TWINTIGSTEHOOFDSTUK.

TWINTIGSTEHOOFDSTUK.Noordwest! Noordwest!Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achtentwintigsten van Herfstmaand, twee mannen op wacht.Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en het kostte hun moeite, het op de beenen te houden.Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet en leunden er op, om het afgematte lichaam nog eenigen steun te geven.Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou er thans vast aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er een was, die hem zeide:„Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!”En toch is het zoo.„Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!”„Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd! Het is of ik des nachts den honger nog meer voel danoverdag. Overdag heb ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens.”„Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal.”Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: „Gij eet te veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu hebt gij de maag overladen. Hiervan wordt een mensch altijd zoo raar. Eet minder!”„Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!”„Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft zeker eene boodschap aan ons.”Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen, was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de anderen hadden moeten missen.„Wel, Cornelis, is er nieuws?” vroeg Van Schaeck toen de jonge man ook op den wal was.„Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen hebben ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kinderen dood in het bed gevonden!”„Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als een boom! En nu van den honger gestorven! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen?” klaagde Van der Morsch.„Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben de pestziekte gehad,” zeide Cornelis.„Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje. Maar stil, daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar vrij schieten, dan had ik vanmiddag vleesch in den pot,” zeide Van Schaeck. „Ziet gij het dier wel, Morsch?”„Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif,” riep Cornelis.„Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?” vroeg Van Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den vogel keek.„Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beurtelings rijst en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat ze naar beneden!”„Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont die Speelman. Ik ga kijken, hoor,” juichte Cornelis en liep heen, zoo snel hij nog loopen kon.„Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?” riepen de beide achterblijvenden hem na.„Ja!” klonk het al van achter het hoekhuis.De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen was, werd spoedig bekend en, even alsof het onnoozele dier een einde aan de ellende gemaakt had, was op ieders aangezicht vreugde en nieuwsgierigheid te lezen.De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoover voort te sleepen, begaf zich naar het stadhuis.Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de hand.„Burgers van Leiden!” begon hij, maar met veel zwakker stem dan vroeger, „hier is een briefke van Admiraal van Boisot! Hij schrijft ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de Prins van Oranje zelf in het leger en op de vloot is geweest om in persoon bevel te geven, aangaande het ontzetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen kleinen tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te smeeken! Zoodra er wat mede te deelen valt, zal de Admiraal ons dadelijk met een der andere briefdragerkens, bericht zenden!”Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog eens uitstel!Tot hoe lang?En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schikten zich met eene zekere onverschilligheid in hun lot, terwijl anderen vast geloofden, dat er nu toch spoedig uitkomst komen zou.Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene duif eenen brief gebracht had?....Daar gromden en bromden de klokken!Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op verzoek van den Prins, in de kerken God om hulp smeeken!En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig aan, en vast is het waar, dat in ieders gebed gehoord werd, eene bede om verandering van den wind, eenen hoogeren waterstand en—brood voor den honger.Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaartgangers naar het windvaantje.Was de wind onder kerktijd gekeerd?Hoe wijst het?„Pal noord-oost!”„Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?”In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden: „Heere, behoed ons! Wij vergaan!”Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne kerktaal: „Domine, salva nos! Perimus!”De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht, naar de wallen geweest, om Van Schaeck en Van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.„Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk,” had hij gezegd.Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.„Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen zouden mij zoover niet dragen! Maar, als gij naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee en—vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!”Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene arme weeze in huis opgenomen, en nu de goede WillempjeJansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw nog altijd aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich te nemen.Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.„Gij zijt eene beste Gonda,” zeide Cornelis, „en als we het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan wordt ge mijne vrouw, hoor! Daar kunt ge vast op rekenen!”„Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven,” zeide Gonda.Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om daar de wacht te houden.Hoe ledig was het wachthuis!Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam, dan vond hij vast zijne negen makkers al op hem wachten. Dan hoorde hij al van verre hun luidruchtig gesnap, dan hoorde hij de dobbelsteenen rollen en zag hij den kroes, gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?Er was nog niemand te zien!Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch dat getal was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog negen, toen acht, later nog zes en nu waren ze slechts met hun vieren.De andere zes waren òf aan den honger en de pest gestorven, òf lagen te huis te vechten tegen eene ziekte, waarvoor geene andere medicijn was dan voedsel.En voedsel was er niet!Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft de huik van haren mantel over het hoofd geslagen; want ze wil niet herkend worden.Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend lakenwever of van een behoeftig poorter?Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de stad, dan is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuilnishoopen kruipt, om koolstronken te zoeken, en om die, als zij ze vindt, rauw op te eten.Cornelis keerde zich om; dát kon hij niet zien! Dát was te veel voor hem. Zijn gemoed schoot vol.Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het musket, dat ze bij zich hadden, werd meer gesleept dan gedragen.Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie er het eerst naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam hierdoor het eerst aan de beurt.In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar dit hem weldra te zwaar werd, ging hij er bij zitten.Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten gewaaid, doch tegen den avond was de wind wat gaan liggen.„Het is of er verandering op til is,” dacht hij. „Wind is er haast niet!”Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten van zijnen mantel te spelen.Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op den wal wat heen en weer.Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes, zich van de eene plaats naar de andere bewegen, en dan telkens weer terug keeren.Het waren de brandende lonten van de Spaansche soldaten, die op de schansen en daar tusschen in, de wacht hielden.Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen, zag hij een tal kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voorweg tusschen Zoetermeer en Wilsveen.„Die heb ik daar al dagen lang gezien,” bromde hij,„dat is voorwaar geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar een stap of wat vooruit!”Weer stond hij stil.„Het is toch of er meer wind komt,” fluisterde hij verder.„Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan wist ik het. Maar wacht, de kerk staat oost en west; de poort ligt dus van hier af ook oost! Zoo, die heb ik nu aan mijne rechterhand! Het noorden ligt nu voor me en hier aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen vinger eens nat maken en in de hoogte steken!”De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.„Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west gekomen is; want aan dien kant wordt mijn vinger koud, en het is juist, of hij daar droger is dan ergens anders!”Andermaal liep hij eene poos heen en weer.Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als zoo even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte aan de rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem aan den anderen kant tegen het lijf.„Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is omgeloopen naar het noord-westen,” riep hij hardop. „Dat moeten ze daar binnen weten!”Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post mocht, liep hij den wal af en het wachthuis binnen, waar hij zijne makkers door zwakte in slaap gevallen vond.„Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!” schreeuwde hij zeer opgewonden.De drie musketiers richtten zich op en vroegen bijna te gelijkertijd: „Wat is er, Cornelis? Is er onraad?”„Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is noord-west!”„Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet.”„Komt maar mee en voelt zelven het maar!”Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden hem zoo spoedig ze konden.Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.„Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen wind,” zeiden ze.„Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even was er wèl wind!”„Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen verloren en u blij gemaakt met eene doode musch!”„Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo waar ik hier sta,” was het antwoord.„Nu hoor, wij gaan heen!”„Neen, blijft nu nog even, wie weet....”Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.„Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu?” juichte Cornelis.„Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De biddag heeft geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het ontzet spoedig komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel! Dank, o, dank!”De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan ze gekomen waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun, als het ware, krachten.En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander met tranen in de oogen de handen gedrukt. Overal had men het aanwakkerende koeltje gevoeld, en uit aller hart rees het als een dankgebed: „De wind is noord-west! Goede God, heb dank, heb dank! De ellende zal nu haast geleden zijn!”Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene goede boodschap bracht.Meer en meer stak de wind op.Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies hij de schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders liever niet hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van de wallen in de stad om er de blijde tijding te brengen.Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door zijne overburen toeroepen: „Noord-west, hé?”„Ja, ja, gelukkig!”„Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!”Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.„De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen; het water begint een weinig te wassen! Houdt moed!” stond er in het eene briefke.„Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene handpalm gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet waar wij de stad het gemakkelijkst kunnen binnen komen, zal ik het u weer laten weten. Van Boisot!” las men in het andere briefke.„Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is noord-west! Het stormt op zee! Er zijn al twee brieven van den Admiraal van Boisot gekomen!”Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letterlijk met de deur in het huis zijner Pleegouders.„Wat zegt ge, jongen?” vroeg Van Keulen, die nog op bed lag.„Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor maar, hoe hij door de boomen fluit!”„Komt er nu brood, Cornelis?” klonk het op zwakken toon uit eene bedstede.„Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!”Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk was door het venster naar buiten te kijken.„Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! Goddank,” zeide hij.„Ik wil ook kijken,” riepen de twee oudste jongens en beproefden op te staan, doch werden hierin door Vader verhinderd.„Geduld, jongens,” zei hij, „geduld! De wind is nu wel goed; maar de schepen met brood en ander voedsel liggen nog niet voor de kade!”Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten,naar de wallen om in de verte de vaartuigen hunner verlossers te zien naderkomen.„We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij komen,” had van Boisot gezegd en beval, dat men de kanonnen zou lossen.„Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?” riepen de belegerden.„Van Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw, geeft hem antwoord!”Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen Leiden! De hongerige gezonden sprongen van schrik op en de hongerige zieken ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap en vroegen wat er gaande was.„Wel, buurman, ziet gij het wel,” riep men elkander toe, „hij blijft trouw in zijnen hoek, hé?”„Ja, ja, hij staat daar stevig, man!”„En hebt gij het schieten gehoord, zeg!”„Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!”Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men in eene hevige spanning. Zeven duiven waren er al gekomen. Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden in het water! De wind bleef noordwest; maar,—brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader; maar, .... de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.„Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen,” zeide Van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.„Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen; daar zit niets anders op,” was het antwoord.„En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan....”„Eene duif, eene duif!” riep men van verscheidene kanten.„Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: eene duif!” zeide Van Schaeck op ontevreden toon.„Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef den moed niet verloren,” sprak Van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.

