The Project Gutenberg eBook ofDe verrezen Gulliver;

The Project Gutenberg eBook ofDe verrezen Gulliver;This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De verrezen Gulliver;Author: Rudolf Erich RaspeRelease date: June 4, 2013 [eBook #42878]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net (produced from scans from Early DutchBooks Online & Universiteitsbibliotheek, Amsterdam)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERREZEN GULLIVER; ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De verrezen Gulliver;Author: Rudolf Erich RaspeRelease date: June 4, 2013 [eBook #42878]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net (produced from scans from Early DutchBooks Online & Universiteitsbibliotheek, Amsterdam)

Title: De verrezen Gulliver;

Author: Rudolf Erich Raspe

Author: Rudolf Erich Raspe

Release date: June 4, 2013 [eBook #42878]Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net (produced from scans from Early DutchBooks Online & Universiteitsbibliotheek, Amsterdam)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERREZEN GULLIVER; ***

Opmerkingen van de bewerkerAfgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.Het plaatje van de cover is door de bewerker gemaakt en vrijgegeven in het publiek domein.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Erratazijn in de tekst gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne grijze stippellijn.Meer informatie aangaande de spelling en de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Voor de samenstelling van dit e-boek dienden de scans vanEarly Dutch Books Onlineals bron.Als bron daarvoor diende het exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Het plaatje van de cover is door de bewerker gemaakt en vrijgegeven in het publiek domein.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Erratazijn in de tekst gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne grijze stippellijn.

Meer informatie aangaande de spelling en de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Voor de samenstelling van dit e-boek dienden de scans vanEarly Dutch Books Onlineals bron.Als bron daarvoor diende het exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

DEVERREZENGULLIVER;BEHELZENDE DE ZONDERLINGEREIZENENAVONTUREN,VAN DEN BARON VANMUNCHHAUSEN,InRusland,Ysland,Turkije,Egipte,Gibralter, in deKaspische,MiddellandscheenAtlantischeZeëen, en door het middenpunt van den bergEtnanaa deZuid-zee:ALS MEDEHet verhaal van zijne reis naa deMAANen deHONDSTAR, en de Burgerlijke en Staatkundige gesteldheid aldaar; met vele bijzonderheden vanWezens met kookende maagen, die men hier gewoon isMenschente noemen, enz. enz.Naar den vijfden druk uit het Engelsch vertaald.MET PLAATEN.TeHUAHEINEBijOMAI,'s Landsdrukker1790.

InRusland,Ysland,Turkije,Egipte,Gibralter, in deKaspische,MiddellandscheenAtlantischeZeëen, en door het middenpunt van den bergEtnanaa deZuid-zee:

ALS MEDE

Het verhaal van zijne reis naa deMAANen deHONDSTAR, en de Burgerlijke en Staatkundige gesteldheid aldaar; met vele bijzonderheden vanWezens met kookende maagen, die men hier gewoon isMenschente noemen, enz. enz.

Naar den vijfden druk uit het Engelsch vertaald.

MET PLAATEN.

TeHUAHEINEBijOMAI,'s Landsdrukker1790.

BERIGTVAN DENUITGEVER.'tWerkje, dat wij den Nederlander, in zijne moedertale, thands aanbieden, is oorspronglijk in 't Engelsch geschreven, en inEngelandmet zoo veel graagte en goedkeuringe ontvangen, dat het binnen weinige dagen driemaal herdrukt moest worden.Die vier eerste uitgaven waren egter op verre na zoo volledig niet, als de vijfde druk, naar welke deze vertaling gevolgd is, en bestonden alleen uit de vijf laatste hoofdstukken van het eerste deel.Welhaast werd het in bijkans alle talen vanEuropavertolkt, en met zoodanige bijvoegselen en aantekeningen vermeerderd, als de uitgevers raadzaam oordeelden.De zoodanigen, die wij daartoe meenden geschiktst te zijn, hebben wij uit die vertalingen overgenomen, en 'er dat gene van ons eigen bijgevoegd, 't welkwij begrepen in staat te zijn, om 't loflijk oogmerk van den vernuftigen schrijver, onder de Nederlanders te bevorderen.Want hieldLUCIANUShet, ten zijnen tijde, reeds noodzaaklijk, om zijneWaaragtige Geschiedenissen, zoo als hij zijne verdigtselen zeer geestig noemt, te schrijven, zoo om zijnen lezer op eene aangename wijze te onderhouden, als om den draak te steken met zulke Reizigers en schrijvers, die niet ontzien, om eene menigte van gedrogtlijke en ongelooflijke vertelselen op te disschen; zoo meende ook de Baron vanMUNCHHAUSEN, een man van grooten smaak, en vernuft, dit voorbeeld van den geestigenLUCIANUS, waaruit hij het een en ander heeft overgenomen, zeer gepast, om het belagchlijke en haatlijke van zoodanige vertelselen onder het oog zijner tijdgenoten te brengen.Daarbij had de ondervinding den Baron geleerd, dat men met al zijn redeneren, bevooröordeelde menschen tot het gezond verstand niet kan terug brengen; en dat zij, die gewoon zijn op een hoogentoon te spreken en stout te verzekeren, zeer geschikt zijn, om hunne hoorders daarvan te ontzetten. Hierom redeneerde hij nooit met zoodanige lieden, maar wendde de gesprekken altijd zeer behendig op onverschillige zaken, en danverhaaldehij—geheel in zijne eigen manier en bijzonderen smaak—de eene of andere geschiedenis van zijne reizen, veldtogten en avonturen.Zoo geschikt deze manier is, om den snoevenden Reiziger en grootsprekenden loogenaar te beschaamen; zoo goed is de Baron ook geslaagd in het uitkiezen zijner ongerijmde vertelselen; waarin zijn oogmerk alleen is, om aan te toonen, dat een zucht om zoo genoemde snakerijen te vertellen, of den menschen wat op den mouw te spellen, in den grond niet anders is dan liegen en misleiden, en dat de hebbelijkheid om alle gezelschappen van vrienden en vreemden met onwaarheden bezig te houden, eigenlijk is, het haatlijkste en verachtlijkste misbruik te maaken van het geduld en de inschiklijkheid zijner beschaafde medeburgeren, die 'er zig niet aan waagen willen, om doorzulke onbeschaamde loogenaars op eene onbeschofte manier bejegend te worden.De verbazend snelle en groote aftrek, welke dit werkje inEngelandgehad heeft, toont, dat men aldaar zeer wel dit zedekundig oogmerk van den schrijver gevat heeft. Zelfs heeft een zeker geleerde van dat gewest, te regt, aangemerkt, dat men hetzelve, zeer eigenlijk,DEN ZEDENMEESTER DER LOOGENARENzoude kunnen en behooren te noemen.Dit doel, ook onder de Nederlanders te bevorderen is het oogmerk des Nederduitschen uitgevers; die te gelijk ten oogmerke heeft, wanneer een goed vertier een tweede oplaag vereischen mogte, het werkje met meer plaatjens te versieren en met zoodanige bijvoegselen te vermeerderen, als de behoefte van Nederland, daar liegen en lasteren niet minder heerschen als in andere gewesten, vordert.

'tWerkje, dat wij den Nederlander, in zijne moedertale, thands aanbieden, is oorspronglijk in 't Engelsch geschreven, en inEngelandmet zoo veel graagte en goedkeuringe ontvangen, dat het binnen weinige dagen driemaal herdrukt moest worden.

Die vier eerste uitgaven waren egter op verre na zoo volledig niet, als de vijfde druk, naar welke deze vertaling gevolgd is, en bestonden alleen uit de vijf laatste hoofdstukken van het eerste deel.

Welhaast werd het in bijkans alle talen vanEuropavertolkt, en met zoodanige bijvoegselen en aantekeningen vermeerderd, als de uitgevers raadzaam oordeelden.

De zoodanigen, die wij daartoe meenden geschiktst te zijn, hebben wij uit die vertalingen overgenomen, en 'er dat gene van ons eigen bijgevoegd, 't welkwij begrepen in staat te zijn, om 't loflijk oogmerk van den vernuftigen schrijver, onder de Nederlanders te bevorderen.

Want hieldLUCIANUShet, ten zijnen tijde, reeds noodzaaklijk, om zijneWaaragtige Geschiedenissen, zoo als hij zijne verdigtselen zeer geestig noemt, te schrijven, zoo om zijnen lezer op eene aangename wijze te onderhouden, als om den draak te steken met zulke Reizigers en schrijvers, die niet ontzien, om eene menigte van gedrogtlijke en ongelooflijke vertelselen op te disschen; zoo meende ook de Baron vanMUNCHHAUSEN, een man van grooten smaak, en vernuft, dit voorbeeld van den geestigenLUCIANUS, waaruit hij het een en ander heeft overgenomen, zeer gepast, om het belagchlijke en haatlijke van zoodanige vertelselen onder het oog zijner tijdgenoten te brengen.

Daarbij had de ondervinding den Baron geleerd, dat men met al zijn redeneren, bevooröordeelde menschen tot het gezond verstand niet kan terug brengen; en dat zij, die gewoon zijn op een hoogentoon te spreken en stout te verzekeren, zeer geschikt zijn, om hunne hoorders daarvan te ontzetten. Hierom redeneerde hij nooit met zoodanige lieden, maar wendde de gesprekken altijd zeer behendig op onverschillige zaken, en danverhaaldehij—geheel in zijne eigen manier en bijzonderen smaak—de eene of andere geschiedenis van zijne reizen, veldtogten en avonturen.

Zoo geschikt deze manier is, om den snoevenden Reiziger en grootsprekenden loogenaar te beschaamen; zoo goed is de Baron ook geslaagd in het uitkiezen zijner ongerijmde vertelselen; waarin zijn oogmerk alleen is, om aan te toonen, dat een zucht om zoo genoemde snakerijen te vertellen, of den menschen wat op den mouw te spellen, in den grond niet anders is dan liegen en misleiden, en dat de hebbelijkheid om alle gezelschappen van vrienden en vreemden met onwaarheden bezig te houden, eigenlijk is, het haatlijkste en verachtlijkste misbruik te maaken van het geduld en de inschiklijkheid zijner beschaafde medeburgeren, die 'er zig niet aan waagen willen, om doorzulke onbeschaamde loogenaars op eene onbeschofte manier bejegend te worden.

De verbazend snelle en groote aftrek, welke dit werkje inEngelandgehad heeft, toont, dat men aldaar zeer wel dit zedekundig oogmerk van den schrijver gevat heeft. Zelfs heeft een zeker geleerde van dat gewest, te regt, aangemerkt, dat men hetzelve, zeer eigenlijk,DEN ZEDENMEESTER DER LOOGENARENzoude kunnen en behooren te noemen.

Dit doel, ook onder de Nederlanders te bevorderen is het oogmerk des Nederduitschen uitgevers; die te gelijk ten oogmerke heeft, wanneer een goed vertier een tweede oplaag vereischen mogte, het werkje met meer plaatjens te versieren en met zoodanige bijvoegselen te vermeerderen, als de behoefte van Nederland, daar liegen en lasteren niet minder heerschen als in andere gewesten, vordert.

INHOUD.I. HOOFDSTUK.De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende uitwerksels van eenen storm.—Komt opCeilon; vecht aldaar met twee buitengewoone vijanden, en overwint dezelven.—Komt inHollandterug.bladz.1II. HOOFDSTUK.In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met een verhaal van zoodanige dingen, welke deszelfs opmerkzaamheid wel waardig zijn.19III. HOOFDSTUK.Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den post vaneene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt een vos uit zijn vel.—Leidt eene oude zog naa hare woning, op eene nieuwe wijze; en vangt een wilden Beer.27IV. HOOFDSTUK.Aanmerkingen over het St. Huberts hert.—De Baron schiet een hert met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond, welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor zijne gantsche kleêrkamer in verwarring geraakt.33V. HOOFDSTUK.Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van geest.—Beschrijvingvan een hond, de lieveling van den Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgt wordt.—Hij krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf vanPRZOBOZSKY, waarmede hij vele ongewone daden verrigt.41VI. HOOFDSTUK.De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt de bijën van den Sultan, welken aangevallen worden door twee beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa de beeren smijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm, opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de aarde, en redt zigzelven uit eene diepe kuil.—Redt een wagen, welke den zijnen op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge wijze.—Wonderbaaruitwerksel van den vorst op den posthoren van zijn koetsier.63Tweede Deel.VII. HOOFDSTUK.De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis naa Noord-Amerika, welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd van den Baron zakt in zijne maag.—Een gevaarlijk lek gestopta posteriore.75VIII. HOOFDSTUK.De Baron baadt zig in de Middellandsche Zee.—Hij ontmoet zeer onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het strand.81IX. HOOFDSTUK.Avonturen inTurkijeen op de rivier deNijl.—De Baron schiet een luchtbol bovenConstantinopelnaa beneden, en vindt een Franschen proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap naa grootCaïro, en vermeerdert onderweg zijn gevolg met vijf persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs denNijl, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van zijne bedienden.86X. HOOFDSTUK.De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den GeneraalELLIOT, een bezoek in de belegering vanGibralter.—Doet een Spaansch oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche kust—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van ... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlosttwee Engelsche verspieders, met dienzelfden slinger, waardoorGOLIATHter neder werd geslagen, en doet de belegering vanGibralteropbreken.109XI. HOOFDSTUK.Een belangrijk verslag van de voorouders van den Baron.—Een verschil over de plaats, waarNOACHzijne ark bouwde.—De geschiedenis van den slinger, en deszelfs hoedanigheden.—Een begunstigd digter wordt ingeleid, maar op geen roemrijke manier.—KoninginELIZABETH, en haare gaaf van onthouding.—De vader van den Baron kruist vanEngelandnaaHollandop een zeepaard, 't welk hij voor zevenhonderd dukaten verkoopt.125XII. HOOFDSTUK.Een klugt; de gevolgen daarvan.—Het Kasteel vanWindsor.—DeSt.PAULUSKerk.—Het gildehuis van de Geneesheeren, de aansprekers, kosters enz. allen bijkans vernield.—Vaardigheid der kruidmengeren.133XIII. HOOFDSTUK.Een uitstap naa het Noorden.De Baron zeilt met KapiteinPHIPPS.—Valt twee zwaare beeren aan, welken hij ter naauwernood ontkomt.—Wint het vertrouwen van deze dieren, en vernielt duizend van dezelven; laadt het schip met derzelver hammen en huiden; zendt de eersten overal ten geschenke rond; en wordt daarvoor op alle feesten van de stad genodigd.—Een verschil tusschen den Kapitein en den Baron, waarin de laatste, beleefdheidshalve, genoodzaakt is toe te geven.—De Baron weigert de eer van een throon.138XIV. HOOFDSTUK.De Baron overtreft den BaronDE TOTTin alle opzigten; nogthans mislukt hem ééne zaak.—Valt in ongenade bij den Groten Heer, die bevel geeft om zijn hoofd te brengen.—Ontkomt dit gevaar, en gaat aan boord van een schip, waarmede hij naaVenetievertrekt.—Afkomstvan den BaronDE TOTT, en bijzonderheden van 's mans voorouders.—Eenige weinig of niet bekende bijzonderheden van vroegeren tijd.150XV. HOOFDSTUK.Vervolg van het reisverhaal vanHarwichnaaHelvoet.—Beschrijving van sommige zeedieren en andere voorwerpen, nooit bij eenig reiziger gezien.—Rotsen, op dezen togt liggende, zoo groot als de Alpische bergen; kreeften, krabben van eene buitengewoone grootte.—Eene vrouw in het leven behouden.—Hoe zij in zee viel.—De manier van de Amsterdamsche Maatschappij, met een goeden uitslag, gevolgd.160XVI. HOOFDSTUK.Dit Hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederenEngelschman, bijzonderlijk bij allen, die, in het vervolg, het ongeluk zullen hebben van krijgsgevangen te worden.171XVII. HOOFDSTUK.Eene reis naa Oost-Indien.—De Baron spreekt van een vriend, die hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen vermaaken.175XVIII. HOOFDSTUK.Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.—Het schip door een warrelwind opgenomen tot eene hoogte van duizendHollandschemijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet, en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving van de inwooners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.180XIX. HOOFDSTUK.De Baron trekt over den Teems zonder behulp van een brug, schip, boot, of luchtbol, zelfs zonder zijn eigen wil; hij ontwaaktna een langen slaap; en vernielt een gedrogt, het welk alleen leefde van de verwoesting van anderen.191XX. HOOFDSTUK.De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den bergEtnagegeven te hebben; hij vindt zigzelven weder in de Zuid-zee; bezoektVULKANUSop zijne reis; komt bij eenHollanderaan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas, liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld; hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in deKaspischezee.—De Baron laat een beer doodhongeren in zijne handen.—Eenige bijzonderheden van een borstrok.—In dit hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron zedekundige bedenkingen voor, over de deugd van trouw en liefde tot de waarheid.194

I. HOOFDSTUK.

De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende uitwerksels van eenen storm.—Komt opCeilon; vecht aldaar met twee buitengewoone vijanden, en overwint dezelven.—Komt inHollandterug.bladz.1

bladz.1

II. HOOFDSTUK.

In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met een verhaal van zoodanige dingen, welke deszelfs opmerkzaamheid wel waardig zijn.19

19

III. HOOFDSTUK.

Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den post vaneene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt een vos uit zijn vel.—Leidt eene oude zog naa hare woning, op eene nieuwe wijze; en vangt een wilden Beer.27

27

IV. HOOFDSTUK.

Aanmerkingen over het St. Huberts hert.—De Baron schiet een hert met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond, welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor zijne gantsche kleêrkamer in verwarring geraakt.33

33

V. HOOFDSTUK.

Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van geest.—Beschrijvingvan een hond, de lieveling van den Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgt wordt.—Hij krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf vanPRZOBOZSKY, waarmede hij vele ongewone daden verrigt.41

41

VI. HOOFDSTUK.

De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt de bijën van den Sultan, welken aangevallen worden door twee beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa de beeren smijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm, opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de aarde, en redt zigzelven uit eene diepe kuil.—Redt een wagen, welke den zijnen op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge wijze.—Wonderbaaruitwerksel van den vorst op den posthoren van zijn koetsier.63

63

Tweede Deel.

