NEGENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet hem niet gered hadden.De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken, hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken gevallen was.Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval[138]maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde beantwoorden.Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren. Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom te houden,[139]maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als ’t liep te eten.Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het scheen.De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells, noch van diens wonderbare uitvinding[140]gehoord en dus was het hem niet kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed, namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te betasten.[141]Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd, heel vreemd.”Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed naar de boerderij.De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof waar de burgemeester in plaats nam en begon:„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis.…. en hebben jullie nu ook nog ’n onzichtbare haan?”De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de familie dood was en de boer antwoordde:„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter … enne … je kan niet gissen wie je dat lapt?”„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.„Tja … dat kan ik me begrijpen.”„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”[142]„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van gehoord.”Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei, dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch wel ’n beetje benauwd om het hart.„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat[143]er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het verhaal van de porceleinen isolators van de[144]telefoonpaal die je daar zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters te laten komen om de orde te handhaven.Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem in ’n mand en liet ’mbekijkenvoor ’n kwartje. Het was eigenlijk „voelen”, maar hij noemde het „kijken”.De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop Koen met groote mooie letters had geteekend:DE ONZICHTBARE HAAN.25 ct. entree!Maïsvoeren 10 ct. extra.M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen zooveel nieuwsgierigen, dat[145]de onzichtbare witte het soms toch niet bolwerken kon.Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer schik.De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon bang. En iedere[146]morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar geworden.De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te merken.Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die m’nheer te letten.Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde de dorpsveldwachter[147]de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in zijn bezit zijn.”„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl ze zich gereed maakten om in bed te stappen.Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was onmiddellijk bij de hand met ’n idee.„Zeg Koen, dat moet niet hoor.… Ze moeten dat kistje niet bijjouwvader vinden.…. Kan je niet meer praten?”„Ja.… we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van geschrokken!”„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”„Hoe kan dat nou.… Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden ze ’t immers vanzelf. En ze[148]hebben ’t zóó, want vader kan het nergens in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles nagekeken om te zien waar het zijn kon.”„En kunnen wij in die koffer komen?”„Wij.… Welnee.… hoe zouen we?”„Ja ’t moet toch.”„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t beste zijn.”„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”„Weet ik ook niet..… Hij moet het maar naar Amerika sturen.”„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze ’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”„Maar hoe komen we d’r aan?”„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken, sliepen ze al.Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en[149]als die dan deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo goed wist als Koen.„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”„Ja.”„En dan gaat ie in de kast.”„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.„Kan jezoo meteennog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg, als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg ik van vader op m’n kop.”Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet, dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid. Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest, had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de voorkamer of ie ook gemakkelijk[150]bij die koffer van zijn vader komen kon.„Waarvoor?” zei Koen.„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n hekel.Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land hadden ze er aan.Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.[151]Koen sloop naar de kast, deed de koffer open … Hij schrok er zelf van. Daar was de machine van professor Wells!De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om weer in dekippenstalte komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo, want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t werk was in de kippenmest.Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n „beroerd” werk vond.„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”„Niet, wat is het dan?”„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”[152]„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend. „Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat kistje vinden zal hè?”„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor ’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem terug te bezorgen.”„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”„Zou het?”„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad had,” antwoordde Piet lachend.Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer, van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar het terug kwam halen.„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”„O.… Zeg ik dee het liever ergens anders.”„Nee jô.… ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.… niet voor die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt het niet[153]terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken. Dat kan die immers?”„Ik geloof het wel.”„Je had het toch gelezen?”„Ja, dat wel.… maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als ie eindelijk hier komt.”„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”„Amerika is niet naast de deur, jô.”„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens gingen gerust heen.In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden de afloop van die zaak van nabij meemaken.[154]Ze hoopten maar, dat m’nheer Bruggemans hen niet zou wegzenden.Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge gezichten begon te zetten.Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was, ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet, misschien[155]die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden wegvoeren.De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie er niet achter[156]ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n onderzoek.En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en wat andere rommel. Wilt u kijken?„Nee.… of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De burgemeester keek over zijn schouder.„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.… ’t was maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer[157]Bruggemans, en hij liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten op z’n knieën.Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had opgemerkt.„Hoe was ie?” vroeg Piet.„Prachtig … Zag je vader voor die koffer zitten?”„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er toch maar fijn doorgerold.”„En of.”Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde Staten van Noord-Amerika.„Da’s de derde,” zei Koen.„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n machine wel waard zijn.”[158]

