REIZENVAN DEN BARONVAN MUNCHHAUSEN.Tweede Deel.

REIZENVAN DEN BARONVAN MUNCHHAUSEN.Tweede Deel.VII. HOOFDSTUK.De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis na Noord-Amerika, welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd van den Baron zakt in zijne maag—een gevaarlijk lek gestopta posteriore.Ik ging tePortsmouthaan boord van een nieuw Engelsch oorlogschip, van honderd stukken, en veertien honderd koppen,naa Noord-America op reis; op welke niets merkwaardigs gebeurde, tot omtrend drie honderdFranschemijlen van de rivierSt. Laurens, wanneer het schip met een verbazend geweld stiet (zoo wij meenden) tegen een klip; hoewel wij met het lood geen grond konden pijlen tot op drie honderd vademen(8). Het gene in deze omstandigheid nog verwonderlijker is, en alle begrip te boven gaat, is dit: dat wij met dezen stoot ons roer verlooren, dat onze boegspriet door midden brak, dat alle onze masten opscheurden van boven tot beneden, en dat twee derzelven over boord vielen;een arme matroos, die boven in de raê zat om het zeil vast te maaken, vloog ten minsten drie mijlen ver van 't schip weg; maar gelukkiglijk reddede hij zijn leven: want in zijnen vaart viel hij op een zeemeeuw, die hem weder bragt, op dezelfde plaats, van welke hij gevallen was. Een ander uitwerksel van den stoot, welken wij kregen, was deze: dat zij, die tusschen deks waren, met hunne hoofden, op eene ijslijke wijs, tegen het dek gesmeten werden, zoo dat zij terug rolden als kloten. Maar met mij liep het zoo goed niet af: want mijn hoofd werd tusschen mijne schouders zoo diep ingedrukt, dat het zonk tot in de maag; en het liep eenige maanden aan, eer het zijne oude plaats wederom kon innemen. Terwijl wij allen nog even, verbaasd waren van de algemeene en onuitspreeklijke verwarring, waarin dit stooten ons gebragt had, ontdekten wij, waar het van daan kwam. Een zeergrote walvisch, die zig bakerde in de zon, was in slaap gevallen, op een diepte van zestien voeten water. Dit dier was zoo boos geworden over de manier, waarop wij het wakker gemaakt hadden, (want in het overzeilen was zijn neus door ons roer wat bekrapt geworden) dat hij de galderij geheel, en op zijn minst een vierde gedeelte van het halfdek met zijn staart in stukken sloeg, terwijl hij op het zelfde oogenblik ons daags anker, 't welk volgends gewoonte bij het voorsteven hing, tusschen zijne tanden nam, en met het schip ten minste eene lengte van zestig duitsche mijlen voordliep: en wie weet waar hij ons gebragt had, als niet gelukkiglijk het kabel gebroken was: wij verlooren daardoor beiden het anker en den walvisch; maar wanneer wij eenige maanden daarna naaEuropawederkeerden, vonden wij denzelfden walvisch, slechts weinige Engelsche mijlen van dezelfdeplaats, dood drijven op het water. De visch was meer danhonderd Rhijnlandsche roedenlang; waarom wij maar een zeer klein gedeelte van een zoo groot gedrogt aan boord konden krijgen. Wij zetteden derhalven onze sloepen uit, en konden niet, dan met veel moeite, zijn kop afhakken, waarin wij tot onze grote blijdschap het anker en nog boven de veertig vademen van het kabel vonden. Dit lag verborgen aan de linker zijde van den bek, vlak onder de tong; 't welk de waarschijnlijke oorzaak van deszelfs dood was: want de tong was aan dien kant heel zeer gezwollen, en voor een groot gedeelte ontstoken.—Dit was het eenigst buitengewoon toeval, 't welk ons op de reis bejegende. Evenwel had ik bijna nog een gedeelte van ons ongeluk op dien dag vergeten te melden, te weten: terwijl de walvisch met het schip weg zwom, sloeg hij een lek in hetzelve, waardoor zoo veel water in liep,dat wij het met alle onze pompen niet konden lens houden. Maar tot ons geluk ontdekte ik het lek; het was een groot gat van omtrend één voet over het kruis. Gij zult mij wel willen gelooven, dat dit geval mij een zeer groot genoegen gaf! als ik u verhaald zal hebben, hoe dit schoone schip met man en muis behouden werd door een zeer gelukkige inval! ik vulde het gat met mijn ..., zonder mijn broek uit te trekken; ja ware het nog groter geweest, ook dan nog zoude ik het hebben kunnen stoppen: waarover gij u niet zult verwonderen, als ik u zegge, dat ik eigenlijk uitWestphalenafkomstig ben(9). Terwijl ik op deze bril zat, had ik het waarlijk vrij koel; maar de timmerlieden verlosten mij weldra uit dezen onaangenamen staat.(8)De vertaler gist, dat de zetter van het oorspronglijk werk hier den Baron een lelijken trek gespeeld hebbe; want dat de Baron een schrijffout begaan zoude hebben, houdt hij voor onmogelijk. Het diepst, dat men kan peilen is honderd vijftig vademen. Hij heeft het niet durven veranderen; want dit zoude zoo goed geweest zijn, als aan de geloofwaardigheid van den Baron te twijfelen:(9)Dit wil zeggen, dat de Ouders van den Baron aldaar gewoond hadden, en hij alzoo inWestphalengeboren was. Want op eene andere plaats beroemt hij zig op zijn koninglijk bloed.VIII. HOOFDSTUK.De Baron baadt zig in de middellandsche zee.—Hij ontmoet zeer onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het strand.Ik was eens in het grootste gevaar van de waereld, om in de middellandsche zee, op de zonderlingste manier, zonder medewerking der geneesheeren, en buiten weeten van eenig mensch, om het leven te raaken. Op een zomerschen agtermiddag baadde ik mij, in die vermaaklijke zee, digt bijMarseille, wanneerik een zeer groten visch, met zeer wijd opgesperde kaken, met de grootste snelheid op mij zag aankomen. Hier was geen tijd te verliezen; en het te ontwijken was niet mogelijk. Ik maakte mij daarom terstond zoo klein, als in mijn vermogen was, trekkende mijne voeten zoo hoog op, en sluitende mijne handen zoo naabij het lijf, als ik maar kon. In deze houding was ik in een ogenblik tusschen zijne kaken en in zijne maag. Hier was ik een poos in den stikdonkersten nacht, en de onverdraaglijkste hitte; gelijk gij u ligt zult kunnen verbeelden: tot dat ik eindelijk begon te begrijpen, dat wanneer ik den visch wat pijn aandeed, hij wel blijde zoude zijn, als hij mij wederom kwijt was. Daar ik ruimte genoeg had, begon ik alle mijne jongens spellen één voor één te beproeven; als tuimelen, hinkelen, springen, klouteren enz.; maar niets scheen hem zoo lastig te vallen,als de vaardige beweging mijner voeten, met het dansen van den hornpijp. Nauwlijks was ik daarmede begonnen, of ik moest weder uitscheiden, door zijn horten en stooten; ik ging echter weêr voord, en hij brulde vreeslijk; op het laatst ging hij volkomen regt op zijn staart in het water staan, met zijn kop daarboven uitstekende, waardoor hij ontdekt werd door het bootsvolk van een italiaanschen koopvaarder, die daar juist voorbij zeilde, en hem binnen weinig minuten harpoende. Zoodra hij aan boord gehaald was, hoorde ik het volk met elkander overleggen hoe zij hem best zouden opsnijden, om den meesten traan te krijgen. Ik was dus in geen geringe benaauwdheid, dat zij mij omhals zouden brengen met die werktuigen, waarmede zij dit vreemde werk verrigten wilden. Hierom begaf ik mij zoo naa bij het middenpunt, als ik konde: want in de maag van dit schepselwas ruimte genoeg voor twaalf menschen: en ik verbeeldde mij natuurlijk, dat zij met de ingewanden zouden beginnen. Maar mijne vrees was weldra gestild: want zij begonnen met den buik van onderen af open te snijden. Zoodra ik eenige schemering van licht gewaar werd, schreeuwde ik uit al mijn magt (want ik sprak italiaansch) dat men mij met allen spoed verlossen zoude uit eene plaats, daar ik bijkans gestikt was. Het is mij onmogelijk om naar waarheid te beschrijven de maat en de soort van verbaasdheid en ontsteldtenis, welken op ieders aangezigt geschilderd waren, toen zij de stem van een mensch uit het binnenste van den visch hoorden; maar vooral, toen zij een levendig wel geschaapen naakt mensch uit deszelfs lighaam met een statigen tred zagen te voorschijn komen; met één woord, Heeren! ik verhaalde hun de gantsche gebeurdtenis, zoo als ik ze u verhaaldheb, terwijl zij van verbaasdheid verstomden.VI.Na dat ik eenige ververschingen genomen had, sprong ik in zee, om mij af te wasschen, en ik zwom naa mijne klederen, welken ik op dezelfde plaats weer vond, daar ik ze gelaten had. Naar de beste berekening, welke ik heb kunnen maaken, was ik juist twee uuren, negentien minuten en zeven en dertig seconden in de maag van dit dier opgesloten geweest.IX. HOOFDSTUK.Avonturen inTurkijeen op de rivier deNijl—de Baron schieteen luchtbol bovenConstantinopelnaa beneden, en vindt een franschen proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap naa GrootCairo, en vermeerdert onder weg zijn gevolg met vijf persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs denNijl, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van zijne bedienden.Toen ik in den turkschen dienst was, vermaakte ik mij dikwerf met zeilen op de zee vanMarmora, van waar men een heerlijk gezigt heeft op de gantsche stadConstantinopel, en door welke het Serail van den groten Heer bespoeldwordt. Wanneer ik op een zekeren morgen verrukt was over de schoonheid van het weder en de helderheid van de lucht, zag ik iets, gelijkende naar een kloot, ongeveer twaalf duimen groot, waaraan, zoo het mij toescheen, nog het een of ander was vastgehegt. Terstond nam ik mijn grootste en langste ganzenroer, waarmede ik nooit uitgaa, of ik doe 'er het een of ander mede op, zoo zulks binnen mijn bereik is: ik zettede daar een kogel op, en schoot naa den bol, maar 't was mis; ik herhaalde den schoot met twee kogels, doch vergeefsch; 't voorwerp was te ver van mij af; toen nam ik dubbeld kruid en vijf of zes kogels, welke allen het ding raakten, en aan den eenen kant eene grote opening daarin maakten, en het in zee deden tuimelen. Oordeelt over mijne verwondering, toen ik maar zes voeten van mij af een zeer fraai verguld schuitje, met een man en een stuk van eenschaap 'er in, 't welk wel half gebraden scheen te zijn, hangende aan eene verbazend grote Ballon, zag nedervallen. Van mijne verbaasdheid een weinig bedaard zijnde, gebood ik mijn volk om, zoo digt als mogelijk was, bij dezen vremden luchtreiziger bij te draaijen.Schoon ik terstond merkte, dat hij een Franschman was, nam ik hem echter bij mij aan boord, met voornemen, om hem in zijn fraai verguld schuitje weder over boord te zetten, zoo hij aan mijne nieuwsgierigheid niet voldeed, en mijnen dienst, dat ik hem van dezen gevaarlijken togt gered had, met geene volledige dankbaarheid beandwoordde(10).Hij was van zijnen hemelschvluggen tuimel in zee zoo ongesteld, dat hij een geruimen tijd geen woord konde spreken; doch zig een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij het volgend verslag van zig zelven en zijne reis. „Het is omtrend zeven of acht dagen geleden,” zeide hij, „want den eigenlijken tijd kan ik u niet nauwkeurig en bepaald opgeven, naardien ik de rekening kwijt ben; omdat ik het grootste gedeelte van dezen tijd in die streken, alwaar de Zon nooit ondergaat, heb doorgebragt—voor omtrend zeven of acht dagen was het, dat ik teLand's End, in 't GraafschapCornwallinGroot-brittannie(11),mijne luchtreis aanvaardde in dit schuitje, waaruit ik zoo plotseling ben neergevallen, hangende aan een zeer groteBallon. Ik nam een schaap mede, om met hetzelve proeven op den dampkring te nemen: maar tien minuten na het opgaan van deBallon, veranderde ongelukkiglijk de wind, en in plaatse van mij te brengen naaExeter, alwaar ik meende neder te komen, dreef de wind mij zeewaards, boven welke ik gisse dat ik zederd al dien tijd gedreven heb: want ik was veel te hoog, om water van land te kunnen onderscheiden.„Mijn honger, dus vervolgde hij, werd zoo scherp, dat de voorgenomen proeven over de lucht en dehitte daarvoor moesten wijken. Op den derden dag moest ik het schaap reeds dooden, en daar ik toen oneindig ver boven de Maan, en zoo digt bij de Zon was, dat ik mijne wenkbraauwen zengde, plaatste ik het schaap, waarvan ik de huid eerst had afgevild, in dat gedeelte van mijn schuitje, alwaar de Zon kragt genoeg doen kon, om het vleesch te braaden, of met andere woorden, alwaar de schaduw van deBallonde Zon niet hinderde, zoo dat het vleesch binnen twee uuren gebraden was. Dit is in al dien tijd mijn eenigst voedsel geweest.”Hier hield hij op, en was verbaasd over de voorwerpen, welken hem omringden. Toen ik hem zeide, dat het 'tSerailvan den groten Heer was, scheen hij boven mate getroffen te zijn, omdat hij gemeend had, dat hij in een geheel andere streek was. „Mijne langevlugt,” voegde hij 'er bij, „is daardoor veroorzaakt, dat een zeker koord, 't welk vast zit aan een klepje in deBallon, om daardoor de ontbrandbare lucht uit te laten, brak.”Ware deBallonniet aan stukken geschoten, gelijk verhaald is, het zoude met hem gegaan zijn, als metMahometh, en hij was tot aan den jongsten dag tusschen hemel en aarde blijven hangen.De grote Heer, bij welken ik door deKeizerlijke,RussischeenFranschegezanten was ingeleid, gebruikte mij tot een zaak van zeer groot gewigt te grootCairo; waarvan ik zeer veel wetenswaardige bijzonderheden, dienende tot ophelderinge van den opstand derNoord-amerikaanscheColonien, en deszelfs eerste en waaragtige oorzaken, zoude kunnen verhaalen—indien de gantsche zaak niet van die natuur was, dat ze voor eeuwig een geheim moest blijven.Ik ging derwaards met al de pragt en staatsie van een afgezant der hoge en verhevene Porte; onderweg had ik gelegenheid mijn stoet met eenige zeer bekwaame voorwerpen te vermeerderen: want toen ik nauwlijks eenige mijlen vanConstantinopelverwijderd was, zag ik een klein, schraal man met de grootste gezwindheid dwars over het veld loopen, schoon hij aan elk been een stuk lood van wel vijftig ponden zwaarte had hangen. Ik riep: „hoe zoo haastig en waarheen, Vriend! en waarom bezwaart gij u in uwen loop met zulken last?” „Ik ben gaf hij mij ten antwoord, voor een half uur uitWeenengegaan, daar ik bij een voornaam Heer in dienst was; ik gaa naaConstantinopelom daar wederom een dienst te zoeken; door het gewicht aan mijne beenen heb ik mijne snelheid, die mij thans niet te pas komt, wat willen maatigen: wantmoderata durantpleeg mijn overleden preceptor te zeggen.”