VII. HOOFDSTUK.

De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis naa Noord-Amerika, welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd van den Baron zakt in zijne maag.—Een gevaarlijk lek gestopta posteriore.75

75

VIII. HOOFDSTUK.

De Baron baadt zig in de Middellandsche Zee.—Hij ontmoet zeer onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het strand.81

81

IX. HOOFDSTUK.

Avonturen inTurkijeen op de rivier deNijl.—De Baron schiet een luchtbol bovenConstantinopelnaa beneden, en vindt een Franschen proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap naa grootCaïro, en vermeerdert onderweg zijn gevolg met vijf persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs denNijl, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van zijne bedienden.86

86

X. HOOFDSTUK.

De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den GeneraalELLIOT, een bezoek in de belegering vanGibralter.—Doet een Spaansch oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche kust—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van ... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlosttwee Engelsche verspieders, met dienzelfden slinger, waardoorGOLIATHter neder werd geslagen, en doet de belegering vanGibralteropbreken.109

109

XI. HOOFDSTUK.

Een belangrijk verslag van de voorouders van den Baron.—Een verschil over de plaats, waarNOACHzijne ark bouwde.—De geschiedenis van den slinger, en deszelfs hoedanigheden.—Een begunstigd digter wordt ingeleid, maar op geen roemrijke manier.—KoninginELIZABETH, en haare gaaf van onthouding.—De vader van den Baron kruist vanEngelandnaaHollandop een zeepaard, 't welk hij voor zevenhonderd dukaten verkoopt.125

125

XII. HOOFDSTUK.

Een klugt; de gevolgen daarvan.—Het Kasteel vanWindsor.—DeSt.PAULUSKerk.—Het gildehuis van de Geneesheeren, de aansprekers, kosters enz. allen bijkans vernield.—Vaardigheid der kruidmengeren.133

133

XIII. HOOFDSTUK.

Een uitstap naa het Noorden.

De Baron zeilt met KapiteinPHIPPS.—Valt twee zwaare beeren aan, welken hij ter naauwernood ontkomt.—Wint het vertrouwen van deze dieren, en vernielt duizend van dezelven; laadt het schip met derzelver hammen en huiden; zendt de eersten overal ten geschenke rond; en wordt daarvoor op alle feesten van de stad genodigd.—Een verschil tusschen den Kapitein en den Baron, waarin de laatste, beleefdheidshalve, genoodzaakt is toe te geven.—De Baron weigert de eer van een throon.138

138

XIV. HOOFDSTUK.

De Baron overtreft den BaronDE TOTTin alle opzigten; nogthans mislukt hem ééne zaak.—Valt in ongenade bij den Groten Heer, die bevel geeft om zijn hoofd te brengen.—Ontkomt dit gevaar, en gaat aan boord van een schip, waarmede hij naaVenetievertrekt.—Afkomstvan den BaronDE TOTT, en bijzonderheden van 's mans voorouders.—Eenige weinig of niet bekende bijzonderheden van vroegeren tijd.150

150

XV. HOOFDSTUK.

Vervolg van het reisverhaal vanHarwichnaaHelvoet.—Beschrijving van sommige zeedieren en andere voorwerpen, nooit bij eenig reiziger gezien.—Rotsen, op dezen togt liggende, zoo groot als de Alpische bergen; kreeften, krabben van eene buitengewoone grootte.—Eene vrouw in het leven behouden.—Hoe zij in zee viel.—De manier van de Amsterdamsche Maatschappij, met een goeden uitslag, gevolgd.160

160

XVI. HOOFDSTUK.

Dit Hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederenEngelschman, bijzonderlijk bij allen, die, in het vervolg, het ongeluk zullen hebben van krijgsgevangen te worden.171

171

XVII. HOOFDSTUK.

Eene reis naa Oost-Indien.—De Baron spreekt van een vriend, die hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen vermaaken.175

175

XVIII. HOOFDSTUK.

Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.—Het schip door een warrelwind opgenomen tot eene hoogte van duizendHollandschemijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet, en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving van de inwooners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.180

180

XIX. HOOFDSTUK.

De Baron trekt over den Teems zonder behulp van een brug, schip, boot, of luchtbol, zelfs zonder zijn eigen wil; hij ontwaaktna een langen slaap; en vernielt een gedrogt, het welk alleen leefde van de verwoesting van anderen.191

191

XX. HOOFDSTUK.

De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den bergEtnagegeven te hebben; hij vindt zigzelven weder in de Zuid-zee; bezoektVULKANUSop zijne reis; komt bij eenHollanderaan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas, liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld; hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in deKaspischezee.—De Baron laat een beer doodhongeren in zijne handen.—Eenige bijzonderheden van een borstrok.—In dit hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron zedekundige bedenkingen voor, over de deugd van trouw en liefde tot de waarheid.194

