NEGENDE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.LIST EN TEGENLIST.Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam “Charles Charoy, Ingenieur.” Daarheen reden de twee; zij stegen af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard vastgebonden stond.“Oef!” zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een kenner bekeek. “Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden.”Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam daar een nog jeugdig uitziende blankete voorschijn, die den Apache aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.“Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?” vroeg hij, terwijl hij voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.“Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.“Well, dat benik. Weest zoo goed, en komt binnen.”Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon: “Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ...”“Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend,” viel de ingenieur hem in de rede.“Is dat u reeds bekend, sir?” vroeg de Roodhuid. “Hebt gij mij dan al meer gezien?”“Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast te willen zijn.”De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: “Kent gij een bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?”“Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden,” was het antwoord.“En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?”“Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet bezocht.”“Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen.”“Hoe zoo dat?”“Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt, zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij in hun schild voeren.”“Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?” zei Charoy schertsend, met een lachje.“Misschien ook dat wel,” antwoordde Winnetou ernstig.“En niet alleen u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps.”“Voor tramps?” vroeg de ingenieur schielijk. “O, dat verandert. Ik heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze kas gemunt.”“Van wien hebt gij dat vernomen?”“Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik hem aan u voorstel in persoon.”Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!Blz.177.Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen, zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde aandoening: “Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In hoe lang hebben wij elkander niet gezien!”“Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak,” antwoordde de Indiaan, “toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen zijt in een zee van mist!”“En gij hebt mij niet aangeroepen!”“De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een stormwind over de vlakte waart gij voorbij.”“Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht, dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de tweehonderd tramps in aantocht.”“Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders, die door hen vooruit zijn gezonden.”“Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den steel zit?”“De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal.”Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te voren beleefd had.Daarna deeldeOld Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters, en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager: “Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk toch in mijn handen zal krijgen.”“Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden,” zei de ingenieur wrevelig. “Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de uitbetaling doe aan mijncollega’s. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen.”“Waan u maar niet al te veilig!” waarschuwde Old Firehand. “Tweehonderd desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen.”“Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote duizend baanwerkers bijeen hebben.”“Die goed gewapend zijn?”“Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen messen en spaden óók nog dienst doen.”“Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording zou nemen.”“Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal soldaten, om ons te helpen.”“Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?”“Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij aanraadt. Gij zijt een heel ander man, danikben; en als gij wilt ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn ondergeschikten aan u af te staan.”“Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd zijt. Zij moeten dus niet weten datwijons hier bevinden. Ook onze paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?”“Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!”“Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?”“Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid brengen en goed verzorgen.”“Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is, geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een dokter hier?”“O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen.”Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd waren, zeide Old Firehand: “Ik heb alle beraadslaging in bijzijn van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons op elkaar kunnen verlaten.”“Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?” vroeg de ingenieur met merkbare belangstelling.“Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen uitgezonden spionnen met u gesproken hebben.”“Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben.”Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een ander gevoelen was, en zei: “Ieder krijgsman kan op tweeërlei manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller, zekerder en ook dapperder.”“Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel niet weten?” vroeg Old Firehand.“Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman der Apachen zich laten dwingen om naarhunplan te werk te gaan, indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne te regelen?”“O, gij hebt dus reeds een plan?”“Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?”“Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?”“Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen, is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen, in het minst of geringst gemoeid hebben.”“O, nu begin ik het te begrijpen!” sprak Old Firehand. “Welk een plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?”“Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan, en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken.”“Hen in een trein lokken?” vroeg de ingenieur. “Waar zou dat toe dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op den beganen grond.“Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten,” hernam Old Firehand. “Stormen zij daarentegen den trein in, zooals ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zichmoetenovergeven, zonder ons te kunnen schaden.”“Maar zij zullen den trein niet ingaan!”“Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas.”“Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?”Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging met de hand; doch Old Firehand antwoordde: “Wie denkt er aan, dat van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens, dan gaat hetfull speed(= met vollen stoom) voort met hen.”“Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk als gij denkt.”“Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen trein te uwer beschikking?”“O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet aan te twijfelen.”“Pshaw!Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken, want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?”“Natuurlijk.”“Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken.”De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: “Gij spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En hoe krijgen wij hen er in?”“Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid.”“Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den trein te doen ontsporen?”“Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt, dater aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord kunnen hooren, dat er gesproken wordt.”“Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand te spreken?”“Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendselnietaan het werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen, en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien, dat alles naar wensch gaat!”“Howgh!” bevestigde de Indiaan. “Mijn blanke broeders kunnen nu een geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal.”“Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?”“Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie.”“Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante Droll is óók bij hen.”“Oef!” riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een vroolijke plooi kwam. “Die Tante is een ferm, dapper en verstandig bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken.”“Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen vinden: Zwarten Tom,Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen, wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen.”Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen, waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad gehouden konworden; want die lieden mochten nog niet weten, dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte hij tevreden, en zei: “Dat is goed! De honden zullen sidderen van angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden.”Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk: “Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe maakt hij het?”Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen, die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en zei toen: “Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan, dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie, dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk; maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?”“Sir!” antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die blij is, “probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden over mij zult wezen.”“Well, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld, dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok tien slaat ’s avonds, wordt mijn deur gesloten.”“Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het tot nu toe gewend geweest,” verzekerde de man, die zichtbaar verheugd was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij: “Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou u ook voor hem misschien eenig werk hebben?”“Wat soort van werk?”“Om het even wat, sir!” antwoordde de andere bescheiden. “Ik zal al blij zijn, als ik maarietste doen krijg.”“Hoe is uw naam?”“Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt.”“Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?“Ik ben langcow-boy(= koeien-hoeder) geweest op een boerderij hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven, dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken om te werken, als u mij eenig werk geven wilt.”“Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!”De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond, hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen den andere zei: “All right(= alles in orde)! Als het einde zoo mooi is als het begin....”Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen, en zei: “Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand in een doek.’“Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?”“Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien, en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden.”“Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met anderen te houden.”Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde, maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen, dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland, ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht te nemen.Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.“Ezelskop!” bromde fluisterend een gemelijke stem; “maak dat licht toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan.”“Een ezelskop, die het mij zegt!” antwoordde de klerk. “Waarom komt gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug.”“Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?”“Ja, en wat goeds ook!”“Zoo?”“Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze u zien zullen.”Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals gemeenlijk wanneer men wacht, gingzeer langzaam om; maar hijging toch om. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak van voetstappen op den grond.“Faller!” fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.“Ja,” was het gefluisterde antwoord.“Waar staat gij? Ik zie u niet.”“Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam.”“Is alles donker in huis?”“Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?”“Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars; en dat loont de moeite niet.”“En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij dat dan gedroomd?”“Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal honderd duizend dollars er in!”“Gekheid!”“Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn.”“Weet ge dat zeker?”“Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog beter te vertrouwen dan zich zelf.”“Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?’“Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt.”“Is het tòch waar?”“En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan.”“Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?”“Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven.”“En die daartoe aangewezen ambtenaar, zultgijdat zijn?”“Ja. Engijmoet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met mij mee.”“Hoe zoo dat?”“De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen, kreegik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ikugekozen heb.”“Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet een beetje vreemd?”“Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want er is een maar bij.”“He! Een maar?”“Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar verbonden zijn.”“O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig genoeg gelegd?”“Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij, gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in hun schild voeren.”“Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden, en dan gaan wij met de dollars schuiven!”“Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen, en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht kunnen zijn ... en dat is hier!”“En denkt gij, dat dàt gelukken zou?”“O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten.”“Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend.”“Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te hebben. Geef dus uw paard goed de sporen—al rijdt gij het dood, dat hindert niet!”“En wat moet ik zeggen?”“Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om aan tegenweer te denken.”“Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen.”“Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid, en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had ik dan ook al de dollars alleen.”“Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten te spelen?”“Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden.”“Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met een brief stuur....”“Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?” viel de klerk hem in de rede. “Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven, en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg.”“Goed!”“Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen, waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben; er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij legt er een steen boven op—daar zal niemand erg in hebben.”“Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen.”“Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen, of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik, dat ik het daar vinden kan. Begrepen?’“Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?’“Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!”De ander zei ook “goedennacht”, en spoedde zich weg. Het raam werd zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem: “Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur.”“Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!”Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer; maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken, en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was, en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen, dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer dat over zijn schouder hing.“He, Humply-Bill!” zei hij op een toon van bevreemding. En ter opheldering liet hij er op volgen: “Er is stellig onverwachts iets bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop, dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij.”De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill het huis binnen.“Neem mij niet kwalijk sir!” zei hij. “Ik lees daar op dat bord, dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?”“O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen.”Hij bracht hem in Old Firehand’s kamer, die den kleine ontving met de vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. “Wees gerust, sir! het is geen doodwond,” antwoordde Bill. “Misschien is hetintegendeeliets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan hebben opgemerkt.”“Goed!” knikte Old Firehand. “En wat is er gebeurd?”“Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden man in hun midden te zien....”“Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig niet heel goed verscholen?”“Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden, begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde, maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet: er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten en dol maakte van blijdschap.”“Aha, Faller!”“Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden.”“Dat is richtig.”“Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik, waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat hij naar hen toe is, om het hun te vertellen.”“Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een deel van ons plan.”“Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop besloten is?”“Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn.”“Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten, want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond wel te hooren was. Fallerheeft een slecht paard, en zal dus stellig pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat Winnetou mij naar u toe gezonden heeft.”“Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel meedeelen.”Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill luisterde aandachtig, en zei toen: “Uitstekend sir! Ik denk dat alles precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één kleinigheid na.”“En dat is?”“De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel, dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen op de openliggende lijn te stoppen.”“Weet gij ook waar?”“Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?”“Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden post moeten vatten?“Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug.”“Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan volgt de rest vanzelf.”Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken, en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan, inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog, en deze hield zich even bij de regenton op.“Ontvang hem op uw kantoor,” zeide Old Firehand, “en houd hem daar aan den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen, dat hij terugbrengt.”De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte; hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg: “Weet gij wie ik ben, master Faller?”“Neen,” was het antwoord.“Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?”Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: “Wees zoo goed, sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is; maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug.”De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig touw, aan de leuning van den stoel vast.“Sir?” sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit; “wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!”“Zwijg!” gebood de jager, meteen de revolver grijpende. “Als ik uw geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u een kogel door den kop!”De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem, om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan, maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.“Master Haller! wilt gij even binnenkomen?” vroeg hij hem.De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem verried van zijn inwendige ontroering. “Wat is dat voor een papier, dat gij daar in uw zak gestoken hebt?” vroeg Old Firehand.“Een oud winkelzakje,” antwoordde de tramp.“Zoo? Laat het mij eens even zien!”De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: “Hoe komt het in u op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas over mijn eigen zak, geloof ik.”“Gij kent hem wel degelijk,” viel de ingenieur in de rede. “Het is Old Firehand!”“Old Fire....” riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.“Ja, ik ben het!” bevestigde deze. “Hier hebt gij mij stellig niet verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!”Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten, eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver, die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.“Sir!” vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; “met welk recht behandelt gij mij zoo?”“In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn bevoegdheid aan mij opgedragen.”“In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een dief behandelt?”“Als een dief?Pshaw!Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein, waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer zou worden.”“Sir! versta ik u wel goed?” riep de kerel met een goed gehuichelde verbazing. “Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?”“Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd moet worden.”“Door wien dan?”“Door u!”“Door mij?” En de tramp schoot in den lach. “Neem mij niet kwalijk, Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers, een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn.”“Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein wilden halen.”Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: “Van al die dingen weet ik niemendal.”“En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten.”“Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!”“Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet, om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen, om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen.”“Sir!” stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst te verbergen, “als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden, waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben een eerlijk mensch, en.....”“Zwijg!” gebood Old Firehand. “Een eerlijk mensch moordt niet!”“Wilt gij daarmee zeggen, datikgemoord heb?”“Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?”“Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen,” stotterde de tramp.“Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden.”Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht, waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep: “Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?”“Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in handen krijgen!”antwoordde Old Firehand. “De kerels ontkennen alles!”“Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden op doen. Ik hoop, datmijnwoord geloofwaardiger is dan het hunne?”“Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebbenbewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden hebben!”“Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?”“Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen.”Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer; zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten, die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag, en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten, als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt, waar die zou worden overgenomen.Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace, dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden, om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.

