[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt.„Waar kom jij vandaan?” vroeg Piet.„Uit het bosch natuurlijk.”„Zeg, wat doe je gek met je hand.… net of je met ’n wandelstok loopt.”„Doe ik ook.”„Hè?”„Kom maar es mee … dan zal ik je wat vertellen.… ’t is gewoon ongeloofelijk.”„Zal me benieuwen,” zij Piet lachend, en even daarna omkijkend: „Hé … ik dacht dat er iemand op m’n rug tikte.”„Dee ik.”„Jij?… Kom nou … zulke lange armen heb je niet.”„Met m’n stok.”„Nou voel dan maar,” en hij gaf Piet ’n stootje met het onzichtbare ding tegen z’n buik.„Waar doe je dat mee?”„Met m’n stok zei ik je toch.… Laten we[25]hier even in de schuur gaan.… dan vertel ik het je.”In de schuur begon Koen haast fluisterend, want hij wou niet dat iemand anders dan Piet het hoorde:„Houd je hand es op en doe je oogen dicht.”Piet deed het.„Nou pak an.… Wat heb je nou in je hand.… niet kijken.”„’n Stok denk ik.”Piet voelde met beide handen langs den stok, boog hem eens en herhaalde toen nog eens:„’n Stok.”„Doe dan nou je oogen maar open en kijk wat je in je handen hebt.”Piet deed zooals hem gezegd werd, maar trok toen zoo’n raar gezicht, dat Koen er van in ’n lach schoot.„Ik heb toch wat in m’n hand en ik zie er niks van.”„Maar ’t is ’n stok hè?”„Ja.… op ’t gevoel wel.”Koen stak z’n hand in z’n vestzak en grabbelde naar het sleuteltje, hield daarna vinger en duim met het sleuteltje ertusschen omhoog en vroeg: „Wat heb ik hier?”„Nou, niks natuurlijk.”„Voel dan maar es.”„’k Voel … ’n sleuteltje of zooiets.”„Precies … ’t is ’n sleuteltje van m’n teekendoos.”„Ik snap er niks van … Hoe doe je dat?”„Ik weet wel hoe ik ’t gedaan heb, maar ik zeg d’r meteen bij, dat ik er ook niks van snap … Ik zal ’t je vertellen …”[26]Piet luisterde met groote oogen naar het verhaal van het goochelkistje in ’t bosch en toen Koen alles had verteld wat ie wist, zei Piet:„Daar gaan we dadelijk weer naar toe. Dat moet ik zelf probeeren.”„Wacht dan even dan ga ik ’t vader zeggen … die moet ook mee.”„Nee … doe dat nou niet … Die kan je ’t later wel vertellen … Eerst moet ik ’t zien en zelf doen.”„O, je gelooft me niet!”„Ja zie je.… gelooven doe ik je wel.… van die stok en die sleutel tenminste. Ik zie ze wel niet, maar ik kan ze voelen.… maar toch zou ik dat kistje eerst aan ’t werk willen zien. Laten we maar dadelijk gaan. Ik kan nou best even mee.”„’t Is anders nog ’n heel eind.”„Dat weet ik wel. We loopen maar ’n stapje harder.”Ze gingen samen op stap en vonden het kistje nog net eender onder de struiken.„Daar ligt het,” zei Koen. „Wat zullen we onzichtbaar maken?”„M’n pet maar.”„Goed, neem ’m maar in je hand.”„Nee, dank je wel. Ik zal ’m voor me op de grond leggen.”„Ook goed.”„Wat moet ik nou doen?”„Nou nemen we eerst het kistje uit het koffertje … Kijk.… en dan nemen we die rooie knop en die houden we tegen je pet aan.”„Laat mij dat dan doen.”[27]Nu zaten ze ’n poosje stil naar de pet te kijken. Piet beefde zelfs nu en dan ’n beetje, dat zag Koen heel duidelijk.Maar wat ze óók zagen was, dat er niets aan de pet veranderde.„D’r gebeurt niks,” zei Piet eindelijk.Dat zag Koen ook wel. Doch opeens kwam hij er achter waar dat in zat.„Zal wel waar zijn,” zei hij, „ik heb vergeten aan dat koperen ding te schuiven. Kijk zoo. Dat had ik eerst moeten doen. Hou nou maar weer die knop tegen je pet.”Piet deed het en toen wachtten ze maar weer geduldig.„Hij begint,” riep Koen.„Ik zie niks.”„Jawel, kijk maar goed. ’t Is net of je ’m al niet zoo duidelijk meer zien kunt.”„Ik geloof het warempel ook,” prevelde Piet.… „Hij gaat hoor … Jakkes, ’t is toch raar … Pats … weg is ie.”„Welnee, voel maar, hier heb je ’m. Zet ’m nou meteen maar weer op. Hierzoo.”Hij plakte Piet de pet op ’t hoofd en die voelde duidelijk dat ie ’m op had.„Zet jij ’m nou ook es op,” zei Piet.Hij nam Koen z’n strooien hoed af en zette z’n eigen onzichtbare pet er voor in de plaats.„Nou,” zei ie toen,„je hebt ’m op en ik zie er niks van. Maar hoe krijg ik m’n pet nou weer terug?”„Wel hier heb je ’m.”[28]„Nee, zoo bedoel ’t niet. Ik moet ’m zien kunnen, want als ik vanavond zonder pet thuis kom, dan krijg ik op m’n kop. Denk je dat moeder zoo gek is me te gelooven als ik d’r vertel dat ik ’m op heb? Kan je begrijpen.”„Maar je kan d’r toch laten voelen dat ’t je pet is.”„Ja dat kan, maar of ze ’t dan gelooven zou? Zeg Koen, we moeten van dat ding thuis maar niks zeggen.”„Niks zeggen?.… En ik wou het vader vertellen.”„Niet doen jô … Ik weet zeker, dat moeder d’r niks van hebben moet. Ze zal d’r bang voor wezen.”„Maar we kunnen dat kistje toch maar niet hier laten in ’t bosch? Dan is ’t misschien morgen weg. Net zoo goed als ik het gevonden heb, kan ’n ander het ook vinden.”„Da’s waar.… maar wat kan ons dat eigenlijk schelen?”„Nou mij wel.… Ik zou wel graag hebben dat vader ’n advertentie in de krant liet zetten om de eigenaar terug te vinden. Die zal dat mooie machientje wel niet graag kwijt zijn.”„Zal wel niet.… Maar hoe zou dat ding hier gekomen zijn? Verloren kan niet.”„Kan dat niet?”„Nee, dan moest het ergens op ’n pad liggen of tenminste er vlak bij.”„Dus jij denkt, dat ze ’t hier hebben neergezet?”„Ja hoe kan ’t anders hier komen? Zouen we ’t niet mee kunnen nemen naar huis?”„Dat moesten we maar doen. Vader moet dan[29]maar beslissen wat er verder gebeuren moet met het ding. We kunnen ’t samen wel dragen denk ik.”„Dat kan ik alleen wel,” zei Piet.Hij nam het koffertje op z’n schouder, voelde nog eens of hij z’n pet nog op had en zoo ondernamen ze de terugtocht naar de boerderij.„Ik zou toch wel es willen weten, hoe dat kan,” zei Piet „met dat onzichtbaar worden. Ik vind ’t wel ’n beetje raar, jij ook niet?”„’t Lijkt iets onmogelijks,” vond Koen. „Maar toch kan ’t, al zal er wel geen mensch zijn die ’t gelooven wil, als we ’t hem vertellen.”„Vader lacht me uit als ik er over begin.”„Totdat ie ’t zelf ziet.”Ze liepen nu weer ’n poosje voort zonder wat te zeggen, doch toen kwam Piet ineens:„Je moet er nog maar niks van aan je vader zeggen. We zullen ’t ding wel zoolang hier of daar verstoppen, dat niemand het vinden kan.”„Niks aan vader vertellen?.… Waarom niet?”„Ik weet ’t zelf niet Koen.… Ik wou het eerst nog wel eris probeeren met iets dat leeft.”„Hè?… Met ’n beest?”„Ja.… Het moet dunkt me gek wezen zoo’n levend dier, dat je niet meer zien kan.”„Nou maar dat kunnen we toch wel klaar spelen al weet vader het.”„Koen, als je vader het weet, mogen wij er niet meer aan komen.”„Daar hebben we kans op.… Maar vader zou het kunnen doen. En dan zien we ’t toch.”[30]„Daar weet je niks van. Je vader kan er wel heelemaal niks mee willen doen.”„Da’s waar.”„Laten we nou maar hier heen gaan, dan komen we achter ’t huis uit. Daar zet ik ’t ding zoolang onder de struiken en dan zal ik het vanavond wel binnen zien te smokkelen.”„Ik weet niet of we daar wel goed aan doen Piet. Ik vertelde het liever maar dadelijk aan vader.”„Moet jezelf weten. Je kan doen wat je wil. Jij hebt het gevonden. Zal ik het dan maar dadelijk aan je vader brengen?”„Ja.… nee … zet ’t maar onder de struiken. Je kon wel es gelijk hebben, dat vader d’r niks mee wou uitvoeren.… en ik zou ’t toch ook wel es willen probeeren met ’n beest. Wat voor ’n beest denk je?”„Nou, ik heb gedacht onze witte haan, die is zoo mak dat ik ’m op kan pakken.”„Zou die d’r niet van dood gaan?”„Dat weet ik niet.”„Dan moesten we ’t ook maar niet doen. Kunnen we ’t eerst niet eens probeeren met ’n ander dier, ’n vlieg of zoo iets? Aan ’n vlieg is niet veel verbeurd.”„’n Vlieg?” zei Piet lachend. „Hoe wil je d’r nou achter komen of zoo’n vlieg nog leeft als je ’m niet meer zien kan? Ik neem de haan. We hebben hanen genoeg, ik geloof drie of vier.”