[Inhoud]ZEVENDE HOOFDSTUK.Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er de veldwachter bij te halen.Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot, dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van onder tot boven in de modder.”„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die afvallen.”„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg hier achter in het land.”„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin.„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?”Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok.De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n zindelijke slaapplaats.[103]Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen.Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan. Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken.Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten.Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan bedoelden ze altijd maar die eene.„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet.„Is dat zooveel?” vroeg Koen.„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.”„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.”„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.”De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van het malsche groen af.„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar huis.[104]„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet slaapt.”Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt.En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren, op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo zichtbaar als het altijd geweest was.Maar de volgende morgen was dat al anders.Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek: „ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen en ze[105]drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan trachten ze gauw op dat plaatsje te komen.Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd, dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp.Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich open.Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende het achterhuis binnen.De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of zooiets.„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit:„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!”„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?”Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze knikte maar. Doch toen[106]ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze nog altijd hijgend:„’t Heeft nog maar drie pooten.”De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding.Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei:„En is ’t al dood?”„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de biggen!”„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t toch dood!”„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.”„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?”„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.”„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.”Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote varken ’n eindje van de zeuning af in het gras.Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het gebruik is nu ’n fijn dutje deed.„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten.[107]„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde eronmiddellijkbij: „Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.”Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook.Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te huilen.„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en ’n halve kop, wat ’n akelig beest!”„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t beest zat.„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin.Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot kijken en in die halve kop. ’tWasnet ’n varken dat van ’n dun laagje modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en daar waar de modder al afschilferde.„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk thuis komen.”Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met[108]z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden. Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de verdwijn-machine.De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten deroggein de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar de boerderij.Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar het land waar het varken was.Ze deden er niet lang over.Toen ze bij het varken stonden zei Piet:„Da’s gemeen van je vader,Koen. Van dat varken waar we mee naar de tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?”Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe beter.Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg:„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft hoor.”[109]Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest.Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen.Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet tenminste ook z’n behoorlijke portie.Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de[110]beurt van Piet om ’n poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover kwam.Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging.Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de zaak te verzwijgen.„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.”„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet … Maar zouden jullie het niet naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?”„Welnee jô … die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.”„Je houdt je mond hè?”„Ik beloof het je Koen.”Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet:„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als[111]de haan en de telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.”„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n ramp.”Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen.„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.”’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer had.De boeren keken het na en de vader zei:„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden, dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen. En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik ga vanavond zelf naar de burgemeester.[112]Hetmoet nou maar es uit zijn met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.”Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het varken aan liepen.Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen, het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie.Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak af te kijken.Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar toen het afgeloopen was[113]had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer. De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele beest heen kijken.Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder gewoonte achter d’r aan.„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n mirakels mispunt.”„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent had, die ’t ’m gelapt heeft.”„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer,„en vraag of ie dadelijk hier komt.”Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het roggeveld.Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek, maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks zouen vragen.„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.”„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af wist. Maar zoo slim is ie niet.”„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar het veld.”„Wat ga jij dan doen?”„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag komt.”[114]„O,… ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.”„Da’s goed.”Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en mevrouw Bruggemans knikte eens en zei:„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook. Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt het zeker ook wel naar hè?”Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de tentoonstelling konden.Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles hooren. Want die ging het toch het meest aan.M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed[115]gehoord, want hij riep Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om.Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs, die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet.„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht.„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r gloeiend bij.”„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen.„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.”[116]
[Inhoud]ZEVENDE HOOFDSTUK.Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er de veldwachter bij te halen.Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot, dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van onder tot boven in de modder.”„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die afvallen.”„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg hier achter in het land.”„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin.„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?”Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok.De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n zindelijke slaapplaats.[103]Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen.Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan. Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken.Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten.Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan bedoelden ze altijd maar die eene.„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet.„Is dat zooveel?” vroeg Koen.„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.”„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.”„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.”De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van het malsche groen af.„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar huis.[104]„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet slaapt.”Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt.En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren, op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo zichtbaar als het altijd geweest was.Maar de volgende morgen was dat al anders.Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek: „ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen en ze[105]drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan trachten ze gauw op dat plaatsje te komen.Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd, dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp.Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich open.Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende het achterhuis binnen.De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of zooiets.„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit:„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!”„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?”Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze knikte maar. Doch toen[106]ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze nog altijd hijgend:„’t Heeft nog maar drie pooten.”De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding.Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei:„En is ’t al dood?”„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de biggen!”„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t toch dood!”„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.”„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?”„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.”„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.”Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote varken ’n eindje van de zeuning af in het gras.Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het gebruik is nu ’n fijn dutje deed.„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten.[107]„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde eronmiddellijkbij: „Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.”Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook.Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te huilen.„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en ’n halve kop, wat ’n akelig beest!”„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t beest zat.„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin.Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot kijken en in die halve kop. ’tWasnet ’n varken dat van ’n dun laagje modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en daar waar de modder al afschilferde.„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk thuis komen.”Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met[108]z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden. Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de verdwijn-machine.De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten deroggein de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar de boerderij.Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar het land waar het varken was.Ze deden er niet lang over.Toen ze bij het varken stonden zei Piet:„Da’s gemeen van je vader,Koen. Van dat varken waar we mee naar de tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?”Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe beter.Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg:„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft hoor.”[109]Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest.Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen.Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet tenminste ook z’n behoorlijke portie.Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de[110]beurt van Piet om ’n poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover kwam.Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging.Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de zaak te verzwijgen.„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.”„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet … Maar zouden jullie het niet naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?”„Welnee jô … die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.”„Je houdt je mond hè?”„Ik beloof het je Koen.”Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet:„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als[111]de haan en de telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.”„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n ramp.”Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen.„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.”’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer had.De boeren keken het na en de vader zei:„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden, dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen. En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik ga vanavond zelf naar de burgemeester.[112]Hetmoet nou maar es uit zijn met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.”Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het varken aan liepen.Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen, het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie.Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak af te kijken.Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar toen het afgeloopen was[113]had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer. De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele beest heen kijken.Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder gewoonte achter d’r aan.„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n mirakels mispunt.”„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent had, die ’t ’m gelapt heeft.”„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer,„en vraag of ie dadelijk hier komt.”Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het roggeveld.Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek, maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks zouen vragen.„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.”„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af wist. Maar zoo slim is ie niet.”„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar het veld.”„Wat ga jij dan doen?”„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag komt.”[114]„O,… ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.”„Da’s goed.”Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en mevrouw Bruggemans knikte eens en zei:„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook. Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt het zeker ook wel naar hè?”Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de tentoonstelling konden.Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles hooren. Want die ging het toch het meest aan.M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed[115]gehoord, want hij riep Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om.Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs, die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet.„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht.„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r gloeiend bij.”„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen.„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.”[116]
ZEVENDE HOOFDSTUK.Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er de veldwachter bij te halen.
Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er de veldwachter bij te halen.
Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er de veldwachter bij te halen.
Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot, dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van onder tot boven in de modder.”„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die afvallen.”„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg hier achter in het land.”„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin.„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?”Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok.De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n zindelijke slaapplaats.[103]Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen.Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan. Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken.Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten.Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan bedoelden ze altijd maar die eene.„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet.„Is dat zooveel?” vroeg Koen.„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.”„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.”„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.”De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van het malsche groen af.„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar huis.[104]„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet slaapt.”Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt.En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren, op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo zichtbaar als het altijd geweest was.Maar de volgende morgen was dat al anders.Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek: „ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen en ze[105]drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan trachten ze gauw op dat plaatsje te komen.Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd, dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp.Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich open.Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende het achterhuis binnen.De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of zooiets.„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit:„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!”„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?”Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze knikte maar. Doch toen[106]ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze nog altijd hijgend:„’t Heeft nog maar drie pooten.”De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding.Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei:„En is ’t al dood?”„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de biggen!”„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t toch dood!”„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.”„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?”„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.”„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.”Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote varken ’n eindje van de zeuning af in het gras.Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het gebruik is nu ’n fijn dutje deed.„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten.[107]„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde eronmiddellijkbij: „Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.”Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook.Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te huilen.„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en ’n halve kop, wat ’n akelig beest!”„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t beest zat.„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin.Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot kijken en in die halve kop. ’tWasnet ’n varken dat van ’n dun laagje modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en daar waar de modder al afschilferde.„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk thuis komen.”Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met[108]z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden. Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de verdwijn-machine.De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten deroggein de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar de boerderij.Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar het land waar het varken was.Ze deden er niet lang over.Toen ze bij het varken stonden zei Piet:„Da’s gemeen van je vader,Koen. Van dat varken waar we mee naar de tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?”Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe beter.Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg:„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft hoor.”[109]Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest.Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen.Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet tenminste ook z’n behoorlijke portie.Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de[110]beurt van Piet om ’n poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover kwam.Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging.Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de zaak te verzwijgen.„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.”„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet … Maar zouden jullie het niet naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?”„Welnee jô … die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.”„Je houdt je mond hè?”„Ik beloof het je Koen.”Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet:„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als[111]de haan en de telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.”„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n ramp.”Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen.„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.”’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer had.De boeren keken het na en de vader zei:„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden, dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen. En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik ga vanavond zelf naar de burgemeester.[112]Hetmoet nou maar es uit zijn met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.”Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het varken aan liepen.Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen, het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie.Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak af te kijken.Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar toen het afgeloopen was[113]had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer. De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele beest heen kijken.Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder gewoonte achter d’r aan.„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n mirakels mispunt.”„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent had, die ’t ’m gelapt heeft.”„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer,„en vraag of ie dadelijk hier komt.”Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het roggeveld.Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek, maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks zouen vragen.„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.”„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af wist. Maar zoo slim is ie niet.”„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar het veld.”„Wat ga jij dan doen?”„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag komt.”[114]„O,… ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.”„Da’s goed.”Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en mevrouw Bruggemans knikte eens en zei:„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook. Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt het zeker ook wel naar hè?”Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de tentoonstelling konden.Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles hooren. Want die ging het toch het meest aan.M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed[115]gehoord, want hij riep Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om.Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs, die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet.„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht.„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r gloeiend bij.”„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen.„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.”[116]
Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot, dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van onder tot boven in de modder.”