—DezeAzahelbehaagde mij, en ik nam hem in mijn dienst. Na eenigen tijd te hebben voortgereisd vond ik een kaerel, digt aan den weg, op een schoon grasveld liggen, zoo stil als of hij sliep; doch hij was wakker en luisterde met zijn oor zoo opmerkzaam op de aarde, als of hij de tegenvoeters wilde beluisteren.—„Waar luistert gij naa, mijn Vriend?” vroeg ik. „Ik luister tot tijdverdrijf, om te hooren hoe het gras groeid!—en kunt gij dat?—o dat is een beuzeling!—Koom dan in mijnen dienst, Vriend, wie weet wat 'er al niet kan vallen te hooren.” De kaerel sprong op en volgde mij.—Een weinig verder stond een jager op een heuvel met een aangelegd geweer, en schoot in de ruime lucht.—„Veel geluks, veel geluks, jager! Maar waarop schiet gij? Ik zie niets als de ruime lucht.”—„Ik neem de proef van dit nieuwe geweer. Gints op den haanvan den Munster tooren teStraatsburgzat een spreeuw, die ik 'er af heb geschoten.” Die mijne drift voor de edele kunst van jagen en schieten kent, zal zig niet verwonderen dat ik dezen uitmuntenden schutter terstond om den hals viel. Het spreekt van zelfs dat ik niets spaarde om hem ook in mijnen dienst te krijgen.—Ik reisde met mijnen stoet vervolgens door verscheiden landen en steden, tot aan den berg Libanon. Hier vond ik voor een bosch van cederbomen een stevigen kaerel staan, trekkende aan eenen strik, die om het gantsche bosch gespannen was. „Wat trekt gij daar, mijn Vriend?” vroeg ik hem. „Ik moet timmerhout halen, en heb mijn bijl vergeten: nu moet ik mij zoo goed reddenalik kan.” Met deze woorden rukte hij in eens het gantsche bosch, dat een vierkante mijl groot was, op den grond, of het riet was. Gij raadt ligt wat ik deed: ik had deze kaerel niet latengaan, al had het mij het gantsche inkomen van mijne Ambassade gekost.—Tot in het Egyptische gebied voordgereisd zijnde, verhief zig een zoo geweldige storm, dat ik het met wagen en paerden nauwlijks over end kon houden, en vreesde in de lucht gevoerd te zullen worden. Van zeven windmolens, die ter linker zijde van onzen weg op eene rei stonden, slingerden de wieken zoo snel om hunne assen, als het spinwiel van de vaardigste spinster. Niet ver daar van daan, aan de regter zijde, zag ik een kaerel staan, veel gelijkende naarJohn Falstaf, welke zijn regter neusgat met zijn voorsten vinger toehield. Zoodra deze kaerel onzen angst en verlegenheid zag, wendde hij zig naa ons, en boog zig eerbiedig voor mij. Eensklaps deedt zig geen windje meer voelen, en de zeven molens stonden plotslings stil. Verwonderd over dit voorval, dat mij niet natuurlijk scheen toe te gaan, schreeuwdeik den tovenaar toe: kaerel wat is dat! zit de duivel u in 't lijf, of zijt gij de duivel zelf? „Verschoon mij, uwe Exellentie: ik maakte daar voor mijn' meester, de molenaar, een weinig wind; en om de zeven molens niet te laten omvallen, heb ik mijn eene neusgat toe gehouden.” Ei! Ei! een uitmuntende knaap, dacht ik bij mij zelven: die kaerel kan u te pas komen als gij eens bij stil weer op zee zijt, of als het u, bij uwe terugkomst, aan adem hapert, om alle uwe zonderlinge lotgevallen te water en te land te verhaalen.—Wij wierden het spoedig eens, en de windmaker liet zijne molens staan en volgde mij.Eindelijk kwam ik in grootCairoaan. Zoodra ik aldaar mijnen last naar wensch had uitgevoerd, dankte ik mijn gantsch nutloos gevolg af, en behield alleen de vijf die ik onderweg had aangenomen, om met deze als een ampteloos burger de terug reis te doen.Het weer was verruklijk, en het gezigt van denNijlwas boven alle beschrijving schoon; waarom ik besloot de reis naaAlexandriete water te doen; dit ging uitnemend wel, tot op den derden dag; maar toen begon die rivier verschriklijk te zwellen, (gij hebt allen, denk ik, mijne Heeren! wel gehoord van de jaarlijksche overstrominge van denNijl) en op den volgenden dag stond het land van beide zijden reeds eenige mijlen ver onder water. Op den volgenden dag was ons vaartuig, met het rijzen van de Zon, verward in eenige heesters, zoo als ik eerst dacht; maar toen het lichter begon te worden, vond ik mij zelven omringd van amandelen, die volmaakt rijp en zoo smaaklijk waren, als ik ze ooit geproefd heb. Het water peilende bevond mijn volk, dat wij ten minsten zestig voeten van den grond af waren, en dat 'er geene mogelijkheid was om voor of agterwaards te komen;omtrend de klok negen uuren, dit is zoo naa als ik het naar gegiste zonshoogte heb kunnen bepaalen, stak de wind schielijk op, en sloeg onzen boeier op zijde. Hij raakte vol water, en in een ogenwenk zagen wij niets meer daarvan: wij reddeden ons zelven gelukkig (wij waren zeven man en twee jongens sterk) door ons stijf vast te houden aan de takken van den boom, waarvoor het vaartuig te zwaar was geweest, doch welken ons even konden houden. In dezen staat moesten wij zes weken en drie dagen doorbrengen, en van amandelen leeven! Ik behoeve u niet te zeggen, dat wij water genoeg hadden. Op den twee-en-veertigsten dag naa ons ongeluk viel het water zoo schielijk, als het gerezen was, en op den zes-en-veertigsten konden wij op het vaste land aan wal komen. Het eerste, dat wij met de grootste blijdschap zagen, was onze boeier, zes honderdvoeten liggende van de plaats, daar dezelve gezonken was(12). Nadat wij onze zeilen en klederen in de Zon gedroogd, en zoo veel voorraad te scheep genomen hadden, als wij tot de reis meenden nodig te hebben, gingen wij de plaats opzoeken, daar wij van daan gedreven waren, en bevonden volgends de nauwkeurigste rekening, dat wij meer dan honderd vijftig mijlen, over huizen en bosschen, landwaards in gedreven waren. Na eene zeer moeilijke reis van vier dagen, welke wij te voet, op looden schoenen, deden, bereikten wij de rivier, die nu wederom binnen hare oevers getreden was, en verhaalden onzelotgevallen aan denBeij, die ons zeer beleefdelijk voorzag van alle noodwendigheden, en ons met één van zijne barken verder liet brengen. Zes dagen daarna kwamen wij teAlexandrieaan, daar wij te scheep gingen naConstantinopel. Bij den groten Heer werd ik zeer vriendelijk ontvangen, en had de eer om hetSerailte zien, waarheen zijne Hoogheid zelve mij geleidde, en mij alle vrouwen, zijne eigene zelfs niet uitgezonderd, aanbood, met vrijheid om uit dezelve zoo vele en die te kiezen, als ik tot mijn eigen vermaak en het vermaak van een half douzijn mijner vrienden zoude meenen nodig te hebben.Ik genoot naderhand dikwijls de eer van 's avonds met zijne Majesteit te spijzigen. Zijn disch is de uitgezogtste van alle de Monarchen der waereld. Op wijn, weet gij, moet men aan tafel niet denken; maar het geene niet openlijkgeschied, gebeurd niet zelden in stilte; gewoonlijk stond 'er na den maaltijd een goede fles in zijn Hoogheids Kabinet gereed. Eens gaf hij mij een wenk om hem daarin te volgen. Hij haalde uit een kastje een fles voor den dag, en zei: „Munchhausen, gij Christenen weet wel van een goed glas wijn: hier heb ik een flesje Tokaijer, zoo goed hebt gij ze in uw leven niet gedronken.” Zijne Majesteit schonk mij een glas en vroeg: „wat zegt gij 'er van?” „De wijn is goed Z. M. gaf ik ten antwoord; maar vergun mij te zeggen, dat ik ze teWeenen, bij wijlenKeizer Karel den zesden, veel beter gedronken heb; ik zal uwe Majesteit een fles 'er van bezorgen.”—„Ik houde u aan uw woord; maar wat spoedig.”—„Wat staat 'er op, als ik ze binnen één uur uit den Keizerlijken kelder teWeenenlaat brengen?”—„Munchhausen, denk niet dat ik den spot met mij laat drijven!doch ik denk dat gij raaskalt.”—„Ik zet mijn kop 'er voor te pand; maar uwe Majesteit weet wel dat mijn kop geen wisjewasje is; wat zet uwe Majesteit 'er tegen?”—„Als de vles in een uur hier is, kunt gij uit mijn schatkamer zoo veel geld en kleinoodien nemen, als de sterkste kaerel kan dragen; maar is hij 'er niet, zoo kost het u den kop: ik laat mij niet bespotten.”Terstond schreef ik een briefje aan haare Majesteit de Keizerin, met verzoek, om een fles van dien Tokaijer, waarvan ik zoo dikwijls met wijlen zijne Majesteit haren vader gedronken had. Het was vijf minuten over drie uuren toen ik mijnen loper dit briefje ongezegeld ter hand stelde; hij ontdeedt zig van zijn gewicht aan de beenen, en maakte zig op weg; midlerwijl dronk ik met zijne Majesteit verder onze fles ledig.Ondertusschen was het reeds kwartier voor vieren geworden, en ik begon,dit moet ik bekennen, tusschen beide een weinig beangst te worden: want het scheen mij toe dat Z. M. nu en dan op het Horlogie zag, om, als het tijd was, den scherprichter te laten komen. Ik kreeg nog wel verlof om eens in de lucht te gaan; maar wierd door een paar gedienstige geesten gevolgd, die mij niet uit het oog verloren. In dezen angst, daar de wijzer reeds op vijfenvijftig minuten stond, liet ik mijn Hoorder en Schutter roepen, welken ik mijne verlegenheid te kennen gaf. De Hoorder lag zig plat op den grond neder om te horen of hij mijn Loper niet ergends vernam. Tot mijne ontsteltenis zei hij mij, dat de slungel, een goed end van ons af, in diepen slaap lag te ronken. Zoo dra mijn brave Schutter dit hoorde, liep hij op een hoog Terras, rekte zig uit op zijnetoonenen riep met drift: „bij mijn ziel daar ligt de lap, onder eeneikenboom, bijBelgrado, met de fles naast hem; wagt ik zal hem wakker kittelen.” Hier op mikte hij met zijn roer, en schoot de volle lading in het midden van den boom. Een hagelbui van takken, knoppen en bladen viel op den slaper; dit deed hem ontwaken, en bragt hem, daar hij vreesde zijn tijd verslapen te hebben, zoo spoedig op de been, dat hij, met zijn fles en een eigenhandig antwoord van hare Majesteit, een half minuut vóór vier uuren in des Sultans vertrek aankwam.Heeren! hadt gij den groten Heer eens zien slurpen! „Gij moet mij niet kwalijk nemen,MUNCHHAUSEN, zei hij, dat ik deze fles voor mij behoude; gij staat teWeenenbeter dan ik, en zult wel meer weten te krijgen. Maar ik moet u de weddingschap betalen.” Met een sloot hij de fles in zijn kastje, en liet den schatbewaarder komen, zeggende tegenhem: „laat aan mijn' vriendMUNCHHAUSENzoo veel uit de schatkamer volgen, als de sterkste kaerel kan mededragen.”Ik verzuimde geen ogenblik om dit bevel te doen gelden, en begaf mij met mijn sterken kaerel naa de schatkamer; daar hij zig zoo wel belaadde, dat het kleinste gedeelte overig bleef. Met dezen buit begaf ik mij regelregt naa de haven, daar ik een tamelijk groot schip huurde en terstond met mijne vijf bekwame bedienden onder zeil ging, om mijn buit in zekerheid te brengen, vóór dat eenig beletzel kon tusschen beide komen. Het geen ik gevreesd had gebeurde, nauwlijks was ik twee mijlen van de wal, of ik ontdekte dat de gantscheTurkschevloot mij met volle zeilen kwam nazetten; ik moet bekennen dat mijn hoofd, dat nauwlijks weer vast begon te staan, op nieuw aan 't waggelen raakte. Mijn windmaaker bemerkte ditniet zoodra, of hij sprak mij moed in, plaatste zig bij het roer, met zijn linker neusgat naa deTurkschevloot en het regte naa ons zeil, en blies zulk eene menigte wind, dat de Vloot, vrij gehavend aan masten en wand, naa de haven wierd terug gedreven, en mijn schip binnen weinig uuren gelukkig inItalieaanlandde. Doch ik had van mijnen schat weinig nut: want de armoede en beedelarij is daar zoo groot, en de Politie zoo slegt, dat door mijne goedhartigheid een groot deel van denzelven in handen der beedelaars geraakte, terwijl het overige mij, op mijne reis naaRome, op het geheiligd gebied vanLorette, ontnomen werd door eene bende rovers; wier geweten hen daarover niet veel onrust zal veroorzaakt hebben: want de buit was nog zoo aanzienlijk, dat het gantsche gezelschap, zoo voor zich zelf als voor zijne erven en nakomelingen, voor het duizendste gedeelte daarvan volkomenaflaat voor alle bedrevene en nog te bedrijven zonden, uit de eerste en beste hand teRomekon koopen.(10)De Baron, die zoo even een overtuigend bewijs gaf van zijne deftige westphaalsche geboorte: geeft hier een proef van zijne Engelsche opvoeding.