„Jakkes nee, die witte haan moet je niet nemen, da’s ’n veel te aardig beest.”„Zie jij dan ’n ander te pakken te krijgen.”[31]„Je hebt goed praten. Je weet heel goed dat ik dat ook niet kan.”„Nou, dan nemen we Flip.”„Flip? Nou maar dat zal je wel laten. Zoo’n goeie kat!”„Goeie kat? Jij bent d’r ook achter. Je moet ’m maar es zien als ie jonge vogels uit het nest haalt.”„Dat doen alle katten. Nee, Flip doe je ’t niet. Neem dan je haan maar.”„Best.… Zie jij iemand achter ’t huis?”„Ik niet. Wat wou je gaan doen?”Piet had het koffertje onder ’n paar struiken verstopt en kwam nu aandragen met ’n laddertje. D’r was geen mensch te zien. ’t Leek daar aan de achterkant van de boerderij wel of er heelemaal geen menschen woonden. De kippen waren de eenige levende wezens die je te zien kreeg.Kippen hadden ze op de boerderij minstens ’n goeie honderd. Piet z’n moeder ging iedere week met ’n groote mand vol eieren naar de markt. En Koen telde in de gauwigheid zes hanen, jonge en oude. De witte was de oudste. Daar leek hij tenminste wel op. De grootste was ie zeker. En de baas was ie ook. Geen andere haan durfde erg dicht in z’n buurt komen. Zoodra haneman de jongens zag, kwam hij naar hen toegestapt en de jongere hanen waar hij op z’n wandeling toevallig langs kwam, maakten beenen zoodra de witte naderde.Piet zette het laddertje tegen de muur, vlak bij ’n klein venstertje. Dat venster was het raam van Koen’s slaapkamer waar hij met Piet samen sliep.[32]De vrouw had er twee bedden neergezet, want om de familie Bruggemans te kunnen herbergen, had Koen er genoegen mee moeten nemen met Piet in één kamer te slapen. Berte moest evenzoo met Mie in een kamer aan de andere kant van de ruime zolder logeeren. M’nheer en mevrouw Bruggemans sliepen in de opkamer beneden boven de kelder. De broers van Koen sliepen in kamertjes boven de stal en de boerin en de boer sliepen in ’n groote bedstede met geruite gordijnen in de huiskamer. Over dag kon je niet zien dat daar ’n bedstede was, want er waren ook nog deuren voor, die dicht gedaan werden, zoodra er iemand op visite in die kamer kwam.Toen Piet het laddertje daar had neergezet, loerde hij eerst nog eens goed rond en keek ook in het achterhuis. Daarna haalde hij vlug het koffertje onder de heg vandaan en bracht het door het venstertje naar binnen.„Ziezoo,” zei hij, „nou ga jij maar binnen en je bergt het ding veilig ergens weg.”„In m’n koffer!” zei Koen. „Daar kan ’t best nog in.”„Doe ’t dan maar eerst, want als er bij ongeluk iemand komt kijken, dan moeten ze dat ding niet te zien krijgen.”„We doen toch niet goed,” zei Koen, terwijl hij naar binnen ging. „Ik had het liever aan vader gezegd.”„Dat kan morgen nog even goed,” riep Piet hem na toen hij het laddertje opnam om het weer te brengen waar hij ’t vandaan gehaald had. Want z’n[33]vader hield van orde en alle dingen hadden in de boerderij en op het erf hun vaste plaats, zoodat je nooit naar iets hoefde te zoeken als je het noodig had.Koen stopte het wonderkistje veilig weg, ofschoon hij er toch wel ’n beetje het land aan had iets stiekems te doen. Dat was ie niet gewoon. Hij en Berte hadden nooit iets voor vader en moeder te verbergen. Hij trachtte zich wel gerust te stellen door het goede voornemen het de volgende dag te vertellen en dan, ’t was toch ook eigenlijk meer ’t drijven van Piet, die ’t nu eenmaal eerst nog eens probeeren wou met die witte haan.Piet was bij hem gekomen in het zolderkamertje en vond ook dat het kistje heel goed verborgen was in die koffer. Niemand zou daar licht in gaan snuffelen. En ze spraken af om als het kon nog diezelfde avond de proef te nemen met de haan.Maar voor ze daaraan konden beginnen, zag Koen kans er met z’n vader over te spreken. Hij vertelde wel niet dat hij en Piet in het bezit waren van die machine, doch hij wist, waar Piet bij was, het gesprek te brengen op allerlei uitvindingen en toen zei hij dat ie iets gelezen had over ’n uitvinding om de dingen te laten verdwijnen of liever onzichtbaar te maken.„O,”zei Berte, „dat konden de kabouters uit de sprookjes ook, tenminste zichzelf. Die hadden ’n kap aan hun jasje, die nevelkap genoemd werd en als ze die over hun hoofd trokken, kon je de heele kabouter niet meer zien.”„Nee dat bedoelt Koen niet,” zei vader. „Wat[34]Koen meent is wat anders. Ik heb er indertijd ook wat van gelezen, maar ik weet niet meer waarin. Ik geloof in ’n krant. Je kan er echter op rekenen dat het boerenbedrog was hoor. Iets onzichtbaar maken, dat kan. Je kan ’n stuk hout bijv. laten verbranden. Dan verdwijnt het als hout. Het blijft echter toch wel bestaan. Het hout is alleen maar ontbonden in de stoffen waaruit het oorspronkelijk is samengesteld. Zoo kan je water ontbinden in waterstof en zuurstof, die beide onzichtbaar zijn. Maar iets, laten we zeggen, ’n stok, onzichtbaar maken, ik geloof niet dat zooiets mogelijk is.”„Ik herinner me er ook iets van,” zei moeder. „Het was ’n Amerikaansche professor, Wells heette hij geloof ik, die beweerde iets dergelijks uitgevonden te hebben, maar hij kon ’t niet bewijzen, want z’n instrument, waarmee hij dat deed, was verongelukt of zoo iets. Het rechte weet ik er ook niet meer van. Doch het is nog niet zoo lang geleden dat ik er wat van gelezen heb.”„Ja, ja,” zei vader lachend, „als ze er mee voor de dag moeten komen dan is het instrument kapot. Makkelijke manier om er af te komen.”Koen zat op heete kolen. Hij kon naar z’n kamertje gaan en het kistje halen en dan kon vader meteen zien dat het machientje of het instrument werkelijk bestond en dat het onzichtbaar maken van dingen niet onmogelijk was. Hij kon het dan meteen aan die professor in Amerika terug sturen, of er tenminste ’n brief over schrijven.Dat had ie ook moeten doen. Maar Piet vroeg hem of ie meeging. Die jongen had gedurende het[35]gesprek heelemaal geen woord gezegd. Net gedaan of hem zooiets geen steek schelen kon. In werkelijkheid was ie zoo bang als de dood geweest dat Koen zich verpraten zou. Hij had het zich nu eenmaal in z’n hoofd gehaald om dat onzichtbaar maken toe te passen op ’n levend ding, en hij was bang dat z’n plannetje in het water zou vallen als m’nheer Bruggemans dat kistje in z’n vingers kreeg.Koen ging mee. En toen ze ’n eind weg waren, zei Piet:„Ik was bang dat je de boel verklappen zou Koen.”„Ik had het ook haast gedaan,” antwoordde die. „M’nheer Wells moet dat kistje terug hebben. Het is zeker wel ’n zeer kostbaar instrument en het is van hem en niet van ons.”„Hij krijgt het ook terug. Maar het zal er wel niet op ’n paar dagen op aan komen,” zei Piet lachend. „De haan moet er eerst aan gelooven. Ik moet weten of dat ook kan.”„Maar dan vertellen we het aan vader, hé?”Piet gaf daar geen antwoord op. Hij stelde voor om nu maar eens te gaan zien of de kust veilig was om met de witte te beginnen.Maar daar was nog geen sprake van. Er was voortdurend geloop over het erf waar de kippen liepen en Piet zag geen kans om met de haan ongemerkt naar de kamer te gaan. Ze gingen dus maar in de boomgaard om wat peren te eten en daar kwamen al heel gauw Berte en Mie vergezeld van Flip bij hen.Piet deed niet erg vriendelijk tegen z’n zusje, en[36]die twee kregen bijna ruzie. Koen kwam tusschenbeide. Hij begreep wel dat Piet de meisjes weg wilde hebben maar hij kon toch niet velen dat ie daarom onhebbelijk werd tegen hen. Berte schold de jongens op haar beurt uit voor naarlingen en liep nijdig met Mie en Flip de boomgaard uit.„Ziezoo,” zei Piet, „die kunnen we missen. Laten we nou maar weer eens gaan kijken of we met de haan naar boven kunnen komen.”[37]
