VIII

VIIIPapa en Mama hadden, evenals Maud en “Auntie,” mijn invitatie aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken.Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique onthaald was geweest. ’t Was in de stille uren; de garçons waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in ’t Fransch, wat ik verlangde.Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.—Cinq potages bisque? vroeg hij.Ik knikte.—Du saumon à la Chambord?Ik knikte.—Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d’agneau!Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.—Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend.—Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.—Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend:—Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.—Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.—Comme rôti? ging het verder.Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. ’t Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.—Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.—Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken.—Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.Ik knikte.Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij.—Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem.—Eh bien, comme nous avons dit, n’est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....—Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen.—Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken zinvan omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens ’t cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin, van om.—’t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te dansen en te schemeren.Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en ’t oogenblik daarna stond ik buiten op ’t trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie had weggemold.Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden.IXEven vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico’s ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmerengang passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche tanden schitterend; “Auntie” een en al pittige levens-uitstraling en voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté; en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in ’t wit, met iets van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.Onze intrede verwekte eenige sensatie.Sommige gasten aan de tafeltjes keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d’hôtel kwam naar mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De “bisque” werd opgediend.De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en vroolijke geluiden. Er waren “beauty’s” en schitterende toiletten, die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaarbekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face à main dan vork en mes; en “Auntie” zat van genoegen op haar stoel te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en ’t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud gingen vestigen, voelde ik Auntie’s oogen op mij gepriemd en zag ik haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat was er toch? Wat wilde ze van mij!Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te voelen; hijstrekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan ’t groeten, met korte, harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als ’t ware een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten bleef en ’t maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was, terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:—U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die jonge dame in ’t mauve met haar prachtige parels en briljanten!Dat is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze “waard waren;” en Mama en “Auntie” en ook Maud waren ten diepste mee geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte “Auntie” plotseling een soort verrassingskreet en zei:—O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als in Saratoga!Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette, ernstig, plechtig bijna,met een volmaakt-correcte buiging. De dames kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.—Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is ’n aardig aantal miljoen dollars “waard” en gaat door als de “arbitre des élégances” in New York en eigenlijk ook wel in de “society” van heel Amerika. Sinds jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een speciale “farm” daar ergens in de Catskill’s Mountains, van boeren die hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij verblijft, steeds komen zijneierenuit diezelfde “farm.” En ook hier, in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo’ndiner van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij ’t cijfer los:—Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en ’n dollar fooi aan den garçon: samen zes dollar voor ’n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen dat Papa de zuivere waarheid sprak.Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren bezig was. Wat ’n sinistere vlegel! Wat ’n sombere bruut! Wat ’n boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid een akelige schaduw over al mijn vreugde.Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij groette “Auntie,” hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:—Goed nieuws van Reggy?—Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.—Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.—Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, een lichte kleur krijgend.Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.Even keek ik naar “Auntie” op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in ’t diepste van mijn ziel drong.Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd had? Was dat Maud’s gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....Opnieuw keek ik naar “Auntie” en ’t werd kil in mij. Er was ineens ’n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte, die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.’t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde dat het tijd werd om de boot te halen.Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d’hôtel om af te rekenen. Hij knikte; en ’t oogenblik daarna bracht hij mij, met innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de rekening, op de schaal.Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér hartelijk. “Auntie” deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika, ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit mijn beurs wegspeelden.Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den ingang. Een lange file rijtuigen stond langs ’t trottoir. Papa wenkte er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie stapte in.Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....XDien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een “failure?” Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart van Maud, of bleef dat nog steeds ’t zelfde: onzeker, raadselachtig, twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat, die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij goed nieuws van Reggy had.Reggy!.... Reggy!.... Wie was dieReggy?.... Was dat de oudste zoon, die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in ’t hart, terwijl ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag Papa nog naar de foto wijzen en hoorde ’t hem nog zeggen! Reggy was dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met velestille lichten. De stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend leven. Men voelde als ’t ware de levende rust der geweldige stad. Er droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.Wat deed ze nu, op ’t zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige, onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of ’k sla je dendikken kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had hem levend kunnen villen, hem verscheuren!Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New York en ik reikhalsde naar ’t donkergrijze westen, in de richting waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met den electrischen tram die, ik wist het, ook ’s nachts nog om het half uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of ik aanhaar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik komen moest, of ze mij niet wachtte....?Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er naartoe in stormpas om toch op ’t uiterst oogenblik nog niet te laat te komen.—Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, toen hij mij buiten adem aan zag rukken.—Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.In ’t schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.—Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte hij.Ik ging in een hoek de veters van mijnlaarzen aanrijgen en keek naar de van binnen verlichte, wachtende tram.Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en peinzende oogen.De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven leefden en dat zij, na ’t volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van ’t gekke mijner daad, maar deed die toch.De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd en flikkerend naderde.—Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht en snel reed de electrische weg.Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder stopte hij weer; en op hun beurtverlieten de slaperige arbeiders den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, als ’t ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad, met een geluid van zink.De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere die gereed stond, reed weer af.Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de duisternis opgezogen.Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter scheen te worden. De villa’s schemerden achter de boomen en veel schoone sterren blonken in den stillen hemel.Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daargeen boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter klopte en hamerde het hart.Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. ’t Was mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust der gansche streek. Ik schaamde mij als ’t ware; voelde den diepen wanklank met de rustige omgeving.Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar liep. Al mijn gekkeilluzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie, in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven als een landlooper in ’t holle van den nacht, opgezweept door de onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk en zeegalles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou ik wéten....Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik stapte in.Aan ’t oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.De dag,—de groote dag—was aangebroken.XIIk schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef hem over, schreef hem nog eens.Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht om werelden te veroveren.Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was, en of ikniets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten overheen gaan, alvorens hem te verzenden?Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer frisch zijn.Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan.Het eerste wat mij trof was ’n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een “mondaine” brief, als ik het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed.Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord.Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.Het was een brief van “Auntie.”“Auntie” vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry’s, wilde komen spreken! “Auntie” schreef mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou verhinderen om er te komen.Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als ’t ware de beschikking over mijn gansche verder leven.Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als ’t velletje papier waarop de ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even moest gaan zitten.Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.Toen las ik nog eens, voor de derde maal..Het leed geen twijfel: “Auntie” wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten.Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico’s, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde.Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij voelen, en zou ze “Auntie” bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....?Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immersnog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.’t Was vreemd, ’t was gek; en toch: het kón bijna niet anders: “Auntie” zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? ’t Was vreemd, o, ’t was zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan ’t zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid,aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van ’t kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in ’t hare opgegaan, dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze móést geschieden; en datdie keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.XIIEven vóór vier uur stond ik bij Sherry’s ingang. Ik zou daar “Auntie” opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achtermij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen een dame op mij zat te wachten.Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was “Auntie” dan tóch binnen gekomen zonder dat ik het bemerkt had?Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.—Ik had u reeds gezien, vóór ’t raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen, heb ik u maar laten roepen.Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van “Auntie”: iets straks,bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.—Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.—Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.—Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.—Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En ’t was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen neerstortten.—O, schrik niet, voer ze voort; ’t is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken.Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.—Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken—dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken.—Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte ’t mij in plotse, ontembare wanhoop.—Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde “Auntie” droevig.—Waarom? kreet ik dof.“Auntie” zuchtte, aarzelde.—Waarom! herhaalde ik dringender.—Omdat ze reeds verloofd is!!Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde “Auntie” roerloos aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.—Drink even van uw thee, zei “Auntie” bezorgd.Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.—Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van....—Van die Reggy? kreet ik.—Juist, van Reggy.—Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor handelszakenen de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.“Auntie” zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: “Auntie,” die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als ’t ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, metzelfbeheersching, dat hij “Auntie” dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat ’t nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet:—Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!—Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel “Auntie” levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!—Wat zegt u daar! kreet ik.—Jawel, antwoordde “Auntie” eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer?Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht, bijna op ’t zelfde uur, rond hun villa gedoold had.“Auntie” was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.—Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn niet, zuchtte zij.Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.Langzaam rees “Auntie” op.—Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.—Ik zal u schrijven, u op de hoogtehouden als u ’t wenscht, beloofde “Auntie” plechtig.Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.—Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand.Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in ’t groote New York.Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft “Auntie” ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....’t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, naïef en onbezonnen! ’t Was een illuzie, een roman: de roman van een Schaatsenrijder!Nu is er slechts tragedie op de wereld....

