XIII.

XIII.Een dubbelganger.Weinige woorden zullen voldoende zijn, om tot helderheid te brengen, wat tot nu toe onverklaarbaar in deze geschiedenis is voorgekomen.Die twee mannen, voor wie Zermah plotseling verschenen was, waren broeders, waren tweelingen.Waar waren zij geboren? Dat wisten zij zelven niet nauwkeurig aan te duiden; waarschijnlijk in een klein dorp van Texas, en daaraan was ongetwijfeld die naam van Texar, door verandering van de eindletter van dien naam, ontleend.Men weet dat Texas een uitgestrekt grondgebied is, hetwelk ten zuiden van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en langs de golf van Mexico gelegen is.Nadat de Texanen tegen de Mexicanen opgestaan waren, bij welken onafhankelijkheidsoorlog zij door de Noord-Amerikanen geholpen werden, werden zij in 1845 bij de Groote Republiek, die toen door den president JohnTylerbestuurd werd, ingelijfd.Vijftien jaren vóór die inlijving, werden twee kinderen in een dorp van het Texaansche kustland verlaten gevonden. Zij werden opgenomen en door de openbare liefdadigheid opgevoed.De aandacht was eerst op die twee kinderen gevestigd geworden door de bewonderenswaardige gelijkenis, welke tusschen hen bestond. Zij hadden dezelfde gebaren, dezelfde stem, dezelfde gestalte, dezelfde lichaamshouding, dezelfde gelaatstrekken, en er kan bijgevoegd worden: zij hadden ook dezelfde geaardheid, die evenwel van eene vroegtijdige maar diepe verdorvenheid getuigde.Hoe werden zij opgevoed? Welk onderwijs viel hun ten deel?Dat wist niemand. Evenmin kon iemand aangeven tot welke verwantschap zij behoorden. Misschien stamden zij af van eene dier nomadische familieën, welke het land na de onafhankelijkheidsverklaring afliepen.Zoodra de gebroeders Texar, die door een onweerstaanbaren aandrift tot vrijheid, of beter tot ongebondenheid bezield werden, vermeenden zelf in hun onderhoud te kunnen voorzien, verdwenen zij uit de buurt waar zij opgevoed waren. Zij telden toen te zamen vier-en-twintig jaren.Van dat tijdstip af bestonden hunne middelen van bestaan uit de opbrengsten van de diefstallen, welke zij op de akkers en in de pachthoeven pleegden. Hier waren het vruchten, welke zij kaapten, elders ontvreemdden zij brood. Zoo bereidde hunne kindsheid en hunne jongelingschap hen voor, om later gewapenderhand tot plundering en tot rooftochten langs de groote wegen te kunnen overgaan en bewezen zij van die voorbereiding op uitmuntende wijze partij getrokken te hebben.Om kort te gaan, men zag hen niet meer terug in de Texaansche dorpen en gehuchten, waarin zij gewoon waren zich te vertoonen in gezelschap van boosdoeners, die toen reeds de gelijkenis der tweelingbroeders tot misdadige doeleinden aanwendden.Vele jaren gingen voorbij.De gebroeders waren spoedig vergeten; zelfs de naam van Texar wischte zich in de herinnering der inwoners uit. En hoewel die naam later eene betreurenswaardige vermaardheid in Florida zoude verkrijgen, bestond er niets, waaruit op te maken viel, dat zij hunne prille jeugd op de kustplaatsen van Texas hadden doorgebracht.Hoe zou dat ook anders hebben kunnen zijn, daar niemand sedert hunne verdwijning, ten gevolge van eene verstandhouding tusschen die beiden beraamd, ooit van twee Texars had hooren spreken. Het was zelfs door deze verstandhouding, dat zij de mogelijkheid gevonden hadden, om een menigte misdrijven te plegen, die zoo moeielijk ja onmogelijk te bewijzen schenen en daardoor straffeloos bleven.En inderdaad vernam men—toen later dat tweelingschap behoorlijk bewezen en vastgesteld was—dat die beide broeders gedurende een geruimen tijd, van hun dertig- tot hun veertigjarigen leeftijd van elkander gescheiden leefden. Zij trachtten een vermogen te verwerven, onverschillig op welke wijze. Zij ontmoetten elkander slechts uiterst zeldzaam en dan nog slechts wanneer zij er zeker van waren, dat geen oog hen kon bespieden. Die ontmoetingen hadden niet alleen in Amerika plaats, maar ook in ieder ander werelddeel, waarheen hen hun misdadig gesternte voerde.Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz. 203).Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz.203).Men vernam ook, dat de een of de andere—welke der twee kon niet bepaald worden, misschien waren zij beiden schuldig—het bedrijf van slavenhaler uitoefende. Zij voerden geheele ladingen slaven van de Afrikaansche kusten naar de Zuidelijke Staten vande Unie over, of beter gezegd, zij deden die overvoeren. Want bij dergelijke operatiën vervulden zij slechts de rol van middelaars tusschen de slavenhouders van het land en de kapiteins der vaartuigen, welke tot dien afschuwelijken, onmenschelijken handel gebezigd werden.Maakten zij zaken met dat afgrijselijke bedrijf? Niemand wist dat. Toch valt het te betwijfelen. Zooveel is zeker, dat die handel merkelijk verminderde en eindelijk geheel ophield, toen de slavenhandel, gebrandmerkt als eene daad van gruwelijke barbaarschheid, langzamerhand in de beschaafde landen afgeschaft werd. Toen waren de beide broeders wel verplicht, die soort van zaken op te geven.Intusschen was dat vermogen, hetwelk zij zoozeer wenschten te bezitten en dat zij het koste wat het wilde, poogden te bemachtigen, nog niet verworven en moest dat nog verdiend worden.Toen was het dat die twee gelukzoekers besloten, om hunne buitengewone gelijkenis te benutten.In de meeste gevallen gebeurt het, dat die gelijkenis van tweelingen zich later merkbaar wijzigt, wanneer de kinderen den volwassen leeftijd bereikt hebben.Met de beide Texars was dat geenszins het geval. Men kon niet zeggen dat hunne gelijkenis, naarmate zij in leeftijd vorderden, toenam of duidelijker werd, want dat was onmogelijk; maar zij bleef wat zij was, namelijk volmaakt, zoowel wat betreft het karakter als het uitwendige. Het was onmogelijk, ja totaal onmogelijk den een’ van den anderen te onderscheiden, niet alleen afgaande op de gelaatstrekken of den lichaamsbouw, maar ook op hunne gebaren of op de buiging hunner stem.De beide broeders besloten die natuurlijke bijzonderheid, welke hen beschoren was, te benutten, om de meest verfoeielijke daden te plegen. Zij hadden de mogelijkheid spoedig genoeg ingezien, dat wanneer een hunner beschuldigd werd, een alibi kon gesteld worden, om zijne onschuld aan het hem ten laste gelegde te bewijzen. Zij gingen daarbij dan ook zoo te werk, dat terwijl de een de vooraf besprokene misdaad volvoerde, de ander zich op de een of andere plaats in het publiek vertoonde en wel zoo, dat door middel van dat alibi de niet schuldigheidipse factobewezen was.Hier behoeft voorzeker niet bijgevoegd te worden, dat zij hunne geheele sluwheid aanwendden, om zich nimmer op heeterdaad te laten betrappen of te vatten. Natuurlijk zou zich de gevangene dan niet op een alibi kunnen beroepen, en dan zou het geheele goochelspel weldra ontdekt zijn.Toen de beide broeders zoo hun levensdoel vastgesteld hadden,vertrokken zij naar Florida, waar geen hunner bekend was. Wat hen daarheen lokte, dat waren de talrijke gelegenheden om in een Staat, alwaar de Indianen, de oorspronkelijke bewoners des lands, een hardnekkigen oorlog tegen de indringers, de Amerikanen en de Spanjaarden voerden, in troebel water te visschen.Het was in het jaar 1850 of 1851, dat de beide Texars voor het eerst op het Floridasche schiereiland verschenen. Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars; dat zou juister geweest zijn. Want overeenkomstig hun programma, werden zij nooit te zamen gezien. Nimmer ontmoette men hen beiden op denzelfden dag en op dezelfde plaats. Nimmer vernam iemand, dat twee personen van dienzelfden naam bestonden.Daarenboven, terwijl zij hunne personen aldus door een stipt volgehouden geheimzinnig waas omringden, hadden zij ook met veel zorg eene geheimzinnige verblijfplaats opgespoord, die hen op een gegeven oogenblik tot schuilplaats kon dienen.Zooals de lezer weet, hadden zij die in de Zwarte Kreek gevonden. Het centrale eiland in die halfvorming en het verlaten fortje ontdekten zij bij hunne nasporingen, welke zij langs de oevers der Sint John volvoerden. Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. Alleen Squambo de Indiaan was volledig ingelicht omtrent hun dubbel bestaan. Hij was vervuld met eene toewijding jegens de beide broeders, die elke beproeving tartte; daarenboven was hij bescheiden en wist te zwijgen, omtrent alles wat de beide Texars aanging; zoodat hij een uitmuntende vertrouweling was en ook als onverbiddelijke uitvoerder hunner wilsuitingen kon aangemerkt worden.De lezer zal wel begrepen hebben, dat de twee broeders zich nimmer te zamen in de Zwarte Kreek vertoonden. Wanneer zij de een of andere zaak te bepraten hadden, dan waarschuwden zij elkander schriftelijk. En men heeft kunnen bemerken, dat zij bij zulke gelegenheden zich niet van de post bedienden. Een briefje werd in een blad gerold, dat blad werd aan een tak van een tulpboom bevestigd, die in een naburig moeras van de Zwarte Kreek groeide; meer was niet noodig.Squambo begaf zich iederen dag, evenwel niet dan na de grootste voorzorgen genomen te hebben, naar die plek. Wanneer hij overbrenger was van een brief van diengeen der Texars, die in de Zwarte Kreek verblijf hield, dan bevestigde hij hem aan den tulpboom; wanneer het de andere tweeling was, die geschreven had, dan nam hij den brief van de vooraf besproken plaats en bracht hem naar het blokhuis.Die beide ellendelingen waren nog niet lang in Florida, of zijwaren in gemeenschap getreden met het liederlijkste gedeelte van de bevolking van het schiereiland. Vele boosdoeners werden hunne medeplichtigen bij tal van diefstallen, welke in dat tijdperk gepleegd werden. Die dieven en helers werden later hunne partijgenooten, toen de twee broeders besloten eene rol in den gruwelijken secessie-oorlog te spelen.Nu eens stelde zich de een, dan weer de ander aan het hoofd van den misdadigen troep, waarvan niemand in het minst vermoedde, dat twee personen dien naam van Texar voerden.Thans zal de lezer wel begrijpen, hoe bij de vervolging van zoo verscheidene misdaden, de beide Texars steeds zeer gevat zich op onwraakbare alibi’s konden beroepen, en waarom die als onweerlegbaar in de gedingen aangenomen moesten worden. Het was evenzoo gegaan met misdaden, die gedurende het tijdperk vóór het begin van deze geschiedenis bij het gerecht aangegeven waren, waar onder meer anderen de brandstichting eener pachthoeve moest gerekend worden.Hoewel master James Burbank en de mestiesche vrouw Zermah den Spanjaard bepaald als den dader van de brandstichting herkend hadden, was deze toch door de rechtbank van Sint Augustijn vrijgesproken, toen hij bewezen had, dat hij zich op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, te Jacksonville in de tienda van Torillo bevonden had. Dat werd toch door een groot aantal getuigen onder eede bevestigd.Zoo was het ook gegaan met betrekking tot de verwoesting van de plantage Camdless-Bay.Hoe zou het toch mogelijk geweest zijn, tegelijkertijd de plunderaars bij den stormaanval op Castle House aan te voeren en de kleine Dy en Zermah te ontvoeren, terwijl hij zich toen onder de krijgsgevangenen bevond, die de Federalisten te Fernandina gemaakt hadden en aan boord van een der oorlogsschepen van het noordelijk eskader in verzekerde bewaring gebleven waren?De krijgsraad was dus genoodzaakt geweest hem, in weerwil van de vele bewijzen, in weerwil van de getuigenis, door miss Alice Stannard onder eede afgelegd, vrij te spreken.En zelfs, al neemt men aan dat de beide Texars als dubbelgangers erkend werden, dan nog zou men zeer waarschijnlijk nimmer te weten komen, wie hunner persoonlijk de bedoelde misdaden pleegde of daaraan deelnam. Maar, waren zij, alles wel beschouwd, beiden niet evenzeer schuldig aan, evenzeer medeplichtig aan, evenzeer de voornaamste bewerkers van alle die aanslagen, die sedert zoovele jaren op het Floridasche grondgebied ten uitvoer gelegd werden?Voorzeker, en de straf, waartoe de een of de ander, of wel beiden verwezen zouden worden, zou wel verdiend zijn.Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz. 203).Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz.203).Wat de gebeurtenissen aangaat, die onlangs te Jacksonville voorgevallen waren, het was zeer waarschijnlijk, dat de beide broeders beurtelings dezelfde rol gespeeld hadden, nadat het rechtmatige gezag door den opstand van het gepeupel omvergeworpen was. Als Texar I de stad verliet, om een andere vooraf beraamde onderneming ten uitvoer te leggen, dan verving Texar II hem bij de uitoefening zijner waardigheid, en dat zonder dat hunne medeplichtigen of partijgangers omtrent die persoonsverwisseling eenige gissing koesterden.Hieruit mag dus besloten worden, dat zij beiden evenveel schuld hadden aan de uitspattingen, welke zoowel tegen de planters, die van de Noordelijke Staten afkomstig waren, als tegen hen, die in de Zuidelijke Staten geboren, den slavenhandel gunstig gestemd waren, gepleegd werden.Beiden waren, zooals de lezer wel zal begrijpen, steeds behoorlijk op de hoogte van hetgeen in de centrale Staten van de Unie voorviel. Zij hadden daardoor dan ook een zekeren invloed op de halfblanke bevolking, zoo ook op het schuim der bevolking verkregen. In de gegeven omstandigheden hadden zij veel briefwisseling, en herhaalde geheime samenkomsten met elkander moeten houden, ten einde omtrent de leiding hunner ondernemingen te beraadslagen. Daarna waren zij weer van elkander gegaan, ten einde hunne toekomstige alibi’s voor te bereiden.En zoo gebeurde het, dat terwijl de een op een oorlogsschip der Noordelijken krijgsgevangen zat, de ander op hetzelfde oogenblik den verwoestingstocht tegen Camdless-Bay aanvoerde. De lezer vernam hoe hij deswege door den krijgsraad van Sint Augustijn wegens het gestelde alibi van iedere vervolging ontslagen werd.Hiervoren werd reeds gezegd, dat die verwonderingbarende gelijkenis der twee broeders, door het vorderen in leeftijd ongeschonden was gelaten. Toch was het zeer goed mogelijk, dat een toeval van physieken aard, eene verwonding of iets dergelijks die gelijkenis zou kunnen verstoren, doordat den een of ander een merkbaar teeken zoude bedeeld worden. Zoo iets zou voldoende geweest zijn, om het welslagen hunner zaakbetrekkelijke spitsvondigheid in gevaar te brengen. En bij het avontuurlijke leven, hetwelk zij leidden, waarbij zij aan zoovele kwade kansen blootgesteld waren, liepen zij veel gevaar hier of daar eene verwonding op te doen, die, wanneer zij onherstelbaar ware, hen de mogelijkheid ontnomen had, voor elkander op te treden.Waren echter die toevallen herstelbaar, dan zou natuurlijk de gelijkenis daardoor niet te lijden hebben.Zoo gebeurde het eens dat een der Texars, korten tijd nadat zij in Florida aangekomen waren, diens baard door een geweerschot,hetwelk rakelings op hem afgevuurd was, verbrand werd. Dadelijk schoor zich de andere tweeling de kin kaal, om baardeloos als zijn broeder te zijn.Een ander feit, dat ook wel een nadere verklaring verdient. Men heeft voorzeker niet vergeten, dat Zermah op een nacht, terwijl zij nog in de Zwarte Kreek gevangen was, den Spanjaard zich den arm zag tatoueeren. Dat geschiedde omdat zijn tweelingbroeder eens bij een tocht door een bende Seminool-Indianen opgelicht en toen zoo met dat onuitwischbaar merk op den linkerarm geteekend was geworden. Deze had dadelijk eene nauwkeurige teekening van die tatoueering naar het fortje gezonden, waar Squambo haar even nauwkeurig had kunnen overbrengen. De identiteit onderling der beide tweelingen bleef dus ongeschonden.En waarlijk, het zou niet gewaagd zijn te verzekeren, dat wanneer Texar I een arm of een been kwijt raakte, Texar II niet aarzelen zou, zich het overeenkomstige lichaamsdeel te laten afzetten.Om kort te gaan, gedurende een groot tiental jaren gingen de gebroeders Texar voort dat dubbelgangersleven te voeren, maar zij gingen daarbij met zulke behendigheid, met zulke voorzichtigheid te werk, dat zij er in geslaagd waren aan alle vervolgingen van de Floridasche rechterlijke macht te ontkomen.Hadden de beide tweelingen met hunne bedrijven eenig vermogen verworven? Binnen zekere grenzen, ja. Eene vrij aanzienlijke som gelds, welke zij van de opbrengsten hunner diefstallen en plunderingen bespaard hadden, was in een geheim hoekje van het blokhuis in de Zwarte Kreek zorgvuldig opgeborgen. Dat geld was evenwel bij wijze van voorzorgsmaatregel door den Spanjaard medegenomen geworden, toen hij besloot naar het eiland Garneral af te reizen, en men kan er zeker van zijn, dat hij het niet in de wigwam zou achterlaten, wanneer hij genoodzaakt zoude worden, naar de overzijde van het Bahama-kanaal te vluchten.Dat vermogen scheen hen evenwel onvoldoende toe. Zij trachtten het dan ook te vermeerderen, alvorens er zonder gevaar hier of daar in Europa of Noord-Amerika van te gaan genieten.Daarenboven, toen zij vernamen dat de Commodore Dupont voornemens was om Florida weldra te ontruimen, was het den beiden broeders duidelijk geworden, dat de gelegenheid geopend zoude worden om zich nog meer te verrijken; want dan zouden zij de planters, die voor de Noordelijken gezind waren, die bezetting van weinige weken van Florida door de federalistische troepen, duur laten betalen. Zij besloten dus op zien komen te spelen. Wanneer zij maar eenmaal te Jacksonville terug zouden zijn, zouden zij met behulp van hunne partijgenooten en met behulp van allen, die zich door hunne sympathieën voor de Zuidelijken gecompromitteerdhadden, weldra den toestand weten te beheerschen en de standplaats hernemen, die zij bij een volksoploop veroverd hadden en die een volksoploop hen weergeven kon.De beide Texars hadden daarenboven nog een middel in hun bezit, een beproefd middel, om datgene te erlangen wat hen nog ontbrak om rijk te kunnen heeten, en zelfs rijker dan zij ooit gedroomd hadden.En inderdaad, waarom leenden zij het oor niet aan de voorstellen, welke Zermah aan een hunner gedaan had? Waarom haastten zij zich niet, de kleine Dy aan hare wanhopige ouders weer te geven? Master James Burbank zou voorzeker zijn geheele vermogen willen opofferen, om zijn arm kind terug te krijgen. Hij zou zich voorzeker wel willen verbinden, geen klacht in te brengen, geene vervolging jegens den Spanjaard uit te lokken.Maar bij de beide Texars had de haat grooter macht dan het eigenbelang. En waren zij er op uit om zich te verrijken, dan werd die wensch overheerscht door de gedachte, dat zij zich over de familie Burbank gewroken zouden hebben alvorens Florida te verlaten.De lezer weet thans alles wat hij nopens de broeders Texar weten moet. Wij kunnen thans tot de ontknooping van deze geschiedenis overgaan.Het zal onnoodig zijn mede te deelen, dat Zermah alles begreep, toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van die twee mannen bevond. Al het gebeurde van vroeger kwam haar oogenblikkelijk voor den geest. Zij stond daar ontzet, terwijl zij hen aankeek. Zij stond daar bewegingloos met het kleine meisje in hare armen, alsof hare voeten in den bodem wortel geschoten hadden. Gelukkig dat de meer frissche lucht in die kamer, ieder gevaar van verstikking van het kind verwijderd had.Maar de verschijning van de arme vrouw in tegenwoordigheid van de beide broeders, dat geheim hetwelk zij daar onverwachts ontdekt had, was een doodvonnis voor haar.Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz. 203).Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz.203).XIV.Zermah aan het werk.Hoezeer de beide Texars zich ook in gewone omstandigheden wisten te beheerschen, zoo was het hun thans onmogelijk om zich te bedwingen. Sedert hunne kindsheid als het ware, was het de eerste maal dat zij door een derde persoon te zamen gezien werden. En die persoon was hun ergste vijandin. Zij stoven dan ook in het eerste oogenblik van hunnen toorn op, zij wilden zich op haar werpen om haar te dooden, ten einde het geheim van hunnen dubbelgang te redden...Het kind had zich in de armen van Zermah opgericht en riep, terwijl het de kleine handjes uitstak:»Ik ben bang!... Ik ben bang!”Op een gebaar der beide broeders stapte Squambo vol ijver op de mestiesche vrouw toe, pakte haar bij de schouders en drong haar in hare kamer terug, waarvan de deur achter haar dichtklapte.Squambo keerde toen bij de beide Texars terug. Zijne houding duidde genoeg aan, dat hij slechts bevelen wachtte, dat hij uitvoeren zou wat men hem zou gelasten. Maar het onverwachte van dat tooneel had de beide broeders meer geschokt, dan men wel veronderstellen zou, wanneer men hun stoutmoedig en gewelddadig karakter in aanmerking nam. Zij raadpleegden elkander met den blik.Zermah was intusschen in een hoek van hare kamer gekropen, nadat zij het kind op de bladeren legerstede had neergelegd. Hare koelbloedigheid kreeg weer de overhand. Zij sprong op, naderde de deur om te kunnen hooren, wat thans gesproken zoude worden. Haar lot zou ongetwijfeld binnen weinige oogenblikken beslist zijn. Maar de beide Texars en Squambo waren buiten de wigwam getreden, zoodat hunne woorden haar oor niet meer konden bereiken.Ziehier evenwel welke gesprekken die drie aterlingen voerden:»Zermah moet sterven!”»Ja, dat moet!”»Wanneer zij er in slaagde te ontsnappen, of wanneer de Federalisten haar bevrijdden, dan waren wij reddeloos verloren. Zij sterve dus!”»Dadelijk!” antwoordde Squambo.En hij wilde reeds met een dolk in de hand op de wigwam toetreden, toen een der beide Texars hem tegenhield.»Laten wij nog wachten,” zei deze.»Wachten?”»Ja, wij zullen altijd Zermah kunnen doen verdwijnen, niet waar? Thans zijn hare zorgen noodig voor het kind; ten minste tot zoolang wij haar niet door eene andere vervangen zullen hebben... Laten wij beginnen met ons rekenschap van den toestand te geven. Volgens een bevelschrift van den Commodore Dupont doorkruist thans een detachement der Noordelijke marinetroepen het cypressenbosch. Welnu, laten wij eerst de omstreken van het eiland en van het meer doorzoeken. Niets bewijst dat die troepenafdeeling, welke naar het zuiden marcheert, herwaarts zal komen. Wanneer het hierheen komt, dan is het tijd om te vluchten. Richt het zijn marsch niet naar dezen kant, dan blijven wij stil hier en laten hen de moeraslanden van Florida verder binnentrekken. Daar zal het aan onze genade of ongenade overgeleverd zijn; want wij zullen dan den tijd hebben om het grootste gedeelte der militie-troepen, die op het grondgebied ronddolen, bijeen te verzamelen. Wij zullen hen, in plaats van te vluchten, dan vervolgen; wij zullen dat met goed gevolg kunnen, want wij zullen dan verreweg de overmacht hebben. Wij zullen hen den terugtocht afsnijden en... zijn er ettelijke zeelieden aan het bloedbad van Kissimmee ontsnapt, hier in de Everglades zal geen enkele Noordelijke den noodlottigen dans ontkomen.”In de gegeven omstandigheden was dat wel de beste partij die te kiezen was. Een groot aantal aanhangers der Zuidelijken waren thans in de streek vereenigd en wachtten slechts op eene gelegenheid om tegen de Federalisten op te treden. Wanneer een der Texars met zijne makkers de omstreken zoude verkend hebben, dan zou besloten kunnen worden, of zij het eiland Garneral zouden kunnen blijven bezetten, of dat zij naar de omstreken van de Zandkaap zouden terugtrekken. Dat zou men den volgenden dag reeds weten.Wat Zermah betreft, daaromtrent was men het eens. Onverschillig welken uitslag de verkenningstocht zoude hebben, Squambo zou de opdracht ontvangen, zich door middel van een dolkstoot van hare stilzwijgendheid te verzekeren.»Wat het kind betreft,” ging een der tweelingen voort, »het is van het grootste belang voor ons, dat het in het leven blijft. Het meisje heeft onmogelijk gevat, wat Zermah begrepen heeft. Zij kan den prijs van ons losgeld worden, voor het geval wij in handen van kapitein Howick vallen. Om zijn dochtertje terug te hebben, zou master James Burbank ieder voorstel aannemen, dat ons in het hoofd zoude komen om hem op te leggen; niet alleen zijne borgstelling; voor onze straffeloosheid, maar ook de prijs waarop wij de invrijheidstelling van zijn kind zouden bepalen.”»Maar is het niet te vreezen,” vroeg de Indiaan, »dat wanneer Zermah dood zal zijn, het kleintje bezwijken zal?”»Neen,” antwoordde een der Texars.»Waarom niet?”»Omdat het kind geene zorgen zullen ontbreken.”»Hoe zoo? Verklaar u nader.”»Wel, ik zal gemakkelijk eene Indiaansche vinden, die de mestiesche wel zal vervangen.”»Het zij zoo. Waar het vooral op aan komt, is, dat wij niets meer van Zermah te duchten hebben.”»Juist.”»Welnu, wat er ook gebeure, zij zal weldra den laatsten snik gegeven hebben.”Met die woorden werd het gesprek der tweelingen besloten.Zermah hoorde hen binnen de wigwam wederkeeren.Maar welken nacht bracht de rampzalige vrouw door!Zij wist dat zij veroordeeld was; maar zij dacht aan zich zelve niet. Omtrent haar lot bekommerde zij zich al heel weinig; zij was met de gedachte vertrouwd, steeds gereed te zijn haar leven voor hare meesters veil te hebben.Maar dacht zij niet aan zich zelve, dan dacht zij des te meer aan de kleine Dy. Wat zou van het teere schepseltje worden, wanneer zij verlaten achterbleef te midden van die meedoogenlooze kerels. En al nam zij ook al aan, dat die ellendelingen er belang bij hadden, dat het kind bleef leven, zou het tengere meisje niet bezwijken, wanneer Zermah er niet meer zou zijn, om haar hare zorgen te wijden?Die gedachte, of wel die vraag werd eene ware marteling voor haar. Zij kon haar niet verdrijven. Zij keerde steeds hardnekkig weder. Onbewust werd zij ten gevolge van die hardnekkigheid door eene andere gedachte ingenomen, als het ware bezeten, namelijk deze: dat zij vluchten wilde, vóórdat Texar haar van het kind zoude gescheiden hebben.De rampzalige mestiesche vrouw dacht gedurende dien eindeloozen nacht aan niets anders dan aan de uitvoering van dat plan.Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz. 215).Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz.215).Intusschen, van het afgeluisterde gesprek was haar bijgebleven, dat een der beide Texars den volgenden ochtend de omstreken van het meer met zijne metgezellen zou gaan verkennen. Klaarblijkelijk was men van meening, het federalistisch detachement weerstand te bieden, wanneer men het ontmoette. Maar de mogelijkheid moest daartoe bestaan. En om die mogelijkheid bestaanbaar te maken, zou Texar zich doen vergezellen zoowel door zijn geheele personeel als door de partijgangers zijns broeders. Deze laatste zou alleen op het eiland achterblijven ongetwijfeld, zoowel om niet herkend te worden en het geheim van den dubbelgang niet te verraden, als om de wigwam te bewaken.Dan zou Zermah pogen te ontvluchten. Misschien zou zij er in slagen, een of ander wapen te vinden of te bemachtigen, en was dat het geval... dan zou zij bij voorkomende gelegenheid, wanneer de nood daartoe dwong, niet aarzelen er gebruik van te maken.De nacht spoedde onder deze overdenkingen en bij het beramen van deze plannen ten einde.Tevergeefs had Zermah beproefd eenige gevolgtrekking te bouwen op de verschillende geluiden, welke op het eiland vernomen werden. En onbestemd werkte de hoop daarbij mede, welke zij koesterde, dat de troep van kapitein Howick kon aankomen om zich van Texar meester te maken.Weinige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag, ontwaakte het kind, hetwelk een weinig rust genoten had. Zermah reikte haar wat drinkwater toe, hetgeen haar scheen te verkwikken. Daarna keek zij het kind met eene aandacht aan, alsof zij het niet meer zou weerzien en sloot het onstuimig aan hare borst. Wanneer iemand in dit oogenblik binnengetreden was, met het doel haar van het kind te scheiden, dan zou zij het met de verwoedheid van een wild dier, waaraan men zijne welpen ontnemen wil, verdedigd hebben.»Wat is er toch, goede Zermah?” vroeg het kind.»Niets... niets!” prevelde de arme vrouw.»Jawel, er scheelt u iets. Kom zeg het mij, wat is het?”»Neen, niets Dy, niets!”»En mama...”»Mama, vraagt ge?”»Ja, Zermah, wanneer zullen wij die weerzien?”»Weldra,” antwoordde de mestiesche aarzelend.»Weldra?” vroeg het kind met nadruk.»Ja, weldra... misschien heden nog... Ja lieve... Ik hoop dat wij heden verre zullen zijn...”»En die mannen, die ik hedennacht gezien heb?...”»Hebt ge die mannen goed bekeken, Dy?” vroeg Zermah.»Ja... maar o! wat was ik bang voor hen!”»Maar gij hebt ze toch goed bekeken?”»Ja zeker.”»Hebt gij opgemerkt, hoezeer ze op elkander geleken?”»Ja, Zermah!”»Welnu, onthoud dat goed. Vergeet niet aan uwen vader, aan uwen broeder te zeggen: dat het twee broeders zijn... hoort ge: twee broeders Texar, die zoodanig op elkander gelijken, dat men hen niet onderscheiden kan.”»Maar gij zult dat ook zeggen, niet waar?” vroeg het kind.»Ja... ik zal dat ook zeggen... Maar, intusschen... mocht ik er niet zijn, dan moogt gij dat niet vergeten, hoort ge?...”»En waarom zoudt gij er niet zijn?” vroeg het arme kind, terwijl zij hare armpjes om den hals der mestiesche vrouw sloeg. »Waarom zoudt gij er niet zijn?”»Ik zal er ook zijn, ja, zeker zal ik er zijn, mijn lief kind,” hernam Zermah met stokkende stem.»Dan is het goed.”»Maar, daar wij, wanneer wij vertrekken, een langen weg af te leggen hebben... zult gij krachten moeten opdoen. Kom, ik zal uw ontbijt gereed maken. En dan moet gij u eens flink te goed doen.”»En gij?”»O, ik heb ontbeten terwijl gij sliept, lieve. Waarlijk, ik heb geen eetlust meer.”De waarheid was, dat Zermah onmogelijk eten kon, al was het nog zoo weinig, in den toestand van opwinding, waarin zij zich bevond.Na ontbeten te hebben, ging het kind weer op hare legerstede van bladerenliggenen sliep een poos in.Zermah nam toen plaats bij eene opening of eene reet, welke in den hoek van het vertrek tusschen het riet van de gevlochten omwanding bestond. Van uit dien hoek sloeg zij gedurende een vol uur alles gade, wat daarbuiten voorviel. En dat zij dat met de grootste stiptheid volvoerde, is te begrijpen, daar dat voor haar van het grootste belang kon zijn.Alras bemerkte zij, dat men daar voorbereidende maatregelen tot vertrek trof.Een der broeders Texar—een enkele slechts—liet zich zien en gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep, die het cypressenbosch onder zijne leiding zoude onderzoeken. De andere, wien niemand gezien had, hield zich waarschijnlijk in de wigwam of op eene plek elders op het eiland verborgen.Zoo dacht Zermah er ten minste over, nu zij met hun geheim bekend was en nu zij kon gissen, welke zorg zij aan den dag legden, om hun dubbelgang verborgen te houden. Zij begreep ten volle daarenboven, dat hem der beide broeders, die op het eiland achterbleef, de taak ten deel viel, om het kind en haar te bewaken.Zermah vergiste zich niet, zooals de lezer weldra bemerken zal.De partijgangers en slaven waren intusschen bijeen geroepen en stonden—een vijftigtal sterk—voor de wigwam, de bevelen van hun opperhoofd af te wachten.Het was ongeveer negen uur in den ochtend, toen de troep aftrok en zich naar den rand van het bosch begaf. Het vereischte evenwel eenigen tijd alvorens dien te bereiken, daar de pont, welke hen overvoeren moest, slechts vijf of zes man te gelijk kon overzetten. Zermah zag hen met kleine groepen in het vaartuig afdalen en tegen den anderen oever opklimmen. Van haar standpunt achter de gevlochten omwanding, kon zij niet bemerken hetgeen op de oppervlakte van het kanaal, dat veel lager dan het maaiveld van het eiland gelegen was, voorviel.Texar, die tot het laatst achtergebleven was, verdween op zijne beurt, gevolgd door een zijner honden, welks instinct hij bij de expeditie wenschte te benutten. De andere waakhond keerde op een wenk van zijn baas naar de wigwam terug, alsof hij alleen met de bewaking daarvan belast ware.Een oogenblik later zag Zermah Texar den tegenovergestelden oever beklimmen, alwaar hij zich voor een oogenblik ophield om zijn troep behoorlijk op te stellen.Daarna verdwenen allen met Squambo, de Indiaan, die door den speurhond vergezeld was, aan het hoofd, achter de reusachtige rietstengels van den oever en tusschen de struiken en onder de kruinen van het bosch.Een der negers had voorzeker de pont naar de overzijde teruggevoerd, om te beletten dat iemand naar het eiland zou kunnen oversteken. De mestiesche vrouw kon het vaartuig evenwel niet ontwaren en moest in de meening verkeeren, dat het den oever van het kanaal gevolgd had.Toen aarzelde zij niet meer.De kleine Dy was zooeven wakker geworden. Haar vermagerd lichaampje was pijnlijk om aan te zien onder hare kleertjes, die ten gevolge der doorgestane vermoeienissen zeer veel geleden hadden en op vele plaatsen deerlijk versleten waren.»Kom, lieve,” zei Zermah.»Waarheen?”»Kom maar.”Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz. 219).Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz.219).»Ik wou toch weten waarheen, goede Zermah,” herhaalde hetmeisje met zachte stem, maar toch met een soort van eigenzinnigheid, aan kinderen zoo eigen.»Daarheen... daar in het bosch... Daar zullen wij waarschijnlijk uw vader en uw broeder aantreffen.”»O, dat is heerlijk!” kreet Dy.»Shut!... Zachter!... Maar Dy, zult ge niet bang in dat bosch zijn?”»Zeker niet! Als ik bij u ben, goede Zermah, ben ik nooit bang.”»Kom dan.”De zelfopofferende vrouw opende toen met de meest mogelijke voorzorgen de deur. Daar zij geen gerucht in het belendende vertrek vernomen had, kon zij veronderstellen, dat Texar niet in de wigwam was.En inderdaad, er was niemand.Al dadelijk keek Zermah naar eenig wapen uit, dat zij gebruiken kon, en waarvan zij ook vast besloten was gebruik te maken, wanneer iemand haar het vluchten zou willen beletten. Op de tafel bespeurde zij een van die dolken met breed lemmet, waarvan de Indianen zich bij hunne jachtpartijen bedienen. Zij greep dien dolk en verborg hem onder hare kleeding. Zij nam ook eenige reepen gedroogd vleesch mede, die hare voeding gedurende eenige dagen moesten uitmaken.Thans kwam het er op aan om de wigwam te verlaten. Zermah tuurde door de reten van de gevlochten omwanding in de richting van het kanaal. Geen enkel levend wezen bewoog zich op dat gedeelte van het eiland; zij zag zelfs den speurhond niet, die tot bewaking van de woning achtergelaten was.Eenigermate gerustgesteld poogde toen de mestiesche vrouw de buitendeur te openen. Deze evenwel bood aan die poging weerstand; zij was aan den buitenkant gegrendeld.Zermah keerde toen dadelijk met het kind naar hare kamer terug. Er bleef haar toen niets anders te doen over dan het gat te benutten, dat reeds in de omwanding bestond en onder hare vingeren reeds eenigszins verwijd was.Die arbeid was niet moeielijk. De koene vrouw kon den dolk gebruiken om de bindrotting door te snijden, welke het vlechtwerk te zamen bond. Zij vorderde dan ook spoedig, zonder merkbaar gerucht te maken.Maar al bespeurde Zermah den waakhond thans niet, zou dat ook zoo blijven, wanneer zij naar buiten zou treden? Zou het dier dan niet toeijlen, om zich op haar en op het kind te werpen? Als zij daaraan dacht, dan scheen het haar verkieselijker toe, een tijger te ontmoeten.Toch mocht zij niet aarzelen. Toen het gat in de omwandinggroot genoeg was, trok zij het kind tot zich en drukte het met eene hartstochtelijke beweging aan de borst. Wederkeerig kuste en liefkoosde het meisje haar met innigheid. Zij had begrepen dat zij vluchten moesten, vluchten door dat gat.Zermah kroop door de gemaakte opening. Eerst keek zij scherp links en rechts uit, en luisterde aandachtig. Geen enkel geluid werd vernomen. Toen kroop de kleine Dy door het gat.In dit oogenblik liet het hondengeblaf zich hooren. Het scheen zeer verwijderd van den westkant van het eiland te komen. Zermah had het kind gegrepen. Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. Zij begreep dat aan geene betrekkelijke veiligheid te gelooven viel, alvorens zij achter de rietbosschen op den anderen oever zoude verdwenen zijn.Maar het moeielijkste en gevaarlijkste van de geheele onderneming was, de ruimte van ongeveer honderd pas zee over te steken, welke de wigwam van het kanaal scheidde. Men liep er groote kans om door Texar of door een der slaven, die op het eiland achtergebleven waren, bespeurd te worden.Gelukkig verhief zich rechts van de wigwam een dicht boschje van boomachtige struiken, met biezen vermengd, hetwelk zich tot op den oever van het kanaal, tot op weinige meters slechts van de plek waar de pont moest liggen, uitstrekte.Zermah besloot, zich te midden van den dichten plantengroei van dat boschje te begeven, en weldra had zij dat voornemen uitgevoerd. De meer dan twee meter hooge gewassen verleenden doortocht aan de beide vluchtelingen, en hun gebladerte sloot zich achter haar aan elkander. Van hondengeblaf werd niets meer vernomen.Dat sluipen door die struiken geschiedde evenwel niet zonder moeite en inspanning. De arme schepsels moesten zich soms tusschen de dunne stammen en takken der boompjes, die slechts eene betrekkelijke ruimte aanboden, als het ware wringen. Weldra waren de kleeren van Zermah aan flarden gescheurd en waren hare handen vol bloed. Maar wat kon haar dat schelen! Als zij er maar in slaagde het kleine kind te vrijwaren voor de scherpe lange doornen, welke die gewassen in groote menigte overdekten. Die prikken, die verwondingen konden der moedige vrouw geen kreet, zelfs geen gebaar van pijn afdwingen. Toch gebeurde het dat, in weerwil van hare opoffering, in weerwil van hare zorgen, de kleine Dy aan handjes en armpjes verwond werd. Maar het lieve kind liet geen klacht hooren.Hoewel de af te leggen afstand slechts kort was, een zestig meter ongeveer, was er toch een vol half uur noodig om den oever van het kanaal te bereiken.Zermah hield toen halt en tuurde tusschen de biezenstengelsdoor, eerst in de richting van de wigwam, daarna in de richting van het woud.Niemand werd onder het hoog geboomte van het eiland ontwaard. Ook op den anderen oever werd niets bespeurd van Texar en zijne makkers, die zich toen op een afstand van een of twee mijlen in het innerlijke van het bosch moesten bevinden. Wanneer zij geene ontmoeting met de Noordelijken hadden, dan zouden zij niet dan over ettelijke uren naar het eiland wederkeeren.Intusschen kon Zermah nog maar niet gelooven, dat zij in de wigwam alleen achtergelaten was. Het was toch ook niet te veronderstellen, dat die der beide broeders Texar, welke daags te voren met een troep partijgenooten aangekomen was, het eiland dienzelfden nacht verlaten had, noch dat de hond hem gevolgd was. Daarenboven, de arme vluchtelinge had het geblaf duidelijk gehoord en was dat voor haar een bewijs, dat de speurhond nog tusschen de struiken ronddoolde. Ieder oogenblik kon zij den een of den ander zien te voorschijn komen; misschien was het mogelijk, wanneer zij zich haastte, het Cypressenbosch te bereiken.De lezer zal voorzeker niet vergeten hebben, dat Zermah, terwijl zij den overtocht van het kanaal door de makkers van den Spanjaard bespiedde, zij door de hoogte van de biezen, die op de oevers groeiden, en ook door de verhevenheid der oevers zelven, de pont niet had kunnen zien, wanneer die overvoer.Nu twijfelde Zermah er niet aan, dat die pont door een der slaven naar het eiland teruggebracht was. Dat kwam haar voor de veiligheid van de wigwam noodzakelijk voor, voor het geval dat de soldaten van kapiteinHowicker in slaagden de Zuidelijken om te trekken.En toch was het ook mogelijk, dat de pont bij den tegenovergestelden oever gebleven was. Dat kon voorzichtig heeten, om den terugtocht van Texar en de zijnen te verzekeren, wanneer zij door de Federalisten op den voet achtervolgd werden. De arme vrouw bedacht dat thans ook.... Maar wat zou zij in dat geval moeten doen, om den anderen oever te bereiken? Zou zij dan eene schuilplaats te midden van de wildernis zoeken? En zou zij daar moeten wachten totdat de Spanjaard verjaagd werd en naar de Everglades zoude vertrekken, om zich daar te bergen?Maar al besloot hij daartoe ook, dan zou hij niet daartoe overgaan zonder al het mogelijke in het werk gesteld te hebben, om Zermah en het kind weer te vinden. Alles zou dus daarin alleen eene oplossing vinden, indien de vluchtelinge de pont vond, om daarmede het kanaal over te steken.Zermah sloop over eene uitgestrektheid van vijf of zes meters tusschen de biezen door. Bij den oever gekomen, bleef zij staan....De pont bevond zich aan de overzijde.“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz. 224).“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz.224).XV.De beide broeders.De toestand was voorwaar wanhopig. Hoe toch dat kanaal over te steken? Een koene zwemmer zou zich niet te water kunnen begeven zonder gevaar te loopen twintig malen het leven er bij in te schieten. Ja, het is waar, het kanaal was slechts een honderd voet breed, van den eenen oever tot den anderen gemeten. Maar toch was de overtocht zonder vaartuig onmogelijk. Hier en daar toch staken driekante koppen boven het water uit en men kon de waterplanten onder den druk der kruipende dieren zien bewegen.De kleine Dy, schier waanzinnig van angst, sloot zich dicht tegen Zermah aan. O, wanneer het voldoende geweest ware om het kind te redden, dat de mestiesche vrouw zich te midden van die monsters te water begaf, die haar als eene reusachtige poliep met hare duizenden vangarmen zouden aangevat en omkronkeld hebben, inderdaad zij zou geen oogenblik geaarzeld hebben!Maar om hier redding aan te brengen, zou waarlijk de tusschenkomst der Voorzienigheid noodig zijn. Ja, der Voorzienigheid; want hier kon God slechts helpen! Zermah zag geen heil meer dan in en door Hem. Zij knielde neer op den oever en smeekte de Almacht, die alles en dus ook het toeval in zijne hand heeft en waarvan Hij zich meestal bedient als uitvoerder van zijn Goddelijken wil.Intusschen konden van het eene oogenblik tot het andere eenige der makkers van Texar uit den rand van het woud te voorschijn treden. Ook kon die Texar, welke op het eiland achtergebleven was, naar de wigwam terugkeeren. Hij zou Dy en Zermah missen en dadelijk zijne nasporingen beginnen....»O God...”zuchttede rampzalige vrouw. »Mijn God hebt toch medelijden.”Hare blikken zwierven zoekend rond, terwijl zij zoo bad.... Plotseling vestigde haar oog zich naar den rechter-oever van het kanaal.Het water stroomde zachtkens naar het noordelijk gedeelte van het meer, waar eenige spruiten vlieten van deCaloosahatchee, een der riviertjes, die in de Golf van Mexico uitmonden, maar waardoor het meer Okee-cho-bee, bij de groote maandelijksche springvloeden watertoevoer krijgt.Een boomstam, die met den stroom afdreef, was met een tak aan den wal blijven haken. Zou die stronk niet dienen kunnen om het kanaal over te steken? Door den invloed van een bocht, zette de stroom toch naar de overzijde en zou hen tot bij het Cypressenwoud voeren. Dat was te beproeven. In ieder geval, al dreef die boomstam ook weer naar het eiland terug, dan zou de toestand niet erger kunnen worden dan hij reeds was.Zonder verder nadenken en als bij instinct ijlde Zermah op den drijvenden boomstam toe. Wanneer zij tijd tot overwegen had genomen, dan ware zij waarschijnlijk teruggedeinsd bij de gedachte, dat waterplanten dat vervoermiddel konden weerhouden in het midden van het kanaal, waarin slangen en ander ongedierte als het ware krioelden. Jawel! Jawel! maar alles, hoe vreeselijk ook was te verkiezen boven het verblijven op het eiland! Zermah greep dan ook Dy, tilde haar op, en na zich goed met de eene hand aan de takken vastgegrepen te hebben, werkte zij den boomstam van den oever los.Deze volgde onmiddellijk den stroomdraad en toonde neiging naar den anderen oever over te trekken.Zermah poogde intusschen zich te midden der takken van den gevallen woudreus te verbergen. Dat was zoozeer niet noodig, daar de beide oevers van het kanaal eenzaam en verlaten waren. Geen geluid, noch van den kant van het eiland, noch van den kant van het Cypressenwoud, werd vernomen. De mestiesche vrouw zou, wanneer zij maar eenmaal het kanaal overgetrokken was, wel eene schuilplaats tot het vallen van den avond vinden, totdat zij zonder gevaar van ontdekt te worden, het bosch zou kunnen binnendringen. De hoop was in haar hart weergekeerd. Zij dacht ternauwernood meer aan de slangen, welker koppen ter weerszijden van den boomstronk gezien werden en die tot in de lage takken kropen en wiemelden. Het kleine kind had van angst de oogen gesloten. Zermah klemde haar met de eene hand tegen hare borst, met de andere hield zij zich gereed op die monsters toe te steken. Maar, hetzij dat die ondieren verschrikt op het gezicht van den dolk, die hen dreigde, hetzij dat zij slechts onder water te duchten waren, zij klommen niet tegen den boomstam op.Eindelijk bereikte de drijvende stronk het midden van het kanaal, vanwaar de stroom schuins naar het Cypressenwoud overstak. Wanneer hij niet in de waterplanten verward raakte, dan zou hij,alvorens een kwartier verloopen zoude zijn, den anderen oever bereikt hebben. En dan... dan... hoe groot en menigvuldig de gevaren dan ook nog waren, dan waren zij, volgens berekening van Zermah, buiten het bereik van Texar.Plotseling klemde de arme vrouw het kind steviger in hare armen.Verwoed geblaf werd plotseling op het eiland vernomen. Bijna onmiddellijk daarop verscheen een hond op den oever van het kanaal, dien hij in vollen ren volgde.Zermah herkende den speurhond, die door den Spanjaard ter bewaking van de wigwam achtergelaten was.Ter gewilde hoogte gekomen, scheen de hond met overeindstaande haren, met van woede flikkerende oogen, gereed te zijn, in het water te springen, in weerwil van de slangen, die aan de oppervlakte wiemelden.In dat oogenblik verscheen een man op den oever van het eiland.Dat was die der twee Texars, die achter gebleven was. Door het geblaf van den hond gewaarschuwd, kwam hij aangeloopen.Welke woede hem bezielde, toen hij Dy en Zermah op dien boomstam drijvende zag, is onmogelijk te beschrijven. Hij kon hen niet achtervolgen, omdat de pont aan de overzijde van het kanaal vastgemaakt lag. Om haar weer in handen te krijgen, bestond maar één middel, namelijk Zermah te dooden, op gevaar af ook het kind op te offeren. Texar had bij het vernemen van het hondengeblaf in der haast een geweer gegrepen. Dat wapen bracht hij thans aan den schouder en mikte op de mestiesche vrouw, die het kleine kind met haar lichaam poogde te dekken.Plotseling sprong de hond, die aan eene doldriftige opwinding ten prooi was, in het kanaal. Texar was van meening, dat hij dien maar al vast moest laten begaan.De hond zwom met spoed naar den boomstam. Zermah hield het gevest van den dolk in hare vastklemmende hand en was gereed toe te stooten... Dat was evenwel niet noodig.In een ondeelbaar oogenblik hadden de slangen den hond, in weerwil dat hij hunne giftige beten met zijne machtige tanden poogde te beantwoorden, omkronkeld en verdween hij weldra onder de waterplanten.Texar had den dood van zijn hond moeten aanzien zonder hem hulp te kunnen bieden... Zermah was op het punt te ontsnappen.»Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij.Andermaal bracht hij het geweer aan den schouder, mikte gedurende een zeer korte poos en vuurde, maar de boomstam raakte juist in dat oogenblik den overoever en schokte hevig, waardoor de kogel der mestiesche vrouw slechts licht aan den schouder kwetste.De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz. 230).De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz.230).Weinige seconden later lag de boomstam zoo dicht langs denoever, dat Zermah met het kind in hare armen op den oever sprong en te midden van de dichte bergen verdwenen was. Natuurlijk was het geheel overbodig, haar een tweeden kogel na te zenden. Die zou haar toch niet geraakt hebben. In weinige oogenblikken had zij het uitgestrekte cypressenwoud bereikt.Intusschen, al had de mestiesche vrouw niets meer te vreezen van diengeen der twee Texars, die op het eiland achtergebleven was, zoo sloot dat de mogelijkheid niet uit, dat zij diens broeder ontmoeten en in zijn handen vallen kon.Hare eerste zorg was dan ook, om zich zoo spoedig en zoo ver mogelijk van het eiland Garneral te verwijderen. Wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, zou zij hare schreden naar het Washington-meer richten. En te baat nemende alles wat zij aan lichamelijke kracht en zedelijke geestkracht bezat, liep, vloog zij eerder dan dat zij voortstapte, waarbij zij, terwijl zij het kind, dat haar niet zou kunnen volgen zonder haar te vertragen, op de armen droeg, op goed geluk de een of andere richting insloeg. De kleine en nog zwakke beentjes van Dy zouden haar lichaam niet hebben kunnen torsen, wanneer zij over dien ongelijken bodem had moeten voortstappen, te midden van de moeraskuilen, die allerwege aangetroffen werden en die, als waren het wolfskuilen voor het oog verborgen, zeer gevaarlijk waren, te midden van die boomstronken en wortelknoesten, die wild en woest door elkander gegroeid, even zoovele onuitwarbare hinderpalen vormden.Zermah stapte dus voort met haren dierbaren last op hare armen, waarvan zij de zwaarte niet scheen te achten. Soms stond zij stil—niet zoozeer om weer bij adem te komen, dan wel om het oor te spitsen, ten einde al de geluiden van het woud waar te kunnen nemen.Nu eens meende zij geblaf te hooren en zou dat van geen ander dier afkomstig zijn, dan van den anderen speurhond, die door Texar medegenomen was; dan weer vernam zij in de verte geweerschoten. Zij vroeg zich dan af, of de partijgangers der Zuidelijken niet handgemeen waren met het federalistisch detachement. Maar wanneer zij dan later inzag, dat al die geluiden slechts veroorzaakt werden òf door den een of anderen nabootsenden vogel, òf door het knappen van droge takken, die door het afbreken hunner vezels een knal als van een pistoolschot lieten vernemen, dan hervatte zij haren slechts voor een poos gestoorden marsch.Thans nu zij met hoop bezield was, wilde zij, vóórdat zij de bronnen der Sint John-rivier bereikt had, geen der gevaren zien, die haar bedreigden.Zoo stapte zij gedurende een vol uur moedig en vastberaden in oostelijke richting voort, waarbij zij zich van het meerOkee-cho-beeverwijderde, ten einde dichter bij den Atlantischen Oceaan te geraken. Zij redeneerde alzoo en met reden: dat de vaartuigen van het smaldeel van den Commodore Dupont op de kusten van Florida zouden kruisen, om het detachement af te wachten, hetwelk onder de bevelen van kapitein Howick naar den wal gezonden was. En zou het nu onder die omstandigheden onmogelijk geacht kunnen worden, dat eenige sloepen langs die kust op brandwacht lagen?...Zermah bleef plotseling stil staan. Neen, ditmaal vergiste zij zich niet. Een woedend geblaf werd onder het geboomte van het woud vernomen en naderde, naar het geluid te oordeelen, zeer snel. Zermah herkende de stem van het dier, die zij zoo dikwijls gehoord had, wanneer de beide speurhonden rondom het blokhuis in de Zwarte Kreek doolden.»O God,” dacht zij, »die hond is ons op het spoor, en Texar kan thans niet meer ver af zijn.”Haar eerste zorg was dan ook, naar eenig dicht struikgewas uit te zien, om zich daarin met het kind te verschuilen. Maar zou zij aan het reukorgaan van een dier ontsnappen, dat zoo slim als wreedaardig en daarenboven op de jacht der gevluchte slaven gedresseerd was en hen dadelijk op het spoor kwam?Het geblaf naderde al meer en meer, en weldra werd in de verte reeds geschreeuw vernomen.Een oude cypresboom, welks stam door ouderdom uitgehold was en waaromheen de klimplanten en de banen een dik kleed van groen gevlochten hadden, verhief zich op een kleinen afstand van daar.Zermah verborg zich in allerijl in die uitholling, welke ruim genoeg was, om haar en het meisje te bevatten. Toen zij er ingekropen waren, vielen de lianenstengels en klimopranken als een gordijn voor de opening neder.Maar de speurhond was haar op het spoor. Slechts weinige minuten later ontwaarde Zermah hem voor de opening. Hij blafte met klimmende woede en ijlde met een sprong vooruit, om de opening binnen te dringen.Een dolkstoot deed hem afdeinzen, terwijl hij verschrikkelijk jankte.Bijna onmiddellijk daarna werd het geluid van voetstappen vernomen; herhaaldelijk geroep en het antwoord daarop weerklonk door het bosch, en onder de stemmen, die zich het meest deden gelden, kwamen die van Texar en van Squambo het duidelijkst uit.Het waren inderdaad de Spanjaard en zijne makkers, die het meer trachtten te bereiken, om aan het federalistisch detachement te ontsnappen. Zij hadden dat plotseling in het cypressenbosch ontmoet; maar daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden, hadden zij in allerijl den terugtocht aangenomen. Texar poogde het eilandGarneral langs den kortsten afstand te bereiken, om het breede kanaal tusschen hem en de federalisten te stellen. Daar deze dat breede vaarwater niet zonder vaartuig zouden kunnen oversteken, zouden zij door dien hinderpaal opgehouden worden. Dan zouden de partijgenooten van Texar van dat oogenblik van uitstel gebruik maken, om den anderen oever van het eiland te bereiken, om vandaar, wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, de pont te gebruiken, om op den zuidelijken oever van het meer te ontschepen.Toen Texar en Squambo bij den cypressenboom waren aangekomen, waarvoor de hond nog steeds stond te janken, zagen zij bloedvlekken op den grond, en bij nader inzien bespeurden zij, dat het dier belangrijk in de zijde verwond was.»Die hond is gekwetst,” riep Texar.»Ja, door een messteek, en dat nog slechts weinige oogenblikken geleden. Kijk, het bloed rookt nog.”»Wie zou dat...?”In dit oogenblik sprong de hond weer op het gordijn van groen terug, dat Squambo met zijn geweer optilde.»Zermah!” riep hij uit.»En het kind!” schreeuwde Texar. »Hoe hebben zij kunnen ontvluchten? Ter dood, dat wijf ter dood!”De uitgeputte vrouw werd door Squambo ontwapend op het oogenblik, dat zij op Texar toesteken wilde. Daarna werd zij zoo woest en wild uit hare schuilplaats gesleurd, dat het kind haar ontviel en te midden van die reuzen-paddestoelen rolde, te midden van die perisen, welke zoo overvloedig in de Amerikaansche cypressenbosschen voorkomen.Bij den ondervonden schok barstte een dier paddestoelen los alsof het een vuurwapen ware geweest. Een fijn lichtgevend stof vermengde zich in de lucht. Op hetzelfde oogenblik sprongen andere perisen op hun beurt open. Het was een spektakel alsof daar in dat bosch een groot vuurwerk afgestoken werd, waarvan de vuurpijlen en voetzoekers elkander kruisten.Texar, door die myriaden van sporen verblind, die plotseling de lucht vervulden, was verplicht geweest Zermah, die hij gegrepen en ter aarde gedrukt had en boven wie hij zijn dolk reeds opgeheven had, los te laten, terwijl Squambo zich in dezelfde noodlottige positie bevond en zich ook de oogen stond te wrijven. Gelukkig dat de mestiesche vrouw en het kind, welke op den grond uitgestrekt lagen, door die sporen, welke boven hunne hoofden uit de paddestoelen losbarstten, niet bereikt werden.Toch zou Zermah onmogelijk Texar hebben kunnen ontkomen. De lucht toch werd, nadat de laatste losbarsting een korte poos geleden geschied was, weder inadembaar.Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz. 231).Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz.231).Maar toen werden andermaal losbarstingen vernomen—ditmaal losbarstingen van vuurwapenen.Het was het federalistisch detachement, hetwelk de partijgangers der Zuidelijken zoo ter juister tijd aantastte. Deze laatsten waren in een ondeelbaar oogenblik omsingeld door de zeelieden van kapitein Howick, en moesten de wapens afgeven. In dat oogenblik stootte Texar, die Zermah andermaal aangegrepen had, den dolk in de volle borst.»Het kind!... ontvoer het kind!” riep hij Squambo toe.De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer, toen plotseling een geweerschot weerklonk. Door een kogel in het hart getroffen, welke Gilbert Burbank op hem afgezonden had, stortte hij dood op den grond.Allen waren thans vereenigd in dat cypressenbosch: master James Burbank, Gilbert Burbank, Edward Carrol, Mars, de negers van Camdless-Bay, de mariniers van kapitein Howick, die met aangelegd geweer de Zuidelijken bedreigden. Texar stond met opgeheven hoofd naast het lijk van Squambo.Eenige der partijgangers hadden evenwel kunnen ontvluchten en waren naar den kant van het eiland Garneral geijld.Wat kan dat schelen? Niemand sloeg er acht op. Allen voelden zich gelukkig. Lag toch het kleine kind, het verloren meisje niet in de armen haars vaders, die haar vol vreugde maar toch angstig omklemde, alsof hij vreesde dat zij hem andermaal ontrukt zoude worden. Gilbert Burbank en Mars waren op een knie naast Zermah neergezeten en poogden hare levensgeesten op te wekken. De arme vrouw ademde nog, maar kon niet spreken. Mars ondersteunde haar hoofd, riep haar, omhelsde haar....Zermah opende de oogen. Zij zag het kind in de armen van haren vader, zij herkende Mars, die haar met kussen overdekte, zij glimlachte hen toe. Daarna sloot zij de oogen weer.Mars stond op en zag toen eerst Texar. Hij sprong op hem toe, terwijl hij de woorden uitkreet, die hem zoo dikwijls ontvallen waren:»Texar dooden!... Texar dooden!”»Laat af, Mars,” zei kapitein Howick. »Laat het aan ons over dien ellendeling recht te plegen en hem zijn verdiend loon te geven!”Daarop zich tot den Spanjaard wendende:»Gij zijt Texar, van de Zwarte Kreek?” vroeg hij.»Ik heb daarop niet te antwoorden,” hernam Texar.»Master James Burbank, de luitenant Gilbert, Edward Carrol en Mars kennen en herkennen u.”»En wat zou dat?”»Gij zult doodgeschoten worden!”»Ga uw gang!”Toen riep de kleine Dy tot verwondering van allen uit, terwijl zij zich tot haren vader wendde:»Vader,” zei zij, »het zijn twee broeders.... twee booze mannen... die op elkander gelijken.”»Twee mannen?...”»Ja!... Zermah heeft mij zeer op het hart gedrukt, u dat te zeggen.”Het zou uiterst moeielijk geweest zijn te begrijpen, wat deze zonderlinge woorden van het kind moesten beteekenen. Maar de verklaring werd er als het ware dadelijk van gegeven en wel op de meest onverwachte wijze.Texar was toch naar den voet van een boom geleid. Daar stond hij eene sigarette te rooken, die hij, zonder de minste vrees te laten blijken, aangestoken had en keek master James Burbank onbeschaamd in het gezicht. Plotseling, toen het executie-peloton, dat hem zou doodschieten, reeds aangetreden en gericht stond, sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste.Dat was de tweede Texar, wien de ontvluchte partijgangers op het eiland Garneral de gevangenneming van zijn broeder medegedeeld hadden.Het gezicht van die twee mannen, wier gelijkenis zoo treffend juist was, verduidelijkte thans de woorden, door het meisje gesproken. Men had thans de onthulling voor zich van dat misdadige leven, dat als het ware door onverklaarbare alibi’s beschermd was geworden.En thans verrees het geheele verleden der Texars, door hun beider tegenwoordigheid voldoende verklaard en getuigde tegen hen.Intusschen veroorzaakte toch de tusschenkomst van den laatst aangekomen broeder eene zekere aarzeling bij de ten uitvoerlegging der bevelen van den Commodore.Inderdaad, de last om Texar dadelijk dood te schieten, door Dupont verstrekt, gold slechts den schuldige aan de verraderlijke hinderlaag, waarbij de officieren en zeelieden van de federalistische sloepen te Kissimmee omgekomen waren. Wat den schuldige aan de plundering en brandstichting van Camdless Bay en aan de ontvoering der beide vrouwelijke wezens betrof, die moest naar Sint Augustijn overgevoerd worden, om daar voor een krijgsraad terecht te staan.En toch, kon men de beide broeders niet als even schuldigbeschouwenaan die lange reeks van misdaden, die zijongestrafthadden kunnen bedrijven?Voorzeker! Maar uit eerbied voor de wet, rekende kapitein Howick zich verplicht, hen de volgende vraag te stellen:»Wie uwer bekent de schuldige te zijn aan de slachting te Kissimmee?”Geen antwoord.De beide Texars waren klaarblijkelijk vast besloten, om niet te antwoorden op de vragen, die hen gesteld zouden worden.Zermah alleen zou aanwijzingen hebben kunnen geven omtrent ieders aandeel in de gepleegde misdaden. Inderdaad, diegene der twee broeders, die bij haar op den 22stenMaart in de Zwarte Kreek gebleven was, kon de dader niet zijn van den overval, dienzelfden dag op een afstand van honderd mijlen in het zuiden van Florida gepleegd, maar deze, de ware schuldige aan de ontvoering, deze zou door Zermah ongetwijfeld herkend worden.... Maar was de arme vrouw niet dood?...Neen, dat was zij niet. Ondersteund door haren echtgenoot, verscheen zij in dien kring van mannen. Daar aangekomen, sprak zij met nauw verstaanbare stem:»Hij, die schuldig aan de ontvoering van de kleine Dy en van mij is, is op den linkerarm getatoueerd....”Bij die woorden zag men een glimlach van minachting op het gelaat der beide broeders ontluiken. Zij stroopten hun mouw op en vertoonden hun linkerarm, die van beiden getatoueerd was.Tegenover deze nieuwe onmogelijkheid, om hen den een van den ander te onderscheiden, vergenoegde kapitein Howick zich deze vraag te stellen:»Wie is de dader van den overval te Kissimmee? Die moet gefusilleerd worden.”»Ik,” antwoordden beide broeders tegelijkertijd.Op dat antwoord legde het executie-peloton op de veroordeelden aan, die elkander voor het laatst omhelsden.De kommandeerende officier gaf een teeken. Slechts één knal werd vernomen. Met de hand in elkander geklemd, vielen beiden.Zoo eindigde het leven van die twee mannen, met misdaden beladen, welke hunne buitengewone gelijkenis hen veroorloofd had gedurende een geheele reeks van jaren straffeloos te bedrijven.Het eenige menschelijke gevoel, dat zij ooit ondervonden hadden, was die onbedwingbare vriendschap van den eenen broeder voor den anderen, die hen bezield had en tot in den dood gevolgd was.

