DERTIENDE HOOFDSTUK.Medicijn voor den Prins.De avond was reeds lang gevallen toen men op den weg tusschen het slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge, Spaansche musketier stevig door zag stappen.Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te groeten, ging hij maar altijd door en alleen, als hij een Overste, Hopman of Onderhopman der belegeraars tegenkwam, groette hij beleefdelijk.„Hei, kameraad, waar moet dat met zulk eene vaart heen?” vroeg hem onverwachts een Luikenaar, die onder het bevel van Jan de Nester stond en nu op weg was naar de Poelschans, om eene boodschap van zijnen Meester aan Don Marion over te brengen.„Ik? Wel, ik moet naar Den Haag!”„Zoo, naar Den Haag! En voor wien dat?”„Ge zijt nieuwsgierig, kameraad, erg nieuwsgierig ook! Maar als ge het zoo graag weet, wil ik het wel zeggen. Ik moet voor onzen Bevelhebber naar Den Haag en naar den Heer Pastoor van de Sint Jacob!”„Wat? Moet ge naar den Eerwaarden Vincentius Hugo?”De aangesprokene, die blijkbaar niet wist, dat de Pastoorvan die kerk zoo heette, zeide kortaf: „Ja, is dat zoo vreemd?”„Vreemd? Welneen, Don Valdez komt daar dikwijls. Hij is met zijn Eerwaarde zeer bevriend! Maar ik wilde wel in uwe plaats zijn om die boodschap te doen!”„Wandelen is vermakelijker dan op post staan; maar de wandeling is toch wel wat ver, kompeer! En, we werken ons hier toch ook niet dood!”„Hoor eens, vriendje, al was de wandeling nog driemaal zoo ver, ik deed ze met pleizier. Kent ge „Bruine Sanne?”„Bruine Sanne? Neen! Wie is dat?”„Die dient bij den koster van de Sint Jacob en ze heeft zooveel als een goed oogje op me, vat ge?”„Ha, waait de wind uit dien hoek? Nu, wat te belasten soms?”„Belasten, belasten! Neen! Ja toch! Wilt ge ook wat voor me doen?”„Zeker, met alle genoegen!”„Kijk,” zeide de Luikenaar, terwijl hij uit een beursje een klein ringetje haalde, „kijk, dat ringetje is van mijne lieve Moeder! Toen die stierf zei ze: „Jean, neem dit ringetje en draag het, of geef het aan een, die het verdient te dragen. Nu was ik eene week of vier geleden in Den Haag, maar ik durfde het haar niet geven. Wilt gij nu voor mij vragen, of ze het ter gedachtenis aan mij dragen wil?”De jonge musketier, in wien ge misschien reeds onzen Cornelis zult herkend hebben, had volstrekt geen plan in Den Haag ergens aan te loopen. Hij had dat praatje van die boodschap bij den Eerwaarden Heer Pastoor maar verzonnen om niet aangehouden te worden. Nu die soldaat evenwel blijk gaf van hem te gelooven, en tevens liet zien, dat in zijn hart ook nog voor heel wat anders plaats was dan voor wreede gedachten, besloot hij terstond dien man van dienst te zijn, en daarom zeide hij: „Wel zeker, kompeer, wel zeker! Maar als ik nu eens dat ringetje aannam,het niet aan „Bruine Sanne” bracht en voor mijzelven verkocht, wat dan? Gij kent mij toch niet!”„Aan uwe spraak hoor ik, dat gij een Hollander zijt, en nu zou ik wel willen vragen, of de Hollanders geene Moeders gehad hebben, en zoo ja, of zij dan den wil van die Moeder niet hebben leeren eerbiedigen, ja, zelfs den wil van eene goede Moeder van eenen hunner makkers?”Cornelis’ oog schoot op die teedere woorden van den ruwen, gebaarden krijgsknecht vol tranen en hem de hand toestekende, zei hij: „Jean, ik heb geene Moeder meer. Ik heb haar nooit gekend. Maar ik heb eene trouwe, brave Pleegmoeder, die ik zielslief heb. Geef hier uw ringetje. „Bruine Sanne” zal het aannemen en u ter gedachtenis dragen, of gij krijgt het terug!”„Ziet ge wel, dat ik mij niet bedroog! Maar hoe heet gij?”Cornelis kon vrij zijnen naam noemen, daar de Luikenaar dien toch nooit zou gehoord hebben en daarom verzweeg hij hem ook niet.„Goed, Cornelis, goed, hier is de ring! Ga nu! God en de Heilige Maagd behoeden u! Maar—als zij het nu niet eens aanneemt?”„Dan kom ik het overmorgen terugbrengen, of ik laat het u bezorgen. Ziet gij mij nu niet, of ontvangt gij niets, dan heeft „Bruine Sanne” den ring, reken daarop. Maar, dat is waar ook, ik vergat het wachtwoord aan de schans te Valkenburg, hoe is dat ook?”„Kort van memorie, kameraad, kort van memorie! Het wachtwoord is anders gemakkelijk genoeg voor een Hollander te onthouden, het is: „Haarlem en Leyden!”„Lomperd, die ik ben, dat is waar ook! Maar zeg, wij staan onzen tijd hier te verbabbelen en we vorderen niet. Ik ga er van door, hoor! Morgen met den noen zal uwe „Bruine Sanne” den ring hebben. Maar van wien moet ik zeggen, dat hij komt? Hoe heet ge nog meer dan Jean?”„Ik heet Jean Lebon en ben musketier in het vendel van Jan de Nester!”„Goed, ze zal het weten! Goeden avond, kameraad!”„Als ge me noodig hebt en ik kan u ook eens eenen dienst doen, dan wil ik u graag helpen! God geleide u!”De twee krijgers drukten elkander de hand en gingen ieder hunnen weg.Of de schildwachten aan de schans te Valkenburg sliepen, dan wel of er aan de zijde van Rijnsburg geene stonden, wie zal dat zeggen, maar zooveel is zeker, dat Cornelis het wachtwoord volstrekt niet noodig had, en dat hij zonder iemand ontmoet te hebben, ongestoord in het holle van den nacht in het dorp aankwam.Het was duidelijk te zien, dat hij meer in dat dorp geweest was; want zonder nauwkeurig rond te kijken, of hij wel op den rechten weg was, ging hij een klein steegje in en stond eindelijk voor een vervallen, armoedig huisje stil.„Ja, het is wel laat; maar ik zal toch maar eens aankloppen,” fluisterde hij en gaf er onmiddellijk gevolg aan.Het duurde nog al eene geruime poos eer hij eenige beweging hoorde.„Heeft er iemand geklopt?” vroeg een man achter de deur.„Ja, ik heb geklopt,” antwoordde Cornelis en vroeg meteen: „Woont hier Jan Leendertsz.Verlaen nog?”„Jawel, die ben ik zelf! Maar wie zijt gij? Wat moet gij hebben?”„Doe maar open, ik moet u even spreken!” zeide Cornelis.„Ik doe midden in den nacht niet open, of ik moet eerst weten, wie er klopt! Ik heb u gevraagd wie gij zijt en wat gij moet, en zoolang ge mij geen antwoord geeft, doe ik niet open,” klonk het antwoord daar binnen.Cornelis keek door het duister van den nacht in het rond en toen hij niemand zag of hoorde, zeide hij, maar niet harder dan dringend noodig was: „Ik ben Cornelis Joppensz., de pleegzoon van schipper Van Keulen en ik kom uit Leiden!”Aanstonds ging de deur open.„Wel, Keesje, ben jij hier?” vroeg de man, die een Oom van Leeuwke was, en de beide vrienden dikwijls bij zich had gehad. „Waar moet dat heen?”„Ik moet brieven naar Delft bij den Prins brengen, en nu kom ik hier mijn Spaansch soldatenpakje uittrekken, om dan verder te gaan,” antwoordde Cornelis.„Doe dat, mijn jongen, doe dat! Maar zeg, hebt gij het ook al gehoord, hoe ongelukkig mijn aardige Gerrit aan zijn einde gekomen is?”„Neen, Oom Jan, dat weet ik niet! Wij hebben wel vermoed, dat hij dood is, en ik heb zijnen dood ook al half gewroken. Maar zeg, hoe is hij omgekomen?”„Allerellendigst, Kees, allerellendigst,” antwoordde de oude man en vertelde hierop hoe alles toegegaan was.„Is dat wáár, Oom Jan?” vroeg Cornelis en zijne stem beefde van aandoening en van kwaadheid.„Ja, dat is zeker, mijn jongen!”„Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!” klonk het uit den mond van Cornelis. „Een musket, Oom Jan, een musket!”„Stil, stil, jongen, gij vergeet uwe boodschap en denkt er niet aan, dat de muren van mijn huisje niet dik zijn!”„Maar moet ik dan Leeuwke niet wreken, Oom Jan? Toe, toe, een musket of zinkroer, eene handspaak of een verrejager, het is mij onverschillig; maar wat hebben moet ik! Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”„Gij weet niet wat ge zegt, jongen! Wees bedaard en wreek mijnen besten Gerrit zoo goed als ge kunt; maar nu niet, want gij hebt eene boodschap aan den Prins! Ga die doen en komt gij langs hier terug, dan zal ik u zeggen, wat ik denk dat ge doen moet om uwen vriend te wreken!”„U heeft gelijk, Oom Jan, nu mag ik niet,” zeide Cornelis, die zich eindelijk tot bedaren liet brengen.„En hoe houdt Gerrits Moeder er zich onder met hare kinderen? Is ze altijd nog ziekelijk? En Gonda, is dat nogzulk een trouwhartig zieltje? Lijden ze niet veel gebrek?”„Gebrek lijden we allen, Oom Jan! Gij weet niet, wat er al gegeten wordt. Zelfs de rijken hebben het niet beter dan wij, want wat er nog is, wordt eenvoudig verdeeld. In het begin van Augustus heeft ieder aan zijne Bonmeesters moeten opgeven, waar hij woont, hoe het hoofd van het gezin heet en uit hoeveel personen dat gezin bestaat, en dan mag men voor zooveel personen brood laten halen. Nu hebben de Bonmeesters van onze buurt Gerrit’s naam als hoofd van het gezin op de lijst geplaatst, omdat er alleen maar vermoed wordt, dat hij dood is en niemand er bericht van gekregen heeft. Zoo kan Gonda nu voor zeven inplaats van voor zes man brood halen.”„Maar hebben sommigen de Bonmeesters niet bedrogen, door het gezin grooter te noemen dan het is?”„Ja, zeker, Oom Jan! Ze hebben zelfs geene aangifte gedaan van de dooden, en daarom is er eene strenge straf gezet op die bedriegerij.”„Wat een ellendige toestand toch!”