VIIIPapa en Mama hadden, evenals Maud en “Auntie,” mijn invitatie aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken.Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique onthaald was geweest. ’t Was in de stille uren; de garçons waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in ’t Fransch, wat ik verlangde.Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.—Cinq potages bisque? vroeg hij.Ik knikte.—Du saumon à la Chambord?Ik knikte.—Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d’agneau!Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.—Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend.—Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.—Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend:—Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.—Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.—Comme rôti? ging het verder.Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. ’t Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.—Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.—Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken.—Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.Ik knikte.Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij.—Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem.—Eh bien, comme nous avons dit, n’est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....—Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen.—Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken zinvan omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens ’t cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin, van om.—’t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te dansen en te schemeren.Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en ’t oogenblik daarna stond ik buiten op ’t trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie had weggemold.Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden.IXEven vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico’s ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmerengang passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche tanden schitterend; “Auntie” een en al pittige levens-uitstraling en voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté; en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in ’t wit, met iets van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.Onze intrede verwekte eenige sensatie.Sommige gasten aan de tafeltjes keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d’hôtel kwam naar mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De “bisque” werd opgediend.De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en vroolijke geluiden. Er waren “beauty’s” en schitterende toiletten, die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaarbekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face à main dan vork en mes; en “Auntie” zat van genoegen op haar stoel te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en ’t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud gingen vestigen, voelde ik Auntie’s oogen op mij gepriemd en zag ik haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat was er toch? Wat wilde ze van mij!Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te voelen; hijstrekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan ’t groeten, met korte, harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als ’t ware een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten bleef en ’t maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was, terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:—U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die jonge dame in ’t mauve met haar prachtige parels en briljanten!Dat is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze “waard waren;” en Mama en “Auntie” en ook Maud waren ten diepste mee geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte “Auntie” plotseling een soort verrassingskreet en zei:—O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als in Saratoga!Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette, ernstig, plechtig bijna,met een volmaakt-correcte buiging. De dames kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.—Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is ’n aardig aantal miljoen dollars “waard” en gaat door als de “arbitre des élégances” in New York en eigenlijk ook wel in de “society” van heel Amerika. Sinds jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een speciale “farm” daar ergens in de Catskill’s Mountains, van boeren die hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij verblijft, steeds komen zijneierenuit diezelfde “farm.” En ook hier, in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo’ndiner van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij ’t cijfer los:—Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en ’n dollar fooi aan den garçon: samen zes dollar voor ’n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen dat Papa de zuivere waarheid sprak.Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren bezig was. Wat ’n sinistere vlegel! Wat ’n sombere bruut! Wat ’n boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid een akelige schaduw over al mijn vreugde.Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij groette “Auntie,” hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:—Goed nieuws van Reggy?—Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.—Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.—Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, een lichte kleur krijgend.Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.Even keek ik naar “Auntie” op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in ’t diepste van mijn ziel drong.Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd had? Was dat Maud’s gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....Opnieuw keek ik naar “Auntie” en ’t werd kil in mij. Er was ineens ’n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte, die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.’t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde dat het tijd werd om de boot te halen.Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d’hôtel om af te rekenen. Hij knikte; en ’t oogenblik daarna bracht hij mij, met innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de rekening, op de schaal.Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér hartelijk. “Auntie” deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika, ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit mijn beurs wegspeelden.Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den ingang. Een lange file rijtuigen stond langs ’t trottoir. Papa wenkte er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie stapte in.Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....XDien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een “failure?” Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart van Maud, of bleef dat nog steeds ’t zelfde: onzeker, raadselachtig, twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat, die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij goed nieuws van Reggy had.Reggy!.... Reggy!.... Wie was dieReggy?.... Was dat de oudste zoon, die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in ’t hart, terwijl ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag Papa nog naar de foto wijzen en hoorde ’t hem nog zeggen! Reggy was dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met velestille lichten. De stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend leven. Men voelde als ’t ware de levende rust der geweldige stad. Er droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.Wat deed ze nu, op ’t zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige, onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of ’k sla je dendikken kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had hem levend kunnen villen, hem verscheuren!Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New York en ik reikhalsde naar ’t donkergrijze westen, in de richting waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met den electrischen tram die, ik wist het, ook ’s nachts nog om het half uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of ik aanhaar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik komen moest, of ze mij niet wachtte....?Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er naartoe in stormpas om toch op ’t uiterst oogenblik nog niet te laat te komen.—Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, toen hij mij buiten adem aan zag rukken.—Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.In ’t schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.—Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte hij.Ik ging in een hoek de veters van mijnlaarzen aanrijgen en keek naar de van binnen verlichte, wachtende tram.Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en peinzende oogen.De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven leefden en dat zij, na ’t volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van ’t gekke mijner daad, maar deed die toch.De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd en flikkerend naderde.—Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht en snel reed de electrische weg.Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder stopte hij weer; en op hun beurtverlieten de slaperige arbeiders den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, als ’t ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad, met een geluid van zink.De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere die gereed stond, reed weer af.Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de duisternis opgezogen.Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter scheen te worden. De villa’s schemerden achter de boomen en veel schoone sterren blonken in den stillen hemel.Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daargeen boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter klopte en hamerde het hart.Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. ’t Was mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust der gansche streek. Ik schaamde mij als ’t ware; voelde den diepen wanklank met de rustige omgeving.Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar liep. Al mijn gekkeilluzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie, in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven als een landlooper in ’t holle van den nacht, opgezweept door de onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk en zeegalles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou ik wéten....Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik stapte in.Aan ’t oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.De dag,—de groote dag—was aangebroken.XIIk schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef hem over, schreef hem nog eens.Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht om werelden te veroveren.Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was, en of ikniets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten overheen gaan, alvorens hem te verzenden?Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer frisch zijn.Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan.Het eerste wat mij trof was ’n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een “mondaine” brief, als ik het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed.Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord.Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.Het was een brief van “Auntie.”“Auntie” vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry’s, wilde komen spreken! “Auntie” schreef mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou verhinderen om er te komen.Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als ’t ware de beschikking over mijn gansche verder leven.Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als ’t velletje papier waarop de ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even moest gaan zitten.Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.Toen las ik nog eens, voor de derde maal..Het leed geen twijfel: “Auntie” wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten.Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico’s, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde.Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij voelen, en zou ze “Auntie” bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....?Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immersnog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.’t Was vreemd, ’t was gek; en toch: het kón bijna niet anders: “Auntie” zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? ’t Was vreemd, o, ’t was zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan ’t zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid,aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van ’t kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in ’t hare opgegaan, dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze móést geschieden; en datdie keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.XIIEven vóór vier uur stond ik bij Sherry’s ingang. Ik zou daar “Auntie” opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achtermij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen een dame op mij zat te wachten.Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was “Auntie” dan tóch binnen gekomen zonder dat ik het bemerkt had?Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.—Ik had u reeds gezien, vóór ’t raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen, heb ik u maar laten roepen.Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van “Auntie”: iets straks,bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.—Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.—Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.—Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.—Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En ’t was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen neerstortten.—O, schrik niet, voer ze voort; ’t is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken.Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.—Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken—dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken.—Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte ’t mij in plotse, ontembare wanhoop.—Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde “Auntie” droevig.—Waarom? kreet ik dof.“Auntie” zuchtte, aarzelde.—Waarom! herhaalde ik dringender.—Omdat ze reeds verloofd is!!Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde “Auntie” roerloos aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.—Drink even van uw thee, zei “Auntie” bezorgd.Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.—Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van....—Van die Reggy? kreet ik.—Juist, van Reggy.—Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor handelszakenen de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.“Auntie” zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: “Auntie,” die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als ’t ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, metzelfbeheersching, dat hij “Auntie” dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat ’t nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet:—Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!—Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel “Auntie” levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!—Wat zegt u daar! kreet ik.—Jawel, antwoordde “Auntie” eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer?Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht, bijna op ’t zelfde uur, rond hun villa gedoold had.“Auntie” was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.—Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn niet, zuchtte zij.Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.Langzaam rees “Auntie” op.—Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.—Ik zal u schrijven, u op de hoogtehouden als u ’t wenscht, beloofde “Auntie” plechtig.Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.—Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand.Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in ’t groote New York.Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft “Auntie” ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....’t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, naïef en onbezonnen! ’t Was een illuzie, een roman: de roman van een Schaatsenrijder!Nu is er slechts tragedie op de wereld....