194

REIZENVAN DEN BARONVAN MUNCHHAUSEN.I. HOOFDSTUK.1).De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende uitwerksels van eenen storm.—Komt opCeilon; vecht aldaar met twee buitengewone vijanden, en overwint dezelven.—Komt inHollandterug.In de dagen mijner jongelingschap, of liever in dien tijd, dat ik man noch jongeling was, wanneer de vlasbaard den aannaderenden mannelijken leeftijdeerst aankondigt, had ik de klugtigste ontmoetingen, welken ooit eenen reiziger zijn voorgekomen. Het scheen, of mijne Ouders daarvan een voorgevoel hadden: want hoe dikwijls ik mijne zucht tot reizen te kennen gaf; hoe sterk ik bij hen aanhield, om hunne toestemming te bekomen, tot het bezien van de waereld; en welke streken ik ook tot het verkrijgen dezer gunste aanwendde; niets mogt baten: alles was te vergeefsch. Mijn vader was de standvastigheid zelve in zijne weigering. Dit verwonderde mij grootlijks, om dat hij zelf een groot reiziger geweest was; gelijk dit overvloedig blijken zal, eer ik het verhaal mijner zonderlinge, en, mag ik 'er wel gerust bijvoegen, belangrijke avonturen geeindigd zal hebben. Maar tot mijn onuitspreeklijk geluk, zoo ik meende, had een zekere neef van mijns moeders zijde een groot behagen in mij. Deze verklaarde menigmaal, dat ik de aardigstejongen van de waereld was, en dat ik buiten 's lands de grootste vorderingen tot fortuin zoude maken. Dit stond mij wonder wel aan, en streelde mijne eerzucht niet weinig. Zijnewelsprekenheidhad ook meer invloed dan de mijne: want mijn vader stemde eindelijk toe in zijnen voorslag, dat ik hem op zijne reis naa het eilandCeilon, alwaar zijn oom al zederd verscheiden jaren Gouverneur geweest was, zou verzellen.Wij zeilden met een paketboot uitTexel, met gewigtige bevelen belast. Naardien wij zoo snel zeilden, als hadden wij in een luchtbol de reis gedaan, gebeurde 'er maar één ding, 't welk aan U verdient verhaald te worden. 't Was naamlijk de uitwerking van eenen storm, wanneer wij aan zeker eiland ten anker lagen, om water en brandhout in te nemen. Deze storm rukte een groote menigte zware bomen, van een verschriklijke dikte en hoogte, met wortel en aluit den grond. Sommige van deze bomen wogen ettelijke lasten; en nogthans werden ze door den wind tot zulk' eene onmeetlijke hoogte in de lucht opgenomen, dat ze niet anders schenen, dan door de lucht zwevende vederen van kleine vogeltjes: want zij waren ten minsten vijf mijlen(2)boven de aarde. Maar zoodra was de storm niet bedaard, of ze vielen allen wederom lijnregt op hunne plaatsen neder, en groeiden weêr als te voren; behalven één, op welks takken, juist op dat oogenblik dat de wind denzelven naa de lucht voerde, een man met zijne vrouw, een zeer geschikt en eerbaar paar volks, komkommers zaten te plukken: (want dit heilzaam gewas groeit indat gedeelte van de waereld aan de bomen): als nu de boom wederom langzaam naa beneden daalde, gebeurde het, dat dezelve, door de zwaarte van dit paar menschen,horizontaalnederviel, en wel op den aanzienlijksten man van het geheele eiland, waar door hij op staande voet stierf. Toen de storm begon, had hij zijne woning verlaten, uit vreze, dat dezelve mogt instorten en hem verpletteren; maar zoo als hij zijn tuindeur wederom wilde ingaan, viel deze gelukkige omstandigheid voor.—Gelukkige?Ja! zeker gelukkige: want, mijne Heeren! dit opperhoofd was de geweldigste der dwingelanden; en de bewooners van het eiland, zijne gunstelingen en maitressen niet uitgezonderd, waren de ellendigste schepzels onder de Maan; de levensmiddelen verstikten in zijne voorraadschuuren, terwijl zijne Onderdaanen, wien hij ze had afgeperst, van honger versmagteden;het Eiland had voor genen buitenlandschen vijand te vrezen, en echter nam hij ieder jong kaerel weg, sloeg hem met zijn eigen stok tot een held, en verkogt van tijd tot tijd zijne verzameling aan den meestbiedende der nabuurige Vorsten, om de Millioenen Schulpen, die hij van zijn' Vader had geërft, met nieuwe Millioenen te vermeerderen. Dit gedrag maakte hem zoo veel te veragtelijker, daar hij geene kinderen of naastbestaanden had.—Meent niet, lieve lezer! dat de Baron hier zonder reden aanmerkt, dat zijne Excellentie, dezeDON PANCHEvan de andere waereld, geen naastbestaanden had. Hij had op zijne veelvuldige reizen te meermalen waargenomen, dat de schreeuwendste onrechtvaardigheden, de ontmenschtste wreedheden, door aanzienlijken en geringen, door Vorsten en onderdanen, in eene blijkbare ongevoeligheid gepleegd werden,onder voorgeven, dat zij niet zoodanig handelden om zig zelven, maar voor hunne opvolgers enz.—Hierbij komt nog eene andere reden, welke de Baron echter niet gaarne algemeen bekend maakte; te weten: op zijn springtogtje door dit leven was hij niet zelden om geld verlegen geweest. Dit zal U zekerlijk niet verwonderen; maar als hij zig, in zoodanige gelegenheden, op eerlijke voorwaarden, welken hij aantoonde te kunnen volbrengen, bij ongeluk vervoegde bij rijke lieden zonder edelmoedigheid, verwonderde het hem, dat dezen zig altijd van alle menschlievendheid en hulpbetoninge ontschuldigden, met te zeggen: dat zij hem zeer gaarne zouden willen helpen; maar dat zij ook voor de hunnen moesten zorgen; dat zij over het geld en goed hunner kinderen niet konden beschikken, en dergelijke blaauwe uitvlugten meer.——Hierom kwam hetden Baron gantsch niet vreemd voor dat deze gierige en onbarmhartige wreedaard, zonder kinderen en namagen, bij den landzaat zoo zeer gehaat was. Zijn dood zagen zij daarom niet alleen aan als de grootste weldaad; maar hoe toevallig dezelve ook ware, verkoozen zij zelfs, ten blijke hunner dankbaarheid, de komkommerplukkers tot hunne opperhoofden.Dit paar had van deszelfs hooge vaart geen letsel gekregen, als een klein ongemakje aan het gezicht, omdat zij dat licht, 't welk de oorsprong van alle verlichtinge door deze waereld is, wat al te naa waren gekomen.—De verduistering, daar door op het Eiland veroorzaakt, was vrij groot, en ontzettede den Hollandschen schipper dermate, dat hij zijnStichters Almanach, het eenigste Zeemansboek 't welk hij wist te gebruiken, uit zijn broekzak haalde, om te zien, of het geen Zonne-Taningware; schoon ik hem beduidde, dat het Volle Maan was.—Maar het ongeluk van deze goede luidjes was het grootste voordeel voor den Staat; de nieuwe Regent hield zulk een loflijk bestuur, (gelijk ik naderhand vernomen heb) dat niemand op het Eiland voortaan komkommers at, zonder te zeggen:God zegene ons opperhoofd.Na dat wij ons van de schade, in dezen aanmerklijken storm bekomen, hersteld hadden, namen wij afscheid van deze nieuwe opperhoofden; (zoo moeten wij ze noemen, naardien beiden zig aan het hoofd van de regeeringe dezes Eilands geplaatst hadden); en zeilden met een zeer gunstigen wind naa de plaats onzer bestemminge; evenwel niet, voor dat wij den gedienstigen boom in zijne oude plaats hersteld zagen. Ook was 'er, op een algemeen verzoekschrift, door alle de inwoners ingediend, door de nieuwe regeering een wet vastgesteld, dat voordaanniemand van de vrugten van dezen boom zoude mogen eten, zonder vooraf voor den ondergang van den geweldenaar gedankt te hebben.Zes weeken na ons vertrek uitHolland, kwamen wij opCeilonbehouden aan land, en werden met grote blijken van vriendschap en ware beleefdheid ontvangen. Het volgend zonderling avontuur zal uwe opmerking niet geheel onwaardig zijn. Indien echter iemand mijner toehoorderen zoo bekrompen van begrip mogt zijn, dat hij aan de geloofwaardigheid van mijn verhaal wilde twijfelen, verzoek ik dat hij, zoo menigmaal hem deze luim overvalt, zeggen zalBONS!dan zal ik niet één woord meer spreken; maar als een man van eer waarschuuw ik hem te gelijk dat ik zoo honende belediging niet zonder voldoeninge zal afwagten.Nadat wij nog maar veertien dagen opCeilongeweest waren, ging ik meteen van des Landvoogds Broeders op eene jagtpartij. Hij was een zeer sterk man, en aan de luchtstreek gewoon zijnde, (het spreekt dus van zelfs, dat hij aldaar reeds verscheiden jaren gewoond had), kon hij de geweldige hitte van de zon veel beter verdragen, dan ik. Op onze wandeling was hij mij een zeer aanmerklijk end' wegs vooruit geraakt, door een dik bosch, wanneer ik mij nog aan het begin van hetzelve bevond.Ik wilde mij nederleggen, om wat uitterusten, aan den dijk van een breed water, 't welk mijne aandacht getrokken had, wanneer ik meende een klaterend geraas agter denzelven te horen; dit deed mij om zien, en ik werd eenen doden gelijk, (en wie zoude niet schrikken?) op het zien van een' leeuw, die ogenschijnlijk op mij aankwam met oogmerk, om mijn jong, mager lijf tot zijn ontbijt te nemen, zonder daartoe mijne toestemming te vragen.—Wat nu tedoen in deze ongerustheid? Ik had geen tijd tot eenig overleg; mijn roer was alleen met ganzenhagel geladen; ander loot had ik niet bij mij. Om zulk een dier met zoo zwakke toerusting te doden—daaraan was niet te denken; met dat al hoopte ik, dat ik hetzelve door het schot zoude verschrikken, en het misschien daar door verjagen. Ik lei daarom terstond aan, zonder te wagten, tot dat hij binnen mijn bereik was; maar het schot maakte hem woedend; hij verhaastte zijnen loop, en scheen met vollen spoed op mij aan te rennen. Ik zag naa middelen van ontkominge om; maar dit, zoo het mogelijk ware geweest, verdubbelde mijne verlegenheid, en maakte mijn toestand wanhopig: want op hetzelfde tijdstip, dat ik mij omkeerde,—ik voel nog een rilling als ik 'er om denk—ontdekte ik een ijslijk groten krokodil, met wijd opgesperde kaken, om mij in te slokken.Bedenkt nu, bidde ik U, in welken staat ik mij bevond! Aan de eene zijde het wijde water, waarvan ik reeds gesproken heb; aan de andere zijde eene allerverschriklijkste diepte; een verblijf, zoo als mij naderhand gezegd is, van allerleie vergiftige slangen; van voren een woedende leeuw; van agteren de Goliath onder de krokodillen;—met één woord, ik rekende mij zelven voor verloren, naardien de leeuw nu op zijn agterste zat, juist in het postuur om mij te overrompelen. Onwillig viel ik, vol schrik en angst, op den grond, en de leeuw—zoo als naderhand bleek—sprong over mij heen. Ik lag een geruimen tijd in een' staat, die met geen tong is uit te spreken, niets verwagtende, dan dat ik ieder ogenblik zijne tanden of nagels in een of ander gedeelte van mijn lichaam gevoelen zoude; maar tot alle geluk kwam ik 'er met den schrik af: want eenige secondenplat op den grond gelegen hebbende, hoorde ik een hevig maar ongewoon geluid, verschillende van alle soorten van geluid, welken tot nog toe tot mijne ooren gekomen waren. Geen wonder, waarlijk! want een wijl tijds daar naa geluisterd hebbende, waagde ik het mijn hoofd eens even op te ligten en rond te zien, wanneer ik, tot mijne onuitspreeklijke blijdschap, bemerkte, dat de leeuw, met die verblindende gretigheid, waarmede hij mij bespringen wilde, voorwaards in den gapenden muil van den krokodil gevlogen was! Dus was de kop van den een in den muil van den ander! Beiden worstelden om van elkander los te worden. Op dien zelfden stond dacht ik gelukkig aan mijn' hartsvanger, welke ik op zijde had. Met dit gedugt geweer hakte ik den kop van den leeuw in éénen slag af, en zijn romp viel voor mijne voeten neder! Hierop nam ik mijn ganzen-roer,en rammeide met de kolf den kop van den leeuw zoo vast in den bek van den krokodil, dat hij stikte en stierf: want hij kon de kop noch doorslikken, noch uitspuwen.Nadat ik alzoo eene volkomen overwinning over mijne beide gedugte vijanden behaald had, kwam mijn vriend mij opzoeken: want ziende, dat ik hem in het bosch niet volgde, keerde hij terug, vrezende, dat ik van den weg was afgeraakt, of dat mij eenig ongeluk bejegend was. Na dat wij elkander over den overwagten en gelukkigen uitslag geluk gewenscht hadden, maten wij den krokodil, en bevonden, dat hij volkomenveertigRhijnlandschevoeten en zeven duimenlang was.Zoodra wij te huis gekomen waren, en dit buitengewoon en zonderling voorval aan den Landvoogd verhaald hadden, zond hij een wagen met eenige slaven,om de twee dode dieren naa het kasteel te brengen. De huid van den leeuw was geheel onbeschadigd gebleven, met al het hair 'er op. Ik maakte 'er vervolgens tabaksdozen van, welke ik, bij mijne terugkomst inHolland, aan eenige aanzienlijke en voorname Heeren ten geschenke aanbood, waar voor Hun Wel Edelen en Hoog Geboren mij duizend dukatenwildenvereeren, dat ik met veel moeite van de hand wees.De huid van den krokodil liet ik op de gewone manier opvullen; en tegenwoordig maakt ze een zeer aanzienlijk stuk van de verzameling van zeldzaamheden te A.... uit; alwaar de lijmende man met het stokje, of, zoo als hij zig zelven nederig gelieft te noemen, de opziener, dezelve aan iederen nieuwen aanschouwer vertoont, met zoodanige veranderingen en bijvoegselen als hij goed vindt, en waarvan sommigen de waarheid zoo wel als de waarschijnlijkheid in eeneen hogen graad beledigen. Een dezer oorspronglijke veranderingen luidt: dat de leeuw geheel door den krokodil sprong, en op het punt was om 'er van agteren geheel weder uit te vliegen, zonder den krokodil in het minst of in het meest, zoo als hij zig sierlijk uitdrukt, beschadigd te hebben. Maar dat de grote Baron, gelijk het hem gelieft mij te noemen, dit niet gewaar werd, of hij hieuw den leeuw den kop, zo rasch die voor den dag kwam, met nog drie voeten van den staart van den krokodil 'er bij, af. Ja, deze kaerel heeft zoo weinig eerbied voor de waarheid, dat hij zig niet ontziet, 'er somtijds bijtevoegen: dat, zoodra de krokodil zijne gewone lengte miste, hij zig omkeerde, den Baron den hartsvanger uit de hand rukte, dien opslokte, en hem met zulke gretigheid naa binnen slingerde, dat zijn hart doorboord werd, en hij op het ogenblik dood op den grond nederviel.Ik behoef u, mijne Heeren! niet te zeggen, hoe onaangenaam de onbeschaamdheid van dezen knaap mij moet zijn. Menschen, die mij niet kennen, zouden, door diergelijke handtastelijke leugens, in onze twijffelzieke eeuw, ligt aanleiding krijgen om zelfs aan de waarheid van mijne bedrijven te twijffelen: iets dat een man van eer in den hoogsten trap grieft en beledigd.(1)De Baron wordt ondersteld dit verhaal aan zijne vrienden, onder het ligten van den beker, te doen.(2)Als hier en elders enkel van mijlen gesproken wordt, verstaat de Baron altijd Engelsche mijlen; anders drukt hij zig vollediger uit en zegt, bij voorbeeld, Hollandsche of Fransche mijlen.II. HOOFDSTUK.In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met een verhaal van zoodanige dingen, welkedeszelfsopmerkzaamheid wel waardig zijn.In het midden van den winter ging ik op reis naaRusland.—Grillig genoeg! zult gij zeggen, naardien alle menschen de reis naa dat koude land in 't midden van den zomer doen.—Dit was juist de reden waarom ik den winter verkoos: want alle reizigers hebben de wegen door het Noorder gedeelte vanDuitschland,doorPolen,CourlandenLijflandals ongemeen slegt beschreven; en niets is natuurlijker en ligter te begrijpen, dan dat zoodanige wegen door vorst en sneeuw veel beter worden. De gemakkelijkste manier van reizen is te paerd: deze verkoos ik daarom. Ook was ik zeer ligt en dun gekleed; en hoe meer ik Noord-Oostwaard voordging, hoe sterker ongemak ik daarvan ondervond. Wat moet dan, in dit barre land en koud weder, niet een oud, arm man geleden hebben, welken ik inPolenop den wegzagliggen, zonder hulp, bevende van koude, en naauwlijks iets aan hebbende, om daarmede zijne naaktheid te dekken!Ik beklaagde de arme ziel!—Hoe zeer ik zelf allergeweldigst door de gestrengheid van de lucht getroffen wierd, legde ik mijn mantel over hem heen, en hoorde te gelijk een stem van den hemel, mij wegens dat liefdewerk zegenen, zeggende:„Hiervoor, mijn zoon, zult gij nog in dezen tijd beloond worden.”Ik ging voort: nacht en duisternis omringden mij. Ik kon huis noch hof zien. 't Gantsche land was met sneeuw bedekt, en ik was geheel onbekend met den weg.Vermoeid steeg ik eindelijk van mijn paerd af, en bond het vast aan iets, 't welk naar een stronk van een' boom geleek, en een weinig boven de sneeuw uitstak. Uit voorzorg nam ik mijne pistolen onder den arm, en legde mij in de sneeuw neder. Hier sliep ik zoo vast in, dat ik mijne ogen niet opende, voor 's anderen dags op den vollen middag. Onbeschrijflijk was mijne verbaasdheid, toen ik zag, dat ik in het midden van een dorp was, liggende op een Kerkhof. Mijn paerd kon ik nergends vinden; maar weldra hoorde ik het even boven mijn hoofd. Opwaards ziende, zag ik het aan zijn' toom hangen, aanden weêrhaan van den toren. Nu begon ik de zaken eerst te begrijpen: toen ik 's nachts aankwam, was het Dorp geheel met sneeuw overdekt; maar het weder was zeer schielijk veranderd, zoo dat ik in den slaap, zeer zagtkens, naar mate de sneeuw smolt, nederzakte tot op het Kerkhof. Het gene ik in den donker voor den stomp van een boom, een weinig boven de sneeuw uitstekende, genomen, en waaraan ik mijn paerd vast gemaakt had, bleek nu het kruis of weêrhaan van den toren geweest te zijn.Zonder lang talmen en overleg nam ik één van mijne pistolen, en schoot den breidel midden door; mijn paerd kwam beneden, en ik vervolgde mijne reis.(3).I.Mijn reisgezel maakte het op weg zeer wel—maar toen ik meer in de binnenste delen vanRuslandkwam, zag ik, dat fatsoenlijke lieden aldaar in den winter niet te paerd reizen: hierom onderwierp ik mij, gelijk ik altijd doe, aan het gebruik van het land,—nam eene slede met één paerd bespannen, en draafde rustig opSt. Petersburgaan. Op dezen togt zag ik, in 't midden van een uitgestrekt bosch—ik kan mij niet wel herinneren, of het inLijflandof inIngermerlandzij voorgevallen; en om beide landen zoude ik gene onwaarheid willen zeggen—een vreeslijke wolf jagt op mij maken, met al de drift van een razenden winterhonger. Welhaast overviel hij mij. Er was geen mogelijkheid om te ontkomen. Ik ging werktuigelijk plat op den grond van de slede liggen, en liet mijn paerd, of het mogelijk ware ons te redden, zoo hard loopen, als het kon. Het gene ikwenschte, maar nauwlijks kon hoopen of verwagten, gebeurde echter een ogenblik daarna. De wolf scheen mij in 't geheel niet te bedoelen: althans hij sprong over mij heen; en woedend op het paerd aanvallende, begon hij het agterdeel van het arme dier, 't welk van pijn en schrik te sterker liep, terstond te verscheuren en van één te rijten. Daar de wolf over mij heen sprong, spreekt het van zelven dat dit het eerste middel van mijn behoud was, niet alleen; maar dat hij ook op de agterste delen van mijn paerd aanviel. En dit was het tweede middel van mijn behoud, zoo wel, als van den verbazenden spoed, waarmede ik teSt. Petersburgaankwam. Als ik bespeurde, dat ik geheel ongemerkt voorbij gegaan en behouden was, ligtte ik mijn hooft eens behendig op, en ontdekte met schrik, dat de wolf zig ruim half in het lichaam van het paerd had ingedrongen; waartoe hij zig den weg met vrij wat gewelden kragten moet gebaand hebben; maar nauwlijks was hij daarin zoo ver gevorderd, of ik trok 'er mijn voordeel uit, en sloeg hem, met mijn zweep, uit al mijn magt. Deze onverwagte aanval op zijn agterkwartier verschrikte hem niet weinig; hij liep voorwaards uit al zijn magt; het paerd viel dood op den grond; maar te gelijk liep de wolf in deszelfs plaats in 't gareel. Ik deed van mijnen kant niets, dan aanhoudend op den wolf te slaan, tot dat wij beiden, op een vollen draf, behouden teSt. Petersburgaan kwamen. Dit was niet weinig tegen ons beiderrespectiveverwagting, en nog meer tot verwondering van de aanschouwers.Ik zal u niet ophouden, mijne Heeren! met een verhaal van de staatkunde, kunsten, wetenschappen en andere merkwaardigheden van deze overheerlijke Hoofdstad vanRusland; noch met de verschillende treken en vermaaklijke voorvallen,welke ik bij de beschaafde inwoners dezer landen, alwaar de vrouw van den huize altijd gewoon is de gasten met een kus te ontvangen, gehad heb. Liever bepaal ik mij tot een groter en edeler voorwerp van uwe aandacht, tot paerden en honden; van welken ik bevonden heb, datRusland, zoo wel als van vossen, wolven en beeren van allerleie soort, meer bezit, dan elk ander gedeelte van de waereld, bekwaam tot zulke kunsten, veelerlei oefeningen, zwierige en behendige verrigtingen, welke den Edelman beter uitmaken dan het muffe Grieks, of Latijn, of alle de soorten van reukwerken, optooizels en versierselen vanFranschevernuften en kappers.(3)Zoude de Baron zoo ongevoelig geweest zijn, dat hij zijn paerd, 't welk zoo lang gevast had, niet behoorlijk gevoerd zoude hebben? Neen. Hij liet een spint haver geven. Maar hij verzwijgt het—enkel uit zedigheid—om niet te veel van zijne gevoeligheid te zwetsen.III. HOOFDSTUK.Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den post van eene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt een vos uit zijn vel.—Leidt een oude zog naa hare woning, op eene nieuwe wijze; en vangt een wilden beer.Daar het eenigen tijd aanliep eer ik bij het leger geplaatst werd, leefde ik ettelijke maanden in de volmaaktste vrijheid; dat is te zeggen, ik verspilde mijn tijd en mijn geld zoo goed, als de beste edelman het ooit gedaan heeft. Gij kunt U ligt verbeelden, dat ik een goedgedeelte van beiden verloor buiten de Stad, in 't gezelschap van zulke heeren, die best weten, welk gebruik zij van het open veld en de bosschen moeten maken. De herinnering van deze vermaken geeft mij altijd nieuwe kragten, en verwekt gedurig eene nieuwe begeerte in mij, om dezelven nog eens te herhalen.Op een zekeren morgen zag ik door het vengster van mijne slaapkamer, dat een wijde plas, welke daar niet ver af was, overdekt was met wilde ganzen en eenden. Zonder dralen nam ik mijn roer uit den hoek van de kamer, en liep de trappen af, en met zoo groote vaart uit het huis, dat ik mijn hoofd zeer onvoorzigtig tegen den post van de deur stiet. Het vuur sprong mij de ogen uit. Dit toeval belette echter mijn voornemen niet. Maar nauwlijks was ik binnen 't bereik van 't schot gekomen, of ik bemerkte, tot mijn smert, dat door dengeweldigen stoot, welken ik zoo even gedaan had, de steen van den haan was afgevlogen. Wat nu gedaan? hier was geen tijd te verliezen. Gelukkig herinnerde ik mij, welke uitwerking de stoot op mijn gezigt gehad had; ik opende daarom de pan, leide aan op de vogels, en sloeg met mijn vuist tegen één mijner ogen(4). Door een goeden slag sprongen de vonken 'er uit; het schot ging af, en ik raakte vijftig koppels ganzen, vier koppels eendvogels en drie koppels teerlingen.—Tegenwoordigheid van geest is de ziel van alle mannelijke oefeningen. Soldaten en zeelieden mogen daaraan veelmaal hun behoud te danken hebben; jagers en schutters hebben, voor hunne beste slagen, aan dezelve geen mindere verpligting.In een heerlijk bosch inRuslandontmoette ik eens een zeer fraaien zwarten vos, wiens kostbaar vel ik niet gaarne met een kogel of hagel wilde schenden. Ik trok daarom den kogel, welke op mijn geweer stond, terstond af, en nam, in stede daarvan, een zeer scherpen groten spijker; ik gaf vuur, en raakte den vos zoo knap, dat ik zijn pluim aan den boom vast spijkerde. Hierop liep ik daar naa toe, trok mijn houwer, gaf hem een kruissnede over den kop, en zweepte hem toen zoo lang, tot dat hij uit zijn pels geworsteld was, en denzelven aan mij overliet.Toeval en goed geluk verbeteren niet zelden onze misslagen: hiervan had ik, kort daarna, een zonderling voorbeeld, wanneer ik, in het midden van een digt bosch, twee wilde zwijnen vast aan en regt agter elkander zag lopen. Mijn kogel trof ze niet; maar alleen het voorste, dit was een jonge beer, liep weg,en het agterste, eene oude zog, bleef onbeweeglijk staan, als of het aan den grond genageld ware. De zaak nader onderzoekende, bevond ik, dat de zog van ouderdom was doof en blind geworden, en dat zij zig alleen vast hield aan den staart van haren zoon, die zijne moeder, volgends zijnen kinderlijken pligt, leidde. Dewijl de kogel tusschen beiden doorgegaan was, had dezelve dezen nieuwerwetschen leiband, welken de zog altijd in den bek hield, midden doorgeschoten. Haar vorige leidsman kon haar derhalven niet meer voordtrekken, en zij bleef ogenbliklijk zoo onbeweeglijk stil staan als een boom. Ik vatte daarom het stuk staart, 't welk zij nog in den bek had, leidde het oude beest daaraan naa hare woning, zonder eenige vrees aan mijne zijde, en zonder eenigen tegenstand en vermoeden van eenig kwaad aan de zijde van het hulpeloos oud dier.Deze wilde zoggen zijn anders zeer verschriklijk; maar de beeren zijn nog veel stouter en gevaarlijker. Hiervan heb ik eens een gelukkige proef gehad, wanneer ik in 't geheel niets bij mij had om mij te verdedigen. Juist als ik bezig was mij agter een eiken boom te verbergen, sprong het woedend dier met zoo veel geweld op mij aan, dat het zijne slagtanden zoo diep in den boom sloeg, dat het zijnen aanval niet kon hervatten, noch de tanden 'er weder uit krijgen.—Ho! ho! dagt ik, nu zal ik u wel haast hebben;—en terstond nam ik een steen, waarmede ik zijne slagtanden zoo vast in den boom timmerde en zoodanig boog, dat hij zig niet kon verroeren. Het zwijn moest daar blijven en wagten tot dat ik van het naaste dorp terug kwam, waarheen ik ging om touwen en een kar, om het beest wel deugdelijk te binden; en zoo bragt ik het levendig en behouden in de Stad.(4)De ogen van den Baron hebben dit vuur naderhand altijd behouden; zij schenen vooral meer verlicht te zijn, als hij deze bijzonderheid verhaalde.IV. HOOFDSTUK.Aanmerkingen over het St. Hubert's hert.—De Baron schiet een hert met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond, welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor zijne gantschekleêrmakerin verwarring geraakt.Gij hebt meermaals gehoord, mijne Heeren! ik wil ten minsten zoo onbeschaafd niet zijn, om hier aan te twijfelen, van den beschermheilig en patroonder jageren en schutteren, den heiligenHUIBERT, en van dat schoon hert, 't welk aan hem in een bosch verscheen, met het heilig kruis tusschen deszelfs horens. Nooit heb ik nagelaten, om 's jaarlijks, in een goed gezelschap, het feest van dezen heiligen te vieren; dit hert heb ik wel duizendmaal gezien—wel te verstaan geschilderd, in Kerken; of geborduurd, op de tassen van zijne ridders: zoodat ik, op de eer en het geweten van een goeden jager, kan verzeren en zweren, dat het zijne weêrgade te voren nooit gehad heeft, noch tegenwoordig heeft, noch ooit diergelijk gevonden zal worden, al ontdekte men nog duizend nieuwe waerelden. Maar laat mij liever verhalen, het gene ik zelf ondervonden heb. Op een zekeren dag had ik al mijn kruid en lood verschoten, wanneer ik mij zeer overwagt bevond in 't gezelschap van een overschoon hert, het welk mij zonder eenigebekommering beschouwde, even als of het wist, dat mijne zakken ledig waren. Hierom laadde ik terstond met vette aarde, en deed 'er een handvol kersenstenen op: want ik at van deze smaaklijke vrugt schielijk zoo veel, als de kortheid des tijds gedoogde. Ik legde op 't hert aan, en trof het vlak in het midden van het voorhoofd, tusschen de horens. Het was verbaasd—waggelde—maar behield nog kragt genoeg om weg te loopen. Een jaar of twee daarna was ik op de jagt in het zelfde bosch—daar zag ik een schoon hert, met een fraaien volwassen kersenboom, van tien voeten hoog, tusschen de horens. Op dat ogenblik herinnerde ik mij mijn vorig avontuur, beschouwde het dier als mijn eigendom, en schoot het in ééns, dat 'er de damp uitvloog; maar te gelijk spattede het kersensap mij om de ooren: want de boom was vol geladen, en dit fruit zoo smaaklijk, alsik het ooit geproefd had. Wie weet, of niet een of andere ijverige heilige jager, of jagende Abt, of Bisschop, op gelijke wijze tusschen de horens vanSt. Hubertshert geschoten, en het kruis aldaar geplant heeft. Zij zijn ten minsten altijd bekend geweest, en staan nog te boek, als bekwame planters van kruisen, en horens wat wonder dan! want ingeval van verlegenheid en tweestrijd, 't welk den stouten jager niet zelden overvalt, grijpt men ligt het een of ander strootje aan om zig te redden, en de eene of andere uitkomst te zoeken, liever dan eene gunstige gelegenheid te laten ontsnappen.—Ik zelf ben zeer dikwijls in dien staat van beproevinge geweest.II.Wat zult gij, bij voorbeeld, van dit volgende wel zeggen? Op zekeren dag, of liever schemeravond, was ik inPolen, in een bosch, en had al mijn kruit vermorscht. Naa huis gaande maakteeen ijslijke beer, met alle mogelijke spoed, en met open muil, jagt op mij; gereed zijnde, zoo het scheen, om mij aantevallen. Terzelfder tijd doorzocht ik alle mijne zakken naa kruid en kogels; maar te vergeefsch.