burgemeester aan.... nog iets? Zou die Wibbe....? wat dan?.... wat dan?....Daar hoorden ze:„Ook stelt dezelfde schenker een som van honderd duizend gulden beschikbaar voor den bouw van ’n toevluchtsoord van arme onbeschermde dieren. Daarbij voegt hij nog vijftig duizend gulden om mishandelde dieren vrij te koopen en menschlievende redders te beloonen en tevens om de propaganda voor betere dierenwetten te bevorderen.”Verbluft zaten ze allen te kijken, toen de burgemeester zweeg.Boer Peggers riep uit: „Dat is de opkomst van ons dorp. Dat geeft vertier en verdienste. God zegene dien braven Wibbe! Wat ben ik blij, dat ik ze vroeger geholpen heb, toen hij nog tegen de wolven vocht.”Nog nooit waren de leden van ’t gemeentebestuur zoo vreemd te moede huiswaarts gegaan, en zóó babbelziek.Letterlijk iedereen werd aangeklampt en dan werd ’t groote nieuws verteld.Als een loopend vuurtje ging ’t door ’t dorp!Er komt ’n nieuwe kerk!Er komt ’n dierenhuis!Dien verderen dag werd bijna door niemand gewerkt!Overal stonden groepjes menschen en overal spraken de opgewonden bewoners over ’t groote nieuws.En later vertoonden ze elkaar ’n krant, waarin over de nieuwe kerk en ’t toevluchtsoord voor dieren werd geschreven.Kooten scheen plotseling ’n beroemd dorp te zullen worden, want van nu af aan stroomden de bezoekers er weer heen.Niet alleen nieuwsgierigen!O nee! Daar kwamen de mannen, die de ruïne moesten opruimen en eerst eens door opzichters den toestand deden beschouwen.Dan moest er land worden gekocht om daar ’t Dierenhuis neer te zetten.De teekenaar van ’t nieuwe kerkje wilde de omgeving zien, de aannemer moest opmetingen doen.Kortom! ’t gansche dorp leefde in ’n nieuw tijdperk.Alle bewoners begonnen minder suf te worden, ze volgden alle voorbereidende maatregelen met stijgende belangstelling.En vooral de jeugd liet zich niets ontgaan! Ze bleef toeschouwster bij ’t wegruimen van de ruïne, van de muren en van den halven toren....De notaris en z’n vrouw leefden weer net als vroeger samen stil en gelukkig.Hun pleegzoons zouden binnen korten tijd bekwame mannen in de maatschappij worden en wat ’n voldoening, dat zij dien Wibbe en dien Hesse hadden opgeleid tot flinke knappe menschen!Maar de schitterende houding van Wibbe vervulde ze met trots!Scheen heel Kooten niet ondersteboven te keeren, was er iemand, die Wibbe niet hemelhoog prees?En hoe aardig bleven de vroegere jongens niet, al waren ’t nu heele heeren!Geregeld kwamen ze over, meestal om de veertien dagen om den Zondag bij hun pleegouders te slijten.Wibbe was niets veranderd, al bezat hij nu grooten rijkdom.Hij dacht er niet over, daarmee te pronken of ’n lui leven te gaan leiden.Hij werkte evenals Hesse met toewijding om eenmaal ’n nuttige werkkring te vinden als ingenieur.Kooit deed hij Hesse ook maar eenigszins voelen, dat hij rijk was en de vriend arm.Vast besloten om ’t geld, dat meneer Bribon hem had nagelaten, te besteden aan goede werken, leefde hij even eenvoudig als Hesse.Geregeld konden de twee vrienden nu de voorbereiding zien.Met weemoed hadden ze dien goeden halven toren zien afbreken....Ach ja.... die Dodo.... de trouwe Rip en Kas.... al die aardige dieren waren van hen heengegaan.Wat ’n mooie gelukkige tijd was het toch geweest!Die grappige Dodo!Hij kon niet sterven vóórdat de baas thuis was, ja, en Koko, vrijgelaten in ’t bosch, vonden ze later toch weer in de boomen bij de kerk....En nu verdween de ruïne....Dag aan dag waren er tal van menschen bezig om op de puinhoopen van de oude, ’n nieuwe kerk te doen herrijzen.En als Wibbe en Hesse over waren, dan liepen ze samen om de fundamenten, later om de muren en eindelijk om ’t gebouw zelf. Het werd ’n beeldig kerkje met ’n fraai slank