VIJFDE HOOFDSTUK.Er broedt verraad en onweder.Intusschen waren nog een paar schippers den Rijn komen afzakken om, als wind en waterstand zulks toelieten, de brug door te komen. Onder de laatst aangekomenen was ook de schipper van Leiden op Utrecht, diezelf meestal niet aanboord was, en alles overliet aan zijnen meesterknecht Barend Cornelisz. Van Keulen, dien we vroeger reeds noemden. De man had een moeielijk bestaan, want niet alleen dat hij voor zijne vrouw, Willempje Jansdochter, en voor negen kinderen, vier zoons en vijf dochters te zorgen had, had hij Cornelis Joppensz. ook in huis. En hoe lang al! Toen hij pas gehuwd was, stierf zijne buurvrouw, de weduwe van eenen Watergeus. Ze liet een kind van anderhalf jaar geheel onverzorgd achter. Barend en Willempje hadden zich het lot van het weesje aangetrokken en het zelfs, toen ze eigen kinderen kregen, niet minder liefde betoond. Schipper Barend kon wel eens ruw zijn, maar Moeder Willempje was de zachte en weldoende liefde in persoon, zoodat Cornelis zielsveel van haar hield. Hij was al vroeg van school gegaan om zijnen Pleegvader te helpen, en geen uurtje had hij verlorenlaten gaan, waarin hij zich in lezen, schrijven en rekenen oefenen kon, want die kennis had hij als schippersknecht hard noodig. Was hij eenmaal te Leiden aan den wal, nu, dan werd er nog wel eens gespeeld of een guitenstreek uitgehaald, en zijn beste en trouwste kameraad daarbij was ons Leeuwke, wiens Moeder eene weduwe was, die, behalve voor hem, nog voor vijf kinderen te zorgen had.Zoodra Cornelis de snebbe van schipper Van Schaeck zag liggen, was hij er dadelijk aanboord gegaan om naar zijnen kameraad te vragen, en toen hij vernam dat deze uit eieren zoeken was, besloot hij hem op te sporen en was ook weldra verdwenen in de richting die Gerrit, volgens Van Schaeck genomen had. Kort daarop kwam Gerrit thuis om zijnen schipper alles te vertellen, en toen beiden het middagmaal genomen hadden, ging de schipper een dutje doen en Gerrit, zijnen vriend vergetende, zocht zich aan den wal te verzetten.Omstreeks vier uren kwam Van Keulen bij Van Schaeck aanboord.„Weet ge het nieuws al?” vroeg hij dadelijk aan Van Schaeck. „Het is eene nare tijding.”„Gij bedoelt den veldslag, die door Graaf Lodewijk moet verloren zijn? Zou het waar zijn?”„Maar al te waar, kompeer! Heel het leger van Graaf Lodewijk is verslagen, en de Graaf, zoowel als zijn broeder Hendrik, moeten gesneuveld zijn.”„En Graaf Jan?”„Die schijnt den dans ontsprongen te zijn.”„En de Prins van Oranje?”„Deze lag reeds in de Bommelerwaard toen hij de tijding van de nederlaag ontving. De Prins was verpletterd van droefheid, want in Graaf Lodewijk verliest hij ontzettend veel.”„Ja, en hij niet alleen, maar heel het land; want wie zal nu de onderhandelingen met vreemde Vorsten voeren? Heer van Marnix zit gevangen en de Graaf is dood. De toekomst wordt donker, Van Keulen!”„Dat wordt ze, goede vriend,” sprak deze zuchtend.„Maar zou het wel waar zijn? Een kwaad gerucht wordt altijd vergroot.”„Ik kom van Utrecht en daar is een ijlbode bij den Bevelhebber der bezetting gekomen.”„Durfdet gij het wagen naar Utrecht te gaan? Toen ik u niet te Woerden vond, dacht ik dat ge naar Gouda gevaren zoudt zijn.”„Utrecht is, zoo lang als het duurt, wel te genaken, want de Graaf De la Roche, die nu op het slot Vredenburg het bevel voert, schijnt werkelijk een man te zijn, die het met de arme inwoners van Utrecht nog al wel meent.”„Ja, die Utrechtenaars, hoe goed Spaansch ook, moeten zoo nu en dan nog al eens wat van hunne zoogenaamde vrienden geleden hebben.”„Wát geleden, Van Schaeck? Wát? Neen, ontzettend veel. Ik heb er nu eens alles haarfijn van vernomen. De kaaskooper, bij wien ik vroeger altijd mijne kaas bracht, bezocht ik nu weer. Ik had hem in geen anderhalf jaar gezien, en toen ik hem het laatst zag, was hij een welvarend man. Nu is hij straatarm.”„Door de Spanjaarden?”„Ja, door niemand anders. Gij weet niet hoe ze daar huis gehouden hebben. Hij was begonnen met twee Alferessen (Vaandrigs) in kwartier te krijgen, arme slokkerds, wier Ouders misschien in Spanje loopen bedelen. Hier stelden zij zich aan als groote Heeren, en eischten eene Kapiteins-bediening.”„Wat is dat?”„Eene afzonderlijke kamer, iederen avond drie dikke kaarsen op tafel en een groot vuur aan den haard, elken dag een schoon tafellaken en twee schoone servetten, benevens schoon ondergoed, dat ze niet hadden, maar eenvoudig aan lappen uit de winkels wegnamen en voor niemendal lieten naaien. Zij hielden ieder twee bedienden en twee honden, en die allenmoesten onderhouden worden. Voor de Alferessen was het beste eten nog niet goed genoeg. In anderhalf jaar tijds is de goede man op die manier niet minder dan drieduizend gulden kwijtgeraakt en zijne zaak is geheel verloopen.”„Deden ze dat soms, omdat hij een Ketter is?”„Hij is geen Ketter. Hij is goed Roomsch en den Koning onderdanig als de beste. Maar juist de aanzienlijkste geslachten in Utrecht, die allen den Koning getrouw en oprecht Roomsch zijn, worden het meest afgezet. De Spanjool weet dat daar wat te halen is, want liederlijke ledigloopers gaan naar de Dons en vertellen daar voor eenig drinkgeld, wie de rijksten der stad zijn. En wat doen dan die deugnieten? Dan sturen ze naar zulk eenen Heer de boodschap, dat er een Kapitein of Alferes in kwartier zal komen, doch dat ze hiervan verschoond kunnen blijven, als ze twintig gulden, zoogenaamde „servicio-gelden” aan hen uitbetalen. Dat wordt meestal gedaan en dan steken ook die schelmen de twintig gulden elke maand in den zak, want ze hebben die Capitano’s en Alferessen maar uit hunnen duim gezogen.”„Dat is schandelijk. Maar klagen de Utrechtenaren dan niet?”„Zeker! Ze hebben rechtstreeks eene aanklacht bij den Koning ingediend, doch deze vroeg inlichtingen aan Duc d’ Alv en het einde van de zaak was, dat ze er niets bij wonnen. Eerst na het vertrek van Duc d’ Alv zijn de zaken verbeterd, doch voor velen was het toen al te laat.—Maar nu verteld hoe ik het groote nieuws vernomen heb. Toen Requesens hoorde, dat Graaf Lodewijk eenen inval in het zuiden des lands zou doen, liet hij, dat weten we, Valdez het beleg van ons goede Leiden opbreken. Eer Valdez zich evenwel met D’ Avila vereenigd had, was Graaf Lodewijk met de zijnen op de Mookerheide den vorigen dag verslagen, zoodat Valdez, die niet zoo erg tuk op krijgsroem schijnt te zijn, wel voor Leiden had kunnen blijven liggen. D’Avila stuurde hem ten minste heen, en nu kwam hij eergisterenmet al zijne benden voor Utrecht, waar hij aan den Graaf De la Roche vergunning vroeg om binnen de stad te trekken om daar met zijne soldaten uit te rusten. Maar dat was een tegenvallertje voor den baas. Graaf De la Roche liet hem weten, dat hij in de stad mocht komen, doch dat zijn volk buiten moest blijven. Enkelen van zijne soldaten mochten, maar dan alleen met hun zijdgeweer (zwaard of degen) gewapend, binnen de poorten treden om een en ander te koopen. En wat heeft hij toen gedaan? Hij heeft beproefd om de Wittevrouwen-poort te overrompelen, doch de Magistraat was er met de burgers aanwezig, en heeft onzen braven man zoo netjes tusschen de poort en de hamei ingesloten, dat hij daar zat als een vink in de slagkooi. Nu werd hij woedend en gaf eenen der Magistraats-leden eenen slag in het aangezicht en dreigde door het kasteel heen binnen de stad te komen. Toen liet de Gouverneur alle mannen onder de wapenen komen, en zoo zag baas Valdez zijn heele plan mislukken.”„En waar is hij nu?”„Nog in de omstreken van Utrecht waar zijn volk zoo schandelijk huishoudt, dat het met geene pen te beschrijven is, en ik mag van geluk spreken, dat ik met mijne kostbare lading ongehinderd tot hier gekomen ben. Maar weet gij, wien ik voor Utrecht gezien heb?”„Hiernaar is moeielijk te raden. Wien?”„Den aartsschelm Pier Quaet-Gelaet heb ik er gezien. Hij liep onder de Spanjaarden te zoetelen, en scheen met eenen Alferes op eenen zeer goeden voet te staan. Mij heeft hij niet gezien.”„En waarheen zal Valdez nu gaan?”