—Ik vond niets dan twee stompe vuurstenen: den eenen slingerde ik uit al mijn magt in de open kaken van het gedrogt, tot in zijne keel; dit veroorzaakte hem grote pijn, en maakte, dat hij zig omkeerde, zoodat ik den tweeden door zijne agterdeur naa binnen kon zenden. Dit deed een verwonderlijke uitwerking: want deze vloog na binnen en ontmoette den eersten in den maag, gaf vuur, en deed den beer met een verschriklijk geweld van één bersten. Zoo kwam ik 'er voor ditmaal wel af: evenwel zoude ik deze proef niet gaarne willen herhaalen, of wederom zonder eenigen voorraad een beer ontmoeten.Waarlijk! 't schijnt of het noodlot 'er zoo wat onder speelt. De stoutste en de gevaarlijkste dieren komen een mensch schier altijd tegen, als hij niet gewapend is: als of zij kennis of een zeker gevoel daarvan hadden.—Zoo stoof eens een vreeslijke wolf zoo schielijk en zoo digt op mij in, dat ik niets anders doen konde, dan een zeker werktuiglijk instinkt te volgen, en mijne vuist in zijn opgesperden muil te steken. Tot allen geluk stak ik door en door, tot dat mijn arm tot aan den schouder toe 'er geheel in was. Hoe nu mij hier uit te redden? De staat waarin ik mij bevond, was waarlijk niet aangenaam—met een wolf van aangezigt tot aangezigt!—wij zagen elkander met weinig genoegen aan. Trok ik mijn arm terug; dan had het dier mij met te meer woede aangevallen, gelijk ik uit zijne schitterende ogen zien kon. Daarom tastte ik door, en greep door zijneingewanden naa zijnen staart, keerde hem het binnenste buiten, gelijk een handschoen, en wierp hem tegen den grond, daar hij bleef liggen.Het zelfde huismiddeltje zoude weinig gebaat hebben tegen een dollen hond, die mij korten tijd daarna tegen kwam, in eene nauwe straat teSt. Petersburg. Loop, wat ge kunt, dacht ik; en om dit te beter te kunnen doen, smeet ik mijne pels uit, en vlugtte zoo in een huis. Ik zond mijn knegt naderhand om de pels, die dezelve bij mijne andere klederen in de kleêrkamer bragt. Den volgenden dag verbaasde en verschrikte het geschreeuw van den kaerel mij geweldig: „Om Gods wil, riep hij, kom hier, mijn Heer! alle uwe klederen zijn dol.” Ik haastte mij, schoon ik den kaerel voor dol hield; doch vond alle mijne klederen verstrooid en in stukken gescheurd. De knaap had gelijk in zijn vermoeden,dat mijne pels dol was. Want ik zag zelf, dat zij aanviel op een nieuw fijn lakens kleed, 't welk zij op een ongenadige wijze heen en weer slingerde, en verscheurde.V. HOOFDSTUK.Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van geest.—Beschrijving van een hond, de lieveling van den Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgd wordt.—Hij krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf vanPRZOBOSSKIJ, waarmede hij vele ongewone daden verrigt.„Maar alle deze moeilijkheden, welken gij zoo gelukkig ontsnapt zijt, zijn maar, door een gunstig noodlot, de toevallige oorzaken van uwen roem en uwe grootheid.” Dunkt u dat, mijn Heer? Voegt ge 'er ookBONSbij?.......Ik erkenne, dat het geluk mij veelal gediend heeft; maar beweer ook, dat mijne tegenwoordigheid van geest, mijne mannelijke dapperheid, mijne onvertzaagde kloekmoedigheid, en mijne beproefde ervaring ook het hare daaraan toegebragt hebben. Wie weet niet dat het een met het ander vereenigd den gelukkigen jager, zeeman en soldaat uitmaakt? Hoe? zoude een jager, zee- of krijgsman, die altijd van het lot en zijne goede sterren wilde afhangen, die zig zelven nooit bekommerde over die wetenschappen, welker beoeffening zijn hoofdwerk is, noch ooit dacht op middelen, om met het beste gevolg zijn beroep te kunnen waarnemen,—zoude zulk een, vraag ik, niet van de strafwaardigste onvoorzigtigheid te beschuldigen zijn? Maar nooit heb ik ten dezen opzigte eenige berisping verdient: altijd was ik beroemd, zoo wel van wege de uitmuntendheid van mijne paerden,honden, roers en houwers, als om mijne volmaakte manier van dezelven te gebruiken, zoodat ik over het geheel moge hopen, dat mijner altijd, in de bosschen, aan den haard, en op het veld, met lof gedacht zal worden.—Maar ik zal mij hier niet ophouden met eene brede en volledige beschrijvinge van mijne stallen, jagthuizen, geweerkamers; gelijk anders de Stal- Jagd- en Honden-Edellieden wel gewoon zijn. Doch van éénen mijner honden, mijn lieveling, kan ik evenwel niet nalaten te spreken. Het was een windhond; dag en nacht kon ik hem gebruiken: want als het nacht werd hong ik hem een lantaern aan den staart, en jaagde dan zoo goed of nog beter met hem als op den helderen dag.—Eens (dit was kort na dat ik gehuuwd was) gaf mijne vrouw hare begeerte te kennen om op de jagt te gaan. Ik reed vooruit, om iets op tesporen, en het duurde niet lang, of mijn hond stond stil voor eene groote hoenderkooij. Ik wagtte, en wagtte al op mijne vrouw, die met mijn Luitenant, en een knegt, terstond mij gevolgd waren; maar kreeg geen van allen te zien. Dit maakte mij eindelijk ongerust; waarom ik terug keerde; en toen ik omtrend half weg was hoorde ik een zeer klagend geween, dat kort bij mij scheen te zijn, hoewel ik om mij, of ver af, geen levende ziel kon ontdekken. Ik klom van mijn paerd,legde mijn oor op den grond, en nu hoorde ik duidelijk dat het onder dezelve was, en herkende ook, zeer onderscheidenlijk, de stemmen van mijne vrouw, mijn Luitenant en mijn knegt. Met een zag ik ook, dat niet ver van mij af de opening van een steenkolengroeve was, en nu twijfelde ik niet, of mijne ongelukkige vrouw zou, met haar geleide, daar in gestort zijn. In vollen renvloog ik naa het eerste dorp, om de gravers te halen, die de verongelukten, na eenen allermoeilijksten arbeid, uit eene diepte van negentig voeten weder boven bragten. Het zeldzaamste was, dat menschen en paerden in dezen vreeslijken val bijna niets beschadigd waren; doch zij hadden zoo veel te meer door angst geleden.—Gij kunt u ligt voorstellen, Heeren! dat 'er aan geen jagen meer gedagt wierd; en daar gijlieden, gelijk ik ligt kan vermoeden, mijnen hond gedurende dit verhaal zult vergeten hebben, zoo zult gij het mij niet kwalijk nemen, dat ik ook niet meer aan hem dagt. Mijn dienst noodzaakte mij den volgenden dag op reis te gaan, 't welk mij veertien dagen ophield. Nauwlijks was ik eenige uuren weder 't huis geweest, of ik miste mijndiaan. Niemand had zig om het beest bekommerd: want men had gedagt dat het mij gevolgd was. Hoop en vrees joegenmij terstond naa de streek, daar ik met hem op de jagt had willen gaan; en tot mijne onuitspreeklijke blijdschap vond ik mijn hond nog op dezelfde plaats staan, daar ik hem voor veertien dagen gelaten had.Piel!riep ik, met een sprong hij toe, en ik kreeg vijfëntwintig eenden in één schot. Maar het arme dier was zoo uitgehongerd en afgemat dat het nauwlijks naa mij toe kon kruipen, zoodat ik hem op mijn paerd moest nemen om hem thuis te krijgen. Na eene goede oppassing van weinig dagen was hij weder zoo gezond en vrolijk als te voren; en eenige weken daar na maakte hij het mij mogelijk een raadzel op te lossen, 't welk, waarschijnlijk, zonder hem, voor altijd onöpgelost had moeten blijven.Ik joeg, namelijk, twee dagen lang, op een haas. Mijn hond bragt hem telkens terug, maar ik kon hem niet onder het schot krijgen.—Het wasnooit mijne zaak aan toverij geloof te slaan; ik heb daar toe te veel zonderlinge gevallen beleeft; maar in dit geval was mijn begrip ten einde.—Eindelijk kwam de haas mij zoo nabij, dat ik hem kon treffen. Hij viel; en wat meent ge wel dat ik zag?—de haas had vier pooten onder het lijf, en vier op den rug. Als de vier onderste moede waren keerde hij zich om, als een bedreven zwemmer die op buik en rug zwemt, en liep dan met dezelfde snelheid weder voort. Naderhand heb ik ook nooit zoo een haas weer gezien; en ook dezen had ik gewis niet gekregen, als mijn hond niet zulke buitengewoone bekwaamheden had bezeten. Nooit zag ik beter. Het dier werd oud in mijnen dienst; en was niet zoo zeer wegens zijne grootte, als gezwindheid en eene andere omstandigheid zeer opmerklijk. Altijd heb ik 'er mede gejaagd. Had gij hem ooit gezien, gij zoudt'er u over verwonderd, en mijne voorkeuze, dat ik met hem altijd ging jaagen, goed gekeurd en geprezen hebben. Hij liep zoo snel, zoo veel en zoo lang in mijnen dienst, dat zijne voetzolen geheel waren afgesleten, zoodat ik op het laatst van zijn leven genoodzaakt was, om hem niet anders te gebruiken als tot een beschutter, in welke hoedanigheid hij mij zederd verscheiden jaren nog uitstekend dient.Dit brave beest veranderde van kunne. Ja, mijne Heeren! deez' Hij werd een Zij! een teef! Op zekeren dag zette zij een haas naa, die mij toescheen zeer groot en zwaar te zijn. Ik beklaagde mijn arme teef: want zij was met jongen; en evenwel wilde zij zoo hard lopen als ooit. Mijn paerd vloog uit al zijn magt, en nogthans kon ik haar niet dan op een groten afstand volgen. Zeer onverwagt hoorde ik een getier als van een gantsche jagt van honden—maarzoo zagt en flaauw, dat ik niet wist, wat ik daar van maaken moest. Toen ik 'er bij kwam, was ik niet weinig verbaasd! de haas had in den loop geworpen; 't zelfde kwam mijn teef in het naazetten over—'er waren even zoo veel jonge hazen als honden. Door haar bijzonder instinkt liep de eerste, en de andere jaagde, en vong haar, en dus vond ik mij op het laatst bezitter van zes hazen, en even zoo vele honden, schoon ik maar met één begonnen was.Ik herinner mij deze verwonderlijke teef met hetzelfde vermaak en dezelfde genegenheid, als een schoon poolsch paerd, 't welk voor geen geld te koop was. Het werd mijn eigendom, door een toeval, dat mij gelegenheid gaf om met groot voordeel te toonen, dat ik de kunst van paerden te berijden wel verstond. Ik was op het heerlijk landgoed van den GraafPRZOBOSSKY, inLitthauen, enbleef in de zaal, bij de Vrouwen, thee drinken, terwijl de Heeren beneden in den tuin waren, om een schoon bruin paerd te zien, 't welk zoo even uit de stoeterij kwam. Zeer schielijk hoorden wij een geluid, waardoor wij merkten, dat 'er eenig ongemak was.—Ik haastte mij daarom naa beneden, en vond het paerd zoo wild, dat niemand het dorst naderen of beklimmen. De stoutste rijders stonden verslagen en bedremmeld; wanhoop was op ieders aangezigt te lezen; wanneer ik in éénen sprong agter op het paerd zat, het overhoeds aangreep, het geheel mak en tam kreeg, en het, door mijne kennis van paerden en bekwaamheid in het rijden, in mijn bedwang had. Ik brandde van begeerte om dit aan de Vrouwen te toonen, en haar voor onnutte schrikken te bewaaren; daarom deed ik het door één van de open ramen van de theekamer springen, reed 'er eenigen tijd mederond, stappende, rennende, of in een vollen galop; op 't laatst deed ik het op de theetafel springen, om op dezelve, in 't klein, de lessen te herhaalen, welken ik het reeds geleerd had: dit stond zeer sierlijk, en gaf aan de Vrouwen geen klein vermaak: want het beestje deed zijne zaken zoo verbazend wel, dat niet één kopje of schoteltje brak. Dit deed haar, en vooral den edelen Graaf, zoo goede gedachten van mij krijgen, dat hij mij, met zijne gewone vriendelijkheid, verzocht, om toch dit jong paerd van hem aantenemen, en het te berijden, om roem en overwinning te behalen, in den veldtogt tegen deTurken, welke welhaast, onder het bevel van den Graafvan Munnich, stond geopend te worden.III.Nooit had ik een aangenamer geschenk kunnen ontvangen, noch waarbij ik mij gunstiger voorspellingen konde doen bij de opening van den veldtogt, in welkenik het eerst als krijgsman dienen zoude. Een zoo fraai, zoo vuurig, en zoo vinnig paerd—zoo mak als een lam, en te gelijk eenBUCEPHALUS, deed mij gestadig denken aan mijnen pligt als krijgsman en edelman—aan den jongenALEXANDER, en de verbazende dingen, welken hij in 't veld verrigt heeft.Wij trokken te veld, met oogmerk, zoo het onder anderen scheen, om den roem der Russische wapenen, welke in den laatsten veldtogt vanCzaarPETERaan dePrutheen weinig geleden had, weder te krijgen; en dit oogmerk bereikten wij volkomen, door verscheiden zeer vermoeiende maar roemrijke togten, onder het bevel van den zoo even genoemden grooten Generaal.Zedigheid verbied ieder enkel lid van een leger zig de grote voordelen en overwinningen, door hetzelve behaald, toe te schrijven, naardien, volgends het gewoon gebruik, de roem daarvan geheelen alleen ingeöogst wordt door de legerhoofden, hoe gering ook hunne bekwaamheden dikwijls mogen zijn; of, 't gene nog verkeerder is, door de Vorsten, of Koningen, die nooit, dan op vrolijke feestdagen, of bij den wapenschouw hunner troepen, kruid geroken, nooit een slagveld gezien hebben, noch, buiten de Wagt-parade, ooit een Corps in slagorde zagen.Ik wil mij ook geenszins eenig bijzonder gedeelte toeschrijven van den roem, welken wij in verscheiden gevegten met den vijand behaalden: wij deden alle onzen pligt, welk woord, in de taal der patriotten, krijgslieden en edellieden, van eene zeer uitgebreide en verschillende betekenis en gewigt is; naardien het geenszins om 't even is, op welke plaats en in welke omstandigheden men zig bevinde, om den waren zin van de woorden eed, pligt, eer, geweten en dergelijken wel te kunnen bevatten,en zig daarnaar behoorlijk te gedragen.—Maar deze zaken zijn te verheven, dan dat burgerverstanden ze alle zouden kunnen bevatten.Een geval kan ik, echter, niet nalaaten hier te melden. Het bevel hebbende over eene bende Huzaren, met last en magt om naar bevinding van zaken te handelen, deden wij verscheiden togten. Het voordeel, 't welk wij daarin op den vijand behaalden, meen ik, dat billijk aan mijn beleid, en het goed gedrag mijner brave lieden, welken ik ten strijde en ter overwinninge aanvoerde, moet toegeschreven worden. Eens hadden wij het in de voorhoede zeer heet, toen wij deTurkeninOczakowterug dreven. MijnPoolschmanbragt mij altijd in 't heetste vuur. Hier had ik één der eerste voorposten, en zag den vijand tegen ons opkomen in een dikke wolk van stof, waardoor ik noch hun wezenlijk getal noch hunne waarachtige oogmerken ontdekkenkonde. Om ons zelven insgelijks door een wolk van stof te dekken, was wel eene gewone voorzigtigheid, maar hierdoor kreeg ik nog geen kondschap van den vijand, noch het beandwoordde aan 't oogmerk, waartoe ik was uitgezonden. Hierom liet ik de flanken aan de beide vleugels zich verstroijen, om zoo veel stof te maaken, als zij konden; maar ik hield regt aan op den vijand, om hem zoo veel te nader onder de oogen te zien. Dit laatste gelukte mij zeer wel: want de vijand stond en vogt maar zoo lang, tot dat hij door mijne flanken in beweging, en aan 't wijken gebragt werd, en geheel in wanorde geraakte. Dit was het ogenblik, om met vuur op den vijand in te vallen.—Wij sloegen hem volkomen, en maakte eene schrikkelijke slagting onder denzelve—wij dreeven hem niet alleen te rug tot aan de wallen hunner stad, maar zelfs door de stad heen, 't welkonze bloeddorstigste verwagting zelfs te boven ging.De ongemeene gezwindheid van mijnen Litthauër deed mij de eerste onder de vervolgers zijn. Hier door zag ik, dat de vijand de andere poort van de stad hals over kop uitvloog, en had wel lust om hem verder naa te zetten; maar eene markt ziende, oordeelde ik het voorzigtigst om daar stil te houden, en mijn volk bij één te zamelen. Ik hield stil, mijne Heeren! op de markt; maar oordeelt over mijne verbaasdheid, dat ik mijn volk een gantsch eind voor uit moest zijn, naardien ik geheel alleen was en niet éénen Huzaarhendeof omtrend mij kon gewaar worden! Zijn zij eene andere straat ingeslagen? Of wat is 'er van hun geworden? Zekerlijk konden zij niet verre meer agter zijn, en moesten zig, ieder ogenblik, bij mij voegen. Terwijl ik mijne brave maats wagtte, wandelde ik metmijn paard naa eene waterleiding op de markt, en drenkte het. Het beest dronk ongemeen veel—met eene onverzaadlijke gretigheid; maar welke zeer natuurlijk was: want toen ik naa mijne manschap om zag, zag ik dat mijn arm beest zijn agterste gedeelte, tot aan de lendenen toe, kwijt was, als of het in tweeën ware doorgehakt; het water liep er weder uit, zoo als het 'er inkwam, zonder mijn paerd eenigszins te verfrisschen of eenig goed te doen! Hoe dit toegekomen ware, bleef voor mij eene verborgenheid, tot dat eindelijk mijn knegt van eenen anderen kant kwam aan jagen, en onder een vloed van trouwhartige gelukwenschingen en kragtige vloeken mij verhaalde, dat, wanneer ik den vijand zoo kort op de hielen na binnen volgde, men het schof(5)had latenvallen, (dit had ik in de drift niet bemerkt) waar door het agterste gedeelte van mijn paerd glad was afgeslagen; eerst had dat gedeelte geweldig tegen de deuren rondom zich geslagen, en was vervolgens naa eene weide, daar kort bij, gelopen, daar ik het waarschijnlijk nog wel zou vinden.—Terstond wendde ik, en in een verbazend snellen galop bragt mijn overig half paerd mij in de weide. Ik vond, tot mijne groote blijdschap, hier de afgeslagen helft weder; en tot mijne verwondering zag ik dat dezelve zich met eene bezigheid vermaakte, die zoo wel was uitgedagt, dat tot heden toe geenMaitre des plaisirs, met al zijn vindingrijkheid, in staat was, om een vermaak uit te denken dat beter voor een hoofdeloos wezen voegt; om het met één woord te zeggen, het agterdeel van mijn wonderpaerdhad in die weinige ogenblikken reeds eene gemeenzame kennis gemaakt met de merries, die in de weide liepen, en scheen bij de vermaaken van zijnen Harem alle zijne geledene smerten te vergeten. Hierbij kwam nu zekerlijk de kop zoo weinig in aanmerking, dat zelfs eenige veulens haar aanwezen aan deze uitspanning te danken hadden, hoewel zij onbruikbaare misgeboorten waren, welken alles ontbrak wat hun Vader miste toen hij hun voortbragt.IV.Daar ik nu zulke onwederleglijke bewijzen had van het leven van de beide gedeelten van mijn paerd, liet ik terstond onze paerdensmit komen; zonder zich lang te bedenken kwam deze op den inval, om de beide delen, terwijl ze nog tamelijk warm waren, wederom aan elkanderen te voegen. Hij naaide ze vast met takjes en jonge spruitjes van laurierbomen, welke juist bij de hand waren.—De wond genas; en wat kon een zooberoemd paard niet te beurte vallen? de spruitjes maakten wortel in deszelfs lighaam, groeiden op en maakten een priëel, in de gedaante van een munnikskap, zoo dat ik naderhand altijd op andere togten kon uitgaan onder de schaduw van mijne eigene en mijns paerds laurieren.Van iemand, die een paerd als het mijne kon berijden, zult gij, Heeren! ook wel andere behendige bedrijven willen gelooven, die U anders misschien wat fabelachtig zouden voorkomen. Eens dat wij eene stad belegerden, had de bevelhebber een bijzonder belang om de inwendige gesteldheid der plaats te weeten. Het scheen ten uiterste moeilijk, ja bijna onmogelijk, om door alle de voorposten, wachten en werken binnen te geraaken, en 'er was geen geschikt voorwerp voorhanden, om zoo iets met hoop van eenen gelukkigen uitslag, te ondernemen. Misschien een weinig te voorbarig in ijver en moed, plaatste ik mij naasteen 36 ponder, die op dat ogenblik op de stad zou losbranden, en,wip!op den kogel, met oogmerk om mij in de vesting te laaten brengen; maar toen ik omtrend halfwege door de lucht was kreeg ik allerlei bedenkingen in den kop, die ik niet kon oplossen. „Ja, dagt ik, gij zult nu wel binnen komen; maar hoe 'er weder uit? hoe zal het u in de vesting gaan? zal men u niet aanstonds voor een spion nemen, en u aan de eerste galg de beste hangen? zulk een bed van eer zal u weinig roem nalaten.” Ik nam hierom een kort besluit, en bediende mij van de gelegenheid dat een kogel, eenige schreden van mij af,uitde vesting naa ons leger snelde.Wip!van dien op welken ik zat op dezen over, en zoo kwam ik met onverrigte zaaken, maar nogtans behouden, in het leger terug.V.Zoo ligt en vaerdig ik in het springen was, was ook mijn paerd, slooten noch heggen beletteden mij ooit den kortsten wegte nemen. Eens zette ik op hetzelve een haas naa, die dwars over den gemeenen weg liep, wanneer juist een koets, met twee jonge dames 'er in, dien weg kwam, tusschen mij en den haas. Mijn paerd vloog zoo snel, zonder zich te stooten, door de koets heen, waarvan de glazen opgetrokken waren, dat ik nauwlijks den tijd had om mijn hoed aftenemen, en de dames voor deze vrijpostigheid verschoning te vragen.(5)Het schof ofport-cullis, zijn zwaare vallende deuren, met scherpe punten van onderen.Men laat ze neervallen, om het binnen komen van een vijand in eene versterkte stad te beletten.VI. HOOFDSTUK.De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt de bijen van den Sultan, welken aangevallen worden door twee beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa debeerensmijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm, opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de aarde, en redt zig zelve uit eene diepe kuil.—Redt een wagen,welkeden zijnen, op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge wijze.Wonderbaar uitwerksel van de vorst op den posthoren van zijn koetsier.Ik was nogtans niet altijd gelukkig(6). Ik had zelfs het ongeluk, dat ik voor de overmagt der vijanden moest bukken, en door hun krijgsgevangen gemaakt, en, het welk nog erger, maar bij deTurken(7)altijd gebruiklijk is, tot slaaf verkoft werd. In dezen staat van vernederinge, was mijn dagelijks werk wel niet hard en zwaar, maar eerder zonderling en vervelende. Ieder morgen moest ik de bijen van den Sultan naa buiten op het veld brengen, den ganschen dagoppassen en tegen den nacht wederom in hare korven drijven. Op zekeren avond miste ik ééne bij, en wel ras merkte ik, dat twee zwijnen haar aangevallen waren, om haar te verslinden, en den honig, welken zij bij zig had, onder elkander te deelen. Ik had niets bij mij, waarmede ik die dieren kon verjaagen, dan de zilveren bijl, welke het teken is van des Sultans hovenieren en landbouwers. Ik smeet dezelve naa de dieven, in hoop van hen te verschrikken en weg te jaagen, en de arme bij in vrijheid te stellen; maar door eenen ongelukkigen draai in mijn' arm vloog de bijl naa om hoog, en bleef gestadig klimmen, tot dat zij aan de Maan raakte. Hoe kon ik haar weder krijgen? Hoe haar van daar terug haalen? Ik herinnerde mij, dat de turksche bonen zeer snel opwassen, en tot eene verbazende hoogte opklimmen. Terstond plantte ik eenen, welke vattedeen zoo spoedig groeide, dat hij zig terstond aan één van de horens van de Maan vast hegtte. Nu had ik niets anders te doen, dan daar tegen zagtkens en voorzigtiglijk op te klimmen naa de Maan; alwaar ik behouden aankwam. Ik had een huis vol werk, eer ik mijne zilveren bijl konde vinden in een plaats, daar alles de helderheid en glans van zilver heeft; maar eindelijk vond ik haar in een hoop van kaf en gekapt stroo. Maar helaas! de weg van wederkeeren was voor mij afgesneden: door de hitte van de Zon was mijn boon geheel verdord, en geheel onbekwaam tot mijne nederdalinge. Hierop teeg ik aan 't werk, en maakte mij een touw van dat kapsel, zoo lang en zoo goed, als ik het ooit geleerd had. Dit maakte ik aan één van de horens harer bleeke Majesteit vast, en liet mij daar langs stil afzakken. Ik hield mij vast met de linker hand, en mijne bijlin de regter hebbende, hakte ik daarmede telkens het lang en nu nutteloos boven gedeelte van het touw af, knoopte dit aan het onderste gedeelte weder vast, het welk mij een goed eind wegs laager bragt. Dit geduurig splitsen en knoopen van het touw maakte het zelve gantsch niet langer of beter; ook werd ik daardoor verhinderd, om op het land van den Sultan neder te komen. Ik was nog vier of vijf mijlen, ten minsten, van de aarde, wanneer het touw brak, en ik op den grond viel, met een zoo verschriklijk geweld, dat ik geheel in zwijm lag, en mij in een gat vond meer dan negen vademen diep, 't welk ik, van zoo groote hoogte vallende, met mijn lighaam in de aarde gemaakt had. Ik kwam weder bij mij zelven, maar zag geen kans, om daar weder uit te komen. Hierop begon ik met mijne nagels, welken toen veertig jaren gegroeid hadden, een soortvan trap te graaven, en kwam 'er op deze wijze gelukkig uit.Door deze vermoeiende les voorzichtiger geworden, overlegde ik het vervolgends beter, om mij van de zwijnen, die zoo gretig naa mijne bijen en den honig waren, te ontslaan. Ik bestreek den disselboom van een veldwagen met honig, en legde mij 's nachts digt daarbij in hinderlaag. Het geen ik hoopte gebeurde. Een groote beer, door de geur van den honig gelokt, kwam aanzetten, en begon zoo gulzig aan de punt van den dissel te likken, dat hij dezelve hoe langer hoe dieper binnen kreeg, tot ze eindelijk door slokdarm en maag ging en agter weder uitkwam. Nu schoot ik toe, en stak door het gat, voor aan den disselboom, een pen, om den likker den aftogt te beletten; en liet hem zoo tot 's morgens zitten. De Grote Heer, die toevallig daar voor bij kwam wandelen, lachte over deze klucht dat hij schudde.Kort daarna werd de vrede met denTurkgesloten: ik kreeg mijne vrijheid weder, en werd, met andere krijgsgevangenen, terug gebragt naSt. Petersburg. Doch ik nam kort daar op mijn afscheid: dit was ten tijde toen die wonderlijke omwenteling aldaar voorviel, wanneer deKeizerin zijne wieg, zijne Moeder, de hertog vanBrunswijk, haar Vader, de Graaf vanMUNNICH, en vele andere personen naaSiberiegebannen werden. De winter was toen door geheelEuropazoo ongemeen streng, dat de Zon groot nadeel moet geleden hebben, waaraan zij zederd tot op den huidigen dag gesukkeld heeft. Ik ontmoette daarom ook op mijne terugreis uit dit land grooter ongelegenheden, dan ik op mijn vertrek derwaards geleden had.Ik reisde met den gewonen postwagen; wanneer wij op smalle wegen kwamen, herinnerde ik den voerman, dat hij op zijn horen zoude blaazen, om anderereizigers op dezen smallen weg te waarschuwen. Hij blaasde uit al zijne magt; maar alle zijne pogingen waren te vergeefsch. Hij kon zijnen horen geen geluid doen geven; dit was onbegrijplijk, en tevens ongelukkig: want kort daarna kwamen wij een anderen wagen tegen, daar het zoo smal was, dat wij niet voorbij elkander konden gaan; hierom sprong ik uit den wagen, en, daar ik zeer sterk was, zette ik hem, met wielen en al wat 'er in was, op mijn hoofd, sprong daarmede over een haag, ongeveer negen voeten hoog, in het veld, ('t welk, als men het gewigt van den wagen in aanmerking neemt, gantsch niet gemaklijk te doen was) en nam een tweeden sprong, waardoor ik weder op den weg kwam, agter het andere rijdtuig; toen ging ik om de paerden: één daarvan nam ik op mijn hoofd, en het andere onder mijn linker arm, en bragt ze op dezelfde wijze bij onzenwagen, spande ze weder voor, en zoo kwamen wij tegen het vallen van den avond gelukkig aan eene herberg. Ik vergat bijna te zeggen, dat het paerd, 't welk ik onder den arm had, zeer vuurig, en niet boven de vier jaren oud was, dat het een grooten tegenzin toonde tegen deze geweldige soort van beweging, niets doende, dan schoppen en slaan; maar dat ik zijne agterste pooten vast hield, met ze in de zak van mijn rok te steken. Toen wij in de herberg waren gekomen, ververschten mijn voerman en ik ons zelven eens regt hartelijk voor alle onze vermoeienissen: hij hong zijn horen aan een spijker naast den schoorsteen in de keuken, en ik zat in den anderen hoek.Zeer schielijk hoorden wij:tereng! teng! teng!Wij zagen rond, en ontdekten nu de rede, waarom de voerman niet op zijn horen had kunnen blaazen. Zijne geluiden waren in den horenvastgevrozen, en vloogen, nu ze ontdooiden, bij menigte daar uit. De voerman was hier mede zeer in zijn schik, omdat hij ons daardoor ten vollen overtuigde, dat hij waarlijk geblazen had; maar mij verveelde het verschriklijk: want zonder dat de knaap den horen aan den mond bragt, moesten wij, eenige uuren lang, alle de deunen hooren, welken hij dien gantschen dag op zijn horen geblazen had: wij hoorden dePruissische marsch—Malbroek—hoe helder schijnt die zilverde maan—viva den Hertog—en honderd andere dergelijke geliefde deunen.Naardien sommige reizigers 'er zig op toeleggen, om meer te verhaalen, dan misschien, strikt gesproken, waar is; zal mogelijk de een of ander van het gezelschap aan mijne geloofwaardigheid twijfelen. Maar dezen zeggeik alleen: dat ik hem, wegens zijn gebrek aan geloof, uit al mijn hart beklaage; en bidde hem, dat hij zijn afscheid neme, eer ik mijne verdere gevallen, welken niet minder wezenlijk gebeurd en wonderlijk zijn, als die ik U heb medegedeeld, begin te verhaalen.(6)Deze weinige woorden zijn een voldingend bewijs van des Barons geloofwaardigheid, en de waarheid zijner geschiedverhaalen. Een liegende grootspreker is nooit ongelukkig.(7)De Baron deelde naderhand grootlijks in de gunst van den Grooten Heer, gelijk uit het vervolg zal blijken.

