22)„Transvaalsche Herinneringen” door Dr. E.J. P. Jorissen.
23)Volgens den correspondent der „Sunday Special”, Londen.
Het gaat tegen den avond.
De twaalfduizend Boeren, die in groote lagers rondom Johannesburg zijn bijeengetrokken, zullen morgen hun ossenwagens inspannen, hun tenten oprollen en hun paarden zadelen, om terug te keeren naar hun woningen.
Slechts een paar sterke wachten zullen voorloopig achterblijven als een ernstige waarschuwing aan de stad des oproers, om geen dwaasheden uit te halen.
Trouwens, de Johannesburgers hebben die Boeren der wildernis gezien, en weten nu, dat er niet met hen te gekscheeren valt.
Verleden week heeft een leger van twee duizend Boerenruiters een tocht gemaakt door de stad, om de Johannesburgers en klein bewijs te geven van de kracht der Republiek.
Zij reden, in sterke afdeelingen gesplitst, op hun vlugge, taaie paarden in volmaakte orde, het geweer op de heup, kalm en waardig door de voornaamste straten.
Hier en daar vormde zich wel een kluwen malcontenten, die bij de nadering der Boeren begonnen te sissen en te fluiten, doch een krachtige slag met den notenhouten geweerkolfwas voldoende, om hen te doen verstuiven als kaf voor den stormwind.
Zoo kwam een dezer afdeelingen, enkel uit jonge Boeren bestaande, voorbij het kantoor, waarvan Charles Marling de chef was, en met een luid en krachtig hoera begroetten de ruiters de Transvaalsche Vierkleur, die van de pui van het prachtig gebouw vroolijk wapperde in de wind.
De jonge, slanke veldkornet liet halt houden, sprong van het paard en stapte het huis binnen.
Het was dezelfde officier, dien wij op het slagveld van Krugersdorp hebben ontmoet in gesprek met Reinard Jansen: Arie, Lena's broeder.
Er verliepen slechts weinige oogenblikken, toen hij, tusschen Marling en Lena in, die den kleinen Albert op haar arm droeg, op de hooge blauwzerken stoep verscheen. En hij riep met zijn vroolijke, heldere stem: „Kameraden, deze mijnheer hier naast mij is een Engelschman maar 't is een deksels goeïe kerel, en hij en zijn vrouw beschouwen jullie op dit oogenblik als hun gasten, en bieden u den eerewijn aan!”
En vlugge Kafferbedienden kwamen aanloopen, en schonken de ruiters in, en de ruiters zwaaiden met hun glazen en riepen: „Hoera, die Engelschman zal leven, al is 't een Roodbaatje!”
En de veldkornet nam den kleinen Albert, en zette hem op zijn valen hengst en zeide: „Albert, we hopen van jou nog eens een flinken Afrikaanschen ruiter te maken!”
En de kleine kerel had groot plezier, en streek met de kleine handen door de lange manen van het paard, en toen de eerewijn was rondgedeeld, verzocht Charles Marling, dat het Transvaalsche volkslied zou worden gezongen, en uit tweehonderd frissche keelen klonk het mannelijke, kloeke Afrikaansche Vlaggelied:
„Di vierkleur van ons dierbaar land,Die waai weer o'er Transvaal,En wee di Godvergeten hand,Wat dit weer neer wil haal!Waai hoog nou in ons helder lug,Transvaalsche vrjjheidsvlag!Ons vijande is weg gevlug,Nou blink 'n blijer dag!Veul storme het jij deur gestaan,Maar ons was jou getrou;En nou die storm is o'er gegaan,Wijk ons nooit meer van jou,Bestormd door Kaffer, Leeuw en Brit,Waai jij steeds o'er hul kop;En tot hul spijt anskou hul dit,Ons hijs jou hooger op!”
„Di vierkleur van ons dierbaar land,Die waai weer o'er Transvaal,En wee di Godvergeten hand,Wat dit weer neer wil haal!Waai hoog nou in ons helder lug,Transvaalsche vrjjheidsvlag!Ons vijande is weg gevlug,Nou blink 'n blijer dag!
Veul storme het jij deur gestaan,Maar ons was jou getrou;En nou die storm is o'er gegaan,Wijk ons nooit meer van jou,Bestormd door Kaffer, Leeuw en Brit,Waai jij steeds o'er hul kop;En tot hul spijt anskou hul dit,Ons hijs jou hooger op!”