[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet hem niet gered hadden.De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken, hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken gevallen was.Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval[138]maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde beantwoorden.Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren. Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom te houden,[139]maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als ’t liep te eten.Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het scheen.De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells, noch van diens wonderbare uitvinding[140]gehoord en dus was het hem niet kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed, namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te betasten.[141]Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd, heel vreemd.”Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed naar de boerderij.De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof waar de burgemeester in plaats nam en begon:„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis.…. en hebben jullie nu ook nog ’n onzichtbare haan?”De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de familie dood was en de boer antwoordde:„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter … enne … je kan niet gissen wie je dat lapt?”„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.„Tja … dat kan ik me begrijpen.”„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”[142]„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van gehoord.”Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei, dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch wel ’n beetje benauwd om het hart.„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat[143]er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het verhaal van de porceleinen isolators van de[144]telefoonpaal die je daar zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters te laten komen om de orde te handhaven.Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem in ’n mand en liet ’mbekijkenvoor ’n kwartje. Het was eigenlijk „voelen”, maar hij noemde het „kijken”.De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop Koen met groote mooie letters had geteekend:DE ONZICHTBARE HAAN.25 ct. entree!Maïsvoeren 10 ct. extra.M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen zooveel nieuwsgierigen, dat[145]de onzichtbare witte het soms toch niet bolwerken kon.Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer schik.De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon bang. En iedere[146]morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar geworden.De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te merken.Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die m’nheer te letten.Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde de dorpsveldwachter[147]de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in zijn bezit zijn.”„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl ze zich gereed maakten om in bed te stappen.Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was onmiddellijk bij de hand met ’n idee.„Zeg Koen, dat moet niet hoor.… Ze moeten dat kistje niet bijjouwvader vinden.…. Kan je niet meer praten?”„Ja.… we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van geschrokken!”„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”„Hoe kan dat nou.… Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden ze ’t immers vanzelf. En ze[148]hebben ’t zóó, want vader kan het nergens in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles nagekeken om te zien waar het zijn kon.”„En kunnen wij in die koffer komen?”„Wij.… Welnee.… hoe zouen we?”„Ja ’t moet toch.”„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t beste zijn.”„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”„Weet ik ook niet..… Hij moet het maar naar Amerika sturen.”„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze ’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”„Maar hoe komen we d’r aan?”„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken, sliepen ze al.Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en[149]als die dan deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo goed wist als Koen.„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”„Ja.”„En dan gaat ie in de kast.”„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.„Kan jezoo meteennog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg, als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg ik van vader op m’n kop.”Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet, dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid. Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest, had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de voorkamer of ie ook gemakkelijk[150]bij die koffer van zijn vader komen kon.„Waarvoor?” zei Koen.„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n hekel.Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land hadden ze er aan.Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.[151]Koen sloop naar de kast, deed de koffer open … Hij schrok er zelf van. Daar was de machine van professor Wells!De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om weer in dekippenstalte komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo, want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t werk was in de kippenmest.Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n „beroerd” werk vond.„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”„Niet, wat is het dan?”„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”[152]„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend. „Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat kistje vinden zal hè?”„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor ’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem terug te bezorgen.”„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”„Zou het?”„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad had,” antwoordde Piet lachend.Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer, van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar het terug kwam halen.„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”„O.… Zeg ik dee het liever ergens anders.”„Nee jô.… ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.… niet voor die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt het niet[153]terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken. Dat kan die immers?”„Ik geloof het wel.”„Je had het toch gelezen?”„Ja, dat wel.… maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als ie eindelijk hier komt.”„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”„Amerika is niet naast de deur, jô.”„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens gingen gerust heen.In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden de afloop van die zaak van nabij meemaken.[154]Ze hoopten maar, dat m’nheer Bruggemans hen niet zou wegzenden.Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge gezichten begon te zetten.Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was, ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet, misschien[155]die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden wegvoeren.De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie er niet achter[156]ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n onderzoek.En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en wat andere rommel. Wilt u kijken?„Nee.… of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De burgemeester keek over zijn schouder.„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.… ’t was maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer[157]Bruggemans, en hij liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten op z’n knieën.Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had opgemerkt.„Hoe was ie?” vroeg Piet.„Prachtig … Zag je vader voor die koffer zitten?”„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er toch maar fijn doorgerold.”„En of.”Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde Staten van Noord-Amerika.„Da’s de derde,” zei Koen.„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n machine wel waard zijn.”[158]

NEGENDE HOOFDSTUK.Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet hem niet gered hadden.

Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet hem niet gered hadden.

Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet hem niet gered hadden.