(11)Dit is de westelijkste uithoek vanEngeland; van daar is de reis naExeternoordoostwaard aan, en dus geheel over land, ter lengte van 140 engelsche mijlen. Hij had dus op zijn voorgenomen togt geen gevaar van water, al ware hij nog tweemaal die lengte voordgevlogen: want eer hij aan den noordoostelijksten hoek bijYarmouthaankwam, had hijEngelandin deszelfs grootste lengte moeten overvliegen.(12)Deze boeier was een zaandamsch maaksel, en aldaar verscheiden jaren bevaren bij ..... die deze schuit zoo netjes had onderhouden, en het ijzerwerk zoo gladjes laten schuuren, dat het onverganglijk scheen. Althands hetzelve was in aldien tijd niets het minste verroest geworden.X. HOOFDSTUK.De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den GeneraalElliot, een bezoek in de belegering vanGibralter.—Doet een Spaansch oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche kust.—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van ... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlost twee Engelsche verspieders, met dienzelfden slinger, waardoorGoliathter neder werd geslagen, en doet de belegering vanGibralteropbreken.Geduurende de laatste belegering vanGibralterging ik met een vloot voorraadschepen, onder het bevel van LordHowe,een bezoek geven aan mijnen ouden vriend, den GeneraalELLIOT, die door de roemrijke verdediging dezer plaatse onverwelklijke laurieren behaald heeft. Nadat de wederzijdsche blijdschap, die bij eene onverwagtte ontmoeting van twee oude vrienden altijd pleeg te ontstaan, bedaard was, ging ik den staat der bezettinge onderzoeken, en de verrigtingen van den vijand opnemen; ten welken einde de Generaal mij vergezelde. Ik had een overheerlijken telescoop vanDOLLANDbij mij, waardoor ik ontdekte, dat de vijand juist naa die plaats, alwaar wij ons bevonden, een vier-en-twintig ponder wilde losbranden. Ik gaf den Generaal te kennen, wat werk zij onder handen wilden nemen; hij zag daarom ook door het glas, en vond mijne gissing gegrond. Terstond beval ik, met verlof van den Generaal, dat aldaar een agt-en-veertig ponder van de naastgelegene batterije zoude gebragt worden; dit stuk steldeik zoo nauwkeurig (ik heb verscheiden jaren als konstapel onder dePoolscheGeconfoedereerden gediend) dat ik geen ogenblik aan eene goede werking twijfelde.Ik bleef den vijand gadeslaan, tot dat ik zag, dat hij het lont aan het stuk aanbragt, waarop ik het sein gaf, dat ons stuk ook zoude losbranden. De twee kogels ontmoeteden elkander bijna op het midden, en zij bonsten met een allerverschriklijkst geweld tegen elkander. De uitwerking was niet minder verbazende. De kogel van den vijand vloog met zulk een geweld terug, dat hij den kaerel, die het stuk had afgeschoten, het hoofd afsloeg, benevens nog zestien anderen, welken dezelve in zijn voordsnellen naa de kust vanBarbarijeontmoette; maar hier was zijne kragt reeds dermate gebroken, dat hij, na nog drie masten van schepen, die aldaar in een regte lijn agter elkander in de haven lagen, doorboord te hebben, niets meer konde uitvoeren, dan doorhet dak eens armen daglooners hut, staande omtrend vijftig roeden landwaards in, te vliegen; waarna hij eindelijk smoorde in den mond van eene oude vrouw, die op haar rug lag te slaapen, en het overschot van hare tanden weg nam. De man van deze vrouw kort daarna te huis komende wilde den kogel uit den mond trekken; maar te vergeefsch: hierom beukte hij denzelven naa binnen met een moker tot in de maag; van waar die goede oude sloof deze pil volgends den natuurlijken loop naa beneden kwijt raakte. Maar dit was de eenigste dienst niet, welken wij van onzen kogel hadden: want hij dreef niet alleen den vijandelijken kogel terug, gelijk ik beschreven heb, maar volgends het oogmerk, 't welk ik daarmede had, ging de onze voord, en ligtte dat zelfde stuk van den vijand, 't welk tegen ons gebruikt was, uit zijn affuit, en wierp het in het ruim van een schip, dat het door de kiel heen vloog.In één oogenblik was dat schip vol water, en zonk met meer dan duizend spaansche matrozen, behalven een zeer aanmerklijk getal soldaten, waarvan niet één gered werd. Dit was een bij uitstek goed werk; hiervan ben ik verzekerd: evenwel wil ik de verdiensten daarvan niet aan mij zelven alleen en geheel toeschrijven: mijn vernuft en oordeel speelden zekerlijk wel de voornaamste rol in deze beuzelarije (wat betekenen toch eenige duizende menschen tegen een schonen barren klip!); maar mijn goed geluk stond mij ook hier een weinig ten dienste: want de man, die onzen agt-en-veertig ponder geladen had, had bij verzinning een dubbele maat kruid genomen: buiten welken gelukkigen misslag wij nooit zoo goed, boven alle verwagting, zouden geslaagd hebben, vooral in het terug kaatsen van s' vijands kogel.De GeneraalELLIOTwilde mij een aanzienlijken post bij de artillerie geven, om dezen mijnen bijzonderen en gewigtigen dienst eenigszins te beloonen; maar ik wees alles van de hand, behalven zijne dankzegging, welke ik van hem op den avond van denzelfden dag, in tegenwoordigheid van alle de Officieren van de bezetting, over tafel ontving.Naardien ik voor de Engelschen, die boven allen twijfel een zeer braaf volk zijn, zeer vooringenomen ben, wilde ik van deze benauwde plaats niet vertrekken, voor dat ik een nieuwen en gewigtigeren dienst aan de bezetting gedaan had; waartoe ik binnen drie weeken gelegenheid kreeg. Mij als een Priester gekleed hebbende, sloop ik om één uur in den morgenstond uit de vesting, ging door de voorposten en kwam ongemerkt in 't midden van het vijandelijk leger. Hier begaf ik mij naade tent, waar in de Graaf vanA****, benevens den opper-bevelhebber, en verscheiden andere van de voornaamste Officieren, krijgsraad hielden, en hun plan, om den volgenden morgen een storm opGibraltarte waagen, voor de laatste maal overwogen. Mijne vermomming was hun ongeluk: want veelen hadden te slaafschen eerbied voor het heilig kleed, 't welk ik aan had, dan dat zij mij uit hunne vergadering durfden weg jaagen, gelijk ik verdiend had; evenwel moet ik aan 't gezond verstand van anderen dit recht doen, dat ik op hun gelaat de duidelijkste blijken van ongenoegen en wantrouwen bespeurde, en de grootste genegenheid, om den heer Pastoor eens helder den mantel te laten uitvegen; maar zij durfden zulks niet openlijk vertoonen, noch daaraan toegeven; uit vrees, dat zij het blind en bijgelovig gemeen, welks gunst en genegenheid zij niet door een gewaandenijver voor den Godsdienst (dien gewonen kunstgreep van staatkundige en heerschzuchtige deugnieten!) maar door hunne ervarenis en dapperheid gewonnen hadden, van zig verwijderen en vervremden zouden. Ik kon derhalven aldaar zeer gerust en veilig blijven, en hoorde alles, wat 'er omging, tot dat zij scheidden, om zig nog eenige uuren ter ruste te begeven. Toen ik zag, dat het gehele leger, zelfs de schildwachten, in den diepsten slaap gedompeld waren, ging ik zonder toeven aan 't werk; al hun geschut (meer dan drie honderd stukken van agt-en-veertig tot vier-en-twintig ponden ijzers) ligtte ik van de affuiten en ging ze meer dan een half uur ver in zee brengen. Daar ik moederziel alleen was, en zelfs geen kleinen jongen tot mijner hulpe had, was dit het zwaarste werk, dat ik ooit onder handen heb gehad; behalven toen ik met het befaamde turksch stuk geschut,door den Baron deTOTTzoo zwierig beschreven in zijne gedenkschriften, waarvan straks nader, over de straat vanConstantinopelzwom. Daarna stapelde ik alle de affuiten en legerkarren, in 't midden van het leger, op elkander, nemende dezelven twee aan twee onder mijne armen; zoo omdat 'er haast bij 't werk was, als omdat ik door het kraaken van de wielen niet gehoord en ontdekt zoude worden. Dit maakte een schoone vertooning: want de berg van affuiten en karren was ten minsten zoo hoog, als de rots vanGibralter(13). Toen ontstak ik een lont, slaande met een stuk van een agt-en-veertig ponder tegeneen vuursteen, welke twintig voeten boven den grond lag op een wal, door de Mooren bij hunnen inval inSpanjeopgeworpen; en stak daar mede den gantschen boedel in brand. Ik had haast vergeten te zeggen, dat ik alle de ammunitiewagens boven op den top van dezen berg had geworpen.Ik had het brandbaarste onder op den grond gelegd, met zoo veel overleg en oordeel, dat alles in één oogenblik in ligter laaie vlam stond.—Om alle vermoedens voor te komen, had ik een spaanschen soldaat stillekens den nek omgedraaid; trok zijne klederen aan, en ging in zijne plaats schildwacht houden: ook was ik de eerste, die allarm maakte,en de grootste verbaasdheid toonde. Het geheele leger was verstomd; en het algemeen besluit was, dat de vijand de schildwachten omgekoft hebbende, zeven of agt regimenten gebruikt had, om deze ijslijke verwoesting uit te regten. Mr.DRINKWATERverhaalt, in zijne geschiedenis van deze beroemde belegering, dat deSpanjaardeneen zeer zwaar verlies leeden door een brand, welke in hun leger ontstond, maar waarvan men de oorzaak nooit geweten heeft. En hoe zoude hij die hebben kunnen weten? daar ik, hoe zeer ik door dit werk van weinige uuren in éénen nacht, de eenigste ben, aan wien deEngelschenhet behoud vanGibraltarte danken hebben, deze zaak echter nooit voor dezen dag aan iemand, zelfs niet aan den GeneraalELLIOT, heb bekend gemaakt. De Graaf vanA****liep met zijn gantschen stoet van schrik weg; zij stonden op den gantschen weg niet ééns stil,hoewel zij te voet waren, tot dat zijParijsbereikt hadden, alwaar zij binnen veertien dagen aankwamen. Ja deze akelige brand had hen dermate ontsteld, dat zij wel drie maanden lang niets ter hunner herstellinge konden gebruiken, maar gelijk de cameleon van den wind leefden.Zo iemand van 't gezelschap mogte te kennen willen geven, als of hij twijfelde aan de waarheid van deze gebeurdtenis, dien bekeure ik voor een stoop brandewijn, om denzelven in één teug uit te drinken; en om de flesch of de kom waaruit hij gedronken heeft, insgelijks naa binnen te slaan.Twee maanden, naadat ik dezen dienst aan de belegerden gedaan had, zat ik, met mijnen vriend,ELLIOT, te ontbijten;wanneer een bom (want ik had geen tijd gehad om zoo wel de mortieren, als het kanon van den vijand weg te brengen) in de kamer viel, daar wij zaten, en zig op de tafel nederzette. De Generaal verliet, gelijk de meesten doen zouden, terstond de kamer; maar ik vatte ze op, eer zij barstte, en nam ze mede naa den top van de rots. Van hier den vijand, op eene hoogte bij de zeekust gelegerd, beschouwende, ontdekte ik een groote menigte volks, onder elkander heen en wederloopende; maar met het bloote oog kon ik niet onderscheidenlijk zien, wat zij eigenlijk uitvoerden. Ik was juist bezig met mijn teleskoop te stellen, wanneer ik bespeurde, dat twee van onze Officieren, waarvan de één een Generaal, de ander een Colonel was, met welken ik den voorgaanden avond had doorgebragt, en die te middernacht waren uitgegaan, om het vijandelijk leger te bespieden, gevangenwaren genomen, en nu regelregt na de galg gebragt werden, om opgehangen te worden. Ik had de bom nog in mijne hand, maar de afstand was te groot, om ze uit de hand weg naa den vijand te werpen; zeer gelukkig herinnerde ik mij dat ik denzelfden slinger, waarvanDAVIDzig in het slaan vanGOLIATHbediende, in mijn zak had; ik legde mijn bom daarin, en slingerde dezelve, dat zij midden onder het volk nederviel, en zoo als zij viel, barstte. Zij vernielde allen, die zig aldaar bevonden, behalven onze twee brave helden, die 'er behouden af kwamen, door dat zij zoo hoog gehangen waren: want zij waren even afgestoten; maar een stuk van de bom vloog met zoo grote kragt tegen den voet van de galg, dat dezelve terstond omver viel. Onze twee vrienden voelden niet zoodra den vasten grond onder de voeten, of zij zagen rondnaa de oorzaak, waarom zij schier zoo spoedig nedergelaten werden, als zij waren opgehangen. Oordeelt over hunne verwondering, mijne Heeren! wanneer zij zagen, dat de wacht, de beul en alle de nieuwsgierige aanschouwers het in 't hoofd gekregen hadden, om de reis naa de andere waereld vroeger, dan zij, aantenemen. Zij wisten niet, maar vreesden, of hier onder wel niet iets anders schuilen mogt; waarom zij hunnen tijd niet wilden verspillen, gelijk die geleerde, die, een kop van een hollandschen tabakspijp op den kant van denTeemsgevonden hebbende, drie jaren agter één aanhoudend zijne hersenen(14)versleet, om te onderzoeken, hoe dezelve daar gekomen ware; en ten laatste besloot, dat een oud wijfvanHilversum, 't welk voor keukenmeid op een zeeuwschen smokkelaar gevaren had, den geheelen pijp misschien uit den tandeloozen mond had laten vallen; waarom hij nog zes dagen na den steel zocht, maar te vergeefsch. Hierom maakten zij, zonder verwijl, elkanders onbeleefde stroppen los, renden naa het strand en namen een spaansche boot met zes mannen daarin, door welken zij zig na een van onze schepen lieten roeien, en behouden daar aan boord kwamen: van waar zij, terwijl ik nog bezig was om den GeneraalELLIOTte verhaalen, hoe ik met de bom geleefd had, bij ons kwamen, ons om helsden, en wij met elkander den dag aangenaam en vrolijk ten einde bragten.