torentje.Iedereen was er over uit!Buiten ’t dorp, dicht bij de brug, daar rezen de muren van ’t Dierenhuis en ook dat trok de twee vrienden telkens en telkens weer tot zich.Eenvoudig en doelmatig zou ’t worden, werkelijk ’n toevluchtsoord voor misdeelden en ongelukkigen onder de dieren.Toen kwam de groote dag!Inwijding van ’t nieuwe kerkje!Inwijding van ’t dierenhuis!Kort te voren hadden Hesse en Wibbe hun ingenieursexamen gedaan en vóórdat ze naar Roemenië vertrokken om daar enkele jaren werkzaam te zijn bij ’t boren van oliebronnen, wilden ze eerst de plechtigheid, ’t inwijden van de twee gebouwen, bijwonen!Voor de tweede maal vierde Kooten feest, den eersten keer in ’t bizonder ter eere van Hesse, nu voor Wibbe.Heel ’t dorp vlagde, en vier eerebogen warenopgericht, als huldebewijs voor den weldoener van ’t dorp.Wibbe vond al die drukte niet eens zoo plezierig, maar dat hoorde er nu eenmaal bij.Tal van aanzienlijke personen uit de stad zouden tegenwoordig zijn en niemand minder dan de minister van landbouw had beloofd persoonlijk ’t Dierenhuis in te wijden.Ook voor de kerkelijke plechtigheid werden tal van bekende mannen verwacht.Geen wonder, dat er over ’t heele dorp ’n plechtige stemming zweefde.Geen sprake van luidruchtig gejoel of gehos! Iedereen besefte, dat de dag van heden zéér bizonder zou worden, ’t begin van ’n nieuw tijdperk van bloei.’s Morgens elf uur stroomde ’t kleine kerkje vol menschen en daaronder heel wat vreemden.’t Allerlaatst traden Wibbe en Hesse binnen met den notaris en z’n vrouw.Zij kregen afzonderlijke plaatsen.’t Orgel speelde.... de plechtige akkoorden ruischten door ’t gewelf....Toen betrad de voorganger den preekstoel en na ’t gebed hield hij ’n ontroerende toespraak.Hij had ’t over de naastenliefde....Goed voor elkander zijn, maar ook voor de dieren, zoo sprak hij.„Hèm zal ’t wel gaan, die de liefde kent: liefde toont voor al wat lijdt en hulp van noode heeft.”Alle aanwezigen begrepen op wie de predikerdoelde en later zongen zij hem van gansche harte toe.Na afloop van de godsdienstoefening mocht iedereen vrij ’t kerkje bezichtigen en Wibbe ontving in de consistoriekamer de dankbetuigingen van heel wat mannen en vrouwen.Niemand vermoedde, wat hij met Hesse deed, toen de kerk zoo goed als leeg was geloopen.Met d’r tweeën beklommen ze de torentrap en vlak onder de spits keken ze samen uit over de bekende omgeving en nu doorleefden ze weer de heerlijke jaren uit hun jeugd....Veel tijd voor overpeinzingen bleef er niet beschikbaar want dien zelfden dag moesten ze tegenwoordig zijn bij de opening van ’t Dierenhuis.En ook deze plechtigheid liep uitstekend af.De minister van landbouw bracht Wibbe hulde voor zijn mildheid. Hij hoopte, dat dit gebouw altijd leeg mocht staan....Iedereen stond verbaasd over de ruimte, over de uitstekende inrichting.Tal van zindelijke hokjes zouden heel wat mishandelde dieren kunnen bergen.Een dierendokter was aan de stichting verbonden met een staf van verplegers en verpleegsters.„Weet je nog, dat ik altijd dierendokter had willen worden?” zei Hesse.„Ommijheb je ’t niet gedaan,” antwoordde Wibbe.„’k Wilde altijd bij je blijven, dat is alles,” zei Hesse.De vrienden drukten elkaar de hand en—ze hielden woord.Onafscheidelijk zijn ze gebleven!’t Groote fortuin, dat de heer Bribon Wibbe had nagelaten, schonk duizenden ongelukkigen een beter lot en behoedde honderden voor ’n vreeselijken dood.Henk en de andere vrienden raakten in de verdere jaren op den achtergrond, maar wat Henk dikwijls zei was heel juist:„’k Heb nooit zoo’n paar vrienden gezien en nooit zal ik den tijd vergeten, toen we nog ridders waren van den halven toren. Maar ik zal ’t blijven zoolang ik leef, dàt verzeker ik je!”
