XVII.

XVII.Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk om mijn ezelnek.—Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk terug!?En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn maag uit speelschheid.—En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus’ dochter uit Hypata?Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam hoefschrift en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:—De ezel van Menedemus’ dochter? Neen, domme slaaf, maar haar bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is gekomen, en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn naam als muziek zegt!Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd en verliefd op een ezel geworden.—Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, ik begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik u zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, heel ver, tot in Larissa toe,waar ik slechts u vermoeden kon? Maar ik vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een ezel zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den ezel, die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon allerlei betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om mij heen: ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had verloren en ik zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal zocht—want ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd waart!—als veedief gepakt en gegeeseld en toen in het gevang geworpen en toen verkocht op de slavenmarkt en ik wisselde van meester drie malen: ik was eerst slaaf van den stadsreiniger, maar verheugd er om, want ik liep steeds op de straat met mijn korf en bezem àlle ezels na; mijn meester verkocht mij toèn met voordeel aan een purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, omdat ik berekende, dat, zoo ge niet in een ezel herschapen waart, ik u misschien daar kon ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet met mijn baas en ook deze verkocht mij met voordeel aan den opziener van een groot landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk—hij toonde zijn sikkel—maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde herinneren, kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en landbouwers aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo vervoerd van geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen oogenblik bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn rondom betoovering en luide zichzelf in de rede viel:—Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komttoch nader en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o neen, die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den oorlog kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze jonkvrouw is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, uw trouwe Davus vergeet altoos namen!En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu was er niet veel te herstellen meer aan Davus’ onbescheidenheid; de opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op mijn rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was en ik haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij niets over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk in het stof van den weg te onderteekenen.Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het landvolk om ons heen gedrongen:En het klonk, door elkaâr:—Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer zelve....? En onze meesteres....?Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener tot Davus:—Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen onwaarschijnlijken vorm.Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener,om ons naar hunne meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij volgden, terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. Toen de landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de schatrijke bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en waar nog een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en veeteelt, kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik ter weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had door gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners begrepen, dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd van aanzien waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons telkens rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij gaven mij klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen gewone ezel was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde enkele hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef schrijvende in het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel verwonderende, maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had gevonden, geleidden zij ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht somberder rifgebergte, waar zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer zich bevonden. Ik vermoedde, dat hij minstens wel even zoo vermogend zou zijn als Menedemus en mij herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn naam had genoemd, vroeg ik, schrijvende, toen wij een oogenblik halt hielden:—Hoe heet, opzieners, uw heer....En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag hoorde:—Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate....Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus’ naam niet meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:—Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen?Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring. Maar wel deed Davus’ vraag mij begrijpen, dat het beste zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog hadik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa’s tegen lichter, star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek over en weêr. En toen wij naderden—een jonkvrouw op een ezel met een slaaf en verschillende opzieners—door de tuinen en langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus’ hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en vande opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En ik hoorde:—.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.—Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde:—Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....—Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde.En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus’ deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en vroeg:—Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen?—Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis.—En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?—Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan welke vorm ook zoû zijn....Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij nooit berekend, dat Charis’ betoovering door zijn eigen tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde van zonnebloemen....!XVIII.Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep:—Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde Chersonezus en zeide:—Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst, die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil op dien ezel mij wreken.—Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis’ verloofde??—Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, Chersonezus, mij dien Charmides af.—Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn.Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat àlles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen, dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende:—Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat hare wraak ook bedenkt!Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel omhoog uit het zachtziedende water. De stengel slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:—Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe’s gewaad, met de juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem, onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid....Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:—Vat de bloem aan maar eet haar niet....En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tandenden stengel aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn hoeven de bloem.Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek Charis’ armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen der toovenaars en Chersonezus’ en Meroë’s stemmen tegen elkander in:—Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!—Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!—Dat een ezel....!—Een handelsreiziger....!—Telkens en telkens weêr....!—Je toovermacht breekt....!—Je toovermacht breekt....Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.—Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt ons steeds!En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om ons op, immens, leêg en grijs....—Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een droom! Charmides, Charmides, vluchten wij?Zij wierp zich op mijn rug.Maar plotseling hoorde ik een stem:—Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!!En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep:—Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wàt zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork over en weêr en zij smeekten mij:—Hàrr-mides! Hàrr-mides!Wat is er?—Erbàrm, erbàrm u onzer!—Wie zijt ge?—Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië....—Wat overviel u? vroeg ik.—Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten,onder de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....—Een zwijnetand hier....—Een zwijnepoot daar....—Een zwijnestaart hier....—En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.—Ge moet amaryllis eten! riep ik.—Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep:—Charmides! Charmides! Vlucht!!En Davus:—Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, Chersonezus’ zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid, ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de zon niet opstraalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr.—O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De driezwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis’ greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen.Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa.XIX.In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde te huis!Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op, een kiervan goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken.Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en zij riep:—Charmides! Charmides! Waar ben ik?Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:—In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk niet weetof zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust zijn gedompeld!En opgestaan riep hij:—Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en de zon rijst over de vlakte!De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....—Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met raad zoowel als met daad!In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts en knielde neêr op mijn twee voorpooten.Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en hielden zwijgende stand.—Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren, den ezel, die is mijn heer!De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had geschreven:—„Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus....”—Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!—En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.—Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester ernstig.—Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft iedereen wel een tikje beet!—Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug naar het heiligdom van de godin.En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgrondenafgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daàr zich verloor onder de neêr getuimelde blokken....—Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens, eencohors legionariïen allen hielden stil, knielden neêr, aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:—Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd?Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de verte, zuilde de witte tempel....Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde mij ook Clitifo’s lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den stoettusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze....Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol erbarming klonk en weten van wijze dingen:—Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië’s grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gundenmij niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en ten derde male herschapen werd. Om Charis’ woning bloeiden de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de trouw in de liefde deelachtig moest worden....Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen.De opperpriester wees.—Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen het u...Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de bloemen en inhare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit:—O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die de maagd reikte aan den opperpriester.Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.En at haar zoo vroom of ik bad.Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias’ zoon uit Epidaurus, in zijn reisgewaad....!Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!—Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.—Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.Maar een schelle kreet klonk naast mij.—Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, owondermeesters, die hem mij pleegden, wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn Charmides!?En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:—Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen!En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren los, terwijl hare kreten snerpten:—Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel Charmides!XX.Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:—Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot bezinning te komen....Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat zij zoo schoon was en vroeg:—Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....?De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en zij tokkelden met destaven de snaren en zij zongen en zij bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk...En at de lotus....Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus’ verschrikkelijk paleis.Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En de heilige man zeide zacht:—Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb geduld...Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad.En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken.Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:—Claudius Veturius....Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.—Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig.—Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn.En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan ’s priesters voet...—Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de lotussen waren geweest.—... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte, welluidende grijsaardsstem.En hij nam de drie bloemen en zeide:—Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want nietde roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering.En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij droegen, o wonder, hunne toga’s en voor den opperpriester hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te danken....Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken—ik overluisterde hen even—hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen:—Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.—Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.—Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn....—Charmides... zeide mij een der priesters.—Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zootooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde....—Charis! riep ik haar zacht.—Charmides! riep zij zacht mij toe.Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr, innig en dicht.—Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.—Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o eenenkele seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus—ik heb hem herkend—op een ezel...—Op mij....—.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides!—En weêrklonk Charis’ naam....—Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je verscheent in een ezelvorm....—Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..—Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En beminde ik je, als een ezel...—En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis....Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.—Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was vizioen....—Vizioen... herhaalde ik.—O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn?—Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....?—Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit veel gevaar, o Charmides....—O Charis....Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....—O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis’ mysteriën. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel veranderd te worden....