De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis na Noord-Amerika, welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd van den Baron zakt in zijne maag—een gevaarlijk lek gestopta posteriore.

Ik ging tePortsmouthaan boord van een nieuw Engelsch oorlogschip, van honderd stukken, en veertien honderd koppen,naa Noord-America op reis; op welke niets merkwaardigs gebeurde, tot omtrend drie honderdFranschemijlen van de rivierSt. Laurens, wanneer het schip met een verbazend geweld stiet (zoo wij meenden) tegen een klip; hoewel wij met het lood geen grond konden pijlen tot op drie honderd vademen(8). Het gene in deze omstandigheid nog verwonderlijker is, en alle begrip te boven gaat, is dit: dat wij met dezen stoot ons roer verlooren, dat onze boegspriet door midden brak, dat alle onze masten opscheurden van boven tot beneden, en dat twee derzelven over boord vielen;een arme matroos, die boven in de raê zat om het zeil vast te maaken, vloog ten minsten drie mijlen ver van 't schip weg; maar gelukkiglijk reddede hij zijn leven: want in zijnen vaart viel hij op een zeemeeuw, die hem weder bragt, op dezelfde plaats, van welke hij gevallen was. Een ander uitwerksel van den stoot, welken wij kregen, was deze: dat zij, die tusschen deks waren, met hunne hoofden, op eene ijslijke wijs, tegen het dek gesmeten werden, zoo dat zij terug rolden als kloten. Maar met mij liep het zoo goed niet af: want mijn hoofd werd tusschen mijne schouders zoo diep ingedrukt, dat het zonk tot in de maag; en het liep eenige maanden aan, eer het zijne oude plaats wederom kon innemen. Terwijl wij allen nog even, verbaasd waren van de algemeene en onuitspreeklijke verwarring, waarin dit stooten ons gebragt had, ontdekten wij, waar het van daan kwam. Een zeergrote walvisch, die zig bakerde in de zon, was in slaap gevallen, op een diepte van zestien voeten water. Dit dier was zoo boos geworden over de manier, waarop wij het wakker gemaakt hadden, (want in het overzeilen was zijn neus door ons roer wat bekrapt geworden) dat hij de galderij geheel, en op zijn minst een vierde gedeelte van het halfdek met zijn staart in stukken sloeg, terwijl hij op het zelfde oogenblik ons daags anker, 't welk volgends gewoonte bij het voorsteven hing, tusschen zijne tanden nam, en met het schip ten minste eene lengte van zestig duitsche mijlen voordliep: en wie weet waar hij ons gebragt had, als niet gelukkiglijk het kabel gebroken was: wij verlooren daardoor beiden het anker en den walvisch; maar wanneer wij eenige maanden daarna naaEuropawederkeerden, vonden wij denzelfden walvisch, slechts weinige Engelsche mijlen van dezelfdeplaats, dood drijven op het water. De visch was meer danhonderd Rhijnlandsche roedenlang; waarom wij maar een zeer klein gedeelte van een zoo groot gedrogt aan boord konden krijgen. Wij zetteden derhalven onze sloepen uit, en konden niet, dan met veel moeite, zijn kop afhakken, waarin wij tot onze grote blijdschap het anker en nog boven de veertig vademen van het kabel vonden. Dit lag verborgen aan de linker zijde van den bek, vlak onder de tong; 't welk de waarschijnlijke oorzaak van deszelfs dood was: want de tong was aan dien kant heel zeer gezwollen, en voor een groot gedeelte ontstoken.—Dit was het eenigst buitengewoon toeval, 't welk ons op de reis bejegende. Evenwel had ik bijna nog een gedeelte van ons ongeluk op dien dag vergeten te melden, te weten: terwijl de walvisch met het schip weg zwom, sloeg hij een lek in hetzelve, waardoor zoo veel water in liep,dat wij het met alle onze pompen niet konden lens houden. Maar tot ons geluk ontdekte ik het lek; het was een groot gat van omtrend één voet over het kruis. Gij zult mij wel willen gelooven, dat dit geval mij een zeer groot genoegen gaf! als ik u verhaald zal hebben, hoe dit schoone schip met man en muis behouden werd door een zeer gelukkige inval! ik vulde het gat met mijn ..., zonder mijn broek uit te trekken; ja ware het nog groter geweest, ook dan nog zoude ik het hebben kunnen stoppen: waarover gij u niet zult verwonderen, als ik u zegge, dat ik eigenlijk uitWestphalenafkomstig ben(9). Terwijl ik op deze bril zat, had ik het waarlijk vrij koel; maar de timmerlieden verlosten mij weldra uit dezen onaangenamen staat.

