IX.Het groote Cypressenbosch.Het Washington-meer, dat over zijne lengte-as gemeten, eene uitgestrektheid van een tiental mijlen heeft, is een der minstbelangrijke waterbekkens in dit gedeelte van zuidelijk Florida. De diepte van dat meer is onbeduidend, terwijl de vaart er op nog bemoeilijkt wordt door de groote hoeveelheden grassoorten, die door den stroom van de oevers gescheurd zijn en op de wateroppervlakte drijven. Dit waren slangennesten, die het verblijf daartusschen zeer gevaarlijk maakten.Het meer was dan ook geheel verlaten, evenals zijne oevers, die voor de jacht en visscherij weinig gelegenheid aanboden. Uiterst zeldzaam waagden de vaartuigen, die de Sint John bevoeren, zich op dien plas.Bij het uiteinde van het meer herneemt de Sint John haren loop weer, terwijl hare richting dan geheel en al naar het zuidelijk gedeelte van het schiereiland gewend is.Het is dan slechts een beekmeer, zonder diepte, welks bronnen op dertig mijlen meer zuidwaarts tusschen den 27stenen 28stennoorderbreedtegraad aangetroffen worden.Voorbij het Washington-meer is de Sint John niet meer bevaarbaar. En hoe betreurenswaardig dit voor master James Burbank en zijne tochtgenooten ook was, zoo waren zij evenwel genoodzaakt den waterweg te verlaten, om hunnen tocht te vervolgen, te midden van eene streek vol hindernissen, die voor het grootste gedeelte uit moerassigen bodem bestond en met onafzienbare bosschen overdekt was, waarin smoorkuilen in den vorm van modderpoelen aangetroffen werden. Zij wisten dan ook vooruit, dat hunne voetreis daar aanmerkelijke vertraging zou ondervinden.Men ontscheepte. De wapens en de eenmansvrachten, waarin de voorraad levensmiddelen en munitiën besloten waren, werden onder de negers verdeeld. Maar de regeling daarvan was zoodanig geschied,dat die bepakking niemand der expeditie hinderlijk kon zijn, of dat gevreesd mocht worden, dat iemand overladen zou zijn. Dus van dien kant was geene vertraging te vreezen. Alles was vooruit besproken en geregeld. Wanneer halt gemaakt en gerust zoude moeten worden, dan kon het kamp binnen weinige oogenblikken ingericht zijn en betrokken worden.Het eerste wat na de ontscheping verricht moest worden, was het vaartuig, dat hen tot hier gebracht had, op veilige plaats te brengen. Gilbert Burbank, geholpen door Mars, nam die taak op zich. Het was toch zaak die sloep aan het bespiedend oog te onttrekken van de rondzwervende Floridasche partijgangers of der Seminool-Indianen, die de oevers van het Washington-meer mochten bezoeken. Men moest verzekerd zijn, haar weer op een gegeven oogenblik terug te kunnen vinden, om de Sint John af te zakken. Eindelijk vond men eene gunstige plek onder zware maar laag afhangende takken, tusschen reusachtige biezen en rietstengels, welke die plaats als het ware beveiligden. Daar kon een soort van kom ingeruimd worden, waarin het vaartuig, welks mast alvorens gestreken was, verborgen kon worden. En de sloep was daarin zoodanig onder de massa groen verscholen, dat zij onmogelijk van den oever ontdekt kon worden.Zoo was zeer waarschijnlijk, ja ongetwijfeld ook geschied met een ander vaartuig, in welker terugvinding Gilbert Burbank voorzeker veel belang stelde. Zoo was geschied met de sloep, die de kleine Dy en Zermah naar het Washington-meer overgevoerd had. Het was duidelijk, dat Texar door de verdere onbevaarbaarheid der rivier genoodzaakt was geweest, om zijn vaartuig in de nabijheid van dien trechter te verlaten, waardoor het meer zijne wateren in de rivier uitstort. Wat master James Burbank genoopt was te verrichten, zou de Spanjaard ook verplicht geweest zijn te doen.Daarom ondernam men gedurende de laatste uren, dat het daglicht nog te benutten was, de meest nauwkeurige nasporingen, om dat vaartuig van Texar uit te vinden. Dat zou een kostbare aanwijzing en het onwraakbare bewijs zijn, dat de Spanjaard den loop der Sint John tot het Washington-meer gevolgd had.Die nasporingen leidden tot niets. Hoe het ook zij, òf dat de onderzoekingstocht niet ver genoeg uitgestrekt was geworden, òf dat de Spanjaard het vaartuig voorzichtigheidshalve en ook in de meening verkeerende, het niet meer noodig te hebben, vernield had, genoeg zij het, dat geen spoor van eene sloep ontdekt werd.Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz. 139).Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz.139).Maar hoe moeielijk moest de af te leggen afstand tusschen het Washington-meer en de Everglades geweest zijn! Geen rivier meer om die arme vrouw en dat teere meisje de ontzettende vermoeienissen en inspanningen, daaraan verbonden, te besparen. Voorzekerzou de mestische vrouw de kleine Dy in hare armen gedragen hebben. Maar de gedachte alleen, wat die arme Zermah bij dien tocht te lijden zal gehad hebben, doet onwillekeurig ijzen. Want gedwongen als zij was om die mannen te volgen, die aan dergelijke tochten door dat moeielijke terrein gewoon waren, zullen haar geene beleedigende woorden, geen gewelddadigheden, geen slagen gespaard zijn geworden, om haar te dwingen hare schreden te verhaasten. Hoe dikwerf zou zij niet gevallen zijn bij hare pogingen, om, zonder aan zich zelve te denken, het kleine meisje te beveiligen. Dat alles zweefde onzen veldontdekkers levendig voor den geest. En als Mars er aan dacht aan welk lijden, aan welke martelingen zijne echtgenoote blootgesteld was, dan beefde hij van woede, dan verbleekte hij van toorn en dan ontsnapte aan zijne lippen de woorden:»O, ik zal Texar dooden!”Hoezeer wenschte hij om reeds op het eilandGarneralaangekomen te zijn, om zich van aangezicht tot aangezicht te bevinden met den aterling, wiens kuiperijen zooveel lijden aan de familie Burbank veroorzaakt hadden en die daarenboven Zermah, zijne echtgenoote, ontvoerd had.Het kampement was op het uiteinde van eene kleine kaap, welke zich in het noordelijk gedeelte van het meer uitstrekte, opgeslagen. Het zou niet met eene doelmatige voorzichtigheid gestrookt hebben, wanneer men een nachtelijken tocht op dat onbekende terrein, waarbij de blik slechts een beperkten gezichtskring kon overzien, zoude aanvaarden. Men had dan ook, na eene korte beraadslaging, besloten, dat men den dageraad zoude afwachten alvorens den tocht te hervatten. Het gevaar om te verdwalen te midden van dat dichte woud was te groot, om zich daaraan te mogen blootstellen.De nacht ging zonder eenig meldenswaardig voorval voorbij. Tegen vier uur, toen de eerste lichtstralen zich baan begonnen te breken, werd het sein van vertrek gegeven. De helft van het personeel, waaruit de expeditie bestond, was voldoende om de vrachten levensmiddelen en de kampementsbenoodigdheden te dragen en te vervoeren. De negers konden elkander bij die corvee dus aflossen.Allen, zoowel meesters als dienaren, waren gewapend met Miniékarabijnen, die met een kogel en vier zware hagelkorrels geladen waren, en met Colt-revolvers, welker gebruik sedert den secessiekrijg bij beide partijen der oorlogvoerenden zoo veelvuldig geworden was. Onder deze omstandigheden mocht onze troep in staat geacht worden, om met hoop op goeden uitslag het hoofd te kunnen bieden aan eene bende van zestig Seminool-Indianen, ja zelfs om Texar aan te kunnen vallen, al ware hij ook door een gelijk aantal zijner partijgangers omgeven.Men had het doelmatig geacht, om zoolang zulks doenlijk was, langs en evenwijdig aan de Sint John te marcheeren. De hoofdstrekking der rivier was steeds naar het zuiden, dus in de richting van het meer Okee-cho-bee. Zij deed den dienst van Ariadne-draad te midden van het doolhof in het woud gespannen. Men kon dien draad volgen, zonder gevaar te loopen verdwaald te raken. En zoo deed men dan ook.Trouwens dat ging gemakkelijk genoeg. Op den rechter-oever vertoonde zich toch een voetpad—een soort van jaagpad, waarlangs het mogelijk was een heel licht vaartuig tegen den bovenstroom op te halen. Men marcheerde met vluggen pas voorwaarts, Gilbert Burbank en Mars voorop, daarna master Perry te midden zijner negers, die elkander bij het dragen der levensmiddelen en kampementsbenoodigdheden om het uur aflosten, en daarachter master James Burbank en Edward Carrol. Men had, alvorens te vertrekken, een flink ontbijt genoten. Men zou tegen het middaguur halt maken, om te dineeren, tegen zes uren om te avondmalen; men zou kampeeren wanneer het nachtelijk duister niet meer veroorloven zoude om den tocht voort te zetten; men zou den marsch hervatten, wanneer het bleek mogelijk te zijn zich een weg door het woud te banen. Zoodanig was het plan dat men ontworpen had en dat stipt opgevolgd zoude worden.Vooreerst had men den oostelijken oever van het Washington-meer te volgen. Die oever was over het algemeen geheel vlak en bestond zijn bodem gedeeltelijk uit mul zand. Wel bestonden er bosschen, maar die waren, noch wat uitgestrektheid, noch wat dichtheid betreft, te vergelijken met diegenen, welke men later aantreffen zoude. De reden daarvan lag geheel in de geaardheid zelve dier gewassen.Men ontmoette veel struikgewas, dat den marsch zeer vertraagde; maar tegen den avond was dat doorgeworsteld en betrad men het groote cypressenbosch, dat zich tot bij de Everglades uitstrekt.Men had gedurende dien eersten dag ruim twintig mijlen afgelegd. Gilbert vroeg dan ook aan zijne tochtgenooten, of zij zich niet te zeer vermoeid gevoelden.»Wij zijn gereed om verder te trekken,” antwoordde een der negers, die in naam zijner makkers sprak.»Maar loopen wij geen gevaar gedurende den nacht te verdwalen?” vroeg Edward Carrol.»Geenszins,” antwoordde Mars, »daar wij steeds bij de Sint John blijven.”»Bovendien,” meende de jeugdige officier, »de nacht zal helder zijn, daar de hemel geheel wolkeloos is. De maan, die tegen negen uur opgaat, zal den geheelen nacht schijnen. Daarenboven is debladerenkruin der cypressen zeer dun, zoodat de duisternis in dit woud zoo erg niet is als in ieder ander.”Men vertrok dus. Toen de dag aanbrak, maakte de kleine troep halt aan den voet van een buitengewoon dikken cypresboom, om te ontbijten.Gedurende dien tweeden dag werd geen enkel spoor waargenomen, dat op de tegenwoordigheid van benden Zuidelijken of van zwervende troepen Seminool-Indianen kon duiden. Ook werd niets omtrent Texar of zijne makkers vernomen. Het was mogelijk dat de Spanjaard den linker-oever der rivier gevolgd had. Maar wat zou dat? Dat zou geen hinderpaal opleveren. Men begaf zich, of men den eenen of den anderen oever der Sint John volgde, even direct naar dat gedeelte van Beneden-Florida, hetwelk door het briefje van Zermah aangeduid werd.Toen de avond viel, hield het troepje van James Burbank halt, en rustte gedurende zes uren.Na middernacht werd de marsch in allerijl voortgezet. Niets deed zich voor, wat vertraging kon veroorzaken. Het woud was eenzaam en stil. De maan, die reeds den sikkelvorm vertoonde, wierp vreemde schaduwen door het ijle loof van het hooge geboomte. Het water der rivier murmelde zachtkens. Vele zandbanken werden aan de oppervlakte ontwaard, en het kwam allen voor, dat het niet moeielijk kon zijn den overkant der rivier te bereiken, wanneer dat noodig mocht geoordeeld worden.Den volgenden morgen hervatte de troep, na eene rust van twee uren, den tocht steeds in zuidelijke richting. Intusschen raakte men dien dag den geleiddraad, dien men tot nu toe gevolgd had, kwijt. En inderdaad, de Sint John, die nog slechts een onbeduidend sprankje was, verdween onder een boschje kinaboomen, die zich aan zijne bron laafden. Verderop strekte zich het onmetelijke cypressenwoud uit en bedekte het drie vierde gedeelte van den omtrek van den gezichteinder.Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken godsdienst bekeerd waren en tot in den dood trouw aan het Katholieke geloof gebleven waren. Hier en daar verhieven zich bescheiden eenige kruisen, sommigen van steen, anderen van hout, maar allen geplant op eene lichte zoeling van den grond, die de plaatsen der graven tusschen de boomen aanduidden. Hier en daar ontwaarde men enkele begraafplaatsen boven den grond. Dat waren lijken of geraamten, die aan in den grond geplante takken vastgebonden waren en naar den drang van den luchtstroom heen en weer wiegelden.»Het bestaan van een kerkhof in deze streek,” merkte Edward Carrol op, »duidt op de nabijheid van een dorp of een gehucht...”Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz. 141)Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz.141)»Dat evenwel niet meer bestaat,” antwoordde Gilbert, »daar men er geen spoor van op onze kaarten vindt. Die verdwijning van geheele dorpen komt maar al te dikwijls in Beneden-Florida voor, hetzij dat zij door hunne bewoners verlaten werden, hetzij zij door de Indianen verwoest werden.”»Gilbert,” vroeg James Burbank, »hoe zullen wij thans handelen, nu wij de Sint John niet meer tot gids hebben?”»Wij moeten thans op het kompas marcheeren, vader,” antwoordde de officier. »Hoe uitgebreid en hoe dicht dit woud ook moge wezen, is het onmogelijk dat wij daarin verdwalen.”»Welnu, voorwaarts dan, master Gib!” riep Mars uit, die vooral gedurende de halten en rusttijden ongeduldig en onrustig was. »Welnu, voorwaarts en dat God ons geleide!”Toen men het Indiaansche kerkhof een halve mijl achter den rug had, trok de kleine troep het woud in, alwaar men slechts met behulp van het kompas kon marcheeren. De richting bleef zuidelijk.Gedurende het eerste gedeelte van dien dag viel niets meldenswaardigs voor. Tot nu toe had niets dien onderzoekingstocht vertraagd of ook maar hinderpalen in den weg gelegd. Zou dat zoo tot het einde toe blijven? Zou men het doel, waarnaar men streefde, bereiken, of zou de familie Burbank aan de wanhoop ten prooi blijven? Het zou toch eene voortdurende marteling moeten heeten, wanneer de kleine Dy en Zermah niet gevonden werden, terwijl men wist aan welke ellende, aan welke vernederingen, aan welke beleedigingen zij blootgesteld waren, en dan zich bewust te zijn haar niet te kunnen verlossen!Tegen het middaguur werd halt gemaakt.Gilbert, die zorgvuldig den afstand berekende, dien men van het Washington-meer af had afgelegd, giste dan dat men zich nog op vijftig mijlen van het meer Okee-cho-bee bevond. Men was nu acht dagen onderweg sedert men Camdless-Bay verlaten had, en in die acht dagen had men driehonderd mijlen of ruim honderdveertig uren gaans afgelegd, hetgeen eene buitengewone snelheid mag genoemd worden. Het is waar, dat men op de rivier tot in de nabijheid harer bronnen en daarna in het cypressenbosch geene noemenswaardige hinderpalen of vertragingen had ondervonden. Gelukkig waren geene stortregens gevallen, die de Sint John door buitengewonen watertoevoer onbevaarbaar hadden kunnen maken, en de terreinen verderop hadden kunnen doorweken. Gelukkig hadden zij slechts heldere nachten en zeer veel nut van het maanlicht gehad; zoodat alles zoo gunstig mogelijk was medegeloopen.Thans scheidde hen nog maar een betrekkelijk kleine afstandvan het eiland Garneral. Men hoopte dat doel binnen tweemaal vier-en-twintig uren te bereiken. En dan zou de ontknooping, die evenwel niet te voorzien was, wel volgen.Maar al had hun goed gesternte hen tot nu toe voor wederwaardigheden behoed, zoo moest master James Burbank er op bedacht zijn, dat men gedurende het tweede gedeelte van dien dag op bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou kunnen stuiten.De tocht was, nadat men het middagmaal genuttigd had, onder den gewonen marschvorm hervat geworden. Niets ongewoons werd betrekkelijk de geaardheid van het terrein ontwaard.Intusschen hield Mars des namiddags tegen vier uur ongeveer, plotseling halt. Toen zijne tochtgenooten hem ingehaald hadden, maakte hij hen opmerkzaam op voetstappen, die in den moerassigen grond afgedrukt waren. Men onderzocht die sporen ten nauwkeurigste.»Er valt niet aan tetwijfelen,” zei master James Burbank, »een troep menschen is hier kort geleden voorbijgekomen.”»Een talrijke troep,” vulde Edward Carrol aan.»Van welken kant komen die voetstappen en waarheen richten zij zich?” vroeg Gilbert.»Ja, van welken kant en waarheen? Dat is zoo gemakkelijk niet na te gaan,” merkte master James Burbank op.»En het is toch noodzakelijk, dat dit ten nauwkeurigste opgespoord worde,” antwoordde zijn zoon.»Waarom?” vroeg Edward Carrol.»Omdat wij zonder stipte inlichting dienaangaande geen besluit kunnen nemen.”Dat begreep iedereen en de gevorderde nasporingen werden met de grootste nauwkeurigheid verricht.Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters en zelfs verder kon men de indrukken van die voetstappen volgen. Het werd onnoodig geacht hen verder op te sporen. Uit de richting van die voetstappen bleek, dat een troep van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd man, na de kuststreek van den Atlantischen Oceaan verlaten te hebben, dit gedeelte van het cypressenwoud doorgetrokken was. Die sporen werden in westelijke richting waargenomen en wendden zich naar de Golf van Mexico, zoodat die troep blijkbaar het geheele Floridasche schiereiland doorgetrokken was, dat op deze breedte niet minder dan tweehonderd mijlen uitgestrektheid van zee tot zee meet. Men merkte tevens op, dat dit detachement juist op dezelfde plek, die door Master James Burbank en zijne tochtgenooten thans bezet was, halt gemaakt en rust genoten had en dat het den marsch in dezelfde richting vervolgd had, welke onze opspoorders volgen moesten.Gilbert Burbank waarschuwde zijne makkers, om tegen iedere verrassing waakzaam, tegen iederen overval op hunne hoede te zijn. Hij plaatste op een paar punten schildwachten, om het terrein voortdurend te overzien. Daarna ging hij, vergezeld van Mars, op verkenning uit, en kon, nadat hij even een kwart mijl door het bosch was gemarcheerd, constateeren, dat die voetstappen zich beslist in zuidelijke richting uitstrekten.Ziet hier wat Gilbert Burbank rapporteerde, toen hij met Mars van zijne veldontdekking in het kampement teruggekomen was.»Een troep menschen is ons vooruit, die van het Washington-meer af nauwkeurig denzelfden weg van ons volgt. Die troep is gewapend en het bewijs daarvan hebben wij gevonden in papieren patroonhulzen, die men gebezigd heeft, om de wachtvuren aan te maken, waarvan wij de asch en de gebluschte houtskolen aangetroffen hebben.”»Wie zijn die mannen?” vroeg zijn vader hem.»Dat weet ik niet,” antwoordde Gilbert Burbank. »Wat zeker is, dat is dat zij talrijk zijn en dat zij naar de Everglades marcheeren.”»Kunnen het geene zwervende Seminool-Indianen zijn?” vroeg Edward Carrol.»Neen,” antwoordde Mars beslist.»Waaruit maakt gij dat op?”»Hun voetafdruk wijst er duidelijk op, dat het Amerikanen zijn...”»Misschien wel Floridasche militie-troepen?” merkte master James Burbank vragend op.»Dat is inderdaad te verwachten,” antwoordde de administrateur Perry.»Waarom zou dat eerder te verwachten zijn dan de ontmoeting met Seminool-Indianen?” vroeg Edward Carrol.»Omdat die Indianen slechts bij kleine troepen rondzwerven. En zooals gij ziet, is de troep, die hier voorbijtrok, vrij talrijk. Het kan zelfs de bende partijgangers van Texar niet zijn.”»Waarom niet?”»Omdat ook die zoo talrijk niet is,” antwoordde master Perry.»Het zou toch kunnen zijn, dat zich een detachement militie-troepen bij hem en zijne partijgangers aangesloten had,” meende Edward Carrol, »in welk geval die troep een paar honderd man sterk kon zijn...”»Tegenover zeventien!...” zuchtte de administrateur.»Om het even!” riep Gilbert Burbank uit. »Niemand onzer zal terugdeinzen, niet waar, hetzij wij aangetast worden, hetzij wij aanvallenderwijs te werk moeten gaan.”»Neen!... niemand onzer...” riepen de moedige tochtgenooten van den jeugdigen officier.Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz. 152).Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz.152).Dat werd geantwoord in een oogenblik van natuurlijke geestdriftvolle vervoering. En toch bij eenig nadenken moest een ieder tot het besef komen van den hachelijken toestand, waarin men zich bevond en hoeveel gevaren de omstandigheden konden doen geboren worden.Toch verminderde die gedachte, in weerwil zij in ieders brein ontkiemde, niemands moed. Maar zoo’n hinderpaal zoo dicht bij het doel te ontmoeten, was dat niet om wanhopig te worden? En welke hinderpaal nog! Een detachement Zuidelijke troepen, misschien partijgangers van Texar, die poogden zich in de Everglades bij den Spanjaard te voegen, ten einde het gunstige oogenblik af te wachten om weer in het Noordelijk gedeelte van Florida te kunnen optreden.Ja, dat was het, wat men voorzeker te duchten had. Dat gevoelden allen. Toen het eerste oogenblik van geestdrift voorbij was, zwegen dan ook allen stil en schenen, terwijl zij den jeugdigen aanvoerder aanstaarden, in nadenken verzonken en zich af te vragen, welke bevelen hij zou verstrekken.Ook Gilbert was onder den indruk van de algemeene bekommering geraakt. Hij echter verhief fier het hoofd.»Voorwaarts!” beval hij.X.Ontmoeting.Ja! men moest voorwaarts marcheeren.Evenwel, tegenover de schrikkelijke gebeurlijkheden, die men tegemoet trad, moesten alle mogelijke voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Het mocht voor onontbeerlijk gelden, dat de marsch behoorlijk verkend werd, dat geen verdachte stam van het cypressenwoud ononderzocht bleef, maar vooral dat men op iedere eventualiteit voorbereid bleef.De wapens werden dus met de meeste zorg nagezien en in slagvaardigen toestand gebracht, gereed om ieder oogenblik benut te worden. Bij het geringste onraad zouden de eenmansvrachten op den bodem neergelegd worden, zoodat allen aan eene werkdadige verdediging deel konden nemen.Wat de indeeling van het personeel gedurende den marsch betreft, deze onderging geene wijziging. Gilbert Burbank en Mars bleven de voorhoede uitmaken; zij bewogen zich evenwel op een grooteren afstand van den hoofdtroep, om ieder verrassend optreden van de tegenpartij bij tijds te kunnen verijdelen. Ieder was ten volle gereed zijn plicht te vervullen, ofschoon die brave lieden het hart in de borstkas ineenkromp, wanneer zij aan den hinderpaal dachten, die zich tusschen hen en hun doelwit had gesteld.De marsch was niet vertraagd geworden. Intusschen had men het voorzichtig geoordeeld, niet de voetsporen te volgen, die steeds helder en duidelijk afgedrukt, bespeurd werden. Het werd beter geacht, niet op het detachement te stooten, dat dezelfde richting naar de Everglades volgde. Ongelukkig ontwaarde men al spoedig, dat dit pogen zeer moeielijk was. Want inderdaad, dat detachement marcheerde niet in rechtlijnige richting. De voetsporen duidden onwraakbaar aan, dat het vele wendingen ter rechter- en ter linkerzijde beschreef, waaruit de gevolgtrekking voortvloeide, dat er eene zekere aarzeling bij den marsch bestond.Toch was de algemeene richting naar het Zuiden.Andermaal was een dag voorbijgegaan, zonder dat zich iets meldenswaardigs had voorgedaan. Geen enkele ontmoeting had master James Burbank genoopt den marsch te staken. Men was met vluggen en stevigen tred voortgestapt en won blijkbaar op den troep, die zoowat in het cypressenwoud ronddwaalde. Dat ontwaarde men duidelijk uit de veelvuldige sporen, die zich van uur tot uur scherper en duidelijker afgedrukt vertoonden op dien plastischen bodem.Niets was gemakkelijker geweest, dan het getal halten te bepalen, die hetzij om het middagmaal te gebruiken, hetzij om te rusten, gemaakt waren. In het eerste geval duidde het kruisen der sporen op een heen en weer geloop in alle richtingen; in het andere geval kon men aannemen, dat men den marsch slechts kortstondig gestaakt had, om over de te volgen richting te beraadslagen.Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwkeurigheid na te gaan. Daar die sporen hen zeer veel wetenswaardigs konden mededeelen, sloegen zij ze met evenveel zorg gade als de Seminool-Indianen, die zoo scherpzinnig de geringste aanwijzingen op de terreinen, die zij bij hunne jacht- of krijgstochten doorkruisen, waarnemen.Het was na een van die nasporingen, dat Gilbert Burbank in staat was stellig te verklaren:»Vader, wij hebben thans de stellige zekerheid, dat noch Zermah noch mijne zuster deel uitmaken van den troep, die voor ons uit marcheert.”»Waaruit leidt gij dat af, Gilbert?” vroeg master James Burbank.»Er wordt geen enkele afdruk van den hoef van een paard aangetroffen. Wanneer Zermah zich bij dien troep bevond, dan had zij te voet moeten gaan, terwijl zij mijn zusje in hare armen droeg. De afdrukken van hare voeten zouden dan gemakkelijk herkenbaar zijn geweest, alsook die van Dy, die toch gedurende de halten op den grond neergezet zoude zijn. Maar geen enkele afdruk van een vrouwen- of een kindervoet is waargenomen.”»Niet?”»Neen, vader. Eene andere opmerking is, dat het ontwijfelbaar geacht moet worden, dat dit detachement van draagbare vuurwapens voorzien is. Op vele plaatsen waren toch de afdrukken der geweerkolven op den grond niet te miskennen. Ik heb zelfs opgemerkt, dat die kolven zeer veel overeenkomst met die der marine-geweren van de Noordelijken hebben. Het is dus waarschijnlijk, dat de Floridasche militie-troepen gewapend zijn geworden met geweren van datzelfde model. Anders is die bijzonderheid volkomen onverklaarbaar.”Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz. 155).Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz.155).»En hebt gij nog meer opgemerkt, Gilbert?”»Ja, vader, ook nog, en helaas dat is maar al te zeker, dat die troep op zijn minst genomen in getalsterkte tienmaal den onzen overtreft. Dus wij moeten, naarmate wij hem meer en meer naderen, met de meeste omzichtigheid te werk gaan!”Er bleef niets anders over dan die aanwijzingen van den jeugdigen officier stipt op te volgen. Dat werd dan ook gedaan. Wat Gilbert’s gevolgtrekkingen omtrent de talrijkheid en den vorm der indrukken betreft, die moesten nauwkeurig zijn. Dat de kleine Dy en Zermah geen deel uitmaakten van dat detachement, kon als stellig en zeker aangenomen worden, en was het wonder, dat men daaruit opmaakte, dat men zich niet op het spoor van den Spanjaard bevond? De mannen toch, die van de Zwarte-Kreek herwaarts gekomen waren, konden noch zoo talrijk, noch zoo goed gewapend zijn. Het scheen dus niet twijfelachtig te zijn, dat het een sterk detachement der Floridasche militie-troepen was, dat daar vooruitmarcheerde en zich naar de zuidelijke streken van het schiereiland, en dus naar de Everglades richtte, alwaar Texar zeer waarschijnlijk sedert gisteren of eergisteren was aangekomen.Hoe men de zaak ook beschouwde, die troep, die daar vooruitmarcheerde, was voor master James Burbank en zijne tochtgenooten zeer te duchten.Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. Die plek moest eenige uren vroeger bezet zijn geweest, zooals aangeduid werd door de overblijfselen van wacht- en keukenvuren, welker asch den tijd niet gehad had om af te koelen. Alles wees er op, dat die plek tot kampeerplaats gediend had.Men kwam toen tot het besluit, om den tocht niet te hervatten dan wanneer de nacht gevallen zoude zijn. Het uitspansel, dat zwaar bewolkt was, zou zeer donker zijn. De maan, die in het laatste kwartier was, kwam eerst zeer laat op. Dat alles zoude veroorloven, het detachement onder de meest gunstige omstandigheden te kunnen naderen. Misschien zou het mogelijk zijn het te verkennen, zonder zelf bespeurd te worden, het om te trekken, terwijl men zich in het dichtste van het bosch verscholen hield, het vooruit te komen om in zuidwestelijke richting te marcheeren, ten einde het eerste het meerOkee-cho-beeen daarin het eiland Garneral te bereiken.De kleine troep, die Gilbert Burbank en Mars steeds tot voorhoede had, vertrok tegen half negen en trok zoo stil mogelijk onder de loofkruinen der boomen en te midden eener dikke duisternis voort. Zoo stapte men gedurende twee uren ongeveer door, waarbij de voorzorg gebruikt werd de voeten zoo zacht mogelijk neer te zetten, om zich niet te verraden.Het was zoo omstreeks half elf, toen master James Burbank, die zich met den administrateur Perry aan het hoofd van den hoofdtroep bevond, met een enkel woord het sein gaf om halt te houden. Gilbert en Mars waren toch in allerijl op den hoofdtroep teruggeweken. Allen wachtten ongeduldig maar volkomen bewegingloos de verklaring van dien plotselijken terugtocht af.Die verklaring liet niet op zich wachten.»Wat is er, Gilbert?...” vroeg master James Burbank.»Shut!” waarschuwden de officier en Mars tot stilte.»Maar wat hebt gij ontdekt?” vroeg James Burbank met gedempte stem.»Een kampement onder de boomen opgeslagen en waarvan de vuren duidelijk zichtbaar zijn.”»Ver hier vandaan verwijderd?...” vroeg Edward Carrol.»Op honderd passen ternauwernood.”»Hebt gij de lieden kunnen verkennen, die dat kampement betrekken?”»Neen, want men begon de vuren uit te dooven,” antwoordde Gilbert Burbank. »Maar ik geloof, dat wij ons niet vergissen, wanneer wij hunne sterkte op tweehonderd man schatten.”»Slapen zij, Gilbert?”»Ja, voor het meerendeel, evenwel niet zonder wachtposten uitgesteld te hebben. Wij hebben eenige schildwachten bemerkt, die, met het geweer op schouder, tusschen de cypressen heen en weer wandelen.”»Wat moeten wij doen?” vroeg Edward Carrol, het woord tot den jeugdigen officier richtende.»Vooraf moeten wij trachten dat detachement meer afdoend te verkennen,” antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens dat wij beproeven het om te trekken.”»Ik ben gereed op kondschap uit te gaan,” betuigde Mars.»En ik zal u vergezellen,” zei master Perry.»Neen, dat neem ik op mij,” antwoordde Gilbert Burbank. »Ik mag mij op niemand anders vertrouwen dan op mij zelven....”»Gilbert,” zei master James Burbank, »er is niemand onzer die niet gereed is zijn leven voor het algemeen welzijn veil te hebben. Maar om niet opgemerkt te worden, om eenigen kans te hebben die verkenning met welslagen uit te kunnen voeren, moet de verkenner alleen zijn....”»Het is ook alleen, dat ik wensch te gaan,” sprak Gilbert Burbank met eenige drift.»Neen, mijn zoon,” antwoordde master James Burbank, »ik verzoek je bij ons te blijven. Mars zal die verkenning volvoeren.”»Ik ben gereed, master,” sprak deze.En zonder verder een bevel af te wachten, verdween de mesties in de duisternis.Terzelfder tijd stelde master James Burbank zijn troep slagvaardig op, gereed om iederen aanval te weerstaan. De eenmansvrachten werden op den grond gelegd. De dragers grepen naar de wapens. En allen, met het geweer in de hand, stelden zich verspreid achter de cypressenstammen verdekt op, evenwel zoo dat zij in een oogwenk bij elkander konden zijn, wanneer de omstandigheden gebieden mochten gezamenlijk op te treden.Van de plek, die door master James Burbank en de zijnen betrokken was, kon men het kampement niet zien. Men moest ongeveer een vijftigtal passen naderen, om de vuren, die bijna verdoofd waren, in het oog te krijgen. Daaruit werd de noodzakelijkheid geboren, de terugkomst van den mesties af te wachten, alvorens die beschikkingen te kunnen nemen, welke de omstandigheden zouden medebrengen.In zijn ongeduld was de jeugdige officier eenige meters vooruit getreden, alsof hij van daar de lieden beter kon voeren.Mars was intusschen met de grootste omzichtigheid vooruitgeslopen. Hij dekte zich voortdurend achter boomstammen, en verliet den eenen niet dan om achter een anderen eene schuilplaats te zoeken. Zoo naderde hij, zonder veel gevaar te loopen ontdekt te worden. Hij hoopte zoo nabij genoeg te kunnen naderen, om de gesteldheid van de plaats waar te kunnen nemen, het getal mannen te kunnen ramen, maar vooral de partij te kunnen bestemmen, waartoe zij behoorden. Dat zou zoo gemakkelijk niet gaan. De nacht was zeer donker en de bivouacvuren gaven geen licht meer. Om te slagen, moest hij tot bij het kampement sluipen. Nu was Mars volstrekt niet van stoutmoedigheid misdeeld, ook niet van vaardigheid, om de waakzaamheid der schildwachten, die op post stonden, te misleiden.De mesties won inmiddels veld. Hij had, om door niets belemmerd te kunnen worden, noch geweer noch revolver medegenomen. Hij was slechts gewapend met eene korte enterbijl, want het was noodzakelijk iedere ontploffing te vermijden en zich slechts te verdedigen, als dat noodig was, zonder gerucht te maken.Eindelijk was de moedige kerel tot op zeer korten afstand van een der schildwachten genaderd, die zelf slechts op een afstand van zeven of acht meters van het kampement geplaatst was. Alles was stil. Blijkbaar waren die mannen ten gevolge van een zwaren marsch zeer vermoeid en thans in een diepen slaap gedompeld. Slechts de schildwachten waren waakzaam op hun post, doch niet allen in gelijke mate, waarvan Mars weldra de overtuiging kreeg.Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz. 160).Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz.160).Inderdaad, de mesties, die een hunner sedert eenige oogenblikken nauwkeurig gadesloeg, bemerkte dat hij wel is waar overeind stond, maar zich volstrekt niet bewoog. Zijn geweer lag op den grond. Hij zelf stond met gebukt hoofd tegen een cypresboom geleund en scheen aan den slaap geen weêrstand te kunnen bieden. Het zou misschien niet onmogelijk zijn, achter hem om te sluipen en zoo het kampement te bereiken.Mars naderde den schildwacht langzaam, toen het gekraak van een droog takje, dat hij met den voet deed knappen, zijne tegenwoordigheid verraadde.Dadelijk richtte de man zich op, verhief het hoofd, boog zich voorover, keek scherp rechts en links, om te ontwaren, wie of wat het gerucht kon veroorzaakt hebben, dat gedurende zijne dommeligheid zijn oor getroffen had.Hij ontwaarde voorzeker iets verdachts, want hij greep zijn geweer, maakte dat vaardig en bracht het aan den schouder...Maar vóórdat hij vuur had kunnen geven, had Mars hem het wapen, dat op zijne borst gericht was, ontrukt en had hij den schildwacht, na hem zijn breede hand op den mond geklemd te hebben, om hem het schreeuwen te beletten, op den grond geworpen.Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik geschied. Toen Mars dien man gekneveld en hem een prop in den mond geduwd had, pakte hij hem met ijzersterken arm op en droeg hem, hoewel hij zich tevergeefs trachtte te verzetten, in allerijl naar de open plek in het woud, waar master James Burbank en de zijnen met ongeduld stonden te wachten.Niets was van dat alles door de andere schildwachten, die het kampement bewaakten, bespeurd, een bewijs dat zij zeer onvoldoende hun plicht betrachtten. Mars kwam weinige oogenblikken later met zijne vracht aan en legde die aan de voeten van zijn jongen meester neder.In minder dan een oogwenk waren de negers rondom master James Burbank, zijn zoon Gilbert, Edward Carrol en den administrateur Perry in een dichten kring te zamen gedrongen. De krijgsgevangene, die half gestikt was, zou geen enkel woord, zelfs zonder prop in den mond, hebben kunnen uiten. De duisternis was zoo groot, dat het onmogelijk was zijn gelaat waar te nemen of zijne kleederen te onderscheiden, ten einde te weten te komen, of hij al of niet tot de Floridasche militie-troepen behoorde.Mars verwijderde de prop, die hem den mond sloot, maar men moest geduldig wachten tot hij eenigszins bijgekomen was, alvorens hem te kunnen ondervragen. Eindelijk riep hij:“Help!... help!...”