„Misschien naar Amsterdam om daar uit te rusten.”Van Schaeck schudde het hoofd en zeide: „Neen, maat, hij zal voor Leiden uitrusten, let op, wat ik voorspel.”„Dan hoop ik vóór dien tijd nog de twee ladingen rogge te kunnen halen, die ik daar gekocht heb op last vanBurgemeester Pieter Adriaensz. De eene last, dien ik nu brengen zal, helpt niet veel. Maar waarom gelooft gij nu zoo vast en zeker dat de Spanjaarden weer naar Leiden komen? Mij dunkt dat Valdez, als hij binnen Utrecht wilde uitrusten, en dat is vast waar, wel aan rust, maar niet aan belegeren denkt. Alleen die „PierQuaet-Gelaet” zou mij ongerust kunnen maken.”„En ik heb ook redenen meer voor mijne ongerustheid,” zeide Van Schaeck en deelde zijnen vriend nu mede, wat Gerrit te weten was gekomen.Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het was al laat in den middag toen Van Keulen heenging.Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest. Hij had geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de brug te wringen en was daartoe met zooveel jongens aanboord gegaan, dat de kleine schuit bijna zonk. Hun werk was vergeefsch geweest en de schipper lag weer voor de brug.Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit reeds naar de kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog eens kwam om te vragen of Cornelis hier ook was.„Neen,” zei Van Schaeck. „De jongen is voor den middag reeds hier geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken, maar Gerrit is al lang thuis en heeft Cornelis niet gezien.”„Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets anders op dan dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hij kon wel eens een ongeluk gekregen hebben.”„Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren nog niet gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren, zult gij? Anders gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt er nooit een einde aan.”„Goed, Schipper,” sprak Gerrit en was weldra in het duister verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het eilandje te gaan, waar hij het gesprek had aangehoord; doch hij bedacht zich en geloofde dat hij hem wel ergens anders vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg in naar de schanswaarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden te beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen en zoo Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte had men ook aan de Gouwesluis.Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden van laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den kalen omtrek af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor het eerste beleg, alle gebouwen doen afbreken en alle boomen doen uitroeien om den vijand geene schuilplaats te verschaffen. Het was vanzelf vlak en onbebouwd geweest.Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen hij onverwachts uit eenen slootkant hoorde roepen: „Sst, buk u, ga in het gras liggen!”„Zijt gij dat dan, Cornelis?” vroeg Gerrit op zachten toon en wel wat verschrikt door het onverwachte geluid.„Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!”Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den slootkant; maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch moesten dienen.„Het zijn geene grappen,” antwoordde Cornelis, „daar ginds in of bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik heb binnen Utrecht eenen zekeren Spanjaard, Don Martin D’Ayala,leeren kennen, en dien heb ik vanmiddag, toen ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter, die in linnen handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen, doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen oogen goed den kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen het goed en wel donker was, heeft hij den heerweg verlaten en is naar de schans gegaan. Hij is daar nu binnen. Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den kant zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt in de gracht, die om de schans ligt. Wie weet, wat we hooren, en waarmede we den lande van dienst kunnen zijn!”De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten, zonder door den schildwacht gezien te worden, de gracht.Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en reeds wilde Leeuwke, die van dat luisteren des middags al genoeg genoten had, en bovendien lang zoo veel geduld niet bezat als zijn vriend, zich verwijderen, doch Cornelis wist hem te beduiden, dat de Spanjaard nog niet weg was en dat hij hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke beloofde nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen, vast en zeker heen.Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de beide knapen voetstappen naderkomen en een fluisterend gesprek voeren. Ongelukkig konden de knapen niet verstaan wat er gezegd werd; want die twee spraken te zacht om zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden hoorden ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden beiden de woorden: „Don D’Ayala” en „Swift.”„Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat die Spanjaard hier was, en ofschoon wij niet verstaan konden, wat ze met elkander spraken, toch is het meer dan genoeg, dat we weten, dat die Swift in het geheim een vriend van den Spanjaard is!”Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te vertellen, welk avontuur hij den verloopen middag had gehad, en dat hij dienzelfden Spanjaard reeds in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek had hooren voeren met dien gluiperigen Jurrie Thijsz. Maar hij dacht aan de vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord over te spreken en daarom zweeg hij.Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden, aanboord terugkeerden.Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals hij hem noemde, een paar oorvijgen toe te dienen, toen Leeuwke uitriep: „Sla hem niet, schipper! Sla Cornelis niet! Wij zijn beiden zoo laat aanboord, omdat we in den dienst van den lande uit geweest zijn!”„Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien,” riepVan Keulen. „En mag ik van de helden weten, hoeveel Spanjolen ze in het stof hebben doen bijten?”„Wij hebben niet gevochten, Vader,” zeide Cornelis; „maar wij hebben een gesprek, dat we niet verstaan konden, afgeluisterd!”„Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande eene padde voor eene priksleê! En noemt gij dat nu in dienst van den lande werkzaam zijn?” vroeg Van Schaeck.„Ja, zeker,” hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. „De een was DonD’Ayalauit Utrecht, en de andere Swift, een van de Engelsche bezetting uit de schans!”„Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en was het slechts eene vriendschappelijke bijeenkomst,” merkte Van Keulen aan.„Het kan zijn,” riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat hij van het voorgevallene van den verloopen middag zwijgen moest, „het kan zijn, maar die Spanjaard is dezelfde, dien ik even na den noen in gesprek gehoord heb met Jurrie Thijsz.!”„Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?” vroeg Van Keulen.„Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren,” was het antwoord.Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof hij eenen klap van den molen had gehad, en onvoorziens trok hij zijne vriend opzijde en snauwde hem toe: „En waarom hebt gij me dat daar straks alles niet verteld?”„Omdat ik het niet vertellen mocht,” zeide Gerrit.„Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt,” bromde Cornelis en ging heen.Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander af, om van een en ander, zoodra ze in Leiden gekomen waren, den Magistraat in kennis te stellen en na elkaâr een „wel te rusten” toegewenscht te hebben, gingen ze ter kooi.Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoordof ontdekt te worden, eene zwarte gedaante langs de huizen der Bruggestraat liep en voorzichtig aanboord eener snebbe stapte.Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had opgezocht, om met hen een groot deel van zijn verradersloon in bier of brangdemoris door de keel te jagen.