XIII.Een dubbelganger.Weinige woorden zullen voldoende zijn, om tot helderheid te brengen, wat tot nu toe onverklaarbaar in deze geschiedenis is voorgekomen.Die twee mannen, voor wie Zermah plotseling verschenen was, waren broeders, waren tweelingen.Waar waren zij geboren? Dat wisten zij zelven niet nauwkeurig aan te duiden; waarschijnlijk in een klein dorp van Texas, en daaraan was ongetwijfeld die naam van Texar, door verandering van de eindletter van dien naam, ontleend.Men weet dat Texas een uitgestrekt grondgebied is, hetwelk ten zuiden van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en langs de golf van Mexico gelegen is.Nadat de Texanen tegen de Mexicanen opgestaan waren, bij welken onafhankelijkheidsoorlog zij door de Noord-Amerikanen geholpen werden, werden zij in 1845 bij de Groote Republiek, die toen door den president JohnTylerbestuurd werd, ingelijfd.Vijftien jaren vóór die inlijving, werden twee kinderen in een dorp van het Texaansche kustland verlaten gevonden. Zij werden opgenomen en door de openbare liefdadigheid opgevoed.De aandacht was eerst op die twee kinderen gevestigd geworden door de bewonderenswaardige gelijkenis, welke tusschen hen bestond. Zij hadden dezelfde gebaren, dezelfde stem, dezelfde gestalte, dezelfde lichaamshouding, dezelfde gelaatstrekken, en er kan bijgevoegd worden: zij hadden ook dezelfde geaardheid, die evenwel van eene vroegtijdige maar diepe verdorvenheid getuigde.Hoe werden zij opgevoed? Welk onderwijs viel hun ten deel?Dat wist niemand. Evenmin kon iemand aangeven tot welke verwantschap zij behoorden. Misschien stamden zij af van eene dier nomadische familieën, welke het land na de onafhankelijkheidsverklaring afliepen.Zoodra de gebroeders Texar, die door een onweerstaanbaren aandrift tot vrijheid, of beter tot ongebondenheid bezield werden, vermeenden zelf in hun onderhoud te kunnen voorzien, verdwenen zij uit de buurt waar zij opgevoed waren. Zij telden toen te zamen vier-en-twintig jaren.Van dat tijdstip af bestonden hunne middelen van bestaan uit de opbrengsten van de diefstallen, welke zij op de akkers en in de pachthoeven pleegden. Hier waren het vruchten, welke zij kaapten, elders ontvreemdden zij brood. Zoo bereidde hunne kindsheid en hunne jongelingschap hen voor, om later gewapenderhand tot plundering en tot rooftochten langs de groote wegen te kunnen overgaan en bewezen zij van die voorbereiding op uitmuntende wijze partij getrokken te hebben.Om kort te gaan, men zag hen niet meer terug in de Texaansche dorpen en gehuchten, waarin zij gewoon waren zich te vertoonen in gezelschap van boosdoeners, die toen reeds de gelijkenis der tweelingbroeders tot misdadige doeleinden aanwendden.Vele jaren gingen voorbij.De gebroeders waren spoedig vergeten; zelfs de naam van Texar wischte zich in de herinnering der inwoners uit. En hoewel die naam later eene betreurenswaardige vermaardheid in Florida zoude verkrijgen, bestond er niets, waaruit op te maken viel, dat zij hunne prille jeugd op de kustplaatsen van Texas hadden doorgebracht.Hoe zou dat ook anders hebben kunnen zijn, daar niemand sedert hunne verdwijning, ten gevolge van eene verstandhouding tusschen die beiden beraamd, ooit van twee Texars had hooren spreken. Het was zelfs door deze verstandhouding, dat zij de mogelijkheid gevonden hadden, om een menigte misdrijven te plegen, die zoo moeielijk ja onmogelijk te bewijzen schenen en daardoor straffeloos bleven.En inderdaad vernam men—toen later dat tweelingschap behoorlijk bewezen en vastgesteld was—dat die beide broeders gedurende een geruimen tijd, van hun dertig- tot hun veertigjarigen leeftijd van elkander gescheiden leefden. Zij trachtten een vermogen te verwerven, onverschillig op welke wijze. Zij ontmoetten elkander slechts uiterst zeldzaam en dan nog slechts wanneer zij er zeker van waren, dat geen oog hen kon bespieden. Die ontmoetingen hadden niet alleen in Amerika plaats, maar ook in ieder ander werelddeel, waarheen hen hun misdadig gesternte voerde.Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz. 203).Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz.203).Men vernam ook, dat de een of de andere—welke der twee kon niet bepaald worden, misschien waren zij beiden schuldig—het bedrijf van slavenhaler uitoefende. Zij voerden geheele ladingen slaven van de Afrikaansche kusten naar de Zuidelijke Staten vande Unie over, of beter gezegd, zij deden die overvoeren. Want bij dergelijke operatiën vervulden zij slechts de rol van middelaars tusschen de slavenhouders van het land en de kapiteins der vaartuigen, welke tot dien afschuwelijken, onmenschelijken handel gebezigd werden.Maakten zij zaken met dat afgrijselijke bedrijf? Niemand wist dat. Toch valt het te betwijfelen. Zooveel is zeker, dat die handel merkelijk verminderde en eindelijk geheel ophield, toen de slavenhandel, gebrandmerkt als eene daad van gruwelijke barbaarschheid, langzamerhand in de beschaafde landen afgeschaft werd. Toen waren de beide broeders wel verplicht, die soort van zaken op te geven.Intusschen was dat vermogen, hetwelk zij zoozeer wenschten te bezitten en dat zij het koste wat het wilde, poogden te bemachtigen, nog niet verworven en moest dat nog verdiend worden.Toen was het dat die twee gelukzoekers besloten, om hunne buitengewone gelijkenis te benutten.In de meeste gevallen gebeurt het, dat die gelijkenis van tweelingen zich later merkbaar wijzigt, wanneer de kinderen den volwassen leeftijd bereikt hebben.Met de beide Texars was dat geenszins het geval. Men kon niet zeggen dat hunne gelijkenis, naarmate zij in leeftijd vorderden, toenam of duidelijker werd, want dat was onmogelijk; maar zij bleef wat zij was, namelijk volmaakt, zoowel wat betreft het karakter als het uitwendige. Het was onmogelijk, ja totaal onmogelijk den een’ van den anderen te onderscheiden, niet alleen afgaande op de gelaatstrekken of den lichaamsbouw, maar ook op hunne gebaren of op de buiging hunner stem.De beide broeders besloten die natuurlijke bijzonderheid, welke hen beschoren was, te benutten, om de meest verfoeielijke daden te plegen. Zij hadden de mogelijkheid spoedig genoeg ingezien, dat wanneer een hunner beschuldigd werd, een alibi kon gesteld worden, om zijne onschuld aan het hem ten laste gelegde te bewijzen. Zij gingen daarbij dan ook zoo te werk, dat terwijl de een de vooraf besprokene misdaad volvoerde, de ander zich op de een of andere plaats in het publiek vertoonde en wel zoo, dat door middel van dat alibi de niet schuldigheidipse factobewezen was.Hier behoeft voorzeker niet bijgevoegd te worden, dat zij hunne geheele sluwheid aanwendden, om zich nimmer op heeterdaad te laten betrappen of te vatten. Natuurlijk zou zich de gevangene dan niet op een alibi kunnen beroepen, en dan zou het geheele goochelspel weldra ontdekt zijn.Toen de beide broeders zoo hun levensdoel vastgesteld hadden,vertrokken zij naar Florida, waar geen hunner bekend was. Wat hen daarheen lokte, dat waren de talrijke gelegenheden om in een Staat, alwaar de Indianen, de oorspronkelijke bewoners des lands, een hardnekkigen oorlog tegen de indringers, de Amerikanen en de Spanjaarden voerden, in troebel water te visschen.Het was in het jaar 1850 of 1851, dat de beide Texars voor het eerst op het Floridasche schiereiland verschenen. Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars; dat zou juister geweest zijn. Want overeenkomstig hun programma, werden zij nooit te zamen gezien. Nimmer ontmoette men hen beiden op denzelfden dag en op dezelfde plaats. Nimmer vernam iemand, dat twee personen van dienzelfden naam bestonden.Daarenboven, terwijl zij hunne personen aldus door een stipt volgehouden geheimzinnig waas omringden, hadden zij ook met veel zorg eene geheimzinnige verblijfplaats opgespoord, die hen op een gegeven oogenblik tot schuilplaats kon dienen.Zooals de lezer weet, hadden zij die in de Zwarte Kreek gevonden. Het centrale eiland in die halfvorming en het verlaten fortje ontdekten zij bij hunne nasporingen, welke zij langs de oevers der Sint John volvoerden. Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. Alleen Squambo de Indiaan was volledig ingelicht omtrent hun dubbel bestaan. Hij was vervuld met eene toewijding jegens de beide broeders, die elke beproeving tartte; daarenboven was hij bescheiden en wist te zwijgen, omtrent alles wat de beide Texars aanging; zoodat hij een uitmuntende vertrouweling was en ook als onverbiddelijke uitvoerder hunner wilsuitingen kon aangemerkt worden.De lezer zal wel begrepen hebben, dat de twee broeders zich nimmer te zamen in de Zwarte Kreek vertoonden. Wanneer zij de een of andere zaak te bepraten hadden, dan waarschuwden zij elkander schriftelijk. En men heeft kunnen bemerken, dat zij bij zulke gelegenheden zich niet van de post bedienden. Een briefje werd in een blad gerold, dat blad werd aan een tak van een tulpboom bevestigd, die in een naburig moeras van de Zwarte Kreek groeide; meer was niet noodig.Squambo begaf zich iederen dag, evenwel niet dan na de grootste voorzorgen genomen te hebben, naar die plek. Wanneer hij overbrenger was van een brief van diengeen der Texars, die in de Zwarte Kreek verblijf hield, dan bevestigde hij hem aan den tulpboom; wanneer het de andere tweeling was, die geschreven had, dan nam hij den brief van de vooraf besproken plaats en bracht hem naar het blokhuis.Die beide ellendelingen waren nog niet lang in Florida, of zijwaren in gemeenschap getreden met het liederlijkste gedeelte van de bevolking van het schiereiland. Vele boosdoeners werden hunne medeplichtigen bij tal van diefstallen, welke in dat tijdperk gepleegd werden. Die dieven en helers werden later hunne partijgenooten, toen de twee broeders besloten eene rol in den gruwelijken secessie-oorlog te spelen.Nu eens stelde zich de een, dan weer de ander aan het hoofd van den misdadigen troep, waarvan niemand in het minst vermoedde, dat twee personen dien naam van Texar voerden.Thans zal de lezer wel begrijpen, hoe bij de vervolging van zoo verscheidene misdaden, de beide Texars steeds zeer gevat zich op onwraakbare alibi’s konden beroepen, en waarom die als onweerlegbaar in de gedingen aangenomen moesten worden. Het was evenzoo gegaan met misdaden, die gedurende het tijdperk vóór het begin van deze geschiedenis bij het gerecht aangegeven waren, waar onder meer anderen de brandstichting eener pachthoeve moest gerekend worden.Hoewel master James Burbank en de mestiesche vrouw Zermah den Spanjaard bepaald als den dader van de brandstichting herkend hadden, was deze toch door de rechtbank van Sint Augustijn vrijgesproken, toen hij bewezen had, dat hij zich op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, te Jacksonville in de tienda van Torillo bevonden had. Dat werd toch door een groot aantal getuigen onder eede bevestigd.Zoo was het ook gegaan met betrekking tot de verwoesting van de plantage Camdless-Bay.Hoe zou het toch mogelijk geweest zijn, tegelijkertijd de plunderaars bij den stormaanval op Castle House aan te voeren en de kleine Dy en Zermah te ontvoeren, terwijl hij zich toen onder de krijgsgevangenen bevond, die de Federalisten te Fernandina gemaakt hadden en aan boord van een der oorlogsschepen van het noordelijk eskader in verzekerde bewaring gebleven waren?De krijgsraad was dus genoodzaakt geweest hem, in weerwil van de vele bewijzen, in weerwil van de getuigenis, door miss Alice Stannard onder eede afgelegd, vrij te spreken.En zelfs, al neemt men aan dat de beide Texars als dubbelgangers erkend werden, dan nog zou men zeer waarschijnlijk nimmer te weten komen, wie hunner persoonlijk de bedoelde misdaden pleegde of daaraan deelnam. Maar, waren zij, alles wel beschouwd, beiden niet evenzeer schuldig aan, evenzeer medeplichtig aan, evenzeer de voornaamste bewerkers van alle die aanslagen, die sedert zoovele jaren op het Floridasche grondgebied ten uitvoer gelegd werden?Voorzeker, en de straf, waartoe de een of de ander, of wel beiden verwezen zouden worden, zou wel verdiend zijn.Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz. 203).Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz.203).Wat de gebeurtenissen aangaat, die onlangs te Jacksonville voorgevallen waren, het was zeer waarschijnlijk, dat de beide broeders beurtelings dezelfde rol gespeeld hadden, nadat het rechtmatige gezag door den opstand van het gepeupel omvergeworpen was. Als Texar I de stad verliet, om een andere vooraf beraamde onderneming ten uitvoer te leggen, dan verving Texar II hem bij de uitoefening zijner waardigheid, en dat zonder dat hunne medeplichtigen of partijgangers omtrent die persoonsverwisseling eenige gissing koesterden.Hieruit mag dus besloten worden, dat zij beiden evenveel schuld hadden aan de uitspattingen, welke zoowel tegen de planters, die van de Noordelijke Staten afkomstig waren, als tegen hen, die in de Zuidelijke Staten geboren, den slavenhandel gunstig gestemd waren, gepleegd werden.Beiden waren, zooals de lezer wel zal begrijpen, steeds behoorlijk op de hoogte van hetgeen in de centrale Staten van de Unie voorviel. Zij hadden daardoor dan ook een zekeren invloed op de halfblanke bevolking, zoo ook op het schuim der bevolking verkregen. In de gegeven omstandigheden hadden zij veel briefwisseling, en herhaalde geheime samenkomsten met elkander moeten houden, ten einde omtrent de leiding hunner ondernemingen te beraadslagen. Daarna waren zij weer van elkander gegaan, ten einde hunne toekomstige alibi’s voor te bereiden.En zoo gebeurde het, dat terwijl de een op een oorlogsschip der Noordelijken krijgsgevangen zat, de ander op hetzelfde oogenblik den verwoestingstocht tegen Camdless-Bay aanvoerde. De lezer vernam hoe hij deswege door den krijgsraad van Sint Augustijn wegens het gestelde alibi van iedere vervolging ontslagen werd.Hiervoren werd reeds gezegd, dat die verwonderingbarende gelijkenis der twee broeders, door het vorderen in leeftijd ongeschonden was gelaten. Toch was het zeer goed mogelijk, dat een toeval van physieken aard, eene verwonding of iets dergelijks die gelijkenis zou kunnen verstoren, doordat den een of ander een merkbaar teeken zoude bedeeld worden. Zoo iets zou voldoende geweest zijn, om het welslagen hunner zaakbetrekkelijke spitsvondigheid in gevaar te brengen. En bij het avontuurlijke leven, hetwelk zij leidden, waarbij zij aan zoovele kwade kansen blootgesteld waren, liepen zij veel gevaar hier of daar eene verwonding op te doen, die, wanneer zij onherstelbaar ware, hen de mogelijkheid ontnomen had, voor elkander op te treden.Waren echter die toevallen herstelbaar, dan zou natuurlijk de gelijkenis daardoor niet te lijden hebben.Zoo gebeurde het eens dat een der Texars, korten tijd nadat zij in Florida aangekomen waren, diens baard door een geweerschot,hetwelk rakelings op hem afgevuurd was, verbrand werd. Dadelijk schoor zich de andere tweeling de kin kaal, om baardeloos als zijn broeder te zijn.Een ander feit, dat ook wel een nadere verklaring verdient. Men heeft voorzeker niet vergeten, dat Zermah op een nacht, terwijl zij nog in de Zwarte Kreek gevangen was, den Spanjaard zich den arm zag tatoueeren. Dat geschiedde omdat zijn tweelingbroeder eens bij een tocht door een bende Seminool-Indianen opgelicht en toen zoo met dat onuitwischbaar merk op den linkerarm geteekend was geworden. Deze had dadelijk eene nauwkeurige teekening van die tatoueering naar het fortje gezonden, waar Squambo haar even nauwkeurig had kunnen overbrengen. De identiteit onderling der beide tweelingen bleef dus ongeschonden.En waarlijk, het zou niet gewaagd zijn te verzekeren, dat wanneer Texar I een arm of een been kwijt raakte, Texar II niet aarzelen zou, zich het overeenkomstige lichaamsdeel te laten afzetten.Om kort te gaan, gedurende een groot tiental jaren gingen de gebroeders Texar voort dat dubbelgangersleven te voeren, maar zij gingen daarbij met zulke behendigheid, met zulke voorzichtigheid te werk, dat zij er in geslaagd waren aan alle vervolgingen van de Floridasche rechterlijke macht te ontkomen.Hadden de beide tweelingen met hunne bedrijven eenig vermogen verworven? Binnen zekere grenzen, ja. Eene vrij aanzienlijke som gelds, welke zij van de opbrengsten hunner diefstallen en plunderingen bespaard hadden, was in een geheim hoekje van het blokhuis in de Zwarte Kreek zorgvuldig opgeborgen. Dat geld was evenwel bij wijze van voorzorgsmaatregel door den Spanjaard medegenomen geworden, toen hij besloot naar het eiland Garneral af te reizen, en men kan er zeker van zijn, dat hij het niet in de wigwam zou achterlaten, wanneer hij genoodzaakt zoude worden, naar de overzijde van het Bahama-kanaal te vluchten.Dat vermogen scheen hen evenwel onvoldoende toe. Zij trachtten het dan ook te vermeerderen, alvorens er zonder gevaar hier of daar in Europa of Noord-Amerika van te gaan genieten.Daarenboven, toen zij vernamen dat de Commodore Dupont voornemens was om Florida weldra te ontruimen, was het den beiden broeders duidelijk geworden, dat de gelegenheid geopend zoude worden om zich nog meer te verrijken; want dan zouden zij de planters, die voor de Noordelijken gezind waren, die bezetting van weinige weken van Florida door de federalistische troepen, duur laten betalen. Zij besloten dus op zien komen te spelen. Wanneer zij maar eenmaal te Jacksonville terug zouden zijn, zouden zij met behulp van hunne partijgenooten en met behulp van allen, die zich door hunne sympathieën voor de Zuidelijken gecompromitteerdhadden, weldra den toestand weten te beheerschen en de standplaats hernemen, die zij bij een volksoploop veroverd hadden en die een volksoploop hen weergeven kon.De beide Texars hadden daarenboven nog een middel in hun bezit, een beproefd middel, om datgene te erlangen wat hen nog ontbrak om rijk te kunnen heeten, en zelfs rijker dan zij ooit gedroomd hadden.En inderdaad, waarom leenden zij het oor niet aan de voorstellen, welke Zermah aan een hunner gedaan had? Waarom haastten zij zich niet, de kleine Dy aan hare wanhopige ouders weer te geven? Master James Burbank zou voorzeker zijn geheele vermogen willen opofferen, om zijn arm kind terug te krijgen. Hij zou zich voorzeker wel willen verbinden, geen klacht in te brengen, geene vervolging jegens den Spanjaard uit te lokken.Maar bij de beide Texars had de haat grooter macht dan het eigenbelang. En waren zij er op uit om zich te verrijken, dan werd die wensch overheerscht door de gedachte, dat zij zich over de familie Burbank gewroken zouden hebben alvorens Florida te verlaten.De lezer weet thans alles wat hij nopens de broeders Texar weten moet. Wij kunnen thans tot de ontknooping van deze geschiedenis overgaan.Het zal onnoodig zijn mede te deelen, dat Zermah alles begreep, toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van die twee mannen bevond. Al het gebeurde van vroeger kwam haar oogenblikkelijk voor den geest. Zij stond daar ontzet, terwijl zij hen aankeek. Zij stond daar bewegingloos met het kleine meisje in hare armen, alsof hare voeten in den bodem wortel geschoten hadden. Gelukkig dat de meer frissche lucht in die kamer, ieder gevaar van verstikking van het kind verwijderd had.Maar de verschijning van de arme vrouw in tegenwoordigheid van de beide broeders, dat geheim hetwelk zij daar onverwachts ontdekt had, was een doodvonnis voor haar.Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz. 203).Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz.203).