[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt.„Waar kom jij vandaan?” vroeg Piet.„Uit het bosch natuurlijk.”„Zeg, wat doe je gek met je hand.… net of je met ’n wandelstok loopt.”„Doe ik ook.”„Hè?”„Kom maar es mee … dan zal ik je wat vertellen.… ’t is gewoon ongeloofelijk.”„Zal me benieuwen,” zij Piet lachend, en even daarna omkijkend: „Hé … ik dacht dat er iemand op m’n rug tikte.”„Dee ik.”„Jij?… Kom nou … zulke lange armen heb je niet.”„Met m’n stok.”„Nou voel dan maar,” en hij gaf Piet ’n stootje met het onzichtbare ding tegen z’n buik.„Waar doe je dat mee?”„Met m’n stok zei ik je toch.… Laten we[25]hier even in de schuur gaan.… dan vertel ik het je.”In de schuur begon Koen haast fluisterend, want hij wou niet dat iemand anders dan Piet het hoorde:„Houd je hand es op en doe je oogen dicht.”Piet deed het.„Nou pak an.… Wat heb je nou in je hand.… niet kijken.”„’n Stok denk ik.”Piet voelde met beide handen langs den stok, boog hem eens en herhaalde toen nog eens:„’n Stok.”„Doe dan nou je oogen maar open en kijk wat je in je handen hebt.”Piet deed zooals hem gezegd werd, maar trok toen zoo’n raar gezicht, dat Koen er van in ’n lach schoot.„Ik heb toch wat in m’n hand en ik zie er niks van.”„Maar ’t is ’n stok hè?”„Ja.… op ’t gevoel wel.”Koen stak z’n hand in z’n vestzak en grabbelde naar het sleuteltje, hield daarna vinger en duim met het sleuteltje ertusschen omhoog en vroeg: „Wat heb ik hier?”„Nou, niks natuurlijk.”„Voel dan maar es.”„’k Voel … ’n sleuteltje of zooiets.”„Precies … ’t is ’n sleuteltje van m’n teekendoos.”„Ik snap er niks van … Hoe doe je dat?”„Ik weet wel hoe ik ’t gedaan heb, maar ik zeg d’r meteen bij, dat ik er ook niks van snap … Ik zal ’t je vertellen …”[26]Piet luisterde met groote oogen naar het verhaal van het goochelkistje in ’t bosch en toen Koen alles had verteld wat ie wist, zei Piet:„Daar gaan we dadelijk weer naar toe. Dat moet ik zelf probeeren.”„Wacht dan even dan ga ik ’t vader zeggen … die moet ook mee.”„Nee … doe dat nou niet … Die kan je ’t later wel vertellen … Eerst moet ik ’t zien en zelf doen.”„O, je gelooft me niet!”„Ja zie je.… gelooven doe ik je wel.… van die stok en die sleutel tenminste. Ik zie ze wel niet, maar ik kan ze voelen.… maar toch zou ik dat kistje eerst aan ’t werk willen zien. Laten we maar dadelijk gaan. Ik kan nou best even mee.”„’t Is anders nog ’n heel eind.”„Dat weet ik wel. We loopen maar ’n stapje harder.”Ze gingen samen op stap en vonden het kistje nog net eender onder de struiken.„Daar ligt het,” zei Koen. „Wat zullen we onzichtbaar maken?”„M’n pet maar.”„Goed, neem ’m maar in je hand.”„Nee, dank je wel. Ik zal ’m voor me op de grond leggen.”„Ook goed.”„Wat moet ik nou doen?”„Nou nemen we eerst het kistje uit het koffertje … Kijk.… en dan nemen we die rooie knop en die houden we tegen je pet aan.”„Laat mij dat dan doen.”[27]Nu zaten ze ’n poosje stil naar de pet te kijken. Piet beefde zelfs nu en dan ’n beetje, dat zag Koen heel duidelijk.Maar wat ze óók zagen was, dat er niets aan de pet veranderde.„D’r gebeurt niks,” zei Piet eindelijk.Dat zag Koen ook wel. Doch opeens kwam hij er achter waar dat in zat.„Zal wel waar zijn,” zei hij, „ik heb vergeten aan dat koperen ding te schuiven. Kijk zoo. Dat had ik eerst moeten doen. Hou nou maar weer die knop tegen je pet.”Piet deed het en toen wachtten ze maar weer geduldig.„Hij begint,” riep Koen.„Ik zie niks.”„Jawel, kijk maar goed. ’t Is net of je ’m al niet zoo duidelijk meer zien kunt.”„Ik geloof het warempel ook,” prevelde Piet.… „Hij gaat hoor … Jakkes, ’t is toch raar … Pats … weg is ie.”„Welnee, voel maar, hier heb je ’m. Zet ’m nou meteen maar weer op. Hierzoo.”Hij plakte Piet de pet op ’t hoofd en die voelde duidelijk dat ie ’m op had.„Zet jij ’m nou ook es op,” zei Piet.Hij nam Koen z’n strooien hoed af en zette z’n eigen onzichtbare pet er voor in de plaats.„Nou,” zei ie toen,„je hebt ’m op en ik zie er niks van. Maar hoe krijg ik m’n pet nou weer terug?”„Wel hier heb je ’m.”[28]„Nee, zoo bedoel ’t niet. Ik moet ’m zien kunnen, want als ik vanavond zonder pet thuis kom, dan krijg ik op m’n kop. Denk je dat moeder zoo gek is me te gelooven als ik d’r vertel dat ik ’m op heb? Kan je begrijpen.”„Maar je kan d’r toch laten voelen dat ’t je pet is.”„Ja dat kan, maar of ze ’t dan gelooven zou? Zeg Koen, we moeten van dat ding thuis maar niks zeggen.”„Niks zeggen?.… En ik wou het vader vertellen.”„Niet doen jô … Ik weet zeker, dat moeder d’r niks van hebben moet. Ze zal d’r bang voor wezen.”„Maar we kunnen dat kistje toch maar niet hier laten in ’t bosch? Dan is ’t misschien morgen weg. Net zoo goed als ik het gevonden heb, kan ’n ander het ook vinden.”„Da’s waar.… maar wat kan ons dat eigenlijk schelen?”„Nou mij wel.… Ik zou wel graag hebben dat vader ’n advertentie in de krant liet zetten om de eigenaar terug te vinden. Die zal dat mooie machientje wel niet graag kwijt zijn.”„Zal wel niet.… Maar hoe zou dat ding hier gekomen zijn? Verloren kan niet.”„Kan dat niet?”„Nee, dan moest het ergens op ’n pad liggen of tenminste er vlak bij.”„Dus jij denkt, dat ze ’t hier hebben neergezet?”„Ja hoe kan ’t anders hier komen? Zouen we ’t niet mee kunnen nemen naar huis?”„Dat moesten we maar doen. Vader moet dan[29]maar beslissen wat er verder gebeuren moet met het ding. We kunnen ’t samen wel dragen denk ik.”„Dat kan ik alleen wel,” zei Piet.Hij nam het koffertje op z’n schouder, voelde nog eens of hij z’n pet nog op had en zoo ondernamen ze de terugtocht naar de boerderij.„Ik zou toch wel es willen weten, hoe dat kan,” zei Piet „met dat onzichtbaar worden. Ik vind ’t wel ’n beetje raar, jij ook niet?”„’t Lijkt iets onmogelijks,” vond Koen. „Maar toch kan ’t, al zal er wel geen mensch zijn die ’t gelooven wil, als we ’t hem vertellen.”„Vader lacht me uit als ik er over begin.”„Totdat ie ’t zelf ziet.”Ze liepen nu weer ’n poosje voort zonder wat te zeggen, doch toen kwam Piet ineens:„Je moet er nog maar niks van aan je vader zeggen. We zullen ’t ding wel zoolang hier of daar verstoppen, dat niemand het vinden kan.”„Niks aan vader vertellen?.… Waarom niet?”„Ik weet ’t zelf niet Koen.… Ik wou het eerst nog wel eris probeeren met iets dat leeft.”„Hè?… Met ’n beest?”„Ja.… Het moet dunkt me gek wezen zoo’n levend dier, dat je niet meer zien kan.”„Nou maar dat kunnen we toch wel klaar spelen al weet vader het.”„Koen, als je vader het weet, mogen wij er niet meer aan komen.”„Daar hebben we kans op.… Maar vader zou het kunnen doen. En dan zien we ’t toch.”[30]„Daar weet je niks van. Je vader kan er wel heelemaal niks mee willen doen.”„Da’s waar.”„Laten we nou maar hier heen gaan, dan komen we achter ’t huis uit. Daar zet ik ’t ding zoolang onder de struiken en dan zal ik het vanavond wel binnen zien te smokkelen.”„Ik weet niet of we daar wel goed aan doen Piet. Ik vertelde het liever maar dadelijk aan vader.”„Moet jezelf weten. Je kan doen wat je wil. Jij hebt het gevonden. Zal ik het dan maar dadelijk aan je vader brengen?”„Ja.… nee … zet ’t maar onder de struiken. Je kon wel es gelijk hebben, dat vader d’r niks mee wou uitvoeren.… en ik zou ’t toch ook wel es willen probeeren met ’n beest. Wat voor ’n beest denk je?”„Nou, ik heb gedacht onze witte haan, die is zoo mak dat ik ’m op kan pakken.”„Zou die d’r niet van dood gaan?”„Dat weet ik niet.”„Dan moesten we ’t ook maar niet doen. Kunnen we ’t eerst niet eens probeeren met ’n ander dier, ’n vlieg of zoo iets? Aan ’n vlieg is niet veel verbeurd.”„’n Vlieg?” zei Piet lachend. „Hoe wil je d’r nou achter komen of zoo’n vlieg nog leeft als je ’m niet meer zien kan? Ik neem de haan. We hebben hanen genoeg, ik geloof drie of vier.”„Jakkes nee, die witte haan moet je niet nemen, da’s ’n veel te aardig beest.”