VIIIPapa en Mama hadden, evenals Maud en “Auntie,” mijn invitatie aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken.Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique onthaald was geweest. ’t Was in de stille uren; de garçons waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in ’t Fransch, wat ik verlangde.Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.—Cinq potages bisque? vroeg hij.Ik knikte.—Du saumon à la Chambord?Ik knikte.—Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d’agneau!Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.—Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend.—Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.—Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend:—Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.—Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.—Comme rôti? ging het verder.Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. ’t Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.—Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.—Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken.—Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.Ik knikte.Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij.—Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem.—Eh bien, comme nous avons dit, n’est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....—Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen.—Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken zinvan omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens ’t cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin, van om.—’t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te dansen en te schemeren.Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en ’t oogenblik daarna stond ik buiten op ’t trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie had weggemold.Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden.

Papa en Mama hadden, evenals Maud en “Auntie,” mijn invitatie aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken.

Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique onthaald was geweest. ’t Was in de stille uren; de garçons waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in ’t Fransch, wat ik verlangde.

Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.

Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.

—Cinq potages bisque? vroeg hij.

Ik knikte.

—Du saumon à la Chambord?

Ik knikte.

—Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d’agneau!

Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.

—Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend.

—Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.

—Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend:

—Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.

—Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.

—Comme rôti? ging het verder.

Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. ’t Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.

—Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.

—Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken.

—Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.

Ik knikte.

Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij.

—Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem.

—Eh bien, comme nous avons dit, n’est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....

—Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen.

—Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.

Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken zinvan omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens ’t cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin, van om.

—’t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te dansen en te schemeren.

Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en ’t oogenblik daarna stond ik buiten op ’t trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie had weggemold.

Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden.

IXEven vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico’s ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmerengang passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche tanden schitterend; “Auntie” een en al pittige levens-uitstraling en voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté; en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in ’t wit, met iets van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.Onze intrede verwekte eenige sensatie.Sommige gasten aan de tafeltjes keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d’hôtel kwam naar mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De “bisque” werd opgediend.De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en vroolijke geluiden. Er waren “beauty’s” en schitterende toiletten, die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaarbekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face à main dan vork en mes; en “Auntie” zat van genoegen op haar stoel te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en ’t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud gingen vestigen, voelde ik Auntie’s oogen op mij gepriemd en zag ik haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat was er toch? Wat wilde ze van mij!Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te voelen; hijstrekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan ’t groeten, met korte, harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als ’t ware een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten bleef en ’t maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was, terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:—U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die jonge dame in ’t mauve met haar prachtige parels en briljanten!Dat is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze “waard waren;” en Mama en “Auntie” en ook Maud waren ten diepste mee geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte “Auntie” plotseling een soort verrassingskreet en zei:—O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als in Saratoga!Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette, ernstig, plechtig bijna,met een volmaakt-correcte buiging. De dames kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.—Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is ’n aardig aantal miljoen dollars “waard” en gaat door als de “arbitre des élégances” in New York en eigenlijk ook wel in de “society” van heel Amerika. Sinds jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een speciale “farm” daar ergens in de Catskill’s Mountains, van boeren die hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij verblijft, steeds komen zijneierenuit diezelfde “farm.” En ook hier, in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo’ndiner van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij ’t cijfer los:—Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en ’n dollar fooi aan den garçon: samen zes dollar voor ’n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen dat Papa de zuivere waarheid sprak.Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren bezig was. Wat ’n sinistere vlegel! Wat ’n sombere bruut! Wat ’n boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid een akelige schaduw over al mijn vreugde.Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij groette “Auntie,” hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:—Goed nieuws van Reggy?—Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.—Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.—Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, een lichte kleur krijgend.Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.Even keek ik naar “Auntie” op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in ’t diepste van mijn ziel drong.Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd had? Was dat Maud’s gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....Opnieuw keek ik naar “Auntie” en ’t werd kil in mij. Er was ineens ’n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte, die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.’t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde dat het tijd werd om de boot te halen.Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d’hôtel om af te rekenen. Hij knikte; en ’t oogenblik daarna bracht hij mij, met innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de rekening, op de schaal.Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér hartelijk. “Auntie” deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika, ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit mijn beurs wegspeelden.Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den ingang. Een lange file rijtuigen stond langs ’t trottoir. Papa wenkte er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie stapte in.Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....

Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico’s ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmerengang passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.

Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche tanden schitterend; “Auntie” een en al pittige levens-uitstraling en voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté; en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in ’t wit, met iets van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.

Onze intrede verwekte eenige sensatie.Sommige gasten aan de tafeltjes keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d’hôtel kwam naar mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De “bisque” werd opgediend.

De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en vroolijke geluiden. Er waren “beauty’s” en schitterende toiletten, die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.

Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaarbekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.

Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face à main dan vork en mes; en “Auntie” zat van genoegen op haar stoel te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en ’t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud gingen vestigen, voelde ik Auntie’s oogen op mij gepriemd en zag ik haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat was er toch? Wat wilde ze van mij!

Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te voelen; hijstrekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan ’t groeten, met korte, harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als ’t ware een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten bleef en ’t maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was, terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:

—U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die jonge dame in ’t mauve met haar prachtige parels en briljanten!Dat is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.

De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze “waard waren;” en Mama en “Auntie” en ook Maud waren ten diepste mee geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte “Auntie” plotseling een soort verrassingskreet en zei:

—O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als in Saratoga!

Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette, ernstig, plechtig bijna,met een volmaakt-correcte buiging. De dames kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.

—Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is ’n aardig aantal miljoen dollars “waard” en gaat door als de “arbitre des élégances” in New York en eigenlijk ook wel in de “society” van heel Amerika. Sinds jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een speciale “farm” daar ergens in de Catskill’s Mountains, van boeren die hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij verblijft, steeds komen zijneierenuit diezelfde “farm.” En ook hier, in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo’ndiner van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....

Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij ’t cijfer los:

—Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en ’n dollar fooi aan den garçon: samen zes dollar voor ’n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!

De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen dat Papa de zuivere waarheid sprak.

Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren bezig was. Wat ’n sinistere vlegel! Wat ’n sombere bruut! Wat ’n boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid een akelige schaduw over al mijn vreugde.

Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!

Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.

In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij groette “Auntie,” hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:

—Goed nieuws van Reggy?

—Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.

—Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.

—Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, een lichte kleur krijgend.

Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.

Even keek ik naar “Auntie” op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in ’t diepste van mijn ziel drong.

Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd had? Was dat Maud’s gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....

Opnieuw keek ik naar “Auntie” en ’t werd kil in mij. Er was ineens ’n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte, die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.

’t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde dat het tijd werd om de boot te halen.

Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d’hôtel om af te rekenen. Hij knikte; en ’t oogenblik daarna bracht hij mij, met innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.

Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de rekening, op de schaal.

Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér hartelijk. “Auntie” deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika, ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.

Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit mijn beurs wegspeelden.

Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den ingang. Een lange file rijtuigen stond langs ’t trottoir. Papa wenkte er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie stapte in.

Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....

XDien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een “failure?” Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart van Maud, of bleef dat nog steeds ’t zelfde: onzeker, raadselachtig, twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat, die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij goed nieuws van Reggy had.Reggy!.... Reggy!.... Wie was dieReggy?.... Was dat de oudste zoon, die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in ’t hart, terwijl ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag Papa nog naar de foto wijzen en hoorde ’t hem nog zeggen! Reggy was dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met velestille lichten. De stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend leven. Men voelde als ’t ware de levende rust der geweldige stad. Er droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.Wat deed ze nu, op ’t zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige, onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of ’k sla je dendikken kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had hem levend kunnen villen, hem verscheuren!Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New York en ik reikhalsde naar ’t donkergrijze westen, in de richting waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met den electrischen tram die, ik wist het, ook ’s nachts nog om het half uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of ik aanhaar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik komen moest, of ze mij niet wachtte....?Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er naartoe in stormpas om toch op ’t uiterst oogenblik nog niet te laat te komen.—Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, toen hij mij buiten adem aan zag rukken.—Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.In ’t schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.—Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte hij.Ik ging in een hoek de veters van mijnlaarzen aanrijgen en keek naar de van binnen verlichte, wachtende tram.Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en peinzende oogen.De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven leefden en dat zij, na ’t volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van ’t gekke mijner daad, maar deed die toch.De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd en flikkerend naderde.—Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht en snel reed de electrische weg.Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder stopte hij weer; en op hun beurtverlieten de slaperige arbeiders den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, als ’t ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad, met een geluid van zink.De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere die gereed stond, reed weer af.Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de duisternis opgezogen.Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter scheen te worden. De villa’s schemerden achter de boomen en veel schoone sterren blonken in den stillen hemel.Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daargeen boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter klopte en hamerde het hart.Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. ’t Was mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust der gansche streek. Ik schaamde mij als ’t ware; voelde den diepen wanklank met de rustige omgeving.Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar liep. Al mijn gekkeilluzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie, in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven als een landlooper in ’t holle van den nacht, opgezweept door de onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk en zeegalles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou ik wéten....Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik stapte in.Aan ’t oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.De dag,—de groote dag—was aangebroken.

Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.

Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een “failure?” Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart van Maud, of bleef dat nog steeds ’t zelfde: onzeker, raadselachtig, twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat, die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij goed nieuws van Reggy had.

Reggy!.... Reggy!.... Wie was dieReggy?.... Was dat de oudste zoon, die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in ’t hart, terwijl ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag Papa nog naar de foto wijzen en hoorde ’t hem nog zeggen! Reggy was dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?

Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.

De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met velestille lichten. De stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend leven. Men voelde als ’t ware de levende rust der geweldige stad. Er droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.

Wat deed ze nu, op ’t zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige, onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of ’k sla je dendikken kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had hem levend kunnen villen, hem verscheuren!

Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New York en ik reikhalsde naar ’t donkergrijze westen, in de richting waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met den electrischen tram die, ik wist het, ook ’s nachts nog om het half uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of ik aanhaar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik komen moest, of ze mij niet wachtte....?

Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.

Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er naartoe in stormpas om toch op ’t uiterst oogenblik nog niet te laat te komen.

—Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, toen hij mij buiten adem aan zag rukken.

—Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.

In ’t schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.

—Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte hij.

Ik ging in een hoek de veters van mijnlaarzen aanrijgen en keek naar de van binnen verlichte, wachtende tram.

Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en peinzende oogen.

De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven leefden en dat zij, na ’t volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van ’t gekke mijner daad, maar deed die toch.

De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd en flikkerend naderde.

—Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht en snel reed de electrische weg.

Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.

De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder stopte hij weer; en op hun beurtverlieten de slaperige arbeiders den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, als ’t ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad, met een geluid van zink.

De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere die gereed stond, reed weer af.

Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de duisternis opgezogen.

Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter scheen te worden. De villa’s schemerden achter de boomen en veel schoone sterren blonken in den stillen hemel.

Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daargeen boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter klopte en hamerde het hart.

Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. ’t Was mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust der gansche streek. Ik schaamde mij als ’t ware; voelde den diepen wanklank met de rustige omgeving.

Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar liep. Al mijn gekkeilluzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.

Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie, in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven als een landlooper in ’t holle van den nacht, opgezweept door de onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.

Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk en zeegalles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.

Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou ik wéten....

Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik stapte in.

Aan ’t oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.

De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.

De dag,—de groote dag—was aangebroken.

XIIk schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef hem over, schreef hem nog eens.Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht om werelden te veroveren.Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was, en of ikniets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten overheen gaan, alvorens hem te verzenden?Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer frisch zijn.Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan.Het eerste wat mij trof was ’n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een “mondaine” brief, als ik het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed.Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord.Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.Het was een brief van “Auntie.”“Auntie” vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry’s, wilde komen spreken! “Auntie” schreef mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou verhinderen om er te komen.Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als ’t ware de beschikking over mijn gansche verder leven.Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als ’t velletje papier waarop de ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even moest gaan zitten.Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.Toen las ik nog eens, voor de derde maal..Het leed geen twijfel: “Auntie” wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten.Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico’s, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde.Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij voelen, en zou ze “Auntie” bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....?Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immersnog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.’t Was vreemd, ’t was gek; en toch: het kón bijna niet anders: “Auntie” zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? ’t Was vreemd, o, ’t was zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan ’t zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid,aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van ’t kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in ’t hare opgegaan, dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze móést geschieden; en datdie keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.

Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef hem over, schreef hem nog eens.

Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht om werelden te veroveren.

Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.

Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was, en of ikniets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten overheen gaan, alvorens hem te verzenden?

Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer frisch zijn.

Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan.

Het eerste wat mij trof was ’n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een “mondaine” brief, als ik het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.

Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.

Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed.

Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord.

Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.

Het was een brief van “Auntie.”

“Auntie” vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry’s, wilde komen spreken! “Auntie” schreef mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou verhinderen om er te komen.

Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als ’t ware de beschikking over mijn gansche verder leven.

Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als ’t velletje papier waarop de ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even moest gaan zitten.

Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.

Toen las ik nog eens, voor de derde maal..

Het leed geen twijfel: “Auntie” wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten.

Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico’s, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde.

Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij voelen, en zou ze “Auntie” bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....?

Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immersnog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.

’t Was vreemd, ’t was gek; en toch: het kón bijna niet anders: “Auntie” zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!

Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? ’t Was vreemd, o, ’t was zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan ’t zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid,aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van ’t kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in ’t hare opgegaan, dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze móést geschieden; en datdie keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.

Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.

XIIEven vóór vier uur stond ik bij Sherry’s ingang. Ik zou daar “Auntie” opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achtermij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen een dame op mij zat te wachten.Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was “Auntie” dan tóch binnen gekomen zonder dat ik het bemerkt had?Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.—Ik had u reeds gezien, vóór ’t raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen, heb ik u maar laten roepen.Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van “Auntie”: iets straks,bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.—Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.—Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.—Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.—Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En ’t was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen neerstortten.—O, schrik niet, voer ze voort; ’t is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken.Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.—Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken—dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken.—Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte ’t mij in plotse, ontembare wanhoop.—Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde “Auntie” droevig.—Waarom? kreet ik dof.“Auntie” zuchtte, aarzelde.—Waarom! herhaalde ik dringender.—Omdat ze reeds verloofd is!!Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde “Auntie” roerloos aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.—Drink even van uw thee, zei “Auntie” bezorgd.Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.—Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van....—Van die Reggy? kreet ik.—Juist, van Reggy.—Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor handelszakenen de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.“Auntie” zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: “Auntie,” die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als ’t ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, metzelfbeheersching, dat hij “Auntie” dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat ’t nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet:—Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!—Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel “Auntie” levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!—Wat zegt u daar! kreet ik.—Jawel, antwoordde “Auntie” eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer?Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht, bijna op ’t zelfde uur, rond hun villa gedoold had.“Auntie” was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.—Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn niet, zuchtte zij.Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.Langzaam rees “Auntie” op.—Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.—Ik zal u schrijven, u op de hoogtehouden als u ’t wenscht, beloofde “Auntie” plechtig.Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.—Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand.Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in ’t groote New York.Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft “Auntie” ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....’t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, naïef en onbezonnen! ’t Was een illuzie, een roman: de roman van een Schaatsenrijder!Nu is er slechts tragedie op de wereld....

Even vóór vier uur stond ik bij Sherry’s ingang. Ik zou daar “Auntie” opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.

Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achtermij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen een dame op mij zat te wachten.

Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was “Auntie” dan tóch binnen gekomen zonder dat ik het bemerkt had?

Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.

—Ik had u reeds gezien, vóór ’t raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen, heb ik u maar laten roepen.

Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.

Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van “Auntie”: iets straks,bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.

—Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.

—Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.

—Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.

—Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En ’t was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen neerstortten.

—O, schrik niet, voer ze voort; ’t is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken.

Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.

—Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken—dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken.

—Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte ’t mij in plotse, ontembare wanhoop.

—Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde “Auntie” droevig.

—Waarom? kreet ik dof.

“Auntie” zuchtte, aarzelde.

—Waarom! herhaalde ik dringender.

—Omdat ze reeds verloofd is!!

Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde “Auntie” roerloos aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.

—Drink even van uw thee, zei “Auntie” bezorgd.

Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.

—Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van....

—Van die Reggy? kreet ik.

—Juist, van Reggy.—Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor handelszakenen de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.

“Auntie” zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: “Auntie,” die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als ’t ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, metzelfbeheersching, dat hij “Auntie” dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat ’t nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet:

—Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!

—Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel “Auntie” levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!

—Wat zegt u daar! kreet ik.

—Jawel, antwoordde “Auntie” eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer?

Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht, bijna op ’t zelfde uur, rond hun villa gedoold had.

“Auntie” was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.

—Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn niet, zuchtte zij.

Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.

Langzaam rees “Auntie” op.

—Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.

—Ik zal u schrijven, u op de hoogtehouden als u ’t wenscht, beloofde “Auntie” plechtig.

Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.

—Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand.

Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in ’t groote New York.

Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft “Auntie” ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....

’t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....

Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.

Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, naïef en onbezonnen! ’t Was een illuzie, een roman: de roman van een Schaatsenrijder!

Nu is er slechts tragedie op de wereld....


Back to IndexNext