[Inhoud]XXI.Vrij-Kogel.De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen.De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is mijn broeder?Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs hun weg met verdubbelde snelheid.—Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: ik zeg, dat gij op zult ophouden!—Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel.—Ja, antwoordde hij.—Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding.—Welk?—Dat gij u verbindt om ons te volgen.—Ben ik dan uw gevangene?—Wel neen! verre van daar.—Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen?—Dat geschiedt alleen in uw eigen belang.—Hoe kom ik dan hier?[145]—Kunt gij dat niet vermoeden?—Ik wacht van u de verklaring.—Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, zijne teregtstelling zoudt bijwonen.Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd.—Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min of meer huiverend.—Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel.De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik.O! gij hebt hem gedood! prevelde hij.—Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; hij moet zich zelven dooden.—O! dat is verschrikkelijk! In ’s hemels naam! zeg mij alles: ik verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid.—Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen.—Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat.Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:—Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij dezen nacht doen wilt.—Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan ware ik een broedermoorder.—Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende om een schuldige te straffen.—O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, en zal ik herstellen wat ik misdeed.Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem met een strengen blik in ’t oor:—Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over.Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio.Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.—Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder[146]naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij.—Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano.—Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes.—Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende.Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne bedienden stilzwijgend gevolgd.Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in ’t hoofd te hebben; naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte en volslagenste eenzaamheid heerschten in ’t rond.—Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten!Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven de vorige woorden:—Het moet zoo zijn!Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar wezen aankondigde.Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, die in gesloten kolonne voortreden.[147]Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren.Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok weder naar het veer del Rubio.Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God.Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken.Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf.Nu rigtte hij zich moedig op.—Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort.Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare vijanden omgeven zijn.Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond.[148]Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:—Mijn God! mijn God! vergeef mij!Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af.Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem antwoorden:—God heeft u verhoord, Hij vergeeft u.De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden gil, en viel in onmagt.De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, niemand anders dan Vrij-Kogel.—Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik tusschenbeide kwam.Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen.De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan alle zijden digt omsloot.Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak.Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand[149]op dit oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,—wanneer iemand dit vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond delfde werden de moeijelijkheden grooter.Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt.Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde hem op den rand neder.Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van den bewusteloozen don Estevan.De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.—Ik dank u, zeide hij.De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan te nemen.—Gij hebt mij niet te danken, zeide hij.—Wien dan?—God!Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde zachtmoedigheid:[150]—’t Is waar, God eerst, en dan u.—Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niet meer en onze wegen loopen uit een.—Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon.—Wat kan ik meer voor u doen?—Alles!—Ik begrijp u niet.—Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan.—Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel.De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig na.Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden.Deze sprak eindelijk.—Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit geholpen heb.—Gevoelt gij het nu?—Por Dios!daar valt niet aan te twijfelen.—Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij te verdedigen.De jager schudde het hoofd.—Dat heb ik niet voorzien! zeide hij.—Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, gij mij zoudt hebben laten sterven?—Misschien!Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij schoot den jager een vreesselijken blik toe.—Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij.—Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen waart gij naar verdienstegevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien[151]heb ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg—en erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven.Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak.—Maar waarom? vroeg hij.—Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik vermijden moet.—En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is.—Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten.—Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.—Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.—Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.—Neen, dat niet.—Waarom niet?—Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt.—En als ik dat niet verkies te zweren?—Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend.—O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.—Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.—En gij dan?—Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, beslis nu maar.—Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.[152]—Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?—Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken?Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde.Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.—Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij,cuerpo de Christo!en ik zal mij wreken.Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.—Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren.Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.
[Inhoud]XXI.Vrij-Kogel.De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen.De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is mijn broeder?Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs hun weg met verdubbelde snelheid.—Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: ik zeg, dat gij op zult ophouden!—Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel.—Ja, antwoordde hij.—Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding.—Welk?—Dat gij u verbindt om ons te volgen.—Ben ik dan uw gevangene?—Wel neen! verre van daar.—Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen?—Dat geschiedt alleen in uw eigen belang.—Hoe kom ik dan hier?[145]—Kunt gij dat niet vermoeden?—Ik wacht van u de verklaring.—Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, zijne teregtstelling zoudt bijwonen.Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd.—Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min of meer huiverend.—Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel.De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik.O! gij hebt hem gedood! prevelde hij.—Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; hij moet zich zelven dooden.—O! dat is verschrikkelijk! In ’s hemels naam! zeg mij alles: ik verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid.—Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen.—Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat.Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:—Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij dezen nacht doen wilt.—Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan ware ik een broedermoorder.—Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende om een schuldige te straffen.—O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, en zal ik herstellen wat ik misdeed.Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem met een strengen blik in ’t oor:—Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over.Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio.Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.—Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder[146]naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij.—Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano.—Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes.—Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende.Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne bedienden stilzwijgend gevolgd.Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in ’t hoofd te hebben; naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte en volslagenste eenzaamheid heerschten in ’t rond.—Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten!Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven de vorige woorden:—Het moet zoo zijn!Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar wezen aankondigde.Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, die in gesloten kolonne voortreden.[147]Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren.Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok weder naar het veer del Rubio.Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God.Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken.Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf.Nu rigtte hij zich moedig op.—Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort.Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare vijanden omgeven zijn.Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond.[148]Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:—Mijn God! mijn God! vergeef mij!Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af.Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem antwoorden:—God heeft u verhoord, Hij vergeeft u.De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden gil, en viel in onmagt.De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, niemand anders dan Vrij-Kogel.—Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik tusschenbeide kwam.Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen.De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan alle zijden digt omsloot.Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak.Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand[149]op dit oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,—wanneer iemand dit vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond delfde werden de moeijelijkheden grooter.Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt.Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde hem op den rand neder.Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van den bewusteloozen don Estevan.De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.—Ik dank u, zeide hij.De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan te nemen.—Gij hebt mij niet te danken, zeide hij.—Wien dan?—God!Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde zachtmoedigheid:[150]—’t Is waar, God eerst, en dan u.—Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niet meer en onze wegen loopen uit een.—Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon.—Wat kan ik meer voor u doen?—Alles!—Ik begrijp u niet.—Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan.—Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel.De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig na.Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden.Deze sprak eindelijk.—Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit geholpen heb.—Gevoelt gij het nu?—Por Dios!daar valt niet aan te twijfelen.—Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij te verdedigen.De jager schudde het hoofd.—Dat heb ik niet voorzien! zeide hij.—Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, gij mij zoudt hebben laten sterven?—Misschien!Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij schoot den jager een vreesselijken blik toe.—Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij.—Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen waart gij naar verdienstegevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien[151]heb ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg—en erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven.Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak.—Maar waarom? vroeg hij.—Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik vermijden moet.—En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is.—Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten.—Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.—Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.—Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.—Neen, dat niet.—Waarom niet?—Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt.—En als ik dat niet verkies te zweren?—Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend.—O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.—Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.—En gij dan?—Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, beslis nu maar.—Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.[152]—Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?—Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken?Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde.Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.—Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij,cuerpo de Christo!en ik zal mij wreken.Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.—Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren.Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.
XXI.Vrij-Kogel.
De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen.De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is mijn broeder?Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs hun weg met verdubbelde snelheid.—Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: ik zeg, dat gij op zult ophouden!—Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel.—Ja, antwoordde hij.—Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding.—Welk?—Dat gij u verbindt om ons te volgen.—Ben ik dan uw gevangene?—Wel neen! verre van daar.—Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen?—Dat geschiedt alleen in uw eigen belang.—Hoe kom ik dan hier?[145]—Kunt gij dat niet vermoeden?—Ik wacht van u de verklaring.—Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, zijne teregtstelling zoudt bijwonen.Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd.—Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min of meer huiverend.—Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel.De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik.O! gij hebt hem gedood! prevelde hij.—Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; hij moet zich zelven dooden.—O! dat is verschrikkelijk! In ’s hemels naam! zeg mij alles: ik verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid.—Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen.—Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat.Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:—Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij dezen nacht doen wilt.—Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan ware ik een broedermoorder.—Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende om een schuldige te straffen.—O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, en zal ik herstellen wat ik misdeed.Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem met een strengen blik in ’t oor:—Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over.Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio.Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.—Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder[146]naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij.—Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano.—Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes.—Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende.Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne bedienden stilzwijgend gevolgd.Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in ’t hoofd te hebben; naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte en volslagenste eenzaamheid heerschten in ’t rond.—Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten!Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven de vorige woorden:—Het moet zoo zijn!Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar wezen aankondigde.Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, die in gesloten kolonne voortreden.[147]Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren.Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok weder naar het veer del Rubio.Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God.Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken.Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf.Nu rigtte hij zich moedig op.—Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort.Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare vijanden omgeven zijn.Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond.[148]Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:—Mijn God! mijn God! vergeef mij!Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af.Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem antwoorden:—God heeft u verhoord, Hij vergeeft u.De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden gil, en viel in onmagt.De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, niemand anders dan Vrij-Kogel.—Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik tusschenbeide kwam.Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen.De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan alle zijden digt omsloot.Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak.Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand[149]op dit oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,—wanneer iemand dit vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond delfde werden de moeijelijkheden grooter.Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt.Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde hem op den rand neder.Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van den bewusteloozen don Estevan.De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.—Ik dank u, zeide hij.De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan te nemen.—Gij hebt mij niet te danken, zeide hij.—Wien dan?—God!Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde zachtmoedigheid:[150]—’t Is waar, God eerst, en dan u.—Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niet meer en onze wegen loopen uit een.—Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon.—Wat kan ik meer voor u doen?—Alles!—Ik begrijp u niet.—Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan.—Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel.De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig na.Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden.Deze sprak eindelijk.—Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit geholpen heb.—Gevoelt gij het nu?—Por Dios!daar valt niet aan te twijfelen.—Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij te verdedigen.De jager schudde het hoofd.—Dat heb ik niet voorzien! zeide hij.—Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, gij mij zoudt hebben laten sterven?—Misschien!Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij schoot den jager een vreesselijken blik toe.—Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij.—Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen waart gij naar verdienstegevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien[151]heb ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg—en erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven.Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak.—Maar waarom? vroeg hij.—Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik vermijden moet.—En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is.—Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten.—Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.—Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.—Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.—Neen, dat niet.—Waarom niet?—Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt.—En als ik dat niet verkies te zweren?—Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend.—O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.—Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.—En gij dan?—Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, beslis nu maar.—Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.[152]—Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?—Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken?Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde.Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.—Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij,cuerpo de Christo!en ik zal mij wreken.Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.—Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren.Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.
De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen.
De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is mijn broeder?
Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs hun weg met verdubbelde snelheid.
—Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: ik zeg, dat gij op zult ophouden!
—Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel.
—Ja, antwoordde hij.
—Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding.
—Welk?
—Dat gij u verbindt om ons te volgen.
—Ben ik dan uw gevangene?
—Wel neen! verre van daar.
—Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen?
—Dat geschiedt alleen in uw eigen belang.
—Hoe kom ik dan hier?[145]
—Kunt gij dat niet vermoeden?
—Ik wacht van u de verklaring.
—Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, zijne teregtstelling zoudt bijwonen.
Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd.
—Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min of meer huiverend.
—Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel.
De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik.
O! gij hebt hem gedood! prevelde hij.
—Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; hij moet zich zelven dooden.
—O! dat is verschrikkelijk! In ’s hemels naam! zeg mij alles: ik verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid.
—Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen.
—Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat.
Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:
—Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij dezen nacht doen wilt.
—Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan ware ik een broedermoorder.
—Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende om een schuldige te straffen.
—O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, en zal ik herstellen wat ik misdeed.
Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem met een strengen blik in ’t oor:
—Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over.
Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio.
Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.
—Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder[146]naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij.
—Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano.
—Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes.
—Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende.
Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne bedienden stilzwijgend gevolgd.
Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in ’t hoofd te hebben; naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte en volslagenste eenzaamheid heerschten in ’t rond.
—Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten!
Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven de vorige woorden:
—Het moet zoo zijn!
Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar wezen aankondigde.
Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, die in gesloten kolonne voortreden.[147]
Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren.
Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok weder naar het veer del Rubio.
Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God.
Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken.
Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf.
Nu rigtte hij zich moedig op.
—Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort.
Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare vijanden omgeven zijn.
Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.
De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond.[148]
Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:
—Mijn God! mijn God! vergeef mij!
Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af.
Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem antwoorden:
—God heeft u verhoord, Hij vergeeft u.
De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden gil, en viel in onmagt.
De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, niemand anders dan Vrij-Kogel.
—Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik tusschenbeide kwam.
Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen.
De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan alle zijden digt omsloot.
Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak.
Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand[149]op dit oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,—wanneer iemand dit vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond delfde werden de moeijelijkheden grooter.
Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt.
Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde hem op den rand neder.
Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van den bewusteloozen don Estevan.
De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.
Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.
—Ik dank u, zeide hij.
De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan te nemen.
—Gij hebt mij niet te danken, zeide hij.
—Wien dan?
—God!
Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde zachtmoedigheid:[150]
—’t Is waar, God eerst, en dan u.
—Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niet meer en onze wegen loopen uit een.
—Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon.
—Wat kan ik meer voor u doen?
—Alles!
—Ik begrijp u niet.
—Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan.
—Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel.
De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig na.
Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden.
Deze sprak eindelijk.
—Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit geholpen heb.
—Gevoelt gij het nu?
—Por Dios!daar valt niet aan te twijfelen.
—Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij te verdedigen.
De jager schudde het hoofd.
—Dat heb ik niet voorzien! zeide hij.
—Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, gij mij zoudt hebben laten sterven?
—Misschien!
Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij schoot den jager een vreesselijken blik toe.
—Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij.
—Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen waart gij naar verdienstegevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien[151]heb ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg—en erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven.
Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak.
—Maar waarom? vroeg hij.
—Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik vermijden moet.
—En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is.
—Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten.
—Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.
—Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.
—Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.
—Neen, dat niet.
—Waarom niet?
—Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt.
—En als ik dat niet verkies te zweren?
—Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend.
—O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.
—Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.
—En gij dan?
—Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, beslis nu maar.
—Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.[152]
—Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?
—Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken?
Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde.
Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.
Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.
—Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij,cuerpo de Christo!en ik zal mij wreken.
Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.
—Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren.
Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.