„Ja, wel ellendig, Oom Jan! En als er nu geen brood of vleesch meer is, wat dan? Van honger sterven of aan de pest! Vreeselijk!”„Ja, vreeselijk, jongen. Doch als het nu zóó erg wordt en ge zijt dan weer in Leiden terug, belooft ge mij dan, Cornelis, dat gij bij mijne Zuster helpen zult?”Cornelis beloofde het gaarne en meende reeds heen te gaan, toen Oom Jan naar de spinde ging en er brood en spek uithaalde.„Hier, jongen, eet zooveel als gij lust,” zeide de goedige oude. „Ik zal mij onderwijl wat aankleeden en dan breng ik u door de duinen langs den naasten weg naar Wassenaar! Als ge daar maar zijt, dan is er geen gevaar meer!”Volgaarne nam Cornelis het aanbod van Oom Jan aan en at met eene graagte, die bewees, dat hij zulk eenen maaltijd in langen tijd niet gedaan had.Toen beiden gereed waren gingen ze op weg en bereikten tegen het aanbreken van den dag Wassenaar.Hier namen ze afscheid van elkander en Cornelis beloofde, dat hij, terugkomende, weer zijnen weg over Rijnsburg nemen zou.Het was een prachtige morgen toen Cornelis te ’s-Gravenhage, dat toen lang zoo groot en voornaam niet was als tegenwoordig, binnenkwam.De menschen stonden in dien tijd wat vroeger op dan thans het geval is, zoodat we ons niet al te zeer verwonderen moeten, dat alles reeds in beweging was.„Wel, vrindschap, kunt ge me ook zeggen, waar de Eerwaarde heer Pastoor Vincentius Hugo woont? Ik heb eene boodschap aan hem te doen,” zeide Cornelis zich met deze woorden tot eenen hoefsmid wendende, die al druk bezig was eenige paarden te beslaan.„Jawel, jonkman! Maar Zijn Eerwaarde zal nog niet op zijn! Het is nog wel wat vroeg!”„Ja, maar bij Zijn Eerwaarde moet ik eigenlijk ook niet zijn! Ik moet bij den koster wezen!”„Bij den koster? Dat treft ge! Mijne dochter is daar dienstmeid en gaat er zoo op het oogenblik heen! Stil, daar is ze al! Sanne, die borst moet bij den koster zijn en weet den weg niet!”„Wel, Vader, dan kan hij met me meegaan! Kom maar hier, jonge vriend, ik ga er heen! Of kan ik misschien de boodschap zelf niet doen?”Cornelis had haar nooit gezien, doch hij ontdekte spoedig, dat het meisje, dat zoo driftig naast hem trippelde, niemand anders dan „Bruine Sanne” was.„Ik heb eigenlijk den koster niet te spreken,” zeide Cornelis, nadat ze een eindweegs voortgegaan waren.„Niet? Houdt ge me dan voor den gek?” vroeg ze.„Wel neen! Maar ik heb eene boodschap aan u!”„Aan mij? Waar komt gij vandaan?”„Uit het leger van Don Valdez en Jean Lebon is mijn kameraad!”Het meisje kleurde en zeide niets.„En ik heb eene boodschap van Jean aan u,” vervolgde Cornelis en reikte haar meteen den ring over, zeggende: „Hij heeft me verzocht u dit te geven. Het is een ringetje van zijne lieve Moeder zaliger, en hij vraagt of gij het hem ter liefde aannemen en aan den vinger dragen wilt.”Blozend nam Sanne het ringetje aan en vroeg wanneer hij weer naar het leger dacht terug te keeren.„Ja, dat kan vandaag en dat kan morgen zijn,” antwoordde Cornelis.„Als het nu eens morgen was, dan zou ik misschien iets van de bestorming van Leiden kunnen zeggen; want morgen komt Don Valdez hier op het jaarfeest van Zijn Eerwaarde. Mijn Meester moet dan dienen, en zal lichtelijk wat hooren van de bestorming van Leiden. En daar hij nog al babbelachtig is, kom ik zeker er wat van te weten!”Cornelis stond verwonderd te kijken, dat er van eene bestorming van Leiden sprake was, en besloot nu het meisje geheel uit te hooren.Het scheen echter, dat zij er zelve op het oogenblik niets meer van wist dan dat, wat ze gezegd had, en daar Cornelis het in het belang der Leidenaars rekende, zoo hij met den terugtocht tot den anderen dag wachtte, zeide hij:„Hoor eens, ik moet naar Rotterdam, en nu zal ik het wel zoo weten aan te leggen, dat ik morgen eerst naar huis kan. Wanneer denkt gij, dat ik komen kan?”„Wel, laat zien! Met den noen komt Don Valdez en dan zal het maal om drie uur zeker wel al afgeloopen zijn, en de koster alles aan zijne vrouw en mij verteld hebben. Ik zal tegen vier uur aan de deur staan, en als ik er niet ben, dan klopt ge maar en ge vraagt naar Sanne van den hoefsmid!”„Maar als Don Valdez me dan eens zag!”„Don Valdez komt alléén en, als hij hier is, dan heeft hij wel wat anders te doen, dan door het raam te kijken, wie er klopt! Maar zeg eens, gij zijt toch geen Geus of overlooper?” vroeg Sanne, eensklaps wantrouwend wordende.„Een Geus? Evenmin als uw Vader, vrijster!”„Mijn Vader? Ja, beroep u daar maar zoo hard niet op; want al zegt hij het mij niet, ik zie toch wel, dat hij Geus in zijn hart is. Maar waarom hebt gij geen wapenrok aan?”Die vraag kwam zoo onverwachts en het meisje keek hem zoo strak in de oogen, dat Cornelis, die toch nog geen leugenaar van beroep was, gevoelde dat hij rood werd.Hij begreep echter terstond, dat hij er dapper door heen moest slaan, wille hij geen gevaar loopen de half behaalde voordeelen prijs te geven.„Wie is er veiliger op den heerweg, de Spaansche musketier, de Staatsche soldenier, of de schippersgezel?” vroeg hij.„Bijlo, ge zijt een slimme vogel,” antwoordde Sanne. „De Spaansche musketier en de Staatsche soldenier gaan den schippersgezel onverschillig voorbij! Ge zijt slimmer dan Jean, want die zou nooit op diegedachtegekomen zijn!”„Hij is anders een dood-goeie jongen,” merkte Cornelis aan.„Wel, hij is een kalf, zeg dat! Maar van slimme kalvers heb ik toch nooit gehoord,” hervatte Sanne.Het gesprek had thans lang genoeg geduurd en daar ze juist bij het huis van den koster waren aangekomen, beloofde Cornelis, dat hij den volgenden dag te vier uren weer hier terug zou zijn, en, van het vriendelijk knipoogende meisje afscheid nemende, ging hij heen.Zoo ongeveer te tien uren in den morgen kwam hij te Delft aan.Het scheen, alsof de geheele stad treurde; want de man, die zooveel voor het land gedaan had, lag, zoo zeide men algemeen, met den dood te worstelen.Slechts uit de verte bekeek men het Prinsenhof; want iedereen schuwde het uit vrees der besmetting.Zelfs de schildwachten, die voor de deur stonden, hadden zich zoo ver mogelijk verwijderd, en zonder door dezen tegen gehouden te worden, trad hij binnen.Na lang in het voorhuis gewacht te hebben, kwam er eindelijk een bediende, die hem in het ziekenvertrek bracht, nadat hij vernomen had vanwaar de jongen kwam.„Is daar iemand?” klonk eene zwakke stem, die uit een bed kwam.„Er is hier iemand uit Leiden, Uwe Doorluchtigheid,” zeide de knecht.„Durft gij me naderen, man of knaap?” vroeg de Prins nu aan Cornelis.Cornelis naderde, zachtjes en vol vrees om voor zulk een voornaam man te komen, de bedstede.De Prins keek met groote moeite Cornelis aan en zeide: „Uit Leiden? Heeft de stad zich overgegeven?”„Neen, Uwe Doorluchtigheid, nòg niet! Maar de nood is hoog. Burgemeester Pieter Adriaensz. en Jonker van der Does zenden u dezen brief.”Met moeite verbrak de Prins het zegel en las toen zoo goed als zijne verzwakte oogen hem dit toelieten den bondigen, echt Vaderlandschen brief, waaruit hij vernam dat de keurbende van Leidens ingezetenen besloten had om de stad niet over te geven.„Gij brengt mij de kostelijkste medicijn, knaap,” zeide de Prins. „Ga in het naaste vertrek en zeg aan mijnen hellebaardier, die u hier binnen bracht, dat hij hier bij me komen moet. Kom dan morgenochtend terug, dan zal ik u meteen ook eene boodschap aan mijne trouwe Leidenaars medegeven.”Cornelis groette beleefd en ging heen, doch vroeg aan den knecht, of hij hier wel zoo lang mocht blijven tot deze terugkwam, want dat hij in Delft den weg niet wist.„Goed, jongen,” zei Hans Van Bruggen, die, waar bijna allen den Prins ontvlucht waren, trouw bij zijnen Meester gebleven was. „Blijf hier gerust, ik zal u terecht helpen.”Hans was weldra terug en eer hij nog in het vertrek was, riep hij al: „Jongen, gij zijt een wonder-dokter en hebt de beste medicijn voor mijnen armen Meester gebracht. Ik herkende Zijne Doorluchtigheid bijna niet meer. Zonder hulp had hij het bed verlaten en zat reeds aan de schrijftafel met het oude vuur in de oogen. Dat moet heel Delft weten, wacht maar even.”Hans liep nu naar den wachthebbenden soldaat en beval dezen, het heugelijk nieuws aan den Bevelhebber der wacht over te brengen. In eenen ongelooflijk korten tijd liep het nu als eene blijde mare door heel Delft: „De Prins is plotseling beter geworden. Een jongen heeft bericht uit Leiden gebracht, dat ze daar volharden zullen!”Toen Hans weer bij Cornelis teruggekomen was, zeide hij: „Gij blijft vannacht hier in het Prinsenhof. Ik heb het Zijne Doorluchtigheid gevraagd en deze heeft gezegd: „Goed Hans, en laat hem dan maar alles vertellen van Leiden, wat hij weet. Gij kunt het mij dan later wel verhalen. Mijn hoofd is nog te zwak om er veel van te vragen.” Dat zei hij en daarom, als gij gegeten hebt, maar flink aan den slag.”Cornelis had er natuurlijk niets tegen, en hij vertelde zóó veel en zóó lang, dat het zelfs vrij laat was, eer hij in den slaap nieuwe krachten voor het werk van den volgenden dag ging gâren.