De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken, hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken gevallen was.Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval[138]maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde beantwoorden.Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren. Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom te houden,[139]maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als ’t liep te eten.Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het scheen.De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells, noch van diens wonderbare uitvinding[140]gehoord en dus was het hem niet kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed, namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te betasten.[141]Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd, heel vreemd.”Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed naar de boerderij.De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof waar de burgemeester in plaats nam en begon:„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis.…. en hebben jullie nu ook nog ’n onzichtbare haan?”De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de familie dood was en de boer antwoordde:„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter … enne … je kan niet gissen wie je dat lapt?”„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.„Tja … dat kan ik me begrijpen.”„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”[142]„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van gehoord.”Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei, dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch wel ’n beetje benauwd om het hart.„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat[143]er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het verhaal van de porceleinen isolators van de[144]telefoonpaal die je daar zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters te laten komen om de orde te handhaven.Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem in ’n mand en liet ’mbekijkenvoor ’n kwartje. Het was eigenlijk „voelen”, maar hij noemde het „kijken”.De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop Koen met groote mooie letters had geteekend:DE ONZICHTBARE HAAN.25 ct. entree!Maïsvoeren 10 ct. extra.M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen zooveel nieuwsgierigen, dat[145]de onzichtbare witte het soms toch niet bolwerken kon.Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer schik.De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon bang. En iedere[146]morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar geworden.De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te merken.Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die m’nheer te letten.Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde de dorpsveldwachter[147]de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in zijn bezit zijn.”„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl ze zich gereed maakten om in bed te stappen.Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was onmiddellijk bij de hand met ’n idee.„Zeg Koen, dat moet niet hoor.… Ze moeten dat kistje niet bijjouwvader vinden.…. Kan je niet meer praten?”„Ja.… we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van geschrokken!”„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”„Hoe kan dat nou.… Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden ze ’t immers vanzelf. En ze[148]hebben ’t zóó, want vader kan het nergens in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles nagekeken om te zien waar het zijn kon.”„En kunnen wij in die koffer komen?”„Wij.… Welnee.… hoe zouen we?”„Ja ’t moet toch.”„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t beste zijn.”„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”„Weet ik ook niet..… Hij moet het maar naar Amerika sturen.”„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze ’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”„Maar hoe komen we d’r aan?”„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken, sliepen ze al.Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en[149]als die dan deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo goed wist als Koen.„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”„Ja.”„En dan gaat ie in de kast.”„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.„Kan jezoo meteennog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg, als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg ik van vader op m’n kop.”Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet, dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid. Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest, had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de voorkamer of ie ook gemakkelijk[150]bij die koffer van zijn vader komen kon.„Waarvoor?” zei Koen.„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n hekel.Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land hadden ze er aan.Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.[151]Koen sloop naar de kast, deed de koffer open … Hij schrok er zelf van. Daar was de machine van professor Wells!De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om weer in dekippenstalte komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo, want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t werk was in de kippenmest.Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n „beroerd” werk vond.„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”„Niet, wat is het dan?”„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”[152]„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend. „Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat kistje vinden zal hè?”„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor ’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem terug te bezorgen.”„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”„Zou het?”„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad had,” antwoordde Piet lachend.Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer, van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar het terug kwam halen.„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”„O.… Zeg ik dee het liever ergens anders.”„Nee jô.… ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.… niet voor die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt het niet[153]terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken. Dat kan die immers?”„Ik geloof het wel.”„Je had het toch gelezen?”„Ja, dat wel.… maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als ie eindelijk hier komt.”„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”„Amerika is niet naast de deur, jô.”„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens gingen gerust heen.In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden de afloop van die zaak van nabij meemaken.[154]Ze hoopten maar, dat m’nheer Bruggemans hen niet zou wegzenden.Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge gezichten begon te zetten.Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was, ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet, misschien[155]die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden wegvoeren.De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie er niet achter[156]ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n onderzoek.En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en wat andere rommel. Wilt u kijken?„Nee.… of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De burgemeester keek over zijn schouder.„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.… ’t was maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer[157]Bruggemans, en hij liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten op z’n knieën.Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had opgemerkt.„Hoe was ie?” vroeg Piet.„Prachtig … Zag je vader voor die koffer zitten?”„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er toch maar fijn doorgerold.”„En of.”Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde Staten van Noord-Amerika.„Da’s de derde,” zei Koen.„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n machine wel waard zijn.”[158]

De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken, hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken gevallen was.

Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval[138]maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”

Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.

Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde beantwoorden.

Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren. Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom te houden,[139]maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.

Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.

De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als ’t liep te eten.

Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.

Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.

In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het scheen.

De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells, noch van diens wonderbare uitvinding[140]gehoord en dus was het hem niet kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.

Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.

Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed, namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te betasten.[141]Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd, heel vreemd.”

Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed naar de boerderij.

De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof waar de burgemeester in plaats nam en begon:

„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis.…. en hebben jullie nu ook nog ’n onzichtbare haan?”

De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de familie dood was en de boer antwoordde:

„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”

„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter … enne … je kan niet gissen wie je dat lapt?”

„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”

„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.

„Tja … dat kan ik me begrijpen.”

„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”[142]

„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van gehoord.”

Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei, dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch wel ’n beetje benauwd om het hart.

„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.

De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.

Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat[143]er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.

Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.

De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.

Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het verhaal van de porceleinen isolators van de[144]telefoonpaal die je daar zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters te laten komen om de orde te handhaven.

Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem in ’n mand en liet ’mbekijkenvoor ’n kwartje. Het was eigenlijk „voelen”, maar hij noemde het „kijken”.

De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop Koen met groote mooie letters had geteekend:

DE ONZICHTBARE HAAN.25 ct. entree!Maïsvoeren 10 ct. extra.

M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen zooveel nieuwsgierigen, dat[145]de onzichtbare witte het soms toch niet bolwerken kon.

Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer schik.

De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.

Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon bang. En iedere[146]morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar geworden.

De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.

Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te merken.

Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die m’nheer te letten.

Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde de dorpsveldwachter[147]de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.

„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in zijn bezit zijn.”

„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”

Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl ze zich gereed maakten om in bed te stappen.

Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was onmiddellijk bij de hand met ’n idee.

„Zeg Koen, dat moet niet hoor.… Ze moeten dat kistje niet bijjouwvader vinden.…. Kan je niet meer praten?”

„Ja.… we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van geschrokken!”

„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”

„Hoe kan dat nou.… Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden ze ’t immers vanzelf. En ze[148]hebben ’t zóó, want vader kan het nergens in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles nagekeken om te zien waar het zijn kon.”

„En kunnen wij in die koffer komen?”

„Wij.… Welnee.… hoe zouen we?”

„Ja ’t moet toch.”

„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t beste zijn.”

„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”

„Weet ik ook niet..… Hij moet het maar naar Amerika sturen.”

„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze ’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”

„Maar hoe komen we d’r aan?”

„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”

Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken, sliepen ze al.

Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en[149]als die dan deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.

„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo goed wist als Koen.

„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”

„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”

„Ja.”

„En dan gaat ie in de kast.”

„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.

„Kan jezoo meteennog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg, als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg ik van vader op m’n kop.”

Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet, dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid. Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest, had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de voorkamer of ie ook gemakkelijk[150]bij die koffer van zijn vader komen kon.

„Waarvoor?” zei Koen.

„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”

Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n hekel.

Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land hadden ze er aan.

Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.

’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.[151]

Koen sloop naar de kast, deed de koffer open … Hij schrok er zelf van. Daar was de machine van professor Wells!

De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.

Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.

„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”

Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om weer in dekippenstalte komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo, want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”

En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.

„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t werk was in de kippenmest.

Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n „beroerd” werk vond.

„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”

„Niet, wat is het dan?”

„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”

„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”[152]

„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend. „Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat kistje vinden zal hè?”

„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor ’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem terug te bezorgen.”

„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”

„Zou het?”

„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad had,” antwoordde Piet lachend.

Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer, van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar het terug kwam halen.

„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.

„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”

„O.… Zeg ik dee het liever ergens anders.”

„Nee jô.… ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.… niet voor die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt het niet[153]terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken. Dat kan die immers?”

„Ik geloof het wel.”

„Je had het toch gelezen?”

„Ja, dat wel.… maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als ie eindelijk hier komt.”

„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”

„Amerika is niet naast de deur, jô.”

„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”

Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.

Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens gingen gerust heen.

In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden de afloop van die zaak van nabij meemaken.[154]Ze hoopten maar, dat m’nheer Bruggemans hen niet zou wegzenden.

Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge gezichten begon te zetten.

Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was, ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet, misschien[155]die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden wegvoeren.

De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.

M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie er niet achter[156]ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!

M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n onderzoek.

En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en wat andere rommel. Wilt u kijken?

„Nee.… of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”

M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De burgemeester keek over zijn schouder.

„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.… ’t was maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”

„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer[157]Bruggemans, en hij liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten op z’n knieën.

Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had opgemerkt.

„Hoe was ie?” vroeg Piet.

„Prachtig … Zag je vader voor die koffer zitten?”

„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.

„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er toch maar fijn doorgerold.”

„En of.”

Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.

Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:

De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

„Da’s de derde,” zei Koen.

„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.

„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”

„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”

„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n machine wel waard zijn.”[158]


Back to IndexNext