TWINTIGSTEHOOFDSTUK.Noordwest! Noordwest!Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achtentwintigsten van Herfstmaand, twee mannen op wacht.Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en het kostte hun moeite, het op de beenen te houden.Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet en leunden er op, om het afgematte lichaam nog eenigen steun te geven.Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou er thans vast aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er een was, die hem zeide:„Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!”En toch is het zoo.„Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!”„Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd! Het is of ik des nachts den honger nog meer voel danoverdag. Overdag heb ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens.”„Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal.”Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: „Gij eet te veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu hebt gij de maag overladen. Hiervan wordt een mensch altijd zoo raar. Eet minder!”„Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!”„Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft zeker eene boodschap aan ons.”Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen, was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de anderen hadden moeten missen.„Wel, Cornelis, is er nieuws?” vroeg Van Schaeck toen de jonge man ook op den wal was.„Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen hebben ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kinderen dood in het bed gevonden!”„Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als een boom! En nu van den honger gestorven! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen?” klaagde Van der Morsch.„Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben de pestziekte gehad,” zeide Cornelis.„Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje. Maar stil, daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar vrij schieten, dan had ik vanmiddag vleesch in den pot,” zeide Van Schaeck. „Ziet gij het dier wel, Morsch?”„Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif,” riep Cornelis.„Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?” vroeg Van Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den vogel keek.„Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beurtelings rijst en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat ze naar beneden!”„Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont die Speelman. Ik ga kijken, hoor,” juichte Cornelis en liep heen, zoo snel hij nog loopen kon.„Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?” riepen de beide achterblijvenden hem na.„Ja!” klonk het al van achter het hoekhuis.De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen was, werd spoedig bekend en, even alsof het onnoozele dier een einde aan de ellende gemaakt had, was op ieders aangezicht vreugde en nieuwsgierigheid te lezen.De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoover voort te sleepen, begaf zich naar het stadhuis.Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de hand.„Burgers van Leiden!” begon hij, maar met veel zwakker stem dan vroeger, „hier is een briefke van Admiraal van Boisot! Hij schrijft ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de Prins van Oranje zelf in het leger en op de vloot is geweest om in persoon bevel te geven, aangaande het ontzetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen kleinen tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te smeeken! Zoodra er wat mede te deelen valt, zal de Admiraal ons dadelijk met een der andere briefdragerkens, bericht zenden!”Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog eens uitstel!Tot hoe lang?En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schikten zich met eene zekere onverschilligheid in hun lot, terwijl anderen vast geloofden, dat er nu toch spoedig uitkomst komen zou.Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene duif eenen brief gebracht had?....Daar gromden en bromden de klokken!Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op verzoek van den Prins, in de kerken God om hulp smeeken!En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig aan, en vast is het waar, dat in ieders gebed gehoord werd, eene bede om verandering van den wind, eenen hoogeren waterstand en—brood voor den honger.Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaartgangers naar het windvaantje.Was de wind onder kerktijd gekeerd?Hoe wijst het?„Pal noord-oost!”„Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?”In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden: „Heere, behoed ons! Wij vergaan!”Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne kerktaal: „Domine, salva nos! Perimus!”De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht, naar de wallen geweest, om Van Schaeck en Van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.„Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk,” had hij gezegd.Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.„Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen zouden mij zoover niet dragen! Maar, als gij naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee en—vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!”Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene arme weeze in huis opgenomen, en nu de goede WillempjeJansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw nog altijd aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich te nemen.Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.„Gij zijt eene beste Gonda,” zeide Cornelis, „en als we het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan wordt ge mijne vrouw, hoor! Daar kunt ge vast op rekenen!”„Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven,” zeide Gonda.Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om daar de wacht te houden.Hoe ledig was het wachthuis!Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam, dan vond hij vast zijne negen makkers al op hem wachten. Dan hoorde hij al van verre hun luidruchtig gesnap, dan hoorde hij de dobbelsteenen rollen en zag hij den kroes, gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?Er was nog niemand te zien!Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch dat getal was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog negen, toen acht, later nog zes en nu waren ze slechts met hun vieren.De andere zes waren òf aan den honger en de pest gestorven, òf lagen te huis te vechten tegen eene ziekte, waarvoor geene andere medicijn was dan voedsel.En voedsel was er niet!Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft de huik van haren mantel over het hoofd geslagen; want ze wil niet herkend worden.Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend lakenwever of van een behoeftig poorter?Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de stad, dan is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuilnishoopen kruipt, om koolstronken te zoeken, en om die, als zij ze vindt, rauw op te eten.Cornelis keerde zich om; dát kon hij niet zien! Dát was te veel voor hem. Zijn gemoed schoot vol.Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het musket, dat ze bij zich hadden, werd meer gesleept dan gedragen.Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie er het eerst naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam hierdoor het eerst aan de beurt.In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar dit hem weldra te zwaar werd, ging hij er bij zitten.Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten gewaaid, doch tegen den avond was de wind wat gaan liggen.„Het is of er verandering op til is,” dacht hij. „Wind is er haast niet!”Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten van zijnen mantel te spelen.Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op den wal wat heen en weer.Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes, zich van de eene plaats naar de andere bewegen, en dan telkens weer terug keeren.Het waren de brandende lonten van de Spaansche soldaten, die op de schansen en daar tusschen in, de wacht hielden.Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen, zag hij een tal kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voorweg tusschen Zoetermeer en Wilsveen.„Die heb ik daar al dagen lang gezien,” bromde hij,„dat is voorwaar geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar een stap of wat vooruit!”Weer stond hij stil.„Het is toch of er meer wind komt,” fluisterde hij verder.„Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan wist ik het. Maar wacht, de kerk staat oost en west; de poort ligt dus van hier af ook oost! Zoo, die heb ik nu aan mijne rechterhand! Het noorden ligt nu voor me en hier aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen vinger eens nat maken en in de hoogte steken!”De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.„Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west gekomen is; want aan dien kant wordt mijn vinger koud, en het is juist, of hij daar droger is dan ergens anders!”Andermaal liep hij eene poos heen en weer.Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als zoo even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte aan de rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem aan den anderen kant tegen het lijf.„Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is omgeloopen naar het noord-westen,” riep hij hardop. „Dat moeten ze daar binnen weten!”Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post mocht, liep hij den wal af en het wachthuis binnen, waar hij zijne makkers door zwakte in slaap gevallen vond.„Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!” schreeuwde hij zeer opgewonden.De drie musketiers richtten zich op en vroegen bijna te gelijkertijd: „Wat is er, Cornelis? Is er onraad?”„Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is noord-west!”„Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet.”„Komt maar mee en voelt zelven het maar!”Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden hem zoo spoedig ze konden.Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.„Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen wind,” zeiden ze.„Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even was er wèl wind!”„Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen verloren en u blij gemaakt met eene doode musch!”„Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo waar ik hier sta,” was het antwoord.„Nu hoor, wij gaan heen!”„Neen, blijft nu nog even, wie weet....”Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.„Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu?” juichte Cornelis.„Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De biddag heeft geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het ontzet spoedig komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel! Dank, o, dank!”De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan ze gekomen waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun, als het ware, krachten.En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander met tranen in de oogen de handen gedrukt. Overal had men het aanwakkerende koeltje gevoeld, en uit aller hart rees het als een dankgebed: „De wind is noord-west! Goede God, heb dank, heb dank! De ellende zal nu haast geleden zijn!”Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene goede boodschap bracht.Meer en meer stak de wind op.Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies hij de schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders liever niet hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van de wallen in de stad om er de blijde tijding te brengen.Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door zijne overburen toeroepen: „Noord-west, hé?”„Ja, ja, gelukkig!”„Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!”Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.„De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen; het water begint een weinig te wassen! Houdt moed!” stond er in het eene briefke.„Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene handpalm gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet waar wij de stad het gemakkelijkst kunnen binnen komen, zal ik het u weer laten weten. Van Boisot!” las men in het andere briefke.„Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is noord-west! Het stormt op zee! Er zijn al twee brieven van den Admiraal van Boisot gekomen!”Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letterlijk met de deur in het huis zijner Pleegouders.„Wat zegt ge, jongen?” vroeg Van Keulen, die nog op bed lag.„Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor maar, hoe hij door de boomen fluit!”„Komt er nu brood, Cornelis?” klonk het op zwakken toon uit eene bedstede.„Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!”Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk was door het venster naar buiten te kijken.„Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! Goddank,” zeide hij.„Ik wil ook kijken,” riepen de twee oudste jongens en beproefden op te staan, doch werden hierin door Vader verhinderd.„Geduld, jongens,” zei hij, „geduld! De wind is nu wel goed; maar de schepen met brood en ander voedsel liggen nog niet voor de kade!”Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten,naar de wallen om in de verte de vaartuigen hunner verlossers te zien naderkomen.„We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij komen,” had van Boisot gezegd en beval, dat men de kanonnen zou lossen.„Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?” riepen de belegerden.„Van Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw, geeft hem antwoord!”Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen Leiden! De hongerige gezonden sprongen van schrik op en de hongerige zieken ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap en vroegen wat er gaande was.„Wel, buurman, ziet gij het wel,” riep men elkander toe, „hij blijft trouw in zijnen hoek, hé?”„Ja, ja, hij staat daar stevig, man!”„En hebt gij het schieten gehoord, zeg!”„Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!”Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men in eene hevige spanning. Zeven duiven waren er al gekomen. Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden in het water! De wind bleef noordwest; maar,—brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader; maar, .... de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.„Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen,” zeide Van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.„Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen; daar zit niets anders op,” was het antwoord.„En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan....”„Eene duif, eene duif!” riep men van verscheidene kanten.„Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: eene duif!” zeide Van Schaeck op ontevreden toon.„Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef den moed niet verloren,” sprak Van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.