„Zie jij dan ’n ander te pakken te krijgen.”[31]„Je hebt goed praten. Je weet heel goed dat ik dat ook niet kan.”„Nou, dan nemen we Flip.”„Flip? Nou maar dat zal je wel laten. Zoo’n goeie kat!”„Goeie kat? Jij bent d’r ook achter. Je moet ’m maar es zien als ie jonge vogels uit het nest haalt.”„Dat doen alle katten. Nee, Flip doe je ’t niet. Neem dan je haan maar.”„Best.… Zie jij iemand achter ’t huis?”„Ik niet. Wat wou je gaan doen?”Piet had het koffertje onder ’n paar struiken verstopt en kwam nu aandragen met ’n laddertje. D’r was geen mensch te zien. ’t Leek daar aan de achterkant van de boerderij wel of er heelemaal geen menschen woonden. De kippen waren de eenige levende wezens die je te zien kreeg.Kippen hadden ze op de boerderij minstens ’n goeie honderd. Piet z’n moeder ging iedere week met ’n groote mand vol eieren naar de markt. En Koen telde in de gauwigheid zes hanen, jonge en oude. De witte was de oudste. Daar leek hij tenminste wel op. De grootste was ie zeker. En de baas was ie ook. Geen andere haan durfde erg dicht in z’n buurt komen. Zoodra haneman de jongens zag, kwam hij naar hen toegestapt en de jongere hanen waar hij op z’n wandeling toevallig langs kwam, maakten beenen zoodra de witte naderde.Piet zette het laddertje tegen de muur, vlak bij ’n klein venstertje. Dat venster was het raam van Koen’s slaapkamer waar hij met Piet samen sliep.[32]De vrouw had er twee bedden neergezet, want om de familie Bruggemans te kunnen herbergen, had Koen er genoegen mee moeten nemen met Piet in één kamer te slapen. Berte moest evenzoo met Mie in een kamer aan de andere kant van de ruime zolder logeeren. M’nheer en mevrouw Bruggemans sliepen in de opkamer beneden boven de kelder. De broers van Koen sliepen in kamertjes boven de stal en de boerin en de boer sliepen in ’n groote bedstede met geruite gordijnen in de huiskamer. Over dag kon je niet zien dat daar ’n bedstede was, want er waren ook nog deuren voor, die dicht gedaan werden, zoodra er iemand op visite in die kamer kwam.Toen Piet het laddertje daar had neergezet, loerde hij eerst nog eens goed rond en keek ook in het achterhuis. Daarna haalde hij vlug het koffertje onder de heg vandaan en bracht het door het venstertje naar binnen.„Ziezoo,” zei hij, „nou ga jij maar binnen en je bergt het ding veilig ergens weg.”„In m’n koffer!” zei Koen. „Daar kan ’t best nog in.”„Doe ’t dan maar eerst, want als er bij ongeluk iemand komt kijken, dan moeten ze dat ding niet te zien krijgen.”„We doen toch niet goed,” zei Koen, terwijl hij naar binnen ging. „Ik had het liever aan vader gezegd.”„Dat kan morgen nog even goed,” riep Piet hem na toen hij het laddertje opnam om het weer te brengen waar hij ’t vandaan gehaald had. Want z’n[33]vader hield van orde en alle dingen hadden in de boerderij en op het erf hun vaste plaats, zoodat je nooit naar iets hoefde te zoeken als je het noodig had.Koen stopte het wonderkistje veilig weg, ofschoon hij er toch wel ’n beetje het land aan had iets stiekems te doen. Dat was ie niet gewoon. Hij en Berte hadden nooit iets voor vader en moeder te verbergen. Hij trachtte zich wel gerust te stellen door het goede voornemen het de volgende dag te vertellen en dan, ’t was toch ook eigenlijk meer ’t drijven van Piet, die ’t nu eenmaal eerst nog eens probeeren wou met die witte haan.Piet was bij hem gekomen in het zolderkamertje en vond ook dat het kistje heel goed verborgen was in die koffer. Niemand zou daar licht in gaan snuffelen. En ze spraken af om als het kon nog diezelfde avond de proef te nemen met de haan.Maar voor ze daaraan konden beginnen, zag Koen kans er met z’n vader over te spreken. Hij vertelde wel niet dat hij en Piet in het bezit waren van die machine, doch hij wist, waar Piet bij was, het gesprek te brengen op allerlei uitvindingen en toen zei hij dat ie iets gelezen had over ’n uitvinding om de dingen te laten verdwijnen of liever onzichtbaar te maken.„O,”zei Berte, „dat konden de kabouters uit de sprookjes ook, tenminste zichzelf. Die hadden ’n kap aan hun jasje, die nevelkap genoemd werd en als ze die over hun hoofd trokken, kon je de heele kabouter niet meer zien.”„Nee dat bedoelt Koen niet,” zei vader. „Wat[34]Koen meent is wat anders. Ik heb er indertijd ook wat van gelezen, maar ik weet niet meer waarin. Ik geloof in ’n krant. Je kan er echter op rekenen dat het boerenbedrog was hoor. Iets onzichtbaar maken, dat kan. Je kan ’n stuk hout bijv. laten verbranden. Dan verdwijnt het als hout. Het blijft echter toch wel bestaan. Het hout is alleen maar ontbonden in de stoffen waaruit het oorspronkelijk is samengesteld. Zoo kan je water ontbinden in waterstof en zuurstof, die beide onzichtbaar zijn. Maar iets, laten we zeggen, ’n stok, onzichtbaar maken, ik geloof niet dat zooiets mogelijk is.”„Ik herinner me er ook iets van,” zei moeder. „Het was ’n Amerikaansche professor, Wells heette hij geloof ik, die beweerde iets dergelijks uitgevonden te hebben, maar hij kon ’t niet bewijzen, want z’n instrument, waarmee hij dat deed, was verongelukt of zoo iets. Het rechte weet ik er ook niet meer van. Doch het is nog niet zoo lang geleden dat ik er wat van gelezen heb.”„Ja, ja,” zei vader lachend, „als ze er mee voor de dag moeten komen dan is het instrument kapot. Makkelijke manier om er af te komen.”Koen zat op heete kolen. Hij kon naar z’n kamertje gaan en het kistje halen en dan kon vader meteen zien dat het machientje of het instrument werkelijk bestond en dat het onzichtbaar maken van dingen niet onmogelijk was. Hij kon het dan meteen aan die professor in Amerika terug sturen, of er tenminste ’n brief over schrijven.Dat had ie ook moeten doen. Maar Piet vroeg hem of ie meeging. Die jongen had gedurende het[35]gesprek heelemaal geen woord gezegd. Net gedaan of hem zooiets geen steek schelen kon. In werkelijkheid was ie zoo bang als de dood geweest dat Koen zich verpraten zou. Hij had het zich nu eenmaal in z’n hoofd gehaald om dat onzichtbaar maken toe te passen op ’n levend ding, en hij was bang dat z’n plannetje in het water zou vallen als m’nheer Bruggemans dat kistje in z’n vingers kreeg.Koen ging mee. En toen ze ’n eind weg waren, zei Piet:„Ik was bang dat je de boel verklappen zou Koen.”„Ik had het ook haast gedaan,” antwoordde die. „M’nheer Wells moet dat kistje terug hebben. Het is zeker wel ’n zeer kostbaar instrument en het is van hem en niet van ons.”„Hij krijgt het ook terug. Maar het zal er wel niet op ’n paar dagen op aan komen,” zei Piet lachend. „De haan moet er eerst aan gelooven. Ik moet weten of dat ook kan.”„Maar dan vertellen we het aan vader, hé?”Piet gaf daar geen antwoord op. Hij stelde voor om nu maar eens te gaan zien of de kust veilig was om met de witte te beginnen.Maar daar was nog geen sprake van. Er was voortdurend geloop over het erf waar de kippen liepen en Piet zag geen kans om met de haan ongemerkt naar de kamer te gaan. Ze gingen dus maar in de boomgaard om wat peren te eten en daar kwamen al heel gauw Berte en Mie vergezeld van Flip bij hen.Piet deed niet erg vriendelijk tegen z’n zusje, en[36]die twee kregen bijna ruzie. Koen kwam tusschenbeide. Hij begreep wel dat Piet de meisjes weg wilde hebben maar hij kon toch niet velen dat ie daarom onhebbelijk werd tegen hen. Berte schold de jongens op haar beurt uit voor naarlingen en liep nijdig met Mie en Flip de boomgaard uit.„Ziezoo,” zei Piet, „die kunnen we missen. Laten we nou maar weer eens gaan kijken of we met de haan naar boven kunnen komen.”[37]
TWEEDE HOOFDSTUK.Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt.
Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt.
Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt.
