Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande zag hij dat ’t station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die ’n onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op ’t perron was ’t al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond ’t plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?
Hij liep ’t perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan; in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden tekletsen en te lachen onder de kap van ’t perron. Uit een van de gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde ’t uit van de lol. Hij begreep dat ’t was om ’t norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen.
Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend over ’t ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs, der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes op ’t land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet ’t intieme leven van ’t riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in de plassen van ’t moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door ’t gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij ’t onzinnige van zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor ’t stille donkere veldenland.
Maar zijn gesoes werd doffer, ’t gepraat ging verder, hij viel met knikkend hoofd in lichten slaap.
Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag ’t groote hol waar ’t bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast. Daar lag de stad, desombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen, tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis, straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag Bernard toen in-eens als een lichtglans om ’t hoofd van een martelaar, die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet willend ’t genot wat voor ’t grijpen is, maar enkel de zaligheid.
Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn ouden leeren kantoorstoel zat, voor zijn schrijftafel, die met stapeltjes paperassen en allerlei zakendingen dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en te piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen rommel heen, in even-opkomend gesoes, naar buiten, naar de oude viezige straat in ’t bleeke, vaag-schaduwende Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van de vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te zijn van kil-spokerige duisternis, toen voelde hij in-eens een spitse spijt, dat hij dien vorigen dag, dien vrijen Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet ’s een poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, ’s middags bijvoorbeeld, in ’t Concertgebouw of ergens anders, en al was ’t maar één blik op te vangen, één zoo’n metaal-koel neer-huiverenden spotblik, één zoo’n blik van uitdagenden trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking, één zoo’n blik van haar langs de verstandig pratende hoofden en achter de hulpelooze halzen van degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O! zoo was ’t nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was te passief, veel te akelig laksch in zulke omstandigheden!Daardoor kwam ’t, dat hij nooit ’s — zooals anderen zoo dikwijls — een pikant avontuurtje had, een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje.
Maar hoe kwam ’t dan toch dat hij, die anders toch zoo energiek was, die aanpakte en doortastte, dat hij altijd zoo’n wachtende houding aannam in alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en besluiteloos, lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er zich weer aan, hij had ’t land aan zichzelf — maar hij vergat ’t in zijn werk. Want hij had ’t druk, en soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens boeien en hem dan uren lang niet loslaten. Dan ging met vollen geregelden gang de staal-gladde machine van zijn intellect en hield zijn aandacht strak gespannen. Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar het slagen van zijn zaken was hem een verstandelijk genot, een bijna zinnelijke bevrediging van zijn hersenbehoeften.
Toen hij ’s middags naar ’t Leidscheplein liep om te gaan eten, dacht hij weer aan Zaterdagavond en hij zag ’n beetje op tegen ’t ontmoeten van zijn tafelvrinden. Van André vooral, en van Gerrit Volle, die zoo plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon. Hij liep tegen zich zelf te redeneeren dat ’t nonsens was bang voor die lui te zijn, dat ze toch eigenlijk tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn kracht. Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en bleef een beetje beklemd — tot zijn ergernis. Hij voelde zich pas ruimer worden, toen ze hem heel gewoon en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze waren vol nog over gisteren, ze hadden elkaar ’s middags weer getroffen en hadden een roezig-dollen dag gehad met André’s broer; en de schilder was ook weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen door den echt vriendschappelijken toon van verwijt, toen ze hem vroegen, waarom hij ook niet was gekomen. Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde er zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijkekerels. ’t Was toch wel waar dat hij van hen hield en zij van hem.
De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks zoo geregeld en eenvormig als een rij flesschen in een apothekerskast, alle dagen even lang, door de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen wat voller dan de ander, voller van werk dat gedaan en van woorden die gezegd waren, een dagenreeks zonder feiten, zonder een enkele daad, maar verschillend in hoogte van stemmingstinten; de eene dag helderder door een roes van actie, door opwekkende lectuur, muziek of een paar woorden van goedheid en vriendschap, de ander grijzer door kleine teleurstellingen, door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin van ’t werkelijke, zelf-minachting en door verveling die kwam van menschen en van dingen; de eene dag doorsprenkeld van lichtvlekjes als een beukenlaan in de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een kreupelboschje in den mist, doorsiepeld van koude druppels, onverwacht vallend. Géén dagen van een en al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille treuring; altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk als een regenboog of licht contrasteerend, als een sober vrouwentoilet.
Dikwijls als hij naar kantoor liep, overviel hem een drukkende, verslappende tegenzin in zijn werk, een gevoel van weeë moeheid, en dan ging hij traag en weifelend aan den gang en deed ’t ook lang zoo goed niet als anders — nog wel niet slordig of onnauwkeurig, maar onverschillig, verward, van-den-hak-op-den-tak-springend, en niet er van makend wat er van te maken was. Dan kon ’t hem ook niet schelen hoe ’t er uitzag, zijn werk. Maar andere dagen, — of soms wel andere uren van denzelfden dag — dan maakte hij er kleine kunststukjes van netheid van. Dan had hij daar plezier in, ’t niet alleen goed te doen, maar ook zoo dat ’t zien er van aangenaamwas, dan voelde hij wat van ’t genot dat z’n werk moet geven aan iemand die iets moois maakt. Dan merkte hij in zich zelf een licht-fantaseerend ziele-koesteren van sommige prettige werkjes, dan voelde hij een opwekkende, soms bepaald vroolijk makenden strijdlust tegen andere bezigheid, stroef lastig of taai-vervelend, een lust er gauw mee te beginnen, zich er dapper en handig doorheen te slaan. Soms verweet hij zich, dat hij zich zoo weinig bemoeide met zijn bedienden; dan wilde hij die menschen beter leeren kennen, en dan lette hij meer op hen en ontdekte nieuwe kwaliteiten in hun werk en zei dat ook en prees en moedigde aan. Maar een volgenden dag ergerde hij zich weer aan hun kortzichtigheid, aan hun kleinzielig alleen-maar-doen wat hoog noodig was, aan hun blind-pedante, zelf-genoegzame domheid. Zoo gaven kleinigheden hem oogenblikken van klein verdriet en klein genot. En dat waren wel triestige uren, als hij voelde hoe klein dat allemaal was.
Hij voelde ook wel dat zijn eigenlijke leven in zijn avonden was. Als ’t werk dat af moest af, en ’t eten dat op moest op was, en de uren kwamen van doen wat je wilt voor je weer moet gaan slapen, wat ook al noodig is, plicht, zaken! De avonduren, daar kwam ’t op aan in dat soort van leven van hem, dat wist hij wel. Ze waren goed of slecht, ze brachten hem vooruit of zetten hem terug. Soms voelde hij ’t gehalte van die uren een tijdje lang stijgen en dan weer afnemen, minderen. Daar was aldoor actie en reactie in. Waren zijn avonden eenige dagen achtereen heel min geweest, gedachteloos omgebracht in koffiehuis-praatjes, en spelletjes, in een halven roes soms en quasi-gewichtig geklets, dan volgde er geregeld een periode van stomme moedeloosheid, landerigheid, katterigheid. ’t Duurde meestal niet lang. Eén avond van stille lectuur, of een concert, of ’t zien van mooie dingen, of alleen maar een half uur droomend niets-doen bracht hem dikwijls weer op de hoogvlakten,waar hij leven kon. Dikwijls. Maar soms ook gaf ’t allemaal niets; lectuur, muziek, tooneel, niets was er dan dat hem kon boeien. Dan was hij nurksch op kantoor en stil bij zijn vrinden, in zich zelf gekeerd, onverschillig schijnend en cynisch. Dan voelde hij zich verward, ontmoedigd, zonder plan en met een vaag verlangen om meegenomen te worden door sterkeren; dan was hij angstig, klein, laag-levend en erg alleen. Dan voelde hij ’t een beetje hoe ver hij leefde van zijn ziel, van zijn eigenlijk, van zijn eigen gevoels-terrein, en tastend naar den weg daarheen vond hij dien niet. Schimmen, leegte, niets dan leegte grepen zijn tastende handen, ijle, geheimzinnige, donker-beangstigende leegte. Hoe meer hij er over dacht, hoe verder ’t van hem wegging, als iets wat hij ééns had geweten en wat hij zich nu niet meer te binnen brengen kon, een wachtwoord, een tooverspreuk. Ja, dat was ’t, er moest een tooverspreuk zijn, waardoor je kon doen opengaan de streng-gesloten kristallen berg, die ligt in ’t diepst van je ziel. En als die openging, dan kon je recht in den hemel kijken. Maar hij was zijn spreuk kwijt..... heelemaal vergeten.... En hij kon er niemand naar vragen.... Want er waren nog maar twee andere menschen geweest, die ’t wisten, en die waren dood....