(8)De vertaler gist, dat de zetter van het oorspronglijk werk hier den Baron een lelijken trek gespeeld hebbe; want dat de Baron een schrijffout begaan zoude hebben, houdt hij voor onmogelijk. Het diepst, dat men kan peilen is honderd vijftig vademen. Hij heeft het niet durven veranderen; want dit zoude zoo goed geweest zijn, als aan de geloofwaardigheid van den Baron te twijfelen:

(8)De vertaler gist, dat de zetter van het oorspronglijk werk hier den Baron een lelijken trek gespeeld hebbe; want dat de Baron een schrijffout begaan zoude hebben, houdt hij voor onmogelijk. Het diepst, dat men kan peilen is honderd vijftig vademen. Hij heeft het niet durven veranderen; want dit zoude zoo goed geweest zijn, als aan de geloofwaardigheid van den Baron te twijfelen:

(9)Dit wil zeggen, dat de Ouders van den Baron aldaar gewoond hadden, en hij alzoo inWestphalengeboren was. Want op eene andere plaats beroemt hij zig op zijn koninglijk bloed.

(9)Dit wil zeggen, dat de Ouders van den Baron aldaar gewoond hadden, en hij alzoo inWestphalengeboren was. Want op eene andere plaats beroemt hij zig op zijn koninglijk bloed.

De Baron baadt zig in de middellandsche zee.—Hij ontmoet zeer onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het strand.

Ik was eens in het grootste gevaar van de waereld, om in de middellandsche zee, op de zonderlingste manier, zonder medewerking der geneesheeren, en buiten weeten van eenig mensch, om het leven te raaken. Op een zomerschen agtermiddag baadde ik mij, in die vermaaklijke zee, digt bijMarseille, wanneerik een zeer groten visch, met zeer wijd opgesperde kaken, met de grootste snelheid op mij zag aankomen. Hier was geen tijd te verliezen; en het te ontwijken was niet mogelijk. Ik maakte mij daarom terstond zoo klein, als in mijn vermogen was, trekkende mijne voeten zoo hoog op, en sluitende mijne handen zoo naabij het lijf, als ik maar kon. In deze houding was ik in een ogenblik tusschen zijne kaken en in zijne maag. Hier was ik een poos in den stikdonkersten nacht, en de onverdraaglijkste hitte; gelijk gij u ligt zult kunnen verbeelden: tot dat ik eindelijk begon te begrijpen, dat wanneer ik den visch wat pijn aandeed, hij wel blijde zoude zijn, als hij mij wederom kwijt was. Daar ik ruimte genoeg had, begon ik alle mijne jongens spellen één voor één te beproeven; als tuimelen, hinkelen, springen, klouteren enz.; maar niets scheen hem zoo lastig te vallen,als de vaardige beweging mijner voeten, met het dansen van den hornpijp. Nauwlijks was ik daarmede begonnen, of ik moest weder uitscheiden, door zijn horten en stooten; ik ging echter weêr voord, en hij brulde vreeslijk; op het laatst ging hij volkomen regt op zijn staart in het water staan, met zijn kop daarboven uitstekende, waardoor hij ontdekt werd door het bootsvolk van een italiaanschen koopvaarder, die daar juist voorbij zeilde, en hem binnen weinig minuten harpoende. Zoodra hij aan boord gehaald was, hoorde ik het volk met elkander overleggen hoe zij hem best zouden opsnijden, om den meesten traan te krijgen. Ik was dus in geen geringe benaauwdheid, dat zij mij omhals zouden brengen met die werktuigen, waarmede zij dit vreemde werk verrigten wilden. Hierom begaf ik mij zoo naa bij het middenpunt, als ik konde: want in de maag van dit schepselwas ruimte genoeg voor twaalf menschen: en ik verbeeldde mij natuurlijk, dat zij met de ingewanden zouden beginnen. Maar mijne vrees was weldra gestild: want zij begonnen met den buik van onderen af open te snijden. Zoodra ik eenige schemering van licht gewaar werd, schreeuwde ik uit al mijn magt (want ik sprak italiaansch) dat men mij met allen spoed verlossen zoude uit eene plaats, daar ik bijkans gestikt was. Het is mij onmogelijk om naar waarheid te beschrijven de maat en de soort van verbaasdheid en ontsteldtenis, welken op ieders aangezigt geschilderd waren, toen zij de stem van een mensch uit het binnenste van den visch hoorden; maar vooral, toen zij een levendig wel geschaapen naakt mensch uit deszelfs lighaam met een statigen tred zagen te voorschijn komen; met één woord, Heeren! ik verhaalde hun de gantsche gebeurdtenis, zoo als ik ze u verhaaldheb, terwijl zij van verbaasdheid verstomden.

VI.

VI.

Na dat ik eenige ververschingen genomen had, sprong ik in zee, om mij af te wasschen, en ik zwom naa mijne klederen, welken ik op dezelfde plaats weer vond, daar ik ze gelaten had. Naar de beste berekening, welke ik heb kunnen maaken, was ik juist twee uuren, negentien minuten en zeven en dertig seconden in de maag van dit dier opgesloten geweest.

Avonturen inTurkijeen op de rivier deNijl—de Baron schieteen luchtbol bovenConstantinopelnaa beneden, en vindt een franschen proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap naa GrootCairo, en vermeerdert onder weg zijn gevolg met vijf persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs denNijl, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van zijne bedienden.

Toen ik in den turkschen dienst was, vermaakte ik mij dikwerf met zeilen op de zee vanMarmora, van waar men een heerlijk gezigt heeft op de gantsche stadConstantinopel, en door welke het Serail van den groten Heer bespoeldwordt. Wanneer ik op een zekeren morgen verrukt was over de schoonheid van het weder en de helderheid van de lucht, zag ik iets, gelijkende naar een kloot, ongeveer twaalf duimen groot, waaraan, zoo het mij toescheen, nog het een of ander was vastgehegt. Terstond nam ik mijn grootste en langste ganzenroer, waarmede ik nooit uitgaa, of ik doe 'er het een of ander mede op, zoo zulks binnen mijn bereik is: ik zettede daar een kogel op, en schoot naa den bol, maar 't was mis; ik herhaalde den schoot met twee kogels, doch vergeefsch; 't voorwerp was te ver van mij af; toen nam ik dubbeld kruid en vijf of zes kogels, welke allen het ding raakten, en aan den eenen kant eene grote opening daarin maakten, en het in zee deden tuimelen. Oordeelt over mijne verwondering, toen ik maar zes voeten van mij af een zeer fraai verguld schuitje, met een man en een stuk van eenschaap 'er in, 't welk wel half gebraden scheen te zijn, hangende aan eene verbazend grote Ballon, zag nedervallen. Van mijne verbaasdheid een weinig bedaard zijnde, gebood ik mijn volk om, zoo digt als mogelijk was, bij dezen vremden luchtreiziger bij te draaijen.

Schoon ik terstond merkte, dat hij een Franschman was, nam ik hem echter bij mij aan boord, met voornemen, om hem in zijn fraai verguld schuitje weder over boord te zetten, zoo hij aan mijne nieuwsgierigheid niet voldeed, en mijnen dienst, dat ik hem van dezen gevaarlijken togt gered had, met geene volledige dankbaarheid beandwoordde(10).