NEGENDE HOOFDSTUK.LIST EN TEGENLIST.Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam “Charles Charoy, Ingenieur.” Daarheen reden de twee; zij stegen af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard vastgebonden stond.“Oef!” zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een kenner bekeek. “Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden.”Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam daar een nog jeugdig uitziende blankete voorschijn, die den Apache aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.“Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?” vroeg hij, terwijl hij voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.“Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.“Well, dat benik. Weest zoo goed, en komt binnen.”Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon: “Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ...”“Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend,” viel de ingenieur hem in de rede.“Is dat u reeds bekend, sir?” vroeg de Roodhuid. “Hebt gij mij dan al meer gezien?”“Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast te willen zijn.”De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: “Kent gij een bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?”“Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden,” was het antwoord.“En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?”“Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet bezocht.”“Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen.”“Hoe zoo dat?”“Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt, zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij in hun schild voeren.”“Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?” zei Charoy schertsend, met een lachje.“Misschien ook dat wel,” antwoordde Winnetou ernstig.“En niet alleen u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps.”“Voor tramps?” vroeg de ingenieur schielijk. “O, dat verandert. Ik heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze kas gemunt.”“Van wien hebt gij dat vernomen?”“Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik hem aan u voorstel in persoon.”Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!Blz.177.Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen, zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde aandoening: “Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In hoe lang hebben wij elkander niet gezien!”“Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak,” antwoordde de Indiaan, “toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen zijt in een zee van mist!”“En gij hebt mij niet aangeroepen!”“De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een stormwind over de vlakte waart gij voorbij.”“Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht, dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de tweehonderd tramps in aantocht.”“Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders, die door hen vooruit zijn gezonden.”“Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den steel zit?”“De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal.”Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te voren beleefd had.Daarna deeldeOld Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters, en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager: “Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk toch in mijn handen zal krijgen.”“Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden,” zei de ingenieur wrevelig. “Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de uitbetaling doe aan mijncollega’s. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen.”“Waan u maar niet al te veilig!” waarschuwde Old Firehand. “Tweehonderd desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen.”“Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote duizend baanwerkers bijeen hebben.”“Die goed gewapend zijn?”“Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen messen en spaden óók nog dienst doen.”“Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording zou nemen.”“Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal soldaten, om ons te helpen.”“Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?”“Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij aanraadt. Gij zijt een heel ander man, danikben; en als gij wilt ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn ondergeschikten aan u af te staan.”“Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd zijt. Zij moeten dus niet weten datwijons hier bevinden. Ook onze paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?”“Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!”“Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?”“Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid brengen en goed verzorgen.”“Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is, geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een dokter hier?”“O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen.”Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd waren, zeide Old Firehand: “Ik heb alle beraadslaging in bijzijn van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons op elkaar kunnen verlaten.”“Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?” vroeg de ingenieur met merkbare belangstelling.“Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen uitgezonden spionnen met u gesproken hebben.”“Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben.”Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een ander gevoelen was, en zei: “Ieder krijgsman kan op tweeërlei manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller, zekerder en ook dapperder.”“Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel niet weten?” vroeg Old Firehand.“Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman der Apachen zich laten dwingen om naarhunplan te werk te gaan, indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne te regelen?”“O, gij hebt dus reeds een plan?”“Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?”“Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?”“Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen, is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen, in het minst of geringst gemoeid hebben.”“O, nu begin ik het te begrijpen!” sprak Old Firehand. “Welk een plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?”“Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan, en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken.”“Hen in een trein lokken?” vroeg de ingenieur. “Waar zou dat toe dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op den beganen grond.“Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten,” hernam Old Firehand. “Stormen zij daarentegen den trein in, zooals ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zichmoetenovergeven, zonder ons te kunnen schaden.”“Maar zij zullen den trein niet ingaan!”“Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas.”“Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?”Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging met de hand; doch Old Firehand antwoordde: “Wie denkt er aan, dat van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens, dan gaat hetfull speed(= met vollen stoom) voort met hen.”“Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk als gij denkt.”“Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen trein te uwer beschikking?”“O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet aan te twijfelen.”“Pshaw!Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken, want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?”“Natuurlijk.”“Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken.”De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: “Gij spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En hoe krijgen wij hen er in?”“Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid.”“Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den trein te doen ontsporen?”“Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt, dater aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord kunnen hooren, dat er gesproken wordt.”“Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand te spreken?”“Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendselnietaan het werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen, en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien, dat alles naar wensch gaat!”“Howgh!” bevestigde de Indiaan. “Mijn blanke broeders kunnen nu een geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal.”“Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?”“Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie.”“Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante Droll is óók bij hen.”“Oef!” riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een vroolijke plooi kwam. “Die Tante is een ferm, dapper en verstandig bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken.”“Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen vinden: Zwarten Tom,Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen, wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen.”Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen, waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad gehouden konworden; want die lieden mochten nog niet weten, dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte hij tevreden, en zei: “Dat is goed! De honden zullen sidderen van angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden.”Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk: “Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe maakt hij het?”Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen, die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en zei toen: “Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan, dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie, dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk; maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?”“Sir!” antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die blij is, “probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden over mij zult wezen.”“Well, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld, dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok tien slaat ’s avonds, wordt mijn deur gesloten.”“Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het tot nu toe gewend geweest,” verzekerde de man, die zichtbaar verheugd was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij: “Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou u ook voor hem misschien eenig werk hebben?”“Wat soort van werk?”“Om het even wat, sir!” antwoordde de andere bescheiden. “Ik zal al blij zijn, als ik maarietste doen krijg.”“Hoe is uw naam?”“Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt.”“Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?“Ik ben langcow-boy(= koeien-hoeder) geweest op een boerderij hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven, dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken om te werken, als u mij eenig werk geven wilt.”“Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!”De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond, hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen den andere zei: “All right(= alles in orde)! Als het einde zoo mooi is als het begin....”Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen, en zei: “Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand in een doek.’“Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?”“Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien, en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden.”“Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met anderen te houden.”Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde, maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen, dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland, ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht te nemen.Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.“Ezelskop!” bromde fluisterend een gemelijke stem; “maak dat licht toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan.”“Een ezelskop, die het mij zegt!” antwoordde de klerk. “Waarom komt gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug.”“Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?”“Ja, en wat goeds ook!”“Zoo?”“Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze u zien zullen.”Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals gemeenlijk wanneer men wacht, gingzeer langzaam om; maar hijging toch om. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak van voetstappen op den grond.“Faller!” fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.“Ja,” was het gefluisterde antwoord.“Waar staat gij? Ik zie u niet.”“Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam.”“Is alles donker in huis?”“Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?”“Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars; en dat loont de moeite niet.”“En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij dat dan gedroomd?”“Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal honderd duizend dollars er in!”“Gekheid!”“Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn.”“Weet ge dat zeker?”“Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog beter te vertrouwen dan zich zelf.”“Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?’“Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt.”“Is het tòch waar?”“En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan.”“Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?”“Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven.”“En die daartoe aangewezen ambtenaar, zultgijdat zijn?”“Ja. Engijmoet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met mij mee.”“Hoe zoo dat?”“De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen, kreegik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ikugekozen heb.”“Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet een beetje vreemd?”“Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want er is een maar bij.”“He! Een maar?”“Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar verbonden zijn.”“O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig genoeg gelegd?”“Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij, gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in hun schild voeren.”“Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden, en dan gaan wij met de dollars schuiven!”“Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen, en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht kunnen zijn ... en dat is hier!”“En denkt gij, dat dàt gelukken zou?”“O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten.”“Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend.”“Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te hebben. Geef dus uw paard goed de sporen—al rijdt gij het dood, dat hindert niet!”“En wat moet ik zeggen?”“Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om aan tegenweer te denken.”“Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen.”“Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid, en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had ik dan ook al de dollars alleen.”“Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten te spelen?”“Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden.”“Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met een brief stuur....”“Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?” viel de klerk hem in de rede. “Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven, en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg.”“Goed!”“Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen, waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben; er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij legt er een steen boven op—daar zal niemand erg in hebben.”“Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen.”“Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen, of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik, dat ik het daar vinden kan. Begrepen?’“Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?’“Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!”De ander zei ook “goedennacht”, en spoedde zich weg. Het raam werd zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem: “Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur.”“Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!”Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer; maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken, en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was, en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen, dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer dat over zijn schouder hing.“He, Humply-Bill!” zei hij op een toon van bevreemding. En ter opheldering liet hij er op volgen: “Er is stellig onverwachts iets bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop, dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij.”De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill het huis binnen.“Neem mij niet kwalijk sir!” zei hij. “Ik lees daar op dat bord, dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?”“O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen.”Hij bracht hem in Old Firehand’s kamer, die den kleine ontving met de vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. “Wees gerust, sir! het is geen doodwond,” antwoordde Bill. “Misschien is hetintegendeeliets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan hebben opgemerkt.”“Goed!” knikte Old Firehand. “En wat is er gebeurd?”“Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden man in hun midden te zien....”“Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig niet heel goed verscholen?”“Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden, begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde, maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet: er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten en dol maakte van blijdschap.”“Aha, Faller!”“Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden.”“Dat is richtig.”“Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik, waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat hij naar hen toe is, om het hun te vertellen.”“Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een deel van ons plan.”“Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop besloten is?”“Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn.”“Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten, want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond wel te hooren was. Fallerheeft een slecht paard, en zal dus stellig pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat Winnetou mij naar u toe gezonden heeft.”“Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel meedeelen.”Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill luisterde aandachtig, en zei toen: “Uitstekend sir! Ik denk dat alles precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één kleinigheid na.”“En dat is?”“De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel, dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen op de openliggende lijn te stoppen.”“Weet gij ook waar?”“Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?”“Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden post moeten vatten?“Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug.”“Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan volgt de rest vanzelf.”Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken, en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan, inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog, en deze hield zich even bij de regenton op.“Ontvang hem op uw kantoor,” zeide Old Firehand, “en houd hem daar aan den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen, dat hij terugbrengt.”De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte; hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg: “Weet gij wie ik ben, master Faller?”“Neen,” was het antwoord.“Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?”Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: “Wees zoo goed, sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is; maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug.”De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig touw, aan de leuning van den stoel vast.“Sir?” sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit; “wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!”“Zwijg!” gebood de jager, meteen de revolver grijpende. “Als ik uw geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u een kogel door den kop!”De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem, om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan, maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.“Master Haller! wilt gij even binnenkomen?” vroeg hij hem.De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem verried van zijn inwendige ontroering. “Wat is dat voor een papier, dat gij daar in uw zak gestoken hebt?” vroeg Old Firehand.“Een oud winkelzakje,” antwoordde de tramp.“Zoo? Laat het mij eens even zien!”De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: “Hoe komt het in u op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas over mijn eigen zak, geloof ik.”“Gij kent hem wel degelijk,” viel de ingenieur in de rede. “Het is Old Firehand!”“Old Fire....” riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.“Ja, ik ben het!” bevestigde deze. “Hier hebt gij mij stellig niet verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!”Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten, eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver, die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.“Sir!” vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; “met welk recht behandelt gij mij zoo?”“In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn bevoegdheid aan mij opgedragen.”“In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een dief behandelt?”“Als een dief?Pshaw!Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein, waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer zou worden.”“Sir! versta ik u wel goed?” riep de kerel met een goed gehuichelde verbazing. “Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?”“Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd moet worden.”“Door wien dan?”“Door u!”“Door mij?” En de tramp schoot in den lach. “Neem mij niet kwalijk, Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers, een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn.”“Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein wilden halen.”Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: “Van al die dingen weet ik niemendal.”“En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten.”“Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!”“Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet, om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen, om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen.”“Sir!” stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst te verbergen, “als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden, waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben een eerlijk mensch, en.....”“Zwijg!” gebood Old Firehand. “Een eerlijk mensch moordt niet!”“Wilt gij daarmee zeggen, datikgemoord heb?”“Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?”“Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen,” stotterde de tramp.“Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden.”Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht, waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep: “Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?”“Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in handen krijgen!”antwoordde Old Firehand. “De kerels ontkennen alles!”“Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden op doen. Ik hoop, datmijnwoord geloofwaardiger is dan het hunne?”“Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebbenbewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden hebben!”“Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?”“Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen.”Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer; zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten, die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag, en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten, als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt, waar die zou worden overgenomen.Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace, dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden, om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.

Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam “Charles Charoy, Ingenieur.” Daarheen reden de twee; zij stegen af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard vastgebonden stond.

“Oef!” zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een kenner bekeek. “Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden.”

Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam daar een nog jeugdig uitziende blankete voorschijn, die den Apache aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.

“Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?” vroeg hij, terwijl hij voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.

“Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.

“Well, dat benik. Weest zoo goed, en komt binnen.”

Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon: “Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ...”

“Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend,” viel de ingenieur hem in de rede.

“Is dat u reeds bekend, sir?” vroeg de Roodhuid. “Hebt gij mij dan al meer gezien?”

“Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast te willen zijn.”

De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: “Kent gij een bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?”

“Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden,” was het antwoord.

“En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?”

“Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet bezocht.”

“Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen.”

“Hoe zoo dat?”

“Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt, zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij in hun schild voeren.”

“Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?” zei Charoy schertsend, met een lachje.

“Misschien ook dat wel,” antwoordde Winnetou ernstig.“En niet alleen u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps.”

“Voor tramps?” vroeg de ingenieur schielijk. “O, dat verandert. Ik heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze kas gemunt.”

“Van wien hebt gij dat vernomen?”

“Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik hem aan u voorstel in persoon.”

Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!Blz.177.

Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder!

Blz.177.

Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen, zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde aandoening: “Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In hoe lang hebben wij elkander niet gezien!”

“Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak,” antwoordde de Indiaan, “toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen zijt in een zee van mist!”

“En gij hebt mij niet aangeroepen!”

“De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een stormwind over de vlakte waart gij voorbij.”

“Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht, dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de tweehonderd tramps in aantocht.”

“Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders, die door hen vooruit zijn gezonden.”

“Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den steel zit?”

“De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal.”

Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te voren beleefd had.

Daarna deeldeOld Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters, en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager: “Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk toch in mijn handen zal krijgen.”

“Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden,” zei de ingenieur wrevelig. “Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de uitbetaling doe aan mijncollega’s. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen.”

“Waan u maar niet al te veilig!” waarschuwde Old Firehand. “Tweehonderd desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen.”

“Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote duizend baanwerkers bijeen hebben.”

“Die goed gewapend zijn?”

“Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen messen en spaden óók nog dienst doen.”

“Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording zou nemen.”

“Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal soldaten, om ons te helpen.”

“Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?”

“Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij aanraadt. Gij zijt een heel ander man, danikben; en als gij wilt ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn ondergeschikten aan u af te staan.”

“Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd zijt. Zij moeten dus niet weten datwijons hier bevinden. Ook onze paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?”

“Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!”

“Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?”

“Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid brengen en goed verzorgen.”

“Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is, geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een dokter hier?”

“O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen.”

Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd waren, zeide Old Firehand: “Ik heb alle beraadslaging in bijzijn van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons op elkaar kunnen verlaten.”

“Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?” vroeg de ingenieur met merkbare belangstelling.

“Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen uitgezonden spionnen met u gesproken hebben.”

“Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben.”

Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een ander gevoelen was, en zei: “Ieder krijgsman kan op tweeërlei manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller, zekerder en ook dapperder.”

“Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel niet weten?” vroeg Old Firehand.

“Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman der Apachen zich laten dwingen om naarhunplan te werk te gaan, indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne te regelen?”

“O, gij hebt dus reeds een plan?”

“Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?”

“Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?”

“Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen, is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen, in het minst of geringst gemoeid hebben.”

“O, nu begin ik het te begrijpen!” sprak Old Firehand. “Welk een plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?”

“Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan, en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken.”

“Hen in een trein lokken?” vroeg de ingenieur. “Waar zou dat toe dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op den beganen grond.

“Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten,” hernam Old Firehand. “Stormen zij daarentegen den trein in, zooals ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zichmoetenovergeven, zonder ons te kunnen schaden.”

“Maar zij zullen den trein niet ingaan!”

“Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas.”

“Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?”

Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging met de hand; doch Old Firehand antwoordde: “Wie denkt er aan, dat van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens, dan gaat hetfull speed(= met vollen stoom) voort met hen.”

“Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk als gij denkt.”

“Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen trein te uwer beschikking?”

“O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet aan te twijfelen.”

“Pshaw!Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken, want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?”

“Natuurlijk.”

“Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken.”

De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: “Gij spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En hoe krijgen wij hen er in?”

“Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid.”

“Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den trein te doen ontsporen?”

“Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt, dater aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord kunnen hooren, dat er gesproken wordt.”

“Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand te spreken?”

“Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendselnietaan het werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen, en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien, dat alles naar wensch gaat!”

“Howgh!” bevestigde de Indiaan. “Mijn blanke broeders kunnen nu een geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal.”

“Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?”

“Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie.”

“Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante Droll is óók bij hen.”

“Oef!” riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een vroolijke plooi kwam. “Die Tante is een ferm, dapper en verstandig bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken.”

“Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen vinden: Zwarten Tom,Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen, wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen.”

Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen, waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad gehouden konworden; want die lieden mochten nog niet weten, dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.

De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte hij tevreden, en zei: “Dat is goed! De honden zullen sidderen van angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden.”

Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.

De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.

Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.

De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk: “Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe maakt hij het?”

Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen, die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en zei toen: “Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan, dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie, dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk; maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?”

“Sir!” antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die blij is, “probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden over mij zult wezen.”

“Well, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld, dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok tien slaat ’s avonds, wordt mijn deur gesloten.”

“Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het tot nu toe gewend geweest,” verzekerde de man, die zichtbaar verheugd was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij: “Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou u ook voor hem misschien eenig werk hebben?”

“Wat soort van werk?”

“Om het even wat, sir!” antwoordde de andere bescheiden. “Ik zal al blij zijn, als ik maarietste doen krijg.”

“Hoe is uw naam?”

“Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt.”

“Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?

“Ik ben langcow-boy(= koeien-hoeder) geweest op een boerderij hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven, dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken om te werken, als u mij eenig werk geven wilt.”

“Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!”

De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond, hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen den andere zei: “All right(= alles in orde)! Als het einde zoo mooi is als het begin....”

Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen, en zei: “Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand in een doek.’

“Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?”

“Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien, en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden.”

“Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met anderen te houden.”

Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde, maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen, dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.

Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland, ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.

Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht te nemen.

Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.

“Ezelskop!” bromde fluisterend een gemelijke stem; “maak dat licht toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan.”

“Een ezelskop, die het mij zegt!” antwoordde de klerk. “Waarom komt gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug.”

“Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?”

“Ja, en wat goeds ook!”

“Zoo?”

“Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze u zien zullen.”

Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals gemeenlijk wanneer men wacht, gingzeer langzaam om; maar hijging toch om. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak van voetstappen op den grond.

“Faller!” fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.

“Ja,” was het gefluisterde antwoord.

“Waar staat gij? Ik zie u niet.”

“Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam.”

“Is alles donker in huis?”

“Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?”

“Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars; en dat loont de moeite niet.”

“En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij dat dan gedroomd?”

“Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal honderd duizend dollars er in!”

“Gekheid!”

“Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn.”

“Weet ge dat zeker?”

“Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog beter te vertrouwen dan zich zelf.”

“Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?’

“Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt.”

“Is het tòch waar?”

“En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan.”

“Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?”

“Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven.”

“En die daartoe aangewezen ambtenaar, zultgijdat zijn?”

“Ja. Engijmoet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met mij mee.”

“Hoe zoo dat?”

“De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen, kreegik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ikugekozen heb.”

“Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet een beetje vreemd?”

“Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want er is een maar bij.”

“He! Een maar?”

“Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar verbonden zijn.”

“O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig genoeg gelegd?”

“Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij, gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in hun schild voeren.”

“Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden, en dan gaan wij met de dollars schuiven!”

“Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen, en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht kunnen zijn ... en dat is hier!”

“En denkt gij, dat dàt gelukken zou?”

“O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten.”

“Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend.”

“Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te hebben. Geef dus uw paard goed de sporen—al rijdt gij het dood, dat hindert niet!”

“En wat moet ik zeggen?”

“Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om aan tegenweer te denken.”

“Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen.”

“Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid, en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had ik dan ook al de dollars alleen.”

“Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten te spelen?”

“Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden.”

“Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met een brief stuur....”

“Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?” viel de klerk hem in de rede. “Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven, en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg.”

“Goed!”

“Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen, waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben; er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij legt er een steen boven op—daar zal niemand erg in hebben.”

“Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen.”

“Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen, of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik, dat ik het daar vinden kan. Begrepen?’

“Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?’

“Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!”

De ander zei ook “goedennacht”, en spoedde zich weg. Het raam werd zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem: “Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur.”

“Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!”

Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.

Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer; maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken, en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was, en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen, dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer dat over zijn schouder hing.

“He, Humply-Bill!” zei hij op een toon van bevreemding. En ter opheldering liet hij er op volgen: “Er is stellig onverwachts iets bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop, dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij.”

De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill het huis binnen.

“Neem mij niet kwalijk sir!” zei hij. “Ik lees daar op dat bord, dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?”

“O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen.”

Hij bracht hem in Old Firehand’s kamer, die den kleine ontving met de vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. “Wees gerust, sir! het is geen doodwond,” antwoordde Bill. “Misschien is hetintegendeeliets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan hebben opgemerkt.”

“Goed!” knikte Old Firehand. “En wat is er gebeurd?”

“Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden man in hun midden te zien....”

“Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig niet heel goed verscholen?”

“Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden, begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde, maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet: er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten en dol maakte van blijdschap.”

“Aha, Faller!”

“Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden.”

“Dat is richtig.”

“Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik, waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat hij naar hen toe is, om het hun te vertellen.”

“Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een deel van ons plan.”

“Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop besloten is?”

“Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn.”

“Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten, want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond wel te hooren was. Fallerheeft een slecht paard, en zal dus stellig pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat Winnetou mij naar u toe gezonden heeft.”

“Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel meedeelen.”

Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill luisterde aandachtig, en zei toen: “Uitstekend sir! Ik denk dat alles precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één kleinigheid na.”

“En dat is?”

“De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel, dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen op de openliggende lijn te stoppen.”

“Weet gij ook waar?”

“Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?”

“Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden post moeten vatten?

“Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug.”

“Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan volgt de rest vanzelf.”

Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken, en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.

Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan, inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog, en deze hield zich even bij de regenton op.

“Ontvang hem op uw kantoor,” zeide Old Firehand, “en houd hem daar aan den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen, dat hij terugbrengt.”

De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte; hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg: “Weet gij wie ik ben, master Faller?”

“Neen,” was het antwoord.

“Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?”

Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: “Wees zoo goed, sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is; maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug.”

De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig touw, aan de leuning van den stoel vast.

“Sir?” sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit; “wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!”

“Zwijg!” gebood de jager, meteen de revolver grijpende. “Als ik uw geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u een kogel door den kop!”

De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem, om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan, maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.

“Master Haller! wilt gij even binnenkomen?” vroeg hij hem.

De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem verried van zijn inwendige ontroering. “Wat is dat voor een papier, dat gij daar in uw zak gestoken hebt?” vroeg Old Firehand.

“Een oud winkelzakje,” antwoordde de tramp.

“Zoo? Laat het mij eens even zien!”

De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: “Hoe komt het in u op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas over mijn eigen zak, geloof ik.”

“Gij kent hem wel degelijk,” viel de ingenieur in de rede. “Het is Old Firehand!”

“Old Fire....” riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.

“Ja, ik ben het!” bevestigde deze. “Hier hebt gij mij stellig niet verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!”

Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten, eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver, die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.

“Sir!” vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; “met welk recht behandelt gij mij zoo?”

“In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn bevoegdheid aan mij opgedragen.”

“In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een dief behandelt?”

“Als een dief?Pshaw!Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein, waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer zou worden.”

“Sir! versta ik u wel goed?” riep de kerel met een goed gehuichelde verbazing. “Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?”

“Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd moet worden.”

“Door wien dan?”

“Door u!”

“Door mij?” En de tramp schoot in den lach. “Neem mij niet kwalijk, Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers, een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn.”

“Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein wilden halen.”

Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: “Van al die dingen weet ik niemendal.”

“En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten.”

“Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!”

“Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet, om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen, om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen.”

“Sir!” stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst te verbergen, “als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden, waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben een eerlijk mensch, en.....”

“Zwijg!” gebood Old Firehand. “Een eerlijk mensch moordt niet!”

“Wilt gij daarmee zeggen, datikgemoord heb?”

“Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?”

“Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen,” stotterde de tramp.

“Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden.”

Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht, waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep: “Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?”

“Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in handen krijgen!”antwoordde Old Firehand. “De kerels ontkennen alles!”

“Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden op doen. Ik hoop, datmijnwoord geloofwaardiger is dan het hunne?”

“Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebbenbewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden hebben!”

“Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?”

“Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen.”

Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer; zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.

Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten, die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag, en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten, als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.

Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt, waar die zou worden overgenomen.

Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace, dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden, om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.


Back to IndexNext