Zoo was er aldoor actie en reactie in zijn stemmingen, soms heel snel opeenvolgend. ’t Gebeurde, dat hij uren achtereen met vrinden en allerlei kennissen in een café zat of in een duitsche bierkneip, waar kelnerinnen handjes kwamen geven en verliefd doen en klagen, dat ze niet met heeren mee mochten, ’s avonds, sentimenteel-huilerig als oude juffrouwen, die zuchten en smachten naar poëzie...., dat hij dan uren achtereen zat te kletsen en te lachen, biertjes en grogjes drinkend, en dat hij ’t gezellig vond dat geklets, en dat hij ze lekker vond, zijn biertjes en grogjes, zijn oesters met ale, zijn slaadjes en halve-gedraaiden, dat hij een warm plezier had inzijn jongeheerenleven en zijn vrijheid, zijn alles-gemakkelijk-kunnen-doen — want er was geld genoeg en hij was jong en gezond en sterk — en dat hij dan toch in ’t naar huis gaan zich dat plezier liep te herinneren met een gevoel van sterke walging, als van veel warm vet, met een gevoel soms ook van fel-bittere zelfverachting, pijn schroeiend, als een brandmerk in zijn blanke borst. En dat hij dan toch den volgenden morgen die nachtelijke zelfkwelling toeschreef aan een sentimenteelen dronk en zich weer een heer vond, een gentleman. Ja, soms was hij bepaald ietwat ingenomen met zich zelf, vond hij zich lang niet de minste van zijn clubje, een kranig jong koopman, maar een uur later lachte hij zich schamper uit om die verbeelding en bespotte zijn eigen figuur en zijn manier van doen, tot in kleinigheden, als gold ’t een gek, die hij ergens zag zitten. Gebazel over moderne weltschmerz kon hem dikwijls nijdig maken en woorden doen zeggen van nurksche nuchterheid, zoo naar, zoo kriebelig-belachelijk vond hij dat dan, — en toch, hoe dikwijls zuchtte hij zelf naar een ver, onbereikbaar geluk, zich vragend welken draak hij toch dooden moest om daar te komen.
In de eerste weken na die trouwpartij zag hij éénmaal Mimi. ’t Was op een middag, heel onverwacht. Na beurstijd was hij even geloopen naar een kantoor op de Prinsengracht, waar hij iemand spreken moest. En op zijn weg terug, terwijl hij nog strak liep te denken aan de met dien man besproken zaken — daar kwam ze in-eens aan, al vlak bij toen hij haar zag. Hij groette bedaard, zeer eerbiedig, bijna statig, maar van schrik plotseling een steen in zijn borst voelend en zijn leden zwaar en loom. Zij groette ook, deftig-vriendelijk, koel-gewoon, een bijna onmerkbaar herinneringslachje in de hoeken van haar mond, maar in haar oogen geen gloed van spot, geen lach, geen zweem van emotie. Toen ze voorbij was bleefhij staan en keek om, maar zij liep door, heel kalm stappend, een lieve, deftige dame in een stadsstraat, in een elegant wandelcostuum, met een dun parapluietje en een visiteboekje. Ze groette met zoo’n zelfde minzame hoofdnijging een ander die haar tegenkwam. Er was geen reden, geen aanleiding om haar na te loopen, haar aan te spreken. Dat doen dames en heeren niet, die elkaar nog zoo weinig kennen. Een eindje verder ging ze een winkel in. Hij keerde om; langzaam, weifelend liep hij terug. Eigenlijk had hij hoegenaamd geen lust om haar aan te spreken, maar hij plaagde zich zelf met: Kom schiet nou ’s uit je slof! doe nou ’s wat! profiteer nou ’s van de gelegenheid. Hij liep den winkel voorbij. Zij stond te praten met een andere dame, hij verbeeldde zich haar stem te hooren. Twee huizen verder bleef hij weer staan, wachtend, kijkend naar de deur van den winkel waar zij ingegaan was. Hij had een paar zinnetjes in zijn hoofd gehaald, die hij zeggen wou. Maar ’t duurde zoo lang. Hij had geen tijd meer. Nog eens liep hij den winkel voorbij; zij zat er nog, rustig stoffen te bekijken. Toen liep hij door, eerst langzaam, dralend, telkens omkijkend, maar toen weer gewoon en zelfs sneller om den verbeuzelden tijd in te halen; hij had ’t plannetje nu in-eens heelemaal uit zijn hoofd gezet, wat hem dadelijk lichter maakte, opgewekt zelfs, als was hij ontslagen van een drukkende verplichting. Gebrek aan tijd was een heel soliede motief tegenover zijn plagende zelf. En toen hij langzamerhand weer geheel en al bekomen was van de emotie en naging in zich zelf wat er was gebeurd, toen merkte hij hoe ze hem tegengevallen was bij die tweede ontmoeting. ’t Was heelemaal niet zij geweest, zooals ze leefde in zijn droomen; ze was als een slecht-geslaagde copie van zich zelf geweest; op dit meisje zou hij nooit verliefd zijn geworden.
Ook was hij heel gauw vergeten, hoe ze er uit zag zooals hij haar op straat was tegengekomen,maar zooals ze was geweest op dien bal-avond, zoo dacht hij weer aan haar dien dag en den volgenden. En hij had weer datzelfde gevoel van gecharmeerd zijn, en een paar dagen later was hij ook die leegheid van tegenvallen, van teleurstelling weer vergeten, maakte hij zich een fantasiebeeld van haar hem tegenkomend op straat, en opnieuw mopperde hij tegen zich zelf over zijn gebrek aan actief optreden en tegenwoordigheid van geest in zulke gevallen. Als ’t weer gebeurde, zou hij nu bepaald heel anders doen. Hij zou haar dadelijk aanspreken, haar zeggen dat ze mooi was, dat hij aldoor aan haar dacht.
Maar ’t gebeurde niet meer. En ook minder dan vroeger zon hij op plannen om haar te ontmoeten. Dat was nu al ’s gebeurd, de aantrekking van ’t ongekende bestond er niet meer voor. ’t Was al ’s gebeurd, en wat had ’t hem toen gegeven? Niets. Door zijn eigen schuld, door zijn aard, door zijn nu-een-maal-zoo-zijn. En zoo ging langzamerhand die hopelooze verliefdheid er bij hooren, bij al zijn overige grieven tegen zich zelf, en vervaagde meer en meer in zijn algemeen gevoel van gemis en eenzaamheid. Tot hij eindelijk niet meer verlangde naar een ontmoeting, er eigenlijk nooit meer aan dacht, gewoon geraakt aan haar staan in zijn gedachten, zooals dat nu eenmaal was, zooals ’t een deel van hem zelf was geworden.