In de burgemeesterskamer van ’t dorp Kooten waren de leden van ’t gemeentebestuur vergaderd en zéér verwonderd luisterden ze naar ’t volgende:
„Ik heb u ’n buitengewoon belangrijke mededeeling te doen,” zoo sprak de burgemeester. „Ik twijfel er niet aan of u zult evenals ik bizonder verheugd zijn als u weet, dat ’n jonge weldoener ons dorp zeer mild heeft bedacht.
„U kent allen den pleegzoon van den notaris, Wibbe....”
Alle hoofden knikten met nadruk.
„Tien jaar geleden is hij in ’t gezin van den notaris opgenomen en sinds enkele dagen is hij meerderjarig geworden.
„U weet allen, hoe uitstekend hij heeft geleerd, en hoe hij met z’n vriend Hesse, altijd ’n paar eerlijke flinke jongens zijn geweest met warme harten!
„Nu zijn ’t een paar ijverige, veelbelovende studenten geworden. We zullen er nog wel méér van hooren.
„Maar nu ons dorp!
„Wat raakt dat alles ons dorp?
„U weet allen, hoe hier door de gemeenteleden is gespaard om ons aardige oude kerkje weer te doen opbouwen, maar ze zijn arm en in al die jaren is nauwelijks de helft van ’t benoodigde geld bijeen.
„En ziet! Hier heb ik een kennisgeving van notaris Broekenaaier, dat zijn pleegzoon als ’n herinnering aan de gelukkige jaren, op Kooten doorgebracht, en ook als ’n bewijs van dankbaarheid tegenover z’n twee pleegvaders, den heer Bribon en den notaris, een som van vijftig duizend gulden heeft geschonken om ’n nieuwe kerk te bouwen....”
Deze woorden van den burgemeester verwekten groote geestdrift....
„Vijftig duizend gulden!
„Ja zeker,” vervolgde de burgemeester, „dat geld gevoegd bij de reeds bespaarde som, is zeker wel voldoende.
„En weet u, heeren, wat ’t aardigste is?
„Wibbe heeft nooit vermoed, dat hij de erfgenaam van den heer Bribon was. Niet eerder dan met z’n meerderjarigheid heeft de notaris hem dit verteld.
„Mooi dus, dat z’n eerste daad is geweest om ons dorp op die manier te gedenken.
„En nu nog iets....”
Nòg iets?
Met verbaasde gezichten keken alle aanwezigen den burgemeester aan.... nog iets? Zou die Wibbe....? wat dan?.... wat dan?....
Daar hoorden ze:
„Ook stelt dezelfde schenker een som van honderd duizend gulden beschikbaar voor den bouw van ’n toevluchtsoord van arme onbeschermde dieren. Daarbij voegt hij nog vijftig duizend gulden om mishandelde dieren vrij te koopen en menschlievende redders te beloonen en tevens om de propaganda voor betere dierenwetten te bevorderen.”
Verbluft zaten ze allen te kijken, toen de burgemeester zweeg.
Boer Peggers riep uit: „Dat is de opkomst van ons dorp. Dat geeft vertier en verdienste. God zegene dien braven Wibbe! Wat ben ik blij, dat ik ze vroeger geholpen heb, toen hij nog tegen de wolven vocht.”
Nog nooit waren de leden van ’t gemeentebestuur zoo vreemd te moede huiswaarts gegaan, en zóó babbelziek.
