[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.[Inhoud]I.Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche[167]degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en[168]Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met[169]een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart[170]hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht;[171]en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets[172]van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris[173]in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En[174]elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden[175]op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende dehiëratischelenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van[176]de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een[177]eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt[178]als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijnvóorzich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderenmoestenzijn.Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens[179]de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.[Inhoud]II.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel,[180]plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie[181]van den bloedvreemden, zielvreemden grond.Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher metéenenkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de[182]meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt.Onuitgesprokenhoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.[183]- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.[1][Inhoud]III.Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels;[2]ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.[3]Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih4eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:[4]—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe[5]hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne[6]langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde:[7]hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar[8]man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als[9]de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te[10]doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5geraadpleegd had,[11]die hem een djimat6gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik[12]het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkstecombinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde[13]zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven,[14]zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.[15]Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een[16]ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.[Inhoud]IV.Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik[17]ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den[18]egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de[19]mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn.[20]zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in VanOudijcksslaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade[21]zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dienhijbemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij[22]stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer[23]bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende[24]op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter[25]der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk[26]zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild[27]gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…[28]Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.Maar toegeven deed hij niet.[Inhoud]V.Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest[29]te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hijhaarnam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken[30]dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking[31]iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen.[32]Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren,dieden rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.…Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield[33]den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten[34]zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een passer-malam7op de aloon-aloon8, die enkele dagen zoû duren en samenviel[35]met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul9waar Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan10plaats hebben in de Kaboepaten.Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs[36]de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.[37]In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte[38]het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling,[39]die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en[40]onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat[41]onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde[42]zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten[43]sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.[44]Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof[45]van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.[46]Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hijnietzag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.[Inhoud]VI.Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De[47]ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.[48]Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom[49]de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om[50]de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen[51]in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld[52]voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…[53]1Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.↑2Sjerp, shawl.↑3Vorstelijke danseressen.↑4Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.↑5Inlandsche geneeskundige.↑6Talisman.↑7Avond-markt.↑8Plein voor de Regentswoning.↑9Maleische schouwburg.↑10Maandelijksche bestuursvergadering.↑11Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.↑12Soda-water.↑
[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.[Inhoud]I.Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche[167]degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en[168]Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met[169]een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart[170]hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht;[171]en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets[172]van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris[173]in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En[174]elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden[175]op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende dehiëratischelenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van[176]de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een[177]eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt[178]als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijnvóorzich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderenmoestenzijn.Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens[179]de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.[Inhoud]II.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel,[180]plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie[181]van den bloedvreemden, zielvreemden grond.Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher metéenenkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de[182]meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt.Onuitgesprokenhoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.[183]- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.[1][Inhoud]III.Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels;[2]ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.[3]Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih4eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:[4]—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe[5]hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne[6]langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde:[7]hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar[8]man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als[9]de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te[10]doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5geraadpleegd had,[11]die hem een djimat6gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik[12]het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkstecombinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde[13]zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven,[14]zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.[15]Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een[16]ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.[Inhoud]IV.Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik[17]ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den[18]egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de[19]mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn.[20]zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in VanOudijcksslaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade[21]zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dienhijbemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij[22]stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer[23]bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende[24]op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter[25]der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk[26]zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild[27]gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…[28]Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.Maar toegeven deed hij niet.[Inhoud]V.Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest[29]te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hijhaarnam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken[30]dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking[31]iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen.[32]Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren,dieden rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.…Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield[33]den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten[34]zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een passer-malam7op de aloon-aloon8, die enkele dagen zoû duren en samenviel[35]met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul9waar Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan10plaats hebben in de Kaboepaten.Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs[36]de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.[37]In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte[38]het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling,[39]die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en[40]onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat[41]onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde[42]zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten[43]sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.[44]Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof[45]van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.[46]Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hijnietzag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.[Inhoud]VI.Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De[47]ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.[48]Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom[49]de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om[50]de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen[51]in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld[52]voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…[53]1Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.↑2Sjerp, shawl.↑3Vorstelijke danseressen.↑4Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.↑5Inlandsche geneeskundige.↑6Talisman.↑7Avond-markt.↑8Plein voor de Regentswoning.↑9Maleische schouwburg.↑10Maandelijksche bestuursvergadering.↑11Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.↑12Soda-water.↑
VIERDE HOOFDSTUK.