Eens, tegen half November, werd hij door Hendrik uitgenoodigd, een Zondag met hem te gaan doorbrengen in Haarlem bij zijn familie. Hij nam ’t aan omdat hij ’t moeilijk kon weigeren, zonder blijdschap. Hij was er nooit geweest, hij kende alleen Hendrik en zijn zuster Lize, die aan ’t souper op die trouwpartij naast hem gezeten had. En ’t was een groote familie; veel kinderen; Hendrik was de oudste. Nu kwam hij niet graag in groote families. Hij hield er niet van de eenige „vreemde” te zijn aan zoo’nintiemen familiedisch, de gêne, de gemaakte glimlachjes te zien op de gezichten van menschen aan hun eigen tafel; door de ouderen, ieder op zijn beurt beleefd-opgewekt aangesproken te worden en aldoor aangegaapt door de jongeren; kleine, met moeite bedwongen familietwistjes bij te wonen en te doen alsof je ’t niet merkte; galant te moeten zijn met de gallige oude tante, die geregeld ’s Zondags komt eten en erg gesteld is op haar „partijtje”; en in den loop van den avond al de stokpaardjes van den gastheer te moeten afrijden.
Maar hij wist dezen keer zoo gauw geen uitvlucht. En dus ging hij dien Zondagmorgen met Hendrik mee. ’t Was een koude grijze Novemberdag zonder regen. Hendrik kwam hem afhalen van zijn kamer en ze kwamen tegen twaalf uur in Haarlem aan. De familie woonde op een van de Singels, in een groot heerenhuis met een hooge stoep, een ouderwetsch huis, suffisant-breed, van donkere baksteen, eenvoudig en pretensieloos van bouw. Er was iets goedig-ouds, iets aantrekkelijk rustigs in ’t uiterlijk van dat huis, waarmee in overeenstemming de klank van de schel, een kalm-blank geluid, zonder natrilling. Even schoot de sensatie in Bernard op, maar hij kon er niet over mijmeren, want bijna dadelijk werd er open gedaan.
’t Was een van Hendriks zusjes, die dat deed, een meisje van vijftien of zestien jaar, een aardig donker kind, met losse krullen en lachende, klare oogen. Zij groette haar broer ’t eerst en gaf hem een zoen, waarvoor hij zich — wat houterig en licht verlegen — tintel-blikkend vooroverboog terwijl zij op haar teenen ging staan. En toen gaf ze ook Bernard een hand, bedaard-vroolijk groetend, luchtig en kort, als was hij een goede kennis. Hij voelde zich nu erg op zijn gemak, gaande door de rustige gang, langs de hooge donker-houten lambriseering, naar den kapstok, waar Hendrik hun beider jassen en hoeden aan hing, terwijlhij met zijn harde, hoekige stem, praatte tegen zijn zusje, vragend naar allerlei dingen. En zij nam heelemaal geen notitie meer van Bernard, maar keek aldoor naar den grooten broer, vlug antwoordend op zijn vragen, met afdoende zakelijkheid, levendig en opgewekt.
„Ga binnen, ga binnen!” zei Hendrik en duwde een deur open, waardoor ze kwamen in een ruime hooge kamer, achter in ’t huis. Er was niemand. Maar er was vuur in den haard, en op de groote vierkante tafel stond de koffie klaar, op een groot blad met koppen, eigen koppen in allerlei vormen en kleuren, en er was gedekt voor tien personen met aardig blauw porselein. De koffiekan stond te dampen uit z’n tuit, en er was een rood Edammer kaasje op tafel en een aangesneden ossenhaas en twee lange brooden. Naast de tafel stond de ketel op de theestoof met kracht te razen. Als een beeld van ’t familieleven was die tafel, intiem, huiselijk, warm, gemoedelijk, onder-ons. En rondkijkend vond Bernard dat de heele kamer daar bijhoorde. De open piano, waar muziek over heen gegooid lag met een handwerk, de oude mahoniehouten boekenkast, met glazen deuren van boven alleen, waardoor je de boeken zag staan, in oude banden, met stille, bruinige, verschoten kleuren, een beetje rommelig, en de groote bloemenmand, waar veel in geplant en gekweekt scheen te worden, en de stapel stoven in een hoek, en de tegen ’t behangsel geprikte platen, dat alles te zamen wekte begrip van vrij en onbeklemd leven en bewegen, en veilig thuis zijn. Bernard was de stemming van dat soort van kamers een beetje vergeten; ’t was nu iets nieuws voor hem, iets bizonders, iets heel goeds en prettigs, en wat hij zoo zien kon, omdat hij er buiten stond, omdat hij er zoo heelemaal niet mee verwend was. ’t Was dus weer zoo’n speciaal heimelijk genotje voor hem alleen. Want de menschen die daar thuis hoorden konden natuurlijk die stemming niet meermerken, want ze waren niet, zooals hij, gewoon aan alleen-zijn en aan koffiehuisdrukte; hun waren de muren van die kamer zeker geworden een aangenaam-rustig, stil-geliefd levensomhulsel, als een oude, makkelijke jas of een luie stoel, waar je aan gewoon bent. Bernard dacht ook even aan de kamers van zijn oom in Bussum en voelde nu veel scherper, dan toen hij er was, de onhuiselijkheid, de koude prachtigheid daar.
„Waar is moeder?” vroeg Hendrik.
„Ze komt dadelijk,” zei ’t meisje, „ze is zich nog aan ’t kleeden, maar ’t is haast koffietijd, dus zullen ze allemaal wel gauw verschijnen.”
„Ga zitten, Bert,” zei Hendrik, een leuningstoel aan een van de twee breede ramen schuivend, „kijk, zoo ziet onze tuin er nou uit in November.”
En Bernard zat aan ’t raam en zag een zwartigen lap grond tusschen houten leuningen, een paar dikke gebogen boomen, die hier en daar nog vol groen-gele blaren zaten, en tusschen de oude grijzige kiezelweggetjes de bloemperkjes, leeggehaald, daar liggend nu als neergegooid, verwaarloosd speelgoed, zwart en vuil geworden door den regen. Het stille, leege tuintje had iets droef-verlorens, iets triestig-doodsch onder de grijze, kil-strakke lucht. Maar achter zich voelde hij de warme familiekamer en hoorde hij ’t kokende water razen, en de stem van ’t meisje, die praatte tegen haar grooten broer, vertellend van wat er gebeurd was in de afgeloopen week, van de poes die vier muizen had gevangen en van de St.-Niklaas-surprises waar ze aan bezig was, en waar eigenlijk niemand iets van weten mocht, maar Henk wel, want die zou ’t wel niet verraden....
Toen hoorde hij de deur opengaan en opstaand en zich omkeerend zag hij een gezette oude dame naar zich toekomen met een prettig-rond gezicht van nobele regelmaat zonder strengheid. Ze was niet groot, maar ferm recht-op-loopend, zooals ze daar opgewekt-parmantig aan kwam stappen scheen zeniet den indruk te willen maken van een klein vrouwtje, en dat deed ze dan ook niet. Ze had bijna heelemaal grijs haar en kleine, ronde oogen, die Bernard recht en ietwat onderzoekend, maar erg goedig en vrindelijk aankeken; ja, toen ze vlak bij hem was en hem een hand gaf, was ’t of haar oogen vochtig werden van blije aandoening. „Dag meneer Bandt,” zei ze, „’k ben blij dat ik u ’s zie.” Toen gaf ze Hendrik een zoen, vragend met veel teederheid in haar stem: „Hoe gaat ’t jou, Henk? Goed?” en daarop praatte ze dadelijk weer door tegen Bernard en zei veel hartelijke woorden van welkom. Ze had een prettig-positieve, gulhartig-volle stem, soms even genoeglijk brommend, en dan weer melodieus-zangerig opklinkend, een heel mooie stem, vond Bernard. Al pratend was ze voor haar blad gaan staan en had de koffie opgeschonken en begon nu de boterhammen te snijden, wat een aardig gezicht was, zoo pittig-vlug ging ’t mes er door met een lekker-droog gespat en geknap van kruimels.