DERTIENDE HOOFDSTUK.Medicijn voor den Prins.De avond was reeds lang gevallen toen men op den weg tusschen het slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge, Spaansche musketier stevig door zag stappen.Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te groeten, ging hij maar altijd door en alleen, als hij een Overste, Hopman of Onderhopman der belegeraars tegenkwam, groette hij beleefdelijk.„Hei, kameraad, waar moet dat met zulk eene vaart heen?” vroeg hem onverwachts een Luikenaar, die onder het bevel van Jan de Nester stond en nu op weg was naar de Poelschans, om eene boodschap van zijnen Meester aan Don Marion over te brengen.„Ik? Wel, ik moet naar Den Haag!”„Zoo, naar Den Haag! En voor wien dat?”„Ge zijt nieuwsgierig, kameraad, erg nieuwsgierig ook! Maar als ge het zoo graag weet, wil ik het wel zeggen. Ik moet voor onzen Bevelhebber naar Den Haag en naar den Heer Pastoor van de Sint Jacob!”„Wat? Moet ge naar den Eerwaarden Vincentius Hugo?”De aangesprokene, die blijkbaar niet wist, dat de Pastoorvan die kerk zoo heette, zeide kortaf: „Ja, is dat zoo vreemd?”„Vreemd? Welneen, Don Valdez komt daar dikwijls. Hij is met zijn Eerwaarde zeer bevriend! Maar ik wilde wel in uwe plaats zijn om die boodschap te doen!”„Wandelen is vermakelijker dan op post staan; maar de wandeling is toch wel wat ver, kompeer! En, we werken ons hier toch ook niet dood!”„Hoor eens, vriendje, al was de wandeling nog driemaal zoo ver, ik deed ze met pleizier. Kent ge „Bruine Sanne?”„Bruine Sanne? Neen! Wie is dat?”„Die dient bij den koster van de Sint Jacob en ze heeft zooveel als een goed oogje op me, vat ge?”„Ha, waait de wind uit dien hoek? Nu, wat te belasten soms?”„Belasten, belasten! Neen! Ja toch! Wilt ge ook wat voor me doen?”„Zeker, met alle genoegen!”„Kijk,” zeide de Luikenaar, terwijl hij uit een beursje een klein ringetje haalde, „kijk, dat ringetje is van mijne lieve Moeder! Toen die stierf zei ze: „Jean, neem dit ringetje en draag het, of geef het aan een, die het verdient te dragen. Nu was ik eene week of vier geleden in Den Haag, maar ik durfde het haar niet geven. Wilt gij nu voor mij vragen, of ze het ter gedachtenis aan mij dragen wil?”De jonge musketier, in wien ge misschien reeds onzen Cornelis zult herkend hebben, had volstrekt geen plan in Den Haag ergens aan te loopen. Hij had dat praatje van die boodschap bij den Eerwaarden Heer Pastoor maar verzonnen om niet aangehouden te worden. Nu die soldaat evenwel blijk gaf van hem te gelooven, en tevens liet zien, dat in zijn hart ook nog voor heel wat anders plaats was dan voor wreede gedachten, besloot hij terstond dien man van dienst te zijn, en daarom zeide hij: „Wel zeker, kompeer, wel zeker! Maar als ik nu eens dat ringetje aannam,het niet aan „Bruine Sanne” bracht en voor mijzelven verkocht, wat dan? Gij kent mij toch niet!”„Aan uwe spraak hoor ik, dat gij een Hollander zijt, en nu zou ik wel willen vragen, of de Hollanders geene Moeders gehad hebben, en zoo ja, of zij dan den wil van die Moeder niet hebben leeren eerbiedigen, ja, zelfs den wil van eene goede Moeder van eenen hunner makkers?”Cornelis’ oog schoot op die teedere woorden van den ruwen, gebaarden krijgsknecht vol tranen en hem de hand toestekende, zei hij: „Jean, ik heb geene Moeder meer. Ik heb haar nooit gekend. Maar ik heb eene trouwe, brave Pleegmoeder, die ik zielslief heb. Geef hier uw ringetje. „Bruine Sanne” zal het aannemen en u ter gedachtenis dragen, of gij krijgt het terug!”„Ziet ge wel, dat ik mij niet bedroog! Maar hoe heet gij?”Cornelis kon vrij zijnen naam noemen, daar de Luikenaar dien toch nooit zou gehoord hebben en daarom verzweeg hij hem ook niet.„Goed, Cornelis, goed, hier is de ring! Ga nu! God en de Heilige Maagd behoeden u! Maar—als zij het nu niet eens aanneemt?”„Dan kom ik het overmorgen terugbrengen, of ik laat het u bezorgen. Ziet gij mij nu niet, of ontvangt gij niets, dan heeft „Bruine Sanne” den ring, reken daarop. Maar, dat is waar ook, ik vergat het wachtwoord aan de schans te Valkenburg, hoe is dat ook?”„Kort van memorie, kameraad, kort van memorie! Het wachtwoord is anders gemakkelijk genoeg voor een Hollander te onthouden, het is: „Haarlem en Leyden!”„Lomperd, die ik ben, dat is waar ook! Maar zeg, wij staan onzen tijd hier te verbabbelen en we vorderen niet. Ik ga er van door, hoor! Morgen met den noen zal uwe „Bruine Sanne” den ring hebben. Maar van wien moet ik zeggen, dat hij komt? Hoe heet ge nog meer dan Jean?”„Ik heet Jean Lebon en ben musketier in het vendel van Jan de Nester!”„Goed, ze zal het weten! Goeden avond, kameraad!”„Als ge me noodig hebt en ik kan u ook eens eenen dienst doen, dan wil ik u graag helpen! God geleide u!”De twee krijgers drukten elkander de hand en gingen ieder hunnen weg.Of de schildwachten aan de schans te Valkenburg sliepen, dan wel of er aan de zijde van Rijnsburg geene stonden, wie zal dat zeggen, maar zooveel is zeker, dat Cornelis het wachtwoord volstrekt niet noodig had, en dat hij zonder iemand ontmoet te hebben, ongestoord in het holle van den nacht in het dorp aankwam.Het was duidelijk te zien, dat hij meer in dat dorp geweest was; want zonder nauwkeurig rond te kijken, of hij wel op den rechten weg was, ging hij een klein steegje in en stond eindelijk voor een vervallen, armoedig huisje stil.„Ja, het is wel laat; maar ik zal toch maar eens aankloppen,” fluisterde hij en gaf er onmiddellijk gevolg aan.Het duurde nog al eene geruime poos eer hij eenige beweging hoorde.„Heeft er iemand geklopt?” vroeg een man achter de deur.„Ja, ik heb geklopt,” antwoordde Cornelis en vroeg meteen: „Woont hier Jan Leendertsz.Verlaen nog?”„Jawel, die ben ik zelf! Maar wie zijt gij? Wat moet gij hebben?”„Doe maar open, ik moet u even spreken!” zeide Cornelis.„Ik doe midden in den nacht niet open, of ik moet eerst weten, wie er klopt! Ik heb u gevraagd wie gij zijt en wat gij moet, en zoolang ge mij geen antwoord geeft, doe ik niet open,” klonk het antwoord daar binnen.Cornelis keek door het duister van den nacht in het rond en toen hij niemand zag of hoorde, zeide hij, maar niet harder dan dringend noodig was: „Ik ben Cornelis Joppensz., de pleegzoon van schipper Van Keulen en ik kom uit Leiden!”Aanstonds ging de deur open.„Wel, Keesje, ben jij hier?” vroeg de man, die een Oom van Leeuwke was, en de beide vrienden dikwijls bij zich had gehad. „Waar moet dat heen?”„Ik moet brieven naar Delft bij den Prins brengen, en nu kom ik hier mijn Spaansch soldatenpakje uittrekken, om dan verder te gaan,” antwoordde Cornelis.„Doe dat, mijn jongen, doe dat! Maar zeg, hebt gij het ook al gehoord, hoe ongelukkig mijn aardige Gerrit aan zijn einde gekomen is?”„Neen, Oom Jan, dat weet ik niet! Wij hebben wel vermoed, dat hij dood is, en ik heb zijnen dood ook al half gewroken. Maar zeg, hoe is hij omgekomen?”„Allerellendigst, Kees, allerellendigst,” antwoordde de oude man en vertelde hierop hoe alles toegegaan was.„Is dat wáár, Oom Jan?” vroeg Cornelis en zijne stem beefde van aandoening en van kwaadheid.„Ja, dat is zeker, mijn jongen!”„Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!” klonk het uit den mond van Cornelis. „Een musket, Oom Jan, een musket!”„Stil, stil, jongen, gij vergeet uwe boodschap en denkt er niet aan, dat de muren van mijn huisje niet dik zijn!”„Maar moet ik dan Leeuwke niet wreken, Oom Jan? Toe, toe, een musket of zinkroer, eene handspaak of een verrejager, het is mij onverschillig; maar wat hebben moet ik! Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”„Gij weet niet wat ge zegt, jongen! Wees bedaard en wreek mijnen besten Gerrit zoo goed als ge kunt; maar nu niet, want gij hebt eene boodschap aan den Prins! Ga die doen en komt gij langs hier terug, dan zal ik u zeggen, wat ik denk dat ge doen moet om uwen vriend te wreken!”„U heeft gelijk, Oom Jan, nu mag ik niet,” zeide Cornelis, die zich eindelijk tot bedaren liet brengen.„En hoe houdt Gerrits Moeder er zich onder met hare kinderen? Is ze altijd nog ziekelijk? En Gonda, is dat nogzulk een trouwhartig zieltje? Lijden ze niet veel gebrek?”„Gebrek lijden we allen, Oom Jan! Gij weet niet, wat er al gegeten wordt. Zelfs de rijken hebben het niet beter dan wij, want wat er nog is, wordt eenvoudig verdeeld. In het begin van Augustus heeft ieder aan zijne Bonmeesters moeten opgeven, waar hij woont, hoe het hoofd van het gezin heet en uit hoeveel personen dat gezin bestaat, en dan mag men voor zooveel personen brood laten halen. Nu hebben de Bonmeesters van onze buurt Gerrit’s naam als hoofd van het gezin op de lijst geplaatst, omdat er alleen maar vermoed wordt, dat hij dood is en niemand er bericht van gekregen heeft. Zoo kan Gonda nu voor zeven inplaats van voor zes man brood halen.”„Maar hebben sommigen de Bonmeesters niet bedrogen, door het gezin grooter te noemen dan het is?”„Ja, zeker, Oom Jan! Ze hebben zelfs geene aangifte gedaan van de dooden, en daarom is er eene strenge straf gezet op die bedriegerij.”„Wat een ellendige toestand toch!”