„Waar kom jij vandaan?” vroeg Piet.„Uit het bosch natuurlijk.”„Zeg, wat doe je gek met je hand.… net of je met ’n wandelstok loopt.”„Doe ik ook.”„Hè?”„Kom maar es mee … dan zal ik je wat vertellen.… ’t is gewoon ongeloofelijk.”„Zal me benieuwen,” zij Piet lachend, en even daarna omkijkend: „Hé … ik dacht dat er iemand op m’n rug tikte.”„Dee ik.”„Jij?… Kom nou … zulke lange armen heb je niet.”„Met m’n stok.”„Nou voel dan maar,” en hij gaf Piet ’n stootje met het onzichtbare ding tegen z’n buik.„Waar doe je dat mee?”„Met m’n stok zei ik je toch.… Laten we[25]hier even in de schuur gaan.… dan vertel ik het je.”In de schuur begon Koen haast fluisterend, want hij wou niet dat iemand anders dan Piet het hoorde:„Houd je hand es op en doe je oogen dicht.”Piet deed het.„Nou pak an.… Wat heb je nou in je hand.… niet kijken.”„’n Stok denk ik.”Piet voelde met beide handen langs den stok, boog hem eens en herhaalde toen nog eens:„’n Stok.”„Doe dan nou je oogen maar open en kijk wat je in je handen hebt.”Piet deed zooals hem gezegd werd, maar trok toen zoo’n raar gezicht, dat Koen er van in ’n lach schoot.„Ik heb toch wat in m’n hand en ik zie er niks van.”„Maar ’t is ’n stok hè?”„Ja.… op ’t gevoel wel.”Koen stak z’n hand in z’n vestzak en grabbelde naar het sleuteltje, hield daarna vinger en duim met het sleuteltje ertusschen omhoog en vroeg: „Wat heb ik hier?”„Nou, niks natuurlijk.”„Voel dan maar es.”„’k Voel … ’n sleuteltje of zooiets.”„Precies … ’t is ’n sleuteltje van m’n teekendoos.”„Ik snap er niks van … Hoe doe je dat?”„Ik weet wel hoe ik ’t gedaan heb, maar ik zeg d’r meteen bij, dat ik er ook niks van snap … Ik zal ’t je vertellen …”[26]Piet luisterde met groote oogen naar het verhaal van het goochelkistje in ’t bosch en toen Koen alles had verteld wat ie wist, zei Piet:„Daar gaan we dadelijk weer naar toe. Dat moet ik zelf probeeren.”„Wacht dan even dan ga ik ’t vader zeggen … die moet ook mee.”„Nee … doe dat nou niet … Die kan je ’t later wel vertellen … Eerst moet ik ’t zien en zelf doen.”„O, je gelooft me niet!”„Ja zie je.… gelooven doe ik je wel.… van die stok en die sleutel tenminste. Ik zie ze wel niet, maar ik kan ze voelen.… maar toch zou ik dat kistje eerst aan ’t werk willen zien. Laten we maar dadelijk gaan. Ik kan nou best even mee.”„’t Is anders nog ’n heel eind.”„Dat weet ik wel. We loopen maar ’n stapje harder.”Ze gingen samen op stap en vonden het kistje nog net eender onder de struiken.„Daar ligt het,” zei Koen. „Wat zullen we onzichtbaar maken?”„M’n pet maar.”„Goed, neem ’m maar in je hand.”„Nee, dank je wel. Ik zal ’m voor me op de grond leggen.”„Ook goed.”„Wat moet ik nou doen?”„Nou nemen we eerst het kistje uit het koffertje … Kijk.… en dan nemen we die rooie knop en die houden we tegen je pet aan.”„Laat mij dat dan doen.”[27]Nu zaten ze ’n poosje stil naar de pet te kijken. Piet beefde zelfs nu en dan ’n beetje, dat zag Koen heel duidelijk.Maar wat ze óók zagen was, dat er niets aan de pet veranderde.„D’r gebeurt niks,” zei Piet eindelijk.Dat zag Koen ook wel. Doch opeens kwam hij er achter waar dat in zat.„Zal wel waar zijn,” zei hij, „ik heb vergeten aan dat koperen ding te schuiven. Kijk zoo. Dat had ik eerst moeten doen. Hou nou maar weer die knop tegen je pet.”Piet deed het en toen wachtten ze maar weer geduldig.„Hij begint,” riep Koen.„Ik zie niks.”„Jawel, kijk maar goed. ’t Is net of je ’m al niet zoo duidelijk meer zien kunt.”„Ik geloof het warempel ook,” prevelde Piet.… „Hij gaat hoor … Jakkes, ’t is toch raar … Pats … weg is ie.”„Welnee, voel maar, hier heb je ’m. Zet ’m nou meteen maar weer op. Hierzoo.”Hij plakte Piet de pet op ’t hoofd en die voelde duidelijk dat ie ’m op had.„Zet jij ’m nou ook es op,” zei Piet.Hij nam Koen z’n strooien hoed af en zette z’n eigen onzichtbare pet er voor in de plaats.„Nou,” zei ie toen,„je hebt ’m op en ik zie er niks van. Maar hoe krijg ik m’n pet nou weer terug?”„Wel hier heb je ’m.”[28]„Nee, zoo bedoel ’t niet. Ik moet ’m zien kunnen, want als ik vanavond zonder pet thuis kom, dan krijg ik op m’n kop. Denk je dat moeder zoo gek is me te gelooven als ik d’r vertel dat ik ’m op heb? Kan je begrijpen.”„Maar je kan d’r toch laten voelen dat ’t je pet is.”„Ja dat kan, maar of ze ’t dan gelooven zou? Zeg Koen, we moeten van dat ding thuis maar niks zeggen.”„Niks zeggen?.… En ik wou het vader vertellen.”„Niet doen jô … Ik weet zeker, dat moeder d’r niks van hebben moet. Ze zal d’r bang voor wezen.”„Maar we kunnen dat kistje toch maar niet hier laten in ’t bosch? Dan is ’t misschien morgen weg. Net zoo goed als ik het gevonden heb, kan ’n ander het ook vinden.”„Da’s waar.… maar wat kan ons dat eigenlijk schelen?”„Nou mij wel.… Ik zou wel graag hebben dat vader ’n advertentie in de krant liet zetten om de eigenaar terug te vinden. Die zal dat mooie machientje wel niet graag kwijt zijn.”„Zal wel niet.… Maar hoe zou dat ding hier gekomen zijn? Verloren kan niet.”„Kan dat niet?”„Nee, dan moest het ergens op ’n pad liggen of tenminste er vlak bij.”„Dus jij denkt, dat ze ’t hier hebben neergezet?”„Ja hoe kan ’t anders hier komen? Zouen we ’t niet mee kunnen nemen naar huis?”„Dat moesten we maar doen. Vader moet dan[29]maar beslissen wat er verder gebeuren moet met het ding. We kunnen ’t samen wel dragen denk ik.”„Dat kan ik alleen wel,” zei Piet.Hij nam het koffertje op z’n schouder, voelde nog eens of hij z’n pet nog op had en zoo ondernamen ze de terugtocht naar de boerderij.„Ik zou toch wel es willen weten, hoe dat kan,” zei Piet „met dat onzichtbaar worden. Ik vind ’t wel ’n beetje raar, jij ook niet?”„’t Lijkt iets onmogelijks,” vond Koen. „Maar toch kan ’t, al zal er wel geen mensch zijn die ’t gelooven wil, als we ’t hem vertellen.”„Vader lacht me uit als ik er over begin.”„Totdat ie ’t zelf ziet.”Ze liepen nu weer ’n poosje voort zonder wat te zeggen, doch toen kwam Piet ineens:„Je moet er nog maar niks van aan je vader zeggen. We zullen ’t ding wel zoolang hier of daar verstoppen, dat niemand het vinden kan.”„Niks aan vader vertellen?.… Waarom niet?”„Ik weet ’t zelf niet Koen.… Ik wou het eerst nog wel eris probeeren met iets dat leeft.”„Hè?… Met ’n beest?”„Ja.… Het moet dunkt me gek wezen zoo’n levend dier, dat je niet meer zien kan.”„Nou maar dat kunnen we toch wel klaar spelen al weet vader het.”„Koen, als je vader het weet, mogen wij er niet meer aan komen.”„Daar hebben we kans op.… Maar vader zou het kunnen doen. En dan zien we ’t toch.”[30]„Daar weet je niks van. Je vader kan er wel heelemaal niks mee willen doen.”„Da’s waar.”„Laten we nou maar hier heen gaan, dan komen we achter ’t huis uit. Daar zet ik ’t ding zoolang onder de struiken en dan zal ik het vanavond wel binnen zien te smokkelen.”„Ik weet niet of we daar wel goed aan doen Piet. Ik vertelde het liever maar dadelijk aan vader.”„Moet jezelf weten. Je kan doen wat je wil. Jij hebt het gevonden. Zal ik het dan maar dadelijk aan je vader brengen?”„Ja.… nee … zet ’t maar onder de struiken. Je kon wel es gelijk hebben, dat vader d’r niks mee wou uitvoeren.… en ik zou ’t toch ook wel es willen probeeren met ’n beest. Wat voor ’n beest denk je?”„Nou, ik heb gedacht onze witte haan, die is zoo mak dat ik ’m op kan pakken.”„Zou die d’r niet van dood gaan?”„Dat weet ik niet.”„Dan moesten we ’t ook maar niet doen. Kunnen we ’t eerst niet eens probeeren met ’n ander dier, ’n vlieg of zoo iets? Aan ’n vlieg is niet veel verbeurd.”„’n Vlieg?” zei Piet lachend. „Hoe wil je d’r nou achter komen of zoo’n vlieg nog leeft als je ’m niet meer zien kan? Ik neem de haan. We hebben hanen genoeg, ik geloof drie of vier.”„Jakkes nee, die witte haan moet je niet nemen, da’s ’n veel te aardig beest.”