“Geen kik,” waarschuwde hem master James Burbank, terwijl hijhem de hand op den mond legde. »Gij hebt van ons niets te vreezen.”»Wat wil men van mij?”»Niets dan dat gij ons openhartig antwoordt.”»Het zal er van afhangen, wat gij mij vragen zult,” antwoordde de man, die eenigermate eene zekere geruststelling herkreeg. »Vooreerst zijt gij voor de Zuidelijken of voor de Noordelijken gestemd?”»Voor de Noordelijken.”»Vraag dan maar op. Dan ben ik gereed te antwoorden.”Toen vervolgde Gilbert de ondervraging.»Hoe sterk is het detachement, dat daar ginds kampeert?” vroeg hij.»Bijna tweehonderd man.”»En waarheen trekt het?”»Naar de Everglades.”»Wie is zijn aanvoerder?”»De kapitein Howick.”»Wat, de kapitein Howick?”»Ja.”»De kapitein Howick, een der officieren van deWabash!” riep Gilbert Burbank uit.»Dezelfde.”»Dat detachement bestaat dus uit zeelieden van het eskader van den Commodore Dupont?”»Ja; wij zijn Federalisten, Noordelijken, anti-slavengezinden, unionisten,” antwoordde die man, trotsch er op, die verschillende benamingen op te sommen, die de partij der goede zaak zoo dikwerf als scheldnamen aanduidden.Dus in stede van een detachement Floridasche militie-troepen, die master James Burbank en zijne tochtgenooten meenden dat voor hen uit marcheerden, in stede van eene bende partijgangers van Texar, was men op vrienden gestooten, op wapenbroeders, welker versterking voorwaar zeer te pas kwam.»Hoerah! hoerah!” schreeuwden allen met zulk een geestdrift, met zulk een kracht, dat het geheele kampement er van ontwaakte.Dadelijk schitterde het licht van flambouwen in het nachtelijk duister. Men kwam naar elkander toe, men vereenigde zich in de open plek van het woud, en nog vóórdat eenige verklaring gegeven werd, drukte kapitein Howick den jeugdigen luitenant, dien hij volstrekt niet dacht op zijn weg naar de Everglades te ontmoeten, met warmte de hand.De verklaringen en uitleg van zaken waren noch lang, noch moeielijk.»Kunt gij mij mededeelen, kapitein,” vroeg Gilbert Burbank, »wat gij in Beneden-Florida komt uitvoeren?”»Waarde luitenant Burbank,” antwoordde kapitein Howick, »wij zijn op expeditie gezonden door den Commodore Dupont.”»En vanwaar komt gij?”»Van Mosquito Inlet, vanwaar wij ons dadelijk naar New Smyrna, in de binnenlanden van het graafschap gelegen, begeven hebben.”»Mag ik u ook vragen, kapitein, wat het doel van uwen tocht is?”»Het doel daarvan is een bende partijgangers der Zuidelijken te tuchtigen, die twee onzer sloepen in eene hinderlaag gelokt hebben. Wij willen den dood van onze brave krijgsmakkers wreken!”Ziehier wat kapitein Howick dienaangaande verhaalde en wat master James Burbank onmogelijk weten kon; want de feiten waren twee dagen na zijn vertrek van Camdless-Bay gebeurd.Men heeft niet vergeten, dat de Commodore Dupont zich toen onledig hield met het tot stand brengen van de daadwerkelijke blokkade van de Floridasche kuststrook. Daartoe moest zijne flottilje dat gedeelte van de zee, begrepen tusschen het eiland Anastasia, ten noorden van Sint Augustijn, en de noorder-monding van het kanaal, dat de Bahama-eilanden van de Zandkaap, de Zuidelijke spits van Florida, scheidt, bewaken en doorkruisen. Maar dat kwam hem niet afdoende genoeg voor. Daarom besloot hij de vaartuigen der Zuidelijken tot in de kreken en kleine rivieren van het schiereiland te vervolgen en aan te vallen.Met dat doel werd eene expeditie afgezonden, bestaande uit twee sloepen van het eskader met een detachement mariniers aan boord, onder de bevelen van twee officieren, die, in weerwil van hun beperkt aantal, niet aarzelden de rivieren van het graafschap in te stevenen.Maar de partijgangers der Zuidelijken sloegen die handelingen der Federalisten nauwgezet gade. Zij lieten die sloepen ongehinderd zich begeven in dit woeste gedeelte van Florida, hetgeen eene daad van betreurenswaardige onvoorzichtigheid moest genoemd worden, daar die geheele streek zoowel door Seminool-Indianen als door militie-troepen bezet was. De gevolgen bleven niet uit. De sloepen werden bij het Kissimmee-meer, gelegen op tachtig mijlen ten westen van kaap Malabar, in een hinderlaag gelokt. Daar werden zij door talrijke partijgangers aangevallen en daar sneuvelden de twee commandanten, die de noodlottige expeditie aanvoerden, aan het hoofd van het grootste gedeelte hunner ondergeschikten. Slechts weinigen ontsnapten als het ware door een wonder aan het bloedbad. De Commodore Dupont verstrekte dadelijk, toen hij die ramp vernam, de noodige bevelen, om de Floridasche militie-troepen onverwijld en rusteloos te vervolgen, ten einde den dood der gesneuvelde Federalisten te wreken.Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz. 162).Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz.162).Een detachement van tweehonderd zeelieden, onder de bevelenvan kapitein Howick, ontscheepte derhalve in de nabijheid van Mosquito-Inlet, en had weldra het stadje New-Smyrna, op eenigen afstand van de kust gelegen, bereikt. Na aldaar de onontbeerlijke inlichtingen ingewonnen te hebben, hernam kapitein Howick zijnen marsch in zuidwestelijke richting.Hij rekende inderdaad er op, de bende, aan wie de hinderlaag, te Kissimmee gespannen, toegeschreven moest worden, in de Everglades te ontmoeten. Het was dus daarheen, dat hij zijn marsch richtte. En thans was hij daar niet ver meer van verwijderd.Dat was de gebeurtenis, welke master James Burbank en zijne tochtgenooten niet kenden, toen zij in dit gedeelte van het cypressenwoud op het detachement van kapitein Howick stieten.Vragen en antwoorden kruisten zich thans bliksemsnel tusschen den kapitein en den luitenant. Natuurlijk golden zij uitsluitend hun tegenwoordigen toestand, en wat zij in de toekomst te wachten hadden.»Ik kan u al dadelijk mededeelen,” zei Gilbert Burbank, »dat wij ook naar de Everglades marcheeren.”»Gij ook?” vroeg de kapitein, vrij verbaasd over deze mededeeling. »Wat gaat gij daar uitvoeren?”»Wij vervolgen eene bende boosdoeners, om hen te tuchtigen, zooals gij met de sluipmoordenaars van Kissimmee wilt doen.”»Wat zijn dat voor boosdoeners?”»Veroorloof mij, kapitein,” antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens u te antwoorden, eene vraag1te doen.”»Welke?”»Sedert wanneer hebt gij met uw detachement New-Smyrna verlaten?”»Sedert acht dagen.”»En hebt gij geen enkel partijkorps der Zuidelijken in de binnenlanden van het graafschap ontmoet?”»Geen enkele, waarde Gilbert,” antwoordde kapitein Howick. »Maar wij hebben uit vertrouwbare bron vernomen, dat sommige detachementen militie-troepen eene toevlucht in Beneden-Florida gezocht hebben.”»Wie is de aanvoerder van dat detachement, hetwelk gij vervolgt?”»Wie die aanvoerder is?”»Ja, kent gij hem ten minste?”»Volkomen. En ik kan er bijvoegen, dat wanneer wij er in slagenhem gevangen te nemen, master James Burbank dat niet betreuren zal.”»Wat wilt gij zeggen?”... vroeg de eigenaar van Camdless-Bay den kapitein Howick met eenige drift.»Eenvoudig dit,” antwoordde de officier, »dat die aanvoerder juist dezelfde Spanjaard is, die kort geleden door den krijgsraad te Sint Augustijn, wegens gebrek aan bewijzen, ter zake van het gebeurde op uwe plantage vrijgesproken werd.”»Texar?”»Texar?”»Texar?”Allen, èn James Burbank, èn Gilbert, èn Edward Carrol, èn Perry hadden gelijktijdig dien naam uitgekreten. Zal het mogelijk zijn een denkbeeld te geven van de gewaarwordingen, welke een ieder bezielden?»Hoe,” riep Gilbert uit, »is Texar de aanvoerder van die partijgangers, welke gij tracht te bereiken?”»Hij zelf! Hij is de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, van dien laaghartigen moord, gepleegd door een vijftigtal boosdoeners van zijn gehalte, die hij in persoon aanvoerde. En zooals wij te New-Smyrna uit zekere bron vernomen hebben, heeft hij zijne toevlucht in de Everglades gezocht.”»En wanneer gij er in slaagt dien ellendeling gevangen te nemen?”... vroeg Edward Carrol.»Dan wordt hij op de plaats doodgeschoten,” antwoordde kapitein Howick. »Zoo luidt het formeele bevel van den Commodore, en wees er van overtuigd, master James Burbank, dat bevel zal onmiddellijk uitgevoerd worden.”Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welke uitwerking die mededeeling op master James Burbank en de zijnen hebben moest. Met de versterking der strijdmacht, die door kapitein Howick bijgebracht werd, kon men bijna zeker op de bevrijding van de kleine Dy en van Zermah rekenen. Ook kon men op de gevangenneming van den Spanjaard en zijne medeplichtigen vertrouwen. Die zouden de straf hunner misdaden niet ontgaan.Er werden dan ook veelvuldige handdrukken tusschen de zeelieden van het federalistisch detachement en de negers van Camdless-Bay gewisseld, en vele hoera’s weerklonken vol geestdrift door het cypressenwoud.Gilbert Burbank stelde toen kapitein Howick op de hoogte van hetgeen zijne tochtgenooten in het zuiden van Florida kwamen uitvoeren. Hunne voorname taak was, de bevrijding van Zermah en het meisje, die naar het eiland Garneral ontvoerd waren, zooals door het briefje der mestiesche vrouw aangeduid was. De kapiteinvernam toen ook, dat het alibi, door den Spanjaard voor den krijgsraad bepleit, niet had moeten aangenomen worden, hoewel men er niet in geslaagd was om te begrijpen, hoe dat alibi gesteld had kunnen worden.Maar nu hij zich èn omtrent de ontvoering der twee vrouwen, èn omtrent den moord te Kissimmee te verantwoorden had, scheen het moeielijk dat Texar ontsnappen kon aan de straf voor die dubbele misdaad.Intusschen opperde toch master James Burbank eene onverwachte bedenking, die hij aan kapitein Howick mededeelde.»Kunt gij mij zeggen,” vroeg hij, »op welken dag de sloepen te Kissimmee in hinderlaag gevallen zijn?”»Zelfs zeer nauwkeurig, master Burbank,” antwoordde de kapitein. »Die moord onzer zeelieden is op den 22stenMaart geschied.”»Welnu,” antwoordde master James Burbank, »op den 22stenMaart was Texar nog in de Zwarte Kreek en maakte hij zich eerst gereed om te vertrekken.”»Onmogelijk, master Burbank!”»Dat zeg ik ook: onmogelijk heeft Texar deel kunnen nemen aan een moord, die op tweehonderd mijlen afstand bij het meer Kissimmee gepleegd werd! Vindt gij niet?”...»Ja, maar...” stamelde de kapitein.»Neen, ik herhaal dat Texar die bende Zuidelijken niet heeft kunnen aanvoeren, die uwe sloepen overvallen en uitgemoord hebben.”»Gij vergist u, master Burbank,” hernam kapitein Howick. »De Spanjaard is behoorlijk gezien en herkend geworden door de zeelieden, die aan het bloedbad ontkomen zijn. Den zeelieden heb ik zelf ondervraagd.”»Maar zij kennen Texar waarschijnlijk niet?”»Zij kennen hem zeer goed; zij hebben te Sint Augustijn gelegenheid genoeg gehad om hem te zien.”»Dat kan niet, kapitein,” antwoordde master James Burbank. »Het briefje, door Zermah geschreven en wat zich in onze handen bevindt, bewijst dat Texar op den 22stenMaart nog in de Zwarte Kreek was.”»Ongeloofelijk, master Burbank!” meende kapitein Howick te moeten protesteeren.Gilbert Burbank had die woordenwisseling aangehoord, zonder te trachten met een enkel woord tusschenbeiden te komen. Hij begreep dat zijn vader gelijk had, hij gevoelde dat hij gelijk moest hebben. De Spanjaard kon onmogelijk op den dag van den moord zich in de nabijheid van het Kissimmee-meer bevonden hebben.»Laten wij daarover niet redekavelen,” sprak hij eindelijk. »Inhet bestaan van dien man doen zich zulke onverklaarbare daadzaken voor, dat ik maar niet pogen zal ze op te lossen. Den 22stenMaart was hij, volgens de verklaring van Zermah, nog in de Zwarte Kreek, en op den 22stenMaart bevond hij zich, volgens uwe verzekering, kapitein Howick, die gij geput hebt uit het rapport uwer zeelieden, aan het hoofd van een Floridaasch partijgangerskorps op tweehonderd mijlen daar vandaan. Die tegenstrijdigheid vermogen wij voor het oogenblik niet op te lossen. Het zij zoo! Maar wat zeker, wat boven allen twijfel verheven moet geacht worden, is, dat hij zich thans in de Everglades bevindt. En nu kunnen wij hem binnen tweemaal vier-en-twintig uren bereikt hebben.”»Ja, luitenant Burbank,” antwoordde kapitein Howick, »gij hebt gelijk, en hetzij schuldig aan de ontvoering der twee vrouwen, hetzij schuldig aan het spannen der hinderlaag, zal, volgens mij, wanneer die ellendeling doodgeschoten wordt, het vonnis rechtvaardig geveld zijn. Kom, voorwaarts vrienden!”»Ja, voorwaarts!” antwoordden allen.Het gestelde feit was daarom evenals zooveel anderen, die betrekking op het niet openbare leven van Texar hadden, volkomen onverklaarbaar en bleef dat. Daarin school ook alweer een niet te begrijpen alibi. Waarlijk, men zou gezegd hebben dat Texar, die ellendige kerel, een dubbelganger had, of beter, dat hij het vermogen bezat op twee plaatsen tegelijkertijd te zijn.Zou dat geheim eenmaal opgelost worden? Wie zou dat durven verzekeren? Maar het mocht zijn zooals het wil, men moest Texar zien in handen te krijgen, en tot dat doel zouden de zeelieden van kapitein Howick, met de tochtgenooten van master James Burbank krachtig medewerken.1Volgens J. Verne schijnt het bij de Amerikanenreçu, dat de luitenants de kapiteins ondervragen.Vert.
IX.Het groote Cypressenbosch.Het Washington-meer, dat over zijne lengte-as gemeten, eene uitgestrektheid van een tiental mijlen heeft, is een der minstbelangrijke waterbekkens in dit gedeelte van zuidelijk Florida. De diepte van dat meer is onbeduidend, terwijl de vaart er op nog bemoeilijkt wordt door de groote hoeveelheden grassoorten, die door den stroom van de oevers gescheurd zijn en op de wateroppervlakte drijven. Dit waren slangennesten, die het verblijf daartusschen zeer gevaarlijk maakten.Het meer was dan ook geheel verlaten, evenals zijne oevers, die voor de jacht en visscherij weinig gelegenheid aanboden. Uiterst zeldzaam waagden de vaartuigen, die de Sint John bevoeren, zich op dien plas.Bij het uiteinde van het meer herneemt de Sint John haren loop weer, terwijl hare richting dan geheel en al naar het zuidelijk gedeelte van het schiereiland gewend is.Het is dan slechts een beekmeer, zonder diepte, welks bronnen op dertig mijlen meer zuidwaarts tusschen den 27stenen 28stennoorderbreedtegraad aangetroffen worden.Voorbij het Washington-meer is de Sint John niet meer bevaarbaar. En hoe betreurenswaardig dit voor master James Burbank en zijne tochtgenooten ook was, zoo waren zij evenwel genoodzaakt den waterweg te verlaten, om hunnen tocht te vervolgen, te midden van eene streek vol hindernissen, die voor het grootste gedeelte uit moerassigen bodem bestond en met onafzienbare bosschen overdekt was, waarin smoorkuilen in den vorm van modderpoelen aangetroffen werden. Zij wisten dan ook vooruit, dat hunne voetreis daar aanmerkelijke vertraging zou ondervinden.Men ontscheepte. De wapens en de eenmansvrachten, waarin de voorraad levensmiddelen en munitiën besloten waren, werden onder de negers verdeeld. Maar de regeling daarvan was zoodanig geschied,dat die bepakking niemand der expeditie hinderlijk kon zijn, of dat gevreesd mocht worden, dat iemand overladen zou zijn. Dus van dien kant was geene vertraging te vreezen. Alles was vooruit besproken en geregeld. Wanneer halt gemaakt en gerust zoude moeten worden, dan kon het kamp binnen weinige oogenblikken ingericht zijn en betrokken worden.Het eerste wat na de ontscheping verricht moest worden, was het vaartuig, dat hen tot hier gebracht had, op veilige plaats te brengen. Gilbert Burbank, geholpen door Mars, nam die taak op zich. Het was toch zaak die sloep aan het bespiedend oog te onttrekken van de rondzwervende Floridasche partijgangers of der Seminool-Indianen, die de oevers van het Washington-meer mochten bezoeken. Men moest verzekerd zijn, haar weer op een gegeven oogenblik terug te kunnen vinden, om de Sint John af te zakken. Eindelijk vond men eene gunstige plek onder zware maar laag afhangende takken, tusschen reusachtige biezen en rietstengels, welke die plaats als het ware beveiligden. Daar kon een soort van kom ingeruimd worden, waarin het vaartuig, welks mast alvorens gestreken was, verborgen kon worden. En de sloep was daarin zoodanig onder de massa groen verscholen, dat zij onmogelijk van den oever ontdekt kon worden.Zoo was zeer waarschijnlijk, ja ongetwijfeld ook geschied met een ander vaartuig, in welker terugvinding Gilbert Burbank voorzeker veel belang stelde. Zoo was geschied met de sloep, die de kleine Dy en Zermah naar het Washington-meer overgevoerd had. Het was duidelijk, dat Texar door de verdere onbevaarbaarheid der rivier genoodzaakt was geweest, om zijn vaartuig in de nabijheid van dien trechter te verlaten, waardoor het meer zijne wateren in de rivier uitstort. Wat master James Burbank genoopt was te verrichten, zou de Spanjaard ook verplicht geweest zijn te doen.Daarom ondernam men gedurende de laatste uren, dat het daglicht nog te benutten was, de meest nauwkeurige nasporingen, om dat vaartuig van Texar uit te vinden. Dat zou een kostbare aanwijzing en het onwraakbare bewijs zijn, dat de Spanjaard den loop der Sint John tot het Washington-meer gevolgd had.Die nasporingen leidden tot niets. Hoe het ook zij, òf dat de onderzoekingstocht niet ver genoeg uitgestrekt was geworden, òf dat de Spanjaard het vaartuig voorzichtigheidshalve en ook in de meening verkeerende, het niet meer noodig te hebben, vernield had, genoeg zij het, dat geen spoor van eene sloep ontdekt werd.Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz. 139).Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz.139).Maar hoe moeielijk moest de af te leggen afstand tusschen het Washington-meer en de Everglades geweest zijn! Geen rivier meer om die arme vrouw en dat teere meisje de ontzettende vermoeienissen en inspanningen, daaraan verbonden, te besparen. Voorzekerzou de mestische vrouw de kleine Dy in hare armen gedragen hebben. Maar de gedachte alleen, wat die arme Zermah bij dien tocht te lijden zal gehad hebben, doet onwillekeurig ijzen. Want gedwongen als zij was om die mannen te volgen, die aan dergelijke tochten door dat moeielijke terrein gewoon waren, zullen haar geene beleedigende woorden, geen gewelddadigheden, geen slagen gespaard zijn geworden, om haar te dwingen hare schreden te verhaasten. Hoe dikwerf zou zij niet gevallen zijn bij hare pogingen, om, zonder aan zich zelve te denken, het kleine meisje te beveiligen. Dat alles zweefde onzen veldontdekkers levendig voor den geest. En als Mars er aan dacht aan welk lijden, aan welke martelingen zijne echtgenoote blootgesteld was, dan beefde hij van woede, dan verbleekte hij van toorn en dan ontsnapte aan zijne lippen de woorden:»O, ik zal Texar dooden!”Hoezeer wenschte hij om reeds op het eilandGarneralaangekomen te zijn, om zich van aangezicht tot aangezicht te bevinden met den aterling, wiens kuiperijen zooveel lijden aan de familie Burbank veroorzaakt hadden en die daarenboven Zermah, zijne echtgenoote, ontvoerd had.Het kampement was op het uiteinde van eene kleine kaap, welke zich in het noordelijk gedeelte van het meer uitstrekte, opgeslagen. Het zou niet met eene doelmatige voorzichtigheid gestrookt hebben, wanneer men een nachtelijken tocht op dat onbekende terrein, waarbij de blik slechts een beperkten gezichtskring kon overzien, zoude aanvaarden. Men had dan ook, na eene korte beraadslaging, besloten, dat men den dageraad zoude afwachten alvorens den tocht te hervatten. Het gevaar om te verdwalen te midden van dat dichte woud was te groot, om zich daaraan te mogen blootstellen.De nacht ging zonder eenig meldenswaardig voorval voorbij. Tegen vier uur, toen de eerste lichtstralen zich baan begonnen te breken, werd het sein van vertrek gegeven. De helft van het personeel, waaruit de expeditie bestond, was voldoende om de vrachten levensmiddelen en de kampementsbenoodigdheden te dragen en te vervoeren. De negers konden elkander bij die corvee dus aflossen.Allen, zoowel meesters als dienaren, waren gewapend met Miniékarabijnen, die met een kogel en vier zware hagelkorrels geladen waren, en met Colt-revolvers, welker gebruik sedert den secessiekrijg bij beide partijen der oorlogvoerenden zoo veelvuldig geworden was. Onder deze omstandigheden mocht onze troep in staat geacht worden, om met hoop op goeden uitslag het hoofd te kunnen bieden aan eene bende van zestig Seminool-Indianen, ja zelfs om Texar aan te kunnen vallen, al ware hij ook door een gelijk aantal zijner partijgangers omgeven.Men had het doelmatig geacht, om zoolang zulks doenlijk was, langs en evenwijdig aan de Sint John te marcheeren. De hoofdstrekking der rivier was steeds naar het zuiden, dus in de richting van het meer Okee-cho-bee. Zij deed den dienst van Ariadne-draad te midden van het doolhof in het woud gespannen. Men kon dien draad volgen, zonder gevaar te loopen verdwaald te raken. En zoo deed men dan ook.Trouwens dat ging gemakkelijk genoeg. Op den rechter-oever vertoonde zich toch een voetpad—een soort van jaagpad, waarlangs het mogelijk was een heel licht vaartuig tegen den bovenstroom op te halen. Men marcheerde met vluggen pas voorwaarts, Gilbert Burbank en Mars voorop, daarna master Perry te midden zijner negers, die elkander bij het dragen der levensmiddelen en kampementsbenoodigdheden om het uur aflosten, en daarachter master James Burbank en Edward Carrol. Men had, alvorens te vertrekken, een flink ontbijt genoten. Men zou tegen het middaguur halt maken, om te dineeren, tegen zes uren om te avondmalen; men zou kampeeren wanneer het nachtelijk duister niet meer veroorloven zoude om den tocht voort te zetten; men zou den marsch hervatten, wanneer het bleek mogelijk te zijn zich een weg door het woud te banen. Zoodanig was het plan dat men ontworpen had en dat stipt opgevolgd zoude worden.Vooreerst had men den oostelijken oever van het Washington-meer te volgen. Die oever was over het algemeen geheel vlak en bestond zijn bodem gedeeltelijk uit mul zand. Wel bestonden er bosschen, maar die waren, noch wat uitgestrektheid, noch wat dichtheid betreft, te vergelijken met diegenen, welke men later aantreffen zoude. De reden daarvan lag geheel in de geaardheid zelve dier gewassen.Men ontmoette veel struikgewas, dat den marsch zeer vertraagde; maar tegen den avond was dat doorgeworsteld en betrad men het groote cypressenbosch, dat zich tot bij de Everglades uitstrekt.Men had gedurende dien eersten dag ruim twintig mijlen afgelegd. Gilbert vroeg dan ook aan zijne tochtgenooten, of zij zich niet te zeer vermoeid gevoelden.»Wij zijn gereed om verder te trekken,” antwoordde een der negers, die in naam zijner makkers sprak.»Maar loopen wij geen gevaar gedurende den nacht te verdwalen?” vroeg Edward Carrol.»Geenszins,” antwoordde Mars, »daar wij steeds bij de Sint John blijven.”»Bovendien,” meende de jeugdige officier, »de nacht zal helder zijn, daar de hemel geheel wolkeloos is. De maan, die tegen negen uur opgaat, zal den geheelen nacht schijnen. Daarenboven is debladerenkruin der cypressen zeer dun, zoodat de duisternis in dit woud zoo erg niet is als in ieder ander.”Men vertrok dus. Toen de dag aanbrak, maakte de kleine troep halt aan den voet van een buitengewoon dikken cypresboom, om te ontbijten.Gedurende dien tweeden dag werd geen enkel spoor waargenomen, dat op de tegenwoordigheid van benden Zuidelijken of van zwervende troepen Seminool-Indianen kon duiden. Ook werd niets omtrent Texar of zijne makkers vernomen. Het was mogelijk dat de Spanjaard den linker-oever der rivier gevolgd had. Maar wat zou dat? Dat zou geen hinderpaal opleveren. Men begaf zich, of men den eenen of den anderen oever der Sint John volgde, even direct naar dat gedeelte van Beneden-Florida, hetwelk door het briefje van Zermah aangeduid werd.Toen de avond viel, hield het troepje van James Burbank halt, en rustte gedurende zes uren.Na middernacht werd de marsch in allerijl voortgezet. Niets deed zich voor, wat vertraging kon veroorzaken. Het woud was eenzaam en stil. De maan, die reeds den sikkelvorm vertoonde, wierp vreemde schaduwen door het ijle loof van het hooge geboomte. Het water der rivier murmelde zachtkens. Vele zandbanken werden aan de oppervlakte ontwaard, en het kwam allen voor, dat het niet moeielijk kon zijn den overkant der rivier te bereiken, wanneer dat noodig mocht geoordeeld worden.Den volgenden morgen hervatte de troep, na eene rust van twee uren, den tocht steeds in zuidelijke richting. Intusschen raakte men dien dag den geleiddraad, dien men tot nu toe gevolgd had, kwijt. En inderdaad, de Sint John, die nog slechts een onbeduidend sprankje was, verdween onder een boschje kinaboomen, die zich aan zijne bron laafden. Verderop strekte zich het onmetelijke cypressenwoud uit en bedekte het drie vierde gedeelte van den omtrek van den gezichteinder.Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken godsdienst bekeerd waren en tot in den dood trouw aan het Katholieke geloof gebleven waren. Hier en daar verhieven zich bescheiden eenige kruisen, sommigen van steen, anderen van hout, maar allen geplant op eene lichte zoeling van den grond, die de plaatsen der graven tusschen de boomen aanduidden. Hier en daar ontwaarde men enkele begraafplaatsen boven den grond. Dat waren lijken of geraamten, die aan in den grond geplante takken vastgebonden waren en naar den drang van den luchtstroom heen en weer wiegelden.»Het bestaan van een kerkhof in deze streek,” merkte Edward Carrol op, »duidt op de nabijheid van een dorp of een gehucht...”Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz. 141)Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz.141)»Dat evenwel niet meer bestaat,” antwoordde Gilbert, »daar men er geen spoor van op onze kaarten vindt. Die verdwijning van geheele dorpen komt maar al te dikwijls in Beneden-Florida voor, hetzij dat zij door hunne bewoners verlaten werden, hetzij zij door de Indianen verwoest werden.”»Gilbert,” vroeg James Burbank, »hoe zullen wij thans handelen, nu wij de Sint John niet meer tot gids hebben?”»Wij moeten thans op het kompas marcheeren, vader,” antwoordde de officier. »Hoe uitgebreid en hoe dicht dit woud ook moge wezen, is het onmogelijk dat wij daarin verdwalen.”»Welnu, voorwaarts dan, master Gib!” riep Mars uit, die vooral gedurende de halten en rusttijden ongeduldig en onrustig was. »Welnu, voorwaarts en dat God ons geleide!”Toen men het Indiaansche kerkhof een halve mijl achter den rug had, trok de kleine troep het woud in, alwaar men slechts met behulp van het kompas kon marcheeren. De richting bleef zuidelijk.Gedurende het eerste gedeelte van dien dag viel niets meldenswaardigs voor. Tot nu toe had niets dien onderzoekingstocht vertraagd of ook maar hinderpalen in den weg gelegd. Zou dat zoo tot het einde toe blijven? Zou men het doel, waarnaar men streefde, bereiken, of zou de familie Burbank aan de wanhoop ten prooi blijven? Het zou toch eene voortdurende marteling moeten heeten, wanneer de kleine Dy en Zermah niet gevonden werden, terwijl men wist aan welke ellende, aan welke vernederingen, aan welke beleedigingen zij blootgesteld waren, en dan zich bewust te zijn haar niet te kunnen verlossen!Tegen het middaguur werd halt gemaakt.Gilbert, die zorgvuldig den afstand berekende, dien men van het Washington-meer af had afgelegd, giste dan dat men zich nog op vijftig mijlen van het meer Okee-cho-bee bevond. Men was nu acht dagen onderweg sedert men Camdless-Bay verlaten had, en in die acht dagen had men driehonderd mijlen of ruim honderdveertig uren gaans afgelegd, hetgeen eene buitengewone snelheid mag genoemd worden. Het is waar, dat men op de rivier tot in de nabijheid harer bronnen en daarna in het cypressenbosch geene noemenswaardige hinderpalen of vertragingen had ondervonden. Gelukkig waren geene stortregens gevallen, die de Sint John door buitengewonen watertoevoer onbevaarbaar hadden kunnen maken, en de terreinen verderop hadden kunnen doorweken. Gelukkig hadden zij slechts heldere nachten en zeer veel nut van het maanlicht gehad; zoodat alles zoo gunstig mogelijk was medegeloopen.Thans scheidde hen nog maar een betrekkelijk kleine afstandvan het eiland Garneral. Men hoopte dat doel binnen tweemaal vier-en-twintig uren te bereiken. En dan zou de ontknooping, die evenwel niet te voorzien was, wel volgen.Maar al had hun goed gesternte hen tot nu toe voor wederwaardigheden behoed, zoo moest master James Burbank er op bedacht zijn, dat men gedurende het tweede gedeelte van dien dag op bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou kunnen stuiten.De tocht was, nadat men het middagmaal genuttigd had, onder den gewonen marschvorm hervat geworden. Niets ongewoons werd betrekkelijk de geaardheid van het terrein ontwaard.Intusschen hield Mars des namiddags tegen vier uur ongeveer, plotseling halt. Toen zijne tochtgenooten hem ingehaald hadden, maakte hij hen opmerkzaam op voetstappen, die in den moerassigen grond afgedrukt waren. Men onderzocht die sporen ten nauwkeurigste.»Er valt niet aan tetwijfelen,” zei master James Burbank, »een troep menschen is hier kort geleden voorbijgekomen.”»Een talrijke troep,” vulde Edward Carrol aan.»Van welken kant komen die voetstappen en waarheen richten zij zich?” vroeg Gilbert.»Ja, van welken kant en waarheen? Dat is zoo gemakkelijk niet na te gaan,” merkte master James Burbank op.»En het is toch noodzakelijk, dat dit ten nauwkeurigste opgespoord worde,” antwoordde zijn zoon.»Waarom?” vroeg Edward Carrol.»Omdat wij zonder stipte inlichting dienaangaande geen besluit kunnen nemen.”Dat begreep iedereen en de gevorderde nasporingen werden met de grootste nauwkeurigheid verricht.Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters en zelfs verder kon men de indrukken van die voetstappen volgen. Het werd onnoodig geacht hen verder op te sporen. Uit de richting van die voetstappen bleek, dat een troep van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd man, na de kuststreek van den Atlantischen Oceaan verlaten te hebben, dit gedeelte van het cypressenwoud doorgetrokken was. Die sporen werden in westelijke richting waargenomen en wendden zich naar de Golf van Mexico, zoodat die troep blijkbaar het geheele Floridasche schiereiland doorgetrokken was, dat op deze breedte niet minder dan tweehonderd mijlen uitgestrektheid van zee tot zee meet. Men merkte tevens op, dat dit detachement juist op dezelfde plek, die door Master James Burbank en zijne tochtgenooten thans bezet was, halt gemaakt en rust genoten had en dat het den marsch in dezelfde richting vervolgd had, welke onze opspoorders volgen moesten.Gilbert Burbank waarschuwde zijne makkers, om tegen iedere verrassing waakzaam, tegen iederen overval op hunne hoede te zijn. Hij plaatste op een paar punten schildwachten, om het terrein voortdurend te overzien. Daarna ging hij, vergezeld van Mars, op verkenning uit, en kon, nadat hij even een kwart mijl door het bosch was gemarcheerd, constateeren, dat die voetstappen zich beslist in zuidelijke richting uitstrekten.Ziet hier wat Gilbert Burbank rapporteerde, toen hij met Mars van zijne veldontdekking in het kampement teruggekomen was.»Een troep menschen is ons vooruit, die van het Washington-meer af nauwkeurig denzelfden weg van ons volgt. Die troep is gewapend en het bewijs daarvan hebben wij gevonden in papieren patroonhulzen, die men gebezigd heeft, om de wachtvuren aan te maken, waarvan wij de asch en de gebluschte houtskolen aangetroffen hebben.”»Wie zijn die mannen?” vroeg zijn vader hem.»Dat weet ik niet,” antwoordde Gilbert Burbank. »Wat zeker is, dat is dat zij talrijk zijn en dat zij naar de Everglades marcheeren.”»Kunnen het geene zwervende Seminool-Indianen zijn?” vroeg Edward Carrol.»Neen,” antwoordde Mars beslist.»Waaruit maakt gij dat op?”»Hun voetafdruk wijst er duidelijk op, dat het Amerikanen zijn...”»Misschien wel Floridasche militie-troepen?” merkte master James Burbank vragend op.»Dat is inderdaad te verwachten,” antwoordde de administrateur Perry.»Waarom zou dat eerder te verwachten zijn dan de ontmoeting met Seminool-Indianen?” vroeg Edward Carrol.»Omdat die Indianen slechts bij kleine troepen rondzwerven. En zooals gij ziet, is de troep, die hier voorbijtrok, vrij talrijk. Het kan zelfs de bende partijgangers van Texar niet zijn.”»Waarom niet?”»Omdat ook die zoo talrijk niet is,” antwoordde master Perry.»Het zou toch kunnen zijn, dat zich een detachement militie-troepen bij hem en zijne partijgangers aangesloten had,” meende Edward Carrol, »in welk geval die troep een paar honderd man sterk kon zijn...”»Tegenover zeventien!...” zuchtte de administrateur.»Om het even!” riep Gilbert Burbank uit. »Niemand onzer zal terugdeinzen, niet waar, hetzij wij aangetast worden, hetzij wij aanvallenderwijs te werk moeten gaan.”»Neen!... niemand onzer...” riepen de moedige tochtgenooten van den jeugdigen officier.Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz. 152).Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz.152).Dat werd geantwoord in een oogenblik van natuurlijke geestdriftvolle vervoering. En toch bij eenig nadenken moest een ieder tot het besef komen van den hachelijken toestand, waarin men zich bevond en hoeveel gevaren de omstandigheden konden doen geboren worden.Toch verminderde die gedachte, in weerwil zij in ieders brein ontkiemde, niemands moed. Maar zoo’n hinderpaal zoo dicht bij het doel te ontmoeten, was dat niet om wanhopig te worden? En welke hinderpaal nog! Een detachement Zuidelijke troepen, misschien partijgangers van Texar, die poogden zich in de Everglades bij den Spanjaard te voegen, ten einde het gunstige oogenblik af te wachten om weer in het Noordelijk gedeelte van Florida te kunnen optreden.Ja, dat was het, wat men voorzeker te duchten had. Dat gevoelden allen. Toen het eerste oogenblik van geestdrift voorbij was, zwegen dan ook allen stil en schenen, terwijl zij den jeugdigen aanvoerder aanstaarden, in nadenken verzonken en zich af te vragen, welke bevelen hij zou verstrekken.Ook Gilbert was onder den indruk van de algemeene bekommering geraakt. Hij echter verhief fier het hoofd.»Voorwaarts!” beval hij.
Het Washington-meer, dat over zijne lengte-as gemeten, eene uitgestrektheid van een tiental mijlen heeft, is een der minstbelangrijke waterbekkens in dit gedeelte van zuidelijk Florida. De diepte van dat meer is onbeduidend, terwijl de vaart er op nog bemoeilijkt wordt door de groote hoeveelheden grassoorten, die door den stroom van de oevers gescheurd zijn en op de wateroppervlakte drijven. Dit waren slangennesten, die het verblijf daartusschen zeer gevaarlijk maakten.
Het meer was dan ook geheel verlaten, evenals zijne oevers, die voor de jacht en visscherij weinig gelegenheid aanboden. Uiterst zeldzaam waagden de vaartuigen, die de Sint John bevoeren, zich op dien plas.
Bij het uiteinde van het meer herneemt de Sint John haren loop weer, terwijl hare richting dan geheel en al naar het zuidelijk gedeelte van het schiereiland gewend is.
Het is dan slechts een beekmeer, zonder diepte, welks bronnen op dertig mijlen meer zuidwaarts tusschen den 27stenen 28stennoorderbreedtegraad aangetroffen worden.
Voorbij het Washington-meer is de Sint John niet meer bevaarbaar. En hoe betreurenswaardig dit voor master James Burbank en zijne tochtgenooten ook was, zoo waren zij evenwel genoodzaakt den waterweg te verlaten, om hunnen tocht te vervolgen, te midden van eene streek vol hindernissen, die voor het grootste gedeelte uit moerassigen bodem bestond en met onafzienbare bosschen overdekt was, waarin smoorkuilen in den vorm van modderpoelen aangetroffen werden. Zij wisten dan ook vooruit, dat hunne voetreis daar aanmerkelijke vertraging zou ondervinden.
Men ontscheepte. De wapens en de eenmansvrachten, waarin de voorraad levensmiddelen en munitiën besloten waren, werden onder de negers verdeeld. Maar de regeling daarvan was zoodanig geschied,dat die bepakking niemand der expeditie hinderlijk kon zijn, of dat gevreesd mocht worden, dat iemand overladen zou zijn. Dus van dien kant was geene vertraging te vreezen. Alles was vooruit besproken en geregeld. Wanneer halt gemaakt en gerust zoude moeten worden, dan kon het kamp binnen weinige oogenblikken ingericht zijn en betrokken worden.
Het eerste wat na de ontscheping verricht moest worden, was het vaartuig, dat hen tot hier gebracht had, op veilige plaats te brengen. Gilbert Burbank, geholpen door Mars, nam die taak op zich. Het was toch zaak die sloep aan het bespiedend oog te onttrekken van de rondzwervende Floridasche partijgangers of der Seminool-Indianen, die de oevers van het Washington-meer mochten bezoeken. Men moest verzekerd zijn, haar weer op een gegeven oogenblik terug te kunnen vinden, om de Sint John af te zakken. Eindelijk vond men eene gunstige plek onder zware maar laag afhangende takken, tusschen reusachtige biezen en rietstengels, welke die plaats als het ware beveiligden. Daar kon een soort van kom ingeruimd worden, waarin het vaartuig, welks mast alvorens gestreken was, verborgen kon worden. En de sloep was daarin zoodanig onder de massa groen verscholen, dat zij onmogelijk van den oever ontdekt kon worden.
Zoo was zeer waarschijnlijk, ja ongetwijfeld ook geschied met een ander vaartuig, in welker terugvinding Gilbert Burbank voorzeker veel belang stelde. Zoo was geschied met de sloep, die de kleine Dy en Zermah naar het Washington-meer overgevoerd had. Het was duidelijk, dat Texar door de verdere onbevaarbaarheid der rivier genoodzaakt was geweest, om zijn vaartuig in de nabijheid van dien trechter te verlaten, waardoor het meer zijne wateren in de rivier uitstort. Wat master James Burbank genoopt was te verrichten, zou de Spanjaard ook verplicht geweest zijn te doen.
Daarom ondernam men gedurende de laatste uren, dat het daglicht nog te benutten was, de meest nauwkeurige nasporingen, om dat vaartuig van Texar uit te vinden. Dat zou een kostbare aanwijzing en het onwraakbare bewijs zijn, dat de Spanjaard den loop der Sint John tot het Washington-meer gevolgd had.