„Ja, wel ellendig, Oom Jan! En als er nu geen brood of vleesch meer is, wat dan? Van honger sterven of aan de pest! Vreeselijk!”„Ja, vreeselijk, jongen. Doch als het nu zóó erg wordt en ge zijt dan weer in Leiden terug, belooft ge mij dan, Cornelis, dat gij bij mijne Zuster helpen zult?”Cornelis beloofde het gaarne en meende reeds heen te gaan, toen Oom Jan naar de spinde ging en er brood en spek uithaalde.„Hier, jongen, eet zooveel als gij lust,” zeide de goedige oude. „Ik zal mij onderwijl wat aankleeden en dan breng ik u door de duinen langs den naasten weg naar Wassenaar! Als ge daar maar zijt, dan is er geen gevaar meer!”Volgaarne nam Cornelis het aanbod van Oom Jan aan en at met eene graagte, die bewees, dat hij zulk eenen maaltijd in langen tijd niet gedaan had.Toen beiden gereed waren gingen ze op weg en bereikten tegen het aanbreken van den dag Wassenaar.Hier namen ze afscheid van elkander en Cornelis beloofde, dat hij, terugkomende, weer zijnen weg over Rijnsburg nemen zou.Het was een prachtige morgen toen Cornelis te ’s-Gravenhage, dat toen lang zoo groot en voornaam niet was als tegenwoordig, binnenkwam.De menschen stonden in dien tijd wat vroeger op dan thans het geval is, zoodat we ons niet al te zeer verwonderen moeten, dat alles reeds in beweging was.„Wel, vrindschap, kunt ge me ook zeggen, waar de Eerwaarde heer Pastoor Vincentius Hugo woont? Ik heb eene boodschap aan hem te doen,” zeide Cornelis zich met deze woorden tot eenen hoefsmid wendende, die al druk bezig was eenige paarden te beslaan.„Jawel, jonkman! Maar Zijn Eerwaarde zal nog niet op zijn! Het is nog wel wat vroeg!”„Ja, maar bij Zijn Eerwaarde moet ik eigenlijk ook niet zijn! Ik moet bij den koster wezen!”„Bij den koster? Dat treft ge! Mijne dochter is daar dienstmeid en gaat er zoo op het oogenblik heen! Stil, daar is ze al! Sanne, die borst moet bij den koster zijn en weet den weg niet!”„Wel, Vader, dan kan hij met me meegaan! Kom maar hier, jonge vriend, ik ga er heen! Of kan ik misschien de boodschap zelf niet doen?”Cornelis had haar nooit gezien, doch hij ontdekte spoedig, dat het meisje, dat zoo driftig naast hem trippelde, niemand anders dan „Bruine Sanne” was.„Ik heb eigenlijk den koster niet te spreken,” zeide Cornelis, nadat ze een eindweegs voortgegaan waren.„Niet? Houdt ge me dan voor den gek?” vroeg ze.„Wel neen! Maar ik heb eene boodschap aan u!”„Aan mij? Waar komt gij vandaan?”„Uit het leger van Don Valdez en Jean Lebon is mijn kameraad!”Het meisje kleurde en zeide niets.„En ik heb eene boodschap van Jean aan u,” vervolgde Cornelis en reikte haar meteen den ring over, zeggende: „Hij heeft me verzocht u dit te geven. Het is een ringetje van zijne lieve Moeder zaliger, en hij vraagt of gij het hem ter liefde aannemen en aan den vinger dragen wilt.”Blozend nam Sanne het ringetje aan en vroeg wanneer hij weer naar het leger dacht terug te keeren.„Ja, dat kan vandaag en dat kan morgen zijn,” antwoordde Cornelis.„Als het nu eens morgen was, dan zou ik misschien iets van de bestorming van Leiden kunnen zeggen; want morgen komt Don Valdez hier op het jaarfeest van Zijn Eerwaarde. Mijn Meester moet dan dienen, en zal lichtelijk wat hooren van de bestorming van Leiden. En daar hij nog al babbelachtig is, kom ik zeker er wat van te weten!”Cornelis stond verwonderd te kijken, dat er van eene bestorming van Leiden sprake was, en besloot nu het meisje geheel uit te hooren.Het scheen echter, dat zij er zelve op het oogenblik niets meer van wist dan dat, wat ze gezegd had, en daar Cornelis het in het belang der Leidenaars rekende, zoo hij met den terugtocht tot den anderen dag wachtte, zeide hij:„Hoor eens, ik moet naar Rotterdam, en nu zal ik het wel zoo weten aan te leggen, dat ik morgen eerst naar huis kan. Wanneer denkt gij, dat ik komen kan?”„Wel, laat zien! Met den noen komt Don Valdez en dan zal het maal om drie uur zeker wel al afgeloopen zijn, en de koster alles aan zijne vrouw en mij verteld hebben. Ik zal tegen vier uur aan de deur staan, en als ik er niet ben, dan klopt ge maar en ge vraagt naar Sanne van den hoefsmid!”„Maar als Don Valdez me dan eens zag!”„Don Valdez komt alléén en, als hij hier is, dan heeft hij wel wat anders te doen, dan door het raam te kijken, wie er klopt! Maar zeg eens, gij zijt toch geen Geus of overlooper?” vroeg Sanne, eensklaps wantrouwend wordende.„Een Geus? Evenmin als uw Vader, vrijster!”„Mijn Vader? Ja, beroep u daar maar zoo hard niet op; want al zegt hij het mij niet, ik zie toch wel, dat hij Geus in zijn hart is. Maar waarom hebt gij geen wapenrok aan?”Die vraag kwam zoo onverwachts en het meisje keek hem zoo strak in de oogen, dat Cornelis, die toch nog geen leugenaar van beroep was, gevoelde dat hij rood werd.Hij begreep echter terstond, dat hij er dapper door heen moest slaan, wille hij geen gevaar loopen de half behaalde voordeelen prijs te geven.„Wie is er veiliger op den heerweg, de Spaansche musketier, de Staatsche soldenier, of de schippersgezel?” vroeg hij.„Bijlo, ge zijt een slimme vogel,” antwoordde Sanne. „De Spaansche musketier en de Staatsche soldenier gaan den schippersgezel onverschillig voorbij! Ge zijt slimmer dan Jean, want die zou nooit op diegedachtegekomen zijn!”„Hij is anders een dood-goeie jongen,” merkte Cornelis aan.„Wel, hij is een kalf, zeg dat! Maar van slimme kalvers heb ik toch nooit gehoord,” hervatte Sanne.Het gesprek had thans lang genoeg geduurd en daar ze juist bij het huis van den koster waren aangekomen, beloofde Cornelis, dat hij den volgenden dag te vier uren weer hier terug zou zijn, en, van het vriendelijk knipoogende meisje afscheid nemende, ging hij heen.Zoo ongeveer te tien uren in den morgen kwam hij te Delft aan.Het scheen, alsof de geheele stad treurde; want de man, die zooveel voor het land gedaan had, lag, zoo zeide men algemeen, met den dood te worstelen.Slechts uit de verte bekeek men het Prinsenhof; want iedereen schuwde het uit vrees der besmetting.Zelfs de schildwachten, die voor de deur stonden, hadden zich zoo ver mogelijk verwijderd, en zonder door dezen tegen gehouden te worden, trad hij binnen.Na lang in het voorhuis gewacht te hebben, kwam er eindelijk een bediende, die hem in het ziekenvertrek bracht, nadat hij vernomen had vanwaar de jongen kwam.„Is daar iemand?” klonk eene zwakke stem, die uit een bed kwam.„Er is hier iemand uit Leiden, Uwe Doorluchtigheid,” zeide de knecht.„Durft gij me naderen, man of knaap?” vroeg de Prins nu aan Cornelis.Cornelis naderde, zachtjes en vol vrees om voor zulk een voornaam man te komen, de bedstede.De Prins keek met groote moeite Cornelis aan en zeide: „Uit Leiden? Heeft de stad zich overgegeven?”„Neen, Uwe Doorluchtigheid, nòg niet! Maar de nood is hoog. Burgemeester Pieter Adriaensz. en Jonker van der Does zenden u dezen brief.”Met moeite verbrak de Prins het zegel en las toen zoo goed als zijne verzwakte oogen hem dit toelieten den bondigen, echt Vaderlandschen brief, waaruit hij vernam dat de keurbende van Leidens ingezetenen besloten had om de stad niet over te geven.„Gij brengt mij de kostelijkste medicijn, knaap,” zeide de Prins. „Ga in het naaste vertrek en zeg aan mijnen hellebaardier, die u hier binnen bracht, dat hij hier bij me komen moet. Kom dan morgenochtend terug, dan zal ik u meteen ook eene boodschap aan mijne trouwe Leidenaars medegeven.”Cornelis groette beleefd en ging heen, doch vroeg aan den knecht, of hij hier wel zoo lang mocht blijven tot deze terugkwam, want dat hij in Delft den weg niet wist.„Goed, jongen,” zei Hans Van Bruggen, die, waar bijna allen den Prins ontvlucht waren, trouw bij zijnen Meester gebleven was. „Blijf hier gerust, ik zal u terecht helpen.”Hans was weldra terug en eer hij nog in het vertrek was, riep hij al: „Jongen, gij zijt een wonder-dokter en hebt de beste medicijn voor mijnen armen Meester gebracht. Ik herkende Zijne Doorluchtigheid bijna niet meer. Zonder hulp had hij het bed verlaten en zat reeds aan de schrijftafel met het oude vuur in de oogen. Dat moet heel Delft weten, wacht maar even.”Hans liep nu naar den wachthebbenden soldaat en beval dezen, het heugelijk nieuws aan den Bevelhebber der wacht over te brengen. In eenen ongelooflijk korten tijd liep het nu als eene blijde mare door heel Delft: „De Prins is plotseling beter geworden. Een jongen heeft bericht uit Leiden gebracht, dat ze daar volharden zullen!”Toen Hans weer bij Cornelis teruggekomen was, zeide hij: „Gij blijft vannacht hier in het Prinsenhof. Ik heb het Zijne Doorluchtigheid gevraagd en deze heeft gezegd: „Goed Hans, en laat hem dan maar alles vertellen van Leiden, wat hij weet. Gij kunt het mij dan later wel verhalen. Mijn hoofd is nog te zwak om er veel van te vragen.” Dat zei hij en daarom, als gij gegeten hebt, maar flink aan den slag.”Cornelis had er natuurlijk niets tegen, en hij vertelde zóó veel en zóó lang, dat het zelfs vrij laat was, eer hij in den slaap nieuwe krachten voor het werk van den volgenden dag ging gâren.
DERTIENDE HOOFDSTUK.Medicijn voor den Prins.