En daarop kwam Lize binnen, die Bernard heel vroolijk groette en dadelijk over de trouwpartij begon, waar ze beiden geweest waren. Of Bernard zich ook zoo geamuseerd had? O zij dol! Wat een heerlijke zaal om te dansen! En ook zus Betsy, die achter haar de kamer inkwam, deed dadelijk vroolijk mee met uitroepen van verrukking over dat eenige bal! Want ze was er ook geweest, maar Bernard, verweet ze hem nu, had niets geen notitie van haar genomen, wat erg onvrindelijk van hem geweest was. Hendrik plaagde haar en Lize ’n beetje met leuk-nuchtere opmerkingen over ’t feest, en onder hun gepraat door hoorde Bernard telkens de stem van de moeder, die gedurig weer doorbabbelde met gemoedelijk-tevreden, bescheiden-vroolijke zinnetjes, als bruine moschjes tippend op een vensterbank: „Ik ben ’n beetje in den late van morgen!.... Dat moet je me maar niet kwalijk nemen!.... zoo Zondags....dat is zoo de eenige dag in de week.... zie je, meneer Bandt, dat ik m’ ook maar de weelde gun van ’n beetje langer (ze gaf Bernard een oolijk knipoogje) te slapen, weetje.... Dat moet een mensch dan toch ook ééns in de week er ’s van hebben, wat jij Henk!.... En de meisjes doen toch alles zoo graag voor d’r oude moeder, niet waar?.... hier Bets, pak ’s an!.... geef ’s even aan Jansje en zeg dat ze me gauw de gekookte melk brengt,.... en jij Hans (tegen ’t jongste meisje) roep pa en de jongens ’s even, maar schreeuw niet zoo hard hoor! Betje heeft hoofdpijn.... arme meid!.... ’t Was nog al d’r uitgaansdag vandaag!.... Ja, ’k heb er mee te doen, hoor! Alle harten bij je eigen!.... ze moest nu maar omruilen heb ik al gezegd.... Maar, je begrijpt, hij komt ’r halen!.... En ze gaat voor ’t eerst met ’r nieuwen winterhoed.... ’n aardig hoedje is ’t geworden .... ik heb ’t voor haar opgemaakt!.... ze was er zóó blij mee!.... O die meid!.... Och ja, wat wil je, in de winkels worden die meiden dikwijls zoo bedot......”
Hans bracht haar vader mee, die binnenkwam op zijn pantoffels en met de krant onder zijn arm. Hendrik stelde zijn vrind voor. „Aha! meneer Bandt!” zei de oude heer, „aangenaam, meneer, aangenaam! Wacht ’s even!.... ’k zal me fok opzetten dan kan ik je beter zien!.... zóó.... zóó.... kom je ’s kijken hier?.... Wel dat ’s best hoor!.... Gaat ’t goed?.... in de zaken.... tevreden?”
Bernard zei, dat hij geen klagen had, met een stil leed om ’t banale van die uitdrukking.
“Mooi! mooi!.... je doet veel op Indië, hè?.... Ja, ja! ik weet er alles van.... ’k heb zoo lang in Amsterdam gewoond, o jé!.... Hoe gaat ’t met den ouden heer? Och nee, dat ’s waar ook!.... je bent met je oom in zaken...., ja, ja, nu herinner ik me weer.... precies.... zoo’n kleine dikke man, hè.... ja, ja, hij kwam vroeger veel in Polen!....”
Terwijl hij praatte draaide de oude heer vergenoegd aan zijn snor. Hij was een zestiger met een goed figuur, zonder embonpoint. Hij miste dat doorvoed-gezette, dat breed-gewichtige, wat Bernard soms zoo hinderde in de vaders van zijn vrinden. Hij verbaasde Bernard, die veel gehoord had van ’t werken van dien man zijn heele leven door, zonder rust, en nu had verwacht te zien een ernstig grijsaard, een beetje gebogen, een beetje moe. Maar o neen! dit was een opgewekte, levenslustige meneer, bijna jeugdig, met een zweem van coquetterie in de manier waarop hij zijn baard en snorren droeg, met een frisch-driesten oogopslag, met vrij wat zelfingenomenheid, met wat aanmatiging in zijn glimlach, met een gezicht van wacht ’s even, ik ben er ook nog! Zijn zakdoek stak met een keurig puntje uit den borstzak van zijn donkerblauw colbert en hij had welverzorgde witte handen met lange bolle nagels.
Terwijl Bernard nog met hem stond te praten, kwamen ook Hendriks beide broers hem een hand geven, twee lange jongens van twintig en één of twee-en-twintig jaar. De een scheen dezelfde droge leukheid van Hendrik te hebben, maar de andere leek meer op zijn vader, had iets bewegelijks opgewondens, en was ook keuriger gekleed dan zijn broers.
Ze gingen aan tafel. Bernard zat tusschen de twee oudste meisjes met hun aardig-gelijke gezichtjes. En ’t was heel vroolijk en gezellig; er was aldoor een algemeen over en weer gepraat, ook van de broers en zusjes met elkaar, en Bernard werd volstrekt niet gefêteerd of bizonder beleefd toegesproken. Hij voelde zich heel rustig en op zijn gemak, hij zei tot zich zelf dat hij toch niet heelemaal alleen op de wereld was zoolang er nog plaatsen waren als dit huis, waar hij voor niemand een vreemde scheen; hij voelde zich dankbaar en welwillend gestemd. Maar thuis voelde hij zich niet. Hij had er maar een vaag benul van hoe Hendrik zich hier voelen moest, Hendrik dien hijzoo dikwijls over zich had zien zitten in een koffiehuis, en ook zijn eigen stemming was hem niet klaar. Want hij had nu geen tijd zijn indrukken goed na te gaan, zijn stemming te benaderen en te betasten met in zich zelf gesproken woorden. Dus trachtte hij zijn gemoedsgesteldheid vast te houden tot later en ’t gepraat van zijn mond daar buiten-om te laten gaan, wat hem haast altijd gelukte. Dit voelde hij heel goed, dat hij niet ten volle genoot, dat er iets ontbrak. Even probeerde hij ’t begrip jaloerschheid, maar dat was ’t niet.
Na de koffie gingen de broers en zusjes dadelijk weg, ieder had zijn plannen, zijn afspraken. De oude heer ook; hij kwam nog even binnen met fijne sigaren en trok toen weer naar zijn kamer. Maar Hendrik en Bernard bleven nog zitten, wiegwippend met hun stoelen, stil rookend en overwegend nu en dan de wenschelijkheid van een wandeling, en na lang luiig praten over de grijze lucht en de kans op regen besloten ze ’t toch maar wèl te doen, vooral op aanraden van Hendriks moeder, die zei dat de frissche lucht altijd goed was voor menschen, die er niet veel uitkomen. Maar zij bleef liever thuis,.... ze was zoo gauw moe, door de dikte, weet-je:.... O! ’n last, als je zoo dik bent!.... en ze moest den podding ook nog maken, om de waarheid te zeggen....; dat deed ze altijd zelf,.... dan wist ze zeker dat-ie lekker werd;.... ’t ligt soms aan zoo’n kleinigheid!....
Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard en ze bleven den heelen middag uit, en dronken een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar in gezelschap van anderen. En ’t was Bernard of hij zijn vrind nu voor ’t eerst goed zag. Wat een verbazende kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder eenigen ophef! Wat een kracht, wat een solide bezit moest ’t zijn zoo’n gestel. Bernard voelde zicheerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de zwakkere, hij voelde zich een beetje kinderachtig eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te boven en begon ’t hem te vervelen, maakte ’t hem een beetje kriebelig, dat Hendrik nooit ’s overdreef, nooit ’s schold op iemand of bizonder ingenomen scheen met een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te lokken, begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden kenden en vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die? Wat ’s dat voor ’n vent? Maar Hendrik antwoordde dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes aan zijn sigaar, nam ’m uit zijn mond, keek er ’s naar, klopte de asch er af en zei dan: „Och!.... hm!.... zóó!.... ik kan wel met ’m opschieten;” of: „Ik vind ’m altijd nog al geschikt als je ’m zoo ’s spreekt!....” Maar Bernard gaf ’t niet op — hij voelde zich geërgerd, maar bleef heel amicaal praten — hij begon over hun toekomst, over trouwen, en vroeg met een beetje spot in zijn stem of de ander nooit ’s verliefd was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei:
„Nou!.... nooit!.... dat ’s een beetje sterk,.... ik heb wel ’s zoo’n bui gehad.... ofschoon ik geloof dat ik niet van zoo’n verliefde constitutie ben als jij!”