VIJFDE HOOFDSTUK.Er broedt verraad en onweder.Intusschen waren nog een paar schippers den Rijn komen afzakken om, als wind en waterstand zulks toelieten, de brug door te komen. Onder de laatst aangekomenen was ook de schipper van Leiden op Utrecht, diezelf meestal niet aanboord was, en alles overliet aan zijnen meesterknecht Barend Cornelisz. Van Keulen, dien we vroeger reeds noemden. De man had een moeielijk bestaan, want niet alleen dat hij voor zijne vrouw, Willempje Jansdochter, en voor negen kinderen, vier zoons en vijf dochters te zorgen had, had hij Cornelis Joppensz. ook in huis. En hoe lang al! Toen hij pas gehuwd was, stierf zijne buurvrouw, de weduwe van eenen Watergeus. Ze liet een kind van anderhalf jaar geheel onverzorgd achter. Barend en Willempje hadden zich het lot van het weesje aangetrokken en het zelfs, toen ze eigen kinderen kregen, niet minder liefde betoond. Schipper Barend kon wel eens ruw zijn, maar Moeder Willempje was de zachte en weldoende liefde in persoon, zoodat Cornelis zielsveel van haar hield. Hij was al vroeg van school gegaan om zijnen Pleegvader te helpen, en geen uurtje had hij verlorenlaten gaan, waarin hij zich in lezen, schrijven en rekenen oefenen kon, want die kennis had hij als schippersknecht hard noodig. Was hij eenmaal te Leiden aan den wal, nu, dan werd er nog wel eens gespeeld of een guitenstreek uitgehaald, en zijn beste en trouwste kameraad daarbij was ons Leeuwke, wiens Moeder eene weduwe was, die, behalve voor hem, nog voor vijf kinderen te zorgen had.Zoodra Cornelis de snebbe van schipper Van Schaeck zag liggen, was hij er dadelijk aanboord gegaan om naar zijnen kameraad te vragen, en toen hij vernam dat deze uit eieren zoeken was, besloot hij hem op te sporen en was ook weldra verdwenen in de richting die Gerrit, volgens Van Schaeck genomen had. Kort daarop kwam Gerrit thuis om zijnen schipper alles te vertellen, en toen beiden het middagmaal genomen hadden, ging de schipper een dutje doen en Gerrit, zijnen vriend vergetende, zocht zich aan den wal te verzetten.Omstreeks vier uren kwam Van Keulen bij Van Schaeck aanboord.„Weet ge het nieuws al?” vroeg hij dadelijk aan Van Schaeck. „Het is eene nare tijding.”„Gij bedoelt den veldslag, die door Graaf Lodewijk moet verloren zijn? Zou het waar zijn?”„Maar al te waar, kompeer! Heel het leger van Graaf Lodewijk is verslagen, en de Graaf, zoowel als zijn broeder Hendrik, moeten gesneuveld zijn.”„En Graaf Jan?”„Die schijnt den dans ontsprongen te zijn.”„En de Prins van Oranje?”„Deze lag reeds in de Bommelerwaard toen hij de tijding van de nederlaag ontving. De Prins was verpletterd van droefheid, want in Graaf Lodewijk verliest hij ontzettend veel.”„Ja, en hij niet alleen, maar heel het land; want wie zal nu de onderhandelingen met vreemde Vorsten voeren? Heer van Marnix zit gevangen en de Graaf is dood. De toekomst wordt donker, Van Keulen!”„Dat wordt ze, goede vriend,” sprak deze zuchtend.„Maar zou het wel waar zijn? Een kwaad gerucht wordt altijd vergroot.”„Ik kom van Utrecht en daar is een ijlbode bij den Bevelhebber der bezetting gekomen.”„Durfdet gij het wagen naar Utrecht te gaan? Toen ik u niet te Woerden vond, dacht ik dat ge naar Gouda gevaren zoudt zijn.”„Utrecht is, zoo lang als het duurt, wel te genaken, want de Graaf De la Roche, die nu op het slot Vredenburg het bevel voert, schijnt werkelijk een man te zijn, die het met de arme inwoners van Utrecht nog al wel meent.”„Ja, die Utrechtenaars, hoe goed Spaansch ook, moeten zoo nu en dan nog al eens wat van hunne zoogenaamde vrienden geleden hebben.”„Wát geleden, Van Schaeck? Wát? Neen, ontzettend veel. Ik heb er nu eens alles haarfijn van vernomen. De kaaskooper, bij wien ik vroeger altijd mijne kaas bracht, bezocht ik nu weer. Ik had hem in geen anderhalf jaar gezien, en toen ik hem het laatst zag, was hij een welvarend man. Nu is hij straatarm.”„Door de Spanjaarden?”„Ja, door niemand anders. Gij weet niet hoe ze daar huis gehouden hebben. Hij was begonnen met twee Alferessen (Vaandrigs) in kwartier te krijgen, arme slokkerds, wier Ouders misschien in Spanje loopen bedelen. Hier stelden zij zich aan als groote Heeren, en eischten eene Kapiteins-bediening.”„Wat is dat?”„Eene afzonderlijke kamer, iederen avond drie dikke kaarsen op tafel en een groot vuur aan den haard, elken dag een schoon tafellaken en twee schoone servetten, benevens schoon ondergoed, dat ze niet hadden, maar eenvoudig aan lappen uit de winkels wegnamen en voor niemendal lieten naaien. Zij hielden ieder twee bedienden en twee honden, en die allenmoesten onderhouden worden. Voor de Alferessen was het beste eten nog niet goed genoeg. In anderhalf jaar tijds is de goede man op die manier niet minder dan drieduizend gulden kwijtgeraakt en zijne zaak is geheel verloopen.”„Deden ze dat soms, omdat hij een Ketter is?”„Hij is geen Ketter. Hij is goed Roomsch en den Koning onderdanig als de beste. Maar juist de aanzienlijkste geslachten in Utrecht, die allen den Koning getrouw en oprecht Roomsch zijn, worden het meest afgezet. De Spanjool weet dat daar wat te halen is, want liederlijke ledigloopers gaan naar de Dons en vertellen daar voor eenig drinkgeld, wie de rijksten der stad zijn. En wat doen dan die deugnieten? Dan sturen ze naar zulk eenen Heer de boodschap, dat er een Kapitein of Alferes in kwartier zal komen, doch dat ze hiervan verschoond kunnen blijven, als ze twintig gulden, zoogenaamde „servicio-gelden” aan hen uitbetalen. Dat wordt meestal gedaan en dan steken ook die schelmen de twintig gulden elke maand in den zak, want ze hebben die Capitano’s en Alferessen maar uit hunnen duim gezogen.”„Dat is schandelijk. Maar klagen de Utrechtenaren dan niet?”„Zeker! Ze hebben rechtstreeks eene aanklacht bij den Koning ingediend, doch deze vroeg inlichtingen aan Duc d’ Alv en het einde van de zaak was, dat ze er niets bij wonnen. Eerst na het vertrek van Duc d’ Alv zijn de zaken verbeterd, doch voor velen was het toen al te laat.—Maar nu verteld hoe ik het groote nieuws vernomen heb. Toen Requesens hoorde, dat Graaf Lodewijk eenen inval in het zuiden des lands zou doen, liet hij, dat weten we, Valdez het beleg van ons goede Leiden opbreken. Eer Valdez zich evenwel met D’ Avila vereenigd had, was Graaf Lodewijk met de zijnen op de Mookerheide den vorigen dag verslagen, zoodat Valdez, die niet zoo erg tuk op krijgsroem schijnt te zijn, wel voor Leiden had kunnen blijven liggen. D’Avila stuurde hem ten minste heen, en nu kwam hij eergisterenmet al zijne benden voor Utrecht, waar hij aan den Graaf De la Roche vergunning vroeg om binnen de stad te trekken om daar met zijne soldaten uit te rusten. Maar dat was een tegenvallertje voor den baas. Graaf De la Roche liet hem weten, dat hij in de stad mocht komen, doch dat zijn volk buiten moest blijven. Enkelen van zijne soldaten mochten, maar dan alleen met hun zijdgeweer (zwaard of degen) gewapend, binnen de poorten treden om een en ander te koopen. En wat heeft hij toen gedaan? Hij heeft beproefd om de Wittevrouwen-poort te overrompelen, doch de Magistraat was er met de burgers aanwezig, en heeft onzen braven man zoo netjes tusschen de poort en de hamei ingesloten, dat hij daar zat als een vink in de slagkooi. Nu werd hij woedend en gaf eenen der Magistraats-leden eenen slag in het aangezicht en dreigde door het kasteel heen binnen de stad te komen. Toen liet de Gouverneur alle mannen onder de wapenen komen, en zoo zag baas Valdez zijn heele plan mislukken.”„En waar is hij nu?”„Nog in de omstreken van Utrecht waar zijn volk zoo schandelijk huishoudt, dat het met geene pen te beschrijven is, en ik mag van geluk spreken, dat ik met mijne kostbare lading ongehinderd tot hier gekomen ben. Maar weet gij, wien ik voor Utrecht gezien heb?”„Hiernaar is moeielijk te raden. Wien?”„Den aartsschelm Pier Quaet-Gelaet heb ik er gezien. Hij liep onder de Spanjaarden te zoetelen, en scheen met eenen Alferes op eenen zeer goeden voet te staan. Mij heeft hij niet gezien.”„En waarheen zal Valdez nu gaan?”