„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die afvallen.”
„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg hier achter in het land.”
„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin.
„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?”
Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok.
De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n zindelijke slaapplaats.[103]
Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen.
Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan. Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken.
Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten.
Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan bedoelden ze altijd maar die eene.
„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet.
„Is dat zooveel?” vroeg Koen.
„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.”
„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.”
„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.”
De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van het malsche groen af.
„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar huis.[104]
„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet slaapt.”
Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt.
En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren, op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo zichtbaar als het altijd geweest was.
Maar de volgende morgen was dat al anders.
Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek: „ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen en ze[105]drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan trachten ze gauw op dat plaatsje te komen.
Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd, dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp.
Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich open.
Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende het achterhuis binnen.
De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of zooiets.
„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit:
„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!”
„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?”
Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze knikte maar. Doch toen[106]ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze nog altijd hijgend:
„’t Heeft nog maar drie pooten.”
De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding.
Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei:
„En is ’t al dood?”
„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de biggen!”
„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t toch dood!”
„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.”
„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?”
„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.”
„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.”
Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote varken ’n eindje van de zeuning af in het gras.
Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het gebruik is nu ’n fijn dutje deed.
„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten.[107]
„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde eronmiddellijkbij: „Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.”
Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook.
Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te huilen.
„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en ’n halve kop, wat ’n akelig beest!”
„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t beest zat.
„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin.
Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot kijken en in die halve kop. ’tWasnet ’n varken dat van ’n dun laagje modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en daar waar de modder al afschilferde.
„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk thuis komen.”
Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met[108]z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden. Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de verdwijn-machine.
De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten deroggein de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar de boerderij.
Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar het land waar het varken was.
Ze deden er niet lang over.
Toen ze bij het varken stonden zei Piet:
„Da’s gemeen van je vader,Koen. Van dat varken waar we mee naar de tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?”
Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe beter.
Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg:
„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft hoor.”[109]
Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest.
Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen.
Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet tenminste ook z’n behoorlijke portie.
Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de[110]beurt van Piet om ’n poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover kwam.
Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging.
Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de zaak te verzwijgen.
„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.”
„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet … Maar zouden jullie het niet naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?”
„Welnee jô … die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.”
„Je houdt je mond hè?”
„Ik beloof het je Koen.”
Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet:
„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als[111]de haan en de telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.”
„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n ramp.”
Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen.
„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.”
’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer had.
De boeren keken het na en de vader zei:
„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden, dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen. En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik ga vanavond zelf naar de burgemeester.[112]Hetmoet nou maar es uit zijn met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.”
Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het varken aan liepen.
Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen, het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie.
Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak af te kijken.
Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar toen het afgeloopen was[113]had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer. De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele beest heen kijken.
Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder gewoonte achter d’r aan.
„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n mirakels mispunt.”
„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent had, die ’t ’m gelapt heeft.”
„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer,„en vraag of ie dadelijk hier komt.”
Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het roggeveld.
Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek, maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks zouen vragen.
„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.”
„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af wist. Maar zoo slim is ie niet.”
„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar het veld.”
„Wat ga jij dan doen?”
„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag komt.”[114]
„O,… ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.”
„Da’s goed.”
Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en mevrouw Bruggemans knikte eens en zei:
„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook. Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt het zeker ook wel naar hè?”
Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de tentoonstelling konden.
Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles hooren. Want die ging het toch het meest aan.
M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed[115]gehoord, want hij riep Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om.
Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs, die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet.
„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht.
„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r gloeiend bij.”
„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen.
„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.”[116]