Die nasporingen leidden tot niets. Hoe het ook zij, òf dat de onderzoekingstocht niet ver genoeg uitgestrekt was geworden, òf dat de Spanjaard het vaartuig voorzichtigheidshalve en ook in de meening verkeerende, het niet meer noodig te hebben, vernield had, genoeg zij het, dat geen spoor van eene sloep ontdekt werd.
Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz. 139).Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz.139).
Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz.139).
Maar hoe moeielijk moest de af te leggen afstand tusschen het Washington-meer en de Everglades geweest zijn! Geen rivier meer om die arme vrouw en dat teere meisje de ontzettende vermoeienissen en inspanningen, daaraan verbonden, te besparen. Voorzekerzou de mestische vrouw de kleine Dy in hare armen gedragen hebben. Maar de gedachte alleen, wat die arme Zermah bij dien tocht te lijden zal gehad hebben, doet onwillekeurig ijzen. Want gedwongen als zij was om die mannen te volgen, die aan dergelijke tochten door dat moeielijke terrein gewoon waren, zullen haar geene beleedigende woorden, geen gewelddadigheden, geen slagen gespaard zijn geworden, om haar te dwingen hare schreden te verhaasten. Hoe dikwerf zou zij niet gevallen zijn bij hare pogingen, om, zonder aan zich zelve te denken, het kleine meisje te beveiligen. Dat alles zweefde onzen veldontdekkers levendig voor den geest. En als Mars er aan dacht aan welk lijden, aan welke martelingen zijne echtgenoote blootgesteld was, dan beefde hij van woede, dan verbleekte hij van toorn en dan ontsnapte aan zijne lippen de woorden:
»O, ik zal Texar dooden!”
Hoezeer wenschte hij om reeds op het eilandGarneralaangekomen te zijn, om zich van aangezicht tot aangezicht te bevinden met den aterling, wiens kuiperijen zooveel lijden aan de familie Burbank veroorzaakt hadden en die daarenboven Zermah, zijne echtgenoote, ontvoerd had.
Het kampement was op het uiteinde van eene kleine kaap, welke zich in het noordelijk gedeelte van het meer uitstrekte, opgeslagen. Het zou niet met eene doelmatige voorzichtigheid gestrookt hebben, wanneer men een nachtelijken tocht op dat onbekende terrein, waarbij de blik slechts een beperkten gezichtskring kon overzien, zoude aanvaarden. Men had dan ook, na eene korte beraadslaging, besloten, dat men den dageraad zoude afwachten alvorens den tocht te hervatten. Het gevaar om te verdwalen te midden van dat dichte woud was te groot, om zich daaraan te mogen blootstellen.
De nacht ging zonder eenig meldenswaardig voorval voorbij. Tegen vier uur, toen de eerste lichtstralen zich baan begonnen te breken, werd het sein van vertrek gegeven. De helft van het personeel, waaruit de expeditie bestond, was voldoende om de vrachten levensmiddelen en de kampementsbenoodigdheden te dragen en te vervoeren. De negers konden elkander bij die corvee dus aflossen.
Allen, zoowel meesters als dienaren, waren gewapend met Miniékarabijnen, die met een kogel en vier zware hagelkorrels geladen waren, en met Colt-revolvers, welker gebruik sedert den secessiekrijg bij beide partijen der oorlogvoerenden zoo veelvuldig geworden was. Onder deze omstandigheden mocht onze troep in staat geacht worden, om met hoop op goeden uitslag het hoofd te kunnen bieden aan eene bende van zestig Seminool-Indianen, ja zelfs om Texar aan te kunnen vallen, al ware hij ook door een gelijk aantal zijner partijgangers omgeven.
Men had het doelmatig geacht, om zoolang zulks doenlijk was, langs en evenwijdig aan de Sint John te marcheeren. De hoofdstrekking der rivier was steeds naar het zuiden, dus in de richting van het meer Okee-cho-bee. Zij deed den dienst van Ariadne-draad te midden van het doolhof in het woud gespannen. Men kon dien draad volgen, zonder gevaar te loopen verdwaald te raken. En zoo deed men dan ook.
Trouwens dat ging gemakkelijk genoeg. Op den rechter-oever vertoonde zich toch een voetpad—een soort van jaagpad, waarlangs het mogelijk was een heel licht vaartuig tegen den bovenstroom op te halen. Men marcheerde met vluggen pas voorwaarts, Gilbert Burbank en Mars voorop, daarna master Perry te midden zijner negers, die elkander bij het dragen der levensmiddelen en kampementsbenoodigdheden om het uur aflosten, en daarachter master James Burbank en Edward Carrol. Men had, alvorens te vertrekken, een flink ontbijt genoten. Men zou tegen het middaguur halt maken, om te dineeren, tegen zes uren om te avondmalen; men zou kampeeren wanneer het nachtelijk duister niet meer veroorloven zoude om den tocht voort te zetten; men zou den marsch hervatten, wanneer het bleek mogelijk te zijn zich een weg door het woud te banen. Zoodanig was het plan dat men ontworpen had en dat stipt opgevolgd zoude worden.
Vooreerst had men den oostelijken oever van het Washington-meer te volgen. Die oever was over het algemeen geheel vlak en bestond zijn bodem gedeeltelijk uit mul zand. Wel bestonden er bosschen, maar die waren, noch wat uitgestrektheid, noch wat dichtheid betreft, te vergelijken met diegenen, welke men later aantreffen zoude. De reden daarvan lag geheel in de geaardheid zelve dier gewassen.
Men ontmoette veel struikgewas, dat den marsch zeer vertraagde; maar tegen den avond was dat doorgeworsteld en betrad men het groote cypressenbosch, dat zich tot bij de Everglades uitstrekt.
Men had gedurende dien eersten dag ruim twintig mijlen afgelegd. Gilbert vroeg dan ook aan zijne tochtgenooten, of zij zich niet te zeer vermoeid gevoelden.
»Wij zijn gereed om verder te trekken,” antwoordde een der negers, die in naam zijner makkers sprak.
»Maar loopen wij geen gevaar gedurende den nacht te verdwalen?” vroeg Edward Carrol.
»Geenszins,” antwoordde Mars, »daar wij steeds bij de Sint John blijven.”
»Bovendien,” meende de jeugdige officier, »de nacht zal helder zijn, daar de hemel geheel wolkeloos is. De maan, die tegen negen uur opgaat, zal den geheelen nacht schijnen. Daarenboven is debladerenkruin der cypressen zeer dun, zoodat de duisternis in dit woud zoo erg niet is als in ieder ander.”
Men vertrok dus. Toen de dag aanbrak, maakte de kleine troep halt aan den voet van een buitengewoon dikken cypresboom, om te ontbijten.
Gedurende dien tweeden dag werd geen enkel spoor waargenomen, dat op de tegenwoordigheid van benden Zuidelijken of van zwervende troepen Seminool-Indianen kon duiden. Ook werd niets omtrent Texar of zijne makkers vernomen. Het was mogelijk dat de Spanjaard den linker-oever der rivier gevolgd had. Maar wat zou dat? Dat zou geen hinderpaal opleveren. Men begaf zich, of men den eenen of den anderen oever der Sint John volgde, even direct naar dat gedeelte van Beneden-Florida, hetwelk door het briefje van Zermah aangeduid werd.
Toen de avond viel, hield het troepje van James Burbank halt, en rustte gedurende zes uren.
Na middernacht werd de marsch in allerijl voortgezet. Niets deed zich voor, wat vertraging kon veroorzaken. Het woud was eenzaam en stil. De maan, die reeds den sikkelvorm vertoonde, wierp vreemde schaduwen door het ijle loof van het hooge geboomte. Het water der rivier murmelde zachtkens. Vele zandbanken werden aan de oppervlakte ontwaard, en het kwam allen voor, dat het niet moeielijk kon zijn den overkant der rivier te bereiken, wanneer dat noodig mocht geoordeeld worden.
Den volgenden morgen hervatte de troep, na eene rust van twee uren, den tocht steeds in zuidelijke richting. Intusschen raakte men dien dag den geleiddraad, dien men tot nu toe gevolgd had, kwijt. En inderdaad, de Sint John, die nog slechts een onbeduidend sprankje was, verdween onder een boschje kinaboomen, die zich aan zijne bron laafden. Verderop strekte zich het onmetelijke cypressenwoud uit en bedekte het drie vierde gedeelte van den omtrek van den gezichteinder.
Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken godsdienst bekeerd waren en tot in den dood trouw aan het Katholieke geloof gebleven waren. Hier en daar verhieven zich bescheiden eenige kruisen, sommigen van steen, anderen van hout, maar allen geplant op eene lichte zoeling van den grond, die de plaatsen der graven tusschen de boomen aanduidden. Hier en daar ontwaarde men enkele begraafplaatsen boven den grond. Dat waren lijken of geraamten, die aan in den grond geplante takken vastgebonden waren en naar den drang van den luchtstroom heen en weer wiegelden.
»Het bestaan van een kerkhof in deze streek,” merkte Edward Carrol op, »duidt op de nabijheid van een dorp of een gehucht...”
Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz. 141)Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz.141)
Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz.141)
»Dat evenwel niet meer bestaat,” antwoordde Gilbert, »daar men er geen spoor van op onze kaarten vindt. Die verdwijning van geheele dorpen komt maar al te dikwijls in Beneden-Florida voor, hetzij dat zij door hunne bewoners verlaten werden, hetzij zij door de Indianen verwoest werden.”
»Gilbert,” vroeg James Burbank, »hoe zullen wij thans handelen, nu wij de Sint John niet meer tot gids hebben?”
»Wij moeten thans op het kompas marcheeren, vader,” antwoordde de officier. »Hoe uitgebreid en hoe dicht dit woud ook moge wezen, is het onmogelijk dat wij daarin verdwalen.”
»Welnu, voorwaarts dan, master Gib!” riep Mars uit, die vooral gedurende de halten en rusttijden ongeduldig en onrustig was. »Welnu, voorwaarts en dat God ons geleide!”
Toen men het Indiaansche kerkhof een halve mijl achter den rug had, trok de kleine troep het woud in, alwaar men slechts met behulp van het kompas kon marcheeren. De richting bleef zuidelijk.
Gedurende het eerste gedeelte van dien dag viel niets meldenswaardigs voor. Tot nu toe had niets dien onderzoekingstocht vertraagd of ook maar hinderpalen in den weg gelegd. Zou dat zoo tot het einde toe blijven? Zou men het doel, waarnaar men streefde, bereiken, of zou de familie Burbank aan de wanhoop ten prooi blijven? Het zou toch eene voortdurende marteling moeten heeten, wanneer de kleine Dy en Zermah niet gevonden werden, terwijl men wist aan welke ellende, aan welke vernederingen, aan welke beleedigingen zij blootgesteld waren, en dan zich bewust te zijn haar niet te kunnen verlossen!
Tegen het middaguur werd halt gemaakt.
Gilbert, die zorgvuldig den afstand berekende, dien men van het Washington-meer af had afgelegd, giste dan dat men zich nog op vijftig mijlen van het meer Okee-cho-bee bevond. Men was nu acht dagen onderweg sedert men Camdless-Bay verlaten had, en in die acht dagen had men driehonderd mijlen of ruim honderdveertig uren gaans afgelegd, hetgeen eene buitengewone snelheid mag genoemd worden. Het is waar, dat men op de rivier tot in de nabijheid harer bronnen en daarna in het cypressenbosch geene noemenswaardige hinderpalen of vertragingen had ondervonden. Gelukkig waren geene stortregens gevallen, die de Sint John door buitengewonen watertoevoer onbevaarbaar hadden kunnen maken, en de terreinen verderop hadden kunnen doorweken. Gelukkig hadden zij slechts heldere nachten en zeer veel nut van het maanlicht gehad; zoodat alles zoo gunstig mogelijk was medegeloopen.
Thans scheidde hen nog maar een betrekkelijk kleine afstandvan het eiland Garneral. Men hoopte dat doel binnen tweemaal vier-en-twintig uren te bereiken. En dan zou de ontknooping, die evenwel niet te voorzien was, wel volgen.
Maar al had hun goed gesternte hen tot nu toe voor wederwaardigheden behoed, zoo moest master James Burbank er op bedacht zijn, dat men gedurende het tweede gedeelte van dien dag op bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou kunnen stuiten.
De tocht was, nadat men het middagmaal genuttigd had, onder den gewonen marschvorm hervat geworden. Niets ongewoons werd betrekkelijk de geaardheid van het terrein ontwaard.
Intusschen hield Mars des namiddags tegen vier uur ongeveer, plotseling halt. Toen zijne tochtgenooten hem ingehaald hadden, maakte hij hen opmerkzaam op voetstappen, die in den moerassigen grond afgedrukt waren. Men onderzocht die sporen ten nauwkeurigste.
»Er valt niet aan tetwijfelen,” zei master James Burbank, »een troep menschen is hier kort geleden voorbijgekomen.”
»Een talrijke troep,” vulde Edward Carrol aan.
»Van welken kant komen die voetstappen en waarheen richten zij zich?” vroeg Gilbert.
»Ja, van welken kant en waarheen? Dat is zoo gemakkelijk niet na te gaan,” merkte master James Burbank op.
»En het is toch noodzakelijk, dat dit ten nauwkeurigste opgespoord worde,” antwoordde zijn zoon.
»Waarom?” vroeg Edward Carrol.
»Omdat wij zonder stipte inlichting dienaangaande geen besluit kunnen nemen.”
Dat begreep iedereen en de gevorderde nasporingen werden met de grootste nauwkeurigheid verricht.
Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters en zelfs verder kon men de indrukken van die voetstappen volgen. Het werd onnoodig geacht hen verder op te sporen. Uit de richting van die voetstappen bleek, dat een troep van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd man, na de kuststreek van den Atlantischen Oceaan verlaten te hebben, dit gedeelte van het cypressenwoud doorgetrokken was. Die sporen werden in westelijke richting waargenomen en wendden zich naar de Golf van Mexico, zoodat die troep blijkbaar het geheele Floridasche schiereiland doorgetrokken was, dat op deze breedte niet minder dan tweehonderd mijlen uitgestrektheid van zee tot zee meet. Men merkte tevens op, dat dit detachement juist op dezelfde plek, die door Master James Burbank en zijne tochtgenooten thans bezet was, halt gemaakt en rust genoten had en dat het den marsch in dezelfde richting vervolgd had, welke onze opspoorders volgen moesten.
Gilbert Burbank waarschuwde zijne makkers, om tegen iedere verrassing waakzaam, tegen iederen overval op hunne hoede te zijn. Hij plaatste op een paar punten schildwachten, om het terrein voortdurend te overzien. Daarna ging hij, vergezeld van Mars, op verkenning uit, en kon, nadat hij even een kwart mijl door het bosch was gemarcheerd, constateeren, dat die voetstappen zich beslist in zuidelijke richting uitstrekten.
Ziet hier wat Gilbert Burbank rapporteerde, toen hij met Mars van zijne veldontdekking in het kampement teruggekomen was.
»Een troep menschen is ons vooruit, die van het Washington-meer af nauwkeurig denzelfden weg van ons volgt. Die troep is gewapend en het bewijs daarvan hebben wij gevonden in papieren patroonhulzen, die men gebezigd heeft, om de wachtvuren aan te maken, waarvan wij de asch en de gebluschte houtskolen aangetroffen hebben.”
»Wie zijn die mannen?” vroeg zijn vader hem.
»Dat weet ik niet,” antwoordde Gilbert Burbank. »Wat zeker is, dat is dat zij talrijk zijn en dat zij naar de Everglades marcheeren.”
»Kunnen het geene zwervende Seminool-Indianen zijn?” vroeg Edward Carrol.
»Neen,” antwoordde Mars beslist.
»Waaruit maakt gij dat op?”
»Hun voetafdruk wijst er duidelijk op, dat het Amerikanen zijn...”
»Misschien wel Floridasche militie-troepen?” merkte master James Burbank vragend op.
»Dat is inderdaad te verwachten,” antwoordde de administrateur Perry.
»Waarom zou dat eerder te verwachten zijn dan de ontmoeting met Seminool-Indianen?” vroeg Edward Carrol.
»Omdat die Indianen slechts bij kleine troepen rondzwerven. En zooals gij ziet, is de troep, die hier voorbijtrok, vrij talrijk. Het kan zelfs de bende partijgangers van Texar niet zijn.”
»Waarom niet?”
»Omdat ook die zoo talrijk niet is,” antwoordde master Perry.
»Het zou toch kunnen zijn, dat zich een detachement militie-troepen bij hem en zijne partijgangers aangesloten had,” meende Edward Carrol, »in welk geval die troep een paar honderd man sterk kon zijn...”
»Tegenover zeventien!...” zuchtte de administrateur.
»Om het even!” riep Gilbert Burbank uit. »Niemand onzer zal terugdeinzen, niet waar, hetzij wij aangetast worden, hetzij wij aanvallenderwijs te werk moeten gaan.”
»Neen!... niemand onzer...” riepen de moedige tochtgenooten van den jeugdigen officier.
Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz. 152).Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz.152).
Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz.152).
Dat werd geantwoord in een oogenblik van natuurlijke geestdriftvolle vervoering. En toch bij eenig nadenken moest een ieder tot het besef komen van den hachelijken toestand, waarin men zich bevond en hoeveel gevaren de omstandigheden konden doen geboren worden.
Toch verminderde die gedachte, in weerwil zij in ieders brein ontkiemde, niemands moed. Maar zoo’n hinderpaal zoo dicht bij het doel te ontmoeten, was dat niet om wanhopig te worden? En welke hinderpaal nog! Een detachement Zuidelijke troepen, misschien partijgangers van Texar, die poogden zich in de Everglades bij den Spanjaard te voegen, ten einde het gunstige oogenblik af te wachten om weer in het Noordelijk gedeelte van Florida te kunnen optreden.
Ja, dat was het, wat men voorzeker te duchten had. Dat gevoelden allen. Toen het eerste oogenblik van geestdrift voorbij was, zwegen dan ook allen stil en schenen, terwijl zij den jeugdigen aanvoerder aanstaarden, in nadenken verzonken en zich af te vragen, welke bevelen hij zou verstrekken.
Ook Gilbert was onder den indruk van de algemeene bekommering geraakt. Hij echter verhief fier het hoofd.
»Voorwaarts!” beval hij.
