Besluit.

[Inhoud]Besluit.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te delven om er de dooden in te begraven.Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren.De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen.Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, die welhaast sterven zou.—Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.De Canadees poogde nog te glimlagchen.—Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe[310]het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan.…..Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.—Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal?—Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!—Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade.—Hoop vrij, vriend, hoop!—Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een wolf in een knip.Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven begon snel af te nemen.—Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel.—Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen … Waar is de Vliegende-Arend?—Hij vervolgt de Roodhuiden.—O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van …Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan.Hij was dood.De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad.Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen.—Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen![311]O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.Hij was dood!Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord.De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en te sterven.Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.[312]

[Inhoud]Besluit.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te delven om er de dooden in te begraven.Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren.De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen.Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, die welhaast sterven zou.—Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.De Canadees poogde nog te glimlagchen.—Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe[310]het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan.…..Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.—Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal?—Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!—Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade.—Hoop vrij, vriend, hoop!—Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een wolf in een knip.Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven begon snel af te nemen.—Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel.—Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen … Waar is de Vliegende-Arend?—Hij vervolgt de Roodhuiden.—O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van …Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan.Hij was dood.De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad.Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen.—Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen![311]O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.Hij was dood!Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord.De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en te sterven.Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.[312]

Besluit.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te delven om er de dooden in te begraven.Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren.De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen.Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, die welhaast sterven zou.—Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.De Canadees poogde nog te glimlagchen.—Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe[310]het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan.…..Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.—Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal?—Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!—Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade.—Hoop vrij, vriend, hoop!—Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een wolf in een knip.Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven begon snel af te nemen.—Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel.—Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen … Waar is de Vliegende-Arend?—Hij vervolgt de Roodhuiden.—O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van …Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan.Hij was dood.De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad.Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen.—Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen![311]O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.Hij was dood!Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord.De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en te sterven.Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.[312]

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.

De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.

In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te delven om er de dooden in te begraven.

Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren.

De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.

Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen.

Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, die welhaast sterven zou.

—Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.

De Canadees poogde nog te glimlagchen.

—Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe[310]het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan.…..

Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.

—Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal?

—Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!

—Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade.

—Hoop vrij, vriend, hoop!

—Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een wolf in een knip.

Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven begon snel af te nemen.

—Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel.

—Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen … Waar is de Vliegende-Arend?

—Hij vervolgt de Roodhuiden.

—O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van …

Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan.

Hij was dood.

De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad.

Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.

Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen.

—Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen![311]

O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!

Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.

Hij was dood!

Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord.

De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en te sterven.

Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.[312]


Back to IndexNext