Hij was van zijnen hemelschvluggen tuimel in zee zoo ongesteld, dat hij een geruimen tijd geen woord konde spreken; doch zig een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij het volgend verslag van zig zelven en zijne reis. „Het is omtrend zeven of acht dagen geleden,” zeide hij, „want den eigenlijken tijd kan ik u niet nauwkeurig en bepaald opgeven, naardien ik de rekening kwijt ben; omdat ik het grootste gedeelte van dezen tijd in die streken, alwaar de Zon nooit ondergaat, heb doorgebragt—voor omtrend zeven of acht dagen was het, dat ik teLand's End, in 't GraafschapCornwallinGroot-brittannie(11),mijne luchtreis aanvaardde in dit schuitje, waaruit ik zoo plotseling ben neergevallen, hangende aan een zeer groteBallon. Ik nam een schaap mede, om met hetzelve proeven op den dampkring te nemen: maar tien minuten na het opgaan van deBallon, veranderde ongelukkiglijk de wind, en in plaatse van mij te brengen naaExeter, alwaar ik meende neder te komen, dreef de wind mij zeewaards, boven welke ik gisse dat ik zederd al dien tijd gedreven heb: want ik was veel te hoog, om water van land te kunnen onderscheiden.

„Mijn honger, dus vervolgde hij, werd zoo scherp, dat de voorgenomen proeven over de lucht en dehitte daarvoor moesten wijken. Op den derden dag moest ik het schaap reeds dooden, en daar ik toen oneindig ver boven de Maan, en zoo digt bij de Zon was, dat ik mijne wenkbraauwen zengde, plaatste ik het schaap, waarvan ik de huid eerst had afgevild, in dat gedeelte van mijn schuitje, alwaar de Zon kragt genoeg doen kon, om het vleesch te braaden, of met andere woorden, alwaar de schaduw van deBallonde Zon niet hinderde, zoo dat het vleesch binnen twee uuren gebraden was. Dit is in al dien tijd mijn eenigst voedsel geweest.”

Hier hield hij op, en was verbaasd over de voorwerpen, welken hem omringden. Toen ik hem zeide, dat het 'tSerailvan den groten Heer was, scheen hij boven mate getroffen te zijn, omdat hij gemeend had, dat hij in een geheel andere streek was. „Mijne langevlugt,” voegde hij 'er bij, „is daardoor veroorzaakt, dat een zeker koord, 't welk vast zit aan een klepje in deBallon, om daardoor de ontbrandbare lucht uit te laten, brak.”Ware deBallonniet aan stukken geschoten, gelijk verhaald is, het zoude met hem gegaan zijn, als metMahometh, en hij was tot aan den jongsten dag tusschen hemel en aarde blijven hangen.

De grote Heer, bij welken ik door deKeizerlijke,RussischeenFranschegezanten was ingeleid, gebruikte mij tot een zaak van zeer groot gewigt te grootCairo; waarvan ik zeer veel wetenswaardige bijzonderheden, dienende tot ophelderinge van den opstand derNoord-amerikaanscheColonien, en deszelfs eerste en waaragtige oorzaken, zoude kunnen verhaalen—indien de gantsche zaak niet van die natuur was, dat ze voor eeuwig een geheim moest blijven.

Ik ging derwaards met al de pragt en staatsie van een afgezant der hoge en verhevene Porte; onderweg had ik gelegenheid mijn stoet met eenige zeer bekwaame voorwerpen te vermeerderen: want toen ik nauwlijks eenige mijlen vanConstantinopelverwijderd was, zag ik een klein, schraal man met de grootste gezwindheid dwars over het veld loopen, schoon hij aan elk been een stuk lood van wel vijftig ponden zwaarte had hangen. Ik riep: „hoe zoo haastig en waarheen, Vriend! en waarom bezwaart gij u in uwen loop met zulken last?” „Ik ben gaf hij mij ten antwoord, voor een half uur uitWeenengegaan, daar ik bij een voornaam Heer in dienst was; ik gaa naaConstantinopelom daar wederom een dienst te zoeken; door het gewicht aan mijne beenen heb ik mijne snelheid, die mij thans niet te pas komt, wat willen maatigen: wantmoderata durantpleeg mijn overleden preceptor te zeggen.”—DezeAzahelbehaagde mij, en ik nam hem in mijn dienst. Na eenigen tijd te hebben voortgereisd vond ik een kaerel, digt aan den weg, op een schoon grasveld liggen, zoo stil als of hij sliep; doch hij was wakker en luisterde met zijn oor zoo opmerkzaam op de aarde, als of hij de tegenvoeters wilde beluisteren.—„Waar luistert gij naa, mijn Vriend?” vroeg ik. „Ik luister tot tijdverdrijf, om te hooren hoe het gras groeid!—en kunt gij dat?—o dat is een beuzeling!—Koom dan in mijnen dienst, Vriend, wie weet wat 'er al niet kan vallen te hooren.” De kaerel sprong op en volgde mij.—Een weinig verder stond een jager op een heuvel met een aangelegd geweer, en schoot in de ruime lucht.—„Veel geluks, veel geluks, jager! Maar waarop schiet gij? Ik zie niets als de ruime lucht.”—„Ik neem de proef van dit nieuwe geweer. Gints op den haanvan den Munster tooren teStraatsburgzat een spreeuw, die ik 'er af heb geschoten.” Die mijne drift voor de edele kunst van jagen en schieten kent, zal zig niet verwonderen dat ik dezen uitmuntenden schutter terstond om den hals viel. Het spreekt van zelfs dat ik niets spaarde om hem ook in mijnen dienst te krijgen.—Ik reisde met mijnen stoet vervolgens door verscheiden landen en steden, tot aan den berg Libanon. Hier vond ik voor een bosch van cederbomen een stevigen kaerel staan, trekkende aan eenen strik, die om het gantsche bosch gespannen was. „Wat trekt gij daar, mijn Vriend?” vroeg ik hem. „Ik moet timmerhout halen, en heb mijn bijl vergeten: nu moet ik mij zoo goed reddenalik kan.” Met deze woorden rukte hij in eens het gantsche bosch, dat een vierkante mijl groot was, op den grond, of het riet was. Gij raadt ligt wat ik deed: ik had deze kaerel niet latengaan, al had het mij het gantsche inkomen van mijne Ambassade gekost.—Tot in het Egyptische gebied voordgereisd zijnde, verhief zig een zoo geweldige storm, dat ik het met wagen en paerden nauwlijks over end kon houden, en vreesde in de lucht gevoerd te zullen worden. Van zeven windmolens, die ter linker zijde van onzen weg op eene rei stonden, slingerden de wieken zoo snel om hunne assen, als het spinwiel van de vaardigste spinster. Niet ver daar van daan, aan de regter zijde, zag ik een kaerel staan, veel gelijkende naarJohn Falstaf, welke zijn regter neusgat met zijn voorsten vinger toehield. Zoodra deze kaerel onzen angst en verlegenheid zag, wendde hij zig naa ons, en boog zig eerbiedig voor mij. Eensklaps deedt zig geen windje meer voelen, en de zeven molens stonden plotslings stil. Verwonderd over dit voorval, dat mij niet natuurlijk scheen toe te gaan, schreeuwdeik den tovenaar toe: kaerel wat is dat! zit de duivel u in 't lijf, of zijt gij de duivel zelf? „Verschoon mij, uwe Exellentie: ik maakte daar voor mijn' meester, de molenaar, een weinig wind; en om de zeven molens niet te laten omvallen, heb ik mijn eene neusgat toe gehouden.” Ei! Ei! een uitmuntende knaap, dacht ik bij mij zelven: die kaerel kan u te pas komen als gij eens bij stil weer op zee zijt, of als het u, bij uwe terugkomst, aan adem hapert, om alle uwe zonderlinge lotgevallen te water en te land te verhaalen.—Wij wierden het spoedig eens, en de windmaker liet zijne molens staan en volgde mij.

Eindelijk kwam ik in grootCairoaan. Zoodra ik aldaar mijnen last naar wensch had uitgevoerd, dankte ik mijn gantsch nutloos gevolg af, en behield alleen de vijf die ik onderweg had aangenomen, om met deze als een ampteloos burger de terug reis te doen.

Het weer was verruklijk, en het gezigt van denNijlwas boven alle beschrijving schoon; waarom ik besloot de reis naaAlexandriete water te doen; dit ging uitnemend wel, tot op den derden dag; maar toen begon die rivier verschriklijk te zwellen, (gij hebt allen, denk ik, mijne Heeren! wel gehoord van de jaarlijksche overstrominge van denNijl) en op den volgenden dag stond het land van beide zijden reeds eenige mijlen ver onder water. Op den volgenden dag was ons vaartuig, met het rijzen van de Zon, verward in eenige heesters, zoo als ik eerst dacht; maar toen het lichter begon te worden, vond ik mij zelven omringd van amandelen, die volmaakt rijp en zoo smaaklijk waren, als ik ze ooit geproefd heb. Het water peilende bevond mijn volk, dat wij ten minsten zestig voeten van den grond af waren, en dat 'er geene mogelijkheid was om voor of agterwaards te komen;omtrend de klok negen uuren, dit is zoo naa als ik het naar gegiste zonshoogte heb kunnen bepaalen, stak de wind schielijk op, en sloeg onzen boeier op zijde. Hij raakte vol water, en in een ogenwenk zagen wij niets meer daarvan: wij reddeden ons zelven gelukkig (wij waren zeven man en twee jongens sterk) door ons stijf vast te houden aan de takken van den boom, waarvoor het vaartuig te zwaar was geweest, doch welken ons even konden houden. In dezen staat moesten wij zes weken en drie dagen doorbrengen, en van amandelen leeven! Ik behoeve u niet te zeggen, dat wij water genoeg hadden. Op den twee-en-veertigsten dag naa ons ongeluk viel het water zoo schielijk, als het gerezen was, en op den zes-en-veertigsten konden wij op het vaste land aan wal komen. Het eerste, dat wij met de grootste blijdschap zagen, was onze boeier, zes honderdvoeten liggende van de plaats, daar dezelve gezonken was(12). Nadat wij onze zeilen en klederen in de Zon gedroogd, en zoo veel voorraad te scheep genomen hadden, als wij tot de reis meenden nodig te hebben, gingen wij de plaats opzoeken, daar wij van daan gedreven waren, en bevonden volgends de nauwkeurigste rekening, dat wij meer dan honderd vijftig mijlen, over huizen en bosschen, landwaards in gedreven waren. Na eene zeer moeilijke reis van vier dagen, welke wij te voet, op looden schoenen, deden, bereikten wij de rivier, die nu wederom binnen hare oevers getreden was, en verhaalden onzelotgevallen aan denBeij, die ons zeer beleefdelijk voorzag van alle noodwendigheden, en ons met één van zijne barken verder liet brengen. Zes dagen daarna kwamen wij teAlexandrieaan, daar wij te scheep gingen naConstantinopel. Bij den groten Heer werd ik zeer vriendelijk ontvangen, en had de eer om hetSerailte zien, waarheen zijne Hoogheid zelve mij geleidde, en mij alle vrouwen, zijne eigene zelfs niet uitgezonderd, aanbood, met vrijheid om uit dezelve zoo vele en die te kiezen, als ik tot mijn eigen vermaak en het vermaak van een half douzijn mijner vrienden zoude meenen nodig te hebben.