De avond was reeds lang gevallen toen men op den weg tusschen het slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge, Spaansche musketier stevig door zag stappen.Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te groeten, ging hij maar altijd door en alleen, als hij een Overste, Hopman of Onderhopman der belegeraars tegenkwam, groette hij beleefdelijk.„Hei, kameraad, waar moet dat met zulk eene vaart heen?” vroeg hem onverwachts een Luikenaar, die onder het bevel van Jan de Nester stond en nu op weg was naar de Poelschans, om eene boodschap van zijnen Meester aan Don Marion over te brengen.„Ik? Wel, ik moet naar Den Haag!”„Zoo, naar Den Haag! En voor wien dat?”„Ge zijt nieuwsgierig, kameraad, erg nieuwsgierig ook! Maar als ge het zoo graag weet, wil ik het wel zeggen. Ik moet voor onzen Bevelhebber naar Den Haag en naar den Heer Pastoor van de Sint Jacob!”„Wat? Moet ge naar den Eerwaarden Vincentius Hugo?”De aangesprokene, die blijkbaar niet wist, dat de Pastoorvan die kerk zoo heette, zeide kortaf: „Ja, is dat zoo vreemd?”„Vreemd? Welneen, Don Valdez komt daar dikwijls. Hij is met zijn Eerwaarde zeer bevriend! Maar ik wilde wel in uwe plaats zijn om die boodschap te doen!”„Wandelen is vermakelijker dan op post staan; maar de wandeling is toch wel wat ver, kompeer! En, we werken ons hier toch ook niet dood!”„Hoor eens, vriendje, al was de wandeling nog driemaal zoo ver, ik deed ze met pleizier. Kent ge „Bruine Sanne?”„Bruine Sanne? Neen! Wie is dat?”„Die dient bij den koster van de Sint Jacob en ze heeft zooveel als een goed oogje op me, vat ge?”„Ha, waait de wind uit dien hoek? Nu, wat te belasten soms?”„Belasten, belasten! Neen! Ja toch! Wilt ge ook wat voor me doen?”„Zeker, met alle genoegen!”„Kijk,” zeide de Luikenaar, terwijl hij uit een beursje een klein ringetje haalde, „kijk, dat ringetje is van mijne lieve Moeder! Toen die stierf zei ze: „Jean, neem dit ringetje en draag het, of geef het aan een, die het verdient te dragen. Nu was ik eene week of vier geleden in Den Haag, maar ik durfde het haar niet geven. Wilt gij nu voor mij vragen, of ze het ter gedachtenis aan mij dragen wil?”De jonge musketier, in wien ge misschien reeds onzen Cornelis zult herkend hebben, had volstrekt geen plan in Den Haag ergens aan te loopen. Hij had dat praatje van die boodschap bij den Eerwaarden Heer Pastoor maar verzonnen om niet aangehouden te worden. Nu die soldaat evenwel blijk gaf van hem te gelooven, en tevens liet zien, dat in zijn hart ook nog voor heel wat anders plaats was dan voor wreede gedachten, besloot hij terstond dien man van dienst te zijn, en daarom zeide hij: „Wel zeker, kompeer, wel zeker! Maar als ik nu eens dat ringetje aannam,het niet aan „Bruine Sanne” bracht en voor mijzelven verkocht, wat dan? Gij kent mij toch niet!”„Aan uwe spraak hoor ik, dat gij een Hollander zijt, en nu zou ik wel willen vragen, of de Hollanders geene Moeders gehad hebben, en zoo ja, of zij dan den wil van die Moeder niet hebben leeren eerbiedigen, ja, zelfs den wil van eene goede Moeder van eenen hunner makkers?”Cornelis’ oog schoot op die teedere woorden van den ruwen, gebaarden krijgsknecht vol tranen en hem de hand toestekende, zei hij: „Jean, ik heb geene Moeder meer. Ik heb haar nooit gekend. Maar ik heb eene trouwe, brave Pleegmoeder, die ik zielslief heb. Geef hier uw ringetje. „Bruine Sanne” zal het aannemen en u ter gedachtenis dragen, of gij krijgt het terug!”„Ziet ge wel, dat ik mij niet bedroog! Maar hoe heet gij?”Cornelis kon vrij zijnen naam noemen, daar de Luikenaar dien toch nooit zou gehoord hebben en daarom verzweeg hij hem ook niet.„Goed, Cornelis, goed, hier is de ring! Ga nu! God en de Heilige Maagd behoeden u! Maar—als zij het nu niet eens aanneemt?”„Dan kom ik het overmorgen terugbrengen, of ik laat het u bezorgen. Ziet gij mij nu niet, of ontvangt gij niets, dan heeft „Bruine Sanne” den ring, reken daarop. Maar, dat is waar ook, ik vergat het wachtwoord aan de schans te Valkenburg, hoe is dat ook?”„Kort van memorie, kameraad, kort van memorie! Het wachtwoord is anders gemakkelijk genoeg voor een Hollander te onthouden, het is: „Haarlem en Leyden!”„Lomperd, die ik ben, dat is waar ook! Maar zeg, wij staan onzen tijd hier te verbabbelen en we vorderen niet. Ik ga er van door, hoor! Morgen met den noen zal uwe „Bruine Sanne” den ring hebben. Maar van wien moet ik zeggen, dat hij komt? Hoe heet ge nog meer dan Jean?”„Ik heet Jean Lebon en ben musketier in het vendel van Jan de Nester!”„Goed, ze zal het weten! Goeden avond, kameraad!”„Als ge me noodig hebt en ik kan u ook eens eenen dienst doen, dan wil ik u graag helpen! God geleide u!”De twee krijgers drukten elkander de hand en gingen ieder hunnen weg.Of de schildwachten aan de schans te Valkenburg sliepen, dan wel of er aan de zijde van Rijnsburg geene stonden, wie zal dat zeggen, maar zooveel is zeker, dat Cornelis het wachtwoord volstrekt niet noodig had, en dat hij zonder iemand ontmoet te hebben, ongestoord in het holle van den nacht in het dorp aankwam.Het was duidelijk te zien, dat hij meer in dat dorp geweest was; want zonder nauwkeurig rond te kijken, of hij wel op den rechten weg was, ging hij een klein steegje in en stond eindelijk voor een vervallen, armoedig huisje stil.„Ja, het is wel laat; maar ik zal toch maar eens aankloppen,” fluisterde hij en gaf er onmiddellijk gevolg aan.Het duurde nog al eene geruime poos eer hij eenige beweging hoorde.„Heeft er iemand geklopt?” vroeg een man achter de deur.„Ja, ik heb geklopt,” antwoordde Cornelis en vroeg meteen: „Woont hier Jan Leendertsz.Verlaen nog?”„Jawel, die ben ik zelf! Maar wie zijt gij? Wat moet gij hebben?”„Doe maar open, ik moet u even spreken!” zeide Cornelis.„Ik doe midden in den nacht niet open, of ik moet eerst weten, wie er klopt! Ik heb u gevraagd wie gij zijt en wat gij moet, en zoolang ge mij geen antwoord geeft, doe ik niet open,” klonk het antwoord daar binnen.Cornelis keek door het duister van den nacht in het rond en toen hij niemand zag of hoorde, zeide hij, maar niet harder dan dringend noodig was: „Ik ben Cornelis Joppensz., de pleegzoon van schipper Van Keulen en ik kom uit Leiden!”Aanstonds ging de deur open.„Wel, Keesje, ben jij hier?” vroeg de man, die een Oom van Leeuwke was, en de beide vrienden dikwijls bij zich had gehad. „Waar moet dat heen?”„Ik moet brieven naar Delft bij den Prins brengen, en nu kom ik hier mijn Spaansch soldatenpakje uittrekken, om dan verder te gaan,” antwoordde Cornelis.„Doe dat, mijn jongen, doe dat! Maar zeg, hebt gij het ook al gehoord, hoe ongelukkig mijn aardige Gerrit aan zijn einde gekomen is?”„Neen, Oom Jan, dat weet ik niet! Wij hebben wel vermoed, dat hij dood is, en ik heb zijnen dood ook al half gewroken. Maar zeg, hoe is hij omgekomen?”„Allerellendigst, Kees, allerellendigst,” antwoordde de oude man en vertelde hierop hoe alles toegegaan was.„Is dat wáár, Oom Jan?” vroeg Cornelis en zijne stem beefde van aandoening en van kwaadheid.„Ja, dat is zeker, mijn jongen!”„Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!” klonk het uit den mond van Cornelis. „Een musket, Oom Jan, een musket!”„Stil, stil, jongen, gij vergeet uwe boodschap en denkt er niet aan, dat de muren van mijn huisje niet dik zijn!”„Maar moet ik dan Leeuwke niet wreken, Oom Jan? Toe, toe, een musket of zinkroer, eene handspaak of een verrejager, het is mij onverschillig; maar wat hebben moet ik! Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”„Gij weet niet wat ge zegt, jongen! Wees bedaard en wreek mijnen besten Gerrit zoo goed als ge kunt; maar nu niet, want gij hebt eene boodschap aan den Prins! Ga die doen en komt gij langs hier terug, dan zal ik u zeggen, wat ik denk dat ge doen moet om uwen vriend te wreken!”„U heeft gelijk, Oom Jan, nu mag ik niet,” zeide Cornelis, die zich eindelijk tot bedaren liet brengen.„En hoe houdt Gerrits Moeder er zich onder met hare kinderen? Is ze altijd nog ziekelijk? En Gonda, is dat nogzulk een trouwhartig zieltje? Lijden ze niet veel gebrek?”„Gebrek lijden we allen, Oom Jan! Gij weet niet, wat er al gegeten wordt. Zelfs de rijken hebben het niet beter dan wij, want wat er nog is, wordt eenvoudig verdeeld. In het begin van Augustus heeft ieder aan zijne Bonmeesters moeten opgeven, waar hij woont, hoe het hoofd van het gezin heet en uit hoeveel personen dat gezin bestaat, en dan mag men voor zooveel personen brood laten halen. Nu hebben de Bonmeesters van onze buurt Gerrit’s naam als hoofd van het gezin op de lijst geplaatst, omdat er alleen maar vermoed wordt, dat hij dood is en niemand er bericht van gekregen heeft. Zoo kan Gonda nu voor zeven inplaats van voor zes man brood halen.”„Maar hebben sommigen de Bonmeesters niet bedrogen, door het gezin grooter te noemen dan het is?”„Ja, zeker, Oom Jan! Ze hebben zelfs geene aangifte gedaan van de dooden, en daarom is er eene strenge straf gezet op die bedriegerij.”„Wat een ellendige toestand toch!”„Ja, wel ellendig, Oom Jan! En als er nu geen brood of vleesch meer is, wat dan? Van honger sterven of aan de pest! Vreeselijk!”