(22)Deze was de naam van dit vijandelijk schip.XVI. HOOFDSTUK.Dit hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederenEngelschman, bijzonderlijk bij allen die in 't vervolg het ongeluk zullen hebben van krijgsgevangenen te worden.Op mijn hertogt vanGibralternaaEngelandreisde ik doorFrankrijk, 't welk ik zonder eenigen hinder doen konde, omdat ik geen engelsche van geboorte was. In de haven vanCalaiszag ik een schip binnen loopen, waarop een menigteEngelschematrozen als krijgsgevangenen waren. Zoo als ik hen zag, nam ik het onverwijld besluit, om dezen braven lieden hunne vrijheid wederte bezorgen. Tot dat einde maakte ik twee vleugels, ieder van welken honderd-en-twintig voeten lang en twee-en-veertig voeten breed waren: deze vleugels aan mijn lijf vast gemaakt hebbende vloog ik op, met het aanbreken van den dag, toen alle menschen, zelfs de wacht op het dek, nog sliepen. Toen ik boven het schip was, maakte ik met mijn slinger drie ijzeren haken aan de drie masten vast, en het schip alzoo eenige voeten uit het water opgeligt hebbende vloog ik het kanaal over naDover, alwaar ik in een half uur aankwam.Wat deEngelschegevangenen enFranschewachten aanbelangt: zij waren al twee uuren inDovergeweest, eer zij ontwaakten; wanneer deEngelschen, bemerkende waar zij zig bevonden, hunnen staat met dien derFranschenveranderden, en wedernamen, het gene dezen hun ontroofd hadden;en niet meer: want zij waren te edelmoedig om wederwrakete nemen, en deFranschenop hunne beurt te plunderen.Van deze vleugelen heb ik in den oorlog metHollandnog eenige keeren gebruik gemaakt, doch zelden. Ik bezocht hunne scheepstimmerwerven,—waarop, voor onsEngelschen, met al te grooten ijver en voordvarenheid gewerkt wierd—om zoodanige hindernissen daar te stellen, als geschikt waren om derzelver arbeid te vertraagen; of zo dit niet gelukte, die schepen voor hen onbruikbaar te maaken; het welk ik deed door de kielen van sommige schepen aan de helling vast te nagelen, waardoor ze niet wilden afloopen, of om ver vielen; of door de bouten en pennen in den boeg los te maaken of die daar uit te haalen, zoodat het schip zoo spoedig zonk, als het te water kwam. enz. enz.(23)Na het einde des oorlogs heb ik deze vleugelen aan den gouverneur van het Kasteel vanDovergeschonken, om aldaar ten eeuwigen dage bewaard, en aan de nieuwsgierigen vertoond te worden.(23)Hierom heb ik altijd moeten lachen over deHollandschePatriotten, als ik hen in hunne nieuwspapieren hoorde klagen over werkeloosheid—over hunne ongegronde en ongerijmde staatkundige naarvorschingen naar de oorzaaken—hun ijdel geschreeuw van verraad en omkoopinge. Ik was geenHollander, deed het buiten weten van een ieder, en kon daarvoor derhalven geen geld trekken.—Zoude de Baron met zijne vleugels wel door het Ministerie gebruikt zijn, om de tijding der vredebreuke en de instructien aan den HeerRODNEYover te brengen?XVII. HOOFDSTUK.Eene reis naa Oost-indien.—De Baron spreekt van een vriend, die hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen vermaaken.Op eene reis, die ik naa Oost-indien deed met KapiteinHAMILTON, nam ik een heel besten vriend, waarvan ik zeer veel hield, mede: ik zoude hem, om mij van de gemene spreekwijze te bedienen, voor geen goud zoo zwaar als hij was, hebben willen verkoopen. Het was de beste brak, dien ik ooit zag. Nooit heeft hij mij bedrogen.Wanneer wij op zekeren dag, volgends de beste waarneemingen, nog ten minsten drie honderd mijlen van land af waren, stiet mijn hond aan: hem meer dan een uur lang met verbaasdheid aangezien hebbende, zeide ik het tegen den Kapitein en alle de andere Officieren aan boord; hen verzekerende, dat wij naabij land moesten zijn, naardien mijn hond wild rook. Dit verwekte wel een algemeen geschater; maar verminderde geenszins de goede gedachten, welken ik van mijnen vriend had. Na lang voor en tegen sprekens hierover, zeide ik stout tegen den Kapitein, dat ik opWIM'Sneus meer vertrouwde dan op de oogen van alle de zeelieden aan boord, en dat ik onbeschroomd mijn vragt 'er onder verwedden wilde, (te weten honderd guinees) dat wij binnen een half uur wild zouden opdoen. De Kapitein (een goedhartig man) lachte op nieuw, en begeerde dat MeesterCRAWFORD, descheeps-chirurgijnmijn pols zoude voelen; het welk hij deed, en verzekerde, dat ik volmaakt gezond was: hierop geraakten zij met elkander in het volgend gesprek, het welk, ofschoon zij zeer zagt spraken, en ik op eenigen afstand ware, ik egter verstaan kon.Kapitein.Het leutert hem zekerlijk in den bol: als een man van eer kan ik zijne weddingschap niet aannemen.Heelmeester.Ik denk daar anders over: hij is volmaakt gezond en bij zijn verstand (indien men ooit zeggen kan, dat zulke honden-gekken bij hun verstand zijn, waaraan ik twijfel); maar hij verlaat zig liever op de reuktepelen van zijnen hond, dan op het oordeel van alle de Officieren aan boord! hij wil zijn geld gewis verliezen, en verdient zulks rijkelijk.Kapitein.Zulk een zotskap, die zoo dwaas wil wedden, kan niet gezond zijn; en aan mijn kant zoude het niet braafzijn, hem te staan.——Evenwel—als hij met zijn geld nog eens voor den dag komt, zal ik hem medenemen.Terwijl dit gesprek duurde bleefWIMal in dezelfde houding staan, en versterkte mij hoe langer hoe meer in mijn gevoelen. Ik stelde de weddingschap andermaal voor; en zij werd aangenomen.Eenigen tijd, nadat ik mijn hond had zien aanstooten, waren sommige matrozen gaan visschen in de grote sloep, welke agter aan het schip met een touw vast was (het was schoon en stil weder); maar weinige oogenblikken na onze weddingschap harpoenden zij een buitengewoon groten haai, welken zij aan boord bragten. Toen zij dien opsneeden, om de traan daarvan te bewaaren, ziet, zoo vonden zij in de maag van dit dier niet minder danzes koppels levendige Patrijzen!Deze vogels waren zoo lang in die plaats geweest, dat ééne van de hennen op vier kiekens zat, en juist het vijfde uitpikte, toen de haai geopend werd.Deze jonge vogels werden opgekweekt met een nest jonge katten, die maar weinige minuten te vooren in de waereld waren gekomen! De oude kat was daar zoo mal mede, als met hare eigen jongen, en niet weinig verlegen, toen de oude hare zorgen en bestier ontvloog. Wat de andere patrijzen aangaat, daar waren vier hennen onder; ééne of meer derzelven zaten, geduurende de reis, aanhoudend te broeden, en alzoo hadden wij in de kajuit altijd overvloedig wild op tafel. Aan mijn bestenWIMgaf ik, uit dankbaarheid (want hij had honderd guinees voor mij gewonnen) dagelijks de beenen, en somtijds een gehelen vogel, te kluiven.XVIII. HOOFDSTUK.Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.——Het schip door een warrelwind afgenomen tot eene hoogte van duizendHollandschemijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet, en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving van de inwoners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.Ik heb u reeds gesproken van eene reis, die ik naa de Maan gedaan heb, toen ik naa mijn zilveren bijl zocht: naderhand deed ik nog eene reis derwaards, maar op een veel aangenamer en vermaaklijker wijze. Ook vertoefde ik aldaar toen lang genoeg, om het merkwaardigstete zien; 't welk ik u nu zoo nauwkeurig, als mijn geheugen toelaat, zal beschrijven.Ik ging op reis om nieuwe ontdekkingen te doen, zijnde daartoe aangezocht en gedrongen door een verren bloedverwant, die waarlijk geloofde, dat 'er zoodanig een volk, en van die grootte, alsGULLIVERbeschrijft in het rijk vanBrobdingnag, zoude te vinden zijn. Ik voor mij hield dat verhaal wel voor een verdigtsel; maar dewijl hij zeer rijk was, en mij tot zijnen eenigsten erfgenaam verklaard had, wilde ik hem niet tegenspreken, en ondernam de reis. Wij zeilden met een aanhoudend gunstigen wind naa de Zuid-zee, daar wij voorspoedig, doch zonder eenige aanmerklijke ontmoeting, aankwamen, behalven dat wij vliegende mannen en vrouwen zagen, die in de lucht beurtelings handjeplak speelden en een menuet dansten.Ook zeilden wij het EilandOtahite, waarvan KapiteinCOOKspreekt, en waarvan daan hijOMAImede nam, gelukkig voorbij; maar agttien dagen daarna ontstond 'er een geweldige orkaan, welke ons schip ten minsten duizend mijlen boven het water opligtte, en in die hoogte hield, tot dat een labberkoeltje van alle kanten in onze zeilen woei, en ons op eene verwonderlijke wijze hooger en hooger op voerde. Zes weeken lang op deze wijze boven de wolken voort gereisd hebbende, ontdekten wij een groot land, als een lichtgevend Eiland, rond en helder, alwaar wij in een zeer goede haven aanlandden, en terstond aan wal gingen. Wij bevonden, dat het bewoond was. Verre beneden ons zagen wij eene andere waereld, en daarin steden, bosschen, boomen, bergen, stroomen, zeeën, enz. enz. welke wij gisten, dat onze aarde was, die wij verlaten hadden. Hier zagen wij verbazendgrote figuren, die drie hoofden hadden, en op gieren reedden; en om u van de grootte dezer vogelen eenig denkbeeld te geven, moet ik u zeggen, dat derzelver vleugels zoo breed waren als ons groote zeil, en wel zesmaal zoo lang (ons schip was van zes honderd tonnen). De inwooners van de Maan (want wij hoorden nu, dat wij in de Maan waren) rijden niet, gelijk wij op deze waereld doen, te paerd, maar zij gaan op deze vogels eens op een pleiziertogtje uit vliegen. Wij vernamen, dat de Koning van dit Eiland met deZONin oorlog was. Zijne Majesteit wilde mij met een gezantschap daarheen vereeren; maar ik bedankte hem daardoor zeer beleefdelijk.Indiewaereldzijnalle dingen van eene buitengewoone grootte; een gemene vlieg bij voorbeeld, is ten minsten zoo groot als bij ons een schaap; als zij oorlogen, zijn hunne voornaamste wapensradijzen, welken zij gebruiken als pijlen; zij die daardoor gewond worden sterven op het ogenblik, hoezeer die radijzen noch van natuur noch door kunst vergiftigd maar zeer gezond en smaaklijk zijn om te eten. Als zij geen radijs meer hebben, maaken zij hunne pijlen van de toppen van de aspergien, en hunne schilden van paddestoelen, die aldaar altijd te vinden zijn.VII.Hier zagen wij ook eenige inboorlingen uit de hondsstar: koophandel deed hun dit zwervend leven verkiezen. Hunne aangezigten waren gelijk die van grote doggen, en hunne oogen stonden op het tipje van den neus. Oogleden hadden zij niet; maar