[Inhoud]XV.De Herleving.Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere des Allerhoogsten zingen,—die grootsche hartverheffende hymne—dat harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën den mensch, in dezenoceaanvan gewassen verloren, nog sluimerend of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld hare verwezenlijking niet vindt.Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom nedergelegd.De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden.De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest en verraderlijk aanvielen.Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan[101]welke zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige gebreken op de Indiaansche wijs.Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren enaloë-vezelsop de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen.Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen.De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en hielden den lijder naauwlettend in ’t oog, om bij de minste verandering zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend.Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid.—Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie.—Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen.—Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat zou inderdaad jammer zijn geweest.—Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er dan zou gebeuren?—Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn[102]paard te leggen of in ’t zadel te zetten, daaraan is niet te denken; wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen.—Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino’s te vertellen wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig mogelijk naar het kamp te vervoeren.—Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk al onze gangen bespieden.—Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar1824namelijk, ik was toen nog jong en ik.…Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, door te zeggen:—Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen.—Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet uitspreken.…—’t Is onnoodig, ’t is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden teugel wegreed.Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen.—Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade.Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den[103]gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd betoond had.Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde.De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil.—Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen.Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken en bladeren.—Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach.—Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, en ik heet onzen vriend hartelijk welkom.Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der twee mannen op eene onaangename wijs gestoord.De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen;[104]maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is.Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden blikken als vuurpijlen.—Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel.De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur.Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een woest gehuil voor de voeten des jagers neder.De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had hem de hersens doorboord.Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een hooger rood kleurde zijne wangen.—Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem.—Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong om weder te gaan liggen.Don Miguel staarde hem verwonderd aan.—Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet!—Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben.—Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij?—Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen.—Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gij hier?[105]—Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij niet moogt spreken, wilt gij ook drinken?—Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk.Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch.—Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later.—Wie weet?—Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.…—Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier heb doodgeschoten.Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager.—Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij.—Naauwelijks drie uren.—Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen dan.…—Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager.—Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven.—Gij zijt slechts als door een wonder gered.—Ik zeg u dank.—Ik was niet alleen.—Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren.—Loer-Vogel.—Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van mij.—Dat doet hij.—En gij, hoe heet gij?—Vrij-Kogel.De jongman ontroerde en strekte de hand uit.—Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft mij dikwijls van u gesproken.—Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden.—Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie?—Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om hulp te halen.—Hij denkt aan alles.—Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren.—Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden.[106]—Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio.—Deze rivier dus?.…—Is de Rubio.—Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde?—Ja.—Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand blijven zal?—Vier of vijf dagen.Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken gesprek.—Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw.—Ja, dat heb ik gezegd.—Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen?—Dat zou ik wel denken.—Geef mij uwe hand.—Ziedaar.—Goed, ondersteun mij een weinig.—Wat wilt gij doen?—Opstaan.—Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, ik geef u verlof, beproef het.Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich op de beenen te houden.—Eindelijk! riep hij op een toon van triomf.Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en viel op den grond.Vrij-Kogel kwam hem te hulp.—Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen zien op te heffen.Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen.Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan.—O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen.—Gij zult u zelven dooden.—Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken.Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, die de jongman gretig aan zijne lippen zette.—Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard.[107]—Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing.—Ja, ik wil vertrekken.—Maar dat is immers eene dwaasheid.—Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek ik u mij een handje te helpen.—Verlangt gij het?—Ik gebied het u.—Welaan dan, op Gods genade!—Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd.Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel.Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm.—Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken.—Waar moeten wij heen?—Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, daar hij mij reeds voor half dood hield.Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te willen verklaren.
[Inhoud]XV.De Herleving.Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere des Allerhoogsten zingen,—die grootsche hartverheffende hymne—dat harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën den mensch, in dezenoceaanvan gewassen verloren, nog sluimerend of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld hare verwezenlijking niet vindt.Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom nedergelegd.De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden.De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest en verraderlijk aanvielen.Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan[101]welke zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige gebreken op de Indiaansche wijs.Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren enaloë-vezelsop de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen.Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen.De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en hielden den lijder naauwlettend in ’t oog, om bij de minste verandering zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend.Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid.—Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie.—Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen.—Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat zou inderdaad jammer zijn geweest.—Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er dan zou gebeuren?—Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn[102]paard te leggen of in ’t zadel te zetten, daaraan is niet te denken; wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen.—Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino’s te vertellen wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig mogelijk naar het kamp te vervoeren.—Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk al onze gangen bespieden.—Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar1824namelijk, ik was toen nog jong en ik.…Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, door te zeggen:—Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen.—Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet uitspreken.…—’t Is onnoodig, ’t is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden teugel wegreed.Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen.—Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade.Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den[103]gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd betoond had.Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde.De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil.—Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen.Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken en bladeren.—Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach.—Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, en ik heet onzen vriend hartelijk welkom.Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der twee mannen op eene onaangename wijs gestoord.De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen;[104]maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is.Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden blikken als vuurpijlen.—Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel.De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur.Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een woest gehuil voor de voeten des jagers neder.De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had hem de hersens doorboord.Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een hooger rood kleurde zijne wangen.—Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem.—Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong om weder te gaan liggen.Don Miguel staarde hem verwonderd aan.—Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet!—Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben.—Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij?—Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen.—Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gij hier?[105]—Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij niet moogt spreken, wilt gij ook drinken?—Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk.Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch.—Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later.—Wie weet?—Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.…—Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier heb doodgeschoten.Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager.—Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij.—Naauwelijks drie uren.—Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen dan.…—Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager.—Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven.—Gij zijt slechts als door een wonder gered.—Ik zeg u dank.—Ik was niet alleen.—Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren.—Loer-Vogel.—Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van mij.—Dat doet hij.—En gij, hoe heet gij?—Vrij-Kogel.De jongman ontroerde en strekte de hand uit.—Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft mij dikwijls van u gesproken.—Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden.—Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie?—Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om hulp te halen.—Hij denkt aan alles.—Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren.—Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden.[106]—Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio.—Deze rivier dus?.…—Is de Rubio.—Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde?—Ja.—Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand blijven zal?—Vier of vijf dagen.Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken gesprek.—Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw.—Ja, dat heb ik gezegd.—Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen?—Dat zou ik wel denken.—Geef mij uwe hand.—Ziedaar.—Goed, ondersteun mij een weinig.—Wat wilt gij doen?—Opstaan.—Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, ik geef u verlof, beproef het.Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich op de beenen te houden.—Eindelijk! riep hij op een toon van triomf.Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en viel op den grond.Vrij-Kogel kwam hem te hulp.—Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen zien op te heffen.Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen.Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan.—O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen.—Gij zult u zelven dooden.—Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken.Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, die de jongman gretig aan zijne lippen zette.—Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard.[107]—Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing.—Ja, ik wil vertrekken.—Maar dat is immers eene dwaasheid.—Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek ik u mij een handje te helpen.—Verlangt gij het?—Ik gebied het u.—Welaan dan, op Gods genade!—Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd.Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel.Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm.—Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken.—Waar moeten wij heen?—Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, daar hij mij reeds voor half dood hield.Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te willen verklaren.
XV.De Herleving.
Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere des Allerhoogsten zingen,—die grootsche hartverheffende hymne—dat harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën den mensch, in dezenoceaanvan gewassen verloren, nog sluimerend of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld hare verwezenlijking niet vindt.Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom nedergelegd.De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden.De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest en verraderlijk aanvielen.Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan[101]welke zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige gebreken op de Indiaansche wijs.Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren enaloë-vezelsop de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen.Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen.De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en hielden den lijder naauwlettend in ’t oog, om bij de minste verandering zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend.Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid.—Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie.—Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen.—Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat zou inderdaad jammer zijn geweest.—Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er dan zou gebeuren?—Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn[102]paard te leggen of in ’t zadel te zetten, daaraan is niet te denken; wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen.—Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino’s te vertellen wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig mogelijk naar het kamp te vervoeren.—Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk al onze gangen bespieden.—Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar1824namelijk, ik was toen nog jong en ik.…Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, door te zeggen:—Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen.—Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet uitspreken.…—’t Is onnoodig, ’t is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden teugel wegreed.Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen.—Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade.Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den[103]gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd betoond had.Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde.De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil.—Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen.Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken en bladeren.—Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach.—Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, en ik heet onzen vriend hartelijk welkom.Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der twee mannen op eene onaangename wijs gestoord.De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen;[104]maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is.Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden blikken als vuurpijlen.—Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel.De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur.Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een woest gehuil voor de voeten des jagers neder.De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had hem de hersens doorboord.Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een hooger rood kleurde zijne wangen.—Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem.—Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong om weder te gaan liggen.Don Miguel staarde hem verwonderd aan.—Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet!—Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben.—Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij?—Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen.—Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gij hier?[105]—Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij niet moogt spreken, wilt gij ook drinken?—Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk.Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch.—Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later.—Wie weet?—Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.…—Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier heb doodgeschoten.Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager.—Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij.—Naauwelijks drie uren.—Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen dan.…—Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager.—Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven.—Gij zijt slechts als door een wonder gered.—Ik zeg u dank.—Ik was niet alleen.—Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren.—Loer-Vogel.—Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van mij.—Dat doet hij.—En gij, hoe heet gij?—Vrij-Kogel.De jongman ontroerde en strekte de hand uit.—Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft mij dikwijls van u gesproken.—Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden.—Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie?—Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om hulp te halen.—Hij denkt aan alles.—Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren.—Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden.[106]—Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio.—Deze rivier dus?.…—Is de Rubio.—Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde?—Ja.—Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand blijven zal?—Vier of vijf dagen.Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken gesprek.—Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw.—Ja, dat heb ik gezegd.—Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen?—Dat zou ik wel denken.—Geef mij uwe hand.—Ziedaar.—Goed, ondersteun mij een weinig.—Wat wilt gij doen?—Opstaan.—Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, ik geef u verlof, beproef het.Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich op de beenen te houden.—Eindelijk! riep hij op een toon van triomf.Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en viel op den grond.Vrij-Kogel kwam hem te hulp.—Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen zien op te heffen.Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen.Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan.—O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen.—Gij zult u zelven dooden.—Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken.Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, die de jongman gretig aan zijne lippen zette.—Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard.[107]—Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing.—Ja, ik wil vertrekken.—Maar dat is immers eene dwaasheid.—Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek ik u mij een handje te helpen.—Verlangt gij het?—Ik gebied het u.—Welaan dan, op Gods genade!—Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd.Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel.Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm.—Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken.—Waar moeten wij heen?—Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, daar hij mij reeds voor half dood hield.Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te willen verklaren.
Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere des Allerhoogsten zingen,—die grootsche hartverheffende hymne—dat harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën den mensch, in dezenoceaanvan gewassen verloren, nog sluimerend of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld hare verwezenlijking niet vindt.
Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom nedergelegd.
De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden.
De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest en verraderlijk aanvielen.
Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan[101]welke zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige gebreken op de Indiaansche wijs.
Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren enaloë-vezelsop de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen.
Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen.
De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en hielden den lijder naauwlettend in ’t oog, om bij de minste verandering zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend.
Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid.
—Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie.
—Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen.
—Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat zou inderdaad jammer zijn geweest.
—Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er dan zou gebeuren?
—Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn[102]paard te leggen of in ’t zadel te zetten, daaraan is niet te denken; wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen.
—Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino’s te vertellen wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig mogelijk naar het kamp te vervoeren.
—Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk al onze gangen bespieden.
—Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar1824namelijk, ik was toen nog jong en ik.…
Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, door te zeggen:
—Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen.
—Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet uitspreken.…
—’t Is onnoodig, ’t is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden teugel wegreed.
Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen.
—Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade.
Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den[103]gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd betoond had.
Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde.
De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil.
—Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen.
Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken en bladeren.
—Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach.
—Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, en ik heet onzen vriend hartelijk welkom.
Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der twee mannen op eene onaangename wijs gestoord.
De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen;[104]maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is.
Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden blikken als vuurpijlen.
—Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel.
De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur.
Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een woest gehuil voor de voeten des jagers neder.
De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had hem de hersens doorboord.
Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een hooger rood kleurde zijne wangen.
—Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem.
—Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong om weder te gaan liggen.
Don Miguel staarde hem verwonderd aan.
—Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet!
—Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben.
—Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij?
—Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen.
—Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gij hier?[105]
—Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij niet moogt spreken, wilt gij ook drinken?
—Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk.
Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch.
—Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later.
—Wie weet?
—Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.…
—Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier heb doodgeschoten.
Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager.
—Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij.
—Naauwelijks drie uren.
—Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen dan.…
—Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager.
—Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven.
—Gij zijt slechts als door een wonder gered.
—Ik zeg u dank.
—Ik was niet alleen.
—Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren.
—Loer-Vogel.
—Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van mij.
—Dat doet hij.
—En gij, hoe heet gij?
—Vrij-Kogel.
De jongman ontroerde en strekte de hand uit.
—Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft mij dikwijls van u gesproken.
—Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden.
—Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie?
—Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om hulp te halen.
—Hij denkt aan alles.
—Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren.
—Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden.[106]
—Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio.
—Deze rivier dus?.…
—Is de Rubio.
—Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde?
—Ja.
—Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand blijven zal?
—Vier of vijf dagen.
Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken gesprek.
—Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw.
—Ja, dat heb ik gezegd.
—Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen?
—Dat zou ik wel denken.
—Geef mij uwe hand.
—Ziedaar.
—Goed, ondersteun mij een weinig.
—Wat wilt gij doen?
—Opstaan.
—Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, ik geef u verlof, beproef het.
Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich op de beenen te houden.
—Eindelijk! riep hij op een toon van triomf.
Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en viel op den grond.
Vrij-Kogel kwam hem te hulp.
—Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen zien op te heffen.
Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen.
Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan.
—O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen.
—Gij zult u zelven dooden.
—Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken.
Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, die de jongman gretig aan zijne lippen zette.
—Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard.[107]
—Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing.
—Ja, ik wil vertrekken.
—Maar dat is immers eene dwaasheid.
—Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek ik u mij een handje te helpen.
—Verlangt gij het?
—Ik gebied het u.
—Welaan dan, op Gods genade!
—Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd.
Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel.
Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm.
—Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken.
—Waar moeten wij heen?
—Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, daar hij mij reeds voor half dood hield.
Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te willen verklaren.