En de paarden begonnen te trappelen onder hun berijders, vol moed en ongeduld, en ze sloegen de vonken uit de keïen, en de Jingo's, die op den hoek der breede straat stonden te kijken,schuimbektenvan machtelooze woede, en de Boeren juichten.
Doch Lena's oogen verhelderden zich, want zij gedacht den dag, nog zoo kort geleden, toen de Vierkleur in deze zèlfde straat was gehoond, en de Afrikaansche mannen, die zij had opgeroepen in haren toorn, om dien hoon te wreken—zij waren gekomen!
Maar dit is verleden week geschied, en het gaat thans tegen den avond.
Wij bevinden ons midden in een groote Boerenvergadering, en wij zien er verscheidene bekende gezichten. Bijna de geheele familie Jansen is aanwezig, zelfs tante Martje niet te vergeten; ook de Kloppersstam is flink vertegenwoordigd, en Charles en Lena ontbreken evenmin.
Charles Marling staat, na de moeilijke dagen, die de Transvaal heeft doorworsteld, bij de Boeren in blakende gunst, en zij noemen hem een Engelschman zonder bedrog.
En die grijsaard daar op die verhevenheid, die thans een afscheidswoord zal spreken—ik behoef wel niet te zeggen, wie het is, en het diepblauwe oog, dat op dien nachtelijken tocht naar Krugersdorp bliksemde van strijdlust, staat thans mild en vriendelijk.
„Mijne vrienden,” zegt hij met bewogen stem,„mijne broeders! Gestreden is de strijd, en door Gods bestel is Rhodes' plan te schande gemaakt.
Als overwinnaars keeren wij huiswaarts, doch wij hebben de zegepraal in de eerste en voornaamste plaats niet te danken aan de juistheid van ons schotnochaan de vlugheid van ons paard, maar aan onzen almachtigen God, Die onze harten deed ontvlammen van leeuwenmoed, Die vleugelen bond aan de hoeven onzer paarden, en Die onze vuist maakte van staal en ijzer, zoodat zij de sterkten des vijands vermaalde!
Hebt gij dan gebeden, broeders in het begin van denstrijd, vergeet nu de dankzegging niet, opdat de zegen niet verander in een vloek!
Mijne broeders, mijne kinderen! Het is wel voor den laatsten keer geweest, dat ik met u ben opgetrokken in den krijg, want ik ben een oud man, en de levenslamp zal spoedig zijn uitgebrand. Maar zooals ik u, mijn volk, heb liefgehad met eene groote liefde, zoo heb ik u nog lief tot op dezen oogenblik. En daarom geeft ik u het beste wat ik u geven kan—de vermaning: houd vast aan God en zijn waarachtig Woord, want als gij het niet doet—”
Hij zwijgt een oogenblik; op zijn gelaat staat plechtige ernst.
„Want als gij het niet doet, hebt gij geen toekomst, en uw lamp zal worden uitgebluscht in eeuwige duisternis!”
De toehoorders kunnen het den ouden Kloppers aanzien, hoe die gedachte hem aangrijpt, en zijn ziel met droefheid vervult.
Doch evenals de donkere wolk voorbijdrijft aan den blauwen, zonnigen hemel, drijft de schaduw voorbij op het eerwaardig gelaat van den grijsaard.
„Maar neen,” gaat hij voort met verheffing van stem, „niet in duisternis, mijn volk, zult gij eindigen, maar het licht, dat uit Gods getuigenis straalt, zal uw pad verhelderen, en gij zult opvaren met vleugelen gelijk de arenden; ge zult loopen en niet moede worden; gij zult wandelen en niet mat worden.
Er is een runderpest dreigend over onze grenzen getrokken, zullen wij daarover murmureeren? Zullen wij de roede niet kussen, die ons slaat? Hebben wij nu niet het onwedersprekelijk bewijs, dat wij zonen zijn en geen bastaarden?”
Hij staart naar de verte, naar het westen.
Een schitterend vizioen trekt zijn peinzend oog voorbij.
„Ik zie een groot volk,” zegt hij langzaam, „niet opgesloten tusschen de Vaal en de Limpopo, maar zich uitstrekkend van de Tafelbaai tot aan de steile oevers van de Zambezie, een volk van Hollandsch-Afrikaanschen stempel, een machtig en heerlijk volk, groot in den raad der volken—; een schild voor den zwakke, de toevlucht voor den verdrukte—; een fiere, koninklijke eik, die zijn schaduw uitspreidt over een half werelddeel—; ik zie uw toekomst, mijn volk, zoo gij vasthoudt aan den God uwer vaderen, schitteren en blinken als de nieuwe dag, wanneer hij komt met glans en gejuich over de heuvelen en valleien van ons Afrika!”