De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende uitwerksels van eenen storm.—Komt opCeilon; vecht aldaar met twee buitengewone vijanden, en overwint dezelven.—Komt inHollandterug.

In de dagen mijner jongelingschap, of liever in dien tijd, dat ik man noch jongeling was, wanneer de vlasbaard den aannaderenden mannelijken leeftijdeerst aankondigt, had ik de klugtigste ontmoetingen, welken ooit eenen reiziger zijn voorgekomen. Het scheen, of mijne Ouders daarvan een voorgevoel hadden: want hoe dikwijls ik mijne zucht tot reizen te kennen gaf; hoe sterk ik bij hen aanhield, om hunne toestemming te bekomen, tot het bezien van de waereld; en welke streken ik ook tot het verkrijgen dezer gunste aanwendde; niets mogt baten: alles was te vergeefsch. Mijn vader was de standvastigheid zelve in zijne weigering. Dit verwonderde mij grootlijks, om dat hij zelf een groot reiziger geweest was; gelijk dit overvloedig blijken zal, eer ik het verhaal mijner zonderlinge, en, mag ik 'er wel gerust bijvoegen, belangrijke avonturen geeindigd zal hebben. Maar tot mijn onuitspreeklijk geluk, zoo ik meende, had een zekere neef van mijns moeders zijde een groot behagen in mij. Deze verklaarde menigmaal, dat ik de aardigstejongen van de waereld was, en dat ik buiten 's lands de grootste vorderingen tot fortuin zoude maken. Dit stond mij wonder wel aan, en streelde mijne eerzucht niet weinig. Zijnewelsprekenheidhad ook meer invloed dan de mijne: want mijn vader stemde eindelijk toe in zijnen voorslag, dat ik hem op zijne reis naa het eilandCeilon, alwaar zijn oom al zederd verscheiden jaren Gouverneur geweest was, zou verzellen.

Wij zeilden met een paketboot uitTexel, met gewigtige bevelen belast. Naardien wij zoo snel zeilden, als hadden wij in een luchtbol de reis gedaan, gebeurde 'er maar één ding, 't welk aan U verdient verhaald te worden. 't Was naamlijk de uitwerking van eenen storm, wanneer wij aan zeker eiland ten anker lagen, om water en brandhout in te nemen. Deze storm rukte een groote menigte zware bomen, van een verschriklijke dikte en hoogte, met wortel en aluit den grond. Sommige van deze bomen wogen ettelijke lasten; en nogthans werden ze door den wind tot zulk' eene onmeetlijke hoogte in de lucht opgenomen, dat ze niet anders schenen, dan door de lucht zwevende vederen van kleine vogeltjes: want zij waren ten minsten vijf mijlen(2)boven de aarde. Maar zoodra was de storm niet bedaard, of ze vielen allen wederom lijnregt op hunne plaatsen neder, en groeiden weêr als te voren; behalven één, op welks takken, juist op dat oogenblik dat de wind denzelven naa de lucht voerde, een man met zijne vrouw, een zeer geschikt en eerbaar paar volks, komkommers zaten te plukken: (want dit heilzaam gewas groeit indat gedeelte van de waereld aan de bomen): als nu de boom wederom langzaam naa beneden daalde, gebeurde het, dat dezelve, door de zwaarte van dit paar menschen,horizontaalnederviel, en wel op den aanzienlijksten man van het geheele eiland, waar door hij op staande voet stierf. Toen de storm begon, had hij zijne woning verlaten, uit vreze, dat dezelve mogt instorten en hem verpletteren; maar zoo als hij zijn tuindeur wederom wilde ingaan, viel deze gelukkige omstandigheid voor.—Gelukkige?

Ja! zeker gelukkige: want, mijne Heeren! dit opperhoofd was de geweldigste der dwingelanden; en de bewooners van het eiland, zijne gunstelingen en maitressen niet uitgezonderd, waren de ellendigste schepzels onder de Maan; de levensmiddelen verstikten in zijne voorraadschuuren, terwijl zijne Onderdaanen, wien hij ze had afgeperst, van honger versmagteden;het Eiland had voor genen buitenlandschen vijand te vrezen, en echter nam hij ieder jong kaerel weg, sloeg hem met zijn eigen stok tot een held, en verkogt van tijd tot tijd zijne verzameling aan den meestbiedende der nabuurige Vorsten, om de Millioenen Schulpen, die hij van zijn' Vader had geërft, met nieuwe Millioenen te vermeerderen. Dit gedrag maakte hem zoo veel te veragtelijker, daar hij geene kinderen of naastbestaanden had.—

Meent niet, lieve lezer! dat de Baron hier zonder reden aanmerkt, dat zijne Excellentie, dezeDON PANCHEvan de andere waereld, geen naastbestaanden had. Hij had op zijne veelvuldige reizen te meermalen waargenomen, dat de schreeuwendste onrechtvaardigheden, de ontmenschtste wreedheden, door aanzienlijken en geringen, door Vorsten en onderdanen, in eene blijkbare ongevoeligheid gepleegd werden,onder voorgeven, dat zij niet zoodanig handelden om zig zelven, maar voor hunne opvolgers enz.—Hierbij komt nog eene andere reden, welke de Baron echter niet gaarne algemeen bekend maakte; te weten: op zijn springtogtje door dit leven was hij niet zelden om geld verlegen geweest. Dit zal U zekerlijk niet verwonderen; maar als hij zig, in zoodanige gelegenheden, op eerlijke voorwaarden, welken hij aantoonde te kunnen volbrengen, bij ongeluk vervoegde bij rijke lieden zonder edelmoedigheid, verwonderde het hem, dat dezen zig altijd van alle menschlievendheid en hulpbetoninge ontschuldigden, met te zeggen: dat zij hem zeer gaarne zouden willen helpen; maar dat zij ook voor de hunnen moesten zorgen; dat zij over het geld en goed hunner kinderen niet konden beschikken, en dergelijke blaauwe uitvlugten meer.——Hierom kwam hetden Baron gantsch niet vreemd voor dat deze gierige en onbarmhartige wreedaard, zonder kinderen en namagen, bij den landzaat zoo zeer gehaat was. Zijn dood zagen zij daarom niet alleen aan als de grootste weldaad; maar hoe toevallig dezelve ook ware, verkoozen zij zelfs, ten blijke hunner dankbaarheid, de komkommerplukkers tot hunne opperhoofden.

Dit paar had van deszelfs hooge vaart geen letsel gekregen, als een klein ongemakje aan het gezicht, omdat zij dat licht, 't welk de oorsprong van alle verlichtinge door deze waereld is, wat al te naa waren gekomen.—De verduistering, daar door op het Eiland veroorzaakt, was vrij groot, en ontzettede den Hollandschen schipper dermate, dat hij zijnStichters Almanach, het eenigste Zeemansboek 't welk hij wist te gebruiken, uit zijn broekzak haalde, om te zien, of het geen Zonne-Taningware; schoon ik hem beduidde, dat het Volle Maan was.—Maar het ongeluk van deze goede luidjes was het grootste voordeel voor den Staat; de nieuwe Regent hield zulk een loflijk bestuur, (gelijk ik naderhand vernomen heb) dat niemand op het Eiland voortaan komkommers at, zonder te zeggen:God zegene ons opperhoofd.

Na dat wij ons van de schade, in dezen aanmerklijken storm bekomen, hersteld hadden, namen wij afscheid van deze nieuwe opperhoofden; (zoo moeten wij ze noemen, naardien beiden zig aan het hoofd van de regeeringe dezes Eilands geplaatst hadden); en zeilden met een zeer gunstigen wind naa de plaats onzer bestemminge; evenwel niet, voor dat wij den gedienstigen boom in zijne oude plaats hersteld zagen. Ook was 'er, op een algemeen verzoekschrift, door alle de inwoners ingediend, door de nieuwe regeering een wet vastgesteld, dat voordaanniemand van de vrugten van dezen boom zoude mogen eten, zonder vooraf voor den ondergang van den geweldenaar gedankt te hebben.