„Zie jij dan ’n ander te pakken te krijgen.”[31]„Je hebt goed praten. Je weet heel goed dat ik dat ook niet kan.”„Nou, dan nemen we Flip.”„Flip? Nou maar dat zal je wel laten. Zoo’n goeie kat!”„Goeie kat? Jij bent d’r ook achter. Je moet ’m maar es zien als ie jonge vogels uit het nest haalt.”„Dat doen alle katten. Nee, Flip doe je ’t niet. Neem dan je haan maar.”„Best.… Zie jij iemand achter ’t huis?”„Ik niet. Wat wou je gaan doen?”Piet had het koffertje onder ’n paar struiken verstopt en kwam nu aandragen met ’n laddertje. D’r was geen mensch te zien. ’t Leek daar aan de achterkant van de boerderij wel of er heelemaal geen menschen woonden. De kippen waren de eenige levende wezens die je te zien kreeg.Kippen hadden ze op de boerderij minstens ’n goeie honderd. Piet z’n moeder ging iedere week met ’n groote mand vol eieren naar de markt. En Koen telde in de gauwigheid zes hanen, jonge en oude. De witte was de oudste. Daar leek hij tenminste wel op. De grootste was ie zeker. En de baas was ie ook. Geen andere haan durfde erg dicht in z’n buurt komen. Zoodra haneman de jongens zag, kwam hij naar hen toegestapt en de jongere hanen waar hij op z’n wandeling toevallig langs kwam, maakten beenen zoodra de witte naderde.Piet zette het laddertje tegen de muur, vlak bij ’n klein venstertje. Dat venster was het raam van Koen’s slaapkamer waar hij met Piet samen sliep.[32]De vrouw had er twee bedden neergezet, want om de familie Bruggemans te kunnen herbergen, had Koen er genoegen mee moeten nemen met Piet in één kamer te slapen. Berte moest evenzoo met Mie in een kamer aan de andere kant van de ruime zolder logeeren. M’nheer en mevrouw Bruggemans sliepen in de opkamer beneden boven de kelder. De broers van Koen sliepen in kamertjes boven de stal en de boerin en de boer sliepen in ’n groote bedstede met geruite gordijnen in de huiskamer. Over dag kon je niet zien dat daar ’n bedstede was, want er waren ook nog deuren voor, die dicht gedaan werden, zoodra er iemand op visite in die kamer kwam.Toen Piet het laddertje daar had neergezet, loerde hij eerst nog eens goed rond en keek ook in het achterhuis. Daarna haalde hij vlug het koffertje onder de heg vandaan en bracht het door het venstertje naar binnen.„Ziezoo,” zei hij, „nou ga jij maar binnen en je bergt het ding veilig ergens weg.”„In m’n koffer!” zei Koen. „Daar kan ’t best nog in.”„Doe ’t dan maar eerst, want als er bij ongeluk iemand komt kijken, dan moeten ze dat ding niet te zien krijgen.”„We doen toch niet goed,” zei Koen, terwijl hij naar binnen ging. „Ik had het liever aan vader gezegd.”„Dat kan morgen nog even goed,” riep Piet hem na toen hij het laddertje opnam om het weer te brengen waar hij ’t vandaan gehaald had. Want z’n[33]vader hield van orde en alle dingen hadden in de boerderij en op het erf hun vaste plaats, zoodat je nooit naar iets hoefde te zoeken als je het noodig had.Koen stopte het wonderkistje veilig weg, ofschoon hij er toch wel ’n beetje het land aan had iets stiekems te doen. Dat was ie niet gewoon. Hij en Berte hadden nooit iets voor vader en moeder te verbergen. Hij trachtte zich wel gerust te stellen door het goede voornemen het de volgende dag te vertellen en dan, ’t was toch ook eigenlijk meer ’t drijven van Piet, die ’t nu eenmaal eerst nog eens probeeren wou met die witte haan.Piet was bij hem gekomen in het zolderkamertje en vond ook dat het kistje heel goed verborgen was in die koffer. Niemand zou daar licht in gaan snuffelen. En ze spraken af om als het kon nog diezelfde avond de proef te nemen met de haan.Maar voor ze daaraan konden beginnen, zag Koen kans er met z’n vader over te spreken. Hij vertelde wel niet dat hij en Piet in het bezit waren van die machine, doch hij wist, waar Piet bij was, het gesprek te brengen op allerlei uitvindingen en toen zei hij dat ie iets gelezen had over ’n uitvinding om de dingen te laten verdwijnen of liever onzichtbaar te maken.„O,”zei Berte, „dat konden de kabouters uit de sprookjes ook, tenminste zichzelf. Die hadden ’n kap aan hun jasje, die nevelkap genoemd werd en als ze die over hun hoofd trokken, kon je de heele kabouter niet meer zien.”„Nee dat bedoelt Koen niet,” zei vader. „Wat[34]Koen meent is wat anders. Ik heb er indertijd ook wat van gelezen, maar ik weet niet meer waarin. Ik geloof in ’n krant. Je kan er echter op rekenen dat het boerenbedrog was hoor. Iets onzichtbaar maken, dat kan. Je kan ’n stuk hout bijv. laten verbranden. Dan verdwijnt het als hout. Het blijft echter toch wel bestaan. Het hout is alleen maar ontbonden in de stoffen waaruit het oorspronkelijk is samengesteld. Zoo kan je water ontbinden in waterstof en zuurstof, die beide onzichtbaar zijn. Maar iets, laten we zeggen, ’n stok, onzichtbaar maken, ik geloof niet dat zooiets mogelijk is.”„Ik herinner me er ook iets van,” zei moeder. „Het was ’n Amerikaansche professor, Wells heette hij geloof ik, die beweerde iets dergelijks uitgevonden te hebben, maar hij kon ’t niet bewijzen, want z’n instrument, waarmee hij dat deed, was verongelukt of zoo iets. Het rechte weet ik er ook niet meer van. Doch het is nog niet zoo lang geleden dat ik er wat van gelezen heb.”„Ja, ja,” zei vader lachend, „als ze er mee voor de dag moeten komen dan is het instrument kapot. Makkelijke manier om er af te komen.”Koen zat op heete kolen. Hij kon naar z’n kamertje gaan en het kistje halen en dan kon vader meteen zien dat het machientje of het instrument werkelijk bestond en dat het onzichtbaar maken van dingen niet onmogelijk was. Hij kon het dan meteen aan die professor in Amerika terug sturen, of er tenminste ’n brief over schrijven.Dat had ie ook moeten doen. Maar Piet vroeg hem of ie meeging. Die jongen had gedurende het[35]gesprek heelemaal geen woord gezegd. Net gedaan of hem zooiets geen steek schelen kon. In werkelijkheid was ie zoo bang als de dood geweest dat Koen zich verpraten zou. Hij had het zich nu eenmaal in z’n hoofd gehaald om dat onzichtbaar maken toe te passen op ’n levend ding, en hij was bang dat z’n plannetje in het water zou vallen als m’nheer Bruggemans dat kistje in z’n vingers kreeg.Koen ging mee. En toen ze ’n eind weg waren, zei Piet:„Ik was bang dat je de boel verklappen zou Koen.”„Ik had het ook haast gedaan,” antwoordde die. „M’nheer Wells moet dat kistje terug hebben. Het is zeker wel ’n zeer kostbaar instrument en het is van hem en niet van ons.”„Hij krijgt het ook terug. Maar het zal er wel niet op ’n paar dagen op aan komen,” zei Piet lachend. „De haan moet er eerst aan gelooven. Ik moet weten of dat ook kan.”„Maar dan vertellen we het aan vader, hé?”Piet gaf daar geen antwoord op. Hij stelde voor om nu maar eens te gaan zien of de kust veilig was om met de witte te beginnen.Maar daar was nog geen sprake van. Er was voortdurend geloop over het erf waar de kippen liepen en Piet zag geen kans om met de haan ongemerkt naar de kamer te gaan. Ze gingen dus maar in de boomgaard om wat peren te eten en daar kwamen al heel gauw Berte en Mie vergezeld van Flip bij hen.Piet deed niet erg vriendelijk tegen z’n zusje, en[36]die twee kregen bijna ruzie. Koen kwam tusschenbeide. Hij begreep wel dat Piet de meisjes weg wilde hebben maar hij kon toch niet velen dat ie daarom onhebbelijk werd tegen hen. Berte schold de jongens op haar beurt uit voor naarlingen en liep nijdig met Mie en Flip de boomgaard uit.„Ziezoo,” zei Piet, „die kunnen we missen. Laten we nou maar weer eens gaan kijken of we met de haan naar boven kunnen komen.”[37]
„Waar kom jij vandaan?” vroeg Piet.
„Uit het bosch natuurlijk.”
„Zeg, wat doe je gek met je hand.… net of je met ’n wandelstok loopt.”
„Doe ik ook.”
„Hè?”