„Nee, dat geloof ik ook niet,” zei Bernard. „God, kerel, ik ben eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat wel?” En Bernard begon zich een beetje te ontboezemen, fantaseerend nu en dan, onwillekeurig, zonder innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy Franck, van een meisje in Londen, van een achternichtje dat bij zijn tante gelogeerd had, maar sprak niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd zou worden ook van zijn liefdesemoties wat te verraden, maar de ander zweeg, luisterend, rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards opgewonden taal, en bleef nu en dan even stilstaan om hem bedaard te wijzen op merkwaardigheden aan den weg.
Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich een lichten roes gepraat, hij wist van geen stil-zijn meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde; dien man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want dat was geen stemming meer, dat was een hol harnas op een steenen stoel, daar was geen leven meer in, dat begon duf te ruiken! „Zeg Hendrik,” zei hij in-eens met een ernstige stem, „ik moet je toch ’s wat vragen: Ga jij dikwijls naar de meisjes?”
Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet dadelijk en klopte de asch van zijn sigaar, en er was nu een zweem van korzeligheid in zijn toon toen hij antwoordde: „Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem je dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m’n agenda?”
„Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel,” zei Bernard, „dus.... zoo nu en dan, hè?.... Eéns in de maand bijvoorbeeld....”
„Ja, dat kan wel!” zei de ander, nu heel koel, ’n beetje boos blijkbaar, „wie doet dat niet, hè?.... als je niet getrouwd bent,.... ’n mensch is geen stokvisch!....”
„En is ’t al lang geleden, dat je voor ’t eerst....”
„Verrek toch met al je vragen,” viel Hendrik nu uit, voor ’t eerst dien middag, maar zijn stem klonk toch niet nijdig, „wat kan ’t je schelen?”
„Och!” zei Bernard, dreinerig, „pure belangstelling!.... Maar je hoeft ’t natuurlijk niet te zeggen, als je niet wilt.”
Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik in-eens: „Ik weet wel, jij doet ’t niet.... Maar je zult er ook wel toe komen.... Wacht maar!.... Ik heb ’t ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk.... Je moet maar ’s goed baloorig zijn!....”
Bernard keek hem aan. Voor ’t eerst sinds hij hem kende zag hij Hendrik aangedaan. Zijn wenkbrauwen waren samengetrokken, hij zag heel bleek en zijn stem had even getrild. En Bernard voelde dat hijonbescheiden en onvrindschappelijk geweest was, en hij hield in-eens veel meer van Hendrik. Hij voelde dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij geleken had. „Ja!.... nee!.... waarachtig!” zei hij, ’n beetje verward en heel ernstig, „daar heb je gelijk in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk nog niet over meepraten!....”
„O zoo!” zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig te spotten, om zich over zijn aandoening heen te brengen, die hem blijkbaar ergerde, „jij bent nog zoo’n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder, denk dáárom!”
En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk over wat anders te praten, over een huis aan den weg. Hij had ’t land, hij vond zich zelf jongensachtig, ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde zich erg. Ook was hun verder gepraat een beetje gedwongen en Bernard was blij toen ze thuis waren.
Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje, en ze zaten nog een uurtje met hem te praten voor ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar ’t liefst over zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch, maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens vol vuur doordravend.
De andere leden van de familie kwamen weer één voor één binnen, en eindelijk kwam ook mevrouw en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard bood haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig. „Wel ja,” zei ze, „laten we ’s deftig doen!” En lachende, gekheid makend, gingen ze nu allemaal, twee-aan-twee-gearmd, naar de eetkamer, een kleine stoet vroolijk pratende menschen.
Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze zorgde heel goed voor hem en wilde ook wel graag door hem bediend worden, en was bijna moederlijk hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat, soms door allemaal tegelijk, zoodat er een roezige volte van stemmen was. ’t Viel Bernard op,dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten en elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar boos om. Ze schenen heel veel van elkaar te houden. Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld blijkbaar. Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte. Hij praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij wat zei luisterden ze bijna altijd allemaal.
En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard den familietrek, die hen maakte tot één soort menschen, hij zag die familie om haar tafel even, als in een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de essence van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij zich voelen moesten, hij voelde dat grage opgaan der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde de opoffering der enkelen en de glorie van ’t geheel. En nu wist hij ’t ook wat er ontbrak aan zijn genieten van de warme koestering in dien familiekring. Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar buiten leven, in treurige en onbegrepen afzondering, vreemd aan de broederliefde. Hij hield die menschen eigenlijk een beetje voor den gek, hij speelde kalm komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld was ’t gezin. En dat was zoo’n enorm verschil. Hij kon hier zich zelf niet zijn, hij zou die menschen verschrikken, beangstigen, hij zou hen storen. Als hij ging spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend de woorden, die hij hoorde in zijn ziel, zouden zij zwijgen en zich verlegen voelen. En dat hinderde hem, omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking wou komen. ’t Hinderde hem dat hij die menschen voor den gek houden moest; ze waren zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En — in-eens besloten — nam hij zich voor, nooit meer terug te komen in hun kring, zich bannend, strengelijk en voorgoed, naar ’t Siberië van zijn eenzaamheid.
Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was’t hem of hij daardoor zijn schuld al eenigermate had geboet en werd hij vroolijker en genoot rustiger. En ze brachten een heel prettigen avond door met muziek en gezelschapsspelletjes en veel gelach.
Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij legde bij ’t afscheid nemen zooveel hartelijkheid in zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij schaamde zich weer wat, omdat ’t toch niet warm genoeg klonk, wat hij zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst. In den trein was hij stil en schijnbaar slaperig.
En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed. Hij had wel willen huilen, maar zijn oogen bleven droog staren, hij werd niet week, hij kreeg geen medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets als wanhoop door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte angst, een dreiging van alle kanten. „Je zult nog gek worden,” zei hij in-eens, hardop in de stille kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende hand ’t angstzweet van ’t voorhoofd.
Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische stemming van alleen-zijn en ’t innerlijk koud hebben, en die bleef zoo den heelen dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom ook eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om hem heen, een somber dreigen van dingen, in-eens, terwijl hij er naar keek, meubelen op zijn kamer, huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige paperassen die trosten aan de muren van zijn kantoor. Soms trilden plotseling door zijn ziel sensaties van gisteren en dan voelde hij ’t weer, dat afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan ’t familieleven, aan ’t gemoedelijk-intieme van menschen in één huis, ’t heerlijk veilige van zoo’n kamer met een paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend om de familietafel.
En ’s avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en een torenklok, ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde bonzen, langzaam in de stilte, toen voelde hij ’t erg, dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn hand leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was ’t alleen de menschen, die hij miste, de vader en moeder, de broers en zusters, of was ’t ook — ja hij geloofde dat ’t vooral was ’t gevoel, dat hij niet kende, die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde, ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder twijfel zelfs, maar goed en natuurlijk. En hij hield dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn triestige stemming.
Maar den dag daarop dacht hij, dat ’t juist dat praten over zich zelf weer was, wat hem zoo hinderde, dat zich uiten, zich — hoe onvolledig dan ook — geven, aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had hij dat dan ook weer gedaan! Hij wist immers zoo goed, dat hij daar altijd later ’t land over had! Want wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat altijd. ’t Leek, als je er aan terugdacht, op walsen in een kerk, op uitgelatenheid in den maneschijn, op hard praten naast ’t bed waar een doode op ligt, — een doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig stil, beweegloos, zwijgend, maar luisterend, alles hoorend, te trotsch alleen om te spreken tegen menschen, want iedere doode is boven de menschen, is half god. — Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer doen. Dat zei hij zich wel twintig maal dien dag: laat ik dat nu nooit meer doen. Laat ik leven in me zelf, stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk, goedig-doende tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend met hen, maar voor allen een onvermoed geheim.