Zes weeken na ons vertrek uitHolland, kwamen wij opCeilonbehouden aan land, en werden met grote blijken van vriendschap en ware beleefdheid ontvangen. Het volgend zonderling avontuur zal uwe opmerking niet geheel onwaardig zijn. Indien echter iemand mijner toehoorderen zoo bekrompen van begrip mogt zijn, dat hij aan de geloofwaardigheid van mijn verhaal wilde twijfelen, verzoek ik dat hij, zoo menigmaal hem deze luim overvalt, zeggen zalBONS!dan zal ik niet één woord meer spreken; maar als een man van eer waarschuuw ik hem te gelijk dat ik zoo honende belediging niet zonder voldoeninge zal afwagten.

Nadat wij nog maar veertien dagen opCeilongeweest waren, ging ik meteen van des Landvoogds Broeders op eene jagtpartij. Hij was een zeer sterk man, en aan de luchtstreek gewoon zijnde, (het spreekt dus van zelfs, dat hij aldaar reeds verscheiden jaren gewoond had), kon hij de geweldige hitte van de zon veel beter verdragen, dan ik. Op onze wandeling was hij mij een zeer aanmerklijk end' wegs vooruit geraakt, door een dik bosch, wanneer ik mij nog aan het begin van hetzelve bevond.

Ik wilde mij nederleggen, om wat uitterusten, aan den dijk van een breed water, 't welk mijne aandacht getrokken had, wanneer ik meende een klaterend geraas agter denzelven te horen; dit deed mij om zien, en ik werd eenen doden gelijk, (en wie zoude niet schrikken?) op het zien van een' leeuw, die ogenschijnlijk op mij aankwam met oogmerk, om mijn jong, mager lijf tot zijn ontbijt te nemen, zonder daartoe mijne toestemming te vragen.—Wat nu tedoen in deze ongerustheid? Ik had geen tijd tot eenig overleg; mijn roer was alleen met ganzenhagel geladen; ander loot had ik niet bij mij. Om zulk een dier met zoo zwakke toerusting te doden—daaraan was niet te denken; met dat al hoopte ik, dat ik hetzelve door het schot zoude verschrikken, en het misschien daar door verjagen. Ik lei daarom terstond aan, zonder te wagten, tot dat hij binnen mijn bereik was; maar het schot maakte hem woedend; hij verhaastte zijnen loop, en scheen met vollen spoed op mij aan te rennen. Ik zag naa middelen van ontkominge om; maar dit, zoo het mogelijk ware geweest, verdubbelde mijne verlegenheid, en maakte mijn toestand wanhopig: want op hetzelfde tijdstip, dat ik mij omkeerde,—ik voel nog een rilling als ik 'er om denk—ontdekte ik een ijslijk groten krokodil, met wijd opgesperde kaken, om mij in te slokken.Bedenkt nu, bidde ik U, in welken staat ik mij bevond! Aan de eene zijde het wijde water, waarvan ik reeds gesproken heb; aan de andere zijde eene allerverschriklijkste diepte; een verblijf, zoo als mij naderhand gezegd is, van allerleie vergiftige slangen; van voren een woedende leeuw; van agteren de Goliath onder de krokodillen;—met één woord, ik rekende mij zelven voor verloren, naardien de leeuw nu op zijn agterste zat, juist in het postuur om mij te overrompelen. Onwillig viel ik, vol schrik en angst, op den grond, en de leeuw—zoo als naderhand bleek—sprong over mij heen. Ik lag een geruimen tijd in een' staat, die met geen tong is uit te spreken, niets verwagtende, dan dat ik ieder ogenblik zijne tanden of nagels in een of ander gedeelte van mijn lichaam gevoelen zoude; maar tot alle geluk kwam ik 'er met den schrik af: want eenige secondenplat op den grond gelegen hebbende, hoorde ik een hevig maar ongewoon geluid, verschillende van alle soorten van geluid, welken tot nog toe tot mijne ooren gekomen waren. Geen wonder, waarlijk! want een wijl tijds daar naa geluisterd hebbende, waagde ik het mijn hoofd eens even op te ligten en rond te zien, wanneer ik, tot mijne onuitspreeklijke blijdschap, bemerkte, dat de leeuw, met die verblindende gretigheid, waarmede hij mij bespringen wilde, voorwaards in den gapenden muil van den krokodil gevlogen was! Dus was de kop van den een in den muil van den ander! Beiden worstelden om van elkander los te worden. Op dien zelfden stond dacht ik gelukkig aan mijn' hartsvanger, welke ik op zijde had. Met dit gedugt geweer hakte ik den kop van den leeuw in éénen slag af, en zijn romp viel voor mijne voeten neder! Hierop nam ik mijn ganzen-roer,en rammeide met de kolf den kop van den leeuw zoo vast in den bek van den krokodil, dat hij stikte en stierf: want hij kon de kop noch doorslikken, noch uitspuwen.

Nadat ik alzoo eene volkomen overwinning over mijne beide gedugte vijanden behaald had, kwam mijn vriend mij opzoeken: want ziende, dat ik hem in het bosch niet volgde, keerde hij terug, vrezende, dat ik van den weg was afgeraakt, of dat mij eenig ongeluk bejegend was. Na dat wij elkander over den overwagten en gelukkigen uitslag geluk gewenscht hadden, maten wij den krokodil, en bevonden, dat hij volkomenveertigRhijnlandschevoeten en zeven duimenlang was.

Zoodra wij te huis gekomen waren, en dit buitengewoon en zonderling voorval aan den Landvoogd verhaald hadden, zond hij een wagen met eenige slaven,om de twee dode dieren naa het kasteel te brengen. De huid van den leeuw was geheel onbeschadigd gebleven, met al het hair 'er op. Ik maakte 'er vervolgens tabaksdozen van, welke ik, bij mijne terugkomst inHolland, aan eenige aanzienlijke en voorname Heeren ten geschenke aanbood, waar voor Hun Wel Edelen en Hoog Geboren mij duizend dukatenwildenvereeren, dat ik met veel moeite van de hand wees.

De huid van den krokodil liet ik op de gewone manier opvullen; en tegenwoordig maakt ze een zeer aanzienlijk stuk van de verzameling van zeldzaamheden te A.... uit; alwaar de lijmende man met het stokje, of, zoo als hij zig zelven nederig gelieft te noemen, de opziener, dezelve aan iederen nieuwen aanschouwer vertoont, met zoodanige veranderingen en bijvoegselen als hij goed vindt, en waarvan sommigen de waarheid zoo wel als de waarschijnlijkheid in eeneen hogen graad beledigen. Een dezer oorspronglijke veranderingen luidt: dat de leeuw geheel door den krokodil sprong, en op het punt was om 'er van agteren geheel weder uit te vliegen, zonder den krokodil in het minst of in het meest, zoo als hij zig sierlijk uitdrukt, beschadigd te hebben. Maar dat de grote Baron, gelijk het hem gelieft mij te noemen, dit niet gewaar werd, of hij hieuw den leeuw den kop, zo rasch die voor den dag kwam, met nog drie voeten van den staart van den krokodil 'er bij, af. Ja, deze kaerel heeft zoo weinig eerbied voor de waarheid, dat hij zig niet ontziet, 'er somtijds bijtevoegen: dat, zoodra de krokodil zijne gewone lengte miste, hij zig omkeerde, den Baron den hartsvanger uit de hand rukte, dien opslokte, en hem met zulke gretigheid naa binnen slingerde, dat zijn hart doorboord werd, en hij op het ogenblik dood op den grond nederviel.

Ik behoef u, mijne Heeren! niet te zeggen, hoe onaangenaam de onbeschaamdheid van dezen knaap mij moet zijn. Menschen, die mij niet kennen, zouden, door diergelijke handtastelijke leugens, in onze twijffelzieke eeuw, ligt aanleiding krijgen om zelfs aan de waarheid van mijne bedrijven te twijffelen: iets dat een man van eer in den hoogsten trap grieft en beledigd.

(1)De Baron wordt ondersteld dit verhaal aan zijne vrienden, onder het ligten van den beker, te doen.

(1)De Baron wordt ondersteld dit verhaal aan zijne vrienden, onder het ligten van den beker, te doen.

(2)Als hier en elders enkel van mijlen gesproken wordt, verstaat de Baron altijd Engelsche mijlen; anders drukt hij zig vollediger uit en zegt, bij voorbeeld, Hollandsche of Fransche mijlen.

(2)Als hier en elders enkel van mijlen gesproken wordt, verstaat de Baron altijd Engelsche mijlen; anders drukt hij zig vollediger uit en zegt, bij voorbeeld, Hollandsche of Fransche mijlen.

In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met een verhaal van zoodanige dingen, welkedeszelfsopmerkzaamheid wel waardig zijn.

In het midden van den winter ging ik op reis naaRusland.—Grillig genoeg! zult gij zeggen, naardien alle menschen de reis naa dat koude land in 't midden van den zomer doen.—Dit was juist de reden waarom ik den winter verkoos: want alle reizigers hebben de wegen door het Noorder gedeelte vanDuitschland,doorPolen,CourlandenLijflandals ongemeen slegt beschreven; en niets is natuurlijker en ligter te begrijpen, dan dat zoodanige wegen door vorst en sneeuw veel beter worden. De gemakkelijkste manier van reizen is te paerd: deze verkoos ik daarom. Ook was ik zeer ligt en dun gekleed; en hoe meer ik Noord-Oostwaard voordging, hoe sterker ongemak ik daarvan ondervond. Wat moet dan, in dit barre land en koud weder, niet een oud, arm man geleden hebben, welken ik inPolenop den wegzagliggen, zonder hulp, bevende van koude, en naauwlijks iets aan hebbende, om daarmede zijne naaktheid te dekken!

Ik beklaagde de arme ziel!—Hoe zeer ik zelf allergeweldigst door de gestrengheid van de lucht getroffen wierd, legde ik mijn mantel over hem heen, en hoorde te gelijk een stem van den hemel, mij wegens dat liefdewerk zegenen, zeggende:

„Hiervoor, mijn zoon, zult gij nog in dezen tijd beloond worden.”

Ik ging voort: nacht en duisternis omringden mij. Ik kon huis noch hof zien. 't Gantsche land was met sneeuw bedekt, en ik was geheel onbekend met den weg.

Vermoeid steeg ik eindelijk van mijn paerd af, en bond het vast aan iets, 't welk naar een stronk van een' boom geleek, en een weinig boven de sneeuw uitstak. Uit voorzorg nam ik mijne pistolen onder den arm, en legde mij in de sneeuw neder. Hier sliep ik zoo vast in, dat ik mijne ogen niet opende, voor 's anderen dags op den vollen middag. Onbeschrijflijk was mijne verbaasdheid, toen ik zag, dat ik in het midden van een dorp was, liggende op een Kerkhof. Mijn paerd kon ik nergends vinden; maar weldra hoorde ik het even boven mijn hoofd. Opwaards ziende, zag ik het aan zijn' toom hangen, aanden weêrhaan van den toren. Nu begon ik de zaken eerst te begrijpen: toen ik 's nachts aankwam, was het Dorp geheel met sneeuw overdekt; maar het weder was zeer schielijk veranderd, zoo dat ik in den slaap, zeer zagtkens, naar mate de sneeuw smolt, nederzakte tot op het Kerkhof. Het gene ik in den donker voor den stomp van een boom, een weinig boven de sneeuw uitstekende, genomen, en waaraan ik mijn paerd vast gemaakt had, bleek nu het kruis of weêrhaan van den toren geweest te zijn.

Zonder lang talmen en overleg nam ik één van mijne pistolen, en schoot den breidel midden door; mijn paerd kwam beneden, en ik vervolgde mijne reis.(3).

I.

I.

Mijn reisgezel maakte het op weg zeer wel—maar toen ik meer in de binnenste delen vanRuslandkwam, zag ik, dat fatsoenlijke lieden aldaar in den winter niet te paerd reizen: hierom onderwierp ik mij, gelijk ik altijd doe, aan het gebruik van het land,—nam eene slede met één paerd bespannen, en draafde rustig opSt. Petersburgaan. Op dezen togt zag ik, in 't midden van een uitgestrekt bosch—ik kan mij niet wel herinneren, of het inLijflandof inIngermerlandzij voorgevallen; en om beide landen zoude ik gene onwaarheid willen zeggen—een vreeslijke wolf jagt op mij maken, met al de drift van een razenden winterhonger. Welhaast overviel hij mij. Er was geen mogelijkheid om te ontkomen. Ik ging werktuigelijk plat op den grond van de slede liggen, en liet mijn paerd, of het mogelijk ware ons te redden, zoo hard loopen, als het kon. Het gene ikwenschte, maar nauwlijks kon hoopen of verwagten, gebeurde echter een ogenblik daarna. De wolf scheen mij in 't geheel niet te bedoelen: althans hij sprong over mij heen; en woedend op het paerd aanvallende, begon hij het agterdeel van het arme dier, 't welk van pijn en schrik te sterker liep, terstond te verscheuren en van één te rijten. Daar de wolf over mij heen sprong, spreekt het van zelven dat dit het eerste middel van mijn behoud was, niet alleen; maar dat hij ook op de agterste delen van mijn paerd aanviel. En dit was het tweede middel van mijn behoud, zoo wel, als van den verbazenden spoed, waarmede ik teSt. Petersburgaankwam. Als ik bespeurde, dat ik geheel ongemerkt voorbij gegaan en behouden was, ligtte ik mijn hooft eens behendig op, en ontdekte met schrik, dat de wolf zig ruim half in het lichaam van het paerd had ingedrongen; waartoe hij zig den weg met vrij wat gewelden kragten moet gebaand hebben; maar nauwlijks was hij daarin zoo ver gevorderd, of ik trok 'er mijn voordeel uit, en sloeg hem, met mijn zweep, uit al mijn magt. Deze onverwagte aanval op zijn agterkwartier verschrikte hem niet weinig; hij liep voorwaards uit al zijn magt; het paerd viel dood op den grond; maar te gelijk liep de wolf in deszelfs plaats in 't gareel. Ik deed van mijnen kant niets, dan aanhoudend op den wolf te slaan, tot dat wij beiden, op een vollen draf, behouden teSt. Petersburgaan kwamen. Dit was niet weinig tegen ons beiderrespectiveverwagting, en nog meer tot verwondering van de aanschouwers.

Ik zal u niet ophouden, mijne Heeren! met een verhaal van de staatkunde, kunsten, wetenschappen en andere merkwaardigheden van deze overheerlijke Hoofdstad vanRusland; noch met de verschillende treken en vermaaklijke voorvallen,welke ik bij de beschaafde inwoners dezer landen, alwaar de vrouw van den huize altijd gewoon is de gasten met een kus te ontvangen, gehad heb. Liever bepaal ik mij tot een groter en edeler voorwerp van uwe aandacht, tot paerden en honden; van welken ik bevonden heb, datRusland, zoo wel als van vossen, wolven en beeren van allerleie soort, meer bezit, dan elk ander gedeelte van de waereld, bekwaam tot zulke kunsten, veelerlei oefeningen, zwierige en behendige verrigtingen, welke den Edelman beter uitmaken dan het muffe Grieks, of Latijn, of alle de soorten van reukwerken, optooizels en versierselen vanFranschevernuften en kappers.

(3)Zoude de Baron zoo ongevoelig geweest zijn, dat hij zijn paerd, 't welk zoo lang gevast had, niet behoorlijk gevoerd zoude hebben? Neen. Hij liet een spint haver geven. Maar hij verzwijgt het—enkel uit zedigheid—om niet te veel van zijne gevoeligheid te zwetsen.

(3)Zoude de Baron zoo ongevoelig geweest zijn, dat hij zijn paerd, 't welk zoo lang gevast had, niet behoorlijk gevoerd zoude hebben? Neen. Hij liet een spint haver geven. Maar hij verzwijgt het—enkel uit zedigheid—om niet te veel van zijne gevoeligheid te zwetsen.

Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den post van eene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt een vos uit zijn vel.—Leidt een oude zog naa hare woning, op eene nieuwe wijze; en vangt een wilden beer.

Daar het eenigen tijd aanliep eer ik bij het leger geplaatst werd, leefde ik ettelijke maanden in de volmaaktste vrijheid; dat is te zeggen, ik verspilde mijn tijd en mijn geld zoo goed, als de beste edelman het ooit gedaan heeft. Gij kunt U ligt verbeelden, dat ik een goedgedeelte van beiden verloor buiten de Stad, in 't gezelschap van zulke heeren, die best weten, welk gebruik zij van het open veld en de bosschen moeten maken. De herinnering van deze vermaken geeft mij altijd nieuwe kragten, en verwekt gedurig eene nieuwe begeerte in mij, om dezelven nog eens te herhalen.

Op een zekeren morgen zag ik door het vengster van mijne slaapkamer, dat een wijde plas, welke daar niet ver af was, overdekt was met wilde ganzen en eenden. Zonder dralen nam ik mijn roer uit den hoek van de kamer, en liep de trappen af, en met zoo groote vaart uit het huis, dat ik mijn hoofd zeer onvoorzigtig tegen den post van de deur stiet. Het vuur sprong mij de ogen uit. Dit toeval belette echter mijn voornemen niet. Maar nauwlijks was ik binnen 't bereik van 't schot gekomen, of ik bemerkte, tot mijn smert, dat door dengeweldigen stoot, welken ik zoo even gedaan had, de steen van den haan was afgevlogen. Wat nu gedaan? hier was geen tijd te verliezen. Gelukkig herinnerde ik mij, welke uitwerking de stoot op mijn gezigt gehad had; ik opende daarom de pan, leide aan op de vogels, en sloeg met mijn vuist tegen één mijner ogen(4). Door een goeden slag sprongen de vonken 'er uit; het schot ging af, en ik raakte vijftig koppels ganzen, vier koppels eendvogels en drie koppels teerlingen.—Tegenwoordigheid van geest is de ziel van alle mannelijke oefeningen. Soldaten en zeelieden mogen daaraan veelmaal hun behoud te danken hebben; jagers en schutters hebben, voor hunne beste slagen, aan dezelve geen mindere verpligting.

In een heerlijk bosch inRuslandontmoette ik eens een zeer fraaien zwarten vos, wiens kostbaar vel ik niet gaarne met een kogel of hagel wilde schenden. Ik trok daarom den kogel, welke op mijn geweer stond, terstond af, en nam, in stede daarvan, een zeer scherpen groten spijker; ik gaf vuur, en raakte den vos zoo knap, dat ik zijn pluim aan den boom vast spijkerde. Hierop liep ik daar naa toe, trok mijn houwer, gaf hem een kruissnede over den kop, en zweepte hem toen zoo lang, tot dat hij uit zijn pels geworsteld was, en denzelven aan mij overliet.