Letterlijk iedereen werd aangeklampt en dan werd ’t groote nieuws verteld.
Als een loopend vuurtje ging ’t door ’t dorp!
Er komt ’n nieuwe kerk!
Er komt ’n dierenhuis!
Dien verderen dag werd bijna door niemand gewerkt!
Overal stonden groepjes menschen en overal spraken de opgewonden bewoners over ’t groote nieuws.
En later vertoonden ze elkaar ’n krant, waarin over de nieuwe kerk en ’t toevluchtsoord voor dieren werd geschreven.
Kooten scheen plotseling ’n beroemd dorp te zullen worden, want van nu af aan stroomden de bezoekers er weer heen.
Niet alleen nieuwsgierigen!
O nee! Daar kwamen de mannen, die de ruïne moesten opruimen en eerst eens door opzichters den toestand deden beschouwen.
Dan moest er land worden gekocht om daar ’t Dierenhuis neer te zetten.
De teekenaar van ’t nieuwe kerkje wilde de omgeving zien, de aannemer moest opmetingen doen.
Kortom! ’t gansche dorp leefde in ’n nieuw tijdperk.
Alle bewoners begonnen minder suf te worden, ze volgden alle voorbereidende maatregelen met stijgende belangstelling.
En vooral de jeugd liet zich niets ontgaan! Ze bleef toeschouwster bij ’t wegruimen van de ruïne, van de muren en van den halven toren....
De notaris en z’n vrouw leefden weer net als vroeger samen stil en gelukkig.
Hun pleegzoons zouden binnen korten tijd bekwame mannen in de maatschappij worden en wat ’n voldoening, dat zij dien Wibbe en dien Hesse hadden opgeleid tot flinke knappe menschen!
Maar de schitterende houding van Wibbe vervulde ze met trots!
Scheen heel Kooten niet ondersteboven te keeren, was er iemand, die Wibbe niet hemelhoog prees?
En hoe aardig bleven de vroegere jongens niet, al waren ’t nu heele heeren!
Geregeld kwamen ze over, meestal om de veertien dagen om den Zondag bij hun pleegouders te slijten.
Wibbe was niets veranderd, al bezat hij nu grooten rijkdom.
Hij dacht er niet over, daarmee te pronken of ’n lui leven te gaan leiden.
Hij werkte evenals Hesse met toewijding om eenmaal ’n nuttige werkkring te vinden als ingenieur.
Kooit deed hij Hesse ook maar eenigszins voelen, dat hij rijk was en de vriend arm.
Vast besloten om ’t geld, dat meneer Bribon hem had nagelaten, te besteden aan goede werken, leefde hij even eenvoudig als Hesse.
Geregeld konden de twee vrienden nu de voorbereiding zien.
Met weemoed hadden ze dien goeden halven toren zien afbreken....
Ach ja.... die Dodo.... de trouwe Rip en Kas.... al die aardige dieren waren van hen heengegaan.
Wat ’n mooie gelukkige tijd was het toch geweest!
Die grappige Dodo!
Hij kon niet sterven vóórdat de baas thuis was, ja, en Koko, vrijgelaten in ’t bosch, vonden ze later toch weer in de boomen bij de kerk....
En nu verdween de ruïne....
Dag aan dag waren er tal van menschen bezig om op de puinhoopen van de oude, ’n nieuwe kerk te doen herrijzen.
En als Wibbe en Hesse over waren, dan liepen ze samen om de fundamenten, later om de muren en eindelijk om ’t gebouw zelf. Het werd ’n beeldig kerkje met ’n fraai slank torentje.
Iedereen was er over uit!
Buiten ’t dorp, dicht bij de brug, daar rezen de muren van ’t Dierenhuis en ook dat trok de twee vrienden telkens en telkens weer tot zich.
Eenvoudig en doelmatig zou ’t worden, werkelijk ’n toevluchtsoord voor misdeelden en ongelukkigen onder de dieren.
Toen kwam de groote dag!
Inwijding van ’t nieuwe kerkje!
Inwijding van ’t dierenhuis!