„Misschien naar Amsterdam om daar uit te rusten.”Van Schaeck schudde het hoofd en zeide: „Neen, maat, hij zal voor Leiden uitrusten, let op, wat ik voorspel.”„Dan hoop ik vóór dien tijd nog de twee ladingen rogge te kunnen halen, die ik daar gekocht heb op last vanBurgemeester Pieter Adriaensz. De eene last, dien ik nu brengen zal, helpt niet veel. Maar waarom gelooft gij nu zoo vast en zeker dat de Spanjaarden weer naar Leiden komen? Mij dunkt dat Valdez, als hij binnen Utrecht wilde uitrusten, en dat is vast waar, wel aan rust, maar niet aan belegeren denkt. Alleen die „PierQuaet-Gelaet” zou mij ongerust kunnen maken.”„En ik heb ook redenen meer voor mijne ongerustheid,” zeide Van Schaeck en deelde zijnen vriend nu mede, wat Gerrit te weten was gekomen.Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het was al laat in den middag toen Van Keulen heenging.Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest. Hij had geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de brug te wringen en was daartoe met zooveel jongens aanboord gegaan, dat de kleine schuit bijna zonk. Hun werk was vergeefsch geweest en de schipper lag weer voor de brug.Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit reeds naar de kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog eens kwam om te vragen of Cornelis hier ook was.„Neen,” zei Van Schaeck. „De jongen is voor den middag reeds hier geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken, maar Gerrit is al lang thuis en heeft Cornelis niet gezien.”„Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets anders op dan dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hij kon wel eens een ongeluk gekregen hebben.”„Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren nog niet gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren, zult gij? Anders gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt er nooit een einde aan.”„Goed, Schipper,” sprak Gerrit en was weldra in het duister verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het eilandje te gaan, waar hij het gesprek had aangehoord; doch hij bedacht zich en geloofde dat hij hem wel ergens anders vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg in naar de schanswaarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden te beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen en zoo Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte had men ook aan de Gouwesluis.Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden van laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den kalen omtrek af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor het eerste beleg, alle gebouwen doen afbreken en alle boomen doen uitroeien om den vijand geene schuilplaats te verschaffen. Het was vanzelf vlak en onbebouwd geweest.Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen hij onverwachts uit eenen slootkant hoorde roepen: „Sst, buk u, ga in het gras liggen!”„Zijt gij dat dan, Cornelis?” vroeg Gerrit op zachten toon en wel wat verschrikt door het onverwachte geluid.„Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!”Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den slootkant; maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch moesten dienen.„Het zijn geene grappen,” antwoordde Cornelis, „daar ginds in of bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik heb binnen Utrecht eenen zekeren Spanjaard, Don Martin D’Ayala,leeren kennen, en dien heb ik vanmiddag, toen ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter, die in linnen handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen, doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen oogen goed den kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen het goed en wel donker was, heeft hij den heerweg verlaten en is naar de schans gegaan. Hij is daar nu binnen. Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den kant zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt in de gracht, die om de schans ligt. Wie weet, wat we hooren, en waarmede we den lande van dienst kunnen zijn!”De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten, zonder door den schildwacht gezien te worden, de gracht.Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en reeds wilde Leeuwke, die van dat luisteren des middags al genoeg genoten had, en bovendien lang zoo veel geduld niet bezat als zijn vriend, zich verwijderen, doch Cornelis wist hem te beduiden, dat de Spanjaard nog niet weg was en dat hij hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke beloofde nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen, vast en zeker heen.Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de beide knapen voetstappen naderkomen en een fluisterend gesprek voeren. Ongelukkig konden de knapen niet verstaan wat er gezegd werd; want die twee spraken te zacht om zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden hoorden ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden beiden de woorden: „Don D’Ayala” en „Swift.”„Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat die Spanjaard hier was, en ofschoon wij niet verstaan konden, wat ze met elkander spraken, toch is het meer dan genoeg, dat we weten, dat die Swift in het geheim een vriend van den Spanjaard is!”Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te vertellen, welk avontuur hij den verloopen middag had gehad, en dat hij dienzelfden Spanjaard reeds in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek had hooren voeren met dien gluiperigen Jurrie Thijsz. Maar hij dacht aan de vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord over te spreken en daarom zweeg hij.Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden, aanboord terugkeerden.Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals hij hem noemde, een paar oorvijgen toe te dienen, toen Leeuwke uitriep: „Sla hem niet, schipper! Sla Cornelis niet! Wij zijn beiden zoo laat aanboord, omdat we in den dienst van den lande uit geweest zijn!”„Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien,” riepVan Keulen. „En mag ik van de helden weten, hoeveel Spanjolen ze in het stof hebben doen bijten?”„Wij hebben niet gevochten, Vader,” zeide Cornelis; „maar wij hebben een gesprek, dat we niet verstaan konden, afgeluisterd!”„Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande eene padde voor eene priksleê! En noemt gij dat nu in dienst van den lande werkzaam zijn?” vroeg Van Schaeck.„Ja, zeker,” hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. „De een was DonD’Ayalauit Utrecht, en de andere Swift, een van de Engelsche bezetting uit de schans!”„Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en was het slechts eene vriendschappelijke bijeenkomst,” merkte Van Keulen aan.„Het kan zijn,” riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat hij van het voorgevallene van den verloopen middag zwijgen moest, „het kan zijn, maar die Spanjaard is dezelfde, dien ik even na den noen in gesprek gehoord heb met Jurrie Thijsz.!”„Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?” vroeg Van Keulen.„Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren,” was het antwoord.Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof hij eenen klap van den molen had gehad, en onvoorziens trok hij zijne vriend opzijde en snauwde hem toe: „En waarom hebt gij me dat daar straks alles niet verteld?”„Omdat ik het niet vertellen mocht,” zeide Gerrit.„Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt,” bromde Cornelis en ging heen.Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander af, om van een en ander, zoodra ze in Leiden gekomen waren, den Magistraat in kennis te stellen en na elkaâr een „wel te rusten” toegewenscht te hebben, gingen ze ter kooi.Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoordof ontdekt te worden, eene zwarte gedaante langs de huizen der Bruggestraat liep en voorzichtig aanboord eener snebbe stapte.Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had opgezocht, om met hen een groot deel van zijn verradersloon in bier of brangdemoris door de keel te jagen.
VIJFDE HOOFDSTUK.Er broedt verraad en onweder.