Toeval en goed geluk verbeteren niet zelden onze misslagen: hiervan had ik, kort daarna, een zonderling voorbeeld, wanneer ik, in het midden van een digt bosch, twee wilde zwijnen vast aan en regt agter elkander zag lopen. Mijn kogel trof ze niet; maar alleen het voorste, dit was een jonge beer, liep weg,en het agterste, eene oude zog, bleef onbeweeglijk staan, als of het aan den grond genageld ware. De zaak nader onderzoekende, bevond ik, dat de zog van ouderdom was doof en blind geworden, en dat zij zig alleen vast hield aan den staart van haren zoon, die zijne moeder, volgends zijnen kinderlijken pligt, leidde. Dewijl de kogel tusschen beiden doorgegaan was, had dezelve dezen nieuwerwetschen leiband, welken de zog altijd in den bek hield, midden doorgeschoten. Haar vorige leidsman kon haar derhalven niet meer voordtrekken, en zij bleef ogenbliklijk zoo onbeweeglijk stil staan als een boom. Ik vatte daarom het stuk staart, 't welk zij nog in den bek had, leidde het oude beest daaraan naa hare woning, zonder eenige vrees aan mijne zijde, en zonder eenigen tegenstand en vermoeden van eenig kwaad aan de zijde van het hulpeloos oud dier.

Deze wilde zoggen zijn anders zeer verschriklijk; maar de beeren zijn nog veel stouter en gevaarlijker. Hiervan heb ik eens een gelukkige proef gehad, wanneer ik in 't geheel niets bij mij had om mij te verdedigen. Juist als ik bezig was mij agter een eiken boom te verbergen, sprong het woedend dier met zoo veel geweld op mij aan, dat het zijne slagtanden zoo diep in den boom sloeg, dat het zijnen aanval niet kon hervatten, noch de tanden 'er weder uit krijgen.—Ho! ho! dagt ik, nu zal ik u wel haast hebben;—en terstond nam ik een steen, waarmede ik zijne slagtanden zoo vast in den boom timmerde en zoodanig boog, dat hij zig niet kon verroeren. Het zwijn moest daar blijven en wagten tot dat ik van het naaste dorp terug kwam, waarheen ik ging om touwen en een kar, om het beest wel deugdelijk te binden; en zoo bragt ik het levendig en behouden in de Stad.

(4)De ogen van den Baron hebben dit vuur naderhand altijd behouden; zij schenen vooral meer verlicht te zijn, als hij deze bijzonderheid verhaalde.

(4)De ogen van den Baron hebben dit vuur naderhand altijd behouden; zij schenen vooral meer verlicht te zijn, als hij deze bijzonderheid verhaalde.

Aanmerkingen over het St. Hubert's hert.—De Baron schiet een hert met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond, welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor zijne gantschekleêrmakerin verwarring geraakt.

Gij hebt meermaals gehoord, mijne Heeren! ik wil ten minsten zoo onbeschaafd niet zijn, om hier aan te twijfelen, van den beschermheilig en patroonder jageren en schutteren, den heiligenHUIBERT, en van dat schoon hert, 't welk aan hem in een bosch verscheen, met het heilig kruis tusschen deszelfs horens. Nooit heb ik nagelaten, om 's jaarlijks, in een goed gezelschap, het feest van dezen heiligen te vieren; dit hert heb ik wel duizendmaal gezien—wel te verstaan geschilderd, in Kerken; of geborduurd, op de tassen van zijne ridders: zoodat ik, op de eer en het geweten van een goeden jager, kan verzeren en zweren, dat het zijne weêrgade te voren nooit gehad heeft, noch tegenwoordig heeft, noch ooit diergelijk gevonden zal worden, al ontdekte men nog duizend nieuwe waerelden. Maar laat mij liever verhalen, het gene ik zelf ondervonden heb. Op een zekeren dag had ik al mijn kruid en lood verschoten, wanneer ik mij zeer overwagt bevond in 't gezelschap van een overschoon hert, het welk mij zonder eenigebekommering beschouwde, even als of het wist, dat mijne zakken ledig waren. Hierom laadde ik terstond met vette aarde, en deed 'er een handvol kersenstenen op: want ik at van deze smaaklijke vrugt schielijk zoo veel, als de kortheid des tijds gedoogde. Ik legde op 't hert aan, en trof het vlak in het midden van het voorhoofd, tusschen de horens. Het was verbaasd—waggelde—maar behield nog kragt genoeg om weg te loopen. Een jaar of twee daarna was ik op de jagt in het zelfde bosch—daar zag ik een schoon hert, met een fraaien volwassen kersenboom, van tien voeten hoog, tusschen de horens. Op dat ogenblik herinnerde ik mij mijn vorig avontuur, beschouwde het dier als mijn eigendom, en schoot het in ééns, dat 'er de damp uitvloog; maar te gelijk spattede het kersensap mij om de ooren: want de boom was vol geladen, en dit fruit zoo smaaklijk, alsik het ooit geproefd had. Wie weet, of niet een of andere ijverige heilige jager, of jagende Abt, of Bisschop, op gelijke wijze tusschen de horens vanSt. Hubertshert geschoten, en het kruis aldaar geplant heeft. Zij zijn ten minsten altijd bekend geweest, en staan nog te boek, als bekwame planters van kruisen, en horens wat wonder dan! want ingeval van verlegenheid en tweestrijd, 't welk den stouten jager niet zelden overvalt, grijpt men ligt het een of ander strootje aan om zig te redden, en de eene of andere uitkomst te zoeken, liever dan eene gunstige gelegenheid te laten ontsnappen.—Ik zelf ben zeer dikwijls in dien staat van beproevinge geweest.

II.

II.

Wat zult gij, bij voorbeeld, van dit volgende wel zeggen? Op zekeren dag, of liever schemeravond, was ik inPolen, in een bosch, en had al mijn kruit vermorscht. Naa huis gaande maakteeen ijslijke beer, met alle mogelijke spoed, en met open muil, jagt op mij; gereed zijnde, zoo het scheen, om mij aantevallen. Terzelfder tijd doorzocht ik alle mijne zakken naa kruid en kogels; maar te vergeefsch.—Ik vond niets dan twee stompe vuurstenen: den eenen slingerde ik uit al mijn magt in de open kaken van het gedrogt, tot in zijne keel; dit veroorzaakte hem grote pijn, en maakte, dat hij zig omkeerde, zoodat ik den tweeden door zijne agterdeur naa binnen kon zenden. Dit deed een verwonderlijke uitwerking: want deze vloog na binnen en ontmoette den eersten in den maag, gaf vuur, en deed den beer met een verschriklijk geweld van één bersten. Zoo kwam ik 'er voor ditmaal wel af: evenwel zoude ik deze proef niet gaarne willen herhaalen, of wederom zonder eenigen voorraad een beer ontmoeten.

Waarlijk! 't schijnt of het noodlot 'er zoo wat onder speelt. De stoutste en de gevaarlijkste dieren komen een mensch schier altijd tegen, als hij niet gewapend is: als of zij kennis of een zeker gevoel daarvan hadden.—Zoo stoof eens een vreeslijke wolf zoo schielijk en zoo digt op mij in, dat ik niets anders doen konde, dan een zeker werktuiglijk instinkt te volgen, en mijne vuist in zijn opgesperden muil te steken. Tot allen geluk stak ik door en door, tot dat mijn arm tot aan den schouder toe 'er geheel in was. Hoe nu mij hier uit te redden? De staat waarin ik mij bevond, was waarlijk niet aangenaam—met een wolf van aangezigt tot aangezigt!—wij zagen elkander met weinig genoegen aan. Trok ik mijn arm terug; dan had het dier mij met te meer woede aangevallen, gelijk ik uit zijne schitterende ogen zien kon. Daarom tastte ik door, en greep door zijneingewanden naa zijnen staart, keerde hem het binnenste buiten, gelijk een handschoen, en wierp hem tegen den grond, daar hij bleef liggen.

Het zelfde huismiddeltje zoude weinig gebaat hebben tegen een dollen hond, die mij korten tijd daarna tegen kwam, in eene nauwe straat teSt. Petersburg. Loop, wat ge kunt, dacht ik; en om dit te beter te kunnen doen, smeet ik mijne pels uit, en vlugtte zoo in een huis. Ik zond mijn knegt naderhand om de pels, die dezelve bij mijne andere klederen in de kleêrkamer bragt. Den volgenden dag verbaasde en verschrikte het geschreeuw van den kaerel mij geweldig: „Om Gods wil, riep hij, kom hier, mijn Heer! alle uwe klederen zijn dol.” Ik haastte mij, schoon ik den kaerel voor dol hield; doch vond alle mijne klederen verstrooid en in stukken gescheurd. De knaap had gelijk in zijn vermoeden,dat mijne pels dol was. Want ik zag zelf, dat zij aanviel op een nieuw fijn lakens kleed, 't welk zij op een ongenadige wijze heen en weer slingerde, en verscheurde.

Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van geest.—Beschrijving van een hond, de lieveling van den Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgd wordt.—Hij krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf vanPRZOBOSSKIJ, waarmede hij vele ongewone daden verrigt.

„Maar alle deze moeilijkheden, welken gij zoo gelukkig ontsnapt zijt, zijn maar, door een gunstig noodlot, de toevallige oorzaken van uwen roem en uwe grootheid.” Dunkt u dat, mijn Heer? Voegt ge 'er ookBONSbij?.......Ik erkenne, dat het geluk mij veelal gediend heeft; maar beweer ook, dat mijne tegenwoordigheid van geest, mijne mannelijke dapperheid, mijne onvertzaagde kloekmoedigheid, en mijne beproefde ervaring ook het hare daaraan toegebragt hebben. Wie weet niet dat het een met het ander vereenigd den gelukkigen jager, zeeman en soldaat uitmaakt? Hoe? zoude een jager, zee- of krijgsman, die altijd van het lot en zijne goede sterren wilde afhangen, die zig zelven nooit bekommerde over die wetenschappen, welker beoeffening zijn hoofdwerk is, noch ooit dacht op middelen, om met het beste gevolg zijn beroep te kunnen waarnemen,—zoude zulk een, vraag ik, niet van de strafwaardigste onvoorzigtigheid te beschuldigen zijn? Maar nooit heb ik ten dezen opzigte eenige berisping verdient: altijd was ik beroemd, zoo wel van wege de uitmuntendheid van mijne paerden,honden, roers en houwers, als om mijne volmaakte manier van dezelven te gebruiken, zoodat ik over het geheel moge hopen, dat mijner altijd, in de bosschen, aan den haard, en op het veld, met lof gedacht zal worden.—Maar ik zal mij hier niet ophouden met eene brede en volledige beschrijvinge van mijne stallen, jagthuizen, geweerkamers; gelijk anders de Stal- Jagd- en Honden-Edellieden wel gewoon zijn. Doch van éénen mijner honden, mijn lieveling, kan ik evenwel niet nalaten te spreken. Het was een windhond; dag en nacht kon ik hem gebruiken: want als het nacht werd hong ik hem een lantaern aan den staart, en jaagde dan zoo goed of nog beter met hem als op den helderen dag.—Eens (dit was kort na dat ik gehuuwd was) gaf mijne vrouw hare begeerte te kennen om op de jagt te gaan. Ik reed vooruit, om iets op tesporen, en het duurde niet lang, of mijn hond stond stil voor eene groote hoenderkooij. Ik wagtte, en wagtte al op mijne vrouw, die met mijn Luitenant, en een knegt, terstond mij gevolgd waren; maar kreeg geen van allen te zien. Dit maakte mij eindelijk ongerust; waarom ik terug keerde; en toen ik omtrend half weg was hoorde ik een zeer klagend geween, dat kort bij mij scheen te zijn, hoewel ik om mij, of ver af, geen levende ziel kon ontdekken. Ik klom van mijn paerd,legde mijn oor op den grond, en nu hoorde ik duidelijk dat het onder dezelve was, en herkende ook, zeer onderscheidenlijk, de stemmen van mijne vrouw, mijn Luitenant en mijn knegt. Met een zag ik ook, dat niet ver van mij af de opening van een steenkolengroeve was, en nu twijfelde ik niet, of mijne ongelukkige vrouw zou, met haar geleide, daar in gestort zijn. In vollen renvloog ik naa het eerste dorp, om de gravers te halen, die de verongelukten, na eenen allermoeilijksten arbeid, uit eene diepte van negentig voeten weder boven bragten. Het zeldzaamste was, dat menschen en paerden in dezen vreeslijken val bijna niets beschadigd waren; doch zij hadden zoo veel te meer door angst geleden.—Gij kunt u ligt voorstellen, Heeren! dat 'er aan geen jagen meer gedagt wierd; en daar gijlieden, gelijk ik ligt kan vermoeden, mijnen hond gedurende dit verhaal zult vergeten hebben, zoo zult gij het mij niet kwalijk nemen, dat ik ook niet meer aan hem dagt. Mijn dienst noodzaakte mij den volgenden dag op reis te gaan, 't welk mij veertien dagen ophield. Nauwlijks was ik eenige uuren weder 't huis geweest, of ik miste mijndiaan. Niemand had zig om het beest bekommerd: want men had gedagt dat het mij gevolgd was. Hoop en vrees joegenmij terstond naa de streek, daar ik met hem op de jagt had willen gaan; en tot mijne onuitspreeklijke blijdschap vond ik mijn hond nog op dezelfde plaats staan, daar ik hem voor veertien dagen gelaten had.Piel!riep ik, met een sprong hij toe, en ik kreeg vijfëntwintig eenden in één schot. Maar het arme dier was zoo uitgehongerd en afgemat dat het nauwlijks naa mij toe kon kruipen, zoodat ik hem op mijn paerd moest nemen om hem thuis te krijgen. Na eene goede oppassing van weinig dagen was hij weder zoo gezond en vrolijk als te voren; en eenige weken daar na maakte hij het mij mogelijk een raadzel op te lossen, 't welk, waarschijnlijk, zonder hem, voor altijd onöpgelost had moeten blijven.

Ik joeg, namelijk, twee dagen lang, op een haas. Mijn hond bragt hem telkens terug, maar ik kon hem niet onder het schot krijgen.—Het wasnooit mijne zaak aan toverij geloof te slaan; ik heb daar toe te veel zonderlinge gevallen beleeft; maar in dit geval was mijn begrip ten einde.—Eindelijk kwam de haas mij zoo nabij, dat ik hem kon treffen. Hij viel; en wat meent ge wel dat ik zag?—de haas had vier pooten onder het lijf, en vier op den rug. Als de vier onderste moede waren keerde hij zich om, als een bedreven zwemmer die op buik en rug zwemt, en liep dan met dezelfde snelheid weder voort. Naderhand heb ik ook nooit zoo een haas weer gezien; en ook dezen had ik gewis niet gekregen, als mijn hond niet zulke buitengewoone bekwaamheden had bezeten. Nooit zag ik beter. Het dier werd oud in mijnen dienst; en was niet zoo zeer wegens zijne grootte, als gezwindheid en eene andere omstandigheid zeer opmerklijk. Altijd heb ik 'er mede gejaagd. Had gij hem ooit gezien, gij zoudt'er u over verwonderd, en mijne voorkeuze, dat ik met hem altijd ging jaagen, goed gekeurd en geprezen hebben. Hij liep zoo snel, zoo veel en zoo lang in mijnen dienst, dat zijne voetzolen geheel waren afgesleten, zoodat ik op het laatst van zijn leven genoodzaakt was, om hem niet anders te gebruiken als tot een beschutter, in welke hoedanigheid hij mij zederd verscheiden jaren nog uitstekend dient.

Dit brave beest veranderde van kunne. Ja, mijne Heeren! deez' Hij werd een Zij! een teef! Op zekeren dag zette zij een haas naa, die mij toescheen zeer groot en zwaar te zijn. Ik beklaagde mijn arme teef: want zij was met jongen; en evenwel wilde zij zoo hard lopen als ooit. Mijn paerd vloog uit al zijn magt, en nogthans kon ik haar niet dan op een groten afstand volgen. Zeer onverwagt hoorde ik een getier als van een gantsche jagt van honden—maarzoo zagt en flaauw, dat ik niet wist, wat ik daar van maaken moest. Toen ik 'er bij kwam, was ik niet weinig verbaasd! de haas had in den loop geworpen; 't zelfde kwam mijn teef in het naazetten over—'er waren even zoo veel jonge hazen als honden. Door haar bijzonder instinkt liep de eerste, en de andere jaagde, en vong haar, en dus vond ik mij op het laatst bezitter van zes hazen, en even zoo vele honden, schoon ik maar met één begonnen was.

Ik herinner mij deze verwonderlijke teef met hetzelfde vermaak en dezelfde genegenheid, als een schoon poolsch paerd, 't welk voor geen geld te koop was. Het werd mijn eigendom, door een toeval, dat mij gelegenheid gaf om met groot voordeel te toonen, dat ik de kunst van paerden te berijden wel verstond. Ik was op het heerlijk landgoed van den GraafPRZOBOSSKY, inLitthauen, enbleef in de zaal, bij de Vrouwen, thee drinken, terwijl de Heeren beneden in den tuin waren, om een schoon bruin paerd te zien, 't welk zoo even uit de stoeterij kwam. Zeer schielijk hoorden wij een geluid, waardoor wij merkten, dat 'er eenig ongemak was.—Ik haastte mij daarom naa beneden, en vond het paerd zoo wild, dat niemand het dorst naderen of beklimmen. De stoutste rijders stonden verslagen en bedremmeld; wanhoop was op ieders aangezigt te lezen; wanneer ik in éénen sprong agter op het paerd zat, het overhoeds aangreep, het geheel mak en tam kreeg, en het, door mijne kennis van paerden en bekwaamheid in het rijden, in mijn bedwang had. Ik brandde van begeerte om dit aan de Vrouwen te toonen, en haar voor onnutte schrikken te bewaaren; daarom deed ik het door één van de open ramen van de theekamer springen, reed 'er eenigen tijd mederond, stappende, rennende, of in een vollen galop; op 't laatst deed ik het op de theetafel springen, om op dezelve, in 't klein, de lessen te herhaalen, welken ik het reeds geleerd had: dit stond zeer sierlijk, en gaf aan de Vrouwen geen klein vermaak: want het beestje deed zijne zaken zoo verbazend wel, dat niet één kopje of schoteltje brak. Dit deed haar, en vooral den edelen Graaf, zoo goede gedachten van mij krijgen, dat hij mij, met zijne gewone vriendelijkheid, verzocht, om toch dit jong paerd van hem aantenemen, en het te berijden, om roem en overwinning te behalen, in den veldtogt tegen deTurken, welke welhaast, onder het bevel van den Graafvan Munnich, stond geopend te worden.

III.

III.

Nooit had ik een aangenamer geschenk kunnen ontvangen, noch waarbij ik mij gunstiger voorspellingen konde doen bij de opening van den veldtogt, in welkenik het eerst als krijgsman dienen zoude. Een zoo fraai, zoo vuurig, en zoo vinnig paerd—zoo mak als een lam, en te gelijk eenBUCEPHALUS, deed mij gestadig denken aan mijnen pligt als krijgsman en edelman—aan den jongenALEXANDER, en de verbazende dingen, welken hij in 't veld verrigt heeft.