Kort te voren hadden Hesse en Wibbe hun ingenieursexamen gedaan en vóórdat ze naar Roemenië vertrokken om daar enkele jaren werkzaam te zijn bij ’t boren van oliebronnen, wilden ze eerst de plechtigheid, ’t inwijden van de twee gebouwen, bijwonen!
Voor de tweede maal vierde Kooten feest, den eersten keer in ’t bizonder ter eere van Hesse, nu voor Wibbe.
Heel ’t dorp vlagde, en vier eerebogen warenopgericht, als huldebewijs voor den weldoener van ’t dorp.
Wibbe vond al die drukte niet eens zoo plezierig, maar dat hoorde er nu eenmaal bij.
Tal van aanzienlijke personen uit de stad zouden tegenwoordig zijn en niemand minder dan de minister van landbouw had beloofd persoonlijk ’t Dierenhuis in te wijden.
Ook voor de kerkelijke plechtigheid werden tal van bekende mannen verwacht.
Geen wonder, dat er over ’t heele dorp ’n plechtige stemming zweefde.
Geen sprake van luidruchtig gejoel of gehos! Iedereen besefte, dat de dag van heden zéér bizonder zou worden, ’t begin van ’n nieuw tijdperk van bloei.
’s Morgens elf uur stroomde ’t kleine kerkje vol menschen en daaronder heel wat vreemden.
’t Allerlaatst traden Wibbe en Hesse binnen met den notaris en z’n vrouw.
Zij kregen afzonderlijke plaatsen.
’t Orgel speelde.... de plechtige akkoorden ruischten door ’t gewelf....
Toen betrad de voorganger den preekstoel en na ’t gebed hield hij ’n ontroerende toespraak.
Hij had ’t over de naastenliefde....
Goed voor elkander zijn, maar ook voor de dieren, zoo sprak hij.
„Hèm zal ’t wel gaan, die de liefde kent: liefde toont voor al wat lijdt en hulp van noode heeft.”
Alle aanwezigen begrepen op wie de predikerdoelde en later zongen zij hem van gansche harte toe.
Na afloop van de godsdienstoefening mocht iedereen vrij ’t kerkje bezichtigen en Wibbe ontving in de consistoriekamer de dankbetuigingen van heel wat mannen en vrouwen.
Niemand vermoedde, wat hij met Hesse deed, toen de kerk zoo goed als leeg was geloopen.
Met d’r tweeën beklommen ze de torentrap en vlak onder de spits keken ze samen uit over de bekende omgeving en nu doorleefden ze weer de heerlijke jaren uit hun jeugd....
Veel tijd voor overpeinzingen bleef er niet beschikbaar want dien zelfden dag moesten ze tegenwoordig zijn bij de opening van ’t Dierenhuis.
En ook deze plechtigheid liep uitstekend af.
De minister van landbouw bracht Wibbe hulde voor zijn mildheid. Hij hoopte, dat dit gebouw altijd leeg mocht staan....
Iedereen stond verbaasd over de ruimte, over de uitstekende inrichting.
Tal van zindelijke hokjes zouden heel wat mishandelde dieren kunnen bergen.
Een dierendokter was aan de stichting verbonden met een staf van verplegers en verpleegsters.
„Weet je nog, dat ik altijd dierendokter had willen worden?” zei Hesse.
„Ommijheb je ’t niet gedaan,” antwoordde Wibbe.
„’k Wilde altijd bij je blijven, dat is alles,” zei Hesse.
De vrienden drukten elkaar de hand en—ze hielden woord.
Onafscheidelijk zijn ze gebleven!
’t Groote fortuin, dat de heer Bribon Wibbe had nagelaten, schonk duizenden ongelukkigen een beter lot en behoedde honderden voor ’n vreeselijken dood.
Henk en de andere vrienden raakten in de verdere jaren op den achtergrond, maar wat Henk dikwijls zei was heel juist:
„’k Heb nooit zoo’n paar vrienden gezien en nooit zal ik den tijd vergeten, toen we nog ridders waren van den halven toren. Maar ik zal ’t blijven zoolang ik leef, dàt verzeker ik je!”