Intusschen waren nog een paar schippers den Rijn komen afzakken om, als wind en waterstand zulks toelieten, de brug door te komen. Onder de laatst aangekomenen was ook de schipper van Leiden op Utrecht, diezelf meestal niet aanboord was, en alles overliet aan zijnen meesterknecht Barend Cornelisz. Van Keulen, dien we vroeger reeds noemden. De man had een moeielijk bestaan, want niet alleen dat hij voor zijne vrouw, Willempje Jansdochter, en voor negen kinderen, vier zoons en vijf dochters te zorgen had, had hij Cornelis Joppensz. ook in huis. En hoe lang al! Toen hij pas gehuwd was, stierf zijne buurvrouw, de weduwe van eenen Watergeus. Ze liet een kind van anderhalf jaar geheel onverzorgd achter. Barend en Willempje hadden zich het lot van het weesje aangetrokken en het zelfs, toen ze eigen kinderen kregen, niet minder liefde betoond. Schipper Barend kon wel eens ruw zijn, maar Moeder Willempje was de zachte en weldoende liefde in persoon, zoodat Cornelis zielsveel van haar hield. Hij was al vroeg van school gegaan om zijnen Pleegvader te helpen, en geen uurtje had hij verlorenlaten gaan, waarin hij zich in lezen, schrijven en rekenen oefenen kon, want die kennis had hij als schippersknecht hard noodig. Was hij eenmaal te Leiden aan den wal, nu, dan werd er nog wel eens gespeeld of een guitenstreek uitgehaald, en zijn beste en trouwste kameraad daarbij was ons Leeuwke, wiens Moeder eene weduwe was, die, behalve voor hem, nog voor vijf kinderen te zorgen had.Zoodra Cornelis de snebbe van schipper Van Schaeck zag liggen, was hij er dadelijk aanboord gegaan om naar zijnen kameraad te vragen, en toen hij vernam dat deze uit eieren zoeken was, besloot hij hem op te sporen en was ook weldra verdwenen in de richting die Gerrit, volgens Van Schaeck genomen had. Kort daarop kwam Gerrit thuis om zijnen schipper alles te vertellen, en toen beiden het middagmaal genomen hadden, ging de schipper een dutje doen en Gerrit, zijnen vriend vergetende, zocht zich aan den wal te verzetten.Omstreeks vier uren kwam Van Keulen bij Van Schaeck aanboord.„Weet ge het nieuws al?” vroeg hij dadelijk aan Van Schaeck. „Het is eene nare tijding.”„Gij bedoelt den veldslag, die door Graaf Lodewijk moet verloren zijn? Zou het waar zijn?”„Maar al te waar, kompeer! Heel het leger van Graaf Lodewijk is verslagen, en de Graaf, zoowel als zijn broeder Hendrik, moeten gesneuveld zijn.”„En Graaf Jan?”„Die schijnt den dans ontsprongen te zijn.”„En de Prins van Oranje?”„Deze lag reeds in de Bommelerwaard toen hij de tijding van de nederlaag ontving. De Prins was verpletterd van droefheid, want in Graaf Lodewijk verliest hij ontzettend veel.”„Ja, en hij niet alleen, maar heel het land; want wie zal nu de onderhandelingen met vreemde Vorsten voeren? Heer van Marnix zit gevangen en de Graaf is dood. De toekomst wordt donker, Van Keulen!”„Dat wordt ze, goede vriend,” sprak deze zuchtend.„Maar zou het wel waar zijn? Een kwaad gerucht wordt altijd vergroot.”„Ik kom van Utrecht en daar is een ijlbode bij den Bevelhebber der bezetting gekomen.”„Durfdet gij het wagen naar Utrecht te gaan? Toen ik u niet te Woerden vond, dacht ik dat ge naar Gouda gevaren zoudt zijn.”„Utrecht is, zoo lang als het duurt, wel te genaken, want de Graaf De la Roche, die nu op het slot Vredenburg het bevel voert, schijnt werkelijk een man te zijn, die het met de arme inwoners van Utrecht nog al wel meent.”„Ja, die Utrechtenaars, hoe goed Spaansch ook, moeten zoo nu en dan nog al eens wat van hunne zoogenaamde vrienden geleden hebben.”„Wát geleden, Van Schaeck? Wát? Neen, ontzettend veel. Ik heb er nu eens alles haarfijn van vernomen. De kaaskooper, bij wien ik vroeger altijd mijne kaas bracht, bezocht ik nu weer. Ik had hem in geen anderhalf jaar gezien, en toen ik hem het laatst zag, was hij een welvarend man. Nu is hij straatarm.”„Door de Spanjaarden?”„Ja, door niemand anders. Gij weet niet hoe ze daar huis gehouden hebben. Hij was begonnen met twee Alferessen (Vaandrigs) in kwartier te krijgen, arme slokkerds, wier Ouders misschien in Spanje loopen bedelen. Hier stelden zij zich aan als groote Heeren, en eischten eene Kapiteins-bediening.”„Wat is dat?”„Eene afzonderlijke kamer, iederen avond drie dikke kaarsen op tafel en een groot vuur aan den haard, elken dag een schoon tafellaken en twee schoone servetten, benevens schoon ondergoed, dat ze niet hadden, maar eenvoudig aan lappen uit de winkels wegnamen en voor niemendal lieten naaien. Zij hielden ieder twee bedienden en twee honden, en die allenmoesten onderhouden worden. Voor de Alferessen was het beste eten nog niet goed genoeg. In anderhalf jaar tijds is de goede man op die manier niet minder dan drieduizend gulden kwijtgeraakt en zijne zaak is geheel verloopen.”„Deden ze dat soms, omdat hij een Ketter is?”„Hij is geen Ketter. Hij is goed Roomsch en den Koning onderdanig als de beste. Maar juist de aanzienlijkste geslachten in Utrecht, die allen den Koning getrouw en oprecht Roomsch zijn, worden het meest afgezet. De Spanjool weet dat daar wat te halen is, want liederlijke ledigloopers gaan naar de Dons en vertellen daar voor eenig drinkgeld, wie de rijksten der stad zijn. En wat doen dan die deugnieten? Dan sturen ze naar zulk eenen Heer de boodschap, dat er een Kapitein of Alferes in kwartier zal komen, doch dat ze hiervan verschoond kunnen blijven, als ze twintig gulden, zoogenaamde „servicio-gelden” aan hen uitbetalen. Dat wordt meestal gedaan en dan steken ook die schelmen de twintig gulden elke maand in den zak, want ze hebben die Capitano’s en Alferessen maar uit hunnen duim gezogen.”„Dat is schandelijk. Maar klagen de Utrechtenaren dan niet?”„Zeker! Ze hebben rechtstreeks eene aanklacht bij den Koning ingediend, doch deze vroeg inlichtingen aan Duc d’ Alv en het einde van de zaak was, dat ze er niets bij wonnen. Eerst na het vertrek van Duc d’ Alv zijn de zaken verbeterd, doch voor velen was het toen al te laat.—Maar nu verteld hoe ik het groote nieuws vernomen heb. Toen Requesens hoorde, dat Graaf Lodewijk eenen inval in het zuiden des lands zou doen, liet hij, dat weten we, Valdez het beleg van ons goede Leiden opbreken. Eer Valdez zich evenwel met D’ Avila vereenigd had, was Graaf Lodewijk met de zijnen op de Mookerheide den vorigen dag verslagen, zoodat Valdez, die niet zoo erg tuk op krijgsroem schijnt te zijn, wel voor Leiden had kunnen blijven liggen. D’Avila stuurde hem ten minste heen, en nu kwam hij eergisterenmet al zijne benden voor Utrecht, waar hij aan den Graaf De la Roche vergunning vroeg om binnen de stad te trekken om daar met zijne soldaten uit te rusten. Maar dat was een tegenvallertje voor den baas. Graaf De la Roche liet hem weten, dat hij in de stad mocht komen, doch dat zijn volk buiten moest blijven. Enkelen van zijne soldaten mochten, maar dan alleen met hun zijdgeweer (zwaard of degen) gewapend, binnen de poorten treden om een en ander te koopen. En wat heeft hij toen gedaan? Hij heeft beproefd om de Wittevrouwen-poort te overrompelen, doch de Magistraat was er met de burgers aanwezig, en heeft onzen braven man zoo netjes tusschen de poort en de hamei ingesloten, dat hij daar zat als een vink in de slagkooi. Nu werd hij woedend en gaf eenen der Magistraats-leden eenen slag in het aangezicht en dreigde door het kasteel heen binnen de stad te komen. Toen liet de Gouverneur alle mannen onder de wapenen komen, en zoo zag baas Valdez zijn heele plan mislukken.”„En waar is hij nu?”„Nog in de omstreken van Utrecht waar zijn volk zoo schandelijk huishoudt, dat het met geene pen te beschrijven is, en ik mag van geluk spreken, dat ik met mijne kostbare lading ongehinderd tot hier gekomen ben. Maar weet gij, wien ik voor Utrecht gezien heb?”„Hiernaar is moeielijk te raden. Wien?”„Den aartsschelm Pier Quaet-Gelaet heb ik er gezien. Hij liep onder de Spanjaarden te zoetelen, en scheen met eenen Alferes op eenen zeer goeden voet te staan. Mij heeft hij niet gezien.”„En waarheen zal Valdez nu gaan?”