TWINTIGSTEHOOFDSTUK.Noordwest! Noordwest!

Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achtentwintigsten van Herfstmaand, twee mannen op wacht.Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en het kostte hun moeite, het op de beenen te houden.Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet en leunden er op, om het afgematte lichaam nog eenigen steun te geven.Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou er thans vast aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er een was, die hem zeide:„Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!”En toch is het zoo.„Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!”„Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd! Het is of ik des nachts den honger nog meer voel danoverdag. Overdag heb ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens.”„Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal.”Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: „Gij eet te veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu hebt gij de maag overladen. Hiervan wordt een mensch altijd zoo raar. Eet minder!”„Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!”„Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft zeker eene boodschap aan ons.”Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen, was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de anderen hadden moeten missen.„Wel, Cornelis, is er nieuws?” vroeg Van Schaeck toen de jonge man ook op den wal was.„Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen hebben ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kinderen dood in het bed gevonden!”„Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als een boom! En nu van den honger gestorven! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen?” klaagde Van der Morsch.„Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben de pestziekte gehad,” zeide Cornelis.„Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje. Maar stil, daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar vrij schieten, dan had ik vanmiddag vleesch in den pot,” zeide Van Schaeck. „Ziet gij het dier wel, Morsch?”„Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif,” riep Cornelis.„Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?” vroeg Van Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den vogel keek.„Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beurtelings rijst en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat ze naar beneden!”„Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont die Speelman. Ik ga kijken, hoor,” juichte Cornelis en liep heen, zoo snel hij nog loopen kon.„Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?” riepen de beide achterblijvenden hem na.„Ja!” klonk het al van achter het hoekhuis.De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen was, werd spoedig bekend en, even alsof het onnoozele dier een einde aan de ellende gemaakt had, was op ieders aangezicht vreugde en nieuwsgierigheid te lezen.De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoover voort te sleepen, begaf zich naar het stadhuis.Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de hand.„Burgers van Leiden!” begon hij, maar met veel zwakker stem dan vroeger, „hier is een briefke van Admiraal van Boisot! Hij schrijft ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de Prins van Oranje zelf in het leger en op de vloot is geweest om in persoon bevel te geven, aangaande het ontzetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen kleinen tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te smeeken! Zoodra er wat mede te deelen valt, zal de Admiraal ons dadelijk met een der andere briefdragerkens, bericht zenden!”Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog eens uitstel!Tot hoe lang?En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schikten zich met eene zekere onverschilligheid in hun lot, terwijl anderen vast geloofden, dat er nu toch spoedig uitkomst komen zou.Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene duif eenen brief gebracht had?....Daar gromden en bromden de klokken!Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op verzoek van den Prins, in de kerken God om hulp smeeken!En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig aan, en vast is het waar, dat in ieders gebed gehoord werd, eene bede om verandering van den wind, eenen hoogeren waterstand en—brood voor den honger.Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaartgangers naar het windvaantje.Was de wind onder kerktijd gekeerd?Hoe wijst het?„Pal noord-oost!”„Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?”In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden: „Heere, behoed ons! Wij vergaan!”Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne kerktaal: „Domine, salva nos! Perimus!”De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht, naar de wallen geweest, om Van Schaeck en Van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.„Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk,” had hij gezegd.Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.„Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen zouden mij zoover niet dragen! Maar, als gij naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee en—vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!”Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene arme weeze in huis opgenomen, en nu de goede WillempjeJansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw nog altijd aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich te nemen.Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.„Gij zijt eene beste Gonda,” zeide Cornelis, „en als we het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan wordt ge mijne vrouw, hoor! Daar kunt ge vast op rekenen!”„Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven,” zeide Gonda.Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om daar de wacht te houden.Hoe ledig was het wachthuis!Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam, dan vond hij vast zijne negen makkers al op hem wachten. Dan hoorde hij al van verre hun luidruchtig gesnap, dan hoorde hij de dobbelsteenen rollen en zag hij den kroes, gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?Er was nog niemand te zien!Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch dat getal was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog negen, toen acht, later nog zes en nu waren ze slechts met hun vieren.De andere zes waren òf aan den honger en de pest gestorven, òf lagen te huis te vechten tegen eene ziekte, waarvoor geene andere medicijn was dan voedsel.En voedsel was er niet!Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft de huik van haren mantel over het hoofd geslagen; want ze wil niet herkend worden.Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend lakenwever of van een behoeftig poorter?Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de stad, dan is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuilnishoopen kruipt, om koolstronken te zoeken, en om die, als zij ze vindt, rauw op te eten.Cornelis keerde zich om; dát kon hij niet zien! Dát was te veel voor hem. Zijn gemoed schoot vol.Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het musket, dat ze bij zich hadden, werd meer gesleept dan gedragen.Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie er het eerst naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam hierdoor het eerst aan de beurt.In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar dit hem weldra te zwaar werd, ging hij er bij zitten.Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten gewaaid, doch tegen den avond was de wind wat gaan liggen.„Het is of er verandering op til is,” dacht hij. „Wind is er haast niet!”Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten van zijnen mantel te spelen.Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op den wal wat heen en weer.Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes, zich van de eene plaats naar de andere bewegen, en dan telkens weer terug keeren.Het waren de brandende lonten van de Spaansche soldaten, die op de schansen en daar tusschen in, de wacht hielden.Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen, zag hij een tal kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voorweg tusschen Zoetermeer en Wilsveen.„Die heb ik daar al dagen lang gezien,” bromde hij,„dat is voorwaar geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar een stap of wat vooruit!”Weer stond hij stil.„Het is toch of er meer wind komt,” fluisterde hij verder.„Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan wist ik het. Maar wacht, de kerk staat oost en west; de poort ligt dus van hier af ook oost! Zoo, die heb ik nu aan mijne rechterhand! Het noorden ligt nu voor me en hier aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen vinger eens nat maken en in de hoogte steken!”De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.„Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west gekomen is; want aan dien kant wordt mijn vinger koud, en het is juist, of hij daar droger is dan ergens anders!”Andermaal liep hij eene poos heen en weer.Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als zoo even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte aan de rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem aan den anderen kant tegen het lijf.„Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is omgeloopen naar het noord-westen,” riep hij hardop. „Dat moeten ze daar binnen weten!”Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post mocht, liep hij den wal af en het wachthuis binnen, waar hij zijne makkers door zwakte in slaap gevallen vond.„Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!” schreeuwde hij zeer opgewonden.De drie musketiers richtten zich op en vroegen bijna te gelijkertijd: „Wat is er, Cornelis? Is er onraad?”„Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is noord-west!”„Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet.”„Komt maar mee en voelt zelven het maar!”Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden hem zoo spoedig ze konden.Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.„Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen wind,” zeiden ze.„Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even was er wèl wind!”„Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen verloren en u blij gemaakt met eene doode musch!”„Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo waar ik hier sta,” was het antwoord.„Nu hoor, wij gaan heen!”„Neen, blijft nu nog even, wie weet....”Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.„Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu?” juichte Cornelis.„Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De biddag heeft geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het ontzet spoedig komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel! Dank, o, dank!”De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan ze gekomen waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun, als het ware, krachten.En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander met tranen in de oogen de handen gedrukt. Overal had men het aanwakkerende koeltje gevoeld, en uit aller hart rees het als een dankgebed: „De wind is noord-west! Goede God, heb dank, heb dank! De ellende zal nu haast geleden zijn!”Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene goede boodschap bracht.Meer en meer stak de wind op.Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies hij de schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders liever niet hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van de wallen in de stad om er de blijde tijding te brengen.Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door zijne overburen toeroepen: „Noord-west, hé?”„Ja, ja, gelukkig!”„Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!”Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.„De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen; het water begint een weinig te wassen! Houdt moed!” stond er in het eene briefke.„Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene handpalm gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet waar wij de stad het gemakkelijkst kunnen binnen komen, zal ik het u weer laten weten. Van Boisot!” las men in het andere briefke.„Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is noord-west! Het stormt op zee! Er zijn al twee brieven van den Admiraal van Boisot gekomen!”Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letterlijk met de deur in het huis zijner Pleegouders.„Wat zegt ge, jongen?” vroeg Van Keulen, die nog op bed lag.„Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor maar, hoe hij door de boomen fluit!”„Komt er nu brood, Cornelis?” klonk het op zwakken toon uit eene bedstede.„Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!”Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk was door het venster naar buiten te kijken.„Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! Goddank,” zeide hij.„Ik wil ook kijken,” riepen de twee oudste jongens en beproefden op te staan, doch werden hierin door Vader verhinderd.„Geduld, jongens,” zei hij, „geduld! De wind is nu wel goed; maar de schepen met brood en ander voedsel liggen nog niet voor de kade!”Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten,naar de wallen om in de verte de vaartuigen hunner verlossers te zien naderkomen.„We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij komen,” had van Boisot gezegd en beval, dat men de kanonnen zou lossen.„Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?” riepen de belegerden.„Van Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw, geeft hem antwoord!”Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen Leiden! De hongerige gezonden sprongen van schrik op en de hongerige zieken ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap en vroegen wat er gaande was.„Wel, buurman, ziet gij het wel,” riep men elkander toe, „hij blijft trouw in zijnen hoek, hé?”„Ja, ja, hij staat daar stevig, man!”„En hebt gij het schieten gehoord, zeg!”„Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!”Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men in eene hevige spanning. Zeven duiven waren er al gekomen. Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden in het water! De wind bleef noordwest; maar,—brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader; maar, .... de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.„Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen,” zeide Van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.„Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen; daar zit niets anders op,” was het antwoord.„En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan....”„Eene duif, eene duif!” riep men van verscheidene kanten.„Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: eene duif!” zeide Van Schaeck op ontevreden toon.„Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef den moed niet verloren,” sprak Van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.

Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achtentwintigsten van Herfstmaand, twee mannen op wacht.

Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en het kostte hun moeite, het op de beenen te houden.

Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet en leunden er op, om het afgematte lichaam nog eenigen steun te geven.

Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou er thans vast aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er een was, die hem zeide:

„Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!”

En toch is het zoo.

„Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!”

„Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd! Het is of ik des nachts den honger nog meer voel danoverdag. Overdag heb ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens.”

„Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal.”

Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: „Gij eet te veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu hebt gij de maag overladen. Hiervan wordt een mensch altijd zoo raar. Eet minder!”

„Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!”

„Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft zeker eene boodschap aan ons.”

Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen, was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de anderen hadden moeten missen.

„Wel, Cornelis, is er nieuws?” vroeg Van Schaeck toen de jonge man ook op den wal was.

„Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen hebben ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kinderen dood in het bed gevonden!”

„Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als een boom! En nu van den honger gestorven! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen?” klaagde Van der Morsch.

„Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben de pestziekte gehad,” zeide Cornelis.

„Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje. Maar stil, daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar vrij schieten, dan had ik vanmiddag vleesch in den pot,” zeide Van Schaeck. „Ziet gij het dier wel, Morsch?”

„Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif,” riep Cornelis.

„Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?” vroeg Van Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den vogel keek.

„Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beurtelings rijst en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat ze naar beneden!”

„Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont die Speelman. Ik ga kijken, hoor,” juichte Cornelis en liep heen, zoo snel hij nog loopen kon.

„Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?” riepen de beide achterblijvenden hem na.

„Ja!” klonk het al van achter het hoekhuis.

De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen was, werd spoedig bekend en, even alsof het onnoozele dier een einde aan de ellende gemaakt had, was op ieders aangezicht vreugde en nieuwsgierigheid te lezen.

De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoover voort te sleepen, begaf zich naar het stadhuis.

Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de hand.

„Burgers van Leiden!” begon hij, maar met veel zwakker stem dan vroeger, „hier is een briefke van Admiraal van Boisot! Hij schrijft ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de Prins van Oranje zelf in het leger en op de vloot is geweest om in persoon bevel te geven, aangaande het ontzetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen kleinen tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te smeeken! Zoodra er wat mede te deelen valt, zal de Admiraal ons dadelijk met een der andere briefdragerkens, bericht zenden!”

Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog eens uitstel!

Tot hoe lang?

En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schikten zich met eene zekere onverschilligheid in hun lot, terwijl anderen vast geloofden, dat er nu toch spoedig uitkomst komen zou.

Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene duif eenen brief gebracht had?....

Daar gromden en bromden de klokken!

Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op verzoek van den Prins, in de kerken God om hulp smeeken!

En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig aan, en vast is het waar, dat in ieders gebed gehoord werd, eene bede om verandering van den wind, eenen hoogeren waterstand en—brood voor den honger.

Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaartgangers naar het windvaantje.

Was de wind onder kerktijd gekeerd?

Hoe wijst het?

„Pal noord-oost!”

„Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?”

In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden: „Heere, behoed ons! Wij vergaan!”

Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne kerktaal: „Domine, salva nos! Perimus!”

De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht, naar de wallen geweest, om Van Schaeck en Van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.

„Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk,” had hij gezegd.

Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.

„Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen zouden mij zoover niet dragen! Maar, als gij naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee en—vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!”

Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene arme weeze in huis opgenomen, en nu de goede WillempjeJansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw nog altijd aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich te nemen.

Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.

Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.

„Gij zijt eene beste Gonda,” zeide Cornelis, „en als we het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan wordt ge mijne vrouw, hoor! Daar kunt ge vast op rekenen!”

„Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven,” zeide Gonda.

Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om daar de wacht te houden.

Hoe ledig was het wachthuis!

Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.

Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam, dan vond hij vast zijne negen makkers al op hem wachten. Dan hoorde hij al van verre hun luidruchtig gesnap, dan hoorde hij de dobbelsteenen rollen en zag hij den kroes, gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?

Er was nog niemand te zien!

Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch dat getal was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog negen, toen acht, later nog zes en nu waren ze slechts met hun vieren.

De andere zes waren òf aan den honger en de pest gestorven, òf lagen te huis te vechten tegen eene ziekte, waarvoor geene andere medicijn was dan voedsel.

En voedsel was er niet!

Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft de huik van haren mantel over het hoofd geslagen; want ze wil niet herkend worden.

Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend lakenwever of van een behoeftig poorter?

Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de stad, dan is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuilnishoopen kruipt, om koolstronken te zoeken, en om die, als zij ze vindt, rauw op te eten.

Cornelis keerde zich om; dát kon hij niet zien! Dát was te veel voor hem. Zijn gemoed schoot vol.

Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het musket, dat ze bij zich hadden, werd meer gesleept dan gedragen.

Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie er het eerst naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam hierdoor het eerst aan de beurt.

In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar dit hem weldra te zwaar werd, ging hij er bij zitten.

Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten gewaaid, doch tegen den avond was de wind wat gaan liggen.

„Het is of er verandering op til is,” dacht hij. „Wind is er haast niet!”

Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten van zijnen mantel te spelen.

Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op den wal wat heen en weer.

Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes, zich van de eene plaats naar de andere bewegen, en dan telkens weer terug keeren.

Het waren de brandende lonten van de Spaansche soldaten, die op de schansen en daar tusschen in, de wacht hielden.

Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen, zag hij een tal kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.

Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voorweg tusschen Zoetermeer en Wilsveen.

„Die heb ik daar al dagen lang gezien,” bromde hij,„dat is voorwaar geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar een stap of wat vooruit!”

Weer stond hij stil.

„Het is toch of er meer wind komt,” fluisterde hij verder.

„Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan wist ik het. Maar wacht, de kerk staat oost en west; de poort ligt dus van hier af ook oost! Zoo, die heb ik nu aan mijne rechterhand! Het noorden ligt nu voor me en hier aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen vinger eens nat maken en in de hoogte steken!”

De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.

„Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west gekomen is; want aan dien kant wordt mijn vinger koud, en het is juist, of hij daar droger is dan ergens anders!”

Andermaal liep hij eene poos heen en weer.

Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als zoo even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte aan de rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem aan den anderen kant tegen het lijf.

„Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is omgeloopen naar het noord-westen,” riep hij hardop. „Dat moeten ze daar binnen weten!”

Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post mocht, liep hij den wal af en het wachthuis binnen, waar hij zijne makkers door zwakte in slaap gevallen vond.

„Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!” schreeuwde hij zeer opgewonden.

De drie musketiers richtten zich op en vroegen bijna te gelijkertijd: „Wat is er, Cornelis? Is er onraad?”

„Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is noord-west!”

„Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet.”

„Komt maar mee en voelt zelven het maar!”

Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden hem zoo spoedig ze konden.

Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.

„Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen wind,” zeiden ze.

„Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even was er wèl wind!”

„Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen verloren en u blij gemaakt met eene doode musch!”

„Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo waar ik hier sta,” was het antwoord.

„Nu hoor, wij gaan heen!”

„Neen, blijft nu nog even, wie weet....”

Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.

„Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu?” juichte Cornelis.

„Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De biddag heeft geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het ontzet spoedig komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel! Dank, o, dank!”

De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan ze gekomen waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun, als het ware, krachten.

En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander met tranen in de oogen de handen gedrukt. Overal had men het aanwakkerende koeltje gevoeld, en uit aller hart rees het als een dankgebed: „De wind is noord-west! Goede God, heb dank, heb dank! De ellende zal nu haast geleden zijn!”

Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene goede boodschap bracht.

Meer en meer stak de wind op.

Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies hij de schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders liever niet hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.

Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van de wallen in de stad om er de blijde tijding te brengen.

Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door zijne overburen toeroepen: „Noord-west, hé?”

„Ja, ja, gelukkig!”

„Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!”

Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.

„De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen; het water begint een weinig te wassen! Houdt moed!” stond er in het eene briefke.

„Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene handpalm gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet waar wij de stad het gemakkelijkst kunnen binnen komen, zal ik het u weer laten weten. Van Boisot!” las men in het andere briefke.

„Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is noord-west! Het stormt op zee! Er zijn al twee brieven van den Admiraal van Boisot gekomen!”

Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letterlijk met de deur in het huis zijner Pleegouders.

„Wat zegt ge, jongen?” vroeg Van Keulen, die nog op bed lag.

„Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor maar, hoe hij door de boomen fluit!”

„Komt er nu brood, Cornelis?” klonk het op zwakken toon uit eene bedstede.

„Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!”

Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk was door het venster naar buiten te kijken.

„Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! Goddank,” zeide hij.

„Ik wil ook kijken,” riepen de twee oudste jongens en beproefden op te staan, doch werden hierin door Vader verhinderd.

„Geduld, jongens,” zei hij, „geduld! De wind is nu wel goed; maar de schepen met brood en ander voedsel liggen nog niet voor de kade!”

Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten,naar de wallen om in de verte de vaartuigen hunner verlossers te zien naderkomen.

„We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij komen,” had van Boisot gezegd en beval, dat men de kanonnen zou lossen.

„Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?” riepen de belegerden.„Van Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw, geeft hem antwoord!”

Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen Leiden! De hongerige gezonden sprongen van schrik op en de hongerige zieken ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap en vroegen wat er gaande was.

„Wel, buurman, ziet gij het wel,” riep men elkander toe, „hij blijft trouw in zijnen hoek, hé?”

„Ja, ja, hij staat daar stevig, man!”

„En hebt gij het schieten gehoord, zeg!”

„Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!”

Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men in eene hevige spanning. Zeven duiven waren er al gekomen. Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden in het water! De wind bleef noordwest; maar,—brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader; maar, .... de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.

„Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen,” zeide Van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.

„Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen; daar zit niets anders op,” was het antwoord.

„En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan....”

„Eene duif, eene duif!” riep men van verscheidene kanten.

„Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: eene duif!” zeide Van Schaeck op ontevreden toon.

„Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef den moed niet verloren,” sprak Van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.


Back to IndexNext