X.Ontmoeting.Ja! men moest voorwaarts marcheeren.Evenwel, tegenover de schrikkelijke gebeurlijkheden, die men tegemoet trad, moesten alle mogelijke voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Het mocht voor onontbeerlijk gelden, dat de marsch behoorlijk verkend werd, dat geen verdachte stam van het cypressenwoud ononderzocht bleef, maar vooral dat men op iedere eventualiteit voorbereid bleef.De wapens werden dus met de meeste zorg nagezien en in slagvaardigen toestand gebracht, gereed om ieder oogenblik benut te worden. Bij het geringste onraad zouden de eenmansvrachten op den bodem neergelegd worden, zoodat allen aan eene werkdadige verdediging deel konden nemen.Wat de indeeling van het personeel gedurende den marsch betreft, deze onderging geene wijziging. Gilbert Burbank en Mars bleven de voorhoede uitmaken; zij bewogen zich evenwel op een grooteren afstand van den hoofdtroep, om ieder verrassend optreden van de tegenpartij bij tijds te kunnen verijdelen. Ieder was ten volle gereed zijn plicht te vervullen, ofschoon die brave lieden het hart in de borstkas ineenkromp, wanneer zij aan den hinderpaal dachten, die zich tusschen hen en hun doelwit had gesteld.De marsch was niet vertraagd geworden. Intusschen had men het voorzichtig geoordeeld, niet de voetsporen te volgen, die steeds helder en duidelijk afgedrukt, bespeurd werden. Het werd beter geacht, niet op het detachement te stooten, dat dezelfde richting naar de Everglades volgde. Ongelukkig ontwaarde men al spoedig, dat dit pogen zeer moeielijk was. Want inderdaad, dat detachement marcheerde niet in rechtlijnige richting. De voetsporen duidden onwraakbaar aan, dat het vele wendingen ter rechter- en ter linkerzijde beschreef, waaruit de gevolgtrekking voortvloeide, dat er eene zekere aarzeling bij den marsch bestond.Toch was de algemeene richting naar het Zuiden.Andermaal was een dag voorbijgegaan, zonder dat zich iets meldenswaardigs had voorgedaan. Geen enkele ontmoeting had master James Burbank genoopt den marsch te staken. Men was met vluggen en stevigen tred voortgestapt en won blijkbaar op den troep, die zoowat in het cypressenwoud ronddwaalde. Dat ontwaarde men duidelijk uit de veelvuldige sporen, die zich van uur tot uur scherper en duidelijker afgedrukt vertoonden op dien plastischen bodem.Niets was gemakkelijker geweest, dan het getal halten te bepalen, die hetzij om het middagmaal te gebruiken, hetzij om te rusten, gemaakt waren. In het eerste geval duidde het kruisen der sporen op een heen en weer geloop in alle richtingen; in het andere geval kon men aannemen, dat men den marsch slechts kortstondig gestaakt had, om over de te volgen richting te beraadslagen.Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwkeurigheid na te gaan. Daar die sporen hen zeer veel wetenswaardigs konden mededeelen, sloegen zij ze met evenveel zorg gade als de Seminool-Indianen, die zoo scherpzinnig de geringste aanwijzingen op de terreinen, die zij bij hunne jacht- of krijgstochten doorkruisen, waarnemen.Het was na een van die nasporingen, dat Gilbert Burbank in staat was stellig te verklaren:»Vader, wij hebben thans de stellige zekerheid, dat noch Zermah noch mijne zuster deel uitmaken van den troep, die voor ons uit marcheert.”»Waaruit leidt gij dat af, Gilbert?” vroeg master James Burbank.»Er wordt geen enkele afdruk van den hoef van een paard aangetroffen. Wanneer Zermah zich bij dien troep bevond, dan had zij te voet moeten gaan, terwijl zij mijn zusje in hare armen droeg. De afdrukken van hare voeten zouden dan gemakkelijk herkenbaar zijn geweest, alsook die van Dy, die toch gedurende de halten op den grond neergezet zoude zijn. Maar geen enkele afdruk van een vrouwen- of een kindervoet is waargenomen.”»Niet?”»Neen, vader. Eene andere opmerking is, dat het ontwijfelbaar geacht moet worden, dat dit detachement van draagbare vuurwapens voorzien is. Op vele plaatsen waren toch de afdrukken der geweerkolven op den grond niet te miskennen. Ik heb zelfs opgemerkt, dat die kolven zeer veel overeenkomst met die der marine-geweren van de Noordelijken hebben. Het is dus waarschijnlijk, dat de Floridasche militie-troepen gewapend zijn geworden met geweren van datzelfde model. Anders is die bijzonderheid volkomen onverklaarbaar.”Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz. 155).Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz.155).»En hebt gij nog meer opgemerkt, Gilbert?”»Ja, vader, ook nog, en helaas dat is maar al te zeker, dat die troep op zijn minst genomen in getalsterkte tienmaal den onzen overtreft. Dus wij moeten, naarmate wij hem meer en meer naderen, met de meeste omzichtigheid te werk gaan!”Er bleef niets anders over dan die aanwijzingen van den jeugdigen officier stipt op te volgen. Dat werd dan ook gedaan. Wat Gilbert’s gevolgtrekkingen omtrent de talrijkheid en den vorm der indrukken betreft, die moesten nauwkeurig zijn. Dat de kleine Dy en Zermah geen deel uitmaakten van dat detachement, kon als stellig en zeker aangenomen worden, en was het wonder, dat men daaruit opmaakte, dat men zich niet op het spoor van den Spanjaard bevond? De mannen toch, die van de Zwarte-Kreek herwaarts gekomen waren, konden noch zoo talrijk, noch zoo goed gewapend zijn. Het scheen dus niet twijfelachtig te zijn, dat het een sterk detachement der Floridasche militie-troepen was, dat daar vooruitmarcheerde en zich naar de zuidelijke streken van het schiereiland, en dus naar de Everglades richtte, alwaar Texar zeer waarschijnlijk sedert gisteren of eergisteren was aangekomen.Hoe men de zaak ook beschouwde, die troep, die daar vooruitmarcheerde, was voor master James Burbank en zijne tochtgenooten zeer te duchten.Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. Die plek moest eenige uren vroeger bezet zijn geweest, zooals aangeduid werd door de overblijfselen van wacht- en keukenvuren, welker asch den tijd niet gehad had om af te koelen. Alles wees er op, dat die plek tot kampeerplaats gediend had.Men kwam toen tot het besluit, om den tocht niet te hervatten dan wanneer de nacht gevallen zoude zijn. Het uitspansel, dat zwaar bewolkt was, zou zeer donker zijn. De maan, die in het laatste kwartier was, kwam eerst zeer laat op. Dat alles zoude veroorloven, het detachement onder de meest gunstige omstandigheden te kunnen naderen. Misschien zou het mogelijk zijn het te verkennen, zonder zelf bespeurd te worden, het om te trekken, terwijl men zich in het dichtste van het bosch verscholen hield, het vooruit te komen om in zuidwestelijke richting te marcheeren, ten einde het eerste het meerOkee-cho-beeen daarin het eiland Garneral te bereiken.De kleine troep, die Gilbert Burbank en Mars steeds tot voorhoede had, vertrok tegen half negen en trok zoo stil mogelijk onder de loofkruinen der boomen en te midden eener dikke duisternis voort. Zoo stapte men gedurende twee uren ongeveer door, waarbij de voorzorg gebruikt werd de voeten zoo zacht mogelijk neer te zetten, om zich niet te verraden.Het was zoo omstreeks half elf, toen master James Burbank, die zich met den administrateur Perry aan het hoofd van den hoofdtroep bevond, met een enkel woord het sein gaf om halt te houden. Gilbert en Mars waren toch in allerijl op den hoofdtroep teruggeweken. Allen wachtten ongeduldig maar volkomen bewegingloos de verklaring van dien plotselijken terugtocht af.Die verklaring liet niet op zich wachten.»Wat is er, Gilbert?...” vroeg master James Burbank.»Shut!” waarschuwden de officier en Mars tot stilte.»Maar wat hebt gij ontdekt?” vroeg James Burbank met gedempte stem.»Een kampement onder de boomen opgeslagen en waarvan de vuren duidelijk zichtbaar zijn.”»Ver hier vandaan verwijderd?...” vroeg Edward Carrol.»Op honderd passen ternauwernood.”»Hebt gij de lieden kunnen verkennen, die dat kampement betrekken?”»Neen, want men begon de vuren uit te dooven,” antwoordde Gilbert Burbank. »Maar ik geloof, dat wij ons niet vergissen, wanneer wij hunne sterkte op tweehonderd man schatten.”»Slapen zij, Gilbert?”»Ja, voor het meerendeel, evenwel niet zonder wachtposten uitgesteld te hebben. Wij hebben eenige schildwachten bemerkt, die, met het geweer op schouder, tusschen de cypressen heen en weer wandelen.”»Wat moeten wij doen?” vroeg Edward Carrol, het woord tot den jeugdigen officier richtende.»Vooraf moeten wij trachten dat detachement meer afdoend te verkennen,” antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens dat wij beproeven het om te trekken.”»Ik ben gereed op kondschap uit te gaan,” betuigde Mars.»En ik zal u vergezellen,” zei master Perry.»Neen, dat neem ik op mij,” antwoordde Gilbert Burbank. »Ik mag mij op niemand anders vertrouwen dan op mij zelven....”»Gilbert,” zei master James Burbank, »er is niemand onzer die niet gereed is zijn leven voor het algemeen welzijn veil te hebben. Maar om niet opgemerkt te worden, om eenigen kans te hebben die verkenning met welslagen uit te kunnen voeren, moet de verkenner alleen zijn....”»Het is ook alleen, dat ik wensch te gaan,” sprak Gilbert Burbank met eenige drift.»Neen, mijn zoon,” antwoordde master James Burbank, »ik verzoek je bij ons te blijven. Mars zal die verkenning volvoeren.”»Ik ben gereed, master,” sprak deze.En zonder verder een bevel af te wachten, verdween de mesties in de duisternis.Terzelfder tijd stelde master James Burbank zijn troep slagvaardig op, gereed om iederen aanval te weerstaan. De eenmansvrachten werden op den grond gelegd. De dragers grepen naar de wapens. En allen, met het geweer in de hand, stelden zich verspreid achter de cypressenstammen verdekt op, evenwel zoo dat zij in een oogwenk bij elkander konden zijn, wanneer de omstandigheden gebieden mochten gezamenlijk op te treden.Van de plek, die door master James Burbank en de zijnen betrokken was, kon men het kampement niet zien. Men moest ongeveer een vijftigtal passen naderen, om de vuren, die bijna verdoofd waren, in het oog te krijgen. Daaruit werd de noodzakelijkheid geboren, de terugkomst van den mesties af te wachten, alvorens die beschikkingen te kunnen nemen, welke de omstandigheden zouden medebrengen.In zijn ongeduld was de jeugdige officier eenige meters vooruit getreden, alsof hij van daar de lieden beter kon voeren.Mars was intusschen met de grootste omzichtigheid vooruitgeslopen. Hij dekte zich voortdurend achter boomstammen, en verliet den eenen niet dan om achter een anderen eene schuilplaats te zoeken. Zoo naderde hij, zonder veel gevaar te loopen ontdekt te worden. Hij hoopte zoo nabij genoeg te kunnen naderen, om de gesteldheid van de plaats waar te kunnen nemen, het getal mannen te kunnen ramen, maar vooral de partij te kunnen bestemmen, waartoe zij behoorden. Dat zou zoo gemakkelijk niet gaan. De nacht was zeer donker en de bivouacvuren gaven geen licht meer. Om te slagen, moest hij tot bij het kampement sluipen. Nu was Mars volstrekt niet van stoutmoedigheid misdeeld, ook niet van vaardigheid, om de waakzaamheid der schildwachten, die op post stonden, te misleiden.De mesties won inmiddels veld. Hij had, om door niets belemmerd te kunnen worden, noch geweer noch revolver medegenomen. Hij was slechts gewapend met eene korte enterbijl, want het was noodzakelijk iedere ontploffing te vermijden en zich slechts te verdedigen, als dat noodig was, zonder gerucht te maken.Eindelijk was de moedige kerel tot op zeer korten afstand van een der schildwachten genaderd, die zelf slechts op een afstand van zeven of acht meters van het kampement geplaatst was. Alles was stil. Blijkbaar waren die mannen ten gevolge van een zwaren marsch zeer vermoeid en thans in een diepen slaap gedompeld. Slechts de schildwachten waren waakzaam op hun post, doch niet allen in gelijke mate, waarvan Mars weldra de overtuiging kreeg.Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz. 160).Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz.160).Inderdaad, de mesties, die een hunner sedert eenige oogenblikken nauwkeurig gadesloeg, bemerkte dat hij wel is waar overeind stond, maar zich volstrekt niet bewoog. Zijn geweer lag op den grond. Hij zelf stond met gebukt hoofd tegen een cypresboom geleund en scheen aan den slaap geen weêrstand te kunnen bieden. Het zou misschien niet onmogelijk zijn, achter hem om te sluipen en zoo het kampement te bereiken.Mars naderde den schildwacht langzaam, toen het gekraak van een droog takje, dat hij met den voet deed knappen, zijne tegenwoordigheid verraadde.Dadelijk richtte de man zich op, verhief het hoofd, boog zich voorover, keek scherp rechts en links, om te ontwaren, wie of wat het gerucht kon veroorzaakt hebben, dat gedurende zijne dommeligheid zijn oor getroffen had.Hij ontwaarde voorzeker iets verdachts, want hij greep zijn geweer, maakte dat vaardig en bracht het aan den schouder...Maar vóórdat hij vuur had kunnen geven, had Mars hem het wapen, dat op zijne borst gericht was, ontrukt en had hij den schildwacht, na hem zijn breede hand op den mond geklemd te hebben, om hem het schreeuwen te beletten, op den grond geworpen.Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik geschied. Toen Mars dien man gekneveld en hem een prop in den mond geduwd had, pakte hij hem met ijzersterken arm op en droeg hem, hoewel hij zich tevergeefs trachtte te verzetten, in allerijl naar de open plek in het woud, waar master James Burbank en de zijnen met ongeduld stonden te wachten.Niets was van dat alles door de andere schildwachten, die het kampement bewaakten, bespeurd, een bewijs dat zij zeer onvoldoende hun plicht betrachtten. Mars kwam weinige oogenblikken later met zijne vracht aan en legde die aan de voeten van zijn jongen meester neder.In minder dan een oogwenk waren de negers rondom master James Burbank, zijn zoon Gilbert, Edward Carrol en den administrateur Perry in een dichten kring te zamen gedrongen. De krijgsgevangene, die half gestikt was, zou geen enkel woord, zelfs zonder prop in den mond, hebben kunnen uiten. De duisternis was zoo groot, dat het onmogelijk was zijn gelaat waar te nemen of zijne kleederen te onderscheiden, ten einde te weten te komen, of hij al of niet tot de Floridasche militie-troepen behoorde.Mars verwijderde de prop, die hem den mond sloot, maar men moest geduldig wachten tot hij eenigszins bijgekomen was, alvorens hem te kunnen ondervragen. Eindelijk riep hij:“Help!... help!...”“Geen kik,” waarschuwde hem master James Burbank, terwijl hijhem de hand op den mond legde. »Gij hebt van ons niets te vreezen.”»Wat wil men van mij?”»Niets dan dat gij ons openhartig antwoordt.”»Het zal er van afhangen, wat gij mij vragen zult,” antwoordde de man, die eenigermate eene zekere geruststelling herkreeg. »Vooreerst zijt gij voor de Zuidelijken of voor de Noordelijken gestemd?”»Voor de Noordelijken.”»Vraag dan maar op. Dan ben ik gereed te antwoorden.”Toen vervolgde Gilbert de ondervraging.»Hoe sterk is het detachement, dat daar ginds kampeert?” vroeg hij.»Bijna tweehonderd man.”»En waarheen trekt het?”»Naar de Everglades.”»Wie is zijn aanvoerder?”»De kapitein Howick.”»Wat, de kapitein Howick?”»Ja.”»De kapitein Howick, een der officieren van deWabash!” riep Gilbert Burbank uit.»Dezelfde.”»Dat detachement bestaat dus uit zeelieden van het eskader van den Commodore Dupont?”»Ja; wij zijn Federalisten, Noordelijken, anti-slavengezinden, unionisten,” antwoordde die man, trotsch er op, die verschillende benamingen op te sommen, die de partij der goede zaak zoo dikwerf als scheldnamen aanduidden.Dus in stede van een detachement Floridasche militie-troepen, die master James Burbank en zijne tochtgenooten meenden dat voor hen uit marcheerden, in stede van eene bende partijgangers van Texar, was men op vrienden gestooten, op wapenbroeders, welker versterking voorwaar zeer te pas kwam.»Hoerah! hoerah!” schreeuwden allen met zulk een geestdrift, met zulk een kracht, dat het geheele kampement er van ontwaakte.Dadelijk schitterde het licht van flambouwen in het nachtelijk duister. Men kwam naar elkander toe, men vereenigde zich in de open plek van het woud, en nog vóórdat eenige verklaring gegeven werd, drukte kapitein Howick den jeugdigen luitenant, dien hij volstrekt niet dacht op zijn weg naar de Everglades te ontmoeten, met warmte de hand.De verklaringen en uitleg van zaken waren noch lang, noch moeielijk.»Kunt gij mij mededeelen, kapitein,” vroeg Gilbert Burbank, »wat gij in Beneden-Florida komt uitvoeren?”»Waarde luitenant Burbank,” antwoordde kapitein Howick, »wij zijn op expeditie gezonden door den Commodore Dupont.”»En vanwaar komt gij?”»Van Mosquito Inlet, vanwaar wij ons dadelijk naar New Smyrna, in de binnenlanden van het graafschap gelegen, begeven hebben.”»Mag ik u ook vragen, kapitein, wat het doel van uwen tocht is?”»Het doel daarvan is een bende partijgangers der Zuidelijken te tuchtigen, die twee onzer sloepen in eene hinderlaag gelokt hebben. Wij willen den dood van onze brave krijgsmakkers wreken!”Ziehier wat kapitein Howick dienaangaande verhaalde en wat master James Burbank onmogelijk weten kon; want de feiten waren twee dagen na zijn vertrek van Camdless-Bay gebeurd.Men heeft niet vergeten, dat de Commodore Dupont zich toen onledig hield met het tot stand brengen van de daadwerkelijke blokkade van de Floridasche kuststrook. Daartoe moest zijne flottilje dat gedeelte van de zee, begrepen tusschen het eiland Anastasia, ten noorden van Sint Augustijn, en de noorder-monding van het kanaal, dat de Bahama-eilanden van de Zandkaap, de Zuidelijke spits van Florida, scheidt, bewaken en doorkruisen. Maar dat kwam hem niet afdoende genoeg voor. Daarom besloot hij de vaartuigen der Zuidelijken tot in de kreken en kleine rivieren van het schiereiland te vervolgen en aan te vallen.Met dat doel werd eene expeditie afgezonden, bestaande uit twee sloepen van het eskader met een detachement mariniers aan boord, onder de bevelen van twee officieren, die, in weerwil van hun beperkt aantal, niet aarzelden de rivieren van het graafschap in te stevenen.Maar de partijgangers der Zuidelijken sloegen die handelingen der Federalisten nauwgezet gade. Zij lieten die sloepen ongehinderd zich begeven in dit woeste gedeelte van Florida, hetgeen eene daad van betreurenswaardige onvoorzichtigheid moest genoemd worden, daar die geheele streek zoowel door Seminool-Indianen als door militie-troepen bezet was. De gevolgen bleven niet uit. De sloepen werden bij het Kissimmee-meer, gelegen op tachtig mijlen ten westen van kaap Malabar, in een hinderlaag gelokt. Daar werden zij door talrijke partijgangers aangevallen en daar sneuvelden de twee commandanten, die de noodlottige expeditie aanvoerden, aan het hoofd van het grootste gedeelte hunner ondergeschikten. Slechts weinigen ontsnapten als het ware door een wonder aan het bloedbad. De Commodore Dupont verstrekte dadelijk, toen hij die ramp vernam, de noodige bevelen, om de Floridasche militie-troepen onverwijld en rusteloos te vervolgen, ten einde den dood der gesneuvelde Federalisten te wreken.Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz. 162).Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz.162).Een detachement van tweehonderd zeelieden, onder de bevelenvan kapitein Howick, ontscheepte derhalve in de nabijheid van Mosquito-Inlet, en had weldra het stadje New-Smyrna, op eenigen afstand van de kust gelegen, bereikt. Na aldaar de onontbeerlijke inlichtingen ingewonnen te hebben, hernam kapitein Howick zijnen marsch in zuidwestelijke richting.Hij rekende inderdaad er op, de bende, aan wie de hinderlaag, te Kissimmee gespannen, toegeschreven moest worden, in de Everglades te ontmoeten. Het was dus daarheen, dat hij zijn marsch richtte. En thans was hij daar niet ver meer van verwijderd.Dat was de gebeurtenis, welke master James Burbank en zijne tochtgenooten niet kenden, toen zij in dit gedeelte van het cypressenwoud op het detachement van kapitein Howick stieten.Vragen en antwoorden kruisten zich thans bliksemsnel tusschen den kapitein en den luitenant. Natuurlijk golden zij uitsluitend hun tegenwoordigen toestand, en wat zij in de toekomst te wachten hadden.»Ik kan u al dadelijk mededeelen,” zei Gilbert Burbank, »dat wij ook naar de Everglades marcheeren.”»Gij ook?” vroeg de kapitein, vrij verbaasd over deze mededeeling. »Wat gaat gij daar uitvoeren?”»Wij vervolgen eene bende boosdoeners, om hen te tuchtigen, zooals gij met de sluipmoordenaars van Kissimmee wilt doen.”»Wat zijn dat voor boosdoeners?”»Veroorloof mij, kapitein,” antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens u te antwoorden, eene vraag1te doen.”»Welke?”»Sedert wanneer hebt gij met uw detachement New-Smyrna verlaten?”»Sedert acht dagen.”»En hebt gij geen enkel partijkorps der Zuidelijken in de binnenlanden van het graafschap ontmoet?”»Geen enkele, waarde Gilbert,” antwoordde kapitein Howick. »Maar wij hebben uit vertrouwbare bron vernomen, dat sommige detachementen militie-troepen eene toevlucht in Beneden-Florida gezocht hebben.”»Wie is de aanvoerder van dat detachement, hetwelk gij vervolgt?”»Wie die aanvoerder is?”»Ja, kent gij hem ten minste?”»Volkomen. En ik kan er bijvoegen, dat wanneer wij er in slagenhem gevangen te nemen, master James Burbank dat niet betreuren zal.”»Wat wilt gij zeggen?”... vroeg de eigenaar van Camdless-Bay den kapitein Howick met eenige drift.»Eenvoudig dit,” antwoordde de officier, »dat die aanvoerder juist dezelfde Spanjaard is, die kort geleden door den krijgsraad te Sint Augustijn, wegens gebrek aan bewijzen, ter zake van het gebeurde op uwe plantage vrijgesproken werd.”»Texar?”»Texar?”»Texar?”Allen, èn James Burbank, èn Gilbert, èn Edward Carrol, èn Perry hadden gelijktijdig dien naam uitgekreten. Zal het mogelijk zijn een denkbeeld te geven van de gewaarwordingen, welke een ieder bezielden?»Hoe,” riep Gilbert uit, »is Texar de aanvoerder van die partijgangers, welke gij tracht te bereiken?”»Hij zelf! Hij is de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, van dien laaghartigen moord, gepleegd door een vijftigtal boosdoeners van zijn gehalte, die hij in persoon aanvoerde. En zooals wij te New-Smyrna uit zekere bron vernomen hebben, heeft hij zijne toevlucht in de Everglades gezocht.”»En wanneer gij er in slaagt dien ellendeling gevangen te nemen?”... vroeg Edward Carrol.»Dan wordt hij op de plaats doodgeschoten,” antwoordde kapitein Howick. »Zoo luidt het formeele bevel van den Commodore, en wees er van overtuigd, master James Burbank, dat bevel zal onmiddellijk uitgevoerd worden.”Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welke uitwerking die mededeeling op master James Burbank en de zijnen hebben moest. Met de versterking der strijdmacht, die door kapitein Howick bijgebracht werd, kon men bijna zeker op de bevrijding van de kleine Dy en van Zermah rekenen. Ook kon men op de gevangenneming van den Spanjaard en zijne medeplichtigen vertrouwen. Die zouden de straf hunner misdaden niet ontgaan.Er werden dan ook veelvuldige handdrukken tusschen de zeelieden van het federalistisch detachement en de negers van Camdless-Bay gewisseld, en vele hoera’s weerklonken vol geestdrift door het cypressenwoud.Gilbert Burbank stelde toen kapitein Howick op de hoogte van hetgeen zijne tochtgenooten in het zuiden van Florida kwamen uitvoeren. Hunne voorname taak was, de bevrijding van Zermah en het meisje, die naar het eiland Garneral ontvoerd waren, zooals door het briefje der mestiesche vrouw aangeduid was. De kapiteinvernam toen ook, dat het alibi, door den Spanjaard voor den krijgsraad bepleit, niet had moeten aangenomen worden, hoewel men er niet in geslaagd was om te begrijpen, hoe dat alibi gesteld had kunnen worden.Maar nu hij zich èn omtrent de ontvoering der twee vrouwen, èn omtrent den moord te Kissimmee te verantwoorden had, scheen het moeielijk dat Texar ontsnappen kon aan de straf voor die dubbele misdaad.Intusschen opperde toch master James Burbank eene onverwachte bedenking, die hij aan kapitein Howick mededeelde.»Kunt gij mij zeggen,” vroeg hij, »op welken dag de sloepen te Kissimmee in hinderlaag gevallen zijn?”»Zelfs zeer nauwkeurig, master Burbank,” antwoordde de kapitein. »Die moord onzer zeelieden is op den 22stenMaart geschied.”»Welnu,” antwoordde master James Burbank, »op den 22stenMaart was Texar nog in de Zwarte Kreek en maakte hij zich eerst gereed om te vertrekken.”»Onmogelijk, master Burbank!”»Dat zeg ik ook: onmogelijk heeft Texar deel kunnen nemen aan een moord, die op tweehonderd mijlen afstand bij het meer Kissimmee gepleegd werd! Vindt gij niet?”...»Ja, maar...” stamelde de kapitein.»Neen, ik herhaal dat Texar die bende Zuidelijken niet heeft kunnen aanvoeren, die uwe sloepen overvallen en uitgemoord hebben.”»Gij vergist u, master Burbank,” hernam kapitein Howick. »De Spanjaard is behoorlijk gezien en herkend geworden door de zeelieden, die aan het bloedbad ontkomen zijn. Den zeelieden heb ik zelf ondervraagd.”»Maar zij kennen Texar waarschijnlijk niet?”»Zij kennen hem zeer goed; zij hebben te Sint Augustijn gelegenheid genoeg gehad om hem te zien.”»Dat kan niet, kapitein,” antwoordde master James Burbank. »Het briefje, door Zermah geschreven en wat zich in onze handen bevindt, bewijst dat Texar op den 22stenMaart nog in de Zwarte Kreek was.”»Ongeloofelijk, master Burbank!” meende kapitein Howick te moeten protesteeren.Gilbert Burbank had die woordenwisseling aangehoord, zonder te trachten met een enkel woord tusschenbeiden te komen. Hij begreep dat zijn vader gelijk had, hij gevoelde dat hij gelijk moest hebben. De Spanjaard kon onmogelijk op den dag van den moord zich in de nabijheid van het Kissimmee-meer bevonden hebben.»Laten wij daarover niet redekavelen,” sprak hij eindelijk. »Inhet bestaan van dien man doen zich zulke onverklaarbare daadzaken voor, dat ik maar niet pogen zal ze op te lossen. Den 22stenMaart was hij, volgens de verklaring van Zermah, nog in de Zwarte Kreek, en op den 22stenMaart bevond hij zich, volgens uwe verzekering, kapitein Howick, die gij geput hebt uit het rapport uwer zeelieden, aan het hoofd van een Floridaasch partijgangerskorps op tweehonderd mijlen daar vandaan. Die tegenstrijdigheid vermogen wij voor het oogenblik niet op te lossen. Het zij zoo! Maar wat zeker, wat boven allen twijfel verheven moet geacht worden, is, dat hij zich thans in de Everglades bevindt. En nu kunnen wij hem binnen tweemaal vier-en-twintig uren bereikt hebben.”»Ja, luitenant Burbank,” antwoordde kapitein Howick, »gij hebt gelijk, en hetzij schuldig aan de ontvoering der twee vrouwen, hetzij schuldig aan het spannen der hinderlaag, zal, volgens mij, wanneer die ellendeling doodgeschoten wordt, het vonnis rechtvaardig geveld zijn. Kom, voorwaarts vrienden!”»Ja, voorwaarts!” antwoordden allen.Het gestelde feit was daarom evenals zooveel anderen, die betrekking op het niet openbare leven van Texar hadden, volkomen onverklaarbaar en bleef dat. Daarin school ook alweer een niet te begrijpen alibi. Waarlijk, men zou gezegd hebben dat Texar, die ellendige kerel, een dubbelganger had, of beter, dat hij het vermogen bezat op twee plaatsen tegelijkertijd te zijn.Zou dat geheim eenmaal opgelost worden? Wie zou dat durven verzekeren? Maar het mocht zijn zooals het wil, men moest Texar zien in handen te krijgen, en tot dat doel zouden de zeelieden van kapitein Howick, met de tochtgenooten van master James Burbank krachtig medewerken.1Volgens J. Verne schijnt het bij de Amerikanenreçu, dat de luitenants de kapiteins ondervragen.Vert.
Ja! men moest voorwaarts marcheeren.
Evenwel, tegenover de schrikkelijke gebeurlijkheden, die men tegemoet trad, moesten alle mogelijke voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Het mocht voor onontbeerlijk gelden, dat de marsch behoorlijk verkend werd, dat geen verdachte stam van het cypressenwoud ononderzocht bleef, maar vooral dat men op iedere eventualiteit voorbereid bleef.
De wapens werden dus met de meeste zorg nagezien en in slagvaardigen toestand gebracht, gereed om ieder oogenblik benut te worden. Bij het geringste onraad zouden de eenmansvrachten op den bodem neergelegd worden, zoodat allen aan eene werkdadige verdediging deel konden nemen.
Wat de indeeling van het personeel gedurende den marsch betreft, deze onderging geene wijziging. Gilbert Burbank en Mars bleven de voorhoede uitmaken; zij bewogen zich evenwel op een grooteren afstand van den hoofdtroep, om ieder verrassend optreden van de tegenpartij bij tijds te kunnen verijdelen. Ieder was ten volle gereed zijn plicht te vervullen, ofschoon die brave lieden het hart in de borstkas ineenkromp, wanneer zij aan den hinderpaal dachten, die zich tusschen hen en hun doelwit had gesteld.
De marsch was niet vertraagd geworden. Intusschen had men het voorzichtig geoordeeld, niet de voetsporen te volgen, die steeds helder en duidelijk afgedrukt, bespeurd werden. Het werd beter geacht, niet op het detachement te stooten, dat dezelfde richting naar de Everglades volgde. Ongelukkig ontwaarde men al spoedig, dat dit pogen zeer moeielijk was. Want inderdaad, dat detachement marcheerde niet in rechtlijnige richting. De voetsporen duidden onwraakbaar aan, dat het vele wendingen ter rechter- en ter linkerzijde beschreef, waaruit de gevolgtrekking voortvloeide, dat er eene zekere aarzeling bij den marsch bestond.
Toch was de algemeene richting naar het Zuiden.
Andermaal was een dag voorbijgegaan, zonder dat zich iets meldenswaardigs had voorgedaan. Geen enkele ontmoeting had master James Burbank genoopt den marsch te staken. Men was met vluggen en stevigen tred voortgestapt en won blijkbaar op den troep, die zoowat in het cypressenwoud ronddwaalde. Dat ontwaarde men duidelijk uit de veelvuldige sporen, die zich van uur tot uur scherper en duidelijker afgedrukt vertoonden op dien plastischen bodem.
Niets was gemakkelijker geweest, dan het getal halten te bepalen, die hetzij om het middagmaal te gebruiken, hetzij om te rusten, gemaakt waren. In het eerste geval duidde het kruisen der sporen op een heen en weer geloop in alle richtingen; in het andere geval kon men aannemen, dat men den marsch slechts kortstondig gestaakt had, om over de te volgen richting te beraadslagen.
Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwkeurigheid na te gaan. Daar die sporen hen zeer veel wetenswaardigs konden mededeelen, sloegen zij ze met evenveel zorg gade als de Seminool-Indianen, die zoo scherpzinnig de geringste aanwijzingen op de terreinen, die zij bij hunne jacht- of krijgstochten doorkruisen, waarnemen.
Het was na een van die nasporingen, dat Gilbert Burbank in staat was stellig te verklaren:
»Vader, wij hebben thans de stellige zekerheid, dat noch Zermah noch mijne zuster deel uitmaken van den troep, die voor ons uit marcheert.”
»Waaruit leidt gij dat af, Gilbert?” vroeg master James Burbank.
»Er wordt geen enkele afdruk van den hoef van een paard aangetroffen. Wanneer Zermah zich bij dien troep bevond, dan had zij te voet moeten gaan, terwijl zij mijn zusje in hare armen droeg. De afdrukken van hare voeten zouden dan gemakkelijk herkenbaar zijn geweest, alsook die van Dy, die toch gedurende de halten op den grond neergezet zoude zijn. Maar geen enkele afdruk van een vrouwen- of een kindervoet is waargenomen.”
»Niet?”
»Neen, vader. Eene andere opmerking is, dat het ontwijfelbaar geacht moet worden, dat dit detachement van draagbare vuurwapens voorzien is. Op vele plaatsen waren toch de afdrukken der geweerkolven op den grond niet te miskennen. Ik heb zelfs opgemerkt, dat die kolven zeer veel overeenkomst met die der marine-geweren van de Noordelijken hebben. Het is dus waarschijnlijk, dat de Floridasche militie-troepen gewapend zijn geworden met geweren van datzelfde model. Anders is die bijzonderheid volkomen onverklaarbaar.”
Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz. 155).Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz.155).
Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters kon men de indrukken van die voetstappen volgen. (Bladz.155).
»En hebt gij nog meer opgemerkt, Gilbert?”
»Ja, vader, ook nog, en helaas dat is maar al te zeker, dat die troep op zijn minst genomen in getalsterkte tienmaal den onzen overtreft. Dus wij moeten, naarmate wij hem meer en meer naderen, met de meeste omzichtigheid te werk gaan!”
Er bleef niets anders over dan die aanwijzingen van den jeugdigen officier stipt op te volgen. Dat werd dan ook gedaan. Wat Gilbert’s gevolgtrekkingen omtrent de talrijkheid en den vorm der indrukken betreft, die moesten nauwkeurig zijn. Dat de kleine Dy en Zermah geen deel uitmaakten van dat detachement, kon als stellig en zeker aangenomen worden, en was het wonder, dat men daaruit opmaakte, dat men zich niet op het spoor van den Spanjaard bevond? De mannen toch, die van de Zwarte-Kreek herwaarts gekomen waren, konden noch zoo talrijk, noch zoo goed gewapend zijn. Het scheen dus niet twijfelachtig te zijn, dat het een sterk detachement der Floridasche militie-troepen was, dat daar vooruitmarcheerde en zich naar de zuidelijke streken van het schiereiland, en dus naar de Everglades richtte, alwaar Texar zeer waarschijnlijk sedert gisteren of eergisteren was aangekomen.
Hoe men de zaak ook beschouwde, die troep, die daar vooruitmarcheerde, was voor master James Burbank en zijne tochtgenooten zeer te duchten.
Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. Die plek moest eenige uren vroeger bezet zijn geweest, zooals aangeduid werd door de overblijfselen van wacht- en keukenvuren, welker asch den tijd niet gehad had om af te koelen. Alles wees er op, dat die plek tot kampeerplaats gediend had.
Men kwam toen tot het besluit, om den tocht niet te hervatten dan wanneer de nacht gevallen zoude zijn. Het uitspansel, dat zwaar bewolkt was, zou zeer donker zijn. De maan, die in het laatste kwartier was, kwam eerst zeer laat op. Dat alles zoude veroorloven, het detachement onder de meest gunstige omstandigheden te kunnen naderen. Misschien zou het mogelijk zijn het te verkennen, zonder zelf bespeurd te worden, het om te trekken, terwijl men zich in het dichtste van het bosch verscholen hield, het vooruit te komen om in zuidwestelijke richting te marcheeren, ten einde het eerste het meerOkee-cho-beeen daarin het eiland Garneral te bereiken.
De kleine troep, die Gilbert Burbank en Mars steeds tot voorhoede had, vertrok tegen half negen en trok zoo stil mogelijk onder de loofkruinen der boomen en te midden eener dikke duisternis voort. Zoo stapte men gedurende twee uren ongeveer door, waarbij de voorzorg gebruikt werd de voeten zoo zacht mogelijk neer te zetten, om zich niet te verraden.
Het was zoo omstreeks half elf, toen master James Burbank, die zich met den administrateur Perry aan het hoofd van den hoofdtroep bevond, met een enkel woord het sein gaf om halt te houden. Gilbert en Mars waren toch in allerijl op den hoofdtroep teruggeweken. Allen wachtten ongeduldig maar volkomen bewegingloos de verklaring van dien plotselijken terugtocht af.
Die verklaring liet niet op zich wachten.
»Wat is er, Gilbert?...” vroeg master James Burbank.
»Shut!” waarschuwden de officier en Mars tot stilte.
»Maar wat hebt gij ontdekt?” vroeg James Burbank met gedempte stem.
»Een kampement onder de boomen opgeslagen en waarvan de vuren duidelijk zichtbaar zijn.”
»Ver hier vandaan verwijderd?...” vroeg Edward Carrol.
»Op honderd passen ternauwernood.”
»Hebt gij de lieden kunnen verkennen, die dat kampement betrekken?”
»Neen, want men begon de vuren uit te dooven,” antwoordde Gilbert Burbank. »Maar ik geloof, dat wij ons niet vergissen, wanneer wij hunne sterkte op tweehonderd man schatten.”
»Slapen zij, Gilbert?”
»Ja, voor het meerendeel, evenwel niet zonder wachtposten uitgesteld te hebben. Wij hebben eenige schildwachten bemerkt, die, met het geweer op schouder, tusschen de cypressen heen en weer wandelen.”
»Wat moeten wij doen?” vroeg Edward Carrol, het woord tot den jeugdigen officier richtende.
»Vooraf moeten wij trachten dat detachement meer afdoend te verkennen,” antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens dat wij beproeven het om te trekken.”
»Ik ben gereed op kondschap uit te gaan,” betuigde Mars.
»En ik zal u vergezellen,” zei master Perry.
»Neen, dat neem ik op mij,” antwoordde Gilbert Burbank. »Ik mag mij op niemand anders vertrouwen dan op mij zelven....”
»Gilbert,” zei master James Burbank, »er is niemand onzer die niet gereed is zijn leven voor het algemeen welzijn veil te hebben. Maar om niet opgemerkt te worden, om eenigen kans te hebben die verkenning met welslagen uit te kunnen voeren, moet de verkenner alleen zijn....”
»Het is ook alleen, dat ik wensch te gaan,” sprak Gilbert Burbank met eenige drift.
»Neen, mijn zoon,” antwoordde master James Burbank, »ik verzoek je bij ons te blijven. Mars zal die verkenning volvoeren.”
»Ik ben gereed, master,” sprak deze.
En zonder verder een bevel af te wachten, verdween de mesties in de duisternis.
Terzelfder tijd stelde master James Burbank zijn troep slagvaardig op, gereed om iederen aanval te weerstaan. De eenmansvrachten werden op den grond gelegd. De dragers grepen naar de wapens. En allen, met het geweer in de hand, stelden zich verspreid achter de cypressenstammen verdekt op, evenwel zoo dat zij in een oogwenk bij elkander konden zijn, wanneer de omstandigheden gebieden mochten gezamenlijk op te treden.
Van de plek, die door master James Burbank en de zijnen betrokken was, kon men het kampement niet zien. Men moest ongeveer een vijftigtal passen naderen, om de vuren, die bijna verdoofd waren, in het oog te krijgen. Daaruit werd de noodzakelijkheid geboren, de terugkomst van den mesties af te wachten, alvorens die beschikkingen te kunnen nemen, welke de omstandigheden zouden medebrengen.