„Kom maar es mee … dan zal ik je wat vertellen.… ’t is gewoon ongeloofelijk.”
„Zal me benieuwen,” zij Piet lachend, en even daarna omkijkend: „Hé … ik dacht dat er iemand op m’n rug tikte.”
„Dee ik.”
„Jij?… Kom nou … zulke lange armen heb je niet.”
„Met m’n stok.”
„Nou voel dan maar,” en hij gaf Piet ’n stootje met het onzichtbare ding tegen z’n buik.
„Waar doe je dat mee?”
„Met m’n stok zei ik je toch.… Laten we[25]hier even in de schuur gaan.… dan vertel ik het je.”
In de schuur begon Koen haast fluisterend, want hij wou niet dat iemand anders dan Piet het hoorde:
„Houd je hand es op en doe je oogen dicht.”
Piet deed het.
„Nou pak an.… Wat heb je nou in je hand.… niet kijken.”
„’n Stok denk ik.”
Piet voelde met beide handen langs den stok, boog hem eens en herhaalde toen nog eens:
„’n Stok.”
„Doe dan nou je oogen maar open en kijk wat je in je handen hebt.”
Piet deed zooals hem gezegd werd, maar trok toen zoo’n raar gezicht, dat Koen er van in ’n lach schoot.
„Ik heb toch wat in m’n hand en ik zie er niks van.”
„Maar ’t is ’n stok hè?”
„Ja.… op ’t gevoel wel.”
Koen stak z’n hand in z’n vestzak en grabbelde naar het sleuteltje, hield daarna vinger en duim met het sleuteltje ertusschen omhoog en vroeg: „Wat heb ik hier?”
„Nou, niks natuurlijk.”
„Voel dan maar es.”
„’k Voel … ’n sleuteltje of zooiets.”
„Precies … ’t is ’n sleuteltje van m’n teekendoos.”
„Ik snap er niks van … Hoe doe je dat?”
„Ik weet wel hoe ik ’t gedaan heb, maar ik zeg d’r meteen bij, dat ik er ook niks van snap … Ik zal ’t je vertellen …”[26]
Piet luisterde met groote oogen naar het verhaal van het goochelkistje in ’t bosch en toen Koen alles had verteld wat ie wist, zei Piet:
„Daar gaan we dadelijk weer naar toe. Dat moet ik zelf probeeren.”
„Wacht dan even dan ga ik ’t vader zeggen … die moet ook mee.”
„Nee … doe dat nou niet … Die kan je ’t later wel vertellen … Eerst moet ik ’t zien en zelf doen.”
„O, je gelooft me niet!”
„Ja zie je.… gelooven doe ik je wel.… van die stok en die sleutel tenminste. Ik zie ze wel niet, maar ik kan ze voelen.… maar toch zou ik dat kistje eerst aan ’t werk willen zien. Laten we maar dadelijk gaan. Ik kan nou best even mee.”
„’t Is anders nog ’n heel eind.”
„Dat weet ik wel. We loopen maar ’n stapje harder.”
Ze gingen samen op stap en vonden het kistje nog net eender onder de struiken.
„Daar ligt het,” zei Koen. „Wat zullen we onzichtbaar maken?”
„M’n pet maar.”
„Goed, neem ’m maar in je hand.”
„Nee, dank je wel. Ik zal ’m voor me op de grond leggen.”
„Ook goed.”
„Wat moet ik nou doen?”
„Nou nemen we eerst het kistje uit het koffertje … Kijk.… en dan nemen we die rooie knop en die houden we tegen je pet aan.”
„Laat mij dat dan doen.”[27]
Nu zaten ze ’n poosje stil naar de pet te kijken. Piet beefde zelfs nu en dan ’n beetje, dat zag Koen heel duidelijk.
Maar wat ze óók zagen was, dat er niets aan de pet veranderde.
„D’r gebeurt niks,” zei Piet eindelijk.
Dat zag Koen ook wel. Doch opeens kwam hij er achter waar dat in zat.
„Zal wel waar zijn,” zei hij, „ik heb vergeten aan dat koperen ding te schuiven. Kijk zoo. Dat had ik eerst moeten doen. Hou nou maar weer die knop tegen je pet.”
Piet deed het en toen wachtten ze maar weer geduldig.
„Hij begint,” riep Koen.
„Ik zie niks.”
„Jawel, kijk maar goed. ’t Is net of je ’m al niet zoo duidelijk meer zien kunt.”
„Ik geloof het warempel ook,” prevelde Piet.… „Hij gaat hoor … Jakkes, ’t is toch raar … Pats … weg is ie.”
„Welnee, voel maar, hier heb je ’m. Zet ’m nou meteen maar weer op. Hierzoo.”
Hij plakte Piet de pet op ’t hoofd en die voelde duidelijk dat ie ’m op had.
„Zet jij ’m nou ook es op,” zei Piet.
Hij nam Koen z’n strooien hoed af en zette z’n eigen onzichtbare pet er voor in de plaats.
„Nou,” zei ie toen,„je hebt ’m op en ik zie er niks van. Maar hoe krijg ik m’n pet nou weer terug?”
„Wel hier heb je ’m.”[28]
„Nee, zoo bedoel ’t niet. Ik moet ’m zien kunnen, want als ik vanavond zonder pet thuis kom, dan krijg ik op m’n kop. Denk je dat moeder zoo gek is me te gelooven als ik d’r vertel dat ik ’m op heb? Kan je begrijpen.”
„Maar je kan d’r toch laten voelen dat ’t je pet is.”
„Ja dat kan, maar of ze ’t dan gelooven zou? Zeg Koen, we moeten van dat ding thuis maar niks zeggen.”
„Niks zeggen?.… En ik wou het vader vertellen.”
„Niet doen jô … Ik weet zeker, dat moeder d’r niks van hebben moet. Ze zal d’r bang voor wezen.”
„Maar we kunnen dat kistje toch maar niet hier laten in ’t bosch? Dan is ’t misschien morgen weg. Net zoo goed als ik het gevonden heb, kan ’n ander het ook vinden.”
„Da’s waar.… maar wat kan ons dat eigenlijk schelen?”
„Nou mij wel.… Ik zou wel graag hebben dat vader ’n advertentie in de krant liet zetten om de eigenaar terug te vinden. Die zal dat mooie machientje wel niet graag kwijt zijn.”
„Zal wel niet.… Maar hoe zou dat ding hier gekomen zijn? Verloren kan niet.”
„Kan dat niet?”
„Nee, dan moest het ergens op ’n pad liggen of tenminste er vlak bij.”
„Dus jij denkt, dat ze ’t hier hebben neergezet?”
„Ja hoe kan ’t anders hier komen? Zouen we ’t niet mee kunnen nemen naar huis?”
„Dat moesten we maar doen. Vader moet dan[29]maar beslissen wat er verder gebeuren moet met het ding. We kunnen ’t samen wel dragen denk ik.”
„Dat kan ik alleen wel,” zei Piet.
Hij nam het koffertje op z’n schouder, voelde nog eens of hij z’n pet nog op had en zoo ondernamen ze de terugtocht naar de boerderij.
„Ik zou toch wel es willen weten, hoe dat kan,” zei Piet „met dat onzichtbaar worden. Ik vind ’t wel ’n beetje raar, jij ook niet?”
„’t Lijkt iets onmogelijks,” vond Koen. „Maar toch kan ’t, al zal er wel geen mensch zijn die ’t gelooven wil, als we ’t hem vertellen.”
„Vader lacht me uit als ik er over begin.”
„Totdat ie ’t zelf ziet.”
Ze liepen nu weer ’n poosje voort zonder wat te zeggen, doch toen kwam Piet ineens:
„Je moet er nog maar niks van aan je vader zeggen. We zullen ’t ding wel zoolang hier of daar verstoppen, dat niemand het vinden kan.”
„Niks aan vader vertellen?.… Waarom niet?”
„Ik weet ’t zelf niet Koen.… Ik wou het eerst nog wel eris probeeren met iets dat leeft.”
„Hè?… Met ’n beest?”
„Ja.… Het moet dunkt me gek wezen zoo’n levend dier, dat je niet meer zien kan.”
„Nou maar dat kunnen we toch wel klaar spelen al weet vader het.”
„Koen, als je vader het weet, mogen wij er niet meer aan komen.”
„Daar hebben we kans op.… Maar vader zou het kunnen doen. En dan zien we ’t toch.”[30]
„Daar weet je niks van. Je vader kan er wel heelemaal niks mee willen doen.”
„Da’s waar.”
„Laten we nou maar hier heen gaan, dan komen we achter ’t huis uit. Daar zet ik ’t ding zoolang onder de struiken en dan zal ik het vanavond wel binnen zien te smokkelen.”
„Ik weet niet of we daar wel goed aan doen Piet. Ik vertelde het liever maar dadelijk aan vader.”
„Moet jezelf weten. Je kan doen wat je wil. Jij hebt het gevonden. Zal ik het dan maar dadelijk aan je vader brengen?”
„Ja.… nee … zet ’t maar onder de struiken. Je kon wel es gelijk hebben, dat vader d’r niks mee wou uitvoeren.… en ik zou ’t toch ook wel es willen probeeren met ’n beest. Wat voor ’n beest denk je?”
„Nou, ik heb gedacht onze witte haan, die is zoo mak dat ik ’m op kan pakken.”