als zij sliepen, bedekten zij hunne ogen met de tong. Over het algemeen waren zij twintig voeten hoog; maar wat de inboorlingen van de Maan betreft, de kortste derzelven was meer dan zes-en-dertig voeten lang; zij werden aldaar niet genoemdmenschen, maar kokende dieren: want zij maakten hunne spijs wel gereed, gelijk wij doen, met vuur; doch dit kostte hun zoo min als de maaltijd eenigen tijd: want zij openen hunneregterzijde, en zetten de gantsche hoeveelheid in ééns in de maag, welke zij dan weder toesluiten, tot op denzelfden dag in de volgende maand; naardien zij zich niet meer, dan twaalfmaal in een jaar, of iedere maand maar éénmaal, het innemen van spijs vergunnen: eene schikking die bij een ieder mensch, behalven bij vraten en lekkerbekken, moet en zal goedgekeurd worden.VIII.De vermaaken der liefde zijn in de Maan geheel onbekend: aldaar is, zoo wel onder de overige als de kokende dieren, maar eene of liever in het geheel geene kunne: want zij groeijen allen aan bomen van verschillende grootte en gedaante: die genen, waaraan de kokende dieren, of gelijk wij zouden zeggen, de menschen, groeijen, zijn de fraaiste van allen;zij hebben breede, dunne takken, en vleeschkleurige bladen, en brengen vrugten voord als noten, met harde schellen, ten minsten zes voeten lang; als zij rijp worden, 't welk men aan het veranderen van de kleur kan zien, worden ze afgeplukt, met grote zorgvuldigheid bij één vergaderd en weggelegd, zoo lang, als men dit goed vindt: want zij bederven nooit; en als zij het zaad van deze noten willen uitbroeden, werpen zij dezelven in een groten ketel met kokend water, waardoor de noot in weinige uuren zig opent en een volwassen schepsel daar uit springt.De natuur vormt deze schepsels reeds, eer zij in de waereld komen, tot derzelver verschillende beroepen; uit de eene noot komt een krijgsman, uit eene andere een wijsgeer, uit een derde een godgeleerde, uit een vierde een rechtsgeleerde, uit een vijfde een boer, uit een zesde een lompe kinkel, enz. enz. voord, en eeniegelijk hunner begint zig terstond te voltooien, door dat gene 't welk hij te vooren maar in de bespiegeling kende, werkstellig te maaken.Als zij oud worden, sterven zij niet, gelijk wij; maar verdwijnen, als de rook, in de lucht? Drinken hebben zij niet nodig: want de eenigste uitwaassemingen, welken zij hebben, zijn ongevoelig en alleen bij de ademhalinge. Aan iedere hand hebben zij maar éénen vinger, waarmede zij alles zoo goed kunnen verrigten, als wij, die 'er vier hebben met een duim. Hunne hoofden dragen zij onder den regterarm; als zij op reis gaan, of eenige zware bezigheid hebben, laten zij ze meestal te huis: want zij kunnen dezelven op eenigen afstand gebruiken. Dit ziet men hier dagelijks; en als lieden van rang of aanzien onder de maanlingen begerig zijn om te weten, wat 'er bij den gemenen man omga, blijven zij zelve te huis,dat is, de romp staat in huis, en zenden hunne hoofden derwaards, welke aldaar ongemerkt kunnen tegenwoordig zijn, en keeren op hun gemak terug naa huis, met een verhaal van het gene zij gezien en gehoord hebben.(24)De pitten van hunne druiven gelijken volmaakt naar hagel; en ik ben volkomen overtuigd, dat als een storm of harde wind de wijnstokken in de Maan stuk slaat, en de druiven van de ranken afbreekt, dan die pitten bij ons op de Aarde vallen, en onze hagelbuien maaken. Hierom zoude ik de zulken, die hierin met mij van 't zelfde gevoelen zijn, raaden, dat als het eens weder hagelt, zij dan die hagelstenen verzamelen,om Maanwijn daarvan te maaken. Zij smaakt zeer veel naar het wit Bergsch bier.—Eenige gewigtige omstandigheden heb ik nog vergeten te melden. Zij gebruiken hunne buiken, gelijk wij onze zakken, en dragen daarin alles wat hun gelieft: want zij kunnen die openen en sluiten, even gelijk hunne magen, naar welgevallen. Zij zijn niet belast met darmen, lever, hart of eenig ander ingewand; ook worden zij door klederen niet belemmerd, gelijk ook geen gedeelte van hun lighaam onzienlijk is, noch ongevoeglijk om het te vertoonen.Hunne ogen kunnen zij uit het hoofd nemen, of daar in laten, zoo als zij willen, en kunnen even goed zien, of zij dezelven in hunne handen of in hunne hoofden hebben. Gebeurt het, dat zij een oog verliezen of bezeeren, zij kunnen een ander leenen of koopen, en daarmede zoo goed zien, als met hunne eigen ogen. Uit dezen hoofde vindt menin alle landen van de Maan een groot getal winkeliers in ogen; ook zijn de inwoners in dit stuk, schoon ook hierin alleen, veranderlijk; somtijds zijn de groene, somtijds de geele ogen in de manier.Deze dingen zullen u zekerlijk zeer vreemd voorkomen, mijne Heeren? maar, indien bij iemand uwer nog eenige schaduw van twijfeling mogt overblijven, weet ik daar niet beter op, dan dat hij zelf eene reis naa de Maan doe, en dan zal hij weeten, of ik een geloofwaardig reiziger ben.(24)Dit voorrecht—om zijn hoofd ongemerkt tegenwoordig te laten zijn in het huis van een ander,—hebben in deMaanalleen de lieden van rang en aanzien in de huizen hunner minderen: somtijds kunnen zij in de huizen van huns gelijken insluipen, doch zeldzaam en met zeer veel moeite en voorzigtigheid.XIX. HOOFDSTUK.De Baron trekt over den Teems zonder behulp van een brug, schip, boot, of luchtbol, zelfs zonder zijn eigen wil; hij ontwaakt na een langen slaap; en vernielt een gedrogt, het welk alleen leefde van de verwoesting van anderen.Engelandging ik voor de eerstemaal bezoeken in het begin der regeringe van den tegenwoordigen Koning. Ik moest eenige goederen teWappinggaan bezigtigen, die aldaar voor sommigen mijner Vrienden teHamburgingescheept zouden worden, en keerde van daar over het plein van den Tower terug. Hier komende was ik zeer vermoeid, en vond de zon zoo verkwiklijk, dat ik in eenkanon kroop om wat uit te rusten, en mij zelven te koesteren—en viel in slaap. Dit gebeurde omtrend de klok van negen uuren, op den vierden van Zomermaand, zijnde 's Konings geboortedag; en al het kanon, 't welk 's morgens vroeg al geladen was, werd stiptelijk ten één uur afgelost, ter gedachtenisse van dien dag. Ik, die niets kwaads vermoedde, ja zelfs niet gedacht had, dat de staat, waarin ik mij plaatste, voor mij gevaarlijk konde worden, werd over de huizen aan de andere zijde van de rivier geschoten, en viel, tusschenBermondseijenDeptford, neder, in een grooten hooischelf, zonder te ontwaaken. Hier bleef ik zoo lang in een vasten slaap liggen, tot dat het hooi zoo dier werd ('t welk omtrend drie maanden naderhand was), dat de boer goed vond zijn hooi te verkoopen. De schelf, waarop ik lag, was de grootste van allen op de werf, en bedroeg meer dan vijfhonderd voeders;waarom men denzelven het eerst aantaste. Het volk, dat met ladders tegen mijn bestede opklom, maakte mij door hun geraas wakker; ik begon te geeuwen, en mij wat uit te rekken; maar mij nog eens willende omkeeren (want ik was nog niet uitgeslapen, en wist volstrekt niets van den staat, waarin ik mij bevond) begon ik te rollen en viel van boven neder op het hoofd van den boer, welken dit hooi toebehoorde; van dezen val had ik zelf het minste leed niet; maar brak den boer den nek. Tot mijn troost hoorde ik naderhand, dat hij een allerverfoeilijkst charakter bezat, en de voordbrengselen van zijnen grond nooit dan voor de buitensporigste prijzen verkogt.XX. HOOFDSTUK.De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den bergEtnagegeven te hebben; hij vindt zig zelven weder in de zuid-zee; bezoektVULKANUSop zijne reis; komt bij eenHollanderaan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas, liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld; hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in deKaspischezee.—De Baron laat een beer dood hongeren in zijne handen.—Eenige bijzonderhedenvan een borstrok.—In dit hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron zedekundige bedenkingen voor over de deugd van trouw en liefde tot de waarheid.De reizen van den heerBRYDONEnaaSicilie, welken ik met groot genoegen gelezen heb, haalden mij over, om den bergEtnate bezoeken. Mijne reis derwaards, en mijne aankomst aldaar leveren geene bijzonderheden op, die waardig zijn om verhaald te worden. Op een morgen vertrok ik zeer tijdig uit eene hut, alwaar ik des nachts geslapen had, en welke zes mijlen van den voet des bergs gelegen was, met voornemen om dezen vermaarden berg van binnen te onderzoeken, al ware het, dat ik in deze onderneming moest omkomen. Na eenen zwaren arbeid van drie uuren bereikte ik de kruin van den berg, welke toen reeds zederd drie weeken gewoedhad. Deze vertoning is door verschillende reizigers bereids zoo dikwerf beschreven, dat ik u niet wil ophouden met een verhaal van zaken, welken u zoo bekend zijn.Ik wandelde rondom den kelk, welke mij toescheen op zijn minst vijftienmaal groter te zijn dan de punch-kom van den duivel bijPetersfield, op den weg naaPortsmouth, maar zoo breed niet op den bodem: want aldaar gelijkt dezelve meer naar het naauwste gedeelte van een trechter, dan naar een punch-kom: kortom, ik had mijn besluit genomen; ik sprong 'er in, met de voeten vooruit, en vond mij op 't zelfde ogenblik in een hete trekkas, en mijn lighaam gekneusd en op verscheiden plaatsen gebrand door de gloeiende koolen, die zig, door hunne geweldige opbruizing, tegen mijne nederdaling verzetteden; maar mijne zwaarte bragt mij zeer schielijk op den bodem, daar ik, in het midden van getier en geschreeuw,vermengd met de verschriklijkste vloeken, aanlandde, en, na mijne zinnen weder vergaard te hebben en van de vermoeienis bekomen te zijn, eens begon rond te zien. Oordeelt over mijne verbaasdheid, Heeren! toen ik zag, dat ik in het gezelschap vanVULCANUSen zijne Cijclopen gekomen was, en ontdekte, dat zij gedurende de drie laatste weeken met elkander getwist hadden, over het onderhouden van goede orde en behoorlijke ondergeschiktheid, en dat hierdoor dat groot geraas op de bovenwaereld gedurende dien tijd ontstaan was; maar mijne aankomst herstelde den vrede onder hen; zelfs deedVULCANUSmij de eer aan, om pleisters op mijne wonden te leggen, waardoor zij op staande voet genezen waren; ook zettede hij mij veelerleie ververschingen voor, in het bijzonder nectar, en andere fijne wijnen, zulken, tot welken de goden en godinnen alleen recht hebben. Na dit onthaal geboodVULCANUSaanVENUS, dat zij mij alle inschiklijkheid, welke mijn staat vereischte, betoonen zoude. Het is mij onmogelijk, om het vertrek en het ledikant, waarop ik mij ter rust begaf, naar waarde te beschrijven, waarom ik dit ook niet zal ondernemen: het is genoeg u te zeggen, dat geen tong in staat is om daaraan gerechtigheid te laten wedervaren, of van die goedaardige godin te spreken met woorden, welke maar eenigzins met hare verdiensten overeenkomen; de gedachte daar aan alleen maakt mij duiselig.VULCANUSgaf mij een zeer beknopt berigt van den bergEtna; hij onderrigtte mij, dat dezelve niets anders was, dan eene ophoping van de assche van zijn fornuis; dat hij dikwijls genoodzaakt was om zijn volk te kastijden, en dat hij, in zijne drift, de gewoonte had om hun gloeiende kolen na den kop te smijten, welken zij niet zelden met de grootstevaardigheid afkaatste, en bovenwaards naa de waereld wierpen, zoodat dezelve hen niet konden raaken: onze oneenigheden, voegde hij er bij, duuren somtijds drie of vier maanden, en de verschijnselen daarvan op de waereld, denke ik, dat gij stervelingen uitbarstingen noemt. Ook verzekerde hij mij, dat de bergVesuviuseen andere van zijne werkplaatsen was, naa welken hij een toegang had onder het bed der zee, van drie honderd en vijftig hollandsche mijlen, en dat gelijke kijvagien aldaar gelijke uitbarstingen veroorzaakte.Als een nederig opwagter van MevrouwVENUSzoude ik hier gebleven zijn; maar sommige bemoeizugtige snappers, die zig in de ondeugd vermaaken,luisterdenVULCANUSiets in 't oor, 't welk in hem eene onverzoenlijke jaloersheid verwekte. Op zekeren morgen, wanneer ik, volgends gewoonte, mijne opwagting bijVENUSmaakte, nam hijmij, zonder eenige voorafgaande kennisgevinge, onder zijnen arm, en droeg mij naa een vertrek, 't welk ik te vooren nooit gezien had, waarin, naar alle waarschijnlijkheid, eenwélwas met een zeer wijde opening: hier hield hij mij boven met een uitgestrekten arm, en zeide: „ondankbaar schepsel, keer weder naa de waereld, van waar gij gekomen zijt:” en zonder mij tijd tot andwoord en verdediging te geven, smakte hij mij in het midden neder. Ik voelde, dat ik met eene verdubbelende snelheid naa beneden vloog, tot dat de ontsteldtenis mij van allen gevoel en opmerking beroofde. Naar mijne gissing viel ik in zwijn, waaruit ik spoedig ontwaakte, door het vallen in een groten kom waters, verlicht door de stralen van de zon. Van mijne jeugd af heb ik goed kunnen zwemmen, en aardige grappen in het water uitvoeren. In het eerst verbeeldde ik mij wel, dat ik in het paradijs was, in aanmerkingvan den angst en schrik, waaruit ik maar even bekomen was; doch eenigen tijd rond gezien hebbende, kon ik niets anders ontdekken dan een zeer ruime zee, alwaar men van alle zijden niets dan water zag, en begon nu eerst te gevoelen, dat het hier zeer koud was, en zeer veel verschilde van de luchtstreek van MeesterVULCAAN'Swinkel. Op eenigen afstand zag ik een ijslijk groot gevaarte, naar een steilen rots gelijkende, op mij aankomen; ras bemerkte ik dat het een druipende ijsberg was, welken ik rondom zwom, tot dat ik een plaats vond, van waar ik deszelfs top kon bereiken, gelijk ik deed, hoewel niet zonder eenige moeite; maar hier nog geen land kunnende zien, begon ik te wanhoopen, dat ik het ooit weder onder mijne voeten zoude krijgen; doch eer het donker werd, zag ik een zeil, werwaards wij zeer snel heen dreven; op een korten afstand riep ik aan het volk van dat schip,het welk mij in 't hollandsch andwoordde, waarop ik in zee sprong en zij mij een touw toewierpen, waarmede ik binnen boord gesleept werd. Op mijn onderzoek, waar wij ons bevonden, werd mij onderrigt, dat wij in den Zuider-oceaan waren, door welke ontdekking alle mijne twijfeling geheel werd weggenomen. Het was nu ontegenspreeklijk, dat ik van den bergEtnagevlogen was door het middenpunt der aarde in de Zuid-zee, 't welk veel korter en beknopter is dan den halven aardbol om te dwaalen.—Deze reis heeft nog nooit iemand vóór mij gedaan, zelfs niet ondernomen; en doordien ze zoo onverwagt opkwam, en zoo snel voordging, heb ik geene waarnemingen kunnen doen; maar zijt verzekerd, mijne Heeren! dat ik bij eene volgende gelegenheid daarop meer bedacht en op alle bijzonderheden opmerkzamer zal zijn.Ik nam eenige ververschingen en begaf mij ter ruste. Maar hoe onbeleefd zijn toch deHollanders!want hun mijne ontmoetingen en wedervaren zoo nauwkeurig verhaald hebbende, als ik nu aan U gedaan heb, scheen het, of sommigen, waaronder de schipper zig bijzonderlijk onderscheidde, die zulks door zijnegebaardenen half uitgesproken woorden klaarlijk liet blijken, aan mijne geloofwaardigheid twijfelden; welke belediging ik wel moest opkroppen, vooral om dat hij mij zoo gemaklijk aan boord van zijn schip genomen had, en toen juist bezig was in mij met het nodige te gerijven.Ik vroeg hen, werwaards de reis geschikt was? en kreeg hierop ten andwoord: „om nieuwe landen te ontdekken, en waarnemingen te doen; en dat,zoo mijne geschiedenis waar was, zij niet geheel vrugteloos zouden te rug keeren.” Wij waren nu juist in de streek van KapiteinCOOK'Seerste reize,en kwamen den volgenden dag inBotanij-baai. Deze plaats zoude ik in geenen deele aan de Engelsche regering als een verblijf voor schurken, geschikt om hen te straffen, kunnen aanbeveelen; zij zoude bij mij liever geschikt worden tot eene beloning voor verdiensten, naardien de natuur hare beste geschenken alhier met eene zeer milde hand overal gestrooid heeft.Wij bleven hier maar drie dagen; en vier dagen na ons vertrek kregen wij een allerhevigsten storm, waardoor wij alle onze zeilen verlooren, de boegspriet in stukken brak en de top van de grootste mast van boven neder kwam, welke op het kastje viel, waarin ons compas was, en hetzelve met het compas geheel verbrijzelde. Allen, die ooit op zee geweest zijn, weten, welke gevolgen zoodanig een verlies kan hebben. Wij wisten niet, waarheen wij nu moesten stuuren; maar ten laatste bedaarde de storm, en werdgevolgd door eene gestadige heldere koude, welke ons geduurende drie maanden lang bijbleef, zoodat wij daardoor eene verbaazende weg moeten afgelegd hebben. Eindelijk merkten wij de grootste verandering op, in alles wat ons omringde; onze adem werd lichtgevende stralen; onze neuzen werden onthaald op de aangenaamste geuren van specerijen welken men zig verbeelden kan; zelfs had de zee hare gedaante veranderd, en was wit in stede van groen!! Weinig tijds na deze zonderlinge verandering ontdekten wij land, en op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, zagen wij een rivier, welke wij, na die zes mijlen ver opgezeild te hebben, bevonden dat overal wijd en diep en enkel melk was, van den zuiversten en aangenaamsten smaak. Hier ankerden wij en ontdekten welhaast, schoon door het zonderlingste toeval van de waereld, dat het Eiland bestond uit een zeer grote kaas:want één van de bootsgezellen liep weg, zoodra wij aan land waren gekomen, maar kwam zeer schielijk wederom, om dat hij zig verbeeld had, dat hij overal kaas, waarvan hij een onverwinnelijken afkeer had, onder zijne voeten vond: wij lagchten hem wel helder uit; maar vrugteloos: want hij bleef stout en sterk staande houden, dat het gantsche land als met kaas bezaaid was: dit nader onderzoekende, bevonden wij, dat hij volkomen gelijk had, en dat het geheele Eiland, gelijk ik te vooren reeds heb opgemerkt, niet anders was dan een kaas van eene verbazende grootte! De inwoners leefden voornaamlijk van denzelven, en zoo veel zij daarvan bij dag gebruikten, groeide de kaas 's nachts wederom aan. Hier was een overvloed van wijnstokken met zware trossen druiven, welken geperst wordende niets dan melk leverden. Wij zagen ook de inwoners op schaatsen rijden over de roomvan de melk, daarop liggende als bij ons het ijs in 't water, schoon zoo dik niet en in het geheel niet hard; zij gingen zeer regt op, en hadden eene goede houding; zij waren negen voeten hoog, en hadden drie benen en eenen arm; over het geheel was hun voorkomen innemend; zij speelden op een jagthoren, welke bij volwassenen op het midden van het voorhoofd groeit, met veel bekwaamheid; zij zonken nooit, maar liepen en wandelden over hunne melk, als wij over onze weiden.Op dit Eiland, of op deze kaas, groeit zeer veel koorn, welks airen volkomen toegemaakt brood, als paddestoelen, voordbrengen. Op onze wandelingen over deze kaas ontdekten wij nog zeven andere stromen van melk, en twee van wijn.Zestien dagen voordgereisd hebbende, kwamen wij aan de andere zijde van het Eiland, en vonden aldaar blaauwe aarde, zoo als de kaaseters die noemen, welkeallerlei fijne vrugten oplevert: want in plaats van millioenen mijten, welken men natuurlijk uit dezen grond verwagt zoude hebben, bragt dezelve alle soorten van persiken, abrikozen, en duizend andere allersmaaklijkste vrugten, welken wij niet kenden, voord. De bomen, welken van eene verbazende grootte waren, waren vol met vogelnesten, onder anderen van een ijsvogel, dat boven alle beschrijving groot was, ten minsten vijfmaal zoo groot in deszelfs omtrek als de koepel van deSt. PauluskerkteLondon, en gemaakt, gelijk wij dit op nader onderzoek bevonden, van de grootste bomen, welken ik ooit gezien heb, die zeer kunstiglijk in elkander gevlogten waren: in dit nest waren ten minsten, (laat mij wel bedenken, want ik zou niet gaarne iets vergrooten) vijfhonderd eieren, en ieder ei was zoo groot als een gemeen oxhoofd; wij konden de jongen er in zien en hooren piepen.Een dezer eieren met zeer grote moeite opengehakt hebbende, kwam een nog gantsch vederloos jong daar uit, 't welk egter veel groter was dan twintig volwassen gieren. Zoo als wij dit jong uit zijnen kerker verlost hadden, schoot de oude ijsvogel toe, en onzen schipper in één van zijne klaauwen krijgende, vloog hij met hem wel een mijl hoog in de lucht, sloeg hem vreeslijk met zijne vlerken, en liet hem toen in zee vallen.—De inwoners verhaalden ons, dat deze vogels hunne jongen nooit uitpikken, maar met de eieren, zoo hoog als mogelijk is, in de lucht vliegen (waartoe het ééne nabuurig paar het ander altijd helpt; sommige eieren, welken wat groter dan gewone zijn, moeten zelfs door zes vogels tot die hoogte opgevoerd worden) en dezelven dan laten vallen, wanneer de dop door de ontvlambaare lucht in den brand en het jong volwassen er uit vliegt.—Deze is dePhenixder ouden.Daar alleHollanderswel kunnen zwemmen, was onze schipper weder spoedig bij ons, en wij keerden terug naa ons schip, maar langs een anderen weg, dan wij gekomen waren, op welken wij zeer aardige en vreemde dingen zagen. Wij schooten twee wilde ossen, hebbende ieder één horen, welke tusschen de ogen dezer dieren groeit: maar hiervan hadden wij naderhand grote spijt, toen wij vernamen, dat de inwoners dezelve temmen, en gebruiken, als wij onze paarden doen, om daarop te rijden of hunne goederen te vervoeren: ons werd gezegd, dat het vleesch daarvan uitstekend lekker is, maar niet gebruikt wordt, omdat deze menschen enkel van kaas en melk leven.Toen wij tot op drie dagreizen ons schip genaderd waren, zagen wij drie mannen bij de beenen aan een zeer hogen boom hangen; op ons vraagen naar de reden dezer strafoefeninge, hoordenwij, dat zij alle drie reizigers waren geweest, en hunne Vrienden bij hunne terugkomst misleid hadden, door plaatsen te beschrijven, welken zij nooit gezien hadden, en dingen te verhaalen, die nooit gebeurd waren. Hoe ongelukkig zouden bijna alle reizigers van grote en kleine togten, in onze meer bekende en beschaafde landen, zijn, als dergelijke wet ook bij ons stand greep! Doch ik zou daarmede, wat mij aangaat, geen medelijden hebben, zoo min als dat deze wet mij op dit kaas-eiland eenigen kommer gaf, om dat ik mij altijd stiptelijk tot waaragtigegebeurenissenbepaald heb.Aan boord komende maakten wij ten eersten zeil, en verlieten dit zonderling eiland, doch niet zonder nieuwe redenen van verbazinge: naardien alle de bomen op het strand, welker getal zeer groot was, en waar onder eene menigte zeer hoog en zwaar waren, ons tweemalengroeteden op één tempo, en terstond hunne voorige houding, welke zeer regt was, aannamen.Na drie dagen zeilens, (waar? wisten wij niet, omdat wij zonder compas waren) kwamen wij in een zee, welke zig geheel zwart vertoonde; maar welke wij, die proevende, bevonden zeer goede wijn te zijn, zoodat wij heel veel moeite hadden, om te beletten, dat het scheepsvolk zig niet dronken zoop: doch na verloop van weinige uuren zagen wij ons omringd door walvisschen en andere ontzagchelijke groote dieren, één van welken zig zoo groot vertoonde voor het oog, dat men daarvan geen begrip konde krijgen. En daar wij dit verschriklijk dier niet zagen, voor dat wij digt bij hetzelve gekomen waren, slingerde dit gedrogt ons schip, met al zijn staande en loopend want in zijnen bek, tusschen zijne tanden, welken langer waren dan de grote mast van het grootste Oorlogschip.Na eenigen tijd hier gezeten te hebben, opende het dier den bek zeer wijd, en nam in één teug eene zoo onmeetlijke hoeveelheid waters in, dat ons schip, 't welk ten minsten vijfhonderd tonnen groot was, als met den snelsten vloed naa binnen in zijne maag vloog; alwaar wij zoo stil lagen, of wij ten anker waren, en in een dodelijke kalmte. De lucht was hier, gelooft dit vrij, zeer heet en hinderlijk. Hier vonden wij kabels, ankers, boten, sloepen en een aanmerklijk aantal schepen, welken dit dier had ingezwolgen, waarvan sommige geladen waren, anderen niet. Hier moesten wij alles bij het kaarslicht verrigten; zon, maan, noch sterren konden wij hier zien, om eenige waarnemingen te doen. Onze schepen dreeven tweemaal daags, en zaten tweemaal daags aan den grond; of met andere woorden, tweemaal daags hadden wij ebbe en vloed; waarvan de oorzaak deze was: als het dier dronk,hadden wij hoog, en als het zijn water maakte, hadden wij laag water; de hoeveelheid van water welk dit dier iedere keer inzwolg, was, volgends eene zeer gematigde berekening, meer dan 'er in het meir vanGeneveis, schoon dit dertig mijlen in den omtrek bevat.Op den tweden dag na onze gevangenis in dit gewest der duisternisse, ging ik bij laag water, gelijk wij zeelieden plegen te spreken, als ons schip aan den grond zat, met den schipper en eenige andere Officieren, hebbende ieder een toorts in de hand, eens wandelen, en ontmoeteden eene zeer grote menigte menschen van allerleie natien, ten getale van meer dan tien duizend; zij vergaderden om met elkander te overleggen, hoe zij hunne vrijheid zouden weder krijgen, hebbende sommigen hunner reeds verscheiden jaren in de maag van dit beest geleefd. Juist als de voorzitter dezer vergaderinge ons zoude beginnente zeggen, tot welk einde wij bij den anderen waren gekomen, werd onze plaag dorstig, en dronk op deszelfs gewone manier; het water stortte met zoo veel gewelds naa binnen, dat wij allen verpligt wierden ons wederom naa onze schepen te begeven, of gevaar liepen van te verdrinken, zoodat sommigen nog moesten zwemmen, en naauwlijks hun leven reddeden. Doch weinige uuren daarna waren wij gelukkiger: want toen kwamen wij bijëen, zoodra het dier zig ontlast had. Ik werd tot voorzitter verkozen, en stelde voor, om de twee grootste masten, welken in de vloot waren, aan elkander te hegten, en als onze plaagbast den bek weder opende, dan gereed te zijn om dit houtje daarin te rammeien, en hem alzoo te beletten, dat hij dien niet weder sloot. Deze voorslag werd door degantsche vergadering goedgekeurd, en tot een besluit gemaakt: het welk een ieder der aanwezenden met het stellenvan zijn merk bekragtigde. Tot dit werk werden ettelijke der sterkste en onvervaardste kaerels uitgekozen, die hetzelve nauwlijks in gereedheid hadden, toen onze kerkervoogd den bek opende; maar onze brave manschap hunnen slag waarnemende, plaatsten op 't zelfde ogenblik het eene einde der masten tegen het verhemelte, en boorde het ander einde door de tong van dit dier, zoodat het zijnen bek niet weder konde toedoen. Nu werd het zeer ras hoog water; wij bemanden met der haast eenige sloepen, en lieten ons op deze wijze in de waereld boegseeren; wordende, na veertien dagen in deze duisternis gezeten te hebben, op de aangenaamste wijze door het verkwiklijk daglicht verrast.Wanneer wij allen van dit veel bevattend dier ons afscheid genomen hadden, monsterden wij onze vloot, en bevonden ons vijf-en-dertig zeilen sterk, van alle volken onder den hemel. De twee mastenlieten wij in den bek zitten, om te beletten, dat anderen in denzelfden afschuwlijken kuil der duisternisse en onreinigheid geen schipbreuk zouden lijden. Een onderzoek, in welk gedeelte van de waereld wij ons bevonden, was onze eerste bezigheid, waarmede wij een zeer geruimen tijd doorbragten; wanneer ik, na lang vergeefsch zoekens, eindelijk uit eenige waarnemingen ontdekte, dat wij in deCaspischezee waren, welke een gedeelte van het land derKalmucksche Tartarenbespoelt. Niemand kon begrijpen, hoe wij hier gekomen waren, naardien deze zee geene gemeenschap met andere zeeën heeft: één van de lange inwoners van het kaas-eiland, welken ik met mij genomen had, gaf 'er deze oplossing van: dat het gedrogt, in wiens maag wij zoo lang opgesloten waren geweest, ons hier gebragt had door onderaardsche kanalen; maar ons weinig daar over bekommerende, stevenden wijnaa land, en ik was de eerste die voet aan wal zettede. Dewijl onze schepen ons hier van geenen dienst waren, verkogten wij ze allen aan den groten Heer; en ik nam aan om dezelven met mijn slinger en vleugels uit deCaspischenaa deOost-zeete brengen, om in eenen volgenden Oorlog tegenRuslandgebruikt te kunnen worden.—Nauwlijks was ik landwaards in gegaan of 'er kwam een grote beer op mij aanloopen, en wilde mij te lijf; maar ik greep hem bij zijne voorpoten, in iedere hand één; kneep hem, dat hij lustig schreeuwde, en hield hem op deze wijze zoo lang, tot dat hij van honger stierf.Van hier reisde ik, voor de tweede keer, naaSt. Petersburg, alwaar een oud vriend mij een zeer goeden brak, een jong van die berugte teef, waarvan ik meermalen gesproken heb, welke jongen wierp terwijl zij een haas naa zettede, vereerde. Ik had het ongeluk hemkort daarna te verliezen, door een schot van een lompen onbezuisden jager, die op hem schoot in plaats van op een nest met veldhoenders, welken hij had opgestoten. Van het vel van dit schepzel heb ik dezen borstrok gemaakt (welken deBaronna dien tijd altijd droeg, en bij dit verhaal aan zijne vrienden toonde) welke het vermogen heeft om mij, zelfs tegen mijnen wil, te brengen, ter plaatse daar wild is, zoo menigmaal ik in dien tijd op het veld ben. Als ik binnen een snaphaan schot kome, is het nog nooit anders gebeurd, oféén van de knopen vliegt van mijn borstrok af, en valt op de plaats, daar het wild is, het welk, dan opvliegende, mij nog nooitmusluktis te raaken: want ik ga altijd wandelen met geladen geweer en overgehaalden haan. Eer de jagttijd aankomt, zal ik weder een nieuw stel knopen in gereedheid hebben.Als een nest met patrijzen op deze wijze, door het vallen van een knoop onder dezelven, gestoord wordt, vliegen ze altijd op in een regte lijn agter elkander. Op zekeren tijd vergat ik den hagel, en latende mijn laadstok in den loop, schoot ik denzelven zoo regt door de vogels heen, als of de kok ze aan 't spit gestoken had; ook had ik vergeten een prop op het kruid te doen, waardoor de laadstok zoo heet wierd, dat de vogels volkomen gaar waren, eer ik te huis was.Zoodra ik inEngelandterug gekeerd was, volvoerde ik dat gene, het welk mij het naast aan 't hart lag; te weten een bestaan te zoeken voor den kaas-eilander, welken ik mede gebragt had. Mijn oude vriend, de HeerWILLEM VAN KAMEREN, die aan mij alle zijne denkbeelden over het aanleggen van chineesche tuinen, met welker beschrijving hij zoo veel roems verworvenheeft, verschuldigd is, toonde zig in een gesprek, het welk ik kort na mijne wederkomst met hem hield, zeer verlegen om een middel, om de nieuwe vierkante lantaarns te ontsteken; hij merkte aan dat de gewone manier met ladders hier niet gevolgd kon worden; mijn geboren kaas-eilander kwam mij in 't hoofd, die van negen voeten, welke zijne lengte was toen ik hem mede nam, tot tien en een halven voet gegroeid was: ik bragt hem bij dien Heer, die hem met het aanzienlijk ampt van ontsteker der nieuwe lantaarns begunstigde. Ingevolge hiervan is hij tegenwoordig bezig, om in zijne zakken onder een groten klok een lamp te brengen, in plaats van die welken de HeerWILLEM VAN KAMERENzoo opzigtelijk in 't midden van een vierkanten lantaarn geplaatst had.
(22)Deze was de naam van dit vijandelijk schip.
(22)Deze was de naam van dit vijandelijk schip.
Dit hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederenEngelschman, bijzonderlijk bij allen die in 't vervolg het ongeluk zullen hebben van krijgsgevangenen te worden.
Op mijn hertogt vanGibralternaaEngelandreisde ik doorFrankrijk, 't welk ik zonder eenigen hinder doen konde, omdat ik geen engelsche van geboorte was. In de haven vanCalaiszag ik een schip binnen loopen, waarop een menigteEngelschematrozen als krijgsgevangenen waren. Zoo als ik hen zag, nam ik het onverwijld besluit, om dezen braven lieden hunne vrijheid wederte bezorgen. Tot dat einde maakte ik twee vleugels, ieder van welken honderd-en-twintig voeten lang en twee-en-veertig voeten breed waren: deze vleugels aan mijn lijf vast gemaakt hebbende vloog ik op, met het aanbreken van den dag, toen alle menschen, zelfs de wacht op het dek, nog sliepen. Toen ik boven het schip was, maakte ik met mijn slinger drie ijzeren haken aan de drie masten vast, en het schip alzoo eenige voeten uit het water opgeligt hebbende vloog ik het kanaal over naDover, alwaar ik in een half uur aankwam.
Wat deEngelschegevangenen enFranschewachten aanbelangt: zij waren al twee uuren inDovergeweest, eer zij ontwaakten; wanneer deEngelschen, bemerkende waar zij zig bevonden, hunnen staat met dien derFranschenveranderden, en wedernamen, het gene dezen hun ontroofd hadden;en niet meer: want zij waren te edelmoedig om wederwrakete nemen, en deFranschenop hunne beurt te plunderen.
Van deze vleugelen heb ik in den oorlog metHollandnog eenige keeren gebruik gemaakt, doch zelden. Ik bezocht hunne scheepstimmerwerven,—waarop, voor onsEngelschen, met al te grooten ijver en voordvarenheid gewerkt wierd—om zoodanige hindernissen daar te stellen, als geschikt waren om derzelver arbeid te vertraagen; of zo dit niet gelukte, die schepen voor hen onbruikbaar te maaken; het welk ik deed door de kielen van sommige schepen aan de helling vast te nagelen, waardoor ze niet wilden afloopen, of om ver vielen; of door de bouten en pennen in den boeg los te maaken of die daar uit te haalen, zoodat het schip zoo spoedig zonk, als het te water kwam. enz. enz.(23)
Na het einde des oorlogs heb ik deze vleugelen aan den gouverneur van het Kasteel vanDovergeschonken, om aldaar ten eeuwigen dage bewaard, en aan de nieuwsgierigen vertoond te worden.
(23)Hierom heb ik altijd moeten lachen over deHollandschePatriotten, als ik hen in hunne nieuwspapieren hoorde klagen over werkeloosheid—over hunne ongegronde en ongerijmde staatkundige naarvorschingen naar de oorzaaken—hun ijdel geschreeuw van verraad en omkoopinge. Ik was geenHollander, deed het buiten weten van een ieder, en kon daarvoor derhalven geen geld trekken.—Zoude de Baron met zijne vleugels wel door het Ministerie gebruikt zijn, om de tijding der vredebreuke en de instructien aan den HeerRODNEYover te brengen?
(23)Hierom heb ik altijd moeten lachen over deHollandschePatriotten, als ik hen in hunne nieuwspapieren hoorde klagen over werkeloosheid—over hunne ongegronde en ongerijmde staatkundige naarvorschingen naar de oorzaaken—hun ijdel geschreeuw van verraad en omkoopinge. Ik was geenHollander, deed het buiten weten van een ieder, en kon daarvoor derhalven geen geld trekken.—Zoude de Baron met zijne vleugels wel door het Ministerie gebruikt zijn, om de tijding der vredebreuke en de instructien aan den HeerRODNEYover te brengen?
Eene reis naa Oost-indien.—De Baron spreekt van een vriend, die hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen vermaaken.
Op eene reis, die ik naa Oost-indien deed met KapiteinHAMILTON, nam ik een heel besten vriend, waarvan ik zeer veel hield, mede: ik zoude hem, om mij van de gemene spreekwijze te bedienen, voor geen goud zoo zwaar als hij was, hebben willen verkoopen. Het was de beste brak, dien ik ooit zag. Nooit heeft hij mij bedrogen.Wanneer wij op zekeren dag, volgends de beste waarneemingen, nog ten minsten drie honderd mijlen van land af waren, stiet mijn hond aan: hem meer dan een uur lang met verbaasdheid aangezien hebbende, zeide ik het tegen den Kapitein en alle de andere Officieren aan boord; hen verzekerende, dat wij naabij land moesten zijn, naardien mijn hond wild rook. Dit verwekte wel een algemeen geschater; maar verminderde geenszins de goede gedachten, welken ik van mijnen vriend had. Na lang voor en tegen sprekens hierover, zeide ik stout tegen den Kapitein, dat ik opWIM'Sneus meer vertrouwde dan op de oogen van alle de zeelieden aan boord, en dat ik onbeschroomd mijn vragt 'er onder verwedden wilde, (te weten honderd guinees) dat wij binnen een half uur wild zouden opdoen. De Kapitein (een goedhartig man) lachte op nieuw, en begeerde dat MeesterCRAWFORD, descheeps-chirurgijnmijn pols zoude voelen; het welk hij deed, en verzekerde, dat ik volmaakt gezond was: hierop geraakten zij met elkander in het volgend gesprek, het welk, ofschoon zij zeer zagt spraken, en ik op eenigen afstand ware, ik egter verstaan kon.
Kapitein.Het leutert hem zekerlijk in den bol: als een man van eer kan ik zijne weddingschap niet aannemen.
Heelmeester.Ik denk daar anders over: hij is volmaakt gezond en bij zijn verstand (indien men ooit zeggen kan, dat zulke honden-gekken bij hun verstand zijn, waaraan ik twijfel); maar hij verlaat zig liever op de reuktepelen van zijnen hond, dan op het oordeel van alle de Officieren aan boord! hij wil zijn geld gewis verliezen, en verdient zulks rijkelijk.
Kapitein.Zulk een zotskap, die zoo dwaas wil wedden, kan niet gezond zijn; en aan mijn kant zoude het niet braafzijn, hem te staan.——Evenwel—als hij met zijn geld nog eens voor den dag komt, zal ik hem medenemen.
Terwijl dit gesprek duurde bleefWIMal in dezelfde houding staan, en versterkte mij hoe langer hoe meer in mijn gevoelen. Ik stelde de weddingschap andermaal voor; en zij werd aangenomen.
Eenigen tijd, nadat ik mijn hond had zien aanstooten, waren sommige matrozen gaan visschen in de grote sloep, welke agter aan het schip met een touw vast was (het was schoon en stil weder); maar weinige oogenblikken na onze weddingschap harpoenden zij een buitengewoon groten haai, welken zij aan boord bragten. Toen zij dien opsneeden, om de traan daarvan te bewaaren, ziet, zoo vonden zij in de maag van dit dier niet minder danzes koppels levendige Patrijzen!
Deze vogels waren zoo lang in die plaats geweest, dat ééne van de hennen op vier kiekens zat, en juist het vijfde uitpikte, toen de haai geopend werd.
Deze jonge vogels werden opgekweekt met een nest jonge katten, die maar weinige minuten te vooren in de waereld waren gekomen! De oude kat was daar zoo mal mede, als met hare eigen jongen, en niet weinig verlegen, toen de oude hare zorgen en bestier ontvloog. Wat de andere patrijzen aangaat, daar waren vier hennen onder; ééne of meer derzelven zaten, geduurende de reis, aanhoudend te broeden, en alzoo hadden wij in de kajuit altijd overvloedig wild op tafel. Aan mijn bestenWIMgaf ik, uit dankbaarheid (want hij had honderd guinees voor mij gewonnen) dagelijks de beenen, en somtijds een gehelen vogel, te kluiven.
Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.——Het schip door een warrelwind afgenomen tot eene hoogte van duizendHollandschemijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet, en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving van de inwoners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.
Ik heb u reeds gesproken van eene reis, die ik naa de Maan gedaan heb, toen ik naa mijn zilveren bijl zocht: naderhand deed ik nog eene reis derwaards, maar op een veel aangenamer en vermaaklijker wijze. Ook vertoefde ik aldaar toen lang genoeg, om het merkwaardigstete zien; 't welk ik u nu zoo nauwkeurig, als mijn geheugen toelaat, zal beschrijven.
Ik ging op reis om nieuwe ontdekkingen te doen, zijnde daartoe aangezocht en gedrongen door een verren bloedverwant, die waarlijk geloofde, dat 'er zoodanig een volk, en van die grootte, alsGULLIVERbeschrijft in het rijk vanBrobdingnag, zoude te vinden zijn. Ik voor mij hield dat verhaal wel voor een verdigtsel; maar dewijl hij zeer rijk was, en mij tot zijnen eenigsten erfgenaam verklaard had, wilde ik hem niet tegenspreken, en ondernam de reis. Wij zeilden met een aanhoudend gunstigen wind naa de Zuid-zee, daar wij voorspoedig, doch zonder eenige aanmerklijke ontmoeting, aankwamen, behalven dat wij vliegende mannen en vrouwen zagen, die in de lucht beurtelings handjeplak speelden en een menuet dansten.
Ook zeilden wij het EilandOtahite, waarvan KapiteinCOOKspreekt, en waarvan daan hijOMAImede nam, gelukkig voorbij; maar agttien dagen daarna ontstond 'er een geweldige orkaan, welke ons schip ten minsten duizend mijlen boven het water opligtte, en in die hoogte hield, tot dat een labberkoeltje van alle kanten in onze zeilen woei, en ons op eene verwonderlijke wijze hooger en hooger op voerde. Zes weeken lang op deze wijze boven de wolken voort gereisd hebbende, ontdekten wij een groot land, als een lichtgevend Eiland, rond en helder, alwaar wij in een zeer goede haven aanlandden, en terstond aan wal gingen. Wij bevonden, dat het bewoond was. Verre beneden ons zagen wij eene andere waereld, en daarin steden, bosschen, boomen, bergen, stroomen, zeeën, enz. enz. welke wij gisten, dat onze aarde was, die wij verlaten hadden. Hier zagen wij verbazendgrote figuren, die drie hoofden hadden, en op gieren reedden; en om u van de grootte dezer vogelen eenig denkbeeld te geven, moet ik u zeggen, dat derzelver vleugels zoo breed waren als ons groote zeil, en wel zesmaal zoo lang (ons schip was van zes honderd tonnen). De inwooners van de Maan (want wij hoorden nu, dat wij in de Maan waren) rijden niet, gelijk wij op deze waereld doen, te paerd, maar zij gaan op deze vogels eens op een pleiziertogtje uit vliegen. Wij vernamen, dat de Koning van dit Eiland met deZONin oorlog was. Zijne Majesteit wilde mij met een gezantschap daarheen vereeren; maar ik bedankte hem daardoor zeer beleefdelijk.
Indiewaereldzijnalle dingen van eene buitengewoone grootte; een gemene vlieg bij voorbeeld, is ten minsten zoo groot als bij ons een schaap; als zij oorlogen, zijn hunne voornaamste wapensradijzen, welken zij gebruiken als pijlen; zij die daardoor gewond worden sterven op het ogenblik, hoezeer die radijzen noch van natuur noch door kunst vergiftigd maar zeer gezond en smaaklijk zijn om te eten. Als zij geen radijs meer hebben, maaken zij hunne pijlen van de toppen van de aspergien, en hunne schilden van paddestoelen, die aldaar altijd te vinden zijn.
VII.
VII.
Hier zagen wij ook eenige inboorlingen uit de hondsstar: koophandel deed hun dit zwervend leven verkiezen. Hunne aangezigten waren gelijk die van grote doggen, en hunne oogen stonden op het tipje van den neus. Oogleden hadden zij niet; maar als zij sliepen, bedekten zij hunne ogen met de tong. Over het algemeen waren zij twintig voeten hoog; maar wat de inboorlingen van de Maan betreft, de kortste derzelven was meer dan zes-en-dertig voeten lang; zij werden aldaar niet genoemdmenschen, maar kokende dieren: want zij maakten hunne spijs wel gereed, gelijk wij doen, met vuur; doch dit kostte hun zoo min als de maaltijd eenigen tijd: want zij openen hunneregterzijde, en zetten de gantsche hoeveelheid in ééns in de maag, welke zij dan weder toesluiten, tot op denzelfden dag in de volgende maand; naardien zij zich niet meer, dan twaalfmaal in een jaar, of iedere maand maar éénmaal, het innemen van spijs vergunnen: eene schikking die bij een ieder mensch, behalven bij vraten en lekkerbekken, moet en zal goedgekeurd worden.
VIII.
VIII.
De vermaaken der liefde zijn in de Maan geheel onbekend: aldaar is, zoo wel onder de overige als de kokende dieren, maar eene of liever in het geheel geene kunne: want zij groeijen allen aan bomen van verschillende grootte en gedaante: die genen, waaraan de kokende dieren, of gelijk wij zouden zeggen, de menschen, groeijen, zijn de fraaiste van allen;zij hebben breede, dunne takken, en vleeschkleurige bladen, en brengen vrugten voord als noten, met harde schellen, ten minsten zes voeten lang; als zij rijp worden, 't welk men aan het veranderen van de kleur kan zien, worden ze afgeplukt, met grote zorgvuldigheid bij één vergaderd en weggelegd, zoo lang, als men dit goed vindt: want zij bederven nooit; en als zij het zaad van deze noten willen uitbroeden, werpen zij dezelven in een groten ketel met kokend water, waardoor de noot in weinige uuren zig opent en een volwassen schepsel daar uit springt.
De natuur vormt deze schepsels reeds, eer zij in de waereld komen, tot derzelver verschillende beroepen; uit de eene noot komt een krijgsman, uit eene andere een wijsgeer, uit een derde een godgeleerde, uit een vierde een rechtsgeleerde, uit een vijfde een boer, uit een zesde een lompe kinkel, enz. enz. voord, en eeniegelijk hunner begint zig terstond te voltooien, door dat gene 't welk hij te vooren maar in de bespiegeling kende, werkstellig te maaken.
Als zij oud worden, sterven zij niet, gelijk wij; maar verdwijnen, als de rook, in de lucht? Drinken hebben zij niet nodig: want de eenigste uitwaassemingen, welken zij hebben, zijn ongevoelig en alleen bij de ademhalinge. Aan iedere hand hebben zij maar éénen vinger, waarmede zij alles zoo goed kunnen verrigten, als wij, die 'er vier hebben met een duim. Hunne hoofden dragen zij onder den regterarm; als zij op reis gaan, of eenige zware bezigheid hebben, laten zij ze meestal te huis: want zij kunnen dezelven op eenigen afstand gebruiken. Dit ziet men hier dagelijks; en als lieden van rang of aanzien onder de maanlingen begerig zijn om te weten, wat 'er bij den gemenen man omga, blijven zij zelve te huis,dat is, de romp staat in huis, en zenden hunne hoofden derwaards, welke aldaar ongemerkt kunnen tegenwoordig zijn, en keeren op hun gemak terug naa huis, met een verhaal van het gene zij gezien en gehoord hebben.(24)
De pitten van hunne druiven gelijken volmaakt naar hagel; en ik ben volkomen overtuigd, dat als een storm of harde wind de wijnstokken in de Maan stuk slaat, en de druiven van de ranken afbreekt, dan die pitten bij ons op de Aarde vallen, en onze hagelbuien maaken. Hierom zoude ik de zulken, die hierin met mij van 't zelfde gevoelen zijn, raaden, dat als het eens weder hagelt, zij dan die hagelstenen verzamelen,om Maanwijn daarvan te maaken. Zij smaakt zeer veel naar het wit Bergsch bier.—Eenige gewigtige omstandigheden heb ik nog vergeten te melden. Zij gebruiken hunne buiken, gelijk wij onze zakken, en dragen daarin alles wat hun gelieft: want zij kunnen die openen en sluiten, even gelijk hunne magen, naar welgevallen. Zij zijn niet belast met darmen, lever, hart of eenig ander ingewand; ook worden zij door klederen niet belemmerd, gelijk ook geen gedeelte van hun lighaam onzienlijk is, noch ongevoeglijk om het te vertoonen.
Hunne ogen kunnen zij uit het hoofd nemen, of daar in laten, zoo als zij willen, en kunnen even goed zien, of zij dezelven in hunne handen of in hunne hoofden hebben. Gebeurt het, dat zij een oog verliezen of bezeeren, zij kunnen een ander leenen of koopen, en daarmede zoo goed zien, als met hunne eigen ogen. Uit dezen hoofde vindt menin alle landen van de Maan een groot getal winkeliers in ogen; ook zijn de inwoners in dit stuk, schoon ook hierin alleen, veranderlijk; somtijds zijn de groene, somtijds de geele ogen in de manier.
Deze dingen zullen u zekerlijk zeer vreemd voorkomen, mijne Heeren? maar, indien bij iemand uwer nog eenige schaduw van twijfeling mogt overblijven, weet ik daar niet beter op, dan dat hij zelf eene reis naa de Maan doe, en dan zal hij weeten, of ik een geloofwaardig reiziger ben.
(24)Dit voorrecht—om zijn hoofd ongemerkt tegenwoordig te laten zijn in het huis van een ander,—hebben in deMaanalleen de lieden van rang en aanzien in de huizen hunner minderen: somtijds kunnen zij in de huizen van huns gelijken insluipen, doch zeldzaam en met zeer veel moeite en voorzigtigheid.
(24)Dit voorrecht—om zijn hoofd ongemerkt tegenwoordig te laten zijn in het huis van een ander,—hebben in deMaanalleen de lieden van rang en aanzien in de huizen hunner minderen: somtijds kunnen zij in de huizen van huns gelijken insluipen, doch zeldzaam en met zeer veel moeite en voorzigtigheid.
De Baron trekt over den Teems zonder behulp van een brug, schip, boot, of luchtbol, zelfs zonder zijn eigen wil; hij ontwaakt na een langen slaap; en vernielt een gedrogt, het welk alleen leefde van de verwoesting van anderen.