Wij trokken te veld, met oogmerk, zoo het onder anderen scheen, om den roem der Russische wapenen, welke in den laatsten veldtogt vanCzaarPETERaan dePrutheen weinig geleden had, weder te krijgen; en dit oogmerk bereikten wij volkomen, door verscheiden zeer vermoeiende maar roemrijke togten, onder het bevel van den zoo even genoemden grooten Generaal.

Zedigheid verbied ieder enkel lid van een leger zig de grote voordelen en overwinningen, door hetzelve behaald, toe te schrijven, naardien, volgends het gewoon gebruik, de roem daarvan geheelen alleen ingeöogst wordt door de legerhoofden, hoe gering ook hunne bekwaamheden dikwijls mogen zijn; of, 't gene nog verkeerder is, door de Vorsten, of Koningen, die nooit, dan op vrolijke feestdagen, of bij den wapenschouw hunner troepen, kruid geroken, nooit een slagveld gezien hebben, noch, buiten de Wagt-parade, ooit een Corps in slagorde zagen.

Ik wil mij ook geenszins eenig bijzonder gedeelte toeschrijven van den roem, welken wij in verscheiden gevegten met den vijand behaalden: wij deden alle onzen pligt, welk woord, in de taal der patriotten, krijgslieden en edellieden, van eene zeer uitgebreide en verschillende betekenis en gewigt is; naardien het geenszins om 't even is, op welke plaats en in welke omstandigheden men zig bevinde, om den waren zin van de woorden eed, pligt, eer, geweten en dergelijken wel te kunnen bevatten,en zig daarnaar behoorlijk te gedragen.—Maar deze zaken zijn te verheven, dan dat burgerverstanden ze alle zouden kunnen bevatten.

Een geval kan ik, echter, niet nalaaten hier te melden. Het bevel hebbende over eene bende Huzaren, met last en magt om naar bevinding van zaken te handelen, deden wij verscheiden togten. Het voordeel, 't welk wij daarin op den vijand behaalden, meen ik, dat billijk aan mijn beleid, en het goed gedrag mijner brave lieden, welken ik ten strijde en ter overwinninge aanvoerde, moet toegeschreven worden. Eens hadden wij het in de voorhoede zeer heet, toen wij deTurkeninOczakowterug dreven. MijnPoolschmanbragt mij altijd in 't heetste vuur. Hier had ik één der eerste voorposten, en zag den vijand tegen ons opkomen in een dikke wolk van stof, waardoor ik noch hun wezenlijk getal noch hunne waarachtige oogmerken ontdekkenkonde. Om ons zelven insgelijks door een wolk van stof te dekken, was wel eene gewone voorzigtigheid, maar hierdoor kreeg ik nog geen kondschap van den vijand, noch het beandwoordde aan 't oogmerk, waartoe ik was uitgezonden. Hierom liet ik de flanken aan de beide vleugels zich verstroijen, om zoo veel stof te maaken, als zij konden; maar ik hield regt aan op den vijand, om hem zoo veel te nader onder de oogen te zien. Dit laatste gelukte mij zeer wel: want de vijand stond en vogt maar zoo lang, tot dat hij door mijne flanken in beweging, en aan 't wijken gebragt werd, en geheel in wanorde geraakte. Dit was het ogenblik, om met vuur op den vijand in te vallen.—Wij sloegen hem volkomen, en maakte eene schrikkelijke slagting onder denzelve—wij dreeven hem niet alleen te rug tot aan de wallen hunner stad, maar zelfs door de stad heen, 't welkonze bloeddorstigste verwagting zelfs te boven ging.

De ongemeene gezwindheid van mijnen Litthauër deed mij de eerste onder de vervolgers zijn. Hier door zag ik, dat de vijand de andere poort van de stad hals over kop uitvloog, en had wel lust om hem verder naa te zetten; maar eene markt ziende, oordeelde ik het voorzigtigst om daar stil te houden, en mijn volk bij één te zamelen. Ik hield stil, mijne Heeren! op de markt; maar oordeelt over mijne verbaasdheid, dat ik mijn volk een gantsch eind voor uit moest zijn, naardien ik geheel alleen was en niet éénen Huzaarhendeof omtrend mij kon gewaar worden! Zijn zij eene andere straat ingeslagen? Of wat is 'er van hun geworden? Zekerlijk konden zij niet verre meer agter zijn, en moesten zig, ieder ogenblik, bij mij voegen. Terwijl ik mijne brave maats wagtte, wandelde ik metmijn paard naa eene waterleiding op de markt, en drenkte het. Het beest dronk ongemeen veel—met eene onverzaadlijke gretigheid; maar welke zeer natuurlijk was: want toen ik naa mijne manschap om zag, zag ik dat mijn arm beest zijn agterste gedeelte, tot aan de lendenen toe, kwijt was, als of het in tweeën ware doorgehakt; het water liep er weder uit, zoo als het 'er inkwam, zonder mijn paerd eenigszins te verfrisschen of eenig goed te doen! Hoe dit toegekomen ware, bleef voor mij eene verborgenheid, tot dat eindelijk mijn knegt van eenen anderen kant kwam aan jagen, en onder een vloed van trouwhartige gelukwenschingen en kragtige vloeken mij verhaalde, dat, wanneer ik den vijand zoo kort op de hielen na binnen volgde, men het schof(5)had latenvallen, (dit had ik in de drift niet bemerkt) waar door het agterste gedeelte van mijn paerd glad was afgeslagen; eerst had dat gedeelte geweldig tegen de deuren rondom zich geslagen, en was vervolgens naa eene weide, daar kort bij, gelopen, daar ik het waarschijnlijk nog wel zou vinden.—Terstond wendde ik, en in een verbazend snellen galop bragt mijn overig half paerd mij in de weide. Ik vond, tot mijne groote blijdschap, hier de afgeslagen helft weder; en tot mijne verwondering zag ik dat dezelve zich met eene bezigheid vermaakte, die zoo wel was uitgedagt, dat tot heden toe geenMaitre des plaisirs, met al zijn vindingrijkheid, in staat was, om een vermaak uit te denken dat beter voor een hoofdeloos wezen voegt; om het met één woord te zeggen, het agterdeel van mijn wonderpaerdhad in die weinige ogenblikken reeds eene gemeenzame kennis gemaakt met de merries, die in de weide liepen, en scheen bij de vermaaken van zijnen Harem alle zijne geledene smerten te vergeten. Hierbij kwam nu zekerlijk de kop zoo weinig in aanmerking, dat zelfs eenige veulens haar aanwezen aan deze uitspanning te danken hadden, hoewel zij onbruikbaare misgeboorten waren, welken alles ontbrak wat hun Vader miste toen hij hun voortbragt.

IV.

IV.

Daar ik nu zulke onwederleglijke bewijzen had van het leven van de beide gedeelten van mijn paerd, liet ik terstond onze paerdensmit komen; zonder zich lang te bedenken kwam deze op den inval, om de beide delen, terwijl ze nog tamelijk warm waren, wederom aan elkanderen te voegen. Hij naaide ze vast met takjes en jonge spruitjes van laurierbomen, welke juist bij de hand waren.—De wond genas; en wat kon een zooberoemd paard niet te beurte vallen? de spruitjes maakten wortel in deszelfs lighaam, groeiden op en maakten een priëel, in de gedaante van een munnikskap, zoo dat ik naderhand altijd op andere togten kon uitgaan onder de schaduw van mijne eigene en mijns paerds laurieren.

Van iemand, die een paerd als het mijne kon berijden, zult gij, Heeren! ook wel andere behendige bedrijven willen gelooven, die U anders misschien wat fabelachtig zouden voorkomen. Eens dat wij eene stad belegerden, had de bevelhebber een bijzonder belang om de inwendige gesteldheid der plaats te weeten. Het scheen ten uiterste moeilijk, ja bijna onmogelijk, om door alle de voorposten, wachten en werken binnen te geraaken, en 'er was geen geschikt voorwerp voorhanden, om zoo iets met hoop van eenen gelukkigen uitslag, te ondernemen. Misschien een weinig te voorbarig in ijver en moed, plaatste ik mij naasteen 36 ponder, die op dat ogenblik op de stad zou losbranden, en,wip!op den kogel, met oogmerk om mij in de vesting te laaten brengen; maar toen ik omtrend halfwege door de lucht was kreeg ik allerlei bedenkingen in den kop, die ik niet kon oplossen. „Ja, dagt ik, gij zult nu wel binnen komen; maar hoe 'er weder uit? hoe zal het u in de vesting gaan? zal men u niet aanstonds voor een spion nemen, en u aan de eerste galg de beste hangen? zulk een bed van eer zal u weinig roem nalaten.” Ik nam hierom een kort besluit, en bediende mij van de gelegenheid dat een kogel, eenige schreden van mij af,uitde vesting naa ons leger snelde.Wip!van dien op welken ik zat op dezen over, en zoo kwam ik met onverrigte zaaken, maar nogtans behouden, in het leger terug.

V.

V.

Zoo ligt en vaerdig ik in het springen was, was ook mijn paerd, slooten noch heggen beletteden mij ooit den kortsten wegte nemen. Eens zette ik op hetzelve een haas naa, die dwars over den gemeenen weg liep, wanneer juist een koets, met twee jonge dames 'er in, dien weg kwam, tusschen mij en den haas. Mijn paerd vloog zoo snel, zonder zich te stooten, door de koets heen, waarvan de glazen opgetrokken waren, dat ik nauwlijks den tijd had om mijn hoed aftenemen, en de dames voor deze vrijpostigheid verschoning te vragen.

(5)Het schof ofport-cullis, zijn zwaare vallende deuren, met scherpe punten van onderen.Men laat ze neervallen, om het binnen komen van een vijand in eene versterkte stad te beletten.

(5)Het schof ofport-cullis, zijn zwaare vallende deuren, met scherpe punten van onderen.Men laat ze neervallen, om het binnen komen van een vijand in eene versterkte stad te beletten.

De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt de bijen van den Sultan, welken aangevallen worden door twee beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa debeerensmijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm, opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de aarde, en redt zig zelve uit eene diepe kuil.—Redt een wagen,welkeden zijnen, op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge wijze.Wonderbaar uitwerksel van de vorst op den posthoren van zijn koetsier.

Ik was nogtans niet altijd gelukkig(6). Ik had zelfs het ongeluk, dat ik voor de overmagt der vijanden moest bukken, en door hun krijgsgevangen gemaakt, en, het welk nog erger, maar bij deTurken(7)altijd gebruiklijk is, tot slaaf verkoft werd. In dezen staat van vernederinge, was mijn dagelijks werk wel niet hard en zwaar, maar eerder zonderling en vervelende. Ieder morgen moest ik de bijen van den Sultan naa buiten op het veld brengen, den ganschen dagoppassen en tegen den nacht wederom in hare korven drijven. Op zekeren avond miste ik ééne bij, en wel ras merkte ik, dat twee zwijnen haar aangevallen waren, om haar te verslinden, en den honig, welken zij bij zig had, onder elkander te deelen. Ik had niets bij mij, waarmede ik die dieren kon verjaagen, dan de zilveren bijl, welke het teken is van des Sultans hovenieren en landbouwers. Ik smeet dezelve naa de dieven, in hoop van hen te verschrikken en weg te jaagen, en de arme bij in vrijheid te stellen; maar door eenen ongelukkigen draai in mijn' arm vloog de bijl naa om hoog, en bleef gestadig klimmen, tot dat zij aan de Maan raakte. Hoe kon ik haar weder krijgen? Hoe haar van daar terug haalen? Ik herinnerde mij, dat de turksche bonen zeer snel opwassen, en tot eene verbazende hoogte opklimmen. Terstond plantte ik eenen, welke vattedeen zoo spoedig groeide, dat hij zig terstond aan één van de horens van de Maan vast hegtte. Nu had ik niets anders te doen, dan daar tegen zagtkens en voorzigtiglijk op te klimmen naa de Maan; alwaar ik behouden aankwam. Ik had een huis vol werk, eer ik mijne zilveren bijl konde vinden in een plaats, daar alles de helderheid en glans van zilver heeft; maar eindelijk vond ik haar in een hoop van kaf en gekapt stroo. Maar helaas! de weg van wederkeeren was voor mij afgesneden: door de hitte van de Zon was mijn boon geheel verdord, en geheel onbekwaam tot mijne nederdalinge. Hierop teeg ik aan 't werk, en maakte mij een touw van dat kapsel, zoo lang en zoo goed, als ik het ooit geleerd had. Dit maakte ik aan één van de horens harer bleeke Majesteit vast, en liet mij daar langs stil afzakken. Ik hield mij vast met de linker hand, en mijne bijlin de regter hebbende, hakte ik daarmede telkens het lang en nu nutteloos boven gedeelte van het touw af, knoopte dit aan het onderste gedeelte weder vast, het welk mij een goed eind wegs laager bragt. Dit geduurig splitsen en knoopen van het touw maakte het zelve gantsch niet langer of beter; ook werd ik daardoor verhinderd, om op het land van den Sultan neder te komen. Ik was nog vier of vijf mijlen, ten minsten, van de aarde, wanneer het touw brak, en ik op den grond viel, met een zoo verschriklijk geweld, dat ik geheel in zwijm lag, en mij in een gat vond meer dan negen vademen diep, 't welk ik, van zoo groote hoogte vallende, met mijn lighaam in de aarde gemaakt had. Ik kwam weder bij mij zelven, maar zag geen kans, om daar weder uit te komen. Hierop begon ik met mijne nagels, welken toen veertig jaren gegroeid hadden, een soortvan trap te graaven, en kwam 'er op deze wijze gelukkig uit.

Door deze vermoeiende les voorzichtiger geworden, overlegde ik het vervolgends beter, om mij van de zwijnen, die zoo gretig naa mijne bijen en den honig waren, te ontslaan. Ik bestreek den disselboom van een veldwagen met honig, en legde mij 's nachts digt daarbij in hinderlaag. Het geen ik hoopte gebeurde. Een groote beer, door de geur van den honig gelokt, kwam aanzetten, en begon zoo gulzig aan de punt van den dissel te likken, dat hij dezelve hoe langer hoe dieper binnen kreeg, tot ze eindelijk door slokdarm en maag ging en agter weder uitkwam. Nu schoot ik toe, en stak door het gat, voor aan den disselboom, een pen, om den likker den aftogt te beletten; en liet hem zoo tot 's morgens zitten. De Grote Heer, die toevallig daar voor bij kwam wandelen, lachte over deze klucht dat hij schudde.

Kort daarna werd de vrede met denTurkgesloten: ik kreeg mijne vrijheid weder, en werd, met andere krijgsgevangenen, terug gebragt naSt. Petersburg. Doch ik nam kort daar op mijn afscheid: dit was ten tijde toen die wonderlijke omwenteling aldaar voorviel, wanneer deKeizerin zijne wieg, zijne Moeder, de hertog vanBrunswijk, haar Vader, de Graaf vanMUNNICH, en vele andere personen naaSiberiegebannen werden. De winter was toen door geheelEuropazoo ongemeen streng, dat de Zon groot nadeel moet geleden hebben, waaraan zij zederd tot op den huidigen dag gesukkeld heeft. Ik ontmoette daarom ook op mijne terugreis uit dit land grooter ongelegenheden, dan ik op mijn vertrek derwaards geleden had.

Ik reisde met den gewonen postwagen; wanneer wij op smalle wegen kwamen, herinnerde ik den voerman, dat hij op zijn horen zoude blaazen, om anderereizigers op dezen smallen weg te waarschuwen. Hij blaasde uit al zijne magt; maar alle zijne pogingen waren te vergeefsch. Hij kon zijnen horen geen geluid doen geven; dit was onbegrijplijk, en tevens ongelukkig: want kort daarna kwamen wij een anderen wagen tegen, daar het zoo smal was, dat wij niet voorbij elkander konden gaan; hierom sprong ik uit den wagen, en, daar ik zeer sterk was, zette ik hem, met wielen en al wat 'er in was, op mijn hoofd, sprong daarmede over een haag, ongeveer negen voeten hoog, in het veld, ('t welk, als men het gewigt van den wagen in aanmerking neemt, gantsch niet gemaklijk te doen was) en nam een tweeden sprong, waardoor ik weder op den weg kwam, agter het andere rijdtuig; toen ging ik om de paerden: één daarvan nam ik op mijn hoofd, en het andere onder mijn linker arm, en bragt ze op dezelfde wijze bij onzenwagen, spande ze weder voor, en zoo kwamen wij tegen het vallen van den avond gelukkig aan eene herberg. Ik vergat bijna te zeggen, dat het paerd, 't welk ik onder den arm had, zeer vuurig, en niet boven de vier jaren oud was, dat het een grooten tegenzin toonde tegen deze geweldige soort van beweging, niets doende, dan schoppen en slaan; maar dat ik zijne agterste pooten vast hield, met ze in de zak van mijn rok te steken. Toen wij in de herberg waren gekomen, ververschten mijn voerman en ik ons zelven eens regt hartelijk voor alle onze vermoeienissen: hij hong zijn horen aan een spijker naast den schoorsteen in de keuken, en ik zat in den anderen hoek.

Zeer schielijk hoorden wij:tereng! teng! teng!Wij zagen rond, en ontdekten nu de rede, waarom de voerman niet op zijn horen had kunnen blaazen. Zijne geluiden waren in den horenvastgevrozen, en vloogen, nu ze ontdooiden, bij menigte daar uit. De voerman was hier mede zeer in zijn schik, omdat hij ons daardoor ten vollen overtuigde, dat hij waarlijk geblazen had; maar mij verveelde het verschriklijk: want zonder dat de knaap den horen aan den mond bragt, moesten wij, eenige uuren lang, alle de deunen hooren, welken hij dien gantschen dag op zijn horen geblazen had: wij hoorden dePruissische marsch—Malbroek—hoe helder schijnt die zilverde maan—viva den Hertog—en honderd andere dergelijke geliefde deunen.

Naardien sommige reizigers 'er zig op toeleggen, om meer te verhaalen, dan misschien, strikt gesproken, waar is; zal mogelijk de een of ander van het gezelschap aan mijne geloofwaardigheid twijfelen. Maar dezen zeggeik alleen: dat ik hem, wegens zijn gebrek aan geloof, uit al mijn hart beklaage; en bidde hem, dat hij zijn afscheid neme, eer ik mijne verdere gevallen, welken niet minder wezenlijk gebeurd en wonderlijk zijn, als die ik U heb medegedeeld, begin te verhaalen.

(6)Deze weinige woorden zijn een voldingend bewijs van des Barons geloofwaardigheid, en de waarheid zijner geschiedverhaalen. Een liegende grootspreker is nooit ongelukkig.

(6)Deze weinige woorden zijn een voldingend bewijs van des Barons geloofwaardigheid, en de waarheid zijner geschiedverhaalen. Een liegende grootspreker is nooit ongelukkig.

(7)De Baron deelde naderhand grootlijks in de gunst van den Grooten Heer, gelijk uit het vervolg zal blijken.

(7)De Baron deelde naderhand grootlijks in de gunst van den Grooten Heer, gelijk uit het vervolg zal blijken.


Back to IndexNext