TWAALFDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]TWAALFDE HOOFDSTUK.Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en als echte inbrekers te werk gaan.Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika, dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee vreemde kerels eenvoudig maar[196]in te pikken en de burgemeester besloot na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken, moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester, maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had.Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus in het geval dat de politie het niet alleen af kon.[197]„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.”„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat er van terecht komt.”Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds toen het gevecht op het hevigst was.Want het was ’n gevecht geworden.De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen. De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de pot wou stoppen?De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor brullen: „Ik heb je man!”In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor ’n klein geruchtje vervaard. Hij stondordentelijkz’n man in ’n gewone worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser. Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee[198]aanranders, want daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen nog maar vurige sterren.Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken. Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid, maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten en grijpende handen.Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag daar[199]iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef.Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing. Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand.De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond zwart van de menschen voor het gemeentehuis.Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer[200]Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen.M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n leien dakje.De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op. Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden, deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives, gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen.De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief.De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan. Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de[201]portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de telefoon wilde komen.Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het volgende gesprek:„Is professor Wells daar zelf?”„Ja. Wells van Yale.”„U spreekt met de burgemeester van Deelen.”„Wat zegt u … van Yale?”„Van Deelen .… op de Veluwe .… provincie Gelderland.”„O .… doet me genoegen .… gaat u verder.”„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .… allerlei dingen zijn onzichtbaar geworden … waarschijnlijk met uw machine.… en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.… waarschijnlijk de dieven zelf.… doch ze beweren dat ze detectives zijn … Heeft u twee detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?”„Ja zeker.… de beroemdste die ik vinden kon.… De eene heet Bumpkins uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar dadelijk loslaten.”„Wil u die namen nog eens opgeven?”„Jawel.… Bumpkins.… Bump-kins.… schrijft u het misschien op?”„Ja professor, daar ben ik mee bezig.”„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti. Spi-go-let-ti.”„Dank u wel … Wat zegt u … Heet de werkelijke[202]dief Jim Pimpelmees … Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.… Dag professor.”M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan later naar de gevangenis gebracht worden.Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives. Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat aangaat niet ongerust te zijn.In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van ’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim[203]anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had.Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere helft van de machine te stelen.„We moeten hier uit,” zei Maccassy.„Dat moet,” zei Blubberdub.„We moeten die Jim te pakken krijgen.”„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen.….. als ie weg kan komen met die twee machines.…..”„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk genoeg.…. en als ie zich met die twee machines naar believen zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.”„En we snappen hem niet meer.”„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.”„Hij had niks bij zich?”„Nee niemendal.…. of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.”„Dus niet de machine?”„Nee,niet de machine.”„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?”„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.”„Heb ik ook al gemerkt.”„Kunnen we ’t niet los krijgen?”„Nee en opensteken gaat ook niet.…. er is geen sleutelgat aan deze kant.”„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.”[204]„Nee gaat ook niet.”„Wat dan?”„Ja wat dan.”Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en donkerder.Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.”„Komt hierheen,” zei Maccassy.Er werd ’n sleutel in het slot gestoken.„Eindelijk,” zei Blubberdub.Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid.De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open. Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden.Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen[205]bonden ze ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af. Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur sloten.De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar wezen kan.Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde ’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een. Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters. Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat kunstje kenden ze ook.[206]Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker.„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.”Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze waren er allebei.’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht het dorp uit.De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren.[207]