Ik genoot naderhand dikwijls de eer van 's avonds met zijne Majesteit te spijzigen. Zijn disch is de uitgezogtste van alle de Monarchen der waereld. Op wijn, weet gij, moet men aan tafel niet denken; maar het geene niet openlijkgeschied, gebeurd niet zelden in stilte; gewoonlijk stond 'er na den maaltijd een goede fles in zijn Hoogheids Kabinet gereed. Eens gaf hij mij een wenk om hem daarin te volgen. Hij haalde uit een kastje een fles voor den dag, en zei: „Munchhausen, gij Christenen weet wel van een goed glas wijn: hier heb ik een flesje Tokaijer, zoo goed hebt gij ze in uw leven niet gedronken.” Zijne Majesteit schonk mij een glas en vroeg: „wat zegt gij 'er van?” „De wijn is goed Z. M. gaf ik ten antwoord; maar vergun mij te zeggen, dat ik ze teWeenen, bij wijlenKeizer Karel den zesden, veel beter gedronken heb; ik zal uwe Majesteit een fles 'er van bezorgen.”—„Ik houde u aan uw woord; maar wat spoedig.”—„Wat staat 'er op, als ik ze binnen één uur uit den Keizerlijken kelder teWeenenlaat brengen?”—„Munchhausen, denk niet dat ik den spot met mij laat drijven!doch ik denk dat gij raaskalt.”—„Ik zet mijn kop 'er voor te pand; maar uwe Majesteit weet wel dat mijn kop geen wisjewasje is; wat zet uwe Majesteit 'er tegen?”—„Als de vles in een uur hier is, kunt gij uit mijn schatkamer zoo veel geld en kleinoodien nemen, als de sterkste kaerel kan dragen; maar is hij 'er niet, zoo kost het u den kop: ik laat mij niet bespotten.”

Terstond schreef ik een briefje aan haare Majesteit de Keizerin, met verzoek, om een fles van dien Tokaijer, waarvan ik zoo dikwijls met wijlen zijne Majesteit haren vader gedronken had. Het was vijf minuten over drie uuren toen ik mijnen loper dit briefje ongezegeld ter hand stelde; hij ontdeedt zig van zijn gewicht aan de beenen, en maakte zig op weg; midlerwijl dronk ik met zijne Majesteit verder onze fles ledig.

Ondertusschen was het reeds kwartier voor vieren geworden, en ik begon,dit moet ik bekennen, tusschen beide een weinig beangst te worden: want het scheen mij toe dat Z. M. nu en dan op het Horlogie zag, om, als het tijd was, den scherprichter te laten komen. Ik kreeg nog wel verlof om eens in de lucht te gaan; maar wierd door een paar gedienstige geesten gevolgd, die mij niet uit het oog verloren. In dezen angst, daar de wijzer reeds op vijfenvijftig minuten stond, liet ik mijn Hoorder en Schutter roepen, welken ik mijne verlegenheid te kennen gaf. De Hoorder lag zig plat op den grond neder om te horen of hij mijn Loper niet ergends vernam. Tot mijne ontsteltenis zei hij mij, dat de slungel, een goed end van ons af, in diepen slaap lag te ronken. Zoo dra mijn brave Schutter dit hoorde, liep hij op een hoog Terras, rekte zig uit op zijnetoonenen riep met drift: „bij mijn ziel daar ligt de lap, onder eeneikenboom, bijBelgrado, met de fles naast hem; wagt ik zal hem wakker kittelen.” Hier op mikte hij met zijn roer, en schoot de volle lading in het midden van den boom. Een hagelbui van takken, knoppen en bladen viel op den slaper; dit deed hem ontwaken, en bragt hem, daar hij vreesde zijn tijd verslapen te hebben, zoo spoedig op de been, dat hij, met zijn fles en een eigenhandig antwoord van hare Majesteit, een half minuut vóór vier uuren in des Sultans vertrek aankwam.

Heeren! hadt gij den groten Heer eens zien slurpen! „Gij moet mij niet kwalijk nemen,MUNCHHAUSEN, zei hij, dat ik deze fles voor mij behoude; gij staat teWeenenbeter dan ik, en zult wel meer weten te krijgen. Maar ik moet u de weddingschap betalen.” Met een sloot hij de fles in zijn kastje, en liet den schatbewaarder komen, zeggende tegenhem: „laat aan mijn' vriendMUNCHHAUSENzoo veel uit de schatkamer volgen, als de sterkste kaerel kan mededragen.”

Ik verzuimde geen ogenblik om dit bevel te doen gelden, en begaf mij met mijn sterken kaerel naa de schatkamer; daar hij zig zoo wel belaadde, dat het kleinste gedeelte overig bleef. Met dezen buit begaf ik mij regelregt naa de haven, daar ik een tamelijk groot schip huurde en terstond met mijne vijf bekwame bedienden onder zeil ging, om mijn buit in zekerheid te brengen, vóór dat eenig beletzel kon tusschen beide komen. Het geen ik gevreesd had gebeurde, nauwlijks was ik twee mijlen van de wal, of ik ontdekte dat de gantscheTurkschevloot mij met volle zeilen kwam nazetten; ik moet bekennen dat mijn hoofd, dat nauwlijks weer vast begon te staan, op nieuw aan 't waggelen raakte. Mijn windmaaker bemerkte ditniet zoodra, of hij sprak mij moed in, plaatste zig bij het roer, met zijn linker neusgat naa deTurkschevloot en het regte naa ons zeil, en blies zulk eene menigte wind, dat de Vloot, vrij gehavend aan masten en wand, naa de haven wierd terug gedreven, en mijn schip binnen weinig uuren gelukkig inItalieaanlandde. Doch ik had van mijnen schat weinig nut: want de armoede en beedelarij is daar zoo groot, en de Politie zoo slegt, dat door mijne goedhartigheid een groot deel van denzelven in handen der beedelaars geraakte, terwijl het overige mij, op mijne reis naaRome, op het geheiligd gebied vanLorette, ontnomen werd door eene bende rovers; wier geweten hen daarover niet veel onrust zal veroorzaakt hebben: want de buit was nog zoo aanzienlijk, dat het gantsche gezelschap, zoo voor zich zelf als voor zijne erven en nakomelingen, voor het duizendste gedeelte daarvan volkomenaflaat voor alle bedrevene en nog te bedrijven zonden, uit de eerste en beste hand teRomekon koopen.

(10)De Baron, die zoo even een overtuigend bewijs gaf van zijne deftige westphaalsche geboorte: geeft hier een proef van zijne Engelsche opvoeding.

(10)De Baron, die zoo even een overtuigend bewijs gaf van zijne deftige westphaalsche geboorte: geeft hier een proef van zijne Engelsche opvoeding.

(11)Dit is de westelijkste uithoek vanEngeland; van daar is de reis naExeternoordoostwaard aan, en dus geheel over land, ter lengte van 140 engelsche mijlen. Hij had dus op zijn voorgenomen togt geen gevaar van water, al ware hij nog tweemaal die lengte voordgevlogen: want eer hij aan den noordoostelijksten hoek bijYarmouthaankwam, had hijEngelandin deszelfs grootste lengte moeten overvliegen.

(11)Dit is de westelijkste uithoek vanEngeland; van daar is de reis naExeternoordoostwaard aan, en dus geheel over land, ter lengte van 140 engelsche mijlen. Hij had dus op zijn voorgenomen togt geen gevaar van water, al ware hij nog tweemaal die lengte voordgevlogen: want eer hij aan den noordoostelijksten hoek bijYarmouthaankwam, had hijEngelandin deszelfs grootste lengte moeten overvliegen.

(12)Deze boeier was een zaandamsch maaksel, en aldaar verscheiden jaren bevaren bij ..... die deze schuit zoo netjes had onderhouden, en het ijzerwerk zoo gladjes laten schuuren, dat het onverganglijk scheen. Althands hetzelve was in aldien tijd niets het minste verroest geworden.

(12)Deze boeier was een zaandamsch maaksel, en aldaar verscheiden jaren bevaren bij ..... die deze schuit zoo netjes had onderhouden, en het ijzerwerk zoo gladjes laten schuuren, dat het onverganglijk scheen. Althands hetzelve was in aldien tijd niets het minste verroest geworden.

De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den GeneraalElliot, een bezoek in de belegering vanGibralter.—Doet een Spaansch oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche kust.—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van ... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlost twee Engelsche verspieders, met dienzelfden slinger, waardoorGoliathter neder werd geslagen, en doet de belegering vanGibralteropbreken.

Geduurende de laatste belegering vanGibralterging ik met een vloot voorraadschepen, onder het bevel van LordHowe,een bezoek geven aan mijnen ouden vriend, den GeneraalELLIOT, die door de roemrijke verdediging dezer plaatse onverwelklijke laurieren behaald heeft. Nadat de wederzijdsche blijdschap, die bij eene onverwagtte ontmoeting van twee oude vrienden altijd pleeg te ontstaan, bedaard was, ging ik den staat der bezettinge onderzoeken, en de verrigtingen van den vijand opnemen; ten welken einde de Generaal mij vergezelde. Ik had een overheerlijken telescoop vanDOLLANDbij mij, waardoor ik ontdekte, dat de vijand juist naa die plaats, alwaar wij ons bevonden, een vier-en-twintig ponder wilde losbranden. Ik gaf den Generaal te kennen, wat werk zij onder handen wilden nemen; hij zag daarom ook door het glas, en vond mijne gissing gegrond. Terstond beval ik, met verlof van den Generaal, dat aldaar een agt-en-veertig ponder van de naastgelegene batterije zoude gebragt worden; dit stuk steldeik zoo nauwkeurig (ik heb verscheiden jaren als konstapel onder dePoolscheGeconfoedereerden gediend) dat ik geen ogenblik aan eene goede werking twijfelde.