„Misschien naar Amsterdam om daar uit te rusten.”Van Schaeck schudde het hoofd en zeide: „Neen, maat, hij zal voor Leiden uitrusten, let op, wat ik voorspel.”„Dan hoop ik vóór dien tijd nog de twee ladingen rogge te kunnen halen, die ik daar gekocht heb op last vanBurgemeester Pieter Adriaensz. De eene last, dien ik nu brengen zal, helpt niet veel. Maar waarom gelooft gij nu zoo vast en zeker dat de Spanjaarden weer naar Leiden komen? Mij dunkt dat Valdez, als hij binnen Utrecht wilde uitrusten, en dat is vast waar, wel aan rust, maar niet aan belegeren denkt. Alleen die „PierQuaet-Gelaet” zou mij ongerust kunnen maken.”„En ik heb ook redenen meer voor mijne ongerustheid,” zeide Van Schaeck en deelde zijnen vriend nu mede, wat Gerrit te weten was gekomen.Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het was al laat in den middag toen Van Keulen heenging.Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest. Hij had geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de brug te wringen en was daartoe met zooveel jongens aanboord gegaan, dat de kleine schuit bijna zonk. Hun werk was vergeefsch geweest en de schipper lag weer voor de brug.Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit reeds naar de kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog eens kwam om te vragen of Cornelis hier ook was.„Neen,” zei Van Schaeck. „De jongen is voor den middag reeds hier geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken, maar Gerrit is al lang thuis en heeft Cornelis niet gezien.”„Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets anders op dan dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hij kon wel eens een ongeluk gekregen hebben.”„Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren nog niet gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren, zult gij? Anders gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt er nooit een einde aan.”„Goed, Schipper,” sprak Gerrit en was weldra in het duister verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het eilandje te gaan, waar hij het gesprek had aangehoord; doch hij bedacht zich en geloofde dat hij hem wel ergens anders vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg in naar de schanswaarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden te beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen en zoo Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte had men ook aan de Gouwesluis.Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden van laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den kalen omtrek af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor het eerste beleg, alle gebouwen doen afbreken en alle boomen doen uitroeien om den vijand geene schuilplaats te verschaffen. Het was vanzelf vlak en onbebouwd geweest.Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen hij onverwachts uit eenen slootkant hoorde roepen: „Sst, buk u, ga in het gras liggen!”„Zijt gij dat dan, Cornelis?” vroeg Gerrit op zachten toon en wel wat verschrikt door het onverwachte geluid.„Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!”Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den slootkant; maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch moesten dienen.„Het zijn geene grappen,” antwoordde Cornelis, „daar ginds in of bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik heb binnen Utrecht eenen zekeren Spanjaard, Don Martin D’Ayala,leeren kennen, en dien heb ik vanmiddag, toen ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter, die in linnen handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen, doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen oogen goed den kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen het goed en wel donker was, heeft hij den heerweg verlaten en is naar de schans gegaan. Hij is daar nu binnen. Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den kant zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt in de gracht, die om de schans ligt. Wie weet, wat we hooren, en waarmede we den lande van dienst kunnen zijn!”De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten, zonder door den schildwacht gezien te worden, de gracht.Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en reeds wilde Leeuwke, die van dat luisteren des middags al genoeg genoten had, en bovendien lang zoo veel geduld niet bezat als zijn vriend, zich verwijderen, doch Cornelis wist hem te beduiden, dat de Spanjaard nog niet weg was en dat hij hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke beloofde nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen, vast en zeker heen.Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de beide knapen voetstappen naderkomen en een fluisterend gesprek voeren. Ongelukkig konden de knapen niet verstaan wat er gezegd werd; want die twee spraken te zacht om zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden hoorden ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden beiden de woorden: „Don D’Ayala” en „Swift.”„Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat die Spanjaard hier was, en ofschoon wij niet verstaan konden, wat ze met elkander spraken, toch is het meer dan genoeg, dat we weten, dat die Swift in het geheim een vriend van den Spanjaard is!”Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te vertellen, welk avontuur hij den verloopen middag had gehad, en dat hij dienzelfden Spanjaard reeds in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek had hooren voeren met dien gluiperigen Jurrie Thijsz. Maar hij dacht aan de vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord over te spreken en daarom zweeg hij.Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden, aanboord terugkeerden.Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals hij hem noemde, een paar oorvijgen toe te dienen, toen Leeuwke uitriep: „Sla hem niet, schipper! Sla Cornelis niet! Wij zijn beiden zoo laat aanboord, omdat we in den dienst van den lande uit geweest zijn!”„Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien,” riepVan Keulen. „En mag ik van de helden weten, hoeveel Spanjolen ze in het stof hebben doen bijten?”„Wij hebben niet gevochten, Vader,” zeide Cornelis; „maar wij hebben een gesprek, dat we niet verstaan konden, afgeluisterd!”„Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande eene padde voor eene priksleê! En noemt gij dat nu in dienst van den lande werkzaam zijn?” vroeg Van Schaeck.„Ja, zeker,” hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. „De een was DonD’Ayalauit Utrecht, en de andere Swift, een van de Engelsche bezetting uit de schans!”„Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en was het slechts eene vriendschappelijke bijeenkomst,” merkte Van Keulen aan.„Het kan zijn,” riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat hij van het voorgevallene van den verloopen middag zwijgen moest, „het kan zijn, maar die Spanjaard is dezelfde, dien ik even na den noen in gesprek gehoord heb met Jurrie Thijsz.!”„Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?” vroeg Van Keulen.„Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren,” was het antwoord.Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof hij eenen klap van den molen had gehad, en onvoorziens trok hij zijne vriend opzijde en snauwde hem toe: „En waarom hebt gij me dat daar straks alles niet verteld?”„Omdat ik het niet vertellen mocht,” zeide Gerrit.„Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt,” bromde Cornelis en ging heen.Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander af, om van een en ander, zoodra ze in Leiden gekomen waren, den Magistraat in kennis te stellen en na elkaâr een „wel te rusten” toegewenscht te hebben, gingen ze ter kooi.Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoordof ontdekt te worden, eene zwarte gedaante langs de huizen der Bruggestraat liep en voorzichtig aanboord eener snebbe stapte.Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had opgezocht, om met hen een groot deel van zijn verradersloon in bier of brangdemoris door de keel te jagen.