[Inhoud]TWAALFDE HOOFDSTUK.Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en als echte inbrekers te werk gaan.Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika, dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee vreemde kerels eenvoudig maar[196]in te pikken en de burgemeester besloot na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken, moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester, maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had.Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus in het geval dat de politie het niet alleen af kon.[197]„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.”„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat er van terecht komt.”Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds toen het gevecht op het hevigst was.Want het was ’n gevecht geworden.De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen. De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de pot wou stoppen?De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor brullen: „Ik heb je man!”In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor ’n klein geruchtje vervaard. Hij stondordentelijkz’n man in ’n gewone worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser. Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee[198]aanranders, want daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen nog maar vurige sterren.Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken. Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid, maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten en grijpende handen.Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag daar[199]iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef.Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing. Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand.De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond zwart van de menschen voor het gemeentehuis.Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer[200]Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen.M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n leien dakje.De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op. Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden, deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives, gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen.De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief.De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan. Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de[201]portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de telefoon wilde komen.Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het volgende gesprek:„Is professor Wells daar zelf?”„Ja. Wells van Yale.”„U spreekt met de burgemeester van Deelen.”„Wat zegt u … van Yale?”„Van Deelen .… op de Veluwe .… provincie Gelderland.”„O .… doet me genoegen .… gaat u verder.”„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .… allerlei dingen zijn onzichtbaar geworden … waarschijnlijk met uw machine.… en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.… waarschijnlijk de dieven zelf.… doch ze beweren dat ze detectives zijn … Heeft u twee detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?”„Ja zeker.… de beroemdste die ik vinden kon.… De eene heet Bumpkins uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar dadelijk loslaten.”„Wil u die namen nog eens opgeven?”„Jawel.… Bumpkins.… Bump-kins.… schrijft u het misschien op?”„Ja professor, daar ben ik mee bezig.”„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti. Spi-go-let-ti.”„Dank u wel … Wat zegt u … Heet de werkelijke[202]dief Jim Pimpelmees … Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.… Dag professor.”M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan later naar de gevangenis gebracht worden.Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives. Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat aangaat niet ongerust te zijn.In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van ’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim[203]anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had.Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere helft van de machine te stelen.„We moeten hier uit,” zei Maccassy.„Dat moet,” zei Blubberdub.„We moeten die Jim te pakken krijgen.”„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen.….. als ie weg kan komen met die twee machines.…..”„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk genoeg.…. en als ie zich met die twee machines naar believen zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.”„En we snappen hem niet meer.”„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.”„Hij had niks bij zich?”„Nee niemendal.…. of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.”„Dus niet de machine?”„Nee,niet de machine.”„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?”„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.”„Heb ik ook al gemerkt.”„Kunnen we ’t niet los krijgen?”„Nee en opensteken gaat ook niet.…. er is geen sleutelgat aan deze kant.”„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.”[204]„Nee gaat ook niet.”„Wat dan?”„Ja wat dan.”Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en donkerder.Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.”„Komt hierheen,” zei Maccassy.Er werd ’n sleutel in het slot gestoken.„Eindelijk,” zei Blubberdub.Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid.De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open. Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden.Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen[205]bonden ze ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af. Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur sloten.De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar wezen kan.Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde ’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een. Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters. Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat kunstje kenden ze ook.[206]Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker.„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.”Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze waren er allebei.’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht het dorp uit.De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren.[207]

TWAALFDE HOOFDSTUK.Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en als echte inbrekers te werk gaan.

Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en als echte inbrekers te werk gaan.

Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en als echte inbrekers te werk gaan.

Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika, dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee vreemde kerels eenvoudig maar[196]in te pikken en de burgemeester besloot na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken, moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester, maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had.Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus in het geval dat de politie het niet alleen af kon.[197]„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.”„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat er van terecht komt.”Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds toen het gevecht op het hevigst was.Want het was ’n gevecht geworden.De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen. De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de pot wou stoppen?De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor brullen: „Ik heb je man!”In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor ’n klein geruchtje vervaard. Hij stondordentelijkz’n man in ’n gewone worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser. Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee[198]aanranders, want daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen nog maar vurige sterren.Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken. Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid, maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten en grijpende handen.Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag daar[199]iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef.Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing. Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand.De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond zwart van de menschen voor het gemeentehuis.Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer[200]Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen.M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n leien dakje.De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op. Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden, deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives, gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen.De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief.De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan. Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de[201]portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de telefoon wilde komen.Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het volgende gesprek:„Is professor Wells daar zelf?”„Ja. Wells van Yale.”„U spreekt met de burgemeester van Deelen.”„Wat zegt u … van Yale?”„Van Deelen .… op de Veluwe .… provincie Gelderland.”„O .… doet me genoegen .… gaat u verder.”„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .… allerlei dingen zijn onzichtbaar geworden … waarschijnlijk met uw machine.… en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.… waarschijnlijk de dieven zelf.… doch ze beweren dat ze detectives zijn … Heeft u twee detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?”„Ja zeker.… de beroemdste die ik vinden kon.… De eene heet Bumpkins uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar dadelijk loslaten.”„Wil u die namen nog eens opgeven?”„Jawel.… Bumpkins.… Bump-kins.… schrijft u het misschien op?”„Ja professor, daar ben ik mee bezig.”„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti. Spi-go-let-ti.”„Dank u wel … Wat zegt u … Heet de werkelijke[202]dief Jim Pimpelmees … Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.… Dag professor.”M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan later naar de gevangenis gebracht worden.Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives. Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat aangaat niet ongerust te zijn.In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van ’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim[203]anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had.Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere helft van de machine te stelen.„We moeten hier uit,” zei Maccassy.„Dat moet,” zei Blubberdub.„We moeten die Jim te pakken krijgen.”„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen.….. als ie weg kan komen met die twee machines.…..”„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk genoeg.…. en als ie zich met die twee machines naar believen zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.”„En we snappen hem niet meer.”„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.”„Hij had niks bij zich?”„Nee niemendal.…. of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.”„Dus niet de machine?”„Nee,niet de machine.”„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?”„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.”„Heb ik ook al gemerkt.”„Kunnen we ’t niet los krijgen?”„Nee en opensteken gaat ook niet.…. er is geen sleutelgat aan deze kant.”„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.”[204]„Nee gaat ook niet.”„Wat dan?”„Ja wat dan.”Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en donkerder.Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.”„Komt hierheen,” zei Maccassy.Er werd ’n sleutel in het slot gestoken.„Eindelijk,” zei Blubberdub.Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid.De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open. Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden.Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen[205]bonden ze ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af. Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur sloten.De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar wezen kan.Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde ’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een. Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters. Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat kunstje kenden ze ook.[206]Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker.„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.”Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze waren er allebei.’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht het dorp uit.De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren.[207]

Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika, dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee vreemde kerels eenvoudig maar[196]in te pikken en de burgemeester besloot na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken, moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester, maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had.

Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus in het geval dat de politie het niet alleen af kon.[197]

„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.”

„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat er van terecht komt.”

Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds toen het gevecht op het hevigst was.

Want het was ’n gevecht geworden.

De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen. De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de pot wou stoppen?

De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor brullen: „Ik heb je man!”

In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor ’n klein geruchtje vervaard. Hij stondordentelijkz’n man in ’n gewone worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser. Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee[198]aanranders, want daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen nog maar vurige sterren.

Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken. Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid, maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten en grijpende handen.

Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag daar[199]iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef.

Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing. Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand.

De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond zwart van de menschen voor het gemeentehuis.

Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer[200]Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen.

M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n leien dakje.

De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op. Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden, deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives, gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen.

De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief.

De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan. Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de[201]portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de telefoon wilde komen.

Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het volgende gesprek:

„Is professor Wells daar zelf?”

„Ja. Wells van Yale.”

„U spreekt met de burgemeester van Deelen.”

„Wat zegt u … van Yale?”

„Van Deelen .… op de Veluwe .… provincie Gelderland.”

„O .… doet me genoegen .… gaat u verder.”

„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .… allerlei dingen zijn onzichtbaar geworden … waarschijnlijk met uw machine.… en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.… waarschijnlijk de dieven zelf.… doch ze beweren dat ze detectives zijn … Heeft u twee detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?”

„Ja zeker.… de beroemdste die ik vinden kon.… De eene heet Bumpkins uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar dadelijk loslaten.”

„Wil u die namen nog eens opgeven?”

„Jawel.… Bumpkins.… Bump-kins.… schrijft u het misschien op?”

„Ja professor, daar ben ik mee bezig.”

„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti. Spi-go-let-ti.”

„Dank u wel … Wat zegt u … Heet de werkelijke[202]dief Jim Pimpelmees … Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.… Dag professor.”

M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan later naar de gevangenis gebracht worden.

Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives. Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat aangaat niet ongerust te zijn.

In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van ’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim[203]anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had.

Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere helft van de machine te stelen.

„We moeten hier uit,” zei Maccassy.

„Dat moet,” zei Blubberdub.

„We moeten die Jim te pakken krijgen.”

„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen.….. als ie weg kan komen met die twee machines.…..”

„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk genoeg.…. en als ie zich met die twee machines naar believen zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.”

„En we snappen hem niet meer.”

„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.”

„Hij had niks bij zich?”

„Nee niemendal.…. of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.”

„Dus niet de machine?”

„Nee,niet de machine.”

„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?”

„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.”

„Heb ik ook al gemerkt.”

„Kunnen we ’t niet los krijgen?”

„Nee en opensteken gaat ook niet.…. er is geen sleutelgat aan deze kant.”

„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.”[204]

„Nee gaat ook niet.”

„Wat dan?”

„Ja wat dan.”

Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en donkerder.

Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.”

„Komt hierheen,” zei Maccassy.

Er werd ’n sleutel in het slot gestoken.

„Eindelijk,” zei Blubberdub.

Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid.

De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open. Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden.

Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen[205]bonden ze ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af. Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur sloten.

De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar wezen kan.

Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde ’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een. Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters. Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat kunstje kenden ze ook.[206]

Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker.

„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.”

Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze waren er allebei.

’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht het dorp uit.

De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren.[207]


Back to IndexNext