De winter was er nu, de donkere maanden December en Januari. Bernard stond iederen morgen om half-acht, kwart-voor-achten op en soms was ’t nogzoo donker, dat hij ’t gaslicht aan moest steken, de schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering. Dat gaf hem altijd een stemming van somberen ernst, alsof er oproer was, alsof hij moest gaan vechten of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan naar kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door de steenen kilte van de nog schaars-bevolkte ochtend-straten, door ’t harde, wit-grijze ochtendlicht, en daar op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam warmende en dan in-eens dof-benauwende kachelhitte en de bedienden hoestten en snoten hun neuzen en de straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen, dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen en „lemoen”, en soms kwam een draaiorgel als een gillend hellebeest woeden onder de stille grijsheid van zijn kantoorramen.
En op de Beurs was ’t voller en somberder dan ooit, door ’t armoedige licht en door al de dikke donkere winterjassen. Er werd geklaagd, gemopperd; haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou gauw weer weg naar zijn warme kantoor of naar een café om een borrel te drinken. Er hing een benauwd-zwoele, klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen, nu en dan weggetocht door de gniepige kilte.
’t Was een sombere winter. Soms waren er wel eens een paar opwekkende dagen van droge vorst en zuiver zonlicht over harde straten en besneeuwde daken van huizen en kerken — mooi waren dan de boomen op de grachten, ’t wit berijpte takkengewar tegen de verre, blauwe lucht, — maar meestal was ’t een bruinige slobberboel overal in de donkere straten, en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht, fijn als zand.
Maar ’t weer had weinig invloed op Bernard, wèl altijd meer dan hij zich bewust was, maar haast nooit zooveel dat hij ’t merkte; hij lette er doorgaans niet op, gewoon als hij was soezende door de stratente gaan en weinig te wandelen voor zijn genoegen.
Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden in December waren als de avonden in November en zoo waren ook de avonden van Januari en Februari. De comedie en de café’s, zitten op zijn kamer met een boek of zitten praten of spelen op de kamer van een van de vrinden. Ze hadden een whist-avond, ééns in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard. Hendrik speelde ’t beste, André met veel animo, met zekere genialiteit, wagend en winnend, Sam onverschillig-weg, uit gewoonte goed, en Bernard eerst tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig dan en niet meer met zijn hoofd er bij.
Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid, koortsig brandend en kloppend onder zijn vel, gingen zijn gedachten, dreinig-onweerstaanbaar, telkens naar ’t naakt van vrouwen, moest hij loopen, heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde, doellooze wandelingen, want ’t was hem dan onmogelijk zich ergens toe te zetten, en hij wilde vooral geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan als ’t maatschappelijk gepraat, ’t vluchtige bête gepraat tusschen kennissen, zonder eenige kleur of diepte van intimiteit, afschuwelijk-noodzakelijk....
Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of een soiréetje, en als hij er niet af kon ging hij er heen en verveelde zich. Hij vond zoo’n kamer met visite-dames-en-heeren niet veel beter dan ’t café en soms veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich zelf, bij zoo’n gelegenheid ’t onbeduidendst, ’t minst, ’t prulligst. Die onbenullige avonden vergat hij gelukkig gauw, hij dacht er haast nooit aan terug, ze waren niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke gehechtheid aan één, niet in ’t oog vallend plaatsje in een groot café, een stoel aan een tafeltje, waar een kelner bediende die hem niet hinderlijk was door zijn uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil hoekje, waarhij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over zijn krant.
Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en André deden druk aan schaatsenrijden. Maar Bernard had er dezen keer heelemaal geen lust in. Hij liet zijn schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André hem aan tafel dat hij ’s middags met Mimi had gereden. Toen had hij even spijt, een uur misschien, niet langer.
Liever, liefst van al nog, zat hij ’s avonds op zijn kamer te lezen in ’t dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande licht van zijn gaslamp, waar hij schuin-onder zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd door ’t warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van ’t Leesmuseum, maar hij kwam er haast nooit, hij zat liever op zijn kamer, en de boeken die hij lezen wou kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als hij er een paar dagen geen tijd of geen rust voor had gehad. Ook heele Zondagen bleef hij dikwijls op zijn kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend, levend in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend hoofd, óp van de wit-en-zwarte bladzijden van een boek dat voor hem lag, drinkend die stemmingen met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal van doortrokken was, tot hij een mooi vreemd, heerlijk vreemd leven in zich voelde, niet heelemaal een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en daar plotseling zijnd, hoog-op als planten in één nacht gewassen, in den welbekenden, welvertrouwden tuin van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen bloembedden van zijn lectuur, tusschen de heesters van zijn eigenliefde, beschaduwd door den boom van zijn trots. Een hoog genot vond hij dat, zoo stil te gaan door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie gewassen. Hij gaf er zich heelemaal aan over.Hij deed de deur van zijn kamer op slot om vooral niet gestoord te worden. En hij hield er van om, zoo’n Zondagmiddag, na veel lectuur, als ’t ging schemeren, zoodat hij de letters niet meer zien kon, op te staan van zijn stoel en te gaan loopen door zijn half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend in zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd ’t doorwaaid van frisschen najaarswind en de kamer om hem heen als een stille kluis en dan ergens tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de stille dingen in de kamer, de dingen die begrijpen, kennen, en zwijgend peinzen in ’t slepende gewaad van de schemering. Dan zijn adem in te houden en de stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met zijn oogen toe te komen tot vlak bij den spiegel, en er in-eens in te kijken met groote oogen en te schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan om te keeren en te denken aan dat omgekeerde beeld in den spiegel. En dan zich langs een stoel te laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen te kijken, zich langzaam, slangig voorttrekkend over ’t donkere kleed, en dan in-eens stil te blijven liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met een kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd aldoor die suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende, fijn-spitse, als een boog strak gespannen gewaarwordingen van nieuwe en ook oude lang-vergeten-gewaande stemmingsmomenten en gedachten, nooit vroeger heelemaal gevoeld of begrepen en nu in-eens doorproefd, hoog-zuiver als een langzaam gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare geur binnendoor in den neus komt.
O! van die stemmingen op zoo’n leesdag, daar had hij een nooit aan zich zelf geuite verwachting van, een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend als een schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op liet vallen. Hij geloofde, dat ’t was de hoop, dat hem iets bizonders gebeuren zou in zoo’n stemming, eenopenbaring, iets van de eigenlijke dingen van ’t leven, die je alleen kunt bespeuren met de hoogste spanning van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten afgrond: waanzin.
Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal, en van de schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde, jaloersche liefde voor de fransche litteratuur; hij leefde er mee, hield zich op de hoogte, en hij kon niet goed hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek mooi vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan zijn boek, de ander had er niets mee te maken, wat verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen dat engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat fransch was teruggebracht tot zijn ouden rang van taal der fijnere geesten. Hij hield van alles wat fransch was. Zoo’n geel boek in ’t van-ouds bekende formaat — de afwijkingen mishaagden hem — gedrukt met een echte fransche lettersoort, zoo’n boek met den spitter van Lemerre er op, of den Hermeshoed van den „Mercure,” hij vond ’t op zich zelf een genot ’t in zijn handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename eigenaardigheid in zich zelf, soms vond hij ’t kinderachtig, maar hij sprak zich nooit tegen dat ’t bestond. Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe ’t kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die toch zoo heel anders dachten en schreven over vrouwen en over de liefde, zoo heel anders dan hij daar altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een ongeoorloofde zwakheid in zich zelf gevonden, een soort zucht naar ’t verbodene, want de Franschen waren oppervlakkig en wuft, hij zelf noordelijk-diep-degelijk. Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist al lang dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen was een verschil in soort van hartstocht, dat hij even hartstochtelijk was als de Franschen, dat hij daardoor juist zooveel voelde voor dat volk. Wat hij vroegerin zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid, hij had al lang ontdekt, dat dat niets dan hartstocht en trots was, of eigenlijk, alleen hartstocht, want ook die trots was niets dan dat, passie, een brandend verlangen om zich altijd te voelen boven anderen door gevoelsverfijning, door alles te zien, te hooren en te vatten met zijn gevoel, — de tinten van zelfvoldoening in een melancholische stemming, de trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling in een stap, het dwalen van een blik, — een begeeren om zich te weten een gevoelslekkerbek, wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat was ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht naar verfijning, dat zoeken van ’t preciese en ’t exquise. Ook hij hield van ’t verfijnd perverse, en veel meer nog van de verfijnde, tot zwevende engelachtigheid verragde reinheid.