Intusschen waren nog een paar schippers den Rijn komen afzakken om, als wind en waterstand zulks toelieten, de brug door te komen. Onder de laatst aangekomenen was ook de schipper van Leiden op Utrecht, diezelf meestal niet aanboord was, en alles overliet aan zijnen meesterknecht Barend Cornelisz. Van Keulen, dien we vroeger reeds noemden. De man had een moeielijk bestaan, want niet alleen dat hij voor zijne vrouw, Willempje Jansdochter, en voor negen kinderen, vier zoons en vijf dochters te zorgen had, had hij Cornelis Joppensz. ook in huis. En hoe lang al! Toen hij pas gehuwd was, stierf zijne buurvrouw, de weduwe van eenen Watergeus. Ze liet een kind van anderhalf jaar geheel onverzorgd achter. Barend en Willempje hadden zich het lot van het weesje aangetrokken en het zelfs, toen ze eigen kinderen kregen, niet minder liefde betoond. Schipper Barend kon wel eens ruw zijn, maar Moeder Willempje was de zachte en weldoende liefde in persoon, zoodat Cornelis zielsveel van haar hield. Hij was al vroeg van school gegaan om zijnen Pleegvader te helpen, en geen uurtje had hij verlorenlaten gaan, waarin hij zich in lezen, schrijven en rekenen oefenen kon, want die kennis had hij als schippersknecht hard noodig. Was hij eenmaal te Leiden aan den wal, nu, dan werd er nog wel eens gespeeld of een guitenstreek uitgehaald, en zijn beste en trouwste kameraad daarbij was ons Leeuwke, wiens Moeder eene weduwe was, die, behalve voor hem, nog voor vijf kinderen te zorgen had.
Zoodra Cornelis de snebbe van schipper Van Schaeck zag liggen, was hij er dadelijk aanboord gegaan om naar zijnen kameraad te vragen, en toen hij vernam dat deze uit eieren zoeken was, besloot hij hem op te sporen en was ook weldra verdwenen in de richting die Gerrit, volgens Van Schaeck genomen had. Kort daarop kwam Gerrit thuis om zijnen schipper alles te vertellen, en toen beiden het middagmaal genomen hadden, ging de schipper een dutje doen en Gerrit, zijnen vriend vergetende, zocht zich aan den wal te verzetten.
Omstreeks vier uren kwam Van Keulen bij Van Schaeck aanboord.
„Weet ge het nieuws al?” vroeg hij dadelijk aan Van Schaeck. „Het is eene nare tijding.”
„Gij bedoelt den veldslag, die door Graaf Lodewijk moet verloren zijn? Zou het waar zijn?”
„Maar al te waar, kompeer! Heel het leger van Graaf Lodewijk is verslagen, en de Graaf, zoowel als zijn broeder Hendrik, moeten gesneuveld zijn.”
„En Graaf Jan?”
„Die schijnt den dans ontsprongen te zijn.”
„En de Prins van Oranje?”
„Deze lag reeds in de Bommelerwaard toen hij de tijding van de nederlaag ontving. De Prins was verpletterd van droefheid, want in Graaf Lodewijk verliest hij ontzettend veel.”
„Ja, en hij niet alleen, maar heel het land; want wie zal nu de onderhandelingen met vreemde Vorsten voeren? Heer van Marnix zit gevangen en de Graaf is dood. De toekomst wordt donker, Van Keulen!”
„Dat wordt ze, goede vriend,” sprak deze zuchtend.
„Maar zou het wel waar zijn? Een kwaad gerucht wordt altijd vergroot.”
„Ik kom van Utrecht en daar is een ijlbode bij den Bevelhebber der bezetting gekomen.”
„Durfdet gij het wagen naar Utrecht te gaan? Toen ik u niet te Woerden vond, dacht ik dat ge naar Gouda gevaren zoudt zijn.”
„Utrecht is, zoo lang als het duurt, wel te genaken, want de Graaf De la Roche, die nu op het slot Vredenburg het bevel voert, schijnt werkelijk een man te zijn, die het met de arme inwoners van Utrecht nog al wel meent.”
„Ja, die Utrechtenaars, hoe goed Spaansch ook, moeten zoo nu en dan nog al eens wat van hunne zoogenaamde vrienden geleden hebben.”
„Wát geleden, Van Schaeck? Wát? Neen, ontzettend veel. Ik heb er nu eens alles haarfijn van vernomen. De kaaskooper, bij wien ik vroeger altijd mijne kaas bracht, bezocht ik nu weer. Ik had hem in geen anderhalf jaar gezien, en toen ik hem het laatst zag, was hij een welvarend man. Nu is hij straatarm.”
„Door de Spanjaarden?”
„Ja, door niemand anders. Gij weet niet hoe ze daar huis gehouden hebben. Hij was begonnen met twee Alferessen (Vaandrigs) in kwartier te krijgen, arme slokkerds, wier Ouders misschien in Spanje loopen bedelen. Hier stelden zij zich aan als groote Heeren, en eischten eene Kapiteins-bediening.”
„Wat is dat?”
„Eene afzonderlijke kamer, iederen avond drie dikke kaarsen op tafel en een groot vuur aan den haard, elken dag een schoon tafellaken en twee schoone servetten, benevens schoon ondergoed, dat ze niet hadden, maar eenvoudig aan lappen uit de winkels wegnamen en voor niemendal lieten naaien. Zij hielden ieder twee bedienden en twee honden, en die allenmoesten onderhouden worden. Voor de Alferessen was het beste eten nog niet goed genoeg. In anderhalf jaar tijds is de goede man op die manier niet minder dan drieduizend gulden kwijtgeraakt en zijne zaak is geheel verloopen.”
„Deden ze dat soms, omdat hij een Ketter is?”
„Hij is geen Ketter. Hij is goed Roomsch en den Koning onderdanig als de beste. Maar juist de aanzienlijkste geslachten in Utrecht, die allen den Koning getrouw en oprecht Roomsch zijn, worden het meest afgezet. De Spanjool weet dat daar wat te halen is, want liederlijke ledigloopers gaan naar de Dons en vertellen daar voor eenig drinkgeld, wie de rijksten der stad zijn. En wat doen dan die deugnieten? Dan sturen ze naar zulk eenen Heer de boodschap, dat er een Kapitein of Alferes in kwartier zal komen, doch dat ze hiervan verschoond kunnen blijven, als ze twintig gulden, zoogenaamde „servicio-gelden” aan hen uitbetalen. Dat wordt meestal gedaan en dan steken ook die schelmen de twintig gulden elke maand in den zak, want ze hebben die Capitano’s en Alferessen maar uit hunnen duim gezogen.”
„Dat is schandelijk. Maar klagen de Utrechtenaren dan niet?”
„Zeker! Ze hebben rechtstreeks eene aanklacht bij den Koning ingediend, doch deze vroeg inlichtingen aan Duc d’ Alv en het einde van de zaak was, dat ze er niets bij wonnen. Eerst na het vertrek van Duc d’ Alv zijn de zaken verbeterd, doch voor velen was het toen al te laat.—Maar nu verteld hoe ik het groote nieuws vernomen heb. Toen Requesens hoorde, dat Graaf Lodewijk eenen inval in het zuiden des lands zou doen, liet hij, dat weten we, Valdez het beleg van ons goede Leiden opbreken. Eer Valdez zich evenwel met D’ Avila vereenigd had, was Graaf Lodewijk met de zijnen op de Mookerheide den vorigen dag verslagen, zoodat Valdez, die niet zoo erg tuk op krijgsroem schijnt te zijn, wel voor Leiden had kunnen blijven liggen. D’Avila stuurde hem ten minste heen, en nu kwam hij eergisterenmet al zijne benden voor Utrecht, waar hij aan den Graaf De la Roche vergunning vroeg om binnen de stad te trekken om daar met zijne soldaten uit te rusten. Maar dat was een tegenvallertje voor den baas. Graaf De la Roche liet hem weten, dat hij in de stad mocht komen, doch dat zijn volk buiten moest blijven. Enkelen van zijne soldaten mochten, maar dan alleen met hun zijdgeweer (zwaard of degen) gewapend, binnen de poorten treden om een en ander te koopen. En wat heeft hij toen gedaan? Hij heeft beproefd om de Wittevrouwen-poort te overrompelen, doch de Magistraat was er met de burgers aanwezig, en heeft onzen braven man zoo netjes tusschen de poort en de hamei ingesloten, dat hij daar zat als een vink in de slagkooi. Nu werd hij woedend en gaf eenen der Magistraats-leden eenen slag in het aangezicht en dreigde door het kasteel heen binnen de stad te komen. Toen liet de Gouverneur alle mannen onder de wapenen komen, en zoo zag baas Valdez zijn heele plan mislukken.”