Weinige woorden zullen voldoende zijn, om tot helderheid te brengen, wat tot nu toe onverklaarbaar in deze geschiedenis is voorgekomen.

Die twee mannen, voor wie Zermah plotseling verschenen was, waren broeders, waren tweelingen.

Waar waren zij geboren? Dat wisten zij zelven niet nauwkeurig aan te duiden; waarschijnlijk in een klein dorp van Texas, en daaraan was ongetwijfeld die naam van Texar, door verandering van de eindletter van dien naam, ontleend.

Men weet dat Texas een uitgestrekt grondgebied is, hetwelk ten zuiden van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en langs de golf van Mexico gelegen is.

Nadat de Texanen tegen de Mexicanen opgestaan waren, bij welken onafhankelijkheidsoorlog zij door de Noord-Amerikanen geholpen werden, werden zij in 1845 bij de Groote Republiek, die toen door den president JohnTylerbestuurd werd, ingelijfd.

Vijftien jaren vóór die inlijving, werden twee kinderen in een dorp van het Texaansche kustland verlaten gevonden. Zij werden opgenomen en door de openbare liefdadigheid opgevoed.

De aandacht was eerst op die twee kinderen gevestigd geworden door de bewonderenswaardige gelijkenis, welke tusschen hen bestond. Zij hadden dezelfde gebaren, dezelfde stem, dezelfde gestalte, dezelfde lichaamshouding, dezelfde gelaatstrekken, en er kan bijgevoegd worden: zij hadden ook dezelfde geaardheid, die evenwel van eene vroegtijdige maar diepe verdorvenheid getuigde.

Hoe werden zij opgevoed? Welk onderwijs viel hun ten deel?

Dat wist niemand. Evenmin kon iemand aangeven tot welke verwantschap zij behoorden. Misschien stamden zij af van eene dier nomadische familieën, welke het land na de onafhankelijkheidsverklaring afliepen.

Zoodra de gebroeders Texar, die door een onweerstaanbaren aandrift tot vrijheid, of beter tot ongebondenheid bezield werden, vermeenden zelf in hun onderhoud te kunnen voorzien, verdwenen zij uit de buurt waar zij opgevoed waren. Zij telden toen te zamen vier-en-twintig jaren.

Van dat tijdstip af bestonden hunne middelen van bestaan uit de opbrengsten van de diefstallen, welke zij op de akkers en in de pachthoeven pleegden. Hier waren het vruchten, welke zij kaapten, elders ontvreemdden zij brood. Zoo bereidde hunne kindsheid en hunne jongelingschap hen voor, om later gewapenderhand tot plundering en tot rooftochten langs de groote wegen te kunnen overgaan en bewezen zij van die voorbereiding op uitmuntende wijze partij getrokken te hebben.

Om kort te gaan, men zag hen niet meer terug in de Texaansche dorpen en gehuchten, waarin zij gewoon waren zich te vertoonen in gezelschap van boosdoeners, die toen reeds de gelijkenis der tweelingbroeders tot misdadige doeleinden aanwendden.

Vele jaren gingen voorbij.

De gebroeders waren spoedig vergeten; zelfs de naam van Texar wischte zich in de herinnering der inwoners uit. En hoewel die naam later eene betreurenswaardige vermaardheid in Florida zoude verkrijgen, bestond er niets, waaruit op te maken viel, dat zij hunne prille jeugd op de kustplaatsen van Texas hadden doorgebracht.

Hoe zou dat ook anders hebben kunnen zijn, daar niemand sedert hunne verdwijning, ten gevolge van eene verstandhouding tusschen die beiden beraamd, ooit van twee Texars had hooren spreken. Het was zelfs door deze verstandhouding, dat zij de mogelijkheid gevonden hadden, om een menigte misdrijven te plegen, die zoo moeielijk ja onmogelijk te bewijzen schenen en daardoor straffeloos bleven.

En inderdaad vernam men—toen later dat tweelingschap behoorlijk bewezen en vastgesteld was—dat die beide broeders gedurende een geruimen tijd, van hun dertig- tot hun veertigjarigen leeftijd van elkander gescheiden leefden. Zij trachtten een vermogen te verwerven, onverschillig op welke wijze. Zij ontmoetten elkander slechts uiterst zeldzaam en dan nog slechts wanneer zij er zeker van waren, dat geen oog hen kon bespieden. Die ontmoetingen hadden niet alleen in Amerika plaats, maar ook in ieder ander werelddeel, waarheen hen hun misdadig gesternte voerde.

Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz. 203).Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz.203).

Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz.203).

Men vernam ook, dat de een of de andere—welke der twee kon niet bepaald worden, misschien waren zij beiden schuldig—het bedrijf van slavenhaler uitoefende. Zij voerden geheele ladingen slaven van de Afrikaansche kusten naar de Zuidelijke Staten vande Unie over, of beter gezegd, zij deden die overvoeren. Want bij dergelijke operatiën vervulden zij slechts de rol van middelaars tusschen de slavenhouders van het land en de kapiteins der vaartuigen, welke tot dien afschuwelijken, onmenschelijken handel gebezigd werden.

Maakten zij zaken met dat afgrijselijke bedrijf? Niemand wist dat. Toch valt het te betwijfelen. Zooveel is zeker, dat die handel merkelijk verminderde en eindelijk geheel ophield, toen de slavenhandel, gebrandmerkt als eene daad van gruwelijke barbaarschheid, langzamerhand in de beschaafde landen afgeschaft werd. Toen waren de beide broeders wel verplicht, die soort van zaken op te geven.

Intusschen was dat vermogen, hetwelk zij zoozeer wenschten te bezitten en dat zij het koste wat het wilde, poogden te bemachtigen, nog niet verworven en moest dat nog verdiend worden.

Toen was het dat die twee gelukzoekers besloten, om hunne buitengewone gelijkenis te benutten.

In de meeste gevallen gebeurt het, dat die gelijkenis van tweelingen zich later merkbaar wijzigt, wanneer de kinderen den volwassen leeftijd bereikt hebben.

Met de beide Texars was dat geenszins het geval. Men kon niet zeggen dat hunne gelijkenis, naarmate zij in leeftijd vorderden, toenam of duidelijker werd, want dat was onmogelijk; maar zij bleef wat zij was, namelijk volmaakt, zoowel wat betreft het karakter als het uitwendige. Het was onmogelijk, ja totaal onmogelijk den een’ van den anderen te onderscheiden, niet alleen afgaande op de gelaatstrekken of den lichaamsbouw, maar ook op hunne gebaren of op de buiging hunner stem.

De beide broeders besloten die natuurlijke bijzonderheid, welke hen beschoren was, te benutten, om de meest verfoeielijke daden te plegen. Zij hadden de mogelijkheid spoedig genoeg ingezien, dat wanneer een hunner beschuldigd werd, een alibi kon gesteld worden, om zijne onschuld aan het hem ten laste gelegde te bewijzen. Zij gingen daarbij dan ook zoo te werk, dat terwijl de een de vooraf besprokene misdaad volvoerde, de ander zich op de een of andere plaats in het publiek vertoonde en wel zoo, dat door middel van dat alibi de niet schuldigheidipse factobewezen was.

Hier behoeft voorzeker niet bijgevoegd te worden, dat zij hunne geheele sluwheid aanwendden, om zich nimmer op heeterdaad te laten betrappen of te vatten. Natuurlijk zou zich de gevangene dan niet op een alibi kunnen beroepen, en dan zou het geheele goochelspel weldra ontdekt zijn.

Toen de beide broeders zoo hun levensdoel vastgesteld hadden,vertrokken zij naar Florida, waar geen hunner bekend was. Wat hen daarheen lokte, dat waren de talrijke gelegenheden om in een Staat, alwaar de Indianen, de oorspronkelijke bewoners des lands, een hardnekkigen oorlog tegen de indringers, de Amerikanen en de Spanjaarden voerden, in troebel water te visschen.

Het was in het jaar 1850 of 1851, dat de beide Texars voor het eerst op het Floridasche schiereiland verschenen. Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars; dat zou juister geweest zijn. Want overeenkomstig hun programma, werden zij nooit te zamen gezien. Nimmer ontmoette men hen beiden op denzelfden dag en op dezelfde plaats. Nimmer vernam iemand, dat twee personen van dienzelfden naam bestonden.

Daarenboven, terwijl zij hunne personen aldus door een stipt volgehouden geheimzinnig waas omringden, hadden zij ook met veel zorg eene geheimzinnige verblijfplaats opgespoord, die hen op een gegeven oogenblik tot schuilplaats kon dienen.

Zooals de lezer weet, hadden zij die in de Zwarte Kreek gevonden. Het centrale eiland in die halfvorming en het verlaten fortje ontdekten zij bij hunne nasporingen, welke zij langs de oevers der Sint John volvoerden. Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. Alleen Squambo de Indiaan was volledig ingelicht omtrent hun dubbel bestaan. Hij was vervuld met eene toewijding jegens de beide broeders, die elke beproeving tartte; daarenboven was hij bescheiden en wist te zwijgen, omtrent alles wat de beide Texars aanging; zoodat hij een uitmuntende vertrouweling was en ook als onverbiddelijke uitvoerder hunner wilsuitingen kon aangemerkt worden.

De lezer zal wel begrepen hebben, dat de twee broeders zich nimmer te zamen in de Zwarte Kreek vertoonden. Wanneer zij de een of andere zaak te bepraten hadden, dan waarschuwden zij elkander schriftelijk. En men heeft kunnen bemerken, dat zij bij zulke gelegenheden zich niet van de post bedienden. Een briefje werd in een blad gerold, dat blad werd aan een tak van een tulpboom bevestigd, die in een naburig moeras van de Zwarte Kreek groeide; meer was niet noodig.

Squambo begaf zich iederen dag, evenwel niet dan na de grootste voorzorgen genomen te hebben, naar die plek. Wanneer hij overbrenger was van een brief van diengeen der Texars, die in de Zwarte Kreek verblijf hield, dan bevestigde hij hem aan den tulpboom; wanneer het de andere tweeling was, die geschreven had, dan nam hij den brief van de vooraf besproken plaats en bracht hem naar het blokhuis.

Die beide ellendelingen waren nog niet lang in Florida, of zijwaren in gemeenschap getreden met het liederlijkste gedeelte van de bevolking van het schiereiland. Vele boosdoeners werden hunne medeplichtigen bij tal van diefstallen, welke in dat tijdperk gepleegd werden. Die dieven en helers werden later hunne partijgenooten, toen de twee broeders besloten eene rol in den gruwelijken secessie-oorlog te spelen.

Nu eens stelde zich de een, dan weer de ander aan het hoofd van den misdadigen troep, waarvan niemand in het minst vermoedde, dat twee personen dien naam van Texar voerden.

Thans zal de lezer wel begrijpen, hoe bij de vervolging van zoo verscheidene misdaden, de beide Texars steeds zeer gevat zich op onwraakbare alibi’s konden beroepen, en waarom die als onweerlegbaar in de gedingen aangenomen moesten worden. Het was evenzoo gegaan met misdaden, die gedurende het tijdperk vóór het begin van deze geschiedenis bij het gerecht aangegeven waren, waar onder meer anderen de brandstichting eener pachthoeve moest gerekend worden.

Hoewel master James Burbank en de mestiesche vrouw Zermah den Spanjaard bepaald als den dader van de brandstichting herkend hadden, was deze toch door de rechtbank van Sint Augustijn vrijgesproken, toen hij bewezen had, dat hij zich op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, te Jacksonville in de tienda van Torillo bevonden had. Dat werd toch door een groot aantal getuigen onder eede bevestigd.

Zoo was het ook gegaan met betrekking tot de verwoesting van de plantage Camdless-Bay.

Hoe zou het toch mogelijk geweest zijn, tegelijkertijd de plunderaars bij den stormaanval op Castle House aan te voeren en de kleine Dy en Zermah te ontvoeren, terwijl hij zich toen onder de krijgsgevangenen bevond, die de Federalisten te Fernandina gemaakt hadden en aan boord van een der oorlogsschepen van het noordelijk eskader in verzekerde bewaring gebleven waren?

De krijgsraad was dus genoodzaakt geweest hem, in weerwil van de vele bewijzen, in weerwil van de getuigenis, door miss Alice Stannard onder eede afgelegd, vrij te spreken.

En zelfs, al neemt men aan dat de beide Texars als dubbelgangers erkend werden, dan nog zou men zeer waarschijnlijk nimmer te weten komen, wie hunner persoonlijk de bedoelde misdaden pleegde of daaraan deelnam. Maar, waren zij, alles wel beschouwd, beiden niet evenzeer schuldig aan, evenzeer medeplichtig aan, evenzeer de voornaamste bewerkers van alle die aanslagen, die sedert zoovele jaren op het Floridasche grondgebied ten uitvoer gelegd werden?