In zijn ongeduld was de jeugdige officier eenige meters vooruit getreden, alsof hij van daar de lieden beter kon voeren.
Mars was intusschen met de grootste omzichtigheid vooruitgeslopen. Hij dekte zich voortdurend achter boomstammen, en verliet den eenen niet dan om achter een anderen eene schuilplaats te zoeken. Zoo naderde hij, zonder veel gevaar te loopen ontdekt te worden. Hij hoopte zoo nabij genoeg te kunnen naderen, om de gesteldheid van de plaats waar te kunnen nemen, het getal mannen te kunnen ramen, maar vooral de partij te kunnen bestemmen, waartoe zij behoorden. Dat zou zoo gemakkelijk niet gaan. De nacht was zeer donker en de bivouacvuren gaven geen licht meer. Om te slagen, moest hij tot bij het kampement sluipen. Nu was Mars volstrekt niet van stoutmoedigheid misdeeld, ook niet van vaardigheid, om de waakzaamheid der schildwachten, die op post stonden, te misleiden.
De mesties won inmiddels veld. Hij had, om door niets belemmerd te kunnen worden, noch geweer noch revolver medegenomen. Hij was slechts gewapend met eene korte enterbijl, want het was noodzakelijk iedere ontploffing te vermijden en zich slechts te verdedigen, als dat noodig was, zonder gerucht te maken.
Eindelijk was de moedige kerel tot op zeer korten afstand van een der schildwachten genaderd, die zelf slechts op een afstand van zeven of acht meters van het kampement geplaatst was. Alles was stil. Blijkbaar waren die mannen ten gevolge van een zwaren marsch zeer vermoeid en thans in een diepen slaap gedompeld. Slechts de schildwachten waren waakzaam op hun post, doch niet allen in gelijke mate, waarvan Mars weldra de overtuiging kreeg.
Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz. 160).Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz.160).
Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste nauwgezetheid gade te slaan. (Bladz.160).
Inderdaad, de mesties, die een hunner sedert eenige oogenblikken nauwkeurig gadesloeg, bemerkte dat hij wel is waar overeind stond, maar zich volstrekt niet bewoog. Zijn geweer lag op den grond. Hij zelf stond met gebukt hoofd tegen een cypresboom geleund en scheen aan den slaap geen weêrstand te kunnen bieden. Het zou misschien niet onmogelijk zijn, achter hem om te sluipen en zoo het kampement te bereiken.
Mars naderde den schildwacht langzaam, toen het gekraak van een droog takje, dat hij met den voet deed knappen, zijne tegenwoordigheid verraadde.
Dadelijk richtte de man zich op, verhief het hoofd, boog zich voorover, keek scherp rechts en links, om te ontwaren, wie of wat het gerucht kon veroorzaakt hebben, dat gedurende zijne dommeligheid zijn oor getroffen had.
Hij ontwaarde voorzeker iets verdachts, want hij greep zijn geweer, maakte dat vaardig en bracht het aan den schouder...
Maar vóórdat hij vuur had kunnen geven, had Mars hem het wapen, dat op zijne borst gericht was, ontrukt en had hij den schildwacht, na hem zijn breede hand op den mond geklemd te hebben, om hem het schreeuwen te beletten, op den grond geworpen.
Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik geschied. Toen Mars dien man gekneveld en hem een prop in den mond geduwd had, pakte hij hem met ijzersterken arm op en droeg hem, hoewel hij zich tevergeefs trachtte te verzetten, in allerijl naar de open plek in het woud, waar master James Burbank en de zijnen met ongeduld stonden te wachten.
Niets was van dat alles door de andere schildwachten, die het kampement bewaakten, bespeurd, een bewijs dat zij zeer onvoldoende hun plicht betrachtten. Mars kwam weinige oogenblikken later met zijne vracht aan en legde die aan de voeten van zijn jongen meester neder.
In minder dan een oogwenk waren de negers rondom master James Burbank, zijn zoon Gilbert, Edward Carrol en den administrateur Perry in een dichten kring te zamen gedrongen. De krijgsgevangene, die half gestikt was, zou geen enkel woord, zelfs zonder prop in den mond, hebben kunnen uiten. De duisternis was zoo groot, dat het onmogelijk was zijn gelaat waar te nemen of zijne kleederen te onderscheiden, ten einde te weten te komen, of hij al of niet tot de Floridasche militie-troepen behoorde.
Mars verwijderde de prop, die hem den mond sloot, maar men moest geduldig wachten tot hij eenigszins bijgekomen was, alvorens hem te kunnen ondervragen. Eindelijk riep hij:
“Help!... help!...”
“Geen kik,” waarschuwde hem master James Burbank, terwijl hijhem de hand op den mond legde. »Gij hebt van ons niets te vreezen.”
»Wat wil men van mij?”
»Niets dan dat gij ons openhartig antwoordt.”
»Het zal er van afhangen, wat gij mij vragen zult,” antwoordde de man, die eenigermate eene zekere geruststelling herkreeg. »Vooreerst zijt gij voor de Zuidelijken of voor de Noordelijken gestemd?”
»Voor de Noordelijken.”
»Vraag dan maar op. Dan ben ik gereed te antwoorden.”
Toen vervolgde Gilbert de ondervraging.
»Hoe sterk is het detachement, dat daar ginds kampeert?” vroeg hij.
»Bijna tweehonderd man.”
»En waarheen trekt het?”
»Naar de Everglades.”
»Wie is zijn aanvoerder?”
»De kapitein Howick.”
»Wat, de kapitein Howick?”
»Ja.”
»De kapitein Howick, een der officieren van deWabash!” riep Gilbert Burbank uit.
»Dezelfde.”
»Dat detachement bestaat dus uit zeelieden van het eskader van den Commodore Dupont?”
»Ja; wij zijn Federalisten, Noordelijken, anti-slavengezinden, unionisten,” antwoordde die man, trotsch er op, die verschillende benamingen op te sommen, die de partij der goede zaak zoo dikwerf als scheldnamen aanduidden.
Dus in stede van een detachement Floridasche militie-troepen, die master James Burbank en zijne tochtgenooten meenden dat voor hen uit marcheerden, in stede van eene bende partijgangers van Texar, was men op vrienden gestooten, op wapenbroeders, welker versterking voorwaar zeer te pas kwam.
»Hoerah! hoerah!” schreeuwden allen met zulk een geestdrift, met zulk een kracht, dat het geheele kampement er van ontwaakte.
Dadelijk schitterde het licht van flambouwen in het nachtelijk duister. Men kwam naar elkander toe, men vereenigde zich in de open plek van het woud, en nog vóórdat eenige verklaring gegeven werd, drukte kapitein Howick den jeugdigen luitenant, dien hij volstrekt niet dacht op zijn weg naar de Everglades te ontmoeten, met warmte de hand.
De verklaringen en uitleg van zaken waren noch lang, noch moeielijk.
»Kunt gij mij mededeelen, kapitein,” vroeg Gilbert Burbank, »wat gij in Beneden-Florida komt uitvoeren?”
»Waarde luitenant Burbank,” antwoordde kapitein Howick, »wij zijn op expeditie gezonden door den Commodore Dupont.”
»En vanwaar komt gij?”
»Van Mosquito Inlet, vanwaar wij ons dadelijk naar New Smyrna, in de binnenlanden van het graafschap gelegen, begeven hebben.”
»Mag ik u ook vragen, kapitein, wat het doel van uwen tocht is?”
»Het doel daarvan is een bende partijgangers der Zuidelijken te tuchtigen, die twee onzer sloepen in eene hinderlaag gelokt hebben. Wij willen den dood van onze brave krijgsmakkers wreken!”
Ziehier wat kapitein Howick dienaangaande verhaalde en wat master James Burbank onmogelijk weten kon; want de feiten waren twee dagen na zijn vertrek van Camdless-Bay gebeurd.
Men heeft niet vergeten, dat de Commodore Dupont zich toen onledig hield met het tot stand brengen van de daadwerkelijke blokkade van de Floridasche kuststrook. Daartoe moest zijne flottilje dat gedeelte van de zee, begrepen tusschen het eiland Anastasia, ten noorden van Sint Augustijn, en de noorder-monding van het kanaal, dat de Bahama-eilanden van de Zandkaap, de Zuidelijke spits van Florida, scheidt, bewaken en doorkruisen. Maar dat kwam hem niet afdoende genoeg voor. Daarom besloot hij de vaartuigen der Zuidelijken tot in de kreken en kleine rivieren van het schiereiland te vervolgen en aan te vallen.
Met dat doel werd eene expeditie afgezonden, bestaande uit twee sloepen van het eskader met een detachement mariniers aan boord, onder de bevelen van twee officieren, die, in weerwil van hun beperkt aantal, niet aarzelden de rivieren van het graafschap in te stevenen.
Maar de partijgangers der Zuidelijken sloegen die handelingen der Federalisten nauwgezet gade. Zij lieten die sloepen ongehinderd zich begeven in dit woeste gedeelte van Florida, hetgeen eene daad van betreurenswaardige onvoorzichtigheid moest genoemd worden, daar die geheele streek zoowel door Seminool-Indianen als door militie-troepen bezet was. De gevolgen bleven niet uit. De sloepen werden bij het Kissimmee-meer, gelegen op tachtig mijlen ten westen van kaap Malabar, in een hinderlaag gelokt. Daar werden zij door talrijke partijgangers aangevallen en daar sneuvelden de twee commandanten, die de noodlottige expeditie aanvoerden, aan het hoofd van het grootste gedeelte hunner ondergeschikten. Slechts weinigen ontsnapten als het ware door een wonder aan het bloedbad. De Commodore Dupont verstrekte dadelijk, toen hij die ramp vernam, de noodige bevelen, om de Floridasche militie-troepen onverwijld en rusteloos te vervolgen, ten einde den dood der gesneuvelde Federalisten te wreken.
Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz. 162).Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz.162).
Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het woud. (Bladz.162).
Een detachement van tweehonderd zeelieden, onder de bevelenvan kapitein Howick, ontscheepte derhalve in de nabijheid van Mosquito-Inlet, en had weldra het stadje New-Smyrna, op eenigen afstand van de kust gelegen, bereikt. Na aldaar de onontbeerlijke inlichtingen ingewonnen te hebben, hernam kapitein Howick zijnen marsch in zuidwestelijke richting.
Hij rekende inderdaad er op, de bende, aan wie de hinderlaag, te Kissimmee gespannen, toegeschreven moest worden, in de Everglades te ontmoeten. Het was dus daarheen, dat hij zijn marsch richtte. En thans was hij daar niet ver meer van verwijderd.
Dat was de gebeurtenis, welke master James Burbank en zijne tochtgenooten niet kenden, toen zij in dit gedeelte van het cypressenwoud op het detachement van kapitein Howick stieten.
Vragen en antwoorden kruisten zich thans bliksemsnel tusschen den kapitein en den luitenant. Natuurlijk golden zij uitsluitend hun tegenwoordigen toestand, en wat zij in de toekomst te wachten hadden.
»Ik kan u al dadelijk mededeelen,” zei Gilbert Burbank, »dat wij ook naar de Everglades marcheeren.”
»Gij ook?” vroeg de kapitein, vrij verbaasd over deze mededeeling. »Wat gaat gij daar uitvoeren?”
»Wij vervolgen eene bende boosdoeners, om hen te tuchtigen, zooals gij met de sluipmoordenaars van Kissimmee wilt doen.”
»Wat zijn dat voor boosdoeners?”
»Veroorloof mij, kapitein,” antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens u te antwoorden, eene vraag1te doen.”
»Welke?”
»Sedert wanneer hebt gij met uw detachement New-Smyrna verlaten?”
»Sedert acht dagen.”
»En hebt gij geen enkel partijkorps der Zuidelijken in de binnenlanden van het graafschap ontmoet?”
»Geen enkele, waarde Gilbert,” antwoordde kapitein Howick. »Maar wij hebben uit vertrouwbare bron vernomen, dat sommige detachementen militie-troepen eene toevlucht in Beneden-Florida gezocht hebben.”
»Wie is de aanvoerder van dat detachement, hetwelk gij vervolgt?”
»Wie die aanvoerder is?”
»Ja, kent gij hem ten minste?”
»Volkomen. En ik kan er bijvoegen, dat wanneer wij er in slagenhem gevangen te nemen, master James Burbank dat niet betreuren zal.”
»Wat wilt gij zeggen?”... vroeg de eigenaar van Camdless-Bay den kapitein Howick met eenige drift.
»Eenvoudig dit,” antwoordde de officier, »dat die aanvoerder juist dezelfde Spanjaard is, die kort geleden door den krijgsraad te Sint Augustijn, wegens gebrek aan bewijzen, ter zake van het gebeurde op uwe plantage vrijgesproken werd.”
»Texar?”
»Texar?”
»Texar?”
Allen, èn James Burbank, èn Gilbert, èn Edward Carrol, èn Perry hadden gelijktijdig dien naam uitgekreten. Zal het mogelijk zijn een denkbeeld te geven van de gewaarwordingen, welke een ieder bezielden?
»Hoe,” riep Gilbert uit, »is Texar de aanvoerder van die partijgangers, welke gij tracht te bereiken?”
»Hij zelf! Hij is de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, van dien laaghartigen moord, gepleegd door een vijftigtal boosdoeners van zijn gehalte, die hij in persoon aanvoerde. En zooals wij te New-Smyrna uit zekere bron vernomen hebben, heeft hij zijne toevlucht in de Everglades gezocht.”
»En wanneer gij er in slaagt dien ellendeling gevangen te nemen?”... vroeg Edward Carrol.
»Dan wordt hij op de plaats doodgeschoten,” antwoordde kapitein Howick. »Zoo luidt het formeele bevel van den Commodore, en wees er van overtuigd, master James Burbank, dat bevel zal onmiddellijk uitgevoerd worden.”
Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welke uitwerking die mededeeling op master James Burbank en de zijnen hebben moest. Met de versterking der strijdmacht, die door kapitein Howick bijgebracht werd, kon men bijna zeker op de bevrijding van de kleine Dy en van Zermah rekenen. Ook kon men op de gevangenneming van den Spanjaard en zijne medeplichtigen vertrouwen. Die zouden de straf hunner misdaden niet ontgaan.
Er werden dan ook veelvuldige handdrukken tusschen de zeelieden van het federalistisch detachement en de negers van Camdless-Bay gewisseld, en vele hoera’s weerklonken vol geestdrift door het cypressenwoud.
Gilbert Burbank stelde toen kapitein Howick op de hoogte van hetgeen zijne tochtgenooten in het zuiden van Florida kwamen uitvoeren. Hunne voorname taak was, de bevrijding van Zermah en het meisje, die naar het eiland Garneral ontvoerd waren, zooals door het briefje der mestiesche vrouw aangeduid was. De kapiteinvernam toen ook, dat het alibi, door den Spanjaard voor den krijgsraad bepleit, niet had moeten aangenomen worden, hoewel men er niet in geslaagd was om te begrijpen, hoe dat alibi gesteld had kunnen worden.
Maar nu hij zich èn omtrent de ontvoering der twee vrouwen, èn omtrent den moord te Kissimmee te verantwoorden had, scheen het moeielijk dat Texar ontsnappen kon aan de straf voor die dubbele misdaad.
Intusschen opperde toch master James Burbank eene onverwachte bedenking, die hij aan kapitein Howick mededeelde.
»Kunt gij mij zeggen,” vroeg hij, »op welken dag de sloepen te Kissimmee in hinderlaag gevallen zijn?”
»Zelfs zeer nauwkeurig, master Burbank,” antwoordde de kapitein. »Die moord onzer zeelieden is op den 22stenMaart geschied.”
»Welnu,” antwoordde master James Burbank, »op den 22stenMaart was Texar nog in de Zwarte Kreek en maakte hij zich eerst gereed om te vertrekken.”
»Onmogelijk, master Burbank!”
»Dat zeg ik ook: onmogelijk heeft Texar deel kunnen nemen aan een moord, die op tweehonderd mijlen afstand bij het meer Kissimmee gepleegd werd! Vindt gij niet?”...
»Ja, maar...” stamelde de kapitein.
»Neen, ik herhaal dat Texar die bende Zuidelijken niet heeft kunnen aanvoeren, die uwe sloepen overvallen en uitgemoord hebben.”
»Gij vergist u, master Burbank,” hernam kapitein Howick. »De Spanjaard is behoorlijk gezien en herkend geworden door de zeelieden, die aan het bloedbad ontkomen zijn. Den zeelieden heb ik zelf ondervraagd.”
»Maar zij kennen Texar waarschijnlijk niet?”
»Zij kennen hem zeer goed; zij hebben te Sint Augustijn gelegenheid genoeg gehad om hem te zien.”
»Dat kan niet, kapitein,” antwoordde master James Burbank. »Het briefje, door Zermah geschreven en wat zich in onze handen bevindt, bewijst dat Texar op den 22stenMaart nog in de Zwarte Kreek was.”
»Ongeloofelijk, master Burbank!” meende kapitein Howick te moeten protesteeren.
Gilbert Burbank had die woordenwisseling aangehoord, zonder te trachten met een enkel woord tusschenbeiden te komen. Hij begreep dat zijn vader gelijk had, hij gevoelde dat hij gelijk moest hebben. De Spanjaard kon onmogelijk op den dag van den moord zich in de nabijheid van het Kissimmee-meer bevonden hebben.
»Laten wij daarover niet redekavelen,” sprak hij eindelijk. »Inhet bestaan van dien man doen zich zulke onverklaarbare daadzaken voor, dat ik maar niet pogen zal ze op te lossen. Den 22stenMaart was hij, volgens de verklaring van Zermah, nog in de Zwarte Kreek, en op den 22stenMaart bevond hij zich, volgens uwe verzekering, kapitein Howick, die gij geput hebt uit het rapport uwer zeelieden, aan het hoofd van een Floridaasch partijgangerskorps op tweehonderd mijlen daar vandaan. Die tegenstrijdigheid vermogen wij voor het oogenblik niet op te lossen. Het zij zoo! Maar wat zeker, wat boven allen twijfel verheven moet geacht worden, is, dat hij zich thans in de Everglades bevindt. En nu kunnen wij hem binnen tweemaal vier-en-twintig uren bereikt hebben.”
»Ja, luitenant Burbank,” antwoordde kapitein Howick, »gij hebt gelijk, en hetzij schuldig aan de ontvoering der twee vrouwen, hetzij schuldig aan het spannen der hinderlaag, zal, volgens mij, wanneer die ellendeling doodgeschoten wordt, het vonnis rechtvaardig geveld zijn. Kom, voorwaarts vrienden!”
»Ja, voorwaarts!” antwoordden allen.
Het gestelde feit was daarom evenals zooveel anderen, die betrekking op het niet openbare leven van Texar hadden, volkomen onverklaarbaar en bleef dat. Daarin school ook alweer een niet te begrijpen alibi. Waarlijk, men zou gezegd hebben dat Texar, die ellendige kerel, een dubbelganger had, of beter, dat hij het vermogen bezat op twee plaatsen tegelijkertijd te zijn.
Zou dat geheim eenmaal opgelost worden? Wie zou dat durven verzekeren? Maar het mocht zijn zooals het wil, men moest Texar zien in handen te krijgen, en tot dat doel zouden de zeelieden van kapitein Howick, met de tochtgenooten van master James Burbank krachtig medewerken.
1Volgens J. Verne schijnt het bij de Amerikanenreçu, dat de luitenants de kapiteins ondervragen.Vert.
1Volgens J. Verne schijnt het bij de Amerikanenreçu, dat de luitenants de kapiteins ondervragen.
Vert.