„En waar is hij nu?”
„Nog in de omstreken van Utrecht waar zijn volk zoo schandelijk huishoudt, dat het met geene pen te beschrijven is, en ik mag van geluk spreken, dat ik met mijne kostbare lading ongehinderd tot hier gekomen ben. Maar weet gij, wien ik voor Utrecht gezien heb?”
„Hiernaar is moeielijk te raden. Wien?”
„Den aartsschelm Pier Quaet-Gelaet heb ik er gezien. Hij liep onder de Spanjaarden te zoetelen, en scheen met eenen Alferes op eenen zeer goeden voet te staan. Mij heeft hij niet gezien.”
„En waarheen zal Valdez nu gaan?”
„Misschien naar Amsterdam om daar uit te rusten.”
Van Schaeck schudde het hoofd en zeide: „Neen, maat, hij zal voor Leiden uitrusten, let op, wat ik voorspel.”
„Dan hoop ik vóór dien tijd nog de twee ladingen rogge te kunnen halen, die ik daar gekocht heb op last vanBurgemeester Pieter Adriaensz. De eene last, dien ik nu brengen zal, helpt niet veel. Maar waarom gelooft gij nu zoo vast en zeker dat de Spanjaarden weer naar Leiden komen? Mij dunkt dat Valdez, als hij binnen Utrecht wilde uitrusten, en dat is vast waar, wel aan rust, maar niet aan belegeren denkt. Alleen die „PierQuaet-Gelaet” zou mij ongerust kunnen maken.”
„En ik heb ook redenen meer voor mijne ongerustheid,” zeide Van Schaeck en deelde zijnen vriend nu mede, wat Gerrit te weten was gekomen.
Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het was al laat in den middag toen Van Keulen heenging.
Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest. Hij had geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de brug te wringen en was daartoe met zooveel jongens aanboord gegaan, dat de kleine schuit bijna zonk. Hun werk was vergeefsch geweest en de schipper lag weer voor de brug.
Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit reeds naar de kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog eens kwam om te vragen of Cornelis hier ook was.
„Neen,” zei Van Schaeck. „De jongen is voor den middag reeds hier geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken, maar Gerrit is al lang thuis en heeft Cornelis niet gezien.”
„Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets anders op dan dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hij kon wel eens een ongeluk gekregen hebben.”
„Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren nog niet gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren, zult gij? Anders gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt er nooit een einde aan.”
„Goed, Schipper,” sprak Gerrit en was weldra in het duister verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het eilandje te gaan, waar hij het gesprek had aangehoord; doch hij bedacht zich en geloofde dat hij hem wel ergens anders vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg in naar de schanswaarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden te beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen en zoo Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte had men ook aan de Gouwesluis.
Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden van laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den kalen omtrek af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor het eerste beleg, alle gebouwen doen afbreken en alle boomen doen uitroeien om den vijand geene schuilplaats te verschaffen. Het was vanzelf vlak en onbebouwd geweest.
Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen hij onverwachts uit eenen slootkant hoorde roepen: „Sst, buk u, ga in het gras liggen!”
„Zijt gij dat dan, Cornelis?” vroeg Gerrit op zachten toon en wel wat verschrikt door het onverwachte geluid.
„Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!”
Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den slootkant; maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch moesten dienen.
„Het zijn geene grappen,” antwoordde Cornelis, „daar ginds in of bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik heb binnen Utrecht eenen zekeren Spanjaard, Don Martin D’Ayala,leeren kennen, en dien heb ik vanmiddag, toen ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter, die in linnen handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen, doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen oogen goed den kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen het goed en wel donker was, heeft hij den heerweg verlaten en is naar de schans gegaan. Hij is daar nu binnen. Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den kant zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt in de gracht, die om de schans ligt. Wie weet, wat we hooren, en waarmede we den lande van dienst kunnen zijn!”
De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten, zonder door den schildwacht gezien te worden, de gracht.
Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en reeds wilde Leeuwke, die van dat luisteren des middags al genoeg genoten had, en bovendien lang zoo veel geduld niet bezat als zijn vriend, zich verwijderen, doch Cornelis wist hem te beduiden, dat de Spanjaard nog niet weg was en dat hij hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke beloofde nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen, vast en zeker heen.
Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de beide knapen voetstappen naderkomen en een fluisterend gesprek voeren. Ongelukkig konden de knapen niet verstaan wat er gezegd werd; want die twee spraken te zacht om zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden hoorden ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden beiden de woorden: „Don D’Ayala” en „Swift.”
„Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat die Spanjaard hier was, en ofschoon wij niet verstaan konden, wat ze met elkander spraken, toch is het meer dan genoeg, dat we weten, dat die Swift in het geheim een vriend van den Spanjaard is!”
Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te vertellen, welk avontuur hij den verloopen middag had gehad, en dat hij dienzelfden Spanjaard reeds in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek had hooren voeren met dien gluiperigen Jurrie Thijsz. Maar hij dacht aan de vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord over te spreken en daarom zweeg hij.
Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden, aanboord terugkeerden.
Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals hij hem noemde, een paar oorvijgen toe te dienen, toen Leeuwke uitriep: „Sla hem niet, schipper! Sla Cornelis niet! Wij zijn beiden zoo laat aanboord, omdat we in den dienst van den lande uit geweest zijn!”
„Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien,” riepVan Keulen. „En mag ik van de helden weten, hoeveel Spanjolen ze in het stof hebben doen bijten?”
„Wij hebben niet gevochten, Vader,” zeide Cornelis; „maar wij hebben een gesprek, dat we niet verstaan konden, afgeluisterd!”
„Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande eene padde voor eene priksleê! En noemt gij dat nu in dienst van den lande werkzaam zijn?” vroeg Van Schaeck.
„Ja, zeker,” hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. „De een was DonD’Ayalauit Utrecht, en de andere Swift, een van de Engelsche bezetting uit de schans!”
„Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en was het slechts eene vriendschappelijke bijeenkomst,” merkte Van Keulen aan.
„Het kan zijn,” riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat hij van het voorgevallene van den verloopen middag zwijgen moest, „het kan zijn, maar die Spanjaard is dezelfde, dien ik even na den noen in gesprek gehoord heb met Jurrie Thijsz.!”
„Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?” vroeg Van Keulen.
„Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren,” was het antwoord.
Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof hij eenen klap van den molen had gehad, en onvoorziens trok hij zijne vriend opzijde en snauwde hem toe: „En waarom hebt gij me dat daar straks alles niet verteld?”
„Omdat ik het niet vertellen mocht,” zeide Gerrit.
„Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt,” bromde Cornelis en ging heen.
Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander af, om van een en ander, zoodra ze in Leiden gekomen waren, den Magistraat in kennis te stellen en na elkaâr een „wel te rusten” toegewenscht te hebben, gingen ze ter kooi.
Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoordof ontdekt te worden, eene zwarte gedaante langs de huizen der Bruggestraat liep en voorzichtig aanboord eener snebbe stapte.
Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had opgezocht, om met hen een groot deel van zijn verradersloon in bier of brangdemoris door de keel te jagen.