„Ja, vreeselijk, jongen. Doch als het nu zóó erg wordt en ge zijt dan weer in Leiden terug, belooft ge mij dan, Cornelis, dat gij bij mijne Zuster helpen zult?”Cornelis beloofde het gaarne en meende reeds heen te gaan, toen Oom Jan naar de spinde ging en er brood en spek uithaalde.„Hier, jongen, eet zooveel als gij lust,” zeide de goedige oude. „Ik zal mij onderwijl wat aankleeden en dan breng ik u door de duinen langs den naasten weg naar Wassenaar! Als ge daar maar zijt, dan is er geen gevaar meer!”Volgaarne nam Cornelis het aanbod van Oom Jan aan en at met eene graagte, die bewees, dat hij zulk eenen maaltijd in langen tijd niet gedaan had.Toen beiden gereed waren gingen ze op weg en bereikten tegen het aanbreken van den dag Wassenaar.Hier namen ze afscheid van elkander en Cornelis beloofde, dat hij, terugkomende, weer zijnen weg over Rijnsburg nemen zou.Het was een prachtige morgen toen Cornelis te ’s-Gravenhage, dat toen lang zoo groot en voornaam niet was als tegenwoordig, binnenkwam.De menschen stonden in dien tijd wat vroeger op dan thans het geval is, zoodat we ons niet al te zeer verwonderen moeten, dat alles reeds in beweging was.„Wel, vrindschap, kunt ge me ook zeggen, waar de Eerwaarde heer Pastoor Vincentius Hugo woont? Ik heb eene boodschap aan hem te doen,” zeide Cornelis zich met deze woorden tot eenen hoefsmid wendende, die al druk bezig was eenige paarden te beslaan.„Jawel, jonkman! Maar Zijn Eerwaarde zal nog niet op zijn! Het is nog wel wat vroeg!”„Ja, maar bij Zijn Eerwaarde moet ik eigenlijk ook niet zijn! Ik moet bij den koster wezen!”„Bij den koster? Dat treft ge! Mijne dochter is daar dienstmeid en gaat er zoo op het oogenblik heen! Stil, daar is ze al! Sanne, die borst moet bij den koster zijn en weet den weg niet!”„Wel, Vader, dan kan hij met me meegaan! Kom maar hier, jonge vriend, ik ga er heen! Of kan ik misschien de boodschap zelf niet doen?”Cornelis had haar nooit gezien, doch hij ontdekte spoedig, dat het meisje, dat zoo driftig naast hem trippelde, niemand anders dan „Bruine Sanne” was.„Ik heb eigenlijk den koster niet te spreken,” zeide Cornelis, nadat ze een eindweegs voortgegaan waren.„Niet? Houdt ge me dan voor den gek?” vroeg ze.„Wel neen! Maar ik heb eene boodschap aan u!”„Aan mij? Waar komt gij vandaan?”„Uit het leger van Don Valdez en Jean Lebon is mijn kameraad!”Het meisje kleurde en zeide niets.„En ik heb eene boodschap van Jean aan u,” vervolgde Cornelis en reikte haar meteen den ring over, zeggende: „Hij heeft me verzocht u dit te geven. Het is een ringetje van zijne lieve Moeder zaliger, en hij vraagt of gij het hem ter liefde aannemen en aan den vinger dragen wilt.”Blozend nam Sanne het ringetje aan en vroeg wanneer hij weer naar het leger dacht terug te keeren.„Ja, dat kan vandaag en dat kan morgen zijn,” antwoordde Cornelis.„Als het nu eens morgen was, dan zou ik misschien iets van de bestorming van Leiden kunnen zeggen; want morgen komt Don Valdez hier op het jaarfeest van Zijn Eerwaarde. Mijn Meester moet dan dienen, en zal lichtelijk wat hooren van de bestorming van Leiden. En daar hij nog al babbelachtig is, kom ik zeker er wat van te weten!”Cornelis stond verwonderd te kijken, dat er van eene bestorming van Leiden sprake was, en besloot nu het meisje geheel uit te hooren.Het scheen echter, dat zij er zelve op het oogenblik niets meer van wist dan dat, wat ze gezegd had, en daar Cornelis het in het belang der Leidenaars rekende, zoo hij met den terugtocht tot den anderen dag wachtte, zeide hij:„Hoor eens, ik moet naar Rotterdam, en nu zal ik het wel zoo weten aan te leggen, dat ik morgen eerst naar huis kan. Wanneer denkt gij, dat ik komen kan?”„Wel, laat zien! Met den noen komt Don Valdez en dan zal het maal om drie uur zeker wel al afgeloopen zijn, en de koster alles aan zijne vrouw en mij verteld hebben. Ik zal tegen vier uur aan de deur staan, en als ik er niet ben, dan klopt ge maar en ge vraagt naar Sanne van den hoefsmid!”„Maar als Don Valdez me dan eens zag!”„Don Valdez komt alléén en, als hij hier is, dan heeft hij wel wat anders te doen, dan door het raam te kijken, wie er klopt! Maar zeg eens, gij zijt toch geen Geus of overlooper?” vroeg Sanne, eensklaps wantrouwend wordende.„Een Geus? Evenmin als uw Vader, vrijster!”„Mijn Vader? Ja, beroep u daar maar zoo hard niet op; want al zegt hij het mij niet, ik zie toch wel, dat hij Geus in zijn hart is. Maar waarom hebt gij geen wapenrok aan?”Die vraag kwam zoo onverwachts en het meisje keek hem zoo strak in de oogen, dat Cornelis, die toch nog geen leugenaar van beroep was, gevoelde dat hij rood werd.Hij begreep echter terstond, dat hij er dapper door heen moest slaan, wille hij geen gevaar loopen de half behaalde voordeelen prijs te geven.„Wie is er veiliger op den heerweg, de Spaansche musketier, de Staatsche soldenier, of de schippersgezel?” vroeg hij.„Bijlo, ge zijt een slimme vogel,” antwoordde Sanne. „De Spaansche musketier en de Staatsche soldenier gaan den schippersgezel onverschillig voorbij! Ge zijt slimmer dan Jean, want die zou nooit op diegedachtegekomen zijn!”„Hij is anders een dood-goeie jongen,” merkte Cornelis aan.„Wel, hij is een kalf, zeg dat! Maar van slimme kalvers heb ik toch nooit gehoord,” hervatte Sanne.Het gesprek had thans lang genoeg geduurd en daar ze juist bij het huis van den koster waren aangekomen, beloofde Cornelis, dat hij den volgenden dag te vier uren weer hier terug zou zijn, en, van het vriendelijk knipoogende meisje afscheid nemende, ging hij heen.Zoo ongeveer te tien uren in den morgen kwam hij te Delft aan.Het scheen, alsof de geheele stad treurde; want de man, die zooveel voor het land gedaan had, lag, zoo zeide men algemeen, met den dood te worstelen.Slechts uit de verte bekeek men het Prinsenhof; want iedereen schuwde het uit vrees der besmetting.Zelfs de schildwachten, die voor de deur stonden, hadden zich zoo ver mogelijk verwijderd, en zonder door dezen tegen gehouden te worden, trad hij binnen.Na lang in het voorhuis gewacht te hebben, kwam er eindelijk een bediende, die hem in het ziekenvertrek bracht, nadat hij vernomen had vanwaar de jongen kwam.„Is daar iemand?” klonk eene zwakke stem, die uit een bed kwam.„Er is hier iemand uit Leiden, Uwe Doorluchtigheid,” zeide de knecht.„Durft gij me naderen, man of knaap?” vroeg de Prins nu aan Cornelis.Cornelis naderde, zachtjes en vol vrees om voor zulk een voornaam man te komen, de bedstede.De Prins keek met groote moeite Cornelis aan en zeide: „Uit Leiden? Heeft de stad zich overgegeven?”„Neen, Uwe Doorluchtigheid, nòg niet! Maar de nood is hoog. Burgemeester Pieter Adriaensz. en Jonker van der Does zenden u dezen brief.”Met moeite verbrak de Prins het zegel en las toen zoo goed als zijne verzwakte oogen hem dit toelieten den bondigen, echt Vaderlandschen brief, waaruit hij vernam dat de keurbende van Leidens ingezetenen besloten had om de stad niet over te geven.„Gij brengt mij de kostelijkste medicijn, knaap,” zeide de Prins. „Ga in het naaste vertrek en zeg aan mijnen hellebaardier, die u hier binnen bracht, dat hij hier bij me komen moet. Kom dan morgenochtend terug, dan zal ik u meteen ook eene boodschap aan mijne trouwe Leidenaars medegeven.”Cornelis groette beleefd en ging heen, doch vroeg aan den knecht, of hij hier wel zoo lang mocht blijven tot deze terugkwam, want dat hij in Delft den weg niet wist.„Goed, jongen,” zei Hans Van Bruggen, die, waar bijna allen den Prins ontvlucht waren, trouw bij zijnen Meester gebleven was. „Blijf hier gerust, ik zal u terecht helpen.”Hans was weldra terug en eer hij nog in het vertrek was, riep hij al: „Jongen, gij zijt een wonder-dokter en hebt de beste medicijn voor mijnen armen Meester gebracht. Ik herkende Zijne Doorluchtigheid bijna niet meer. Zonder hulp had hij het bed verlaten en zat reeds aan de schrijftafel met het oude vuur in de oogen. Dat moet heel Delft weten, wacht maar even.”Hans liep nu naar den wachthebbenden soldaat en beval dezen, het heugelijk nieuws aan den Bevelhebber der wacht over te brengen. In eenen ongelooflijk korten tijd liep het nu als eene blijde mare door heel Delft: „De Prins is plotseling beter geworden. Een jongen heeft bericht uit Leiden gebracht, dat ze daar volharden zullen!”Toen Hans weer bij Cornelis teruggekomen was, zeide hij: „Gij blijft vannacht hier in het Prinsenhof. Ik heb het Zijne Doorluchtigheid gevraagd en deze heeft gezegd: „Goed Hans, en laat hem dan maar alles vertellen van Leiden, wat hij weet. Gij kunt het mij dan later wel verhalen. Mijn hoofd is nog te zwak om er veel van te vragen.” Dat zei hij en daarom, als gij gegeten hebt, maar flink aan den slag.”Cornelis had er natuurlijk niets tegen, en hij vertelde zóó veel en zóó lang, dat het zelfs vrij laat was, eer hij in den slaap nieuwe krachten voor het werk van den volgenden dag ging gâren.
De avond was reeds lang gevallen toen men op den weg tusschen het slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge, Spaansche musketier stevig door zag stappen.
Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te groeten, ging hij maar altijd door en alleen, als hij een Overste, Hopman of Onderhopman der belegeraars tegenkwam, groette hij beleefdelijk.
„Hei, kameraad, waar moet dat met zulk eene vaart heen?” vroeg hem onverwachts een Luikenaar, die onder het bevel van Jan de Nester stond en nu op weg was naar de Poelschans, om eene boodschap van zijnen Meester aan Don Marion over te brengen.
„Ik? Wel, ik moet naar Den Haag!”
„Zoo, naar Den Haag! En voor wien dat?”
„Ge zijt nieuwsgierig, kameraad, erg nieuwsgierig ook! Maar als ge het zoo graag weet, wil ik het wel zeggen. Ik moet voor onzen Bevelhebber naar Den Haag en naar den Heer Pastoor van de Sint Jacob!”
„Wat? Moet ge naar den Eerwaarden Vincentius Hugo?”
De aangesprokene, die blijkbaar niet wist, dat de Pastoorvan die kerk zoo heette, zeide kortaf: „Ja, is dat zoo vreemd?”
„Vreemd? Welneen, Don Valdez komt daar dikwijls. Hij is met zijn Eerwaarde zeer bevriend! Maar ik wilde wel in uwe plaats zijn om die boodschap te doen!”
„Wandelen is vermakelijker dan op post staan; maar de wandeling is toch wel wat ver, kompeer! En, we werken ons hier toch ook niet dood!”
„Hoor eens, vriendje, al was de wandeling nog driemaal zoo ver, ik deed ze met pleizier. Kent ge „Bruine Sanne?”
„Bruine Sanne? Neen! Wie is dat?”
„Die dient bij den koster van de Sint Jacob en ze heeft zooveel als een goed oogje op me, vat ge?”
„Ha, waait de wind uit dien hoek? Nu, wat te belasten soms?”
„Belasten, belasten! Neen! Ja toch! Wilt ge ook wat voor me doen?”
„Zeker, met alle genoegen!”
„Kijk,” zeide de Luikenaar, terwijl hij uit een beursje een klein ringetje haalde, „kijk, dat ringetje is van mijne lieve Moeder! Toen die stierf zei ze: „Jean, neem dit ringetje en draag het, of geef het aan een, die het verdient te dragen. Nu was ik eene week of vier geleden in Den Haag, maar ik durfde het haar niet geven. Wilt gij nu voor mij vragen, of ze het ter gedachtenis aan mij dragen wil?”
De jonge musketier, in wien ge misschien reeds onzen Cornelis zult herkend hebben, had volstrekt geen plan in Den Haag ergens aan te loopen. Hij had dat praatje van die boodschap bij den Eerwaarden Heer Pastoor maar verzonnen om niet aangehouden te worden. Nu die soldaat evenwel blijk gaf van hem te gelooven, en tevens liet zien, dat in zijn hart ook nog voor heel wat anders plaats was dan voor wreede gedachten, besloot hij terstond dien man van dienst te zijn, en daarom zeide hij: „Wel zeker, kompeer, wel zeker! Maar als ik nu eens dat ringetje aannam,het niet aan „Bruine Sanne” bracht en voor mijzelven verkocht, wat dan? Gij kent mij toch niet!”
„Aan uwe spraak hoor ik, dat gij een Hollander zijt, en nu zou ik wel willen vragen, of de Hollanders geene Moeders gehad hebben, en zoo ja, of zij dan den wil van die Moeder niet hebben leeren eerbiedigen, ja, zelfs den wil van eene goede Moeder van eenen hunner makkers?”
Cornelis’ oog schoot op die teedere woorden van den ruwen, gebaarden krijgsknecht vol tranen en hem de hand toestekende, zei hij: „Jean, ik heb geene Moeder meer. Ik heb haar nooit gekend. Maar ik heb eene trouwe, brave Pleegmoeder, die ik zielslief heb. Geef hier uw ringetje. „Bruine Sanne” zal het aannemen en u ter gedachtenis dragen, of gij krijgt het terug!”
„Ziet ge wel, dat ik mij niet bedroog! Maar hoe heet gij?”
Cornelis kon vrij zijnen naam noemen, daar de Luikenaar dien toch nooit zou gehoord hebben en daarom verzweeg hij hem ook niet.
„Goed, Cornelis, goed, hier is de ring! Ga nu! God en de Heilige Maagd behoeden u! Maar—als zij het nu niet eens aanneemt?”
„Dan kom ik het overmorgen terugbrengen, of ik laat het u bezorgen. Ziet gij mij nu niet, of ontvangt gij niets, dan heeft „Bruine Sanne” den ring, reken daarop. Maar, dat is waar ook, ik vergat het wachtwoord aan de schans te Valkenburg, hoe is dat ook?”
„Kort van memorie, kameraad, kort van memorie! Het wachtwoord is anders gemakkelijk genoeg voor een Hollander te onthouden, het is: „Haarlem en Leyden!”
„Lomperd, die ik ben, dat is waar ook! Maar zeg, wij staan onzen tijd hier te verbabbelen en we vorderen niet. Ik ga er van door, hoor! Morgen met den noen zal uwe „Bruine Sanne” den ring hebben. Maar van wien moet ik zeggen, dat hij komt? Hoe heet ge nog meer dan Jean?”
„Ik heet Jean Lebon en ben musketier in het vendel van Jan de Nester!”
„Goed, ze zal het weten! Goeden avond, kameraad!”
„Als ge me noodig hebt en ik kan u ook eens eenen dienst doen, dan wil ik u graag helpen! God geleide u!”
De twee krijgers drukten elkander de hand en gingen ieder hunnen weg.
Of de schildwachten aan de schans te Valkenburg sliepen, dan wel of er aan de zijde van Rijnsburg geene stonden, wie zal dat zeggen, maar zooveel is zeker, dat Cornelis het wachtwoord volstrekt niet noodig had, en dat hij zonder iemand ontmoet te hebben, ongestoord in het holle van den nacht in het dorp aankwam.
Het was duidelijk te zien, dat hij meer in dat dorp geweest was; want zonder nauwkeurig rond te kijken, of hij wel op den rechten weg was, ging hij een klein steegje in en stond eindelijk voor een vervallen, armoedig huisje stil.
„Ja, het is wel laat; maar ik zal toch maar eens aankloppen,” fluisterde hij en gaf er onmiddellijk gevolg aan.
Het duurde nog al eene geruime poos eer hij eenige beweging hoorde.
„Heeft er iemand geklopt?” vroeg een man achter de deur.
„Ja, ik heb geklopt,” antwoordde Cornelis en vroeg meteen: „Woont hier Jan Leendertsz.Verlaen nog?”
„Jawel, die ben ik zelf! Maar wie zijt gij? Wat moet gij hebben?”
„Doe maar open, ik moet u even spreken!” zeide Cornelis.
„Ik doe midden in den nacht niet open, of ik moet eerst weten, wie er klopt! Ik heb u gevraagd wie gij zijt en wat gij moet, en zoolang ge mij geen antwoord geeft, doe ik niet open,” klonk het antwoord daar binnen.
Cornelis keek door het duister van den nacht in het rond en toen hij niemand zag of hoorde, zeide hij, maar niet harder dan dringend noodig was: „Ik ben Cornelis Joppensz., de pleegzoon van schipper Van Keulen en ik kom uit Leiden!”
Aanstonds ging de deur open.
„Wel, Keesje, ben jij hier?” vroeg de man, die een Oom van Leeuwke was, en de beide vrienden dikwijls bij zich had gehad. „Waar moet dat heen?”
„Ik moet brieven naar Delft bij den Prins brengen, en nu kom ik hier mijn Spaansch soldatenpakje uittrekken, om dan verder te gaan,” antwoordde Cornelis.
„Doe dat, mijn jongen, doe dat! Maar zeg, hebt gij het ook al gehoord, hoe ongelukkig mijn aardige Gerrit aan zijn einde gekomen is?”
„Neen, Oom Jan, dat weet ik niet! Wij hebben wel vermoed, dat hij dood is, en ik heb zijnen dood ook al half gewroken. Maar zeg, hoe is hij omgekomen?”
„Allerellendigst, Kees, allerellendigst,” antwoordde de oude man en vertelde hierop hoe alles toegegaan was.
„Is dat wáár, Oom Jan?” vroeg Cornelis en zijne stem beefde van aandoening en van kwaadheid.
„Ja, dat is zeker, mijn jongen!”
„Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!” klonk het uit den mond van Cornelis. „Een musket, Oom Jan, een musket!”
„Stil, stil, jongen, gij vergeet uwe boodschap en denkt er niet aan, dat de muren van mijn huisje niet dik zijn!”
„Maar moet ik dan Leeuwke niet wreken, Oom Jan? Toe, toe, een musket of zinkroer, eene handspaak of een verrejager, het is mij onverschillig; maar wat hebben moet ik! Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”
„Gij weet niet wat ge zegt, jongen! Wees bedaard en wreek mijnen besten Gerrit zoo goed als ge kunt; maar nu niet, want gij hebt eene boodschap aan den Prins! Ga die doen en komt gij langs hier terug, dan zal ik u zeggen, wat ik denk dat ge doen moet om uwen vriend te wreken!”
„U heeft gelijk, Oom Jan, nu mag ik niet,” zeide Cornelis, die zich eindelijk tot bedaren liet brengen.
„En hoe houdt Gerrits Moeder er zich onder met hare kinderen? Is ze altijd nog ziekelijk? En Gonda, is dat nogzulk een trouwhartig zieltje? Lijden ze niet veel gebrek?”
„Gebrek lijden we allen, Oom Jan! Gij weet niet, wat er al gegeten wordt. Zelfs de rijken hebben het niet beter dan wij, want wat er nog is, wordt eenvoudig verdeeld. In het begin van Augustus heeft ieder aan zijne Bonmeesters moeten opgeven, waar hij woont, hoe het hoofd van het gezin heet en uit hoeveel personen dat gezin bestaat, en dan mag men voor zooveel personen brood laten halen. Nu hebben de Bonmeesters van onze buurt Gerrit’s naam als hoofd van het gezin op de lijst geplaatst, omdat er alleen maar vermoed wordt, dat hij dood is en niemand er bericht van gekregen heeft. Zoo kan Gonda nu voor zeven inplaats van voor zes man brood halen.”
„Maar hebben sommigen de Bonmeesters niet bedrogen, door het gezin grooter te noemen dan het is?”
„Ja, zeker, Oom Jan! Ze hebben zelfs geene aangifte gedaan van de dooden, en daarom is er eene strenge straf gezet op die bedriegerij.”
„Wat een ellendige toestand toch!”