„Zou die d’r niet van dood gaan?”
„Dat weet ik niet.”
„Dan moesten we ’t ook maar niet doen. Kunnen we ’t eerst niet eens probeeren met ’n ander dier, ’n vlieg of zoo iets? Aan ’n vlieg is niet veel verbeurd.”
„’n Vlieg?” zei Piet lachend. „Hoe wil je d’r nou achter komen of zoo’n vlieg nog leeft als je ’m niet meer zien kan? Ik neem de haan. We hebben hanen genoeg, ik geloof drie of vier.”
„Jakkes nee, die witte haan moet je niet nemen, da’s ’n veel te aardig beest.”
„Zie jij dan ’n ander te pakken te krijgen.”[31]
„Je hebt goed praten. Je weet heel goed dat ik dat ook niet kan.”
„Nou, dan nemen we Flip.”
„Flip? Nou maar dat zal je wel laten. Zoo’n goeie kat!”
„Goeie kat? Jij bent d’r ook achter. Je moet ’m maar es zien als ie jonge vogels uit het nest haalt.”
„Dat doen alle katten. Nee, Flip doe je ’t niet. Neem dan je haan maar.”
„Best.… Zie jij iemand achter ’t huis?”
„Ik niet. Wat wou je gaan doen?”
Piet had het koffertje onder ’n paar struiken verstopt en kwam nu aandragen met ’n laddertje. D’r was geen mensch te zien. ’t Leek daar aan de achterkant van de boerderij wel of er heelemaal geen menschen woonden. De kippen waren de eenige levende wezens die je te zien kreeg.
Kippen hadden ze op de boerderij minstens ’n goeie honderd. Piet z’n moeder ging iedere week met ’n groote mand vol eieren naar de markt. En Koen telde in de gauwigheid zes hanen, jonge en oude. De witte was de oudste. Daar leek hij tenminste wel op. De grootste was ie zeker. En de baas was ie ook. Geen andere haan durfde erg dicht in z’n buurt komen. Zoodra haneman de jongens zag, kwam hij naar hen toegestapt en de jongere hanen waar hij op z’n wandeling toevallig langs kwam, maakten beenen zoodra de witte naderde.
Piet zette het laddertje tegen de muur, vlak bij ’n klein venstertje. Dat venster was het raam van Koen’s slaapkamer waar hij met Piet samen sliep.[32]De vrouw had er twee bedden neergezet, want om de familie Bruggemans te kunnen herbergen, had Koen er genoegen mee moeten nemen met Piet in één kamer te slapen. Berte moest evenzoo met Mie in een kamer aan de andere kant van de ruime zolder logeeren. M’nheer en mevrouw Bruggemans sliepen in de opkamer beneden boven de kelder. De broers van Koen sliepen in kamertjes boven de stal en de boerin en de boer sliepen in ’n groote bedstede met geruite gordijnen in de huiskamer. Over dag kon je niet zien dat daar ’n bedstede was, want er waren ook nog deuren voor, die dicht gedaan werden, zoodra er iemand op visite in die kamer kwam.
Toen Piet het laddertje daar had neergezet, loerde hij eerst nog eens goed rond en keek ook in het achterhuis. Daarna haalde hij vlug het koffertje onder de heg vandaan en bracht het door het venstertje naar binnen.
„Ziezoo,” zei hij, „nou ga jij maar binnen en je bergt het ding veilig ergens weg.”
„In m’n koffer!” zei Koen. „Daar kan ’t best nog in.”
„Doe ’t dan maar eerst, want als er bij ongeluk iemand komt kijken, dan moeten ze dat ding niet te zien krijgen.”
„We doen toch niet goed,” zei Koen, terwijl hij naar binnen ging. „Ik had het liever aan vader gezegd.”
„Dat kan morgen nog even goed,” riep Piet hem na toen hij het laddertje opnam om het weer te brengen waar hij ’t vandaan gehaald had. Want z’n[33]vader hield van orde en alle dingen hadden in de boerderij en op het erf hun vaste plaats, zoodat je nooit naar iets hoefde te zoeken als je het noodig had.
Koen stopte het wonderkistje veilig weg, ofschoon hij er toch wel ’n beetje het land aan had iets stiekems te doen. Dat was ie niet gewoon. Hij en Berte hadden nooit iets voor vader en moeder te verbergen. Hij trachtte zich wel gerust te stellen door het goede voornemen het de volgende dag te vertellen en dan, ’t was toch ook eigenlijk meer ’t drijven van Piet, die ’t nu eenmaal eerst nog eens probeeren wou met die witte haan.
Piet was bij hem gekomen in het zolderkamertje en vond ook dat het kistje heel goed verborgen was in die koffer. Niemand zou daar licht in gaan snuffelen. En ze spraken af om als het kon nog diezelfde avond de proef te nemen met de haan.
Maar voor ze daaraan konden beginnen, zag Koen kans er met z’n vader over te spreken. Hij vertelde wel niet dat hij en Piet in het bezit waren van die machine, doch hij wist, waar Piet bij was, het gesprek te brengen op allerlei uitvindingen en toen zei hij dat ie iets gelezen had over ’n uitvinding om de dingen te laten verdwijnen of liever onzichtbaar te maken.
„O,”zei Berte, „dat konden de kabouters uit de sprookjes ook, tenminste zichzelf. Die hadden ’n kap aan hun jasje, die nevelkap genoemd werd en als ze die over hun hoofd trokken, kon je de heele kabouter niet meer zien.”
„Nee dat bedoelt Koen niet,” zei vader. „Wat[34]Koen meent is wat anders. Ik heb er indertijd ook wat van gelezen, maar ik weet niet meer waarin. Ik geloof in ’n krant. Je kan er echter op rekenen dat het boerenbedrog was hoor. Iets onzichtbaar maken, dat kan. Je kan ’n stuk hout bijv. laten verbranden. Dan verdwijnt het als hout. Het blijft echter toch wel bestaan. Het hout is alleen maar ontbonden in de stoffen waaruit het oorspronkelijk is samengesteld. Zoo kan je water ontbinden in waterstof en zuurstof, die beide onzichtbaar zijn. Maar iets, laten we zeggen, ’n stok, onzichtbaar maken, ik geloof niet dat zooiets mogelijk is.”
„Ik herinner me er ook iets van,” zei moeder. „Het was ’n Amerikaansche professor, Wells heette hij geloof ik, die beweerde iets dergelijks uitgevonden te hebben, maar hij kon ’t niet bewijzen, want z’n instrument, waarmee hij dat deed, was verongelukt of zoo iets. Het rechte weet ik er ook niet meer van. Doch het is nog niet zoo lang geleden dat ik er wat van gelezen heb.”
„Ja, ja,” zei vader lachend, „als ze er mee voor de dag moeten komen dan is het instrument kapot. Makkelijke manier om er af te komen.”
Koen zat op heete kolen. Hij kon naar z’n kamertje gaan en het kistje halen en dan kon vader meteen zien dat het machientje of het instrument werkelijk bestond en dat het onzichtbaar maken van dingen niet onmogelijk was. Hij kon het dan meteen aan die professor in Amerika terug sturen, of er tenminste ’n brief over schrijven.
Dat had ie ook moeten doen. Maar Piet vroeg hem of ie meeging. Die jongen had gedurende het[35]gesprek heelemaal geen woord gezegd. Net gedaan of hem zooiets geen steek schelen kon. In werkelijkheid was ie zoo bang als de dood geweest dat Koen zich verpraten zou. Hij had het zich nu eenmaal in z’n hoofd gehaald om dat onzichtbaar maken toe te passen op ’n levend ding, en hij was bang dat z’n plannetje in het water zou vallen als m’nheer Bruggemans dat kistje in z’n vingers kreeg.
Koen ging mee. En toen ze ’n eind weg waren, zei Piet:
„Ik was bang dat je de boel verklappen zou Koen.”
„Ik had het ook haast gedaan,” antwoordde die. „M’nheer Wells moet dat kistje terug hebben. Het is zeker wel ’n zeer kostbaar instrument en het is van hem en niet van ons.”
„Hij krijgt het ook terug. Maar het zal er wel niet op ’n paar dagen op aan komen,” zei Piet lachend. „De haan moet er eerst aan gelooven. Ik moet weten of dat ook kan.”
„Maar dan vertellen we het aan vader, hé?”
Piet gaf daar geen antwoord op. Hij stelde voor om nu maar eens te gaan zien of de kust veilig was om met de witte te beginnen.
Maar daar was nog geen sprake van. Er was voortdurend geloop over het erf waar de kippen liepen en Piet zag geen kans om met de haan ongemerkt naar de kamer te gaan. Ze gingen dus maar in de boomgaard om wat peren te eten en daar kwamen al heel gauw Berte en Mie vergezeld van Flip bij hen.
Piet deed niet erg vriendelijk tegen z’n zusje, en[36]die twee kregen bijna ruzie. Koen kwam tusschenbeide. Hij begreep wel dat Piet de meisjes weg wilde hebben maar hij kon toch niet velen dat ie daarom onhebbelijk werd tegen hen. Berte schold de jongens op haar beurt uit voor naarlingen en liep nijdig met Mie en Flip de boomgaard uit.
„Ziezoo,” zei Piet, „die kunnen we missen. Laten we nou maar weer eens gaan kijken of we met de haan naar boven kunnen komen.”[37]