Voorzeker, en de straf, waartoe de een of de ander, of wel beiden verwezen zouden worden, zou wel verdiend zijn.

Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz. 203).Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz.203).

Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz.203).

Wat de gebeurtenissen aangaat, die onlangs te Jacksonville voorgevallen waren, het was zeer waarschijnlijk, dat de beide broeders beurtelings dezelfde rol gespeeld hadden, nadat het rechtmatige gezag door den opstand van het gepeupel omvergeworpen was. Als Texar I de stad verliet, om een andere vooraf beraamde onderneming ten uitvoer te leggen, dan verving Texar II hem bij de uitoefening zijner waardigheid, en dat zonder dat hunne medeplichtigen of partijgangers omtrent die persoonsverwisseling eenige gissing koesterden.

Hieruit mag dus besloten worden, dat zij beiden evenveel schuld hadden aan de uitspattingen, welke zoowel tegen de planters, die van de Noordelijke Staten afkomstig waren, als tegen hen, die in de Zuidelijke Staten geboren, den slavenhandel gunstig gestemd waren, gepleegd werden.

Beiden waren, zooals de lezer wel zal begrijpen, steeds behoorlijk op de hoogte van hetgeen in de centrale Staten van de Unie voorviel. Zij hadden daardoor dan ook een zekeren invloed op de halfblanke bevolking, zoo ook op het schuim der bevolking verkregen. In de gegeven omstandigheden hadden zij veel briefwisseling, en herhaalde geheime samenkomsten met elkander moeten houden, ten einde omtrent de leiding hunner ondernemingen te beraadslagen. Daarna waren zij weer van elkander gegaan, ten einde hunne toekomstige alibi’s voor te bereiden.

En zoo gebeurde het, dat terwijl de een op een oorlogsschip der Noordelijken krijgsgevangen zat, de ander op hetzelfde oogenblik den verwoestingstocht tegen Camdless-Bay aanvoerde. De lezer vernam hoe hij deswege door den krijgsraad van Sint Augustijn wegens het gestelde alibi van iedere vervolging ontslagen werd.

Hiervoren werd reeds gezegd, dat die verwonderingbarende gelijkenis der twee broeders, door het vorderen in leeftijd ongeschonden was gelaten. Toch was het zeer goed mogelijk, dat een toeval van physieken aard, eene verwonding of iets dergelijks die gelijkenis zou kunnen verstoren, doordat den een of ander een merkbaar teeken zoude bedeeld worden. Zoo iets zou voldoende geweest zijn, om het welslagen hunner zaakbetrekkelijke spitsvondigheid in gevaar te brengen. En bij het avontuurlijke leven, hetwelk zij leidden, waarbij zij aan zoovele kwade kansen blootgesteld waren, liepen zij veel gevaar hier of daar eene verwonding op te doen, die, wanneer zij onherstelbaar ware, hen de mogelijkheid ontnomen had, voor elkander op te treden.

Waren echter die toevallen herstelbaar, dan zou natuurlijk de gelijkenis daardoor niet te lijden hebben.

Zoo gebeurde het eens dat een der Texars, korten tijd nadat zij in Florida aangekomen waren, diens baard door een geweerschot,hetwelk rakelings op hem afgevuurd was, verbrand werd. Dadelijk schoor zich de andere tweeling de kin kaal, om baardeloos als zijn broeder te zijn.

Een ander feit, dat ook wel een nadere verklaring verdient. Men heeft voorzeker niet vergeten, dat Zermah op een nacht, terwijl zij nog in de Zwarte Kreek gevangen was, den Spanjaard zich den arm zag tatoueeren. Dat geschiedde omdat zijn tweelingbroeder eens bij een tocht door een bende Seminool-Indianen opgelicht en toen zoo met dat onuitwischbaar merk op den linkerarm geteekend was geworden. Deze had dadelijk eene nauwkeurige teekening van die tatoueering naar het fortje gezonden, waar Squambo haar even nauwkeurig had kunnen overbrengen. De identiteit onderling der beide tweelingen bleef dus ongeschonden.

En waarlijk, het zou niet gewaagd zijn te verzekeren, dat wanneer Texar I een arm of een been kwijt raakte, Texar II niet aarzelen zou, zich het overeenkomstige lichaamsdeel te laten afzetten.

Om kort te gaan, gedurende een groot tiental jaren gingen de gebroeders Texar voort dat dubbelgangersleven te voeren, maar zij gingen daarbij met zulke behendigheid, met zulke voorzichtigheid te werk, dat zij er in geslaagd waren aan alle vervolgingen van de Floridasche rechterlijke macht te ontkomen.

Hadden de beide tweelingen met hunne bedrijven eenig vermogen verworven? Binnen zekere grenzen, ja. Eene vrij aanzienlijke som gelds, welke zij van de opbrengsten hunner diefstallen en plunderingen bespaard hadden, was in een geheim hoekje van het blokhuis in de Zwarte Kreek zorgvuldig opgeborgen. Dat geld was evenwel bij wijze van voorzorgsmaatregel door den Spanjaard medegenomen geworden, toen hij besloot naar het eiland Garneral af te reizen, en men kan er zeker van zijn, dat hij het niet in de wigwam zou achterlaten, wanneer hij genoodzaakt zoude worden, naar de overzijde van het Bahama-kanaal te vluchten.

Dat vermogen scheen hen evenwel onvoldoende toe. Zij trachtten het dan ook te vermeerderen, alvorens er zonder gevaar hier of daar in Europa of Noord-Amerika van te gaan genieten.

Daarenboven, toen zij vernamen dat de Commodore Dupont voornemens was om Florida weldra te ontruimen, was het den beiden broeders duidelijk geworden, dat de gelegenheid geopend zoude worden om zich nog meer te verrijken; want dan zouden zij de planters, die voor de Noordelijken gezind waren, die bezetting van weinige weken van Florida door de federalistische troepen, duur laten betalen. Zij besloten dus op zien komen te spelen. Wanneer zij maar eenmaal te Jacksonville terug zouden zijn, zouden zij met behulp van hunne partijgenooten en met behulp van allen, die zich door hunne sympathieën voor de Zuidelijken gecompromitteerdhadden, weldra den toestand weten te beheerschen en de standplaats hernemen, die zij bij een volksoploop veroverd hadden en die een volksoploop hen weergeven kon.

De beide Texars hadden daarenboven nog een middel in hun bezit, een beproefd middel, om datgene te erlangen wat hen nog ontbrak om rijk te kunnen heeten, en zelfs rijker dan zij ooit gedroomd hadden.

En inderdaad, waarom leenden zij het oor niet aan de voorstellen, welke Zermah aan een hunner gedaan had? Waarom haastten zij zich niet, de kleine Dy aan hare wanhopige ouders weer te geven? Master James Burbank zou voorzeker zijn geheele vermogen willen opofferen, om zijn arm kind terug te krijgen. Hij zou zich voorzeker wel willen verbinden, geen klacht in te brengen, geene vervolging jegens den Spanjaard uit te lokken.

Maar bij de beide Texars had de haat grooter macht dan het eigenbelang. En waren zij er op uit om zich te verrijken, dan werd die wensch overheerscht door de gedachte, dat zij zich over de familie Burbank gewroken zouden hebben alvorens Florida te verlaten.

De lezer weet thans alles wat hij nopens de broeders Texar weten moet. Wij kunnen thans tot de ontknooping van deze geschiedenis overgaan.

Het zal onnoodig zijn mede te deelen, dat Zermah alles begreep, toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van die twee mannen bevond. Al het gebeurde van vroeger kwam haar oogenblikkelijk voor den geest. Zij stond daar ontzet, terwijl zij hen aankeek. Zij stond daar bewegingloos met het kleine meisje in hare armen, alsof hare voeten in den bodem wortel geschoten hadden. Gelukkig dat de meer frissche lucht in die kamer, ieder gevaar van verstikking van het kind verwijderd had.

Maar de verschijning van de arme vrouw in tegenwoordigheid van de beide broeders, dat geheim hetwelk zij daar onverwachts ontdekt had, was een doodvonnis voor haar.

Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz. 203).Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz.203).

Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz.203).

XIV.Zermah aan het werk.Hoezeer de beide Texars zich ook in gewone omstandigheden wisten te beheerschen, zoo was het hun thans onmogelijk om zich te bedwingen. Sedert hunne kindsheid als het ware, was het de eerste maal dat zij door een derde persoon te zamen gezien werden. En die persoon was hun ergste vijandin. Zij stoven dan ook in het eerste oogenblik van hunnen toorn op, zij wilden zich op haar werpen om haar te dooden, ten einde het geheim van hunnen dubbelgang te redden...Het kind had zich in de armen van Zermah opgericht en riep, terwijl het de kleine handjes uitstak:»Ik ben bang!... Ik ben bang!”Op een gebaar der beide broeders stapte Squambo vol ijver op de mestiesche vrouw toe, pakte haar bij de schouders en drong haar in hare kamer terug, waarvan de deur achter haar dichtklapte.Squambo keerde toen bij de beide Texars terug. Zijne houding duidde genoeg aan, dat hij slechts bevelen wachtte, dat hij uitvoeren zou wat men hem zou gelasten. Maar het onverwachte van dat tooneel had de beide broeders meer geschokt, dan men wel veronderstellen zou, wanneer men hun stoutmoedig en gewelddadig karakter in aanmerking nam. Zij raadpleegden elkander met den blik.Zermah was intusschen in een hoek van hare kamer gekropen, nadat zij het kind op de bladeren legerstede had neergelegd. Hare koelbloedigheid kreeg weer de overhand. Zij sprong op, naderde de deur om te kunnen hooren, wat thans gesproken zoude worden. Haar lot zou ongetwijfeld binnen weinige oogenblikken beslist zijn. Maar de beide Texars en Squambo waren buiten de wigwam getreden, zoodat hunne woorden haar oor niet meer konden bereiken.Ziehier evenwel welke gesprekken die drie aterlingen voerden:»Zermah moet sterven!”»Ja, dat moet!”»Wanneer zij er in slaagde te ontsnappen, of wanneer de Federalisten haar bevrijdden, dan waren wij reddeloos verloren. Zij sterve dus!”»Dadelijk!” antwoordde Squambo.En hij wilde reeds met een dolk in de hand op de wigwam toetreden, toen een der beide Texars hem tegenhield.»Laten wij nog wachten,” zei deze.»Wachten?”»Ja, wij zullen altijd Zermah kunnen doen verdwijnen, niet waar? Thans zijn hare zorgen noodig voor het kind; ten minste tot zoolang wij haar niet door eene andere vervangen zullen hebben... Laten wij beginnen met ons rekenschap van den toestand te geven. Volgens een bevelschrift van den Commodore Dupont doorkruist thans een detachement der Noordelijke marinetroepen het cypressenbosch. Welnu, laten wij eerst de omstreken van het eiland en van het meer doorzoeken. Niets bewijst dat die troepenafdeeling, welke naar het zuiden marcheert, herwaarts zal komen. Wanneer het hierheen komt, dan is het tijd om te vluchten. Richt het zijn marsch niet naar dezen kant, dan blijven wij stil hier en laten hen de moeraslanden van Florida verder binnentrekken. Daar zal het aan onze genade of ongenade overgeleverd zijn; want wij zullen dan den tijd hebben om het grootste gedeelte der militie-troepen, die op het grondgebied ronddolen, bijeen te verzamelen. Wij zullen hen, in plaats van te vluchten, dan vervolgen; wij zullen dat met goed gevolg kunnen, want wij zullen dan verreweg de overmacht hebben. Wij zullen hen den terugtocht afsnijden en... zijn er ettelijke zeelieden aan het bloedbad van Kissimmee ontsnapt, hier in de Everglades zal geen enkele Noordelijke den noodlottigen dans ontkomen.”In de gegeven omstandigheden was dat wel de beste partij die te kiezen was. Een groot aantal aanhangers der Zuidelijken waren thans in de streek vereenigd en wachtten slechts op eene gelegenheid om tegen de Federalisten op te treden. Wanneer een der Texars met zijne makkers de omstreken zoude verkend hebben, dan zou besloten kunnen worden, of zij het eiland Garneral zouden kunnen blijven bezetten, of dat zij naar de omstreken van de Zandkaap zouden terugtrekken. Dat zou men den volgenden dag reeds weten.Wat Zermah betreft, daaromtrent was men het eens. Onverschillig welken uitslag de verkenningstocht zoude hebben, Squambo zou de opdracht ontvangen, zich door middel van een dolkstoot van hare stilzwijgendheid te verzekeren.»Wat het kind betreft,” ging een der tweelingen voort, »het is van het grootste belang voor ons, dat het in het leven blijft. Het meisje heeft onmogelijk gevat, wat Zermah begrepen heeft. Zij kan den prijs van ons losgeld worden, voor het geval wij in handen van kapitein Howick vallen. Om zijn dochtertje terug te hebben, zou master James Burbank ieder voorstel aannemen, dat ons in het hoofd zoude komen om hem op te leggen; niet alleen zijne borgstelling; voor onze straffeloosheid, maar ook de prijs waarop wij de invrijheidstelling van zijn kind zouden bepalen.”»Maar is het niet te vreezen,” vroeg de Indiaan, »dat wanneer Zermah dood zal zijn, het kleintje bezwijken zal?”»Neen,” antwoordde een der Texars.»Waarom niet?”»Omdat het kind geene zorgen zullen ontbreken.”»Hoe zoo? Verklaar u nader.”»Wel, ik zal gemakkelijk eene Indiaansche vinden, die de mestiesche wel zal vervangen.”»Het zij zoo. Waar het vooral op aan komt, is, dat wij niets meer van Zermah te duchten hebben.”»Juist.”»Welnu, wat er ook gebeure, zij zal weldra den laatsten snik gegeven hebben.”Met die woorden werd het gesprek der tweelingen besloten.Zermah hoorde hen binnen de wigwam wederkeeren.Maar welken nacht bracht de rampzalige vrouw door!Zij wist dat zij veroordeeld was; maar zij dacht aan zich zelve niet. Omtrent haar lot bekommerde zij zich al heel weinig; zij was met de gedachte vertrouwd, steeds gereed te zijn haar leven voor hare meesters veil te hebben.Maar dacht zij niet aan zich zelve, dan dacht zij des te meer aan de kleine Dy. Wat zou van het teere schepseltje worden, wanneer zij verlaten achterbleef te midden van die meedoogenlooze kerels. En al nam zij ook al aan, dat die ellendelingen er belang bij hadden, dat het kind bleef leven, zou het tengere meisje niet bezwijken, wanneer Zermah er niet meer zou zijn, om haar hare zorgen te wijden?Die gedachte, of wel die vraag werd eene ware marteling voor haar. Zij kon haar niet verdrijven. Zij keerde steeds hardnekkig weder. Onbewust werd zij ten gevolge van die hardnekkigheid door eene andere gedachte ingenomen, als het ware bezeten, namelijk deze: dat zij vluchten wilde, vóórdat Texar haar van het kind zoude gescheiden hebben.De rampzalige mestiesche vrouw dacht gedurende dien eindeloozen nacht aan niets anders dan aan de uitvoering van dat plan.Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz. 215).Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz.215).Intusschen, van het afgeluisterde gesprek was haar bijgebleven, dat een der beide Texars den volgenden ochtend de omstreken van het meer met zijne metgezellen zou gaan verkennen. Klaarblijkelijk was men van meening, het federalistisch detachement weerstand te bieden, wanneer men het ontmoette. Maar de mogelijkheid moest daartoe bestaan. En om die mogelijkheid bestaanbaar te maken, zou Texar zich doen vergezellen zoowel door zijn geheele personeel als door de partijgangers zijns broeders. Deze laatste zou alleen op het eiland achterblijven ongetwijfeld, zoowel om niet herkend te worden en het geheim van den dubbelgang niet te verraden, als om de wigwam te bewaken.Dan zou Zermah pogen te ontvluchten. Misschien zou zij er in slagen, een of ander wapen te vinden of te bemachtigen, en was dat het geval... dan zou zij bij voorkomende gelegenheid, wanneer de nood daartoe dwong, niet aarzelen er gebruik van te maken.De nacht spoedde onder deze overdenkingen en bij het beramen van deze plannen ten einde.Tevergeefs had Zermah beproefd eenige gevolgtrekking te bouwen op de verschillende geluiden, welke op het eiland vernomen werden. En onbestemd werkte de hoop daarbij mede, welke zij koesterde, dat de troep van kapitein Howick kon aankomen om zich van Texar meester te maken.Weinige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag, ontwaakte het kind, hetwelk een weinig rust genoten had. Zermah reikte haar wat drinkwater toe, hetgeen haar scheen te verkwikken. Daarna keek zij het kind met eene aandacht aan, alsof zij het niet meer zou weerzien en sloot het onstuimig aan hare borst. Wanneer iemand in dit oogenblik binnengetreden was, met het doel haar van het kind te scheiden, dan zou zij het met de verwoedheid van een wild dier, waaraan men zijne welpen ontnemen wil, verdedigd hebben.»Wat is er toch, goede Zermah?” vroeg het kind.»Niets... niets!” prevelde de arme vrouw.»Jawel, er scheelt u iets. Kom zeg het mij, wat is het?”»Neen, niets Dy, niets!”»En mama...”»Mama, vraagt ge?”»Ja, Zermah, wanneer zullen wij die weerzien?”»Weldra,” antwoordde de mestiesche aarzelend.»Weldra?” vroeg het kind met nadruk.»Ja, weldra... misschien heden nog... Ja lieve... Ik hoop dat wij heden verre zullen zijn...”»En die mannen, die ik hedennacht gezien heb?...”»Hebt ge die mannen goed bekeken, Dy?” vroeg Zermah.»Ja... maar o! wat was ik bang voor hen!”»Maar gij hebt ze toch goed bekeken?”»Ja zeker.”»Hebt gij opgemerkt, hoezeer ze op elkander geleken?”»Ja, Zermah!”»Welnu, onthoud dat goed. Vergeet niet aan uwen vader, aan uwen broeder te zeggen: dat het twee broeders zijn... hoort ge: twee broeders Texar, die zoodanig op elkander gelijken, dat men hen niet onderscheiden kan.”»Maar gij zult dat ook zeggen, niet waar?” vroeg het kind.»Ja... ik zal dat ook zeggen... Maar, intusschen... mocht ik er niet zijn, dan moogt gij dat niet vergeten, hoort ge?...”»En waarom zoudt gij er niet zijn?” vroeg het arme kind, terwijl zij hare armpjes om den hals der mestiesche vrouw sloeg. »Waarom zoudt gij er niet zijn?”»Ik zal er ook zijn, ja, zeker zal ik er zijn, mijn lief kind,” hernam Zermah met stokkende stem.»Dan is het goed.”»Maar, daar wij, wanneer wij vertrekken, een langen weg af te leggen hebben... zult gij krachten moeten opdoen. Kom, ik zal uw ontbijt gereed maken. En dan moet gij u eens flink te goed doen.”»En gij?”»O, ik heb ontbeten terwijl gij sliept, lieve. Waarlijk, ik heb geen eetlust meer.”De waarheid was, dat Zermah onmogelijk eten kon, al was het nog zoo weinig, in den toestand van opwinding, waarin zij zich bevond.Na ontbeten te hebben, ging het kind weer op hare legerstede van bladerenliggenen sliep een poos in.Zermah nam toen plaats bij eene opening of eene reet, welke in den hoek van het vertrek tusschen het riet van de gevlochten omwanding bestond. Van uit dien hoek sloeg zij gedurende een vol uur alles gade, wat daarbuiten voorviel. En dat zij dat met de grootste stiptheid volvoerde, is te begrijpen, daar dat voor haar van het grootste belang kon zijn.Alras bemerkte zij, dat men daar voorbereidende maatregelen tot vertrek trof.Een der broeders Texar—een enkele slechts—liet zich zien en gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep, die het cypressenbosch onder zijne leiding zoude onderzoeken. De andere, wien niemand gezien had, hield zich waarschijnlijk in de wigwam of op eene plek elders op het eiland verborgen.Zoo dacht Zermah er ten minste over, nu zij met hun geheim bekend was en nu zij kon gissen, welke zorg zij aan den dag legden, om hun dubbelgang verborgen te houden. Zij begreep ten volle daarenboven, dat hem der beide broeders, die op het eiland achterbleef, de taak ten deel viel, om het kind en haar te bewaken.Zermah vergiste zich niet, zooals de lezer weldra bemerken zal.De partijgangers en slaven waren intusschen bijeen geroepen en stonden—een vijftigtal sterk—voor de wigwam, de bevelen van hun opperhoofd af te wachten.Het was ongeveer negen uur in den ochtend, toen de troep aftrok en zich naar den rand van het bosch begaf. Het vereischte evenwel eenigen tijd alvorens dien te bereiken, daar de pont, welke hen overvoeren moest, slechts vijf of zes man te gelijk kon overzetten. Zermah zag hen met kleine groepen in het vaartuig afdalen en tegen den anderen oever opklimmen. Van haar standpunt achter de gevlochten omwanding, kon zij niet bemerken hetgeen op de oppervlakte van het kanaal, dat veel lager dan het maaiveld van het eiland gelegen was, voorviel.Texar, die tot het laatst achtergebleven was, verdween op zijne beurt, gevolgd door een zijner honden, welks instinct hij bij de expeditie wenschte te benutten. De andere waakhond keerde op een wenk van zijn baas naar de wigwam terug, alsof hij alleen met de bewaking daarvan belast ware.Een oogenblik later zag Zermah Texar den tegenovergestelden oever beklimmen, alwaar hij zich voor een oogenblik ophield om zijn troep behoorlijk op te stellen.Daarna verdwenen allen met Squambo, de Indiaan, die door den speurhond vergezeld was, aan het hoofd, achter de reusachtige rietstengels van den oever en tusschen de struiken en onder de kruinen van het bosch.Een der negers had voorzeker de pont naar de overzijde teruggevoerd, om te beletten dat iemand naar het eiland zou kunnen oversteken. De mestiesche vrouw kon het vaartuig evenwel niet ontwaren en moest in de meening verkeeren, dat het den oever van het kanaal gevolgd had.Toen aarzelde zij niet meer.De kleine Dy was zooeven wakker geworden. Haar vermagerd lichaampje was pijnlijk om aan te zien onder hare kleertjes, die ten gevolge der doorgestane vermoeienissen zeer veel geleden hadden en op vele plaatsen deerlijk versleten waren.»Kom, lieve,” zei Zermah.»Waarheen?”»Kom maar.”Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz. 219).Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz.219).»Ik wou toch weten waarheen, goede Zermah,” herhaalde hetmeisje met zachte stem, maar toch met een soort van eigenzinnigheid, aan kinderen zoo eigen.»Daarheen... daar in het bosch... Daar zullen wij waarschijnlijk uw vader en uw broeder aantreffen.”»O, dat is heerlijk!” kreet Dy.»Shut!... Zachter!... Maar Dy, zult ge niet bang in dat bosch zijn?”»Zeker niet! Als ik bij u ben, goede Zermah, ben ik nooit bang.”»Kom dan.”De zelfopofferende vrouw opende toen met de meest mogelijke voorzorgen de deur. Daar zij geen gerucht in het belendende vertrek vernomen had, kon zij veronderstellen, dat Texar niet in de wigwam was.En inderdaad, er was niemand.Al dadelijk keek Zermah naar eenig wapen uit, dat zij gebruiken kon, en waarvan zij ook vast besloten was gebruik te maken, wanneer iemand haar het vluchten zou willen beletten. Op de tafel bespeurde zij een van die dolken met breed lemmet, waarvan de Indianen zich bij hunne jachtpartijen bedienen. Zij greep dien dolk en verborg hem onder hare kleeding. Zij nam ook eenige reepen gedroogd vleesch mede, die hare voeding gedurende eenige dagen moesten uitmaken.Thans kwam het er op aan om de wigwam te verlaten. Zermah tuurde door de reten van de gevlochten omwanding in de richting van het kanaal. Geen enkel levend wezen bewoog zich op dat gedeelte van het eiland; zij zag zelfs den speurhond niet, die tot bewaking van de woning achtergelaten was.Eenigermate gerustgesteld poogde toen de mestiesche vrouw de buitendeur te openen. Deze evenwel bood aan die poging weerstand; zij was aan den buitenkant gegrendeld.Zermah keerde toen dadelijk met het kind naar hare kamer terug. Er bleef haar toen niets anders te doen over dan het gat te benutten, dat reeds in de omwanding bestond en onder hare vingeren reeds eenigszins verwijd was.Die arbeid was niet moeielijk. De koene vrouw kon den dolk gebruiken om de bindrotting door te snijden, welke het vlechtwerk te zamen bond. Zij vorderde dan ook spoedig, zonder merkbaar gerucht te maken.Maar al bespeurde Zermah den waakhond thans niet, zou dat ook zoo blijven, wanneer zij naar buiten zou treden? Zou het dier dan niet toeijlen, om zich op haar en op het kind te werpen? Als zij daaraan dacht, dan scheen het haar verkieselijker toe, een tijger te ontmoeten.Toch mocht zij niet aarzelen. Toen het gat in de omwandinggroot genoeg was, trok zij het kind tot zich en drukte het met eene hartstochtelijke beweging aan de borst. Wederkeerig kuste en liefkoosde het meisje haar met innigheid. Zij had begrepen dat zij vluchten moesten, vluchten door dat gat.Zermah kroop door de gemaakte opening. Eerst keek zij scherp links en rechts uit, en luisterde aandachtig. Geen enkel geluid werd vernomen. Toen kroop de kleine Dy door het gat.In dit oogenblik liet het hondengeblaf zich hooren. Het scheen zeer verwijderd van den westkant van het eiland te komen. Zermah had het kind gegrepen. Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. Zij begreep dat aan geene betrekkelijke veiligheid te gelooven viel, alvorens zij achter de rietbosschen op den anderen oever zoude verdwenen zijn.Maar het moeielijkste en gevaarlijkste van de geheele onderneming was, de ruimte van ongeveer honderd pas zee over te steken, welke de wigwam van het kanaal scheidde. Men liep er groote kans om door Texar of door een der slaven, die op het eiland achtergebleven waren, bespeurd te worden.Gelukkig verhief zich rechts van de wigwam een dicht boschje van boomachtige struiken, met biezen vermengd, hetwelk zich tot op den oever van het kanaal, tot op weinige meters slechts van de plek waar de pont moest liggen, uitstrekte.Zermah besloot, zich te midden van den dichten plantengroei van dat boschje te begeven, en weldra had zij dat voornemen uitgevoerd. De meer dan twee meter hooge gewassen verleenden doortocht aan de beide vluchtelingen, en hun gebladerte sloot zich achter haar aan elkander. Van hondengeblaf werd niets meer vernomen.Dat sluipen door die struiken geschiedde evenwel niet zonder moeite en inspanning. De arme schepsels moesten zich soms tusschen de dunne stammen en takken der boompjes, die slechts eene betrekkelijke ruimte aanboden, als het ware wringen. Weldra waren de kleeren van Zermah aan flarden gescheurd en waren hare handen vol bloed. Maar wat kon haar dat schelen! Als zij er maar in slaagde het kleine kind te vrijwaren voor de scherpe lange doornen, welke die gewassen in groote menigte overdekten. Die prikken, die verwondingen konden der moedige vrouw geen kreet, zelfs geen gebaar van pijn afdwingen. Toch gebeurde het dat, in weerwil van hare opoffering, in weerwil van hare zorgen, de kleine Dy aan handjes en armpjes verwond werd. Maar het lieve kind liet geen klacht hooren.Hoewel de af te leggen afstand slechts kort was, een zestig meter ongeveer, was er toch een vol half uur noodig om den oever van het kanaal te bereiken.Zermah hield toen halt en tuurde tusschen de biezenstengelsdoor, eerst in de richting van de wigwam, daarna in de richting van het woud.Niemand werd onder het hoog geboomte van het eiland ontwaard. Ook op den anderen oever werd niets bespeurd van Texar en zijne makkers, die zich toen op een afstand van een of twee mijlen in het innerlijke van het bosch moesten bevinden. Wanneer zij geene ontmoeting met de Noordelijken hadden, dan zouden zij niet dan over ettelijke uren naar het eiland wederkeeren.Intusschen kon Zermah nog maar niet gelooven, dat zij in de wigwam alleen achtergelaten was. Het was toch ook niet te veronderstellen, dat die der beide broeders Texar, welke daags te voren met een troep partijgenooten aangekomen was, het eiland dienzelfden nacht verlaten had, noch dat de hond hem gevolgd was. Daarenboven, de arme vluchtelinge had het geblaf duidelijk gehoord en was dat voor haar een bewijs, dat de speurhond nog tusschen de struiken ronddoolde. Ieder oogenblik kon zij den een of den ander zien te voorschijn komen; misschien was het mogelijk, wanneer zij zich haastte, het Cypressenbosch te bereiken.De lezer zal voorzeker niet vergeten hebben, dat Zermah, terwijl zij den overtocht van het kanaal door de makkers van den Spanjaard bespiedde, zij door de hoogte van de biezen, die op de oevers groeiden, en ook door de verhevenheid der oevers zelven, de pont niet had kunnen zien, wanneer die overvoer.Nu twijfelde Zermah er niet aan, dat die pont door een der slaven naar het eiland teruggebracht was. Dat kwam haar voor de veiligheid van de wigwam noodzakelijk voor, voor het geval dat de soldaten van kapiteinHowicker in slaagden de Zuidelijken om te trekken.En toch was het ook mogelijk, dat de pont bij den tegenovergestelden oever gebleven was. Dat kon voorzichtig heeten, om den terugtocht van Texar en de zijnen te verzekeren, wanneer zij door de Federalisten op den voet achtervolgd werden. De arme vrouw bedacht dat thans ook.... Maar wat zou zij in dat geval moeten doen, om den anderen oever te bereiken? Zou zij dan eene schuilplaats te midden van de wildernis zoeken? En zou zij daar moeten wachten totdat de Spanjaard verjaagd werd en naar de Everglades zoude vertrekken, om zich daar te bergen?Maar al besloot hij daartoe ook, dan zou hij niet daartoe overgaan zonder al het mogelijke in het werk gesteld te hebben, om Zermah en het kind weer te vinden. Alles zou dus daarin alleen eene oplossing vinden, indien de vluchtelinge de pont vond, om daarmede het kanaal over te steken.Zermah sloop over eene uitgestrektheid van vijf of zes meters tusschen de biezen door. Bij den oever gekomen, bleef zij staan....De pont bevond zich aan de overzijde.“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz. 224).“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz.224).

Hoezeer de beide Texars zich ook in gewone omstandigheden wisten te beheerschen, zoo was het hun thans onmogelijk om zich te bedwingen. Sedert hunne kindsheid als het ware, was het de eerste maal dat zij door een derde persoon te zamen gezien werden. En die persoon was hun ergste vijandin. Zij stoven dan ook in het eerste oogenblik van hunnen toorn op, zij wilden zich op haar werpen om haar te dooden, ten einde het geheim van hunnen dubbelgang te redden...

Het kind had zich in de armen van Zermah opgericht en riep, terwijl het de kleine handjes uitstak:

»Ik ben bang!... Ik ben bang!”

Op een gebaar der beide broeders stapte Squambo vol ijver op de mestiesche vrouw toe, pakte haar bij de schouders en drong haar in hare kamer terug, waarvan de deur achter haar dichtklapte.

Squambo keerde toen bij de beide Texars terug. Zijne houding duidde genoeg aan, dat hij slechts bevelen wachtte, dat hij uitvoeren zou wat men hem zou gelasten. Maar het onverwachte van dat tooneel had de beide broeders meer geschokt, dan men wel veronderstellen zou, wanneer men hun stoutmoedig en gewelddadig karakter in aanmerking nam. Zij raadpleegden elkander met den blik.

Zermah was intusschen in een hoek van hare kamer gekropen, nadat zij het kind op de bladeren legerstede had neergelegd. Hare koelbloedigheid kreeg weer de overhand. Zij sprong op, naderde de deur om te kunnen hooren, wat thans gesproken zoude worden. Haar lot zou ongetwijfeld binnen weinige oogenblikken beslist zijn. Maar de beide Texars en Squambo waren buiten de wigwam getreden, zoodat hunne woorden haar oor niet meer konden bereiken.

Ziehier evenwel welke gesprekken die drie aterlingen voerden:

»Zermah moet sterven!”

»Ja, dat moet!”

»Wanneer zij er in slaagde te ontsnappen, of wanneer de Federalisten haar bevrijdden, dan waren wij reddeloos verloren. Zij sterve dus!”

»Dadelijk!” antwoordde Squambo.

En hij wilde reeds met een dolk in de hand op de wigwam toetreden, toen een der beide Texars hem tegenhield.

»Laten wij nog wachten,” zei deze.

»Wachten?”

»Ja, wij zullen altijd Zermah kunnen doen verdwijnen, niet waar? Thans zijn hare zorgen noodig voor het kind; ten minste tot zoolang wij haar niet door eene andere vervangen zullen hebben... Laten wij beginnen met ons rekenschap van den toestand te geven. Volgens een bevelschrift van den Commodore Dupont doorkruist thans een detachement der Noordelijke marinetroepen het cypressenbosch. Welnu, laten wij eerst de omstreken van het eiland en van het meer doorzoeken. Niets bewijst dat die troepenafdeeling, welke naar het zuiden marcheert, herwaarts zal komen. Wanneer het hierheen komt, dan is het tijd om te vluchten. Richt het zijn marsch niet naar dezen kant, dan blijven wij stil hier en laten hen de moeraslanden van Florida verder binnentrekken. Daar zal het aan onze genade of ongenade overgeleverd zijn; want wij zullen dan den tijd hebben om het grootste gedeelte der militie-troepen, die op het grondgebied ronddolen, bijeen te verzamelen. Wij zullen hen, in plaats van te vluchten, dan vervolgen; wij zullen dat met goed gevolg kunnen, want wij zullen dan verreweg de overmacht hebben. Wij zullen hen den terugtocht afsnijden en... zijn er ettelijke zeelieden aan het bloedbad van Kissimmee ontsnapt, hier in de Everglades zal geen enkele Noordelijke den noodlottigen dans ontkomen.”

In de gegeven omstandigheden was dat wel de beste partij die te kiezen was. Een groot aantal aanhangers der Zuidelijken waren thans in de streek vereenigd en wachtten slechts op eene gelegenheid om tegen de Federalisten op te treden. Wanneer een der Texars met zijne makkers de omstreken zoude verkend hebben, dan zou besloten kunnen worden, of zij het eiland Garneral zouden kunnen blijven bezetten, of dat zij naar de omstreken van de Zandkaap zouden terugtrekken. Dat zou men den volgenden dag reeds weten.

Wat Zermah betreft, daaromtrent was men het eens. Onverschillig welken uitslag de verkenningstocht zoude hebben, Squambo zou de opdracht ontvangen, zich door middel van een dolkstoot van hare stilzwijgendheid te verzekeren.

»Wat het kind betreft,” ging een der tweelingen voort, »het is van het grootste belang voor ons, dat het in het leven blijft. Het meisje heeft onmogelijk gevat, wat Zermah begrepen heeft. Zij kan den prijs van ons losgeld worden, voor het geval wij in handen van kapitein Howick vallen. Om zijn dochtertje terug te hebben, zou master James Burbank ieder voorstel aannemen, dat ons in het hoofd zoude komen om hem op te leggen; niet alleen zijne borgstelling; voor onze straffeloosheid, maar ook de prijs waarop wij de invrijheidstelling van zijn kind zouden bepalen.”

»Maar is het niet te vreezen,” vroeg de Indiaan, »dat wanneer Zermah dood zal zijn, het kleintje bezwijken zal?”

»Neen,” antwoordde een der Texars.

»Waarom niet?”

»Omdat het kind geene zorgen zullen ontbreken.”

»Hoe zoo? Verklaar u nader.”

»Wel, ik zal gemakkelijk eene Indiaansche vinden, die de mestiesche wel zal vervangen.”

»Het zij zoo. Waar het vooral op aan komt, is, dat wij niets meer van Zermah te duchten hebben.”

»Juist.”

»Welnu, wat er ook gebeure, zij zal weldra den laatsten snik gegeven hebben.”

Met die woorden werd het gesprek der tweelingen besloten.

Zermah hoorde hen binnen de wigwam wederkeeren.

Maar welken nacht bracht de rampzalige vrouw door!

Zij wist dat zij veroordeeld was; maar zij dacht aan zich zelve niet. Omtrent haar lot bekommerde zij zich al heel weinig; zij was met de gedachte vertrouwd, steeds gereed te zijn haar leven voor hare meesters veil te hebben.

Maar dacht zij niet aan zich zelve, dan dacht zij des te meer aan de kleine Dy. Wat zou van het teere schepseltje worden, wanneer zij verlaten achterbleef te midden van die meedoogenlooze kerels. En al nam zij ook al aan, dat die ellendelingen er belang bij hadden, dat het kind bleef leven, zou het tengere meisje niet bezwijken, wanneer Zermah er niet meer zou zijn, om haar hare zorgen te wijden?

Die gedachte, of wel die vraag werd eene ware marteling voor haar. Zij kon haar niet verdrijven. Zij keerde steeds hardnekkig weder. Onbewust werd zij ten gevolge van die hardnekkigheid door eene andere gedachte ingenomen, als het ware bezeten, namelijk deze: dat zij vluchten wilde, vóórdat Texar haar van het kind zoude gescheiden hebben.

De rampzalige mestiesche vrouw dacht gedurende dien eindeloozen nacht aan niets anders dan aan de uitvoering van dat plan.

Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz. 215).Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz.215).

Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz.215).

Intusschen, van het afgeluisterde gesprek was haar bijgebleven, dat een der beide Texars den volgenden ochtend de omstreken van het meer met zijne metgezellen zou gaan verkennen. Klaarblijkelijk was men van meening, het federalistisch detachement weerstand te bieden, wanneer men het ontmoette. Maar de mogelijkheid moest daartoe bestaan. En om die mogelijkheid bestaanbaar te maken, zou Texar zich doen vergezellen zoowel door zijn geheele personeel als door de partijgangers zijns broeders. Deze laatste zou alleen op het eiland achterblijven ongetwijfeld, zoowel om niet herkend te worden en het geheim van den dubbelgang niet te verraden, als om de wigwam te bewaken.

Dan zou Zermah pogen te ontvluchten. Misschien zou zij er in slagen, een of ander wapen te vinden of te bemachtigen, en was dat het geval... dan zou zij bij voorkomende gelegenheid, wanneer de nood daartoe dwong, niet aarzelen er gebruik van te maken.

De nacht spoedde onder deze overdenkingen en bij het beramen van deze plannen ten einde.

Tevergeefs had Zermah beproefd eenige gevolgtrekking te bouwen op de verschillende geluiden, welke op het eiland vernomen werden. En onbestemd werkte de hoop daarbij mede, welke zij koesterde, dat de troep van kapitein Howick kon aankomen om zich van Texar meester te maken.

Weinige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag, ontwaakte het kind, hetwelk een weinig rust genoten had. Zermah reikte haar wat drinkwater toe, hetgeen haar scheen te verkwikken. Daarna keek zij het kind met eene aandacht aan, alsof zij het niet meer zou weerzien en sloot het onstuimig aan hare borst. Wanneer iemand in dit oogenblik binnengetreden was, met het doel haar van het kind te scheiden, dan zou zij het met de verwoedheid van een wild dier, waaraan men zijne welpen ontnemen wil, verdedigd hebben.

»Wat is er toch, goede Zermah?” vroeg het kind.

»Niets... niets!” prevelde de arme vrouw.

»Jawel, er scheelt u iets. Kom zeg het mij, wat is het?”

»Neen, niets Dy, niets!”

»En mama...”

»Mama, vraagt ge?”

»Ja, Zermah, wanneer zullen wij die weerzien?”

»Weldra,” antwoordde de mestiesche aarzelend.

»Weldra?” vroeg het kind met nadruk.

»Ja, weldra... misschien heden nog... Ja lieve... Ik hoop dat wij heden verre zullen zijn...”

»En die mannen, die ik hedennacht gezien heb?...”

»Hebt ge die mannen goed bekeken, Dy?” vroeg Zermah.

»Ja... maar o! wat was ik bang voor hen!”

»Maar gij hebt ze toch goed bekeken?”

»Ja zeker.”

»Hebt gij opgemerkt, hoezeer ze op elkander geleken?”

»Ja, Zermah!”

»Welnu, onthoud dat goed. Vergeet niet aan uwen vader, aan uwen broeder te zeggen: dat het twee broeders zijn... hoort ge: twee broeders Texar, die zoodanig op elkander gelijken, dat men hen niet onderscheiden kan.”

»Maar gij zult dat ook zeggen, niet waar?” vroeg het kind.

»Ja... ik zal dat ook zeggen... Maar, intusschen... mocht ik er niet zijn, dan moogt gij dat niet vergeten, hoort ge?...”

»En waarom zoudt gij er niet zijn?” vroeg het arme kind, terwijl zij hare armpjes om den hals der mestiesche vrouw sloeg. »Waarom zoudt gij er niet zijn?”

»Ik zal er ook zijn, ja, zeker zal ik er zijn, mijn lief kind,” hernam Zermah met stokkende stem.

»Dan is het goed.”

»Maar, daar wij, wanneer wij vertrekken, een langen weg af te leggen hebben... zult gij krachten moeten opdoen. Kom, ik zal uw ontbijt gereed maken. En dan moet gij u eens flink te goed doen.”

»En gij?”

»O, ik heb ontbeten terwijl gij sliept, lieve. Waarlijk, ik heb geen eetlust meer.”

De waarheid was, dat Zermah onmogelijk eten kon, al was het nog zoo weinig, in den toestand van opwinding, waarin zij zich bevond.

Na ontbeten te hebben, ging het kind weer op hare legerstede van bladerenliggenen sliep een poos in.

Zermah nam toen plaats bij eene opening of eene reet, welke in den hoek van het vertrek tusschen het riet van de gevlochten omwanding bestond. Van uit dien hoek sloeg zij gedurende een vol uur alles gade, wat daarbuiten voorviel. En dat zij dat met de grootste stiptheid volvoerde, is te begrijpen, daar dat voor haar van het grootste belang kon zijn.

Alras bemerkte zij, dat men daar voorbereidende maatregelen tot vertrek trof.

Een der broeders Texar—een enkele slechts—liet zich zien en gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep, die het cypressenbosch onder zijne leiding zoude onderzoeken. De andere, wien niemand gezien had, hield zich waarschijnlijk in de wigwam of op eene plek elders op het eiland verborgen.

Zoo dacht Zermah er ten minste over, nu zij met hun geheim bekend was en nu zij kon gissen, welke zorg zij aan den dag legden, om hun dubbelgang verborgen te houden. Zij begreep ten volle daarenboven, dat hem der beide broeders, die op het eiland achterbleef, de taak ten deel viel, om het kind en haar te bewaken.

Zermah vergiste zich niet, zooals de lezer weldra bemerken zal.

De partijgangers en slaven waren intusschen bijeen geroepen en stonden—een vijftigtal sterk—voor de wigwam, de bevelen van hun opperhoofd af te wachten.

Het was ongeveer negen uur in den ochtend, toen de troep aftrok en zich naar den rand van het bosch begaf. Het vereischte evenwel eenigen tijd alvorens dien te bereiken, daar de pont, welke hen overvoeren moest, slechts vijf of zes man te gelijk kon overzetten. Zermah zag hen met kleine groepen in het vaartuig afdalen en tegen den anderen oever opklimmen. Van haar standpunt achter de gevlochten omwanding, kon zij niet bemerken hetgeen op de oppervlakte van het kanaal, dat veel lager dan het maaiveld van het eiland gelegen was, voorviel.

Texar, die tot het laatst achtergebleven was, verdween op zijne beurt, gevolgd door een zijner honden, welks instinct hij bij de expeditie wenschte te benutten. De andere waakhond keerde op een wenk van zijn baas naar de wigwam terug, alsof hij alleen met de bewaking daarvan belast ware.

Een oogenblik later zag Zermah Texar den tegenovergestelden oever beklimmen, alwaar hij zich voor een oogenblik ophield om zijn troep behoorlijk op te stellen.

Daarna verdwenen allen met Squambo, de Indiaan, die door den speurhond vergezeld was, aan het hoofd, achter de reusachtige rietstengels van den oever en tusschen de struiken en onder de kruinen van het bosch.

Een der negers had voorzeker de pont naar de overzijde teruggevoerd, om te beletten dat iemand naar het eiland zou kunnen oversteken. De mestiesche vrouw kon het vaartuig evenwel niet ontwaren en moest in de meening verkeeren, dat het den oever van het kanaal gevolgd had.

Toen aarzelde zij niet meer.

De kleine Dy was zooeven wakker geworden. Haar vermagerd lichaampje was pijnlijk om aan te zien onder hare kleertjes, die ten gevolge der doorgestane vermoeienissen zeer veel geleden hadden en op vele plaatsen deerlijk versleten waren.

»Kom, lieve,” zei Zermah.

»Waarheen?”

»Kom maar.”

Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz. 219).Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz.219).

Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz.219).

»Ik wou toch weten waarheen, goede Zermah,” herhaalde hetmeisje met zachte stem, maar toch met een soort van eigenzinnigheid, aan kinderen zoo eigen.

»Daarheen... daar in het bosch... Daar zullen wij waarschijnlijk uw vader en uw broeder aantreffen.”

»O, dat is heerlijk!” kreet Dy.

»Shut!... Zachter!... Maar Dy, zult ge niet bang in dat bosch zijn?”

»Zeker niet! Als ik bij u ben, goede Zermah, ben ik nooit bang.”

»Kom dan.”

De zelfopofferende vrouw opende toen met de meest mogelijke voorzorgen de deur. Daar zij geen gerucht in het belendende vertrek vernomen had, kon zij veronderstellen, dat Texar niet in de wigwam was.

En inderdaad, er was niemand.

Al dadelijk keek Zermah naar eenig wapen uit, dat zij gebruiken kon, en waarvan zij ook vast besloten was gebruik te maken, wanneer iemand haar het vluchten zou willen beletten. Op de tafel bespeurde zij een van die dolken met breed lemmet, waarvan de Indianen zich bij hunne jachtpartijen bedienen. Zij greep dien dolk en verborg hem onder hare kleeding. Zij nam ook eenige reepen gedroogd vleesch mede, die hare voeding gedurende eenige dagen moesten uitmaken.

Thans kwam het er op aan om de wigwam te verlaten. Zermah tuurde door de reten van de gevlochten omwanding in de richting van het kanaal. Geen enkel levend wezen bewoog zich op dat gedeelte van het eiland; zij zag zelfs den speurhond niet, die tot bewaking van de woning achtergelaten was.

Eenigermate gerustgesteld poogde toen de mestiesche vrouw de buitendeur te openen. Deze evenwel bood aan die poging weerstand; zij was aan den buitenkant gegrendeld.

Zermah keerde toen dadelijk met het kind naar hare kamer terug. Er bleef haar toen niets anders te doen over dan het gat te benutten, dat reeds in de omwanding bestond en onder hare vingeren reeds eenigszins verwijd was.

Die arbeid was niet moeielijk. De koene vrouw kon den dolk gebruiken om de bindrotting door te snijden, welke het vlechtwerk te zamen bond. Zij vorderde dan ook spoedig, zonder merkbaar gerucht te maken.

Maar al bespeurde Zermah den waakhond thans niet, zou dat ook zoo blijven, wanneer zij naar buiten zou treden? Zou het dier dan niet toeijlen, om zich op haar en op het kind te werpen? Als zij daaraan dacht, dan scheen het haar verkieselijker toe, een tijger te ontmoeten.

Toch mocht zij niet aarzelen. Toen het gat in de omwandinggroot genoeg was, trok zij het kind tot zich en drukte het met eene hartstochtelijke beweging aan de borst. Wederkeerig kuste en liefkoosde het meisje haar met innigheid. Zij had begrepen dat zij vluchten moesten, vluchten door dat gat.

Zermah kroop door de gemaakte opening. Eerst keek zij scherp links en rechts uit, en luisterde aandachtig. Geen enkel geluid werd vernomen. Toen kroop de kleine Dy door het gat.

In dit oogenblik liet het hondengeblaf zich hooren. Het scheen zeer verwijderd van den westkant van het eiland te komen. Zermah had het kind gegrepen. Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. Zij begreep dat aan geene betrekkelijke veiligheid te gelooven viel, alvorens zij achter de rietbosschen op den anderen oever zoude verdwenen zijn.

Maar het moeielijkste en gevaarlijkste van de geheele onderneming was, de ruimte van ongeveer honderd pas zee over te steken, welke de wigwam van het kanaal scheidde. Men liep er groote kans om door Texar of door een der slaven, die op het eiland achtergebleven waren, bespeurd te worden.

Gelukkig verhief zich rechts van de wigwam een dicht boschje van boomachtige struiken, met biezen vermengd, hetwelk zich tot op den oever van het kanaal, tot op weinige meters slechts van de plek waar de pont moest liggen, uitstrekte.