„Ja, wel ellendig, Oom Jan! En als er nu geen brood of vleesch meer is, wat dan? Van honger sterven of aan de pest! Vreeselijk!”
„Ja, vreeselijk, jongen. Doch als het nu zóó erg wordt en ge zijt dan weer in Leiden terug, belooft ge mij dan, Cornelis, dat gij bij mijne Zuster helpen zult?”
Cornelis beloofde het gaarne en meende reeds heen te gaan, toen Oom Jan naar de spinde ging en er brood en spek uithaalde.
„Hier, jongen, eet zooveel als gij lust,” zeide de goedige oude. „Ik zal mij onderwijl wat aankleeden en dan breng ik u door de duinen langs den naasten weg naar Wassenaar! Als ge daar maar zijt, dan is er geen gevaar meer!”
Volgaarne nam Cornelis het aanbod van Oom Jan aan en at met eene graagte, die bewees, dat hij zulk eenen maaltijd in langen tijd niet gedaan had.
Toen beiden gereed waren gingen ze op weg en bereikten tegen het aanbreken van den dag Wassenaar.
Hier namen ze afscheid van elkander en Cornelis beloofde, dat hij, terugkomende, weer zijnen weg over Rijnsburg nemen zou.
Het was een prachtige morgen toen Cornelis te ’s-Gravenhage, dat toen lang zoo groot en voornaam niet was als tegenwoordig, binnenkwam.
De menschen stonden in dien tijd wat vroeger op dan thans het geval is, zoodat we ons niet al te zeer verwonderen moeten, dat alles reeds in beweging was.
„Wel, vrindschap, kunt ge me ook zeggen, waar de Eerwaarde heer Pastoor Vincentius Hugo woont? Ik heb eene boodschap aan hem te doen,” zeide Cornelis zich met deze woorden tot eenen hoefsmid wendende, die al druk bezig was eenige paarden te beslaan.
„Jawel, jonkman! Maar Zijn Eerwaarde zal nog niet op zijn! Het is nog wel wat vroeg!”
„Ja, maar bij Zijn Eerwaarde moet ik eigenlijk ook niet zijn! Ik moet bij den koster wezen!”
„Bij den koster? Dat treft ge! Mijne dochter is daar dienstmeid en gaat er zoo op het oogenblik heen! Stil, daar is ze al! Sanne, die borst moet bij den koster zijn en weet den weg niet!”
„Wel, Vader, dan kan hij met me meegaan! Kom maar hier, jonge vriend, ik ga er heen! Of kan ik misschien de boodschap zelf niet doen?”
Cornelis had haar nooit gezien, doch hij ontdekte spoedig, dat het meisje, dat zoo driftig naast hem trippelde, niemand anders dan „Bruine Sanne” was.
„Ik heb eigenlijk den koster niet te spreken,” zeide Cornelis, nadat ze een eindweegs voortgegaan waren.
„Niet? Houdt ge me dan voor den gek?” vroeg ze.
„Wel neen! Maar ik heb eene boodschap aan u!”
„Aan mij? Waar komt gij vandaan?”
„Uit het leger van Don Valdez en Jean Lebon is mijn kameraad!”
Het meisje kleurde en zeide niets.
„En ik heb eene boodschap van Jean aan u,” vervolgde Cornelis en reikte haar meteen den ring over, zeggende: „Hij heeft me verzocht u dit te geven. Het is een ringetje van zijne lieve Moeder zaliger, en hij vraagt of gij het hem ter liefde aannemen en aan den vinger dragen wilt.”
Blozend nam Sanne het ringetje aan en vroeg wanneer hij weer naar het leger dacht terug te keeren.
„Ja, dat kan vandaag en dat kan morgen zijn,” antwoordde Cornelis.
„Als het nu eens morgen was, dan zou ik misschien iets van de bestorming van Leiden kunnen zeggen; want morgen komt Don Valdez hier op het jaarfeest van Zijn Eerwaarde. Mijn Meester moet dan dienen, en zal lichtelijk wat hooren van de bestorming van Leiden. En daar hij nog al babbelachtig is, kom ik zeker er wat van te weten!”
Cornelis stond verwonderd te kijken, dat er van eene bestorming van Leiden sprake was, en besloot nu het meisje geheel uit te hooren.
Het scheen echter, dat zij er zelve op het oogenblik niets meer van wist dan dat, wat ze gezegd had, en daar Cornelis het in het belang der Leidenaars rekende, zoo hij met den terugtocht tot den anderen dag wachtte, zeide hij:
„Hoor eens, ik moet naar Rotterdam, en nu zal ik het wel zoo weten aan te leggen, dat ik morgen eerst naar huis kan. Wanneer denkt gij, dat ik komen kan?”
„Wel, laat zien! Met den noen komt Don Valdez en dan zal het maal om drie uur zeker wel al afgeloopen zijn, en de koster alles aan zijne vrouw en mij verteld hebben. Ik zal tegen vier uur aan de deur staan, en als ik er niet ben, dan klopt ge maar en ge vraagt naar Sanne van den hoefsmid!”
„Maar als Don Valdez me dan eens zag!”
„Don Valdez komt alléén en, als hij hier is, dan heeft hij wel wat anders te doen, dan door het raam te kijken, wie er klopt! Maar zeg eens, gij zijt toch geen Geus of overlooper?” vroeg Sanne, eensklaps wantrouwend wordende.
„Een Geus? Evenmin als uw Vader, vrijster!”
„Mijn Vader? Ja, beroep u daar maar zoo hard niet op; want al zegt hij het mij niet, ik zie toch wel, dat hij Geus in zijn hart is. Maar waarom hebt gij geen wapenrok aan?”
Die vraag kwam zoo onverwachts en het meisje keek hem zoo strak in de oogen, dat Cornelis, die toch nog geen leugenaar van beroep was, gevoelde dat hij rood werd.
Hij begreep echter terstond, dat hij er dapper door heen moest slaan, wille hij geen gevaar loopen de half behaalde voordeelen prijs te geven.
„Wie is er veiliger op den heerweg, de Spaansche musketier, de Staatsche soldenier, of de schippersgezel?” vroeg hij.
„Bijlo, ge zijt een slimme vogel,” antwoordde Sanne. „De Spaansche musketier en de Staatsche soldenier gaan den schippersgezel onverschillig voorbij! Ge zijt slimmer dan Jean, want die zou nooit op diegedachtegekomen zijn!”
„Hij is anders een dood-goeie jongen,” merkte Cornelis aan.
„Wel, hij is een kalf, zeg dat! Maar van slimme kalvers heb ik toch nooit gehoord,” hervatte Sanne.
Het gesprek had thans lang genoeg geduurd en daar ze juist bij het huis van den koster waren aangekomen, beloofde Cornelis, dat hij den volgenden dag te vier uren weer hier terug zou zijn, en, van het vriendelijk knipoogende meisje afscheid nemende, ging hij heen.
Zoo ongeveer te tien uren in den morgen kwam hij te Delft aan.
Het scheen, alsof de geheele stad treurde; want de man, die zooveel voor het land gedaan had, lag, zoo zeide men algemeen, met den dood te worstelen.
Slechts uit de verte bekeek men het Prinsenhof; want iedereen schuwde het uit vrees der besmetting.
Zelfs de schildwachten, die voor de deur stonden, hadden zich zoo ver mogelijk verwijderd, en zonder door dezen tegen gehouden te worden, trad hij binnen.
Na lang in het voorhuis gewacht te hebben, kwam er eindelijk een bediende, die hem in het ziekenvertrek bracht, nadat hij vernomen had vanwaar de jongen kwam.
„Is daar iemand?” klonk eene zwakke stem, die uit een bed kwam.
„Er is hier iemand uit Leiden, Uwe Doorluchtigheid,” zeide de knecht.
„Durft gij me naderen, man of knaap?” vroeg de Prins nu aan Cornelis.
Cornelis naderde, zachtjes en vol vrees om voor zulk een voornaam man te komen, de bedstede.
De Prins keek met groote moeite Cornelis aan en zeide: „Uit Leiden? Heeft de stad zich overgegeven?”
„Neen, Uwe Doorluchtigheid, nòg niet! Maar de nood is hoog. Burgemeester Pieter Adriaensz. en Jonker van der Does zenden u dezen brief.”
Met moeite verbrak de Prins het zegel en las toen zoo goed als zijne verzwakte oogen hem dit toelieten den bondigen, echt Vaderlandschen brief, waaruit hij vernam dat de keurbende van Leidens ingezetenen besloten had om de stad niet over te geven.
„Gij brengt mij de kostelijkste medicijn, knaap,” zeide de Prins. „Ga in het naaste vertrek en zeg aan mijnen hellebaardier, die u hier binnen bracht, dat hij hier bij me komen moet. Kom dan morgenochtend terug, dan zal ik u meteen ook eene boodschap aan mijne trouwe Leidenaars medegeven.”
Cornelis groette beleefd en ging heen, doch vroeg aan den knecht, of hij hier wel zoo lang mocht blijven tot deze terugkwam, want dat hij in Delft den weg niet wist.
„Goed, jongen,” zei Hans Van Bruggen, die, waar bijna allen den Prins ontvlucht waren, trouw bij zijnen Meester gebleven was. „Blijf hier gerust, ik zal u terecht helpen.”
Hans was weldra terug en eer hij nog in het vertrek was, riep hij al: „Jongen, gij zijt een wonder-dokter en hebt de beste medicijn voor mijnen armen Meester gebracht. Ik herkende Zijne Doorluchtigheid bijna niet meer. Zonder hulp had hij het bed verlaten en zat reeds aan de schrijftafel met het oude vuur in de oogen. Dat moet heel Delft weten, wacht maar even.”
Hans liep nu naar den wachthebbenden soldaat en beval dezen, het heugelijk nieuws aan den Bevelhebber der wacht over te brengen. In eenen ongelooflijk korten tijd liep het nu als eene blijde mare door heel Delft: „De Prins is plotseling beter geworden. Een jongen heeft bericht uit Leiden gebracht, dat ze daar volharden zullen!”
Toen Hans weer bij Cornelis teruggekomen was, zeide hij: „Gij blijft vannacht hier in het Prinsenhof. Ik heb het Zijne Doorluchtigheid gevraagd en deze heeft gezegd: „Goed Hans, en laat hem dan maar alles vertellen van Leiden, wat hij weet. Gij kunt het mij dan later wel verhalen. Mijn hoofd is nog te zwak om er veel van te vragen.” Dat zei hij en daarom, als gij gegeten hebt, maar flink aan den slag.”
Cornelis had er natuurlijk niets tegen, en hij vertelde zóó veel en zóó lang, dat het zelfs vrij laat was, eer hij in den slaap nieuwe krachten voor het werk van den volgenden dag ging gâren.