Ja, dat was wel ’t mooiste van de verzameling! — Want dit gevoel leek op dat van een liefhebber voor zijn oud-porseleinen kopjes en precieus-broze beeldjes. Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties en bekeek ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook voelde hij zijn eigen handen die er mee omgingen, plotseling dik en log, vond hij zich een eenvoudige goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor zijn vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit om zijn ambities, en zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde onder hem. Maar hij leed daar dan een beetje onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek hij den schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van zijn gemoed net zoo lang, tot hij zag dat ’t was als Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit stukjes en steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van vorm. En dan was hij weer voldaan en trotsch.
Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol weemoed, over hem, omdat hij zoo weinig eenvoudig was, en omdat dat nooit meer anders worden kon.
Eenmaal in dien winter was hij getroffen door welvaag vermoede, maar toch onverwachte, en door de plotselinge openbaring warm-goeddoende sympathie. Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten met André, Sam en Gerrit. Hendrik was al ’s middags naar Haarlem gegaan om ’t intieme feest heelemaal mee te vieren met zijn familie. Na tafel gingen Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd den avond te komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd vol mal-jongensachtige grappen, die hij voorbereid had. Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En Bernard bleef met André alleen. ’t Was of ze dat eerst allebei ’n beetje pijnlijk vonden, wat moeilijk, hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch wilden ze bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste ook een beetje gezelligheid te hebben zoo’n avond, als het weten van de stralende gezichten om de familietafels de woningen hult in een tooverglans, als al die grijze huizen, — waarvan ’t binnenlicht zorgvuldig is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je ’t alleen hier en daar kunt zien gloeien door een spleet of langs een plooi, — als zooveel ontoegankelijke kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende vreugde zijn.
Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen gaan, maar had het niet gewild. Hij kwam daar tegenwoordig niet graag. Hij had te veel moeite om vriendelijk en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel over niets, die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. ’t Was er hem ook te vol van fraaiigheden. ’t Werd hem er dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als van een stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; ’t kwam misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd werd met een watergeleiding.
Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze een poosje nagetafeld en kalm hun koffie gedronken hadden slenterden André en hij, van ’t Leidscheplein komend, langs de helle flonkering van de grootewinkelruiten de drukke Leidschestraat door. ’t Was er heel vol. Er waren veel burgerfamilies op straat, die de winkels gingen bekijken, en veel jonge paren en gichelende meisjes, die uit waren „onder mekaar.” En André, zich een beetje opwindend, begon veel notitie te nemen van de meisjes, ze brutaal aankijkend, toelachend en in ’t voorbijgaan toesprekend met een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep een poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn arm om ’t middel van een ginnegappend burgerjuffie. Bernard vond hem een beetje lastig, hij voorzag een roezigen avond en even wou hij wel dat hij lekker rustig op zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling had André een plan. „God, dat ’s waar ook,” zei hij, „goed, dat ’k er aan denk; ’k heb Anna wat beloofd voor d’r Sinterklaas, en ’k heb nog niks; ’t arme kind rekent er vast op!”
Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een Warmoesstraatsche kneip. Hij kende haar ook wel, hij zag haar dikwijls overdag zich zitten vervelen voor ’t raam van ’t bierhuis, ze glimlachte hem toe als hij voorbijging, want ze wist dat hij een vrind was van André en Sam, en hij was er trouwens ook wel ’s geweest met hen, ’s avonds. Bij daglicht, zooals ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van de duffe leege kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt en sletterig-kwasi-damesachtig uit, met haar gekapte haar en de half-bloote armen, versierd met blinkende armbanden, die over ’t breede voorschoot bengelden, maar ’s avonds, als ze in functie was, in ’t avond-lichte bierlokaal, slank en licht en vlug gaande tusschen de tafeltjes met ’t witte voorschoot stijf gespannen om haar borst en buik en de kleine handen geklemd om ooren van bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige gezichtje, dat bloosde van de warmte van ’t werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe vilt bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers, de mannen van allerlei slag, die daar samenzatenin plompe houdingen, met hun zwaar-gewichtige bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten, die schaftuur houden.
„Wat wou je koopen?” vroeg Bernard.
„Wèl, ik weet het waarachtig niet! ’n Ringetje of ’n speldje, ’n goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga mee, in de Kalverstraat zullen we wel wat vinden en dan gaan we ’t ’r brengen!”
En nu meer in ’t besef van hun samen-zijn, door dat ze een doel hadden, begonnen ze samen te praten, André en Bernard; geen geregeld gesprek was ’t, maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze zich toch al half gaven, waarin een toenadering klonk, een natuurlijke hartelijkheid, ongewoon tusschen die twee, die, schoon dagelijks samen, officieele vrinden, altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden, alsof er iets was dat ze elkaar nooit vergeven konden. Bernard merkte nu, dat hij toch wel veel van André hield en hij wilde zich daar nu niet dadelijk rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over toen hij hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank vond in dien van zijn vrind. Hij vond ’t goedig en gul van André om iets voor dat meisje te gaan koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond ’t in zich zelf weer burgerlijk-benepen dat hij nooit ’s op zulke ideeën kwam. Dat kon nu immers juist ’s een zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid te zien in de oogen van zoo’n arm kind, als ze ’s werkelijk verrast werd, niet met een neergesmeten fooi, maar met een cadeautje, als van een broer.
Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje. En toen ze daarna vlug stapten ’t Rokin over en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip waar Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke blijheid door de doffe avondzwaarte van zijn bewinterjasd lijf varen. En ook André, in gewild-ruw-cynische woorden pratend over ’t kelnerinnetje — waar hij wel ’s mee uit geweest was — trachtteblijkbaar een jongensachtig plezier in ’t plannetje te verbergen. En ze werden zoo vroolijk samen in hun haastig voortstappen, dat ze telkens proestend liepen te lachen.
Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk Anna met hun oogen. Ze gingen naar den hoek waar zij altijd bediende. ’t Was leeg in ’t lage lokaal, veel stamgasten schenen van avond ten minste ’s thuis te blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen, en aan een hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een kwasi-jeugdig, grijs-kalig heertje in een viezig-ruige jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend aan zijn dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand aan een pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij zat haar blijkbaar met een scheefgetrokken mond schunnige komplimentjes te maken; zijn dronkemansblik hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje, dat ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor zich keek. Haar handen, als die van een kostschoolmeisje, lagen slap in haar schoot.
Bernard en André gingen in den tegenover gelegen hoek zitten. Ze zeiden niets. André vloekte stil voor zich heen, met nijdige gebaren, en Bernard voelde een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard tikte André met de knokkels van zijn hand op de tafel. Anna keek om en glimlachte flauw, zoetjes-langzaam knikkend, maar ze wendde zich dadelijk weer naar den man met den natten snor, die ook even, met een schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen opgenomen had.
„Stik!” bromde André.