[Inhoud]I.Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche[167]degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en[168]Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met[169]een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart[170]hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht;[171]en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets[172]van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris[173]in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En[174]elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden[175]op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende dehiëratischelenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van[176]de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een[177]eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt[178]als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijnvóorzich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderenmoestenzijn.Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens[179]de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.[Inhoud]II.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel,[180]plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie[181]van den bloedvreemden, zielvreemden grond.Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher metéenenkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de[182]meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt.Onuitgesprokenhoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.[183]- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.[1][Inhoud]III.Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels;[2]ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.[3]Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih4eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:[4]—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe[5]hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne[6]langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde:[7]hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar[8]man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als[9]de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te[10]doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5geraadpleegd had,[11]die hem een djimat6gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik[12]het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkstecombinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde[13]zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven,[14]zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.[15]Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een[16]ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.[Inhoud]IV.Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik[17]ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den[18]egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de[19]mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn.[20]zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in VanOudijcksslaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade[21]zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dienhijbemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij[22]stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer[23]bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende[24]op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter[25]der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk[26]zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild[27]gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…[28]Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.Maar toegeven deed hij niet.[Inhoud]V.Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest[29]te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hijhaarnam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken[30]dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking[31]iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen.[32]Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren,dieden rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.…Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield[33]den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten[34]zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een passer-malam7op de aloon-aloon8, die enkele dagen zoû duren en samenviel[35]met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul9waar Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan10plaats hebben in de Kaboepaten.Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs[36]de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.[37]In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte[38]het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling,[39]die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en[40]onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat[41]onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde[42]zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten[43]sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.[44]Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof[45]van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.[46]Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hijnietzag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.[Inhoud]VI.Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De[47]ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.[48]Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom[49]de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om[50]de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen[51]in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld[52]voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…[53]
[Inhoud]I.Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche[167]degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en[168]Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met[169]een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart[170]hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht;[171]en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets[172]van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris[173]in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En[174]elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden[175]op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende dehiëratischelenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van[176]de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een[177]eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt[178]als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijnvóorzich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderenmoestenzijn.Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens[179]de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.
I.
Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche[167]degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en[168]Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met[169]een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart[170]hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht;[171]en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets[172]van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris[173]in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En[174]elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden[175]op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende dehiëratischelenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van[176]de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een[177]eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt[178]als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijnvóorzich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderenmoestenzijn.Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens[179]de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.
Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche[167]degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en[168]Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met[169]een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart[170]hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?
Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.
Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht;[171]en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets[172]van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.
De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris[173]in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En[174]elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.
Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden[175]op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende dehiëratischelenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van[176]de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een[177]eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt[178]als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijnvóorzich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderenmoestenzijn.
Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.
Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens[179]de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.
[Inhoud]II.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel,[180]plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie[181]van den bloedvreemden, zielvreemden grond.Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher metéenenkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de[182]meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt.Onuitgesprokenhoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.[183]- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.[1]
II.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel,[180]plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie[181]van den bloedvreemden, zielvreemden grond.Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher metéenenkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de[182]meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt.Onuitgesprokenhoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.[183]- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.[1]
De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel,[180]plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie[181]van den bloedvreemden, zielvreemden grond.
Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher metéenenkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de[182]meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt.Onuitgesprokenhoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.[183]
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.
En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.[1]
[Inhoud]III.Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels;[2]ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.[3]Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih4eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:[4]—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe[5]hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne[6]langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde:[7]hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar[8]man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als[9]de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te[10]doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5geraadpleegd had,[11]die hem een djimat6gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik[12]het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkstecombinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde[13]zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven,[14]zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.[15]Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een[16]ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.
III.
Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels;[2]ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.[3]Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih4eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:[4]—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe[5]hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne[6]langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde:[7]hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar[8]man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als[9]de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te[10]doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5geraadpleegd had,[11]die hem een djimat6gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik[12]het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkstecombinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde[13]zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven,[14]zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.[15]Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een[16]ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.
Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels;[2]ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.[3]Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…
Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih4eensklaps uit de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, neêrhurkte, de semba maakte en sprak:[4]
—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.
De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.
Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.
—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.
—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe[5]hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!
Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.
—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?
De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.
—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?
De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne[6]langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.
—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.
De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde:[7]hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.
Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar[8]man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.
Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als[9]de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.
Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te[10]doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.
In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5geraadpleegd had,[11]die hem een djimat6gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.
Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.
Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik[12]het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkstecombinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde[13]zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven,[14]zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.[15]
Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.
Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…
Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een[16]ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.
