“Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet,” viel Old Shatterhand hem in de rede. “Maar de bleekgezichten drukken zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen.”Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd, half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: “De Oude Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!”“Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maarwijwillen over den dag van heden spreken. En daarikdegene ben, die u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!”Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom vervolgde hij: “Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent gij ook de beide krijgslieden, diehier naastmij zitten?”“Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen.”“Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem, zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?”“Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt.”“Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden.”“Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?”“Weder louter, om ons eigen leven te redden.”“En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze vijanden zijn.”“Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten.”“Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst.”“Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen het als onzen plicht, u vrede aan te bieden.”“Wij zijn de overwinnaars.”“Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven, zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal.”“Wat weet gij daarvan?”“Alles. Wij hebben hun lijken begraven.”“Zijt gij dan daar geweest?”“Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen hebt.”“Dat is onmogelijk; dat is niet waar.”“Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der Utahs, die er bij geweest zijn.”“Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen.”“Waarheen?”“Weten wij dat?”“Zijn zij door de Navajos gedood?”“Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren; maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos.”“Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!”“De Groote Geest heeft hen tot zich genomen.”“Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd.”“In uw handen?”“Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet.”“Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af te dwingen.”“Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie hoofdmannen gevangengenomen.”“Zonder dat hun krijgslieden het merkten?”“Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen, zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old Shatterhand genoemd!”“Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben.”“Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?”Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde knoopen,vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien riem zien.“Oef!” riep de Oude Donder verschrikt. “De wampoen van de Gele Zon. Ik ken hem goed.”“En dezen hier?”Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.“De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook.”“En dezen derden wampoen?”Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte bijna stotterend: “Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?”“Ja.”“Waar zijn zij?”“In onze macht, terdege opgesloten.”“Aan het Zilvermeer?”“Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden, die later stellig ook hoofdmannen zullen worden.”“Wat zult gij met hen doen?”“Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!”“Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen, man tegen man.”“Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen, dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen.”“En den buit rekent gij niet.”“Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan, en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit, zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!”Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had nog meer kracht bij te zetten: “Uw hoofdmannen hebben ons naar het leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wijweten zeer goed, dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is.”Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige gestalte uit: en zei: “Pshaw! Waartoe al die woorden—wij hebben immers wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem geven, wat hem toekomt: Leven of dood!”Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: “Zoo spoedig kunnen wij geen besluit nemen.”“Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?”“Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met onze onderhebbenden spreken.”“Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u tegen onze vuisten helpen.”“Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen, wat er zal moeten geschieden.”“Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!”“Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!”Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de overigen volgden zijn voorbeeld.“Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!” bromde Old Firehand gemelijk.“Mijn broeder heeft te driftig gesproken,” zei Winnetou op zijn zachtzinnige manier. “Hij had Old Shatterhand verder moeten laten begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt om toe te geven.”Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het Lange Oor hun: “Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw drieën gegaan?”“Omdat wij dat voldoende achtten,” antwoordde Old Firehand norsch.“Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij.”“Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde er bij noodig.”Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien, hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim, Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd, door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard, die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok, dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen, maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke overrompeling teverijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden, die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen vóór hem was. Weer rolde er een steen—naast hem dook iets donkers op, voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan; hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: “Wij hebben het Lange Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!”De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging, welke hij ondervonden had.“Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken, wanneer ik hem de prop uit den mond neem,” vervolgde de andere.De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch de Oude Donder gaf hem de vermaning: “Als gij luid spreekt, zult gij sterven.Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!”Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.“Ik haat en veracht deze bleekgezichten,” antwoordde hij. “Als gij mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen.”“En de Beren ook?”“Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven.”“Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?”“Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben.”“Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen.”“Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen, dan gij nu kunt vermoeden.”“Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze hoofdmannen gevangen houden!”“Dat is waar. Ik heb hen gezien.”“Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest, want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?”“In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt.”“Door wie worden zij bewaakt?”“Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is.”“Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en beroemde krijgslieden! Gij liegt!”“Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid zijn.”“Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden bevinden zich op den oever?”“Niet één.”“Man! waar is uw verstand?”“Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest, anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen ulieden te vechten.”“Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?”“Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk naar het meer kunt komen.”“Is dat dan mogelijk?”“Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen.”“Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er nog een andere?”“Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen.”“Waar is dat pad?”“Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt, waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den Grooten Beer gereden.”“En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?”“Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten intusschen aangekomen zijn.”“Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer te bereiken?”“Drie uur.”“Dat is lang, zeer lang!”“Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en.....”Hij bleef steken.“En.... spreek verder!”“En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een gevonden is.”“Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder is er toch niets bij hen te vinden?”“Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen, goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte.”“Wie heeft u dat wijsgemaakt?”“Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken zij over die onmetelijke schatten.”“Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?”“Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze daar in veiligheid gebracht.”“Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog, hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten leegscheppen?”“Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep, en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met steenen volgestopt.”“Is dat alles waar?”“Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt op den bodem van hetmeer naar het eilandje, naar den toren, in welks onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen, om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend; dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon, en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen.”“Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten eens konden laten verzuipen!”“Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden omkomen.”“Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?”“Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom zalikkrijgen?”“Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren.”De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep, en werd vrij helder beschenen.Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen, toendeUtahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren, viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.“De bleekgezichten zijn niet meer in den canon,” rapporteerden zij. “Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten.”Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht, dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in, dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen niet kon koesteren, en voegde er bij: “De bleekgezichten, die veel zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis van den canon en zijn naar het meer opgerukt,waar zij dachten niet door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal, dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus, vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren; doch gij zult hen in den rug aanvallen.“Hoe is dat mogelijk?”“Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano’s, waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel.”“Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt ons in de gang. Wijs ons den weg!”De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen tegen de rots.“Die steenen moeten weg,” zei de Timbabatsj, “dan zult gij de opening zien.”De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in, en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (= prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak die aan. Daarop begaf men zich de gang in.De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het water van het meer.Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam, waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.“Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn,” zei het Lange Oor. “Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten, waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?”“Ja,” antwoordde de Oude Donder. “Maar lang moeten wij ons daarmee niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben.”Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking; deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren, eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die naar boven leidden; zij gaven slechtsplaatsruimte voor één persoon; daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet, gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen, die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg, om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel, dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen; zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander—tevergeefs.Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping, waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.“Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!” gebood de hoofdman der Utahs aan den Timbabatsj.Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het waterintusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige, zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich, en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood te schieten; dat ziende riep hij uit: “Houdt op, want anders werp ik het licht in het water,en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien, waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen.” Dit hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.“Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!” antwoordde de Oude Donder. “Later zult gij er voor boeten!”De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben, wanneer de Utahs in het wateromkwamen. Daarom bleef hij staan toen hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij het hoofd Van den Ouden Donder.“Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken,” riep hij hem toe. “Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug in het water!”Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen, want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: “Halt, blijf beneden, anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!”Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.“Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!” antwoordde hij in doodsangst.“Wie zijt gij dan?”“Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen.”“O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den doodverdiend, want gij zijt een afvallige, een verrader.”“Neen, neen! Gij vergist u!”“Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij verdrinken juist zooals zij verdronken zijn.”“Ik heb niets verraden!” betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij stond reeds tot aan zijn knieën in het water.“Lieg niet!”“Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!”“Neen, gij blijft beneden!”Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand: “Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij zal zijn schuld bekennen.”“Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!” verzekerde het Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.“Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor dankbaar zult betoonen.”“Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt, en ik zal het doen!”“Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!”De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor de openstaandedeur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan, zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst, doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: “Voort, voort, naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!”“Blijf maar hier!” antwoordde de Groote Beer. “Gij hebt van het water niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt.”Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had, was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs naderbij zouden sluipen.Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman weggeslopen was.“Waar naar toe?”“Naar de Utahs. Hij is nog niet terug.”“Hoe lang is hij weg?”“Sedert ongeveer een uur.”“Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien.”De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door, zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging, dat de Utahs verdwenen waren.“Zij hebben hem stellig ingepakt,” zei de Groote Beer; “hij heeft te veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan.”“En misschien ook met ons,” zei Old Shatterhand.“Hoe zoo met ons?”“Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij de hoofdman echter betrokken is.”“Welke reden kan dat zijn?’“Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad.”“Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit vijandig jegens ons gedragen.”“Dat is wel mogelijk; maar tochis hij de man niet, op wien ik mij zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?”“Ja.”“Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?”“Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest.”“Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer te komen.”“Waarom?”“Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben.”“Daartoe acht ik hem niet in staat!”“Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen.”“Dat denk ik ook,” zei Old Firehand.“Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk,” merkte Winnetou op. “Mijn broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen.”Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op, zoogoed als het in de duisternis gaan wilde.Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken, daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer blindelings vertrouwen mocht.Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats, van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden.Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk voor hen verzwegen.Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer te spreken,en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid: “Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert mij reeds vroeger gezien te hebben.”De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen: “Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar ik herken hem toch.”“Welnu, wie ben ik dan?”“Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader, die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf.”“Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel herinneren zal.”“Ik weet het,” zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde.“Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een schat, die hier verborgen ligt.”“Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak, dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim, dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen.”“Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?”“Dat kan ik u niet verbieden.”“Wij hebben een teekening daarvan gehad.”“Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht.”“En mag ik niet weten waar?”“Neen.”“Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?”“Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen.”“Is dat u ernst?” vroeg Old Firehand.“Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken worden.”“Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven.”“Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen.”“Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?”“Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten.”“Kunt gij uw recht daarop bewijzen?”“Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangeneen papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik kan er mee doen, wat mij goeddunkt.”“En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier gekomen zijn?”“Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de Timbabatsjen is.”“Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij willen?”“Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen.”“Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!”“Doe het!”“Hebt gij er niets tegen?”“Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen.”“Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen.”“Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal wonen?”“Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt tot aan uw grenzen.”Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid aan, toen hij vroeg: “Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u.”“Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij water kunnen bekomen.”“Neemt dan water uit het meer!”“Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde.”“Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt.”“Mag ik een waterleiding aanleggen?”“Ja.”“Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?”“Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen; en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting.”“Ons karretje rijdt op een zandweg,” fluisterde Hobble-Frank tegen zijn neef. “Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij spoedig Crassussen worden.”“Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest, die zoo schatrijk was?”“Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!”Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen, vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen, en wachtten in spanning wat er komen zou.Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich, die zij met argus-oogen bespiedden.“Zeg,” fluisterde Frank, “beweegt zich niet iets daar links van het houtgewas?”“Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn.”“Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben van een puikpuik geweer.”Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het schot uit Frank’s geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst getroffen, neer. Zijn beide kameradensnelden naar hem toe, om hem in veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet; zij verdwenen met den doode.Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte: “De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen.”“Een gat?” vroeg de Beer verschrikt. “Dan kennen zij de onderaardsche gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij mee!Ik moet zien, of het waar is.”Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon, onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd, en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche gang ingingen.“Ja, zij kennen mijn geheim,” zei de Groote Beer. “Zij willen naar het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn schatten meestermaken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien.”Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt, waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen, die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een dier steenen, en zeide: “Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort.”“Waarom moet het rotsblok het water in?” vroeg Winnetou.“Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen; ik moet weg. Gauw.”Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging, grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal, en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout; dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand.“Nu moeten mijn broeders luisteren!” zei hij, met de hand in de richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven.Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water, en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte.“Het is gelukt!” riep de Groote Beer, diep adem scheppende. “De Utahs zijn verloren. Komt mee naar binnen!”Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen, op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar, waarboven de Beer luisterde.“Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen,” zei hij. “Nu moet gauw het water er in!”Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer, en zei: “Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken, en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb.”“Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!” riep Shatterhand.“Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!”“Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?”“Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij daarbeneden gezien heeft.”“Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!”“Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder water. Komt even binnen!”De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen.“Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?” vroeg Old Shatterhand. “Die verdrinken immers ook!”“Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk, moeten wij hen er uit halen. Luister!”Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid, of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten, en de trechtervormige draaikolk was verdwenen.Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon: “Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?”“Ja,” bekende de andere.“Wie heeft dat aan u verraden?”“Gij zelf.”“Dat is niet waar!”“Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert gij u dat?”“Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan praten. Wij dachten dat wij alleen waren.”“Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop teverwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander.”“En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen te verraden!”“Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland gesproken.”“Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u verdwenenwas, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien, wat beneden in het eiland lag?”“Ja.”“En hebt gij de pakketten geopend?”“Maar één er van.”“En wat zat daarin?”“Een god, van zuiver goud vervaardigd.”“Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat denkt gij wel dat gij verdiend hebt?”De Timbabatsj zweeg.“Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij doet wat ik van u verlang.”“Wat verlangt gij?”“Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt.”“Ik ben bereid te zweren.”“Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het meer loopt.”“Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut; wij kunnen er geen paard laten grazen.”“Nu, wat vraagt gij er voor?”“Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken.”“Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij zelf dan moeten bepalen. Daarom zaliku nu maar zeggen, wat gij moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit, tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?”“Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen.”“Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet, dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde moeten brengen, anders verdrinken die ook nog.”Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd, dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die zijde denkelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer moeten duren, of de Utahs waren verdronken.Zij werden in de kano’s naar den overkant gebracht, en onder de bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet terug hadden getrokken.Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen, toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen.De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen, die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut, of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de ramp waren omgekomen.Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij elkander waren, zei Old Shatterhand: “Weet gij, dat wij verscheiden van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?”“Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen,” antwoordde de aangesprokene somber.“En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang binnengedrongen waren, gebeurd is?’“Neen.”“De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen; zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet, dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u bij de hoofdmannenbrengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar hier terugkeeren.”De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: “Old Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee.”Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest om hen tot vrede-sluiten over te halen.De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen; zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen hulp meer te wachten hadden.Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten, dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen.Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten slotte de vredespijp de ronde deed.Het resultaat was een “eeuwige” vrede tusschen alle partijen; boetedoening werd van niemand verlangd:—de gevangenen werden op vrije voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn.Hierop volgde een groote jacht, die tot ’s avonds duurde en een rijken buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in te slapen.Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had, die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn.Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had; hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd alles vergeven.Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep; pas den morgen daarna ging men van elkander af.De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding, dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat nu nog gedaan moestworden, was den gesloten koop door de bevoegde overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen.Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk, de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen op avonturen in de bergen uit te gaan.Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariëele akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop hij aanspraak had.
“Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet,” viel Old Shatterhand hem in de rede. “Maar de bleekgezichten drukken zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen.”Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd, half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: “De Oude Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!”“Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maarwijwillen over den dag van heden spreken. En daarikdegene ben, die u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!”Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom vervolgde hij: “Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent gij ook de beide krijgslieden, diehier naastmij zitten?”“Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen.”“Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem, zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?”“Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt.”“Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden.”“Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?”“Weder louter, om ons eigen leven te redden.”“En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze vijanden zijn.”“Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten.”“Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst.”“Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen het als onzen plicht, u vrede aan te bieden.”“Wij zijn de overwinnaars.”“Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven, zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal.”“Wat weet gij daarvan?”“Alles. Wij hebben hun lijken begraven.”“Zijt gij dan daar geweest?”“Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen hebt.”“Dat is onmogelijk; dat is niet waar.”“Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der Utahs, die er bij geweest zijn.”“Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen.”“Waarheen?”“Weten wij dat?”“Zijn zij door de Navajos gedood?”“Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren; maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos.”“Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!”“De Groote Geest heeft hen tot zich genomen.”“Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd.”“In uw handen?”“Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet.”“Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af te dwingen.”“Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie hoofdmannen gevangengenomen.”“Zonder dat hun krijgslieden het merkten?”“Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen, zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old Shatterhand genoemd!”“Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben.”“Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?”Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde knoopen,vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien riem zien.“Oef!” riep de Oude Donder verschrikt. “De wampoen van de Gele Zon. Ik ken hem goed.”“En dezen hier?”Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.“De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook.”“En dezen derden wampoen?”Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte bijna stotterend: “Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?”“Ja.”“Waar zijn zij?”“In onze macht, terdege opgesloten.”“Aan het Zilvermeer?”“Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden, die later stellig ook hoofdmannen zullen worden.”“Wat zult gij met hen doen?”“Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!”“Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen, man tegen man.”“Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen, dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen.”“En den buit rekent gij niet.”“Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan, en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit, zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!”Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had nog meer kracht bij te zetten: “Uw hoofdmannen hebben ons naar het leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wijweten zeer goed, dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is.”Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige gestalte uit: en zei: “Pshaw! Waartoe al die woorden—wij hebben immers wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem geven, wat hem toekomt: Leven of dood!”Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: “Zoo spoedig kunnen wij geen besluit nemen.”“Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?”“Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met onze onderhebbenden spreken.”“Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u tegen onze vuisten helpen.”“Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen, wat er zal moeten geschieden.”“Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!”“Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!”Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de overigen volgden zijn voorbeeld.“Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!” bromde Old Firehand gemelijk.“Mijn broeder heeft te driftig gesproken,” zei Winnetou op zijn zachtzinnige manier. “Hij had Old Shatterhand verder moeten laten begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt om toe te geven.”Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het Lange Oor hun: “Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw drieën gegaan?”“Omdat wij dat voldoende achtten,” antwoordde Old Firehand norsch.“Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij.”“Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde er bij noodig.”Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien, hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim, Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd, door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard, die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok, dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen, maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke overrompeling teverijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden, die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen vóór hem was. Weer rolde er een steen—naast hem dook iets donkers op, voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan; hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: “Wij hebben het Lange Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!”De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging, welke hij ondervonden had.“Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken, wanneer ik hem de prop uit den mond neem,” vervolgde de andere.De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch de Oude Donder gaf hem de vermaning: “Als gij luid spreekt, zult gij sterven.Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!”Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.“Ik haat en veracht deze bleekgezichten,” antwoordde hij. “Als gij mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen.”“En de Beren ook?”“Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven.”“Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?”“Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben.”“Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen.”“Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen, dan gij nu kunt vermoeden.”“Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze hoofdmannen gevangen houden!”“Dat is waar. Ik heb hen gezien.”“Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest, want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?”“In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt.”“Door wie worden zij bewaakt?”“Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is.”“Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en beroemde krijgslieden! Gij liegt!”“Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid zijn.”“Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden bevinden zich op den oever?”“Niet één.”“Man! waar is uw verstand?”“Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest, anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen ulieden te vechten.”“Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?”“Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk naar het meer kunt komen.”“Is dat dan mogelijk?”“Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen.”“Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er nog een andere?”“Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen.”“Waar is dat pad?”“Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt, waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den Grooten Beer gereden.”“En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?”“Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten intusschen aangekomen zijn.”“Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer te bereiken?”“Drie uur.”“Dat is lang, zeer lang!”“Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en.....”Hij bleef steken.“En.... spreek verder!”“En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een gevonden is.”“Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder is er toch niets bij hen te vinden?”“Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen, goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte.”“Wie heeft u dat wijsgemaakt?”“Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken zij over die onmetelijke schatten.”“Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?”“Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze daar in veiligheid gebracht.”“Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog, hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten leegscheppen?”“Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep, en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met steenen volgestopt.”“Is dat alles waar?”“Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt op den bodem van hetmeer naar het eilandje, naar den toren, in welks onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen, om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend; dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon, en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen.”“Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten eens konden laten verzuipen!”“Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden omkomen.”“Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?”“Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom zalikkrijgen?”“Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren.”De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep, en werd vrij helder beschenen.Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen, toendeUtahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren, viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.“De bleekgezichten zijn niet meer in den canon,” rapporteerden zij. “Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten.”Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht, dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in, dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen niet kon koesteren, en voegde er bij: “De bleekgezichten, die veel zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis van den canon en zijn naar het meer opgerukt,waar zij dachten niet door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal, dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus, vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren; doch gij zult hen in den rug aanvallen.“Hoe is dat mogelijk?”“Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano’s, waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel.”“Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt ons in de gang. Wijs ons den weg!”De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen tegen de rots.“Die steenen moeten weg,” zei de Timbabatsj, “dan zult gij de opening zien.”De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in, en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (= prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak die aan. Daarop begaf men zich de gang in.De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het water van het meer.Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam, waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.“Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn,” zei het Lange Oor. “Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten, waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?”“Ja,” antwoordde de Oude Donder. “Maar lang moeten wij ons daarmee niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben.”Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking; deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren, eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die naar boven leidden; zij gaven slechtsplaatsruimte voor één persoon; daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet, gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen, die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg, om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel, dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen; zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander—tevergeefs.Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping, waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.“Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!” gebood de hoofdman der Utahs aan den Timbabatsj.Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het waterintusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige, zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich, en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood te schieten; dat ziende riep hij uit: “Houdt op, want anders werp ik het licht in het water,en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien, waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen.” Dit hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.“Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!” antwoordde de Oude Donder. “Later zult gij er voor boeten!”De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben, wanneer de Utahs in het wateromkwamen. Daarom bleef hij staan toen hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij het hoofd Van den Ouden Donder.“Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken,” riep hij hem toe. “Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug in het water!”Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen, want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: “Halt, blijf beneden, anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!”Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.“Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!” antwoordde hij in doodsangst.“Wie zijt gij dan?”“Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen.”“O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den doodverdiend, want gij zijt een afvallige, een verrader.”“Neen, neen! Gij vergist u!”“Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij verdrinken juist zooals zij verdronken zijn.”“Ik heb niets verraden!” betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij stond reeds tot aan zijn knieën in het water.“Lieg niet!”“Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!”“Neen, gij blijft beneden!”Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand: “Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij zal zijn schuld bekennen.”“Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!” verzekerde het Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.“Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor dankbaar zult betoonen.”“Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt, en ik zal het doen!”“Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!”De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor de openstaandedeur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan, zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst, doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: “Voort, voort, naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!”“Blijf maar hier!” antwoordde de Groote Beer. “Gij hebt van het water niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt.”Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had, was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs naderbij zouden sluipen.Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman weggeslopen was.“Waar naar toe?”“Naar de Utahs. Hij is nog niet terug.”“Hoe lang is hij weg?”“Sedert ongeveer een uur.”“Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien.”De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door, zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging, dat de Utahs verdwenen waren.“Zij hebben hem stellig ingepakt,” zei de Groote Beer; “hij heeft te veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan.”“En misschien ook met ons,” zei Old Shatterhand.“Hoe zoo met ons?”“Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij de hoofdman echter betrokken is.”“Welke reden kan dat zijn?’“Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad.”“Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit vijandig jegens ons gedragen.”“Dat is wel mogelijk; maar tochis hij de man niet, op wien ik mij zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?”“Ja.”“Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?”“Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest.”“Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer te komen.”“Waarom?”“Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben.”“Daartoe acht ik hem niet in staat!”“Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen.”“Dat denk ik ook,” zei Old Firehand.“Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk,” merkte Winnetou op. “Mijn broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen.”Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op, zoogoed als het in de duisternis gaan wilde.Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken, daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer blindelings vertrouwen mocht.Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats, van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden.Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk voor hen verzwegen.Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer te spreken,en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid: “Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert mij reeds vroeger gezien te hebben.”De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen: “Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar ik herken hem toch.”“Welnu, wie ben ik dan?”“Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader, die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf.”“Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel herinneren zal.”“Ik weet het,” zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde.“Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een schat, die hier verborgen ligt.”“Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak, dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim, dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen.”“Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?”“Dat kan ik u niet verbieden.”“Wij hebben een teekening daarvan gehad.”“Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht.”“En mag ik niet weten waar?”“Neen.”“Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?”“Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen.”“Is dat u ernst?” vroeg Old Firehand.“Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken worden.”“Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven.”“Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen.”“Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?”“Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten.”“Kunt gij uw recht daarop bewijzen?”“Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangeneen papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik kan er mee doen, wat mij goeddunkt.”“En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier gekomen zijn?”“Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de Timbabatsjen is.”“Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij willen?”“Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen.”“Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!”“Doe het!”“Hebt gij er niets tegen?”“Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen.”“Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen.”“Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal wonen?”“Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt tot aan uw grenzen.”Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid aan, toen hij vroeg: “Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u.”“Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij water kunnen bekomen.”“Neemt dan water uit het meer!”“Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde.”“Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt.”“Mag ik een waterleiding aanleggen?”“Ja.”“Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?”“Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen; en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting.”“Ons karretje rijdt op een zandweg,” fluisterde Hobble-Frank tegen zijn neef. “Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij spoedig Crassussen worden.”“Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest, die zoo schatrijk was?”“Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!”Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen, vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen, en wachtten in spanning wat er komen zou.Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich, die zij met argus-oogen bespiedden.“Zeg,” fluisterde Frank, “beweegt zich niet iets daar links van het houtgewas?”“Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn.”“Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben van een puikpuik geweer.”Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het schot uit Frank’s geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst getroffen, neer. Zijn beide kameradensnelden naar hem toe, om hem in veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet; zij verdwenen met den doode.Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte: “De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen.”“Een gat?” vroeg de Beer verschrikt. “Dan kennen zij de onderaardsche gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij mee!Ik moet zien, of het waar is.”Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon, onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd, en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche gang ingingen.“Ja, zij kennen mijn geheim,” zei de Groote Beer. “Zij willen naar het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn schatten meestermaken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien.”Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt, waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen, die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een dier steenen, en zeide: “Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort.”“Waarom moet het rotsblok het water in?” vroeg Winnetou.“Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen; ik moet weg. Gauw.”Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging, grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal, en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout; dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand.“Nu moeten mijn broeders luisteren!” zei hij, met de hand in de richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven.Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water, en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte.“Het is gelukt!” riep de Groote Beer, diep adem scheppende. “De Utahs zijn verloren. Komt mee naar binnen!”Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen, op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar, waarboven de Beer luisterde.“Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen,” zei hij. “Nu moet gauw het water er in!”Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer, en zei: “Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken, en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb.”“Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!” riep Shatterhand.“Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!”“Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?”“Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij daarbeneden gezien heeft.”“Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!”“Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder water. Komt even binnen!”De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen.“Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?” vroeg Old Shatterhand. “Die verdrinken immers ook!”“Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk, moeten wij hen er uit halen. Luister!”Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid, of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten, en de trechtervormige draaikolk was verdwenen.Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon: “Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?”“Ja,” bekende de andere.“Wie heeft dat aan u verraden?”“Gij zelf.”“Dat is niet waar!”“Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert gij u dat?”“Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan praten. Wij dachten dat wij alleen waren.”“Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop teverwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander.”“En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen te verraden!”“Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland gesproken.”“Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u verdwenenwas, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien, wat beneden in het eiland lag?”“Ja.”“En hebt gij de pakketten geopend?”“Maar één er van.”“En wat zat daarin?”“Een god, van zuiver goud vervaardigd.”“Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat denkt gij wel dat gij verdiend hebt?”De Timbabatsj zweeg.“Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij doet wat ik van u verlang.”“Wat verlangt gij?”“Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt.”“Ik ben bereid te zweren.”“Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het meer loopt.”“Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut; wij kunnen er geen paard laten grazen.”“Nu, wat vraagt gij er voor?”“Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken.”“Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij zelf dan moeten bepalen. Daarom zaliku nu maar zeggen, wat gij moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit, tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?”“Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen.”“Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet, dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde moeten brengen, anders verdrinken die ook nog.”Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd, dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die zijde denkelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer moeten duren, of de Utahs waren verdronken.Zij werden in de kano’s naar den overkant gebracht, en onder de bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet terug hadden getrokken.Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen, toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen.De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen, die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut, of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de ramp waren omgekomen.Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij elkander waren, zei Old Shatterhand: “Weet gij, dat wij verscheiden van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?”“Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen,” antwoordde de aangesprokene somber.“En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang binnengedrongen waren, gebeurd is?’“Neen.”“De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen; zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet, dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u bij de hoofdmannenbrengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar hier terugkeeren.”De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: “Old Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee.”Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest om hen tot vrede-sluiten over te halen.De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen; zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen hulp meer te wachten hadden.Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten, dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen.Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten slotte de vredespijp de ronde deed.Het resultaat was een “eeuwige” vrede tusschen alle partijen; boetedoening werd van niemand verlangd:—de gevangenen werden op vrije voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn.Hierop volgde een groote jacht, die tot ’s avonds duurde en een rijken buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in te slapen.Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had, die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn.Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had; hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd alles vergeven.Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep; pas den morgen daarna ging men van elkander af.De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding, dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat nu nog gedaan moestworden, was den gesloten koop door de bevoegde overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen.Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk, de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen op avonturen in de bergen uit te gaan.Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariëele akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop hij aanspraak had.
“Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet,” viel Old Shatterhand hem in de rede. “Maar de bleekgezichten drukken zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen.”
Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd, half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: “De Oude Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!”
“Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maarwijwillen over den dag van heden spreken. En daarikdegene ben, die u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!”
Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom vervolgde hij: “Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent gij ook de beide krijgslieden, diehier naastmij zitten?”
“Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen.”
“Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem, zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?”
“Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt.”
“Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden.”
“Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?”
“Weder louter, om ons eigen leven te redden.”
“En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze vijanden zijn.”
“Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten.”
“Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst.”
“Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen het als onzen plicht, u vrede aan te bieden.”
“Wij zijn de overwinnaars.”
“Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven, zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal.”
“Wat weet gij daarvan?”
“Alles. Wij hebben hun lijken begraven.”
“Zijt gij dan daar geweest?”
“Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen hebt.”
“Dat is onmogelijk; dat is niet waar.”
“Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der Utahs, die er bij geweest zijn.”
“Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen.”
“Waarheen?”
“Weten wij dat?”
“Zijn zij door de Navajos gedood?”
“Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren; maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos.”
“Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!”
“De Groote Geest heeft hen tot zich genomen.”
“Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd.”
“In uw handen?”
“Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet.”
“Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af te dwingen.”
“Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie hoofdmannen gevangengenomen.”
“Zonder dat hun krijgslieden het merkten?”
“Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen, zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old Shatterhand genoemd!”
“Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben.”
“Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?”
Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde knoopen,vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien riem zien.
“Oef!” riep de Oude Donder verschrikt. “De wampoen van de Gele Zon. Ik ken hem goed.”
“En dezen hier?”
Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.
“De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook.”
“En dezen derden wampoen?”
Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte bijna stotterend: “Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?”
“Ja.”
“Waar zijn zij?”
“In onze macht, terdege opgesloten.”
“Aan het Zilvermeer?”
“Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden, die later stellig ook hoofdmannen zullen worden.”
“Wat zult gij met hen doen?”
“Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!”
“Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen, man tegen man.”
“Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen, dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen.”
“En den buit rekent gij niet.”
“Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan, en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit, zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!”
Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had nog meer kracht bij te zetten: “Uw hoofdmannen hebben ons naar het leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wijweten zeer goed, dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is.”
Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige gestalte uit: en zei: “Pshaw! Waartoe al die woorden—wij hebben immers wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem geven, wat hem toekomt: Leven of dood!”
Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: “Zoo spoedig kunnen wij geen besluit nemen.”
“Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?”
“Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met onze onderhebbenden spreken.”
“Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u tegen onze vuisten helpen.”
“Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen, wat er zal moeten geschieden.”
“Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!”
“Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!”
Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de overigen volgden zijn voorbeeld.
“Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!” bromde Old Firehand gemelijk.
“Mijn broeder heeft te driftig gesproken,” zei Winnetou op zijn zachtzinnige manier. “Hij had Old Shatterhand verder moeten laten begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt om toe te geven.”
Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het Lange Oor hun: “Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw drieën gegaan?”
“Omdat wij dat voldoende achtten,” antwoordde Old Firehand norsch.
“Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij.”
“Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde er bij noodig.”
Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien, hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim, Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd, door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard, die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok, dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.
Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen, maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke overrompeling teverijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.
Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden, die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.
Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen vóór hem was. Weer rolde er een steen—naast hem dook iets donkers op, voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan; hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.
Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: “Wij hebben het Lange Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!”
De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging, welke hij ondervonden had.
“Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken, wanneer ik hem de prop uit den mond neem,” vervolgde de andere.
De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch de Oude Donder gaf hem de vermaning: “Als gij luid spreekt, zult gij sterven.Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!”
Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.
“Ik haat en veracht deze bleekgezichten,” antwoordde hij. “Als gij mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen.”
“En de Beren ook?”
“Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven.”
“Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?”
“Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben.”
“Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen.”
“Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen, dan gij nu kunt vermoeden.”
“Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze hoofdmannen gevangen houden!”
“Dat is waar. Ik heb hen gezien.”
“Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest, want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?”
“In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt.”
“Door wie worden zij bewaakt?”
“Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is.”
“Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en beroemde krijgslieden! Gij liegt!”
“Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid zijn.”
“Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden bevinden zich op den oever?”
“Niet één.”
“Man! waar is uw verstand?”
“Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest, anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen ulieden te vechten.”
“Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?”
“Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk naar het meer kunt komen.”
“Is dat dan mogelijk?”
“Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen.”
“Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er nog een andere?”
“Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen.”
“Waar is dat pad?”
“Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt, waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den Grooten Beer gereden.”
“En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?”
“Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten intusschen aangekomen zijn.”
“Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer te bereiken?”
“Drie uur.”
“Dat is lang, zeer lang!”
“Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en.....”
Hij bleef steken.
“En.... spreek verder!”
“En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een gevonden is.”
“Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder is er toch niets bij hen te vinden?”
“Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen, goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte.”
“Wie heeft u dat wijsgemaakt?”
“Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken zij over die onmetelijke schatten.”
“Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?”
“Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze daar in veiligheid gebracht.”
“Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog, hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten leegscheppen?”
“Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep, en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met steenen volgestopt.”
“Is dat alles waar?”
“Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt op den bodem van hetmeer naar het eilandje, naar den toren, in welks onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen, om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend; dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon, en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen.”
“Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten eens konden laten verzuipen!”
“Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden omkomen.”
“Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?”
“Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom zalikkrijgen?”
“Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren.”
De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep, en werd vrij helder beschenen.
Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen, toendeUtahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren, viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.
“De bleekgezichten zijn niet meer in den canon,” rapporteerden zij. “Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten.”
Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht, dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in, dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen niet kon koesteren, en voegde er bij: “De bleekgezichten, die veel zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis van den canon en zijn naar het meer opgerukt,waar zij dachten niet door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal, dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus, vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren; doch gij zult hen in den rug aanvallen.
“Hoe is dat mogelijk?”
“Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano’s, waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel.”
“Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt ons in de gang. Wijs ons den weg!”
De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen tegen de rots.
“Die steenen moeten weg,” zei de Timbabatsj, “dan zult gij de opening zien.”
De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in, en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (= prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak die aan. Daarop begaf men zich de gang in.
De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het water van het meer.
Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam, waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.
“Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn,” zei het Lange Oor. “Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten, waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?”
“Ja,” antwoordde de Oude Donder. “Maar lang moeten wij ons daarmee niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben.”
Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking; deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren, eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die naar boven leidden; zij gaven slechtsplaatsruimte voor één persoon; daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.
Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet, gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen, die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg, om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel, dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen; zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander—tevergeefs.
Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping, waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.
“Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!” gebood de hoofdman der Utahs aan den Timbabatsj.
Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het waterintusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige, zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.
Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich, en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood te schieten; dat ziende riep hij uit: “Houdt op, want anders werp ik het licht in het water,en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien, waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen.” Dit hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.
“Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!” antwoordde de Oude Donder. “Later zult gij er voor boeten!”
De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben, wanneer de Utahs in het wateromkwamen. Daarom bleef hij staan toen hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij het hoofd Van den Ouden Donder.
“Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken,” riep hij hem toe. “Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug in het water!”
Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen, want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.
Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: “Halt, blijf beneden, anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!”
Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.
“Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!” antwoordde hij in doodsangst.
“Wie zijt gij dan?”
“Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen.”
“O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den doodverdiend, want gij zijt een afvallige, een verrader.”
“Neen, neen! Gij vergist u!”
“Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij verdrinken juist zooals zij verdronken zijn.”
“Ik heb niets verraden!” betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij stond reeds tot aan zijn knieën in het water.
“Lieg niet!”
“Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!”
“Neen, gij blijft beneden!”
Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand: “Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij zal zijn schuld bekennen.”
“Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!” verzekerde het Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.
“Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor dankbaar zult betoonen.”
“Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt, en ik zal het doen!”
“Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!”
De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor de openstaandedeur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan, zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst, doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: “Voort, voort, naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!”
“Blijf maar hier!” antwoordde de Groote Beer. “Gij hebt van het water niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt.”
Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had, was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs naderbij zouden sluipen.
Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman weggeslopen was.
“Waar naar toe?”
“Naar de Utahs. Hij is nog niet terug.”
“Hoe lang is hij weg?”
“Sedert ongeveer een uur.”
“Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien.”
De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door, zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging, dat de Utahs verdwenen waren.
“Zij hebben hem stellig ingepakt,” zei de Groote Beer; “hij heeft te veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan.”
“En misschien ook met ons,” zei Old Shatterhand.
“Hoe zoo met ons?”
“Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij de hoofdman echter betrokken is.”
“Welke reden kan dat zijn?’
“Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad.”
“Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit vijandig jegens ons gedragen.”
“Dat is wel mogelijk; maar tochis hij de man niet, op wien ik mij zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?”
“Ja.”
“Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?”
“Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest.”
“Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer te komen.”
“Waarom?”
“Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben.”
“Daartoe acht ik hem niet in staat!”
“Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen.”
“Dat denk ik ook,” zei Old Firehand.
“Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk,” merkte Winnetou op. “Mijn broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen.”
Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op, zoogoed als het in de duisternis gaan wilde.
Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken, daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer blindelings vertrouwen mocht.
Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats, van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden.
Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk voor hen verzwegen.
Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer te spreken,en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid: “Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert mij reeds vroeger gezien te hebben.”
De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen: “Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar ik herken hem toch.”
“Welnu, wie ben ik dan?”
“Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader, die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf.”
“Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel herinneren zal.”
“Ik weet het,” zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde.
“Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een schat, die hier verborgen ligt.”
“Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak, dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim, dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen.”
“Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?”
“Dat kan ik u niet verbieden.”
“Wij hebben een teekening daarvan gehad.”
“Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht.”
“En mag ik niet weten waar?”
“Neen.”
“Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?”
“Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen.”
“Is dat u ernst?” vroeg Old Firehand.
“Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken worden.”
“Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven.”
“Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen.”
“Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?”
“Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten.”
“Kunt gij uw recht daarop bewijzen?”
“Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangeneen papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik kan er mee doen, wat mij goeddunkt.”
“En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier gekomen zijn?”
“Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de Timbabatsjen is.”
“Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij willen?”
“Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen.”
“Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!”
“Doe het!”
“Hebt gij er niets tegen?”
“Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen.”
“Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen.”
“Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal wonen?”
“Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt tot aan uw grenzen.”
Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid aan, toen hij vroeg: “Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u.”
“Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij water kunnen bekomen.”
“Neemt dan water uit het meer!”
“Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde.”
“Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt.”
“Mag ik een waterleiding aanleggen?”
“Ja.”
“Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?”
“Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen; en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting.”
“Ons karretje rijdt op een zandweg,” fluisterde Hobble-Frank tegen zijn neef. “Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij spoedig Crassussen worden.”
“Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest, die zoo schatrijk was?”
“Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!”
Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen, vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen, en wachtten in spanning wat er komen zou.
Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich, die zij met argus-oogen bespiedden.
“Zeg,” fluisterde Frank, “beweegt zich niet iets daar links van het houtgewas?”
“Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn.”
“Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben van een puikpuik geweer.”
Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het schot uit Frank’s geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst getroffen, neer. Zijn beide kameradensnelden naar hem toe, om hem in veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet; zij verdwenen met den doode.
Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte: “De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen.”
“Een gat?” vroeg de Beer verschrikt. “Dan kennen zij de onderaardsche gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij mee!Ik moet zien, of het waar is.”
Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon, onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd, en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche gang ingingen.
“Ja, zij kennen mijn geheim,” zei de Groote Beer. “Zij willen naar het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn schatten meestermaken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien.”
Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt, waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen, die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een dier steenen, en zeide: “Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort.”
“Waarom moet het rotsblok het water in?” vroeg Winnetou.
“Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen; ik moet weg. Gauw.”
Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging, grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal, en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout; dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand.
“Nu moeten mijn broeders luisteren!” zei hij, met de hand in de richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven.
Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water, en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte.
“Het is gelukt!” riep de Groote Beer, diep adem scheppende. “De Utahs zijn verloren. Komt mee naar binnen!”
Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen, op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar, waarboven de Beer luisterde.
“Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen,” zei hij. “Nu moet gauw het water er in!”
Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer, en zei: “Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken, en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb.”
“Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!” riep Shatterhand.
“Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!”
“Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?”
“Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij daarbeneden gezien heeft.”
“Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!”
“Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder water. Komt even binnen!”
De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen.
“Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?” vroeg Old Shatterhand. “Die verdrinken immers ook!”
“Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk, moeten wij hen er uit halen. Luister!”
Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid, of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten, en de trechtervormige draaikolk was verdwenen.
Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon: “Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?”
“Ja,” bekende de andere.
“Wie heeft dat aan u verraden?”
“Gij zelf.”
“Dat is niet waar!”
“Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert gij u dat?”
“Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan praten. Wij dachten dat wij alleen waren.”
“Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop teverwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander.”
“En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen te verraden!”
“Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland gesproken.”
“Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u verdwenenwas, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien, wat beneden in het eiland lag?”
“Ja.”
“En hebt gij de pakketten geopend?”
“Maar één er van.”
“En wat zat daarin?”
“Een god, van zuiver goud vervaardigd.”
“Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat denkt gij wel dat gij verdiend hebt?”
De Timbabatsj zweeg.
“Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij doet wat ik van u verlang.”
“Wat verlangt gij?”
“Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt.”
“Ik ben bereid te zweren.”
“Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het meer loopt.”
“Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut; wij kunnen er geen paard laten grazen.”
“Nu, wat vraagt gij er voor?”
“Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken.”
“Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij zelf dan moeten bepalen. Daarom zaliku nu maar zeggen, wat gij moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit, tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?”
“Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen.”
“Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet, dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde moeten brengen, anders verdrinken die ook nog.”
Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd, dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die zijde denkelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer moeten duren, of de Utahs waren verdronken.
Zij werden in de kano’s naar den overkant gebracht, en onder de bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet terug hadden getrokken.
Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen, toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen.
De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen, die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut, of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de ramp waren omgekomen.
Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij elkander waren, zei Old Shatterhand: “Weet gij, dat wij verscheiden van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?”
“Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen,” antwoordde de aangesprokene somber.
“En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang binnengedrongen waren, gebeurd is?’
“Neen.”
“De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen; zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet, dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u bij de hoofdmannenbrengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar hier terugkeeren.”
De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: “Old Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee.”
Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest om hen tot vrede-sluiten over te halen.
De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen; zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen hulp meer te wachten hadden.
Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten, dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen.
Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten slotte de vredespijp de ronde deed.
Het resultaat was een “eeuwige” vrede tusschen alle partijen; boetedoening werd van niemand verlangd:—de gevangenen werden op vrije voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn.
Hierop volgde een groote jacht, die tot ’s avonds duurde en een rijken buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in te slapen.
Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had, die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn.
Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had; hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd alles vergeven.
Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep; pas den morgen daarna ging men van elkander af.
De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding, dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat nu nog gedaan moestworden, was den gesloten koop door de bevoegde overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen.
Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk, de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen op avonturen in de bergen uit te gaan.
Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariëele akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop hij aanspraak had.