Engelandging ik voor de eerstemaal bezoeken in het begin der regeringe van den tegenwoordigen Koning. Ik moest eenige goederen teWappinggaan bezigtigen, die aldaar voor sommigen mijner Vrienden teHamburgingescheept zouden worden, en keerde van daar over het plein van den Tower terug. Hier komende was ik zeer vermoeid, en vond de zon zoo verkwiklijk, dat ik in eenkanon kroop om wat uit te rusten, en mij zelven te koesteren—en viel in slaap. Dit gebeurde omtrend de klok van negen uuren, op den vierden van Zomermaand, zijnde 's Konings geboortedag; en al het kanon, 't welk 's morgens vroeg al geladen was, werd stiptelijk ten één uur afgelost, ter gedachtenisse van dien dag. Ik, die niets kwaads vermoedde, ja zelfs niet gedacht had, dat de staat, waarin ik mij plaatste, voor mij gevaarlijk konde worden, werd over de huizen aan de andere zijde van de rivier geschoten, en viel, tusschenBermondseijenDeptford, neder, in een grooten hooischelf, zonder te ontwaaken. Hier bleef ik zoo lang in een vasten slaap liggen, tot dat het hooi zoo dier werd ('t welk omtrend drie maanden naderhand was), dat de boer goed vond zijn hooi te verkoopen. De schelf, waarop ik lag, was de grootste van allen op de werf, en bedroeg meer dan vijfhonderd voeders;waarom men denzelven het eerst aantaste. Het volk, dat met ladders tegen mijn bestede opklom, maakte mij door hun geraas wakker; ik begon te geeuwen, en mij wat uit te rekken; maar mij nog eens willende omkeeren (want ik was nog niet uitgeslapen, en wist volstrekt niets van den staat, waarin ik mij bevond) begon ik te rollen en viel van boven neder op het hoofd van den boer, welken dit hooi toebehoorde; van dezen val had ik zelf het minste leed niet; maar brak den boer den nek. Tot mijn troost hoorde ik naderhand, dat hij een allerverfoeilijkst charakter bezat, en de voordbrengselen van zijnen grond nooit dan voor de buitensporigste prijzen verkogt.
De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den bergEtnagegeven te hebben; hij vindt zig zelven weder in de zuid-zee; bezoektVULKANUSop zijne reis; komt bij eenHollanderaan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas, liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld; hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in deKaspischezee.—De Baron laat een beer dood hongeren in zijne handen.—Eenige bijzonderhedenvan een borstrok.—In dit hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron zedekundige bedenkingen voor over de deugd van trouw en liefde tot de waarheid.
De reizen van den heerBRYDONEnaaSicilie, welken ik met groot genoegen gelezen heb, haalden mij over, om den bergEtnate bezoeken. Mijne reis derwaards, en mijne aankomst aldaar leveren geene bijzonderheden op, die waardig zijn om verhaald te worden. Op een morgen vertrok ik zeer tijdig uit eene hut, alwaar ik des nachts geslapen had, en welke zes mijlen van den voet des bergs gelegen was, met voornemen om dezen vermaarden berg van binnen te onderzoeken, al ware het, dat ik in deze onderneming moest omkomen. Na eenen zwaren arbeid van drie uuren bereikte ik de kruin van den berg, welke toen reeds zederd drie weeken gewoedhad. Deze vertoning is door verschillende reizigers bereids zoo dikwerf beschreven, dat ik u niet wil ophouden met een verhaal van zaken, welken u zoo bekend zijn.
Ik wandelde rondom den kelk, welke mij toescheen op zijn minst vijftienmaal groter te zijn dan de punch-kom van den duivel bijPetersfield, op den weg naaPortsmouth, maar zoo breed niet op den bodem: want aldaar gelijkt dezelve meer naar het naauwste gedeelte van een trechter, dan naar een punch-kom: kortom, ik had mijn besluit genomen; ik sprong 'er in, met de voeten vooruit, en vond mij op 't zelfde ogenblik in een hete trekkas, en mijn lighaam gekneusd en op verscheiden plaatsen gebrand door de gloeiende koolen, die zig, door hunne geweldige opbruizing, tegen mijne nederdaling verzetteden; maar mijne zwaarte bragt mij zeer schielijk op den bodem, daar ik, in het midden van getier en geschreeuw,vermengd met de verschriklijkste vloeken, aanlandde, en, na mijne zinnen weder vergaard te hebben en van de vermoeienis bekomen te zijn, eens begon rond te zien. Oordeelt over mijne verbaasdheid, Heeren! toen ik zag, dat ik in het gezelschap vanVULCANUSen zijne Cijclopen gekomen was, en ontdekte, dat zij gedurende de drie laatste weeken met elkander getwist hadden, over het onderhouden van goede orde en behoorlijke ondergeschiktheid, en dat hierdoor dat groot geraas op de bovenwaereld gedurende dien tijd ontstaan was; maar mijne aankomst herstelde den vrede onder hen; zelfs deedVULCANUSmij de eer aan, om pleisters op mijne wonden te leggen, waardoor zij op staande voet genezen waren; ook zettede hij mij veelerleie ververschingen voor, in het bijzonder nectar, en andere fijne wijnen, zulken, tot welken de goden en godinnen alleen recht hebben. Na dit onthaal geboodVULCANUSaanVENUS, dat zij mij alle inschiklijkheid, welke mijn staat vereischte, betoonen zoude. Het is mij onmogelijk, om het vertrek en het ledikant, waarop ik mij ter rust begaf, naar waarde te beschrijven, waarom ik dit ook niet zal ondernemen: het is genoeg u te zeggen, dat geen tong in staat is om daaraan gerechtigheid te laten wedervaren, of van die goedaardige godin te spreken met woorden, welke maar eenigzins met hare verdiensten overeenkomen; de gedachte daar aan alleen maakt mij duiselig.
VULCANUSgaf mij een zeer beknopt berigt van den bergEtna; hij onderrigtte mij, dat dezelve niets anders was, dan eene ophoping van de assche van zijn fornuis; dat hij dikwijls genoodzaakt was om zijn volk te kastijden, en dat hij, in zijne drift, de gewoonte had om hun gloeiende kolen na den kop te smijten, welken zij niet zelden met de grootstevaardigheid afkaatste, en bovenwaards naa de waereld wierpen, zoodat dezelve hen niet konden raaken: onze oneenigheden, voegde hij er bij, duuren somtijds drie of vier maanden, en de verschijnselen daarvan op de waereld, denke ik, dat gij stervelingen uitbarstingen noemt. Ook verzekerde hij mij, dat de bergVesuviuseen andere van zijne werkplaatsen was, naa welken hij een toegang had onder het bed der zee, van drie honderd en vijftig hollandsche mijlen, en dat gelijke kijvagien aldaar gelijke uitbarstingen veroorzaakte.
Als een nederig opwagter van MevrouwVENUSzoude ik hier gebleven zijn; maar sommige bemoeizugtige snappers, die zig in de ondeugd vermaaken,luisterdenVULCANUSiets in 't oor, 't welk in hem eene onverzoenlijke jaloersheid verwekte. Op zekeren morgen, wanneer ik, volgends gewoonte, mijne opwagting bijVENUSmaakte, nam hijmij, zonder eenige voorafgaande kennisgevinge, onder zijnen arm, en droeg mij naa een vertrek, 't welk ik te vooren nooit gezien had, waarin, naar alle waarschijnlijkheid, eenwélwas met een zeer wijde opening: hier hield hij mij boven met een uitgestrekten arm, en zeide: „ondankbaar schepsel, keer weder naa de waereld, van waar gij gekomen zijt:” en zonder mij tijd tot andwoord en verdediging te geven, smakte hij mij in het midden neder. Ik voelde, dat ik met eene verdubbelende snelheid naa beneden vloog, tot dat de ontsteldtenis mij van allen gevoel en opmerking beroofde. Naar mijne gissing viel ik in zwijn, waaruit ik spoedig ontwaakte, door het vallen in een groten kom waters, verlicht door de stralen van de zon. Van mijne jeugd af heb ik goed kunnen zwemmen, en aardige grappen in het water uitvoeren. In het eerst verbeeldde ik mij wel, dat ik in het paradijs was, in aanmerkingvan den angst en schrik, waaruit ik maar even bekomen was; doch eenigen tijd rond gezien hebbende, kon ik niets anders ontdekken dan een zeer ruime zee, alwaar men van alle zijden niets dan water zag, en begon nu eerst te gevoelen, dat het hier zeer koud was, en zeer veel verschilde van de luchtstreek van MeesterVULCAAN'Swinkel. Op eenigen afstand zag ik een ijslijk groot gevaarte, naar een steilen rots gelijkende, op mij aankomen; ras bemerkte ik dat het een druipende ijsberg was, welken ik rondom zwom, tot dat ik een plaats vond, van waar ik deszelfs top kon bereiken, gelijk ik deed, hoewel niet zonder eenige moeite; maar hier nog geen land kunnende zien, begon ik te wanhoopen, dat ik het ooit weder onder mijne voeten zoude krijgen; doch eer het donker werd, zag ik een zeil, werwaards wij zeer snel heen dreven; op een korten afstand riep ik aan het volk van dat schip,het welk mij in 't hollandsch andwoordde, waarop ik in zee sprong en zij mij een touw toewierpen, waarmede ik binnen boord gesleept werd. Op mijn onderzoek, waar wij ons bevonden, werd mij onderrigt, dat wij in den Zuider-oceaan waren, door welke ontdekking alle mijne twijfeling geheel werd weggenomen. Het was nu ontegenspreeklijk, dat ik van den bergEtnagevlogen was door het middenpunt der aarde in de Zuid-zee, 't welk veel korter en beknopter is dan den halven aardbol om te dwaalen.—Deze reis heeft nog nooit iemand vóór mij gedaan, zelfs niet ondernomen; en doordien ze zoo onverwagt opkwam, en zoo snel voordging, heb ik geene waarnemingen kunnen doen; maar zijt verzekerd, mijne Heeren! dat ik bij eene volgende gelegenheid daarop meer bedacht en op alle bijzonderheden opmerkzamer zal zijn.
Ik nam eenige ververschingen en begaf mij ter ruste. Maar hoe onbeleefd zijn toch deHollanders!want hun mijne ontmoetingen en wedervaren zoo nauwkeurig verhaald hebbende, als ik nu aan U gedaan heb, scheen het, of sommigen, waaronder de schipper zig bijzonderlijk onderscheidde, die zulks door zijnegebaardenen half uitgesproken woorden klaarlijk liet blijken, aan mijne geloofwaardigheid twijfelden; welke belediging ik wel moest opkroppen, vooral om dat hij mij zoo gemaklijk aan boord van zijn schip genomen had, en toen juist bezig was in mij met het nodige te gerijven.