En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.
[Inhoud]IV.Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik[17]ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den[18]egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de[19]mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn.[20]zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in VanOudijcksslaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade[21]zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dienhijbemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij[22]stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer[23]bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende[24]op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter[25]der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk[26]zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild[27]gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…[28]Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.Maar toegeven deed hij niet.
IV.
Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik[17]ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den[18]egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de[19]mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn.[20]zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in VanOudijcksslaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade[21]zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dienhijbemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij[22]stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer[23]bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende[24]op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter[25]der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk[26]zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild[27]gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…[28]Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.Maar toegeven deed hij niet.
Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.
—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.
—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik[17]ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…
Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den[18]egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de[19]mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.
Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn.[20]zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in VanOudijcksslaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade[21]zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dienhijbemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij[22]stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer[23]bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende[24]op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.
De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter[25]der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk[26]zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild[27]gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.
Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…[28]
Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.
Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.
Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.
Maar toegeven deed hij niet.
[Inhoud]V.Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest[29]te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hijhaarnam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken[30]dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking[31]iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen.[32]Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren,dieden rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.…Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield[33]den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten[34]zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een passer-malam7op de aloon-aloon8, die enkele dagen zoû duren en samenviel[35]met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul9waar Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan10plaats hebben in de Kaboepaten.Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs[36]de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.[37]In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte[38]het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling,[39]die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en[40]onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat[41]onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde[42]zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten[43]sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.[44]Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof[45]van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.[46]Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hijnietzag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.
V.
Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest[29]te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hijhaarnam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken[30]dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking[31]iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen.[32]Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren,dieden rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.…Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield[33]den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten[34]zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een passer-malam7op de aloon-aloon8, die enkele dagen zoû duren en samenviel[35]met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul9waar Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan10plaats hebben in de Kaboepaten.Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs[36]de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.[37]In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte[38]het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling,[39]die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en[40]onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat[41]onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde[42]zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten[43]sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.[44]Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof[45]van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.[46]Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hijnietzag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.
Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest[29]te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hijhaarnam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken[30]dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.
Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.
Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking[31]iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen.[32]Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren,dieden rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.…Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield[33]den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.
Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.
Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten[34]zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.
De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een passer-malam7op de aloon-aloon8, die enkele dagen zoû duren en samenviel[35]met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul9waar Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan10plaats hebben in de Kaboepaten.
Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.
Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs[36]de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.[37]
In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte[38]het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling,[39]die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en[40]onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat[41]onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde[42]zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.
De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten[43]sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.[44]
Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof[45]van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.
En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.
Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.[46]
Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hijnietzag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.
[Inhoud]VI.Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De[47]ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.[48]Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom[49]de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om[50]de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen[51]in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld[52]voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…[53]
VI.
Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De[47]ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.[48]Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom[49]de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om[50]de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen[51]in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld[52]voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…[53]
Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De[47]ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.[48]
Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom[49]de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om[50]de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.
Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.
Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen[51]in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.
Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.
En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld[52]voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.
Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…
Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…
Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…[53]
1Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.↑2Sjerp, shawl.↑3Vorstelijke danseressen.↑4Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.↑5Inlandsche geneeskundige.↑6Talisman.↑7Avond-markt.↑8Plein voor de Regentswoning.↑9Maleische schouwburg.↑10Maandelijksche bestuursvergadering.↑11Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.↑12Soda-water.↑
1Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.↑2Sjerp, shawl.↑3Vorstelijke danseressen.↑4Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.↑5Inlandsche geneeskundige.↑6Talisman.↑7Avond-markt.↑8Plein voor de Regentswoning.↑9Maleische schouwburg.↑10Maandelijksche bestuursvergadering.↑11Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.↑12Soda-water.↑
1Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.↑
1Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.↑
2Sjerp, shawl.↑
2Sjerp, shawl.↑
3Vorstelijke danseressen.↑
3Vorstelijke danseressen.↑
4Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.↑
4Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.↑
5Inlandsche geneeskundige.↑
5Inlandsche geneeskundige.↑
6Talisman.↑
6Talisman.↑
7Avond-markt.↑
7Avond-markt.↑
8Plein voor de Regentswoning.↑
8Plein voor de Regentswoning.↑
9Maleische schouwburg.↑
9Maleische schouwburg.↑
10Maandelijksche bestuursvergadering.↑
10Maandelijksche bestuursvergadering.↑
11Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.↑
11Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor vergaderingen en feesten.↑
12Soda-water.↑
12Soda-water.↑