XVII.Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk om mijn ezelnek.—Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk terug!?En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn maag uit speelschheid.—En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus’ dochter uit Hypata?Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam hoefschrift en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:—De ezel van Menedemus’ dochter? Neen, domme slaaf, maar haar bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is gekomen, en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn naam als muziek zegt!Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd en verliefd op een ezel geworden.—Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, ik begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik u zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, heel ver, tot in Larissa toe,waar ik slechts u vermoeden kon? Maar ik vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een ezel zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den ezel, die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon allerlei betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om mij heen: ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had verloren en ik zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal zocht—want ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd waart!—als veedief gepakt en gegeeseld en toen in het gevang geworpen en toen verkocht op de slavenmarkt en ik wisselde van meester drie malen: ik was eerst slaaf van den stadsreiniger, maar verheugd er om, want ik liep steeds op de straat met mijn korf en bezem àlle ezels na; mijn meester verkocht mij toèn met voordeel aan een purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, omdat ik berekende, dat, zoo ge niet in een ezel herschapen waart, ik u misschien daar kon ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet met mijn baas en ook deze verkocht mij met voordeel aan den opziener van een groot landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk—hij toonde zijn sikkel—maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde herinneren, kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en landbouwers aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo vervoerd van geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen oogenblik bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn rondom betoovering en luide zichzelf in de rede viel:—Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komttoch nader en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o neen, die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den oorlog kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze jonkvrouw is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, uw trouwe Davus vergeet altoos namen!En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu was er niet veel te herstellen meer aan Davus’ onbescheidenheid; de opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op mijn rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was en ik haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij niets over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk in het stof van den weg te onderteekenen.Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het landvolk om ons heen gedrongen:En het klonk, door elkaâr:—Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer zelve....? En onze meesteres....?Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener tot Davus:—Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen onwaarschijnlijken vorm.Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener,om ons naar hunne meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij volgden, terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. Toen de landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de schatrijke bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en waar nog een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en veeteelt, kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik ter weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had door gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners begrepen, dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd van aanzien waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons telkens rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij gaven mij klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen gewone ezel was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde enkele hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef schrijvende in het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel verwonderende, maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had gevonden, geleidden zij ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht somberder rifgebergte, waar zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer zich bevonden. Ik vermoedde, dat hij minstens wel even zoo vermogend zou zijn als Menedemus en mij herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn naam had genoemd, vroeg ik, schrijvende, toen wij een oogenblik halt hielden:—Hoe heet, opzieners, uw heer....En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag hoorde:—Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate....Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus’ naam niet meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:—Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen?Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring. Maar wel deed Davus’ vraag mij begrijpen, dat het beste zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog hadik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa’s tegen lichter, star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek over en weêr. En toen wij naderden—een jonkvrouw op een ezel met een slaaf en verschillende opzieners—door de tuinen en langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus’ hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en vande opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En ik hoorde:—.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.—Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde:—Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....—Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde.En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus’ deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en vroeg:—Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen?—Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis.—En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?—Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan welke vorm ook zoû zijn....Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij nooit berekend, dat Charis’ betoovering door zijn eigen tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde van zonnebloemen....!

Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk om mijn ezelnek.

—Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk terug!?

En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn maag uit speelschheid.

—En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus’ dochter uit Hypata?

Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam hoefschrift en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:

—De ezel van Menedemus’ dochter? Neen, domme slaaf, maar haar bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is gekomen, en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn naam als muziek zegt!

Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd en verliefd op een ezel geworden.

—Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, ik begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik u zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, heel ver, tot in Larissa toe,waar ik slechts u vermoeden kon? Maar ik vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een ezel zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den ezel, die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon allerlei betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om mij heen: ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had verloren en ik zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal zocht—want ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd waart!—als veedief gepakt en gegeeseld en toen in het gevang geworpen en toen verkocht op de slavenmarkt en ik wisselde van meester drie malen: ik was eerst slaaf van den stadsreiniger, maar verheugd er om, want ik liep steeds op de straat met mijn korf en bezem àlle ezels na; mijn meester verkocht mij toèn met voordeel aan een purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, omdat ik berekende, dat, zoo ge niet in een ezel herschapen waart, ik u misschien daar kon ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet met mijn baas en ook deze verkocht mij met voordeel aan den opziener van een groot landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk—hij toonde zijn sikkel—maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....

Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde herinneren, kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en landbouwers aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo vervoerd van geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen oogenblik bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn rondom betoovering en luide zichzelf in de rede viel:

—Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komttoch nader en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o neen, die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den oorlog kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze jonkvrouw is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, uw trouwe Davus vergeet altoos namen!

En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu was er niet veel te herstellen meer aan Davus’ onbescheidenheid; de opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op mijn rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was en ik haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij niets over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk in het stof van den weg te onderteekenen.

Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het landvolk om ons heen gedrongen:

En het klonk, door elkaâr:

—Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer zelve....? En onze meesteres....?

Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener tot Davus:

—Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen onwaarschijnlijken vorm.

Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener,om ons naar hunne meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij volgden, terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. Toen de landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de schatrijke bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en waar nog een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en veeteelt, kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik ter weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had door gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners begrepen, dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd van aanzien waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons telkens rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij gaven mij klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen gewone ezel was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde enkele hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef schrijvende in het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel verwonderende, maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had gevonden, geleidden zij ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht somberder rifgebergte, waar zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer zich bevonden. Ik vermoedde, dat hij minstens wel even zoo vermogend zou zijn als Menedemus en mij herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn naam had genoemd, vroeg ik, schrijvende, toen wij een oogenblik halt hielden:

—Hoe heet, opzieners, uw heer....

En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag hoorde:

—Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate....

Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus’ naam niet meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:

—Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen?

Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring. Maar wel deed Davus’ vraag mij begrijpen, dat het beste zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog hadik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa’s tegen lichter, star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek over en weêr. En toen wij naderden—een jonkvrouw op een ezel met een slaaf en verschillende opzieners—door de tuinen en langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus’ hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.

Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en vande opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En ik hoorde:

—.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....

Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.

—Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.

Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde:

—Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....

—Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde.

En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus’ deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en vroeg:

—Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen?

—Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis.

—En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?

—Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan welke vorm ook zoû zijn....

Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij nooit berekend, dat Charis’ betoovering door zijn eigen tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....

Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde van zonnebloemen....!

XVIII.Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep:—Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde Chersonezus en zeide:—Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst, die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil op dien ezel mij wreken.—Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis’ verloofde??—Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, Chersonezus, mij dien Charmides af.—Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn.Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat àlles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen, dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende:—Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat hare wraak ook bedenkt!Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel omhoog uit het zachtziedende water. De stengel slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:—Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe’s gewaad, met de juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem, onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid....Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:—Vat de bloem aan maar eet haar niet....En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tandenden stengel aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn hoeven de bloem.Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek Charis’ armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen der toovenaars en Chersonezus’ en Meroë’s stemmen tegen elkander in:—Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!—Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!—Dat een ezel....!—Een handelsreiziger....!—Telkens en telkens weêr....!—Je toovermacht breekt....!—Je toovermacht breekt....Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.—Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt ons steeds!En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om ons op, immens, leêg en grijs....—Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een droom! Charmides, Charmides, vluchten wij?Zij wierp zich op mijn rug.Maar plotseling hoorde ik een stem:—Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!!En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep:—Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wàt zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork over en weêr en zij smeekten mij:—Hàrr-mides! Hàrr-mides!Wat is er?—Erbàrm, erbàrm u onzer!—Wie zijt ge?—Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië....—Wat overviel u? vroeg ik.—Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten,onder de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....—Een zwijnetand hier....—Een zwijnepoot daar....—Een zwijnestaart hier....—En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.—Ge moet amaryllis eten! riep ik.—Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep:—Charmides! Charmides! Vlucht!!En Davus:—Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, Chersonezus’ zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid, ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de zon niet opstraalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr.—O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De driezwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis’ greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen.Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa.

Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep:

—Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!

Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde Chersonezus en zeide:

—Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst, die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil op dien ezel mij wreken.

—Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis’ verloofde??

—Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, Chersonezus, mij dien Charmides af.

—Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn.

Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat àlles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen, dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende:

—Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat hare wraak ook bedenkt!

Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel omhoog uit het zachtziedende water. De stengel slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:

—Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.

Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe’s gewaad, met de juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem, onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid....

Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:

—Vat de bloem aan maar eet haar niet....

En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tandenden stengel aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn hoeven de bloem.

Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek Charis’ armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen der toovenaars en Chersonezus’ en Meroë’s stemmen tegen elkander in:

—Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!

—Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!

—Dat een ezel....!

—Een handelsreiziger....!

—Telkens en telkens weêr....!

—Je toovermacht breekt....!

—Je toovermacht breekt....

Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.

—Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt ons steeds!

En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om ons op, immens, leêg en grijs....

—Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een droom! Charmides, Charmides, vluchten wij?

Zij wierp zich op mijn rug.

Maar plotseling hoorde ik een stem:

—Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!!

En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.

Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep:

—Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!

Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wàt zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork over en weêr en zij smeekten mij:

—Hàrr-mides! Hàrr-mides!

Wat is er?

—Erbàrm, erbàrm u onzer!

—Wie zijt ge?

—Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië....

—Wat overviel u? vroeg ik.

—Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten,onder de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....

—Een zwijnetand hier....

—Een zwijnepoot daar....

—Een zwijnestaart hier....

—En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.

—Ge moet amaryllis eten! riep ik.

—Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep:

—Charmides! Charmides! Vlucht!!

En Davus:

—Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!

Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, Chersonezus’ zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid, ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de zon niet opstraalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....

Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr.

—O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.

Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De driezwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis’ greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen.

Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa.

XIX.In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde te huis!Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op, een kiervan goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken.Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en zij riep:—Charmides! Charmides! Waar ben ik?Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:—In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk niet weetof zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust zijn gedompeld!En opgestaan riep hij:—Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en de zon rijst over de vlakte!De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....—Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met raad zoowel als met daad!In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts en knielde neêr op mijn twee voorpooten.Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en hielden zwijgende stand.—Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren, den ezel, die is mijn heer!De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had geschreven:—„Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus....”—Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!—En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.—Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester ernstig.—Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft iedereen wel een tikje beet!—Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug naar het heiligdom van de godin.En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgrondenafgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daàr zich verloor onder de neêr getuimelde blokken....—Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens, eencohors legionariïen allen hielden stil, knielden neêr, aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:—Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd?Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de verte, zuilde de witte tempel....Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde mij ook Clitifo’s lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den stoettusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze....Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol erbarming klonk en weten van wijze dingen:—Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië’s grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gundenmij niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en ten derde male herschapen werd. Om Charis’ woning bloeiden de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de trouw in de liefde deelachtig moest worden....Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen.De opperpriester wees.—Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen het u...Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de bloemen en inhare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit:—O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die de maagd reikte aan den opperpriester.Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.En at haar zoo vroom of ik bad.Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias’ zoon uit Epidaurus, in zijn reisgewaad....!Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!—Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.—Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.Maar een schelle kreet klonk naast mij.—Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, owondermeesters, die hem mij pleegden, wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn Charmides!?En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:—Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen!En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren los, terwijl hare kreten snerpten:—Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel Charmides!

In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde te huis!

Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op, een kiervan goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken.

Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en zij riep:

—Charmides! Charmides! Waar ben ik?

Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:

—In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk niet weetof zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust zijn gedompeld!

En opgestaan riep hij:

—Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en de zon rijst over de vlakte!

De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....

—Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met raad zoowel als met daad!

In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts en knielde neêr op mijn twee voorpooten.

Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en hielden zwijgende stand.

—Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren, den ezel, die is mijn heer!

De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had geschreven:

—„Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus....”

—Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!

—En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.

Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.

—Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester ernstig.

—Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft iedereen wel een tikje beet!

—Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug naar het heiligdom van de godin.

En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgrondenafgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daàr zich verloor onder de neêr getuimelde blokken....

—Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!

Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens, eencohors legionariïen allen hielden stil, knielden neêr, aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:

—Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd?

Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de verte, zuilde de witte tempel....

Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde mij ook Clitifo’s lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den stoettusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze....

Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol erbarming klonk en weten van wijze dingen:

—Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië’s grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gundenmij niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en ten derde male herschapen werd. Om Charis’ woning bloeiden de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de trouw in de liefde deelachtig moest worden....

Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen.

De opperpriester wees.

—Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen het u...

Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de bloemen en inhare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit:

—O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!

En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die de maagd reikte aan den opperpriester.

Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.

Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.

En at haar zoo vroom of ik bad.

Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.

En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias’ zoon uit Epidaurus, in zijn reisgewaad....!

Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!

—Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.

—Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.

Maar een schelle kreet klonk naast mij.

—Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, owondermeesters, die hem mij pleegden, wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn Charmides!?

En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:

—Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen!

En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren los, terwijl hare kreten snerpten:

—Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel Charmides!

XX.Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:—Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot bezinning te komen....Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat zij zoo schoon was en vroeg:—Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....?De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en zij tokkelden met destaven de snaren en zij zongen en zij bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk...En at de lotus....Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus’ verschrikkelijk paleis.Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En de heilige man zeide zacht:—Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb geduld...Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad.En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken.Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:—Claudius Veturius....Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.—Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig.—Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn.En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan ’s priesters voet...—Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de lotussen waren geweest.—... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte, welluidende grijsaardsstem.En hij nam de drie bloemen en zeide:—Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want nietde roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering.En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij droegen, o wonder, hunne toga’s en voor den opperpriester hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te danken....Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken—ik overluisterde hen even—hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen:—Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.—Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.—Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn....—Charmides... zeide mij een der priesters.—Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zootooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde....—Charis! riep ik haar zacht.—Charmides! riep zij zacht mij toe.Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr, innig en dicht.—Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.—Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o eenenkele seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus—ik heb hem herkend—op een ezel...—Op mij....—.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides!—En weêrklonk Charis’ naam....—Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je verscheent in een ezelvorm....—Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..—Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En beminde ik je, als een ezel...—En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis....Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.—Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was vizioen....—Vizioen... herhaalde ik.—O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn?—Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....?—Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit veel gevaar, o Charmides....—O Charis....Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....—O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis’ mysteriën. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel veranderd te worden....

Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:

—Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot bezinning te komen....

Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat zij zoo schoon was en vroeg:

—Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....?

De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en zij tokkelden met destaven de snaren en zij zongen en zij bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk...

En at de lotus....

Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus’ verschrikkelijk paleis.

Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En de heilige man zeide zacht:

—Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb geduld...

Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad.

En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken.

Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:

—Claudius Veturius....

Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.

—Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.

Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig.

—Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn.

En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan ’s priesters voet...

—Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....

De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de lotussen waren geweest.

—... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte, welluidende grijsaardsstem.

En hij nam de drie bloemen en zeide:

—Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want nietde roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering.

En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij droegen, o wonder, hunne toga’s en voor den opperpriester hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te danken....

Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken—ik overluisterde hen even—hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen:

—Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.

—Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.

—Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.

Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...

Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn....

—Charmides... zeide mij een der priesters.

—Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...

Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zootooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde....

—Charis! riep ik haar zacht.

—Charmides! riep zij zacht mij toe.

Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr, innig en dicht.

—Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.

—Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o eenenkele seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus—ik heb hem herkend—op een ezel...

—Op mij....

—.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides!

—En weêrklonk Charis’ naam....

—Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je verscheent in een ezelvorm....

—Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..

—Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En beminde ik je, als een ezel...

—En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis....

Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.

—Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was vizioen....

—Vizioen... herhaalde ik.

—O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn?

—Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....?

—Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit veel gevaar, o Charmides....

—O Charis....

Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....

—O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!

Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis’ mysteriën. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel veranderd te worden....


Back to IndexNext