En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid, erg duitsch, met een vette grijns, en André snauwde haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij twee halve liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd, en toen ze terug kwam met de twee steenen kroezen, streek ze intiem-vertrouwelijk neer op den derden stoel aan hun tafeltje. „Donder op, jij, als debliksem!” snauwde André weer met een kwaad gebaar, en opschrikkend ging ze weg, met een smalende lip, gemeene scheldwoorden prevelend, maar dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig naar den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar toen André Bernard aankeek begon hij te lachen en ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze ’t even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus stikbuitje van intieme verstandhouding tusschen twee kwajongens, die samen op kattekwaad betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg vertrouwelijk, nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar geen gek figuur meer kunnen slaan. Ze staken nieuwe sigaren op. En, naar elkaar toegebogen over ’t houten tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten praten. ’t Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet meer op Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon was ruw-onverschillig. Hij praatte over zich zelf en over de manier waarop hij den tijd doodsloeg, zooals hij ’t noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting over zijn werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij ’t leven soms wel amusant vond, maar doorgaans stomvervelend. Hij ging veel uit, bedronk zich soms, scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met meisjes uit zijn eigen stand, en als hij veel geld had lei hij kleine orgieën aan met kennissen, wilde lui, die hij anders niet zag, die Bernard alleen van aanzien kende. Maar alles alleen uit verveling, bij gebrek aan beter. Hij hield dol van Betsy Franck, maar hij dorst haar niet te vragen, want ze zou wel weten dat hij zoo’n lief heer was, en haar ouders wisten ’t zeker nog beter, en een blauwtje loopen of door zoo’n pa uitgefoeterd te worden, neen, daar zou hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald heelemaal onder raken en zich verboemelen. En er was nou wel niet veel aan hem verloren, maar voor de goot was hij toch nog te goed misschien....
Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht, en hij had een bijna teeder medelijden met hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen zijn bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, — zooals een kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te mopperen tegen zijn vader, maar inwendig is ’t alleen kwaad op zich-zelf. — „Jij kunt lezen,” zei hij tegen Bernard, „dat ’s ten minste wat!.... Maar dat kan ik ook al niet meer!.... ik heb er geen geduld meer voor!.... Vroeger wèl, maar dat ’s heelemaal uit.... ’n Boek verveelt me nu dadelijk....”
„Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen,” zei Bernard.
„Ik kan er me kop niet meer bijhouden,” zei André weer. „Muziek, dat gaat nog wel ’s.... van tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan gedaan, en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit.... Maar.... Ja ik voel ’t wel, ik ben eigenlijk gewoon verslaafd aan ’t koffiehuisleven.... en aan de meisjes.... En als dàt nou nog maar wat was!.... Maar ’t zijn, godbeter ’t, niets dan lellebellen hier!....”
Bernard glimlachte even.
„Nee!.... nee!....” zei André, „dat zeg ik nou niet om dat kindje daar.... och god nee! dát ’s wel een aardig kind, maar ook al niks.... niks!.... Och, laten we ’r eigenlijk maar niet over praten!.... zie je, ik zou willen, dat je hier iets kon hebben zooals bijvoorbeeld in Parijs, dat dat hier bestond, dat je ’r een maîtresje op na kon houden.... Een goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen dag aan je kop maalt om een broche of een paar armbandjes, alleen om je toch maar zooveel mogelijk te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en niet zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt, naar huis sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te wezen, dat ze zich van kant zal maken of zoo iets theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan eenkennis! Zoo’n meisje, dat netjes je boeltje reddert, en dat een beetje smaak heeft, zoo’n beetje.... ik weet ’t niet!.... ik weet ’t niet!.... daar wat élan in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!.... en die ’n traan inslikken kan als ’t noodig is.... Want die meisjes hier! Ba! als ze niet kijven, dan huilen ze.... of zeuren ze....”
Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover zittend en kalm rookend. „’t Zou je in Parijs misschien ook niet meevallen,” zei hij enkel.
„Dat kan wel!.... ’t Is maar zoo’n idee van me!.... Alles lijkt me daar lichter, dragelijker!.... Pf! ’t leven is hier zoo zwaar!.... Nou is ’t tegenwoordig ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe tijd.... Ik verbeeld me altijd, dat ’k al ’s meer op de wereld geweest ben.... Dat zal je gek vinden!.... Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener ben uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!.... dat was toch ook een andere tijd, hè!....”
Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme emotie. „God! heb jij dat ook?” vroeg hij, snel vooroverbuigend, met glanzing in zijn oogen. Hij wou doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen zijn vast besluit om riet meer over zijn innigste zelf te spreken, en hij zweeg, een beetje verward, hij deed net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn sigaar wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen met den lucifer, en zakte toen weer langzaam terug in zijn vorige houding, André keek hem even aan, maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil.... En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen van zijn eigen figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen, o de donker-rumoerige middeleeuwen, dat was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een maliënkolder op een hoog, geharnast paard te zitten, gewapend met een lans, een gevederden helm op ’t fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloofte voelen, aan ’t hooge, ’t heilige van een taak, een strijd!....
Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en toen hij weer naar André keek, zag hij dat die glimlachend zijn hoofd schudde tegen Annatje, die nu aan ’t buffet stond. Het oude heertje zat met een nijdig-vies gezicht naar hem te gluren van uit zijn hoek. En toen wenkte André haar, maar ze schudde van neen en riep, om hem te plagen, de andere kelnerin, zeggende dat ze bedienen moest daar in den hoek. Die kwam aanloopen en André, om zich groot te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een halven.
Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor om op te stappen en ergens anders te gaan zitten. En zoo stonden ze vijf minuten later weer op straat. André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. „Wat of dat malle kind had van avond?.... ze boudeerde blijkbaar een beetje!.... enfin, ik zal dat dingetje maar voor haar bewaren,” zei hij goedig.
Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar in een café zitten domineeren en praten, tot over twaalven, en toen bracht André Bernard naar huis, en liep nog even op, en hij vond die kanapee van Bernard van avond bizonder gemakkelijk, en hij wou nog wel een grog en hij bleef plakken tot half drie. Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde zijn stem als een geluid dat hem niet aanging en hij zag hem zitten, heel klein, heel ver. Er was iets angstigs in, ’t had wat van een nachtmerrie. En hij stond plotseling op en zei: „Nou, ruk nou maar uit — ik heb slaap — ik verlang naar me bed, hoor!”
„Ik niet,” zei André, opstaand, „maar ik ben waarachtig stijf van ’t zitten!.... Is dat ook kletsen!.... Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap lekker!....”
Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter hem dicht.
En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd een vreemde gewaarwording: alleen achterblijven na lang druk gepraat. Maar dezen keer vooral trof ’t hem, ’t was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille kamer, en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur van den grog. Hij gooide een raam open en ging op een stoel in een hoek van zijn kamer zitten wachten tot ’t weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas hoe zijn zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. ’k Geloof, dat ik de koorts heb, mompelde hij, terwijl hij opstond om ’t raam weer dicht te doen. En daarop deed hij de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde. Ik heb bepaald koorts, dacht hij,.... anders wel een aardige avond,.... toch wel een goeie kerel André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!.... Toen hij in bed lag voelde hij ’t heelemaal dat hij onwel was, koortsig, onrustig, en toch zoo moe, zoo doodmoe. En een brandende pijn in zijn hoofd. Hij sliep eindelijk in, maar ’t was een slaap zonder rust, en tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen. Eéns zag hij duidelijk André die aan zijn bed stond en met zijn gewone gebaar zei: Wat zoek je toch?.... Er is niets!....
Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig, doof en slap van moeheid heesch hij zich weer zijn bed uit en in de kleeren. Hij had nog hoofdpijn. Dat beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op weg naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende uit om kininepillen.
December en Januari en Februari gingen dan voorbij. En in de laatste week van Februari op een morgen dat hij zijn post zat te kijken op kantoor, daar lag in-eens weer zoo’n vierkante, roomkleurige brief van Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk open en ging zitten lezen. En plotseling schoof hij zijn stoel met een ruk naar achteren, en stond op, enging aan ’t raam staan, en voelde tranen in zijn oogen en een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen, hij moest dat eerst even verwerken....
Edward was al op weg naar Holland.