Ik vroeg hen, werwaards de reis geschikt was? en kreeg hierop ten andwoord: „om nieuwe landen te ontdekken, en waarnemingen te doen; en dat,zoo mijne geschiedenis waar was, zij niet geheel vrugteloos zouden te rug keeren.” Wij waren nu juist in de streek van KapiteinCOOK'Seerste reize,en kwamen den volgenden dag inBotanij-baai. Deze plaats zoude ik in geenen deele aan de Engelsche regering als een verblijf voor schurken, geschikt om hen te straffen, kunnen aanbeveelen; zij zoude bij mij liever geschikt worden tot eene beloning voor verdiensten, naardien de natuur hare beste geschenken alhier met eene zeer milde hand overal gestrooid heeft.
Wij bleven hier maar drie dagen; en vier dagen na ons vertrek kregen wij een allerhevigsten storm, waardoor wij alle onze zeilen verlooren, de boegspriet in stukken brak en de top van de grootste mast van boven neder kwam, welke op het kastje viel, waarin ons compas was, en hetzelve met het compas geheel verbrijzelde. Allen, die ooit op zee geweest zijn, weten, welke gevolgen zoodanig een verlies kan hebben. Wij wisten niet, waarheen wij nu moesten stuuren; maar ten laatste bedaarde de storm, en werdgevolgd door eene gestadige heldere koude, welke ons geduurende drie maanden lang bijbleef, zoodat wij daardoor eene verbaazende weg moeten afgelegd hebben. Eindelijk merkten wij de grootste verandering op, in alles wat ons omringde; onze adem werd lichtgevende stralen; onze neuzen werden onthaald op de aangenaamste geuren van specerijen welken men zig verbeelden kan; zelfs had de zee hare gedaante veranderd, en was wit in stede van groen!! Weinig tijds na deze zonderlinge verandering ontdekten wij land, en op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, zagen wij een rivier, welke wij, na die zes mijlen ver opgezeild te hebben, bevonden dat overal wijd en diep en enkel melk was, van den zuiversten en aangenaamsten smaak. Hier ankerden wij en ontdekten welhaast, schoon door het zonderlingste toeval van de waereld, dat het Eiland bestond uit een zeer grote kaas:want één van de bootsgezellen liep weg, zoodra wij aan land waren gekomen, maar kwam zeer schielijk wederom, om dat hij zig verbeeld had, dat hij overal kaas, waarvan hij een onverwinnelijken afkeer had, onder zijne voeten vond: wij lagchten hem wel helder uit; maar vrugteloos: want hij bleef stout en sterk staande houden, dat het gantsche land als met kaas bezaaid was: dit nader onderzoekende, bevonden wij, dat hij volkomen gelijk had, en dat het geheele Eiland, gelijk ik te vooren reeds heb opgemerkt, niet anders was dan een kaas van eene verbazende grootte! De inwoners leefden voornaamlijk van denzelven, en zoo veel zij daarvan bij dag gebruikten, groeide de kaas 's nachts wederom aan. Hier was een overvloed van wijnstokken met zware trossen druiven, welken geperst wordende niets dan melk leverden. Wij zagen ook de inwoners op schaatsen rijden over de roomvan de melk, daarop liggende als bij ons het ijs in 't water, schoon zoo dik niet en in het geheel niet hard; zij gingen zeer regt op, en hadden eene goede houding; zij waren negen voeten hoog, en hadden drie benen en eenen arm; over het geheel was hun voorkomen innemend; zij speelden op een jagthoren, welke bij volwassenen op het midden van het voorhoofd groeit, met veel bekwaamheid; zij zonken nooit, maar liepen en wandelden over hunne melk, als wij over onze weiden.
Op dit Eiland, of op deze kaas, groeit zeer veel koorn, welks airen volkomen toegemaakt brood, als paddestoelen, voordbrengen. Op onze wandelingen over deze kaas ontdekten wij nog zeven andere stromen van melk, en twee van wijn.
Zestien dagen voordgereisd hebbende, kwamen wij aan de andere zijde van het Eiland, en vonden aldaar blaauwe aarde, zoo als de kaaseters die noemen, welkeallerlei fijne vrugten oplevert: want in plaats van millioenen mijten, welken men natuurlijk uit dezen grond verwagt zoude hebben, bragt dezelve alle soorten van persiken, abrikozen, en duizend andere allersmaaklijkste vrugten, welken wij niet kenden, voord. De bomen, welken van eene verbazende grootte waren, waren vol met vogelnesten, onder anderen van een ijsvogel, dat boven alle beschrijving groot was, ten minsten vijfmaal zoo groot in deszelfs omtrek als de koepel van deSt. PauluskerkteLondon, en gemaakt, gelijk wij dit op nader onderzoek bevonden, van de grootste bomen, welken ik ooit gezien heb, die zeer kunstiglijk in elkander gevlogten waren: in dit nest waren ten minsten, (laat mij wel bedenken, want ik zou niet gaarne iets vergrooten) vijfhonderd eieren, en ieder ei was zoo groot als een gemeen oxhoofd; wij konden de jongen er in zien en hooren piepen.Een dezer eieren met zeer grote moeite opengehakt hebbende, kwam een nog gantsch vederloos jong daar uit, 't welk egter veel groter was dan twintig volwassen gieren. Zoo als wij dit jong uit zijnen kerker verlost hadden, schoot de oude ijsvogel toe, en onzen schipper in één van zijne klaauwen krijgende, vloog hij met hem wel een mijl hoog in de lucht, sloeg hem vreeslijk met zijne vlerken, en liet hem toen in zee vallen.—De inwoners verhaalden ons, dat deze vogels hunne jongen nooit uitpikken, maar met de eieren, zoo hoog als mogelijk is, in de lucht vliegen (waartoe het ééne nabuurig paar het ander altijd helpt; sommige eieren, welken wat groter dan gewone zijn, moeten zelfs door zes vogels tot die hoogte opgevoerd worden) en dezelven dan laten vallen, wanneer de dop door de ontvlambaare lucht in den brand en het jong volwassen er uit vliegt.—Deze is dePhenixder ouden.
Daar alleHollanderswel kunnen zwemmen, was onze schipper weder spoedig bij ons, en wij keerden terug naa ons schip, maar langs een anderen weg, dan wij gekomen waren, op welken wij zeer aardige en vreemde dingen zagen. Wij schooten twee wilde ossen, hebbende ieder één horen, welke tusschen de ogen dezer dieren groeit: maar hiervan hadden wij naderhand grote spijt, toen wij vernamen, dat de inwoners dezelve temmen, en gebruiken, als wij onze paarden doen, om daarop te rijden of hunne goederen te vervoeren: ons werd gezegd, dat het vleesch daarvan uitstekend lekker is, maar niet gebruikt wordt, omdat deze menschen enkel van kaas en melk leven.
Toen wij tot op drie dagreizen ons schip genaderd waren, zagen wij drie mannen bij de beenen aan een zeer hogen boom hangen; op ons vraagen naar de reden dezer strafoefeninge, hoordenwij, dat zij alle drie reizigers waren geweest, en hunne Vrienden bij hunne terugkomst misleid hadden, door plaatsen te beschrijven, welken zij nooit gezien hadden, en dingen te verhaalen, die nooit gebeurd waren. Hoe ongelukkig zouden bijna alle reizigers van grote en kleine togten, in onze meer bekende en beschaafde landen, zijn, als dergelijke wet ook bij ons stand greep! Doch ik zou daarmede, wat mij aangaat, geen medelijden hebben, zoo min als dat deze wet mij op dit kaas-eiland eenigen kommer gaf, om dat ik mij altijd stiptelijk tot waaragtigegebeurenissenbepaald heb.
Aan boord komende maakten wij ten eersten zeil, en verlieten dit zonderling eiland, doch niet zonder nieuwe redenen van verbazinge: naardien alle de bomen op het strand, welker getal zeer groot was, en waar onder eene menigte zeer hoog en zwaar waren, ons tweemalengroeteden op één tempo, en terstond hunne voorige houding, welke zeer regt was, aannamen.
Na drie dagen zeilens, (waar? wisten wij niet, omdat wij zonder compas waren) kwamen wij in een zee, welke zig geheel zwart vertoonde; maar welke wij, die proevende, bevonden zeer goede wijn te zijn, zoodat wij heel veel moeite hadden, om te beletten, dat het scheepsvolk zig niet dronken zoop: doch na verloop van weinige uuren zagen wij ons omringd door walvisschen en andere ontzagchelijke groote dieren, één van welken zig zoo groot vertoonde voor het oog, dat men daarvan geen begrip konde krijgen. En daar wij dit verschriklijk dier niet zagen, voor dat wij digt bij hetzelve gekomen waren, slingerde dit gedrogt ons schip, met al zijn staande en loopend want in zijnen bek, tusschen zijne tanden, welken langer waren dan de grote mast van het grootste Oorlogschip.Na eenigen tijd hier gezeten te hebben, opende het dier den bek zeer wijd, en nam in één teug eene zoo onmeetlijke hoeveelheid waters in, dat ons schip, 't welk ten minsten vijfhonderd tonnen groot was, als met den snelsten vloed naa binnen in zijne maag vloog; alwaar wij zoo stil lagen, of wij ten anker waren, en in een dodelijke kalmte. De lucht was hier, gelooft dit vrij, zeer heet en hinderlijk. Hier vonden wij kabels, ankers, boten, sloepen en een aanmerklijk aantal schepen, welken dit dier had ingezwolgen, waarvan sommige geladen waren, anderen niet. Hier moesten wij alles bij het kaarslicht verrigten; zon, maan, noch sterren konden wij hier zien, om eenige waarnemingen te doen. Onze schepen dreeven tweemaal daags, en zaten tweemaal daags aan den grond; of met andere woorden, tweemaal daags hadden wij ebbe en vloed; waarvan de oorzaak deze was: als het dier dronk,hadden wij hoog, en als het zijn water maakte, hadden wij laag water; de hoeveelheid van water welk dit dier iedere keer inzwolg, was, volgends eene zeer gematigde berekening, meer dan 'er in het meir vanGeneveis, schoon dit dertig mijlen in den omtrek bevat.
Op den tweden dag na onze gevangenis in dit gewest der duisternisse, ging ik bij laag water, gelijk wij zeelieden plegen te spreken, als ons schip aan den grond zat, met den schipper en eenige andere Officieren, hebbende ieder een toorts in de hand, eens wandelen, en ontmoeteden eene zeer grote menigte menschen van allerleie natien, ten getale van meer dan tien duizend; zij vergaderden om met elkander te overleggen, hoe zij hunne vrijheid zