XXVII.

[Inhoud]XXVII.Eene jagt in dePrairiën.(Vervolg).In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men eigenlijk wezen wil.Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon worden ontdekt of met list overrompeld.Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, die heerlijke type van het volk der Delawaren—wier laatste held hij echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat—moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking[195]van de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich ligt begrijpen.De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk eene verbazende vlugheid in ’t loopen, een allerfijnst gehoor en een scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over ’t algemeen, bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen.De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk bestaat.De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: het volk.Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde taal, deMexicaansche maannoemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten.Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien van paarden,—een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend was,—[196]gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude grondgebied te heroveren?Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt.Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven—zeden die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken—wint de Europesche beschaving—die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars en tegen het blanke ras in ’t algemeen, meer dan om eenige andere reden verachten—onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank.Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,—die in hun vuist lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der Vereenigde Staten die hun bedreigt,—hun natuurlijken rang in de wereld hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei groote dingen in staat.Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen!Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten onontbeerlijk,[197]hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar wij dien hadden afgebroken.Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten te overschrijden.Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust had vergund, werd de togt hervat.Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort vancarno, of keel, gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar spoor konden nalaten.Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamdetierras calientes; alles was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden.Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk het doel van zijn togt was geweest.—Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt.Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden.De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken.Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden zich in hunnezarapé’sen sliepen weldra in.Loer-Vogel was de eenige die bleef waken.Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig[198]geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht.De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den schouder; deze opende de oogen en zag hem aan.—De Indianen! fluisterde de Canadees hem in ’t oor.Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich te water.Schuw zag hij in alle rigtingen rond.De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren afstand te herkennen.Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met strakken blik en scherp luisterend oor.Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste gerucht stoorde de stilte van den nacht.Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen.Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in ’t water; in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een hard voorwerp schuiven.Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde.Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den boomstam wordt losgemaakt.Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;—ja, hij kon hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden.De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een eind aan te[199]maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak.Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde.De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met bespiedende blikken om zich heen.De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst.Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd bloedig spoor achterlatende.De arme Indiaan was dood.Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de jager op den oever had laten liggen.Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, strekten zij zich plat op den bodem uit.Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht als een donderslag deed daveren.Het lijk van den doorLoer-Vogelgedooden Apache was gedurende eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren voorbij getrokken.Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met den vinger de praauw aanwijzende.Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij binnen eenige sekonden buiten hun bereik.De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en[200]niet wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van dieren die zij haten of verachten.De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na hun diepen slaap in de kille nachtlucht.Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd door de kogels getroffen.Zoo ging de nacht voorbij.De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen.Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken.—O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die weinig goeds voorspelde.—Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd iets buitengewoons moest gezien hebben.—Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen.—Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar zal wat aan te tornen vallen.—Cuerpo de Christo!riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die het ligte vaartuig bijna deed omkantelen.—Wat nog meer?—Ziet eens!—Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt af te snijden.—Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager?— Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen wij onze inspanning.Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen te vliegen.De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk.[201]Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand die de blanken van de Roodhuiden scheidde.De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij nam een van die koene besluiten voor welkehijalgemeen beroemd was en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem en de zijnen te redden.

[Inhoud]XXVII.Eene jagt in dePrairiën.(Vervolg).In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men eigenlijk wezen wil.Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon worden ontdekt of met list overrompeld.Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, die heerlijke type van het volk der Delawaren—wier laatste held hij echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat—moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking[195]van de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich ligt begrijpen.De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk eene verbazende vlugheid in ’t loopen, een allerfijnst gehoor en een scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over ’t algemeen, bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen.De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk bestaat.De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: het volk.Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde taal, deMexicaansche maannoemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten.Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien van paarden,—een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend was,—[196]gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude grondgebied te heroveren?Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt.Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven—zeden die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken—wint de Europesche beschaving—die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars en tegen het blanke ras in ’t algemeen, meer dan om eenige andere reden verachten—onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank.Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,—die in hun vuist lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der Vereenigde Staten die hun bedreigt,—hun natuurlijken rang in de wereld hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei groote dingen in staat.Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen!Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten onontbeerlijk,[197]hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar wij dien hadden afgebroken.Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten te overschrijden.Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust had vergund, werd de togt hervat.Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort vancarno, of keel, gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar spoor konden nalaten.Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamdetierras calientes; alles was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden.Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk het doel van zijn togt was geweest.—Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt.Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden.De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken.Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden zich in hunnezarapé’sen sliepen weldra in.Loer-Vogel was de eenige die bleef waken.Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig[198]geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht.De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den schouder; deze opende de oogen en zag hem aan.—De Indianen! fluisterde de Canadees hem in ’t oor.Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich te water.Schuw zag hij in alle rigtingen rond.De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren afstand te herkennen.Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met strakken blik en scherp luisterend oor.Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste gerucht stoorde de stilte van den nacht.Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen.Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in ’t water; in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een hard voorwerp schuiven.Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde.Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den boomstam wordt losgemaakt.Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;—ja, hij kon hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden.De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een eind aan te[199]maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak.Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde.De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met bespiedende blikken om zich heen.De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst.Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd bloedig spoor achterlatende.De arme Indiaan was dood.Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de jager op den oever had laten liggen.Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, strekten zij zich plat op den bodem uit.Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht als een donderslag deed daveren.Het lijk van den doorLoer-Vogelgedooden Apache was gedurende eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren voorbij getrokken.Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met den vinger de praauw aanwijzende.Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij binnen eenige sekonden buiten hun bereik.De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en[200]niet wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van dieren die zij haten of verachten.De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na hun diepen slaap in de kille nachtlucht.Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd door de kogels getroffen.Zoo ging de nacht voorbij.De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen.Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken.—O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die weinig goeds voorspelde.—Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd iets buitengewoons moest gezien hebben.—Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen.—Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar zal wat aan te tornen vallen.—Cuerpo de Christo!riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die het ligte vaartuig bijna deed omkantelen.—Wat nog meer?—Ziet eens!—Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt af te snijden.—Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager?— Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen wij onze inspanning.Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen te vliegen.De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk.[201]Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand die de blanken van de Roodhuiden scheidde.De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij nam een van die koene besluiten voor welkehijalgemeen beroemd was en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem en de zijnen te redden.

XXVII.Eene jagt in dePrairiën.(Vervolg).

In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men eigenlijk wezen wil.Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon worden ontdekt of met list overrompeld.Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, die heerlijke type van het volk der Delawaren—wier laatste held hij echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat—moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking[195]van de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich ligt begrijpen.De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk eene verbazende vlugheid in ’t loopen, een allerfijnst gehoor en een scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over ’t algemeen, bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen.De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk bestaat.De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: het volk.Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde taal, deMexicaansche maannoemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten.Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien van paarden,—een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend was,—[196]gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude grondgebied te heroveren?Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt.Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven—zeden die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken—wint de Europesche beschaving—die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars en tegen het blanke ras in ’t algemeen, meer dan om eenige andere reden verachten—onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank.Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,—die in hun vuist lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der Vereenigde Staten die hun bedreigt,—hun natuurlijken rang in de wereld hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei groote dingen in staat.Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen!Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten onontbeerlijk,[197]hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar wij dien hadden afgebroken.Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten te overschrijden.Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust had vergund, werd de togt hervat.Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort vancarno, of keel, gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar spoor konden nalaten.Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamdetierras calientes; alles was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden.Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk het doel van zijn togt was geweest.—Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt.Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden.De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken.Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden zich in hunnezarapé’sen sliepen weldra in.Loer-Vogel was de eenige die bleef waken.Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig[198]geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht.De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den schouder; deze opende de oogen en zag hem aan.—De Indianen! fluisterde de Canadees hem in ’t oor.Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich te water.Schuw zag hij in alle rigtingen rond.De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren afstand te herkennen.Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met strakken blik en scherp luisterend oor.Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste gerucht stoorde de stilte van den nacht.Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen.Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in ’t water; in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een hard voorwerp schuiven.Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde.Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den boomstam wordt losgemaakt.Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;—ja, hij kon hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden.De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een eind aan te[199]maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak.Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde.De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met bespiedende blikken om zich heen.De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst.Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd bloedig spoor achterlatende.De arme Indiaan was dood.Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de jager op den oever had laten liggen.Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, strekten zij zich plat op den bodem uit.Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht als een donderslag deed daveren.Het lijk van den doorLoer-Vogelgedooden Apache was gedurende eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren voorbij getrokken.Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met den vinger de praauw aanwijzende.Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij binnen eenige sekonden buiten hun bereik.De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en[200]niet wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van dieren die zij haten of verachten.De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na hun diepen slaap in de kille nachtlucht.Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd door de kogels getroffen.Zoo ging de nacht voorbij.De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen.Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken.—O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die weinig goeds voorspelde.—Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd iets buitengewoons moest gezien hebben.—Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen.—Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar zal wat aan te tornen vallen.—Cuerpo de Christo!riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die het ligte vaartuig bijna deed omkantelen.—Wat nog meer?—Ziet eens!—Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt af te snijden.—Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager?— Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen wij onze inspanning.Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen te vliegen.De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk.[201]Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand die de blanken van de Roodhuiden scheidde.De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij nam een van die koene besluiten voor welkehijalgemeen beroemd was en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem en de zijnen te redden.

In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men eigenlijk wezen wil.

Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon worden ontdekt of met list overrompeld.

Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, die heerlijke type van het volk der Delawaren—wier laatste held hij echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat—moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking[195]van de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich ligt begrijpen.

De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk eene verbazende vlugheid in ’t loopen, een allerfijnst gehoor en een scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over ’t algemeen, bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.

Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen.

De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk bestaat.

De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: het volk.

Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde taal, deMexicaansche maannoemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten.

Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien van paarden,—een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend was,—[196]gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude grondgebied te heroveren?

Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt.

Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven—zeden die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken—wint de Europesche beschaving—die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars en tegen het blanke ras in ’t algemeen, meer dan om eenige andere reden verachten—onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank.

Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,—die in hun vuist lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der Vereenigde Staten die hun bedreigt,—hun natuurlijken rang in de wereld hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei groote dingen in staat.

Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen!

Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten onontbeerlijk,[197]hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar wij dien hadden afgebroken.

Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten te overschrijden.

Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust had vergund, werd de togt hervat.

Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort vancarno, of keel, gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar spoor konden nalaten.

Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamdetierras calientes; alles was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden.

Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk het doel van zijn togt was geweest.

—Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt.

Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden.

De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken.

Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden zich in hunnezarapé’sen sliepen weldra in.

Loer-Vogel was de eenige die bleef waken.

Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig[198]geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht.

De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den schouder; deze opende de oogen en zag hem aan.

—De Indianen! fluisterde de Canadees hem in ’t oor.

Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich te water.

Schuw zag hij in alle rigtingen rond.

De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren afstand te herkennen.

Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met strakken blik en scherp luisterend oor.

Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste gerucht stoorde de stilte van den nacht.

Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen.

Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in ’t water; in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een hard voorwerp schuiven.

Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde.

Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den boomstam wordt losgemaakt.

Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;—ja, hij kon hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden.

De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een eind aan te[199]maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak.

Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde.

De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met bespiedende blikken om zich heen.

De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst.

Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd bloedig spoor achterlatende.

De arme Indiaan was dood.

Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de jager op den oever had laten liggen.

Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, strekten zij zich plat op den bodem uit.

Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht als een donderslag deed daveren.

Het lijk van den doorLoer-Vogelgedooden Apache was gedurende eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren voorbij getrokken.

Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met den vinger de praauw aanwijzende.

Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij binnen eenige sekonden buiten hun bereik.

De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en[200]niet wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van dieren die zij haten of verachten.

De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na hun diepen slaap in de kille nachtlucht.

Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd door de kogels getroffen.

Zoo ging de nacht voorbij.

De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen.

Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken.

—O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die weinig goeds voorspelde.

—Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd iets buitengewoons moest gezien hebben.

—Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen.

—Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar zal wat aan te tornen vallen.

—Cuerpo de Christo!riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die het ligte vaartuig bijna deed omkantelen.

—Wat nog meer?

—Ziet eens!

—Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt af te snijden.

—Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager?

— Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen wij onze inspanning.

Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen te vliegen.

De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk.[201]

Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand die de blanken van de Roodhuiden scheidde.

De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij nam een van die koene besluiten voor welkehijalgemeen beroemd was en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem en de zijnen te redden.


Back to IndexNext