Zermah besloot, zich te midden van den dichten plantengroei van dat boschje te begeven, en weldra had zij dat voornemen uitgevoerd. De meer dan twee meter hooge gewassen verleenden doortocht aan de beide vluchtelingen, en hun gebladerte sloot zich achter haar aan elkander. Van hondengeblaf werd niets meer vernomen.

Dat sluipen door die struiken geschiedde evenwel niet zonder moeite en inspanning. De arme schepsels moesten zich soms tusschen de dunne stammen en takken der boompjes, die slechts eene betrekkelijke ruimte aanboden, als het ware wringen. Weldra waren de kleeren van Zermah aan flarden gescheurd en waren hare handen vol bloed. Maar wat kon haar dat schelen! Als zij er maar in slaagde het kleine kind te vrijwaren voor de scherpe lange doornen, welke die gewassen in groote menigte overdekten. Die prikken, die verwondingen konden der moedige vrouw geen kreet, zelfs geen gebaar van pijn afdwingen. Toch gebeurde het dat, in weerwil van hare opoffering, in weerwil van hare zorgen, de kleine Dy aan handjes en armpjes verwond werd. Maar het lieve kind liet geen klacht hooren.

Hoewel de af te leggen afstand slechts kort was, een zestig meter ongeveer, was er toch een vol half uur noodig om den oever van het kanaal te bereiken.

Zermah hield toen halt en tuurde tusschen de biezenstengelsdoor, eerst in de richting van de wigwam, daarna in de richting van het woud.

Niemand werd onder het hoog geboomte van het eiland ontwaard. Ook op den anderen oever werd niets bespeurd van Texar en zijne makkers, die zich toen op een afstand van een of twee mijlen in het innerlijke van het bosch moesten bevinden. Wanneer zij geene ontmoeting met de Noordelijken hadden, dan zouden zij niet dan over ettelijke uren naar het eiland wederkeeren.

Intusschen kon Zermah nog maar niet gelooven, dat zij in de wigwam alleen achtergelaten was. Het was toch ook niet te veronderstellen, dat die der beide broeders Texar, welke daags te voren met een troep partijgenooten aangekomen was, het eiland dienzelfden nacht verlaten had, noch dat de hond hem gevolgd was. Daarenboven, de arme vluchtelinge had het geblaf duidelijk gehoord en was dat voor haar een bewijs, dat de speurhond nog tusschen de struiken ronddoolde. Ieder oogenblik kon zij den een of den ander zien te voorschijn komen; misschien was het mogelijk, wanneer zij zich haastte, het Cypressenbosch te bereiken.

De lezer zal voorzeker niet vergeten hebben, dat Zermah, terwijl zij den overtocht van het kanaal door de makkers van den Spanjaard bespiedde, zij door de hoogte van de biezen, die op de oevers groeiden, en ook door de verhevenheid der oevers zelven, de pont niet had kunnen zien, wanneer die overvoer.

Nu twijfelde Zermah er niet aan, dat die pont door een der slaven naar het eiland teruggebracht was. Dat kwam haar voor de veiligheid van de wigwam noodzakelijk voor, voor het geval dat de soldaten van kapiteinHowicker in slaagden de Zuidelijken om te trekken.

En toch was het ook mogelijk, dat de pont bij den tegenovergestelden oever gebleven was. Dat kon voorzichtig heeten, om den terugtocht van Texar en de zijnen te verzekeren, wanneer zij door de Federalisten op den voet achtervolgd werden. De arme vrouw bedacht dat thans ook.... Maar wat zou zij in dat geval moeten doen, om den anderen oever te bereiken? Zou zij dan eene schuilplaats te midden van de wildernis zoeken? En zou zij daar moeten wachten totdat de Spanjaard verjaagd werd en naar de Everglades zoude vertrekken, om zich daar te bergen?

Maar al besloot hij daartoe ook, dan zou hij niet daartoe overgaan zonder al het mogelijke in het werk gesteld te hebben, om Zermah en het kind weer te vinden. Alles zou dus daarin alleen eene oplossing vinden, indien de vluchtelinge de pont vond, om daarmede het kanaal over te steken.

Zermah sloop over eene uitgestrektheid van vijf of zes meters tusschen de biezen door. Bij den oever gekomen, bleef zij staan....

De pont bevond zich aan de overzijde.

“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz. 224).“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz.224).

“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz.224).

XV.De beide broeders.De toestand was voorwaar wanhopig. Hoe toch dat kanaal over te steken? Een koene zwemmer zou zich niet te water kunnen begeven zonder gevaar te loopen twintig malen het leven er bij in te schieten. Ja, het is waar, het kanaal was slechts een honderd voet breed, van den eenen oever tot den anderen gemeten. Maar toch was de overtocht zonder vaartuig onmogelijk. Hier en daar toch staken driekante koppen boven het water uit en men kon de waterplanten onder den druk der kruipende dieren zien bewegen.De kleine Dy, schier waanzinnig van angst, sloot zich dicht tegen Zermah aan. O, wanneer het voldoende geweest ware om het kind te redden, dat de mestiesche vrouw zich te midden van die monsters te water begaf, die haar als eene reusachtige poliep met hare duizenden vangarmen zouden aangevat en omkronkeld hebben, inderdaad zij zou geen oogenblik geaarzeld hebben!Maar om hier redding aan te brengen, zou waarlijk de tusschenkomst der Voorzienigheid noodig zijn. Ja, der Voorzienigheid; want hier kon God slechts helpen! Zermah zag geen heil meer dan in en door Hem. Zij knielde neer op den oever en smeekte de Almacht, die alles en dus ook het toeval in zijne hand heeft en waarvan Hij zich meestal bedient als uitvoerder van zijn Goddelijken wil.Intusschen konden van het eene oogenblik tot het andere eenige der makkers van Texar uit den rand van het woud te voorschijn treden. Ook kon die Texar, welke op het eiland achtergebleven was, naar de wigwam terugkeeren. Hij zou Dy en Zermah missen en dadelijk zijne nasporingen beginnen....»O God...”zuchttede rampzalige vrouw. »Mijn God hebt toch medelijden.”Hare blikken zwierven zoekend rond, terwijl zij zoo bad.... Plotseling vestigde haar oog zich naar den rechter-oever van het kanaal.Het water stroomde zachtkens naar het noordelijk gedeelte van het meer, waar eenige spruiten vlieten van deCaloosahatchee, een der riviertjes, die in de Golf van Mexico uitmonden, maar waardoor het meer Okee-cho-bee, bij de groote maandelijksche springvloeden watertoevoer krijgt.Een boomstam, die met den stroom afdreef, was met een tak aan den wal blijven haken. Zou die stronk niet dienen kunnen om het kanaal over te steken? Door den invloed van een bocht, zette de stroom toch naar de overzijde en zou hen tot bij het Cypressenwoud voeren. Dat was te beproeven. In ieder geval, al dreef die boomstam ook weer naar het eiland terug, dan zou de toestand niet erger kunnen worden dan hij reeds was.Zonder verder nadenken en als bij instinct ijlde Zermah op den drijvenden boomstam toe. Wanneer zij tijd tot overwegen had genomen, dan ware zij waarschijnlijk teruggedeinsd bij de gedachte, dat waterplanten dat vervoermiddel konden weerhouden in het midden van het kanaal, waarin slangen en ander ongedierte als het ware krioelden. Jawel! Jawel! maar alles, hoe vreeselijk ook was te verkiezen boven het verblijven op het eiland! Zermah greep dan ook Dy, tilde haar op, en na zich goed met de eene hand aan de takken vastgegrepen te hebben, werkte zij den boomstam van den oever los.Deze volgde onmiddellijk den stroomdraad en toonde neiging naar den anderen oever over te trekken.Zermah poogde intusschen zich te midden der takken van den gevallen woudreus te verbergen. Dat was zoozeer niet noodig, daar de beide oevers van het kanaal eenzaam en verlaten waren. Geen geluid, noch van den kant van het eiland, noch van den kant van het Cypressenwoud, werd vernomen. De mestiesche vrouw zou, wanneer zij maar eenmaal het kanaal overgetrokken was, wel eene schuilplaats tot het vallen van den avond vinden, totdat zij zonder gevaar van ontdekt te worden, het bosch zou kunnen binnendringen. De hoop was in haar hart weergekeerd. Zij dacht ternauwernood meer aan de slangen, welker koppen ter weerszijden van den boomstronk gezien werden en die tot in de lage takken kropen en wiemelden. Het kleine kind had van angst de oogen gesloten. Zermah klemde haar met de eene hand tegen hare borst, met de andere hield zij zich gereed op die monsters toe te steken. Maar, hetzij dat die ondieren verschrikt op het gezicht van den dolk, die hen dreigde, hetzij dat zij slechts onder water te duchten waren, zij klommen niet tegen den boomstam op.Eindelijk bereikte de drijvende stronk het midden van het kanaal, vanwaar de stroom schuins naar het Cypressenwoud overstak. Wanneer hij niet in de waterplanten verward raakte, dan zou hij,alvorens een kwartier verloopen zoude zijn, den anderen oever bereikt hebben. En dan... dan... hoe groot en menigvuldig de gevaren dan ook nog waren, dan waren zij, volgens berekening van Zermah, buiten het bereik van Texar.Plotseling klemde de arme vrouw het kind steviger in hare armen.Verwoed geblaf werd plotseling op het eiland vernomen. Bijna onmiddellijk daarop verscheen een hond op den oever van het kanaal, dien hij in vollen ren volgde.Zermah herkende den speurhond, die door den Spanjaard ter bewaking van de wigwam achtergelaten was.Ter gewilde hoogte gekomen, scheen de hond met overeindstaande haren, met van woede flikkerende oogen, gereed te zijn, in het water te springen, in weerwil van de slangen, die aan de oppervlakte wiemelden.In dat oogenblik verscheen een man op den oever van het eiland.Dat was die der twee Texars, die achter gebleven was. Door het geblaf van den hond gewaarschuwd, kwam hij aangeloopen.Welke woede hem bezielde, toen hij Dy en Zermah op dien boomstam drijvende zag, is onmogelijk te beschrijven. Hij kon hen niet achtervolgen, omdat de pont aan de overzijde van het kanaal vastgemaakt lag. Om haar weer in handen te krijgen, bestond maar één middel, namelijk Zermah te dooden, op gevaar af ook het kind op te offeren. Texar had bij het vernemen van het hondengeblaf in der haast een geweer gegrepen. Dat wapen bracht hij thans aan den schouder en mikte op de mestiesche vrouw, die het kleine kind met haar lichaam poogde te dekken.Plotseling sprong de hond, die aan eene doldriftige opwinding ten prooi was, in het kanaal. Texar was van meening, dat hij dien maar al vast moest laten begaan.De hond zwom met spoed naar den boomstam. Zermah hield het gevest van den dolk in hare vastklemmende hand en was gereed toe te stooten... Dat was evenwel niet noodig.In een ondeelbaar oogenblik hadden de slangen den hond, in weerwil dat hij hunne giftige beten met zijne machtige tanden poogde te beantwoorden, omkronkeld en verdween hij weldra onder de waterplanten.Texar had den dood van zijn hond moeten aanzien zonder hem hulp te kunnen bieden... Zermah was op het punt te ontsnappen.»Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij.Andermaal bracht hij het geweer aan den schouder, mikte gedurende een zeer korte poos en vuurde, maar de boomstam raakte juist in dat oogenblik den overoever en schokte hevig, waardoor de kogel der mestiesche vrouw slechts licht aan den schouder kwetste.De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz. 230).De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz.230).Weinige seconden later lag de boomstam zoo dicht langs denoever, dat Zermah met het kind in hare armen op den oever sprong en te midden van de dichte bergen verdwenen was. Natuurlijk was het geheel overbodig, haar een tweeden kogel na te zenden. Die zou haar toch niet geraakt hebben. In weinige oogenblikken had zij het uitgestrekte cypressenwoud bereikt.Intusschen, al had de mestiesche vrouw niets meer te vreezen van diengeen der twee Texars, die op het eiland achtergebleven was, zoo sloot dat de mogelijkheid niet uit, dat zij diens broeder ontmoeten en in zijn handen vallen kon.Hare eerste zorg was dan ook, om zich zoo spoedig en zoo ver mogelijk van het eiland Garneral te verwijderen. Wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, zou zij hare schreden naar het Washington-meer richten. En te baat nemende alles wat zij aan lichamelijke kracht en zedelijke geestkracht bezat, liep, vloog zij eerder dan dat zij voortstapte, waarbij zij, terwijl zij het kind, dat haar niet zou kunnen volgen zonder haar te vertragen, op de armen droeg, op goed geluk de een of andere richting insloeg. De kleine en nog zwakke beentjes van Dy zouden haar lichaam niet hebben kunnen torsen, wanneer zij over dien ongelijken bodem had moeten voortstappen, te midden van de moeraskuilen, die allerwege aangetroffen werden en die, als waren het wolfskuilen voor het oog verborgen, zeer gevaarlijk waren, te midden van die boomstronken en wortelknoesten, die wild en woest door elkander gegroeid, even zoovele onuitwarbare hinderpalen vormden.Zermah stapte dus voort met haren dierbaren last op hare armen, waarvan zij de zwaarte niet scheen te achten. Soms stond zij stil—niet zoozeer om weer bij adem te komen, dan wel om het oor te spitsen, ten einde al de geluiden van het woud waar te kunnen nemen.Nu eens meende zij geblaf te hooren en zou dat van geen ander dier afkomstig zijn, dan van den anderen speurhond, die door Texar medegenomen was; dan weer vernam zij in de verte geweerschoten. Zij vroeg zich dan af, of de partijgangers der Zuidelijken niet handgemeen waren met het federalistisch detachement. Maar wanneer zij dan later inzag, dat al die geluiden slechts veroorzaakt werden òf door den een of anderen nabootsenden vogel, òf door het knappen van droge takken, die door het afbreken hunner vezels een knal als van een pistoolschot lieten vernemen, dan hervatte zij haren slechts voor een poos gestoorden marsch.Thans nu zij met hoop bezield was, wilde zij, vóórdat zij de bronnen der Sint John-rivier bereikt had, geen der gevaren zien, die haar bedreigden.Zoo stapte zij gedurende een vol uur moedig en vastberaden in oostelijke richting voort, waarbij zij zich van het meerOkee-cho-beeverwijderde, ten einde dichter bij den Atlantischen Oceaan te geraken. Zij redeneerde alzoo en met reden: dat de vaartuigen van het smaldeel van den Commodore Dupont op de kusten van Florida zouden kruisen, om het detachement af te wachten, hetwelk onder de bevelen van kapitein Howick naar den wal gezonden was. En zou het nu onder die omstandigheden onmogelijk geacht kunnen worden, dat eenige sloepen langs die kust op brandwacht lagen?...Zermah bleef plotseling stil staan. Neen, ditmaal vergiste zij zich niet. Een woedend geblaf werd onder het geboomte van het woud vernomen en naderde, naar het geluid te oordeelen, zeer snel. Zermah herkende de stem van het dier, die zij zoo dikwijls gehoord had, wanneer de beide speurhonden rondom het blokhuis in de Zwarte Kreek doolden.»O God,” dacht zij, »die hond is ons op het spoor, en Texar kan thans niet meer ver af zijn.”Haar eerste zorg was dan ook, naar eenig dicht struikgewas uit te zien, om zich daarin met het kind te verschuilen. Maar zou zij aan het reukorgaan van een dier ontsnappen, dat zoo slim als wreedaardig en daarenboven op de jacht der gevluchte slaven gedresseerd was en hen dadelijk op het spoor kwam?Het geblaf naderde al meer en meer, en weldra werd in de verte reeds geschreeuw vernomen.Een oude cypresboom, welks stam door ouderdom uitgehold was en waaromheen de klimplanten en de banen een dik kleed van groen gevlochten hadden, verhief zich op een kleinen afstand van daar.Zermah verborg zich in allerijl in die uitholling, welke ruim genoeg was, om haar en het meisje te bevatten. Toen zij er ingekropen waren, vielen de lianenstengels en klimopranken als een gordijn voor de opening neder.Maar de speurhond was haar op het spoor. Slechts weinige minuten later ontwaarde Zermah hem voor de opening. Hij blafte met klimmende woede en ijlde met een sprong vooruit, om de opening binnen te dringen.Een dolkstoot deed hem afdeinzen, terwijl hij verschrikkelijk jankte.Bijna onmiddellijk daarna werd het geluid van voetstappen vernomen; herhaaldelijk geroep en het antwoord daarop weerklonk door het bosch, en onder de stemmen, die zich het meest deden gelden, kwamen die van Texar en van Squambo het duidelijkst uit.Het waren inderdaad de Spanjaard en zijne makkers, die het meer trachtten te bereiken, om aan het federalistisch detachement te ontsnappen. Zij hadden dat plotseling in het cypressenbosch ontmoet; maar daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden, hadden zij in allerijl den terugtocht aangenomen. Texar poogde het eilandGarneral langs den kortsten afstand te bereiken, om het breede kanaal tusschen hem en de federalisten te stellen. Daar deze dat breede vaarwater niet zonder vaartuig zouden kunnen oversteken, zouden zij door dien hinderpaal opgehouden worden. Dan zouden de partijgenooten van Texar van dat oogenblik van uitstel gebruik maken, om den anderen oever van het eiland te bereiken, om vandaar, wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, de pont te gebruiken, om op den zuidelijken oever van het meer te ontschepen.Toen Texar en Squambo bij den cypressenboom waren aangekomen, waarvoor de hond nog steeds stond te janken, zagen zij bloedvlekken op den grond, en bij nader inzien bespeurden zij, dat het dier belangrijk in de zijde verwond was.»Die hond is gekwetst,” riep Texar.»Ja, door een messteek, en dat nog slechts weinige oogenblikken geleden. Kijk, het bloed rookt nog.”»Wie zou dat...?”In dit oogenblik sprong de hond weer op het gordijn van groen terug, dat Squambo met zijn geweer optilde.»Zermah!” riep hij uit.»En het kind!” schreeuwde Texar. »Hoe hebben zij kunnen ontvluchten? Ter dood, dat wijf ter dood!”De uitgeputte vrouw werd door Squambo ontwapend op het oogenblik, dat zij op Texar toesteken wilde. Daarna werd zij zoo woest en wild uit hare schuilplaats gesleurd, dat het kind haar ontviel en te midden van die reuzen-paddestoelen rolde, te midden van die perisen, welke zoo overvloedig in de Amerikaansche cypressenbosschen voorkomen.Bij den ondervonden schok barstte een dier paddestoelen los alsof het een vuurwapen ware geweest. Een fijn lichtgevend stof vermengde zich in de lucht. Op hetzelfde oogenblik sprongen andere perisen op hun beurt open. Het was een spektakel alsof daar in dat bosch een groot vuurwerk afgestoken werd, waarvan de vuurpijlen en voetzoekers elkander kruisten.Texar, door die myriaden van sporen verblind, die plotseling de lucht vervulden, was verplicht geweest Zermah, die hij gegrepen en ter aarde gedrukt had en boven wie hij zijn dolk reeds opgeheven had, los te laten, terwijl Squambo zich in dezelfde noodlottige positie bevond en zich ook de oogen stond te wrijven. Gelukkig dat de mestiesche vrouw en het kind, welke op den grond uitgestrekt lagen, door die sporen, welke boven hunne hoofden uit de paddestoelen losbarstten, niet bereikt werden.Toch zou Zermah onmogelijk Texar hebben kunnen ontkomen. De lucht toch werd, nadat de laatste losbarsting een korte poos geleden geschied was, weder inadembaar.Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz. 231).Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz.231).Maar toen werden andermaal losbarstingen vernomen—ditmaal losbarstingen van vuurwapenen.Het was het federalistisch detachement, hetwelk de partijgangers der Zuidelijken zoo ter juister tijd aantastte. Deze laatsten waren in een ondeelbaar oogenblik omsingeld door de zeelieden van kapitein Howick, en moesten de wapens afgeven. In dat oogenblik stootte Texar, die Zermah andermaal aangegrepen had, den dolk in de volle borst.»Het kind!... ontvoer het kind!” riep hij Squambo toe.De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer, toen plotseling een geweerschot weerklonk. Door een kogel in het hart getroffen, welke Gilbert Burbank op hem afgezonden had, stortte hij dood op den grond.Allen waren thans vereenigd in dat cypressenbosch: master James Burbank, Gilbert Burbank, Edward Carrol, Mars, de negers van Camdless-Bay, de mariniers van kapitein Howick, die met aangelegd geweer de Zuidelijken bedreigden. Texar stond met opgeheven hoofd naast het lijk van Squambo.Eenige der partijgangers hadden evenwel kunnen ontvluchten en waren naar den kant van het eiland Garneral geijld.Wat kan dat schelen? Niemand sloeg er acht op. Allen voelden zich gelukkig. Lag toch het kleine kind, het verloren meisje niet in de armen haars vaders, die haar vol vreugde maar toch angstig omklemde, alsof hij vreesde dat zij hem andermaal ontrukt zoude worden. Gilbert Burbank en Mars waren op een knie naast Zermah neergezeten en poogden hare levensgeesten op te wekken. De arme vrouw ademde nog, maar kon niet spreken. Mars ondersteunde haar hoofd, riep haar, omhelsde haar....Zermah opende de oogen. Zij zag het kind in de armen van haren vader, zij herkende Mars, die haar met kussen overdekte, zij glimlachte hen toe. Daarna sloot zij de oogen weer.Mars stond op en zag toen eerst Texar. Hij sprong op hem toe, terwijl hij de woorden uitkreet, die hem zoo dikwijls ontvallen waren:»Texar dooden!... Texar dooden!”»Laat af, Mars,” zei kapitein Howick. »Laat het aan ons over dien ellendeling recht te plegen en hem zijn verdiend loon te geven!”Daarop zich tot den Spanjaard wendende:»Gij zijt Texar, van de Zwarte Kreek?” vroeg hij.»Ik heb daarop niet te antwoorden,” hernam Texar.»Master James Burbank, de luitenant Gilbert, Edward Carrol en Mars kennen en herkennen u.”»En wat zou dat?”»Gij zult doodgeschoten worden!”»Ga uw gang!”Toen riep de kleine Dy tot verwondering van allen uit, terwijl zij zich tot haren vader wendde:»Vader,” zei zij, »het zijn twee broeders.... twee booze mannen... die op elkander gelijken.”»Twee mannen?...”»Ja!... Zermah heeft mij zeer op het hart gedrukt, u dat te zeggen.”Het zou uiterst moeielijk geweest zijn te begrijpen, wat deze zonderlinge woorden van het kind moesten beteekenen. Maar de verklaring werd er als het ware dadelijk van gegeven en wel op de meest onverwachte wijze.Texar was toch naar den voet van een boom geleid. Daar stond hij eene sigarette te rooken, die hij, zonder de minste vrees te laten blijken, aangestoken had en keek master James Burbank onbeschaamd in het gezicht. Plotseling, toen het executie-peloton, dat hem zou doodschieten, reeds aangetreden en gericht stond, sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste.Dat was de tweede Texar, wien de ontvluchte partijgangers op het eiland Garneral de gevangenneming van zijn broeder medegedeeld hadden.Het gezicht van die twee mannen, wier gelijkenis zoo treffend juist was, verduidelijkte thans de woorden, door het meisje gesproken. Men had thans de onthulling voor zich van dat misdadige leven, dat als het ware door onverklaarbare alibi’s beschermd was geworden.En thans verrees het geheele verleden der Texars, door hun beider tegenwoordigheid voldoende verklaard en getuigde tegen hen.Intusschen veroorzaakte toch de tusschenkomst van den laatst aangekomen broeder eene zekere aarzeling bij de ten uitvoerlegging der bevelen van den Commodore.Inderdaad, de last om Texar dadelijk dood te schieten, door Dupont verstrekt, gold slechts den schuldige aan de verraderlijke hinderlaag, waarbij de officieren en zeelieden van de federalistische sloepen te Kissimmee omgekomen waren. Wat den schuldige aan de plundering en brandstichting van Camdless Bay en aan de ontvoering der beide vrouwelijke wezens betrof, die moest naar Sint Augustijn overgevoerd worden, om daar voor een krijgsraad terecht te staan.En toch, kon men de beide broeders niet als even schuldigbeschouwenaan die lange reeks van misdaden, die zijongestrafthadden kunnen bedrijven?Voorzeker! Maar uit eerbied voor de wet, rekende kapitein Howick zich verplicht, hen de volgende vraag te stellen:»Wie uwer bekent de schuldige te zijn aan de slachting te Kissimmee?”Geen antwoord.De beide Texars waren klaarblijkelijk vast besloten, om niet te antwoorden op de vragen, die hen gesteld zouden worden.Zermah alleen zou aanwijzingen hebben kunnen geven omtrent ieders aandeel in de gepleegde misdaden. Inderdaad, diegene der twee broeders, die bij haar op den 22stenMaart in de Zwarte Kreek gebleven was, kon de dader niet zijn van den overval, dienzelfden dag op een afstand van honderd mijlen in het zuiden van Florida gepleegd, maar deze, de ware schuldige aan de ontvoering, deze zou door Zermah ongetwijfeld herkend worden.... Maar was de arme vrouw niet dood?...Neen, dat was zij niet. Ondersteund door haren echtgenoot, verscheen zij in dien kring van mannen. Daar aangekomen, sprak zij met nauw verstaanbare stem:»Hij, die schuldig aan de ontvoering van de kleine Dy en van mij is, is op den linkerarm getatoueerd....”Bij die woorden zag men een glimlach van minachting op het gelaat der beide broeders ontluiken. Zij stroopten hun mouw op en vertoonden hun linkerarm, die van beiden getatoueerd was.Tegenover deze nieuwe onmogelijkheid, om hen den een van den ander te onderscheiden, vergenoegde kapitein Howick zich deze vraag te stellen:»Wie is de dader van den overval te Kissimmee? Die moet gefusilleerd worden.”»Ik,” antwoordden beide broeders tegelijkertijd.Op dat antwoord legde het executie-peloton op de veroordeelden aan, die elkander voor het laatst omhelsden.De kommandeerende officier gaf een teeken. Slechts één knal werd vernomen. Met de hand in elkander geklemd, vielen beiden.Zoo eindigde het leven van die twee mannen, met misdaden beladen, welke hunne buitengewone gelijkenis hen veroorloofd had gedurende een geheele reeks van jaren straffeloos te bedrijven.Het eenige menschelijke gevoel, dat zij ooit ondervonden hadden, was die onbedwingbare vriendschap van den eenen broeder voor den anderen, die hen bezield had en tot in den dood gevolgd was.

De toestand was voorwaar wanhopig. Hoe toch dat kanaal over te steken? Een koene zwemmer zou zich niet te water kunnen begeven zonder gevaar te loopen twintig malen het leven er bij in te schieten. Ja, het is waar, het kanaal was slechts een honderd voet breed, van den eenen oever tot den anderen gemeten. Maar toch was de overtocht zonder vaartuig onmogelijk. Hier en daar toch staken driekante koppen boven het water uit en men kon de waterplanten onder den druk der kruipende dieren zien bewegen.

De kleine Dy, schier waanzinnig van angst, sloot zich dicht tegen Zermah aan. O, wanneer het voldoende geweest ware om het kind te redden, dat de mestiesche vrouw zich te midden van die monsters te water begaf, die haar als eene reusachtige poliep met hare duizenden vangarmen zouden aangevat en omkronkeld hebben, inderdaad zij zou geen oogenblik geaarzeld hebben!

Maar om hier redding aan te brengen, zou waarlijk de tusschenkomst der Voorzienigheid noodig zijn. Ja, der Voorzienigheid; want hier kon God slechts helpen! Zermah zag geen heil meer dan in en door Hem. Zij knielde neer op den oever en smeekte de Almacht, die alles en dus ook het toeval in zijne hand heeft en waarvan Hij zich meestal bedient als uitvoerder van zijn Goddelijken wil.

Intusschen konden van het eene oogenblik tot het andere eenige der makkers van Texar uit den rand van het woud te voorschijn treden. Ook kon die Texar, welke op het eiland achtergebleven was, naar de wigwam terugkeeren. Hij zou Dy en Zermah missen en dadelijk zijne nasporingen beginnen....

»O God...”zuchttede rampzalige vrouw. »Mijn God hebt toch medelijden.”

Hare blikken zwierven zoekend rond, terwijl zij zoo bad.... Plotseling vestigde haar oog zich naar den rechter-oever van het kanaal.

Het water stroomde zachtkens naar het noordelijk gedeelte van het meer, waar eenige spruiten vlieten van deCaloosahatchee, een der riviertjes, die in de Golf van Mexico uitmonden, maar waardoor het meer Okee-cho-bee, bij de groote maandelijksche springvloeden watertoevoer krijgt.

Een boomstam, die met den stroom afdreef, was met een tak aan den wal blijven haken. Zou die stronk niet dienen kunnen om het kanaal over te steken? Door den invloed van een bocht, zette de stroom toch naar de overzijde en zou hen tot bij het Cypressenwoud voeren. Dat was te beproeven. In ieder geval, al dreef die boomstam ook weer naar het eiland terug, dan zou de toestand niet erger kunnen worden dan hij reeds was.

Zonder verder nadenken en als bij instinct ijlde Zermah op den drijvenden boomstam toe. Wanneer zij tijd tot overwegen had genomen, dan ware zij waarschijnlijk teruggedeinsd bij de gedachte, dat waterplanten dat vervoermiddel konden weerhouden in het midden van het kanaal, waarin slangen en ander ongedierte als het ware krioelden. Jawel! Jawel! maar alles, hoe vreeselijk ook was te verkiezen boven het verblijven op het eiland! Zermah greep dan ook Dy, tilde haar op, en na zich goed met de eene hand aan de takken vastgegrepen te hebben, werkte zij den boomstam van den oever los.

Deze volgde onmiddellijk den stroomdraad en toonde neiging naar den anderen oever over te trekken.

Zermah poogde intusschen zich te midden der takken van den gevallen woudreus te verbergen. Dat was zoozeer niet noodig, daar de beide oevers van het kanaal eenzaam en verlaten waren. Geen geluid, noch van den kant van het eiland, noch van den kant van het Cypressenwoud, werd vernomen. De mestiesche vrouw zou, wanneer zij maar eenmaal het kanaal overgetrokken was, wel eene schuilplaats tot het vallen van den avond vinden, totdat zij zonder gevaar van ontdekt te worden, het bosch zou kunnen binnendringen. De hoop was in haar hart weergekeerd. Zij dacht ternauwernood meer aan de slangen, welker koppen ter weerszijden van den boomstronk gezien werden en die tot in de lage takken kropen en wiemelden. Het kleine kind had van angst de oogen gesloten. Zermah klemde haar met de eene hand tegen hare borst, met de andere hield zij zich gereed op die monsters toe te steken. Maar, hetzij dat die ondieren verschrikt op het gezicht van den dolk, die hen dreigde, hetzij dat zij slechts onder water te duchten waren, zij klommen niet tegen den boomstam op.

Eindelijk bereikte de drijvende stronk het midden van het kanaal, vanwaar de stroom schuins naar het Cypressenwoud overstak. Wanneer hij niet in de waterplanten verward raakte, dan zou hij,alvorens een kwartier verloopen zoude zijn, den anderen oever bereikt hebben. En dan... dan... hoe groot en menigvuldig de gevaren dan ook nog waren, dan waren zij, volgens berekening van Zermah, buiten het bereik van Texar.

Plotseling klemde de arme vrouw het kind steviger in hare armen.

Verwoed geblaf werd plotseling op het eiland vernomen. Bijna onmiddellijk daarop verscheen een hond op den oever van het kanaal, dien hij in vollen ren volgde.

Zermah herkende den speurhond, die door den Spanjaard ter bewaking van de wigwam achtergelaten was.

Ter gewilde hoogte gekomen, scheen de hond met overeindstaande haren, met van woede flikkerende oogen, gereed te zijn, in het water te springen, in weerwil van de slangen, die aan de oppervlakte wiemelden.

In dat oogenblik verscheen een man op den oever van het eiland.

Dat was die der twee Texars, die achter gebleven was. Door het geblaf van den hond gewaarschuwd, kwam hij aangeloopen.

Welke woede hem bezielde, toen hij Dy en Zermah op dien boomstam drijvende zag, is onmogelijk te beschrijven. Hij kon hen niet achtervolgen, omdat de pont aan de overzijde van het kanaal vastgemaakt lag. Om haar weer in handen te krijgen, bestond maar één middel, namelijk Zermah te dooden, op gevaar af ook het kind op te offeren. Texar had bij het vernemen van het hondengeblaf in der haast een geweer gegrepen. Dat wapen bracht hij thans aan den schouder en mikte op de mestiesche vrouw, die het kleine kind met haar lichaam poogde te dekken.

Plotseling sprong de hond, die aan eene doldriftige opwinding ten prooi was, in het kanaal. Texar was van meening, dat hij dien maar al vast moest laten begaan.

De hond zwom met spoed naar den boomstam. Zermah hield het gevest van den dolk in hare vastklemmende hand en was gereed toe te stooten... Dat was evenwel niet noodig.

In een ondeelbaar oogenblik hadden de slangen den hond, in weerwil dat hij hunne giftige beten met zijne machtige tanden poogde te beantwoorden, omkronkeld en verdween hij weldra onder de waterplanten.

Texar had den dood van zijn hond moeten aanzien zonder hem hulp te kunnen bieden... Zermah was op het punt te ontsnappen.

»Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij.

Andermaal bracht hij het geweer aan den schouder, mikte gedurende een zeer korte poos en vuurde, maar de boomstam raakte juist in dat oogenblik den overoever en schokte hevig, waardoor de kogel der mestiesche vrouw slechts licht aan den schouder kwetste.

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz. 230).De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz.230).

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz.230).

Weinige seconden later lag de boomstam zoo dicht langs denoever, dat Zermah met het kind in hare armen op den oever sprong en te midden van de dichte bergen verdwenen was. Natuurlijk was het geheel overbodig, haar een tweeden kogel na te zenden. Die zou haar toch niet geraakt hebben. In weinige oogenblikken had zij het uitgestrekte cypressenwoud bereikt.

Intusschen, al had de mestiesche vrouw niets meer te vreezen van diengeen der twee Texars, die op het eiland achtergebleven was, zoo sloot dat de mogelijkheid niet uit, dat zij diens broeder ontmoeten en in zijn handen vallen kon.

Hare eerste zorg was dan ook, om zich zoo spoedig en zoo ver mogelijk van het eiland Garneral te verwijderen. Wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, zou zij hare schreden naar het Washington-meer richten. En te baat nemende alles wat zij aan lichamelijke kracht en zedelijke geestkracht bezat, liep, vloog zij eerder dan dat zij voortstapte, waarbij zij, terwijl zij het kind, dat haar niet zou kunnen volgen zonder haar te vertragen, op de armen droeg, op goed geluk de een of andere richting insloeg. De kleine en nog zwakke beentjes van Dy zouden haar lichaam niet hebben kunnen torsen, wanneer zij over dien ongelijken bodem had moeten voortstappen, te midden van de moeraskuilen, die allerwege aangetroffen werden en die, als waren het wolfskuilen voor het oog verborgen, zeer gevaarlijk waren, te midden van die boomstronken en wortelknoesten, die wild en woest door elkander gegroeid, even zoovele onuitwarbare hinderpalen vormden.

Zermah stapte dus voort met haren dierbaren last op hare armen, waarvan zij de zwaarte niet scheen te achten. Soms stond zij stil—niet zoozeer om weer bij adem te komen, dan wel om het oor te spitsen, ten einde al de geluiden van het woud waar te kunnen nemen.

Nu eens meende zij geblaf te hooren en zou dat van geen ander dier afkomstig zijn, dan van den anderen speurhond, die door Texar medegenomen was; dan weer vernam zij in de verte geweerschoten. Zij vroeg zich dan af, of de partijgangers der Zuidelijken niet handgemeen waren met het federalistisch detachement. Maar wanneer zij dan later inzag, dat al die geluiden slechts veroorzaakt werden òf door den een of anderen nabootsenden vogel, òf door het knappen van droge takken, die door het afbreken hunner vezels een knal als van een pistoolschot lieten vernemen, dan hervatte zij haren slechts voor een poos gestoorden marsch.

Thans nu zij met hoop bezield was, wilde zij, vóórdat zij de bronnen der Sint John-rivier bereikt had, geen der gevaren zien, die haar bedreigden.

Zoo stapte zij gedurende een vol uur moedig en vastberaden in oostelijke richting voort, waarbij zij zich van het meerOkee-cho-beeverwijderde, ten einde dichter bij den Atlantischen Oceaan te geraken. Zij redeneerde alzoo en met reden: dat de vaartuigen van het smaldeel van den Commodore Dupont op de kusten van Florida zouden kruisen, om het detachement af te wachten, hetwelk onder de bevelen van kapitein Howick naar den wal gezonden was. En zou het nu onder die omstandigheden onmogelijk geacht kunnen worden, dat eenige sloepen langs die kust op brandwacht lagen?...

Zermah bleef plotseling stil staan. Neen, ditmaal vergiste zij zich niet. Een woedend geblaf werd onder het geboomte van het woud vernomen en naderde, naar het geluid te oordeelen, zeer snel. Zermah herkende de stem van het dier, die zij zoo dikwijls gehoord had, wanneer de beide speurhonden rondom het blokhuis in de Zwarte Kreek doolden.

»O God,” dacht zij, »die hond is ons op het spoor, en Texar kan thans niet meer ver af zijn.”

Haar eerste zorg was dan ook, naar eenig dicht struikgewas uit te zien, om zich daarin met het kind te verschuilen. Maar zou zij aan het reukorgaan van een dier ontsnappen, dat zoo slim als wreedaardig en daarenboven op de jacht der gevluchte slaven gedresseerd was en hen dadelijk op het spoor kwam?

Het geblaf naderde al meer en meer, en weldra werd in de verte reeds geschreeuw vernomen.

Een oude cypresboom, welks stam door ouderdom uitgehold was en waaromheen de klimplanten en de banen een dik kleed van groen gevlochten hadden, verhief zich op een kleinen afstand van daar.

Zermah verborg zich in allerijl in die uitholling, welke ruim genoeg was, om haar en het meisje te bevatten. Toen zij er ingekropen waren, vielen de lianenstengels en klimopranken als een gordijn voor de opening neder.

Maar de speurhond was haar op het spoor. Slechts weinige minuten later ontwaarde Zermah hem voor de opening. Hij blafte met klimmende woede en ijlde met een sprong vooruit, om de opening binnen te dringen.

Een dolkstoot deed hem afdeinzen, terwijl hij verschrikkelijk jankte.

Bijna onmiddellijk daarna werd het geluid van voetstappen vernomen; herhaaldelijk geroep en het antwoord daarop weerklonk door het bosch, en onder de stemmen, die zich het meest deden gelden, kwamen die van Texar en van Squambo het duidelijkst uit.

Het waren inderdaad de Spanjaard en zijne makkers, die het meer trachtten te bereiken, om aan het federalistisch detachement te ontsnappen. Zij hadden dat plotseling in het cypressenbosch ontmoet; maar daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden, hadden zij in allerijl den terugtocht aangenomen. Texar poogde het eilandGarneral langs den kortsten afstand te bereiken, om het breede kanaal tusschen hem en de federalisten te stellen. Daar deze dat breede vaarwater niet zonder vaartuig zouden kunnen oversteken, zouden zij door dien hinderpaal opgehouden worden. Dan zouden de partijgenooten van Texar van dat oogenblik van uitstel gebruik maken, om den anderen oever van het eiland te bereiken, om vandaar, wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, de pont te gebruiken, om op den zuidelijken oever van het meer te ontschepen.

Toen Texar en Squambo bij den cypressenboom waren aangekomen, waarvoor de hond nog steeds stond te janken, zagen zij bloedvlekken op den grond, en bij nader inzien bespeurden zij, dat het dier belangrijk in de zijde verwond was.

»Die hond is gekwetst,” riep Texar.

»Ja, door een messteek, en dat nog slechts weinige oogenblikken geleden. Kijk, het bloed rookt nog.”

»Wie zou dat...?”

In dit oogenblik sprong de hond weer op het gordijn van groen terug, dat Squambo met zijn geweer optilde.

»Zermah!” riep hij uit.

»En het kind!” schreeuwde Texar. »Hoe hebben zij kunnen ontvluchten? Ter dood, dat wijf ter dood!”

De uitgeputte vrouw werd door Squambo ontwapend op het oogenblik, dat zij op Texar toesteken wilde. Daarna werd zij zoo woest en wild uit hare schuilplaats gesleurd, dat het kind haar ontviel en te midden van die reuzen-paddestoelen rolde, te midden van die perisen, welke zoo overvloedig in de Amerikaansche cypressenbosschen voorkomen.

Bij den ondervonden schok barstte een dier paddestoelen los alsof het een vuurwapen ware geweest. Een fijn lichtgevend stof vermengde zich in de lucht. Op hetzelfde oogenblik sprongen andere perisen op hun beurt open. Het was een spektakel alsof daar in dat bosch een groot vuurwerk afgestoken werd, waarvan de vuurpijlen en voetzoekers elkander kruisten.

Texar, door die myriaden van sporen verblind, die plotseling de lucht vervulden, was verplicht geweest Zermah, die hij gegrepen en ter aarde gedrukt had en boven wie hij zijn dolk reeds opgeheven had, los te laten, terwijl Squambo zich in dezelfde noodlottige positie bevond en zich ook de oogen stond te wrijven. Gelukkig dat de mestiesche vrouw en het kind, welke op den grond uitgestrekt lagen, door die sporen, welke boven hunne hoofden uit de paddestoelen losbarstten, niet bereikt werden.

Toch zou Zermah onmogelijk Texar hebben kunnen ontkomen. De lucht toch werd, nadat de laatste losbarsting een korte poos geleden geschied was, weder inadembaar.

Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz. 231).Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz.231).

Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz.231).

Maar toen werden andermaal losbarstingen vernomen—ditmaal losbarstingen van vuurwapenen.

Het was het federalistisch detachement, hetwelk de partijgangers der Zuidelijken zoo ter juister tijd aantastte. Deze laatsten waren in een ondeelbaar oogenblik omsingeld door de zeelieden van kapitein Howick, en moesten de wapens afgeven. In dat oogenblik stootte Texar, die Zermah andermaal aangegrepen had, den dolk in de volle borst.

»Het kind!... ontvoer het kind!” riep hij Squambo toe.

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer, toen plotseling een geweerschot weerklonk. Door een kogel in het hart getroffen, welke Gilbert Burbank op hem afgezonden had, stortte hij dood op den grond.

Allen waren thans vereenigd in dat cypressenbosch: master James Burbank, Gilbert Burbank, Edward Carrol, Mars, de negers van Camdless-Bay, de mariniers van kapitein Howick, die met aangelegd geweer de Zuidelijken bedreigden. Texar stond met opgeheven hoofd naast het lijk van Squambo.

Eenige der partijgangers hadden evenwel kunnen ontvluchten en waren naar den kant van het eiland Garneral geijld.

Wat kan dat schelen? Niemand sloeg er acht op. Allen voelden zich gelukkig. Lag toch het kleine kind, het verloren meisje niet in de armen haars vaders, die haar vol vreugde maar toch angstig omklemde, alsof hij vreesde dat zij hem andermaal ontrukt zoude worden. Gilbert Burbank en Mars waren op een knie naast Zermah neergezeten en poogden hare levensgeesten op te wekken. De arme vrouw ademde nog, maar kon niet spreken. Mars ondersteunde haar hoofd, riep haar, omhelsde haar....

Zermah opende de oogen. Zij zag het kind in de armen van haren vader, zij herkende Mars, die haar met kussen overdekte, zij glimlachte hen toe. Daarna sloot zij de oogen weer.

Mars stond op en zag toen eerst Texar. Hij sprong op hem toe, terwijl hij de woorden uitkreet, die hem zoo dikwijls ontvallen waren:

»Texar dooden!... Texar dooden!”

»Laat af, Mars,” zei kapitein Howick. »Laat het aan ons over dien ellendeling recht te plegen en hem zijn verdiend loon te geven!”

Daarop zich tot den Spanjaard wendende:

»Gij zijt Texar, van de Zwarte Kreek?” vroeg hij.

»Ik heb daarop niet te antwoorden,” hernam Texar.

»Master James Burbank, de luitenant Gilbert, Edward Carrol en Mars kennen en herkennen u.”

»En wat zou dat?”

»Gij zult doodgeschoten worden!”

»Ga uw gang!”

Toen riep de kleine Dy tot verwondering van allen uit, terwijl zij zich tot haren vader wendde:

»Vader,” zei zij, »het zijn twee broeders.... twee booze mannen... die op elkander gelijken.”

»Twee mannen?...”

»Ja!... Zermah heeft mij zeer op het hart gedrukt, u dat te zeggen.”

Het zou uiterst moeielijk geweest zijn te begrijpen, wat deze zonderlinge woorden van het kind moesten beteekenen. Maar de verklaring werd er als het ware dadelijk van gegeven en wel op de meest onverwachte wijze.

Texar was toch naar den voet van een boom geleid. Daar stond hij eene sigarette te rooken, die hij, zonder de minste vrees te laten blijken, aangestoken had en keek master James Burbank onbeschaamd in het gezicht. Plotseling, toen het executie-peloton, dat hem zou doodschieten, reeds aangetreden en gericht stond, sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste.

Dat was de tweede Texar, wien de ontvluchte partijgangers op het eiland Garneral de gevangenneming van zijn broeder medegedeeld hadden.

Het gezicht van die twee mannen, wier gelijkenis zoo treffend juist was, verduidelijkte thans de woorden, door het meisje gesproken. Men had thans de onthulling voor zich van dat misdadige leven, dat als het ware door onverklaarbare alibi’s beschermd was geworden.

En thans verrees het geheele verleden der Texars, door hun beider tegenwoordigheid voldoende verklaard en getuigde tegen hen.

Intusschen veroorzaakte toch de tusschenkomst van den laatst aangekomen broeder eene zekere aarzeling bij de ten uitvoerlegging der bevelen van den Commodore.

Inderdaad, de last om Texar dadelijk dood te schieten, door Dupont verstrekt, gold slechts den schuldige aan de verraderlijke hinderlaag, waarbij de officieren en zeelieden van de federalistische sloepen te Kissimmee omgekomen waren. Wat den schuldige aan de plundering en brandstichting van Camdless Bay en aan de ontvoering der beide vrouwelijke wezens betrof, die moest naar Sint Augustijn overgevoerd worden, om daar voor een krijgsraad terecht te staan.

En toch, kon men de beide broeders niet als even schuldigbeschouwenaan die lange reeks van misdaden, die zijongestrafthadden kunnen bedrijven?

Voorzeker! Maar uit eerbied voor de wet, rekende kapitein Howick zich verplicht, hen de volgende vraag te stellen:

»Wie uwer bekent de schuldige te zijn aan de slachting te Kissimmee?”

Geen antwoord.

De beide Texars waren klaarblijkelijk vast besloten, om niet te antwoorden op de vragen, die hen gesteld zouden worden.

Zermah alleen zou aanwijzingen hebben kunnen geven omtrent ieders aandeel in de gepleegde misdaden. Inderdaad, diegene der twee broeders, die bij haar op den 22stenMaart in de Zwarte Kreek gebleven was, kon de dader niet zijn van den overval, dienzelfden dag op een afstand van honderd mijlen in het zuiden van Florida gepleegd, maar deze, de ware schuldige aan de ontvoering, deze zou door Zermah ongetwijfeld herkend worden.... Maar was de arme vrouw niet dood?...

Neen, dat was zij niet. Ondersteund door haren echtgenoot, verscheen zij in dien kring van mannen. Daar aangekomen, sprak zij met nauw verstaanbare stem:

»Hij, die schuldig aan de ontvoering van de kleine Dy en van mij is, is op den linkerarm getatoueerd....”

Bij die woorden zag men een glimlach van minachting op het gelaat der beide broeders ontluiken. Zij stroopten hun mouw op en vertoonden hun linkerarm, die van beiden getatoueerd was.

Tegenover deze nieuwe onmogelijkheid, om hen den een van den ander te onderscheiden, vergenoegde kapitein Howick zich deze vraag te stellen:

»Wie is de dader van den overval te Kissimmee? Die moet gefusilleerd worden.”

»Ik,” antwoordden beide broeders tegelijkertijd.

Op dat antwoord legde het executie-peloton op de veroordeelden aan, die elkander voor het laatst omhelsden.

De kommandeerende officier gaf een teeken. Slechts één knal werd vernomen. Met de hand in elkander geklemd, vielen beiden.

Zoo eindigde het leven van die twee mannen, met misdaden beladen, welke hunne buitengewone gelijkenis hen veroorloofd had gedurende een geheele reeks van jaren straffeloos te bedrijven.

Het eenige menschelijke gevoel, dat zij ooit ondervonden hadden, was die onbedwingbare vriendschap van den eenen broeder voor den anderen, die hen bezield had en tot in den dood gevolgd was.


Back to IndexNext