Ik bleef den vijand gadeslaan, tot dat ik zag, dat hij het lont aan het stuk aanbragt, waarop ik het sein gaf, dat ons stuk ook zoude losbranden. De twee kogels ontmoeteden elkander bijna op het midden, en zij bonsten met een allerverschriklijkst geweld tegen elkander. De uitwerking was niet minder verbazende. De kogel van den vijand vloog met zulk een geweld terug, dat hij den kaerel, die het stuk had afgeschoten, het hoofd afsloeg, benevens nog zestien anderen, welken dezelve in zijn voordsnellen naa de kust vanBarbarijeontmoette; maar hier was zijne kragt reeds dermate gebroken, dat hij, na nog drie masten van schepen, die aldaar in een regte lijn agter elkander in de haven lagen, doorboord te hebben, niets meer konde uitvoeren, dan doorhet dak eens armen daglooners hut, staande omtrend vijftig roeden landwaards in, te vliegen; waarna hij eindelijk smoorde in den mond van eene oude vrouw, die op haar rug lag te slaapen, en het overschot van hare tanden weg nam. De man van deze vrouw kort daarna te huis komende wilde den kogel uit den mond trekken; maar te vergeefsch: hierom beukte hij denzelven naa binnen met een moker tot in de maag; van waar die goede oude sloof deze pil volgends den natuurlijken loop naa beneden kwijt raakte. Maar dit was de eenigste dienst niet, welken wij van onzen kogel hadden: want hij dreef niet alleen den vijandelijken kogel terug, gelijk ik beschreven heb, maar volgends het oogmerk, 't welk ik daarmede had, ging de onze voord, en ligtte dat zelfde stuk van den vijand, 't welk tegen ons gebruikt was, uit zijn affuit, en wierp het in het ruim van een schip, dat het door de kiel heen vloog.In één oogenblik was dat schip vol water, en zonk met meer dan duizend spaansche matrozen, behalven een zeer aanmerklijk getal soldaten, waarvan niet één gered werd. Dit was een bij uitstek goed werk; hiervan ben ik verzekerd: evenwel wil ik de verdiensten daarvan niet aan mij zelven alleen en geheel toeschrijven: mijn vernuft en oordeel speelden zekerlijk wel de voornaamste rol in deze beuzelarije (wat betekenen toch eenige duizende menschen tegen een schonen barren klip!); maar mijn goed geluk stond mij ook hier een weinig ten dienste: want de man, die onzen agt-en-veertig ponder geladen had, had bij verzinning een dubbele maat kruid genomen: buiten welken gelukkigen misslag wij nooit zoo goed, boven alle verwagting, zouden geslaagd hebben, vooral in het terug kaatsen van s' vijands kogel.

De GeneraalELLIOTwilde mij een aanzienlijken post bij de artillerie geven, om dezen mijnen bijzonderen en gewigtigen dienst eenigszins te beloonen; maar ik wees alles van de hand, behalven zijne dankzegging, welke ik van hem op den avond van denzelfden dag, in tegenwoordigheid van alle de Officieren van de bezetting, over tafel ontving.

Naardien ik voor de Engelschen, die boven allen twijfel een zeer braaf volk zijn, zeer vooringenomen ben, wilde ik van deze benauwde plaats niet vertrekken, voor dat ik een nieuwen en gewigtigeren dienst aan de bezetting gedaan had; waartoe ik binnen drie weeken gelegenheid kreeg. Mij als een Priester gekleed hebbende, sloop ik om één uur in den morgenstond uit de vesting, ging door de voorposten en kwam ongemerkt in 't midden van het vijandelijk leger. Hier begaf ik mij naade tent, waar in de Graaf vanA****, benevens den opper-bevelhebber, en verscheiden andere van de voornaamste Officieren, krijgsraad hielden, en hun plan, om den volgenden morgen een storm opGibraltarte waagen, voor de laatste maal overwogen. Mijne vermomming was hun ongeluk: want veelen hadden te slaafschen eerbied voor het heilig kleed, 't welk ik aan had, dan dat zij mij uit hunne vergadering durfden weg jaagen, gelijk ik verdiend had; evenwel moet ik aan 't gezond verstand van anderen dit recht doen, dat ik op hun gelaat de duidelijkste blijken van ongenoegen en wantrouwen bespeurde, en de grootste genegenheid, om den heer Pastoor eens helder den mantel te laten uitvegen; maar zij durfden zulks niet openlijk vertoonen, noch daaraan toegeven; uit vrees, dat zij het blind en bijgelovig gemeen, welks gunst en genegenheid zij niet door een gewaandenijver voor den Godsdienst (dien gewonen kunstgreep van staatkundige en heerschzuchtige deugnieten!) maar door hunne ervarenis en dapperheid gewonnen hadden, van zig verwijderen en vervremden zouden. Ik kon derhalven aldaar zeer gerust en veilig blijven, en hoorde alles, wat 'er omging, tot dat zij scheidden, om zig nog eenige uuren ter ruste te begeven. Toen ik zag, dat het gehele leger, zelfs de schildwachten, in den diepsten slaap gedompeld waren, ging ik zonder toeven aan 't werk; al hun geschut (meer dan drie honderd stukken van agt-en-veertig tot vier-en-twintig ponden ijzers) ligtte ik van de affuiten en ging ze meer dan een half uur ver in zee brengen. Daar ik moederziel alleen was, en zelfs geen kleinen jongen tot mijner hulpe had, was dit het zwaarste werk, dat ik ooit onder handen heb gehad; behalven toen ik met het befaamde turksch stuk geschut,door den Baron deTOTTzoo zwierig beschreven in zijne gedenkschriften, waarvan straks nader, over de straat vanConstantinopelzwom. Daarna stapelde ik alle de affuiten en legerkarren, in 't midden van het leger, op elkander, nemende dezelven twee aan twee onder mijne armen; zoo omdat 'er haast bij 't werk was, als omdat ik door het kraaken van de wielen niet gehoord en ontdekt zoude worden. Dit maakte een schoone vertooning: want de berg van affuiten en karren was ten minsten zoo hoog, als de rots vanGibralter(13). Toen ontstak ik een lont, slaande met een stuk van een agt-en-veertig ponder tegeneen vuursteen, welke twintig voeten boven den grond lag op een wal, door de Mooren bij hunnen inval inSpanjeopgeworpen; en stak daar mede den gantschen boedel in brand. Ik had haast vergeten te zeggen, dat ik alle de ammunitiewagens boven op den top van dezen berg had geworpen.

Ik had het brandbaarste onder op den grond gelegd, met zoo veel overleg en oordeel, dat alles in één oogenblik in ligter laaie vlam stond.—Om alle vermoedens voor te komen, had ik een spaanschen soldaat stillekens den nek omgedraaid; trok zijne klederen aan, en ging in zijne plaats schildwacht houden: ook was ik de eerste, die allarm maakte,en de grootste verbaasdheid toonde. Het geheele leger was verstomd; en het algemeen besluit was, dat de vijand de schildwachten omgekoft hebbende, zeven of agt regimenten gebruikt had, om deze ijslijke verwoesting uit te regten. Mr.DRINKWATERverhaalt, in zijne geschiedenis van deze beroemde belegering, dat deSpanjaardeneen zeer zwaar verlies leeden door een brand, welke in hun leger ontstond, maar waarvan men de oorzaak nooit geweten heeft. En hoe zoude hij die hebben kunnen weten? daar ik, hoe zeer ik door dit werk van weinige uuren in éénen nacht, de eenigste ben, aan wien deEngelschenhet behoud vanGibraltarte danken hebben, deze zaak echter nooit voor dezen dag aan iemand, zelfs niet aan den GeneraalELLIOT, heb bekend gemaakt. De Graaf vanA****liep met zijn gantschen stoet van schrik weg; zij stonden op den gantschen weg niet ééns stil,hoewel zij te voet waren, tot dat zijParijsbereikt hadden, alwaar zij binnen veertien dagen aankwamen. Ja deze akelige brand had hen dermate ontsteld, dat zij wel drie maanden lang niets ter hunner herstellinge konden gebruiken, maar gelijk de cameleon van den wind leefden.

Zo iemand van 't gezelschap mogte te kennen willen geven, als of hij twijfelde aan de waarheid van deze gebeurdtenis, dien bekeure ik voor een stoop brandewijn, om denzelven in één teug uit te drinken; en om de flesch of de kom waaruit hij gedronken heeft, insgelijks naa binnen te slaan.

Twee maanden, naadat ik dezen dienst aan de belegerden gedaan had, zat ik, met mijnen vriend,ELLIOT, te ontbijten;wanneer een bom (want ik had geen tijd gehad om zoo wel de mortieren, als het kanon van den vijand weg te brengen) in de kamer viel, daar wij zaten, en zig op de tafel nederzette. De Generaal verliet, gelijk de meesten doen zouden, terstond de kamer; maar ik vatte ze op, eer zij barstte, en nam ze mede naa den top van de rots. Van hier den vijand, op eene hoogte bij de zeekust gelegerd, beschouwende, ontdekte ik een groote menigte volks, onder elkander heen en wederloopende; maar met het bloote oog kon ik niet onderscheidenlijk zien, wat zij eigenlijk uitvoerden. Ik was juist bezig met mijn teleskoop te stellen, wanneer ik bespeurde, dat twee van onze Officieren, waarvan de één een Generaal, de ander een Colonel was, met welken ik den voorgaanden avond had doorgebragt, en die te middernacht waren uitgegaan, om het vijandelijk leger te bespieden, gevangenwaren genomen, en nu regelregt na de galg gebragt werden, om opgehangen te worden. Ik had de bom nog in mijne hand, maar de afstand was te groot, om ze uit de hand weg naa den vijand te werpen; zeer gelukkig herinnerde ik mij dat ik denzelfden slinger, waarvanDAVIDzig in het slaan vanGOLIATHbediende, in mijn zak had; ik legde mijn bom daarin, en slingerde dezelve, dat zij midden onder het volk nederviel, en zoo als zij viel, barstte. Zij vernielde allen, die zig aldaar bevonden, behalven onze twee brave helden, die 'er behouden af kwamen, door dat zij zoo hoog gehangen waren: want zij waren even afgestoten; maar een stuk van de bom vloog met zoo grote kragt tegen den voet van de galg, dat dezelve terstond omver viel. Onze twee vrienden voelden niet zoodra den vasten grond onder de voeten, of zij zagen rondnaa de oorzaak, waarom zij schier zoo spoedig nedergelaten werden, als zij waren opgehangen. Oordeelt over hunne verwondering, mijne Heeren! wanneer zij zagen, dat de wacht, de beul en alle de nieuwsgierige aanschouwers het in 't hoofd gekregen hadden, om de reis naa de andere waereld vroeger, dan zij, aantenemen. Zij wisten niet, maar vreesden, of hier onder wel niet iets anders schuilen mogt; waarom zij hunnen tijd niet wilden verspillen, gelijk die geleerde, die, een kop van een hollandschen tabakspijp op den kant van denTeemsgevonden hebbende, drie jaren agter één aanhoudend zijne hersenen(14)versleet, om te onderzoeken, hoe dezelve daar gekomen ware; en ten laatste besloot, dat een oud wijfvanHilversum, 't welk voor keukenmeid op een zeeuwschen smokkelaar gevaren had, den geheelen pijp misschien uit den tandeloozen mond had laten vallen; waarom hij nog zes dagen na den steel zocht, maar te vergeefsch. Hierom maakten zij, zonder verwijl, elkanders onbeleefde stroppen los, renden naa het strand en namen een spaansche boot met zes mannen daarin, door welken zij zig na een van onze schepen lieten roeien, en behouden daar aan boord kwamen: van waar zij, terwijl ik nog bezig was om den GeneraalELLIOTte verhaalen, hoe ik met de bom geleefd had, bij ons kwamen, ons om helsden, en wij met elkander den dag aangenaam en vrolijk ten einde bragten.


Back to IndexNext