Dirk Kloppers heeft uitgesproken.
De zon duikt nu weg in het westen. En het stervend avondrood valt zoo weemoedig schoon op die sneeuwwitte lokken, op dat eerwaardig gelaat—de grijsaard staat daar als verheerlijkt voor zijn volk....
En nu hij zwijgt, gaat er een geween op en een gesnik, want het is, alsof een vader heengaat van zijn kinderen.
En de aanwezigen verdringen zich om den ouden Voortrekker, en men tracht zijn hand te grijpen en te drukken. En voor ieder heeft hij nog een woord in 't bizonder, een woord van vermaning, troost of bemoediging, en het is roerend te zien, hoe die stugge, stoere Boeren den grijsaard aanstaren met vochtige oogen.
Zij nemen immers afscheid—ach, het is voor den laatsten keer....
Middernacht is nu voorbij.
Het is een liefelijke, heldere zomernacht, en sterke afdeelingen Boeren staan gereed, om te vertrekken.
Ook Marling en Lena, die eenige dagen in het kamp hebben doorgebracht, staan gereed om te vertrekken.
Zij staan buiten het lager, op een golving van het terrein.
Achter hen staan hun paarden, getuigd en gezadeld, vastgehouden door een paar Kafferbedienden.
En zwijgend staren Marling en Lena naar de groepen ruiters, die in vollen galop voorbijstormen.
Daar gaan zij: de Uisen en de Potgieters, de Pretoriussen en de Botha's, de Krugers en de Bezuidenhouts en hoe zij allen mogen heeten: de Ruiters van Zuid-Afrika, de trouwe Wacht der Republiek!
Doch zie, daar is een andere groep, die onze aandacht trekt.
Bij het stralende licht der Afrikaansche sterren kunt ge goed onderscheiden, wie daar in dat open rijtuig zit: het is moeder Jansen, die den tijd niet kon afwachten, dat haar man en haar kinderen waren teruggekeerd naar Waterfontein, en reeds sedert twee dagen hier is.
En naast haar zit het meesterke, en uit die zachte, weemoedige oogen blinkt thans een straal van groote vreugde,zooals er vreugde liggen kan in onze oogen, als het hoogtijd is in ons leven.
En voor tante Martje is deze tocht enkel glorie en licht, en in hare ziel ruischt het woord van den psalmdichter: „Wat zal ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden, aan mij bewezen!”
Doch wat statige ruiters omstuwen het rijtuig?
O, gij kent ze wel; dat zijn Reinard Jansen en zijn vijf zonen, gezeten op snelle paarden.
En Frits Jansen rijdt vlak naast zijn vader.
Van de wond is niets meer overgebleven dan een lidteeken, en zijn oogen tintelen van moed en kracht.
En Reinard Jansen zegt tot Frits: „Ik wil een opschrift laten maken op de houten lijst onzer nieuwe woning—zeg Frits, welk opschrift zal ik nemen?”
Maar Frits Jansen lacht, en lachend zegt hij: „Ik zal het aan het meesterke vragen, Vader, want het meesterke is knap en geleerd.”
Reinard Jansen echter schudt den stevigen kop en zegt:
„Neen, mijn jongen, dezen keer moet gij het zeggen!”
En Frits Jansen begrijpt nu zijn vader, en terwijl zijne oogen vochtig worden, antwoordt hij: „Dan zullen we dit opschrift nemen. Hoe zoet is het, verzoend te zijn!”
„Ja,” zegt zijn vader, terwijl zijn blik vol liefde en welgevallen rust op Frits, „ja, mijn kind, dat zullen wij tot opschrift nemen. En nu jongens, vooruit! Op naar Waterfontein! Zie, de nacht is voorbij met zijn bange droomen—! Het oude is voorbijgegaan—! Voorwaarts—den nieuwen dag tegemoet—!”
Weer volgen twee andere ruitergroepen, doch zie! de laatste dezer twee houdt bij Marling en Lena halt.
Dat is de sterke Kloppersstam.
Gij ziet hem hier—in zijn mannelijke loten—vereenigd van den grijsaard af met de sneeuwwitte lokken tot den baardeloozen jongeling toe, die nauwlijks aan de kinderschoenen is ontgroeid.
De oude Kloppers stijgt van het paard; hij wil Charles en Lena nog eens de hand drukken, alvorens hij vertrekt naar Vredenoord.
Het valt Jan Kloppers, zijn zoon op, dat hij zoo moeilijk van het paard komt, maar de grijsaard glimlacht even en zegt:
„Het afstijgen gaat toch zoo vlug niet meer als zestig jaar geleden.”
„Nu Lena,” gaat hij voort, „wij gaan vertrekken, dochterke! Het ga u goed! En u ook Charles!”
Hij zegt deze eenvoudige woorden op zoo'n bizonderen, teederen toon.
Lena's gemoed is vol, en zij valt den grijsaard snikkend om den hals. En aan een plotselinge ingeving gevolg gevend, neemt zij Charles bij de hand, en samen knielen zij voor den grijsaard neer.
„Zegen ons,” smeekt ze, „zegen ons!”
Daar breidt de grijsaard zijn handen priesterlijk over hen uit en roept den zegen van den Eeuwige en den Barmhartige over hunne hoofden in.
Dan vat hij hen bij de hand, en doet hen weer opstaan.
„Kust den kleinen Albert van mij,” zegt hij nog, zich naar zijn schimmel wendend.
Het bestijgen van het paard gaat intusschen zoo bezwaarlijk, dat het iedereen opvalt, en Jan Kloppers vreest, dat het afscheid van gisteren avond den ouden man toch te hard heeft aangepakt.
„Mankeert er iets aan Vader?” vraagt hij vol bezorgdheid, doch de grijsaard antwoordt kalm: „Ik had van nacht maar eene kleine duizeling,” en nu hij weer in het zadel zit, zit hij, schijnbaar ten minste, zoo stevig als ooit.
„Waarom zijt gij niet eerst mee gegaan naar Johannesburg?” vraagt Lena met een zacht verwijt in hare stem.
„Ik verlang naar Vredenoord, mijn dochterke,”antwoordt hij mild en vriendelijk.
Hij zegt dit weer op zoo'n bizonderen toon.
Lena wil hem vragen; „Bedoelt gij het aardsche of het hemelsche Vredenoord?” doch zij kan het woord niet over haar lippen krijgen.
En nog een laatste handdruk aan al de familieleden, een laatst vaarwel, en de ruiterstoet zet zich opnieuw in beweging, het noorden in.
En zwijgend staren Charles en Lena de ruiters na.
Nog lang is de witte schimmel zichtbaar met zijn ruiter.
Doch plotseling stijgen grijze dampen omhoog uit het veld—de ruiter en zijn schimmel nemen reusachtige vormen aan—de lijnen versmelten in den nevel—verdwenen zijn ros en ruiter....
Marling's bruine oogen staan strak en treurig.
„Wij hebben den edelen grijsaard voor den laatsten keer hier op aarde gezien,” zegt hij met nokkende stem.
En Lena strekt de armen klagend uit naar de verte en roept: „Wagen Israëls met zijn ruiters—ach keer weder!”
Zoo staan zij daar, in droeve gepeinzen.
En achter hen staan hun paarden, en de moedige dieren bijten ongeduldig op de stalen gebitstang, en schuren met de voorpooten den harden grond.
Doch Lena heft haar lieftallig gelaat op tot Charles, en nieuwe moed, hoop en vertrouwen beginnen te tintelen in hare vriendelijke oogen.
En terwijl zij met de hand naar het oosten wijst, roept zij: „Zie, de morgenster verbleekt—de nacht is voorbij—de nieuwe dag is aan 't komen! Op Charles! Ik verlang naar uw Albert, naar mijn kind! En 't is een groote taak, die ons wacht! Wij willen arbeiden aan het heil onzer Republiek!”
Beiden bestijgen zij hun paarden—een lichte slag op hun fieren nek—daar slaan de edele rossen reeds de slanke pooten uit—en voorwaarts gaat het, in snellen galop, het oosten in, den nieuwen dag tegemoet.
En zie—hij komt, de nieuwe dag!
Reeds zendt hij purperen wolken als blinkende herauten voor zich uit, hoog aan de lucht. En de zoomen van zijn kleed worden reeds gezien, zij schitteren van goud en edelgesteente. En de arend slaat zijn breede vleugels uit naar den hoogen om de eerste te zijn, die zich koestert in zijn stralen. En de toppen der bergen beginnen te fonkelen, en de zangvogel schudt de dauw van zijn vlerken, en de bloemen geuren, en de valleien glimlachen, en uit de ruischende wouden stijgt een bruischend Hallelujah omhoog—want zie, hij is gekomen, de nieuwe dag!
Einde.
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. viii[Niet in Bron.]Inhoudsopgave toegevoegd.Blz. 4,175 (voetnoot)’”Blz. 8vindtvindBlz. 17,32,47,50,76,76,77,81,82,87,103,105,105,111,120,121,131,132,131,140,144,151,151,162,164,169,173,173,185,188,200,213,215,223,227,230[Niet in Bron.]„Blz. 18nituitBlz. 27geplaatsgeplaatstBlz. 28,67,117,168.,Blz. 29waaaroverwaaroverBlz. 31JohannesbergJohannesburgBlz. 31,[Verwijderd.]Blz. 32overstandigonverstandigBlz. 33CicilCecilBlz. 34—Blz. 36wilkskrachtwilskrachtBlz. 40DeDesBlz. 42HenriHenryBlz. 43schiedwedstrijdschietwedstrijdBlz. 45geklopgekloptBlz. 45,’”Blz. 48voorzichtervoorzichtigerBlz. 52eikenhouteeikenhoutenBlz. 52,58,60,64,85,88,97,102,106,107,120,122,128,131,132,133,133,142,145,170,185,196,213,220,220,224,231[Niet in Bron.]”Blz. 55,119,122,133,144,202,223,224[Niet in Bron.],Blz. 58dâtdatBlz. 63,71,105,114,.Blz. 66geeindigdgeëindigdBlz. 71dentdenktBlz. 71moetemoeiteBlz. 76achterpootsnachterpootenBlz. 76àchterpootenachterpootenBlz. 82sehreeuwdeschreeuwdeBlz. 82sleegsloegBlz. 83nnnuBlz. 83JakokJakobBlz. 83;.”Blz. 85,179maaktmaakteBlz. 85hevelheuvelBlz. 87uiterkorenuitverkorenBlz. 90verworpelngverworpelingBlz. 92[Niet in Bron.];Blz. 92,128,133,148,167,183”[Verwijderd.]Blz. 92 (voetnoot),119,162[Niet in Bron.].Blz. 94neuriêndneuriëndBlz. 94EnglandsEngelandsBlz. 95ArmenierArmeniërBlz. 97makeenmakenBlz. 98,98,120,128„[Verwijderd.]Blz. 98WitwatterrandWitwaterrandBlz. 99kusttekusteBlz. 102vorschttevorschteBlz. 105XXIXBlz. 106,143,227nognochBlz. 108antwoordantwoordtBlz. 109;:Blz. 110:.Blz. 115kafferkapteinkafferkapiteinBlz. 115stekeblinkstekeblindBlz. 116’[Verwijderd.]Blz. 118omwetelingomwentelingBlz. 119FarrerFarrarBlz. 119nadendenkendnadenkendBlz. 122nochnogBlz. 127PletselingPlotselingBlz. 128vraagtvraagdeBlz. 128ombarmhartigonbarmhartigBlz. 128lachttelachteBlz. 128wòrdtwòrdBlz. 129flikkerenflikkerdenBlz. 132antwoordantwoordtBlz. 132plaatsplaatstBlz. 139woneuwonenBlz. 140zegtzeideBlz. 146zijuzijnBlz. 146snelpesneldeBlz. 148nàarnaarBlz. 150,150,150,151,151,209EliezerEliëzerBlz. 152,[Verwijderd.]Blz. 155uitgespeiduitgespreidBlz. 163zaàlzaâlBlz. 165SleehtsSlechtsBlz. 168fiankenflankenBlz. 169,188zaalzaâlBlz. 174staardenstaardeBlz. 175wapendwapenBlz. 177 (voetnoot)HerrinneringenHerinneringenBlz. 179hardhartBlz. 180GeertrniGeertruiBlz. 180RootbaatjeRoodbaatjeBlz. 190KrugerskorpKrugersdorpBlz. 195veormiddagvoormiddagBlz. 195nieuwjaarsmogennieuwjaarsmorgen,Blz. 196ammunitie.wagenammunitie-wagenBlz. 196zegtzeideBlz. 197afdeeliugafdeelingBlz. 199gedaadgedaanBlz. 200pnntpuntBlz. 201,?Blz. 201?.Blz. 202levenlevendBlz. 203éènéénBlz. 205ordannansordonnansBlz. 207kampkamptBlz. 207[Niet in Bron.]enBlz. 207caveleristcavaleristBlz. 212donkeroodedonkerroodeBlz. 217omstamdighedenomstandighedenBlz. 219begrijfbedrijfBlz. 220 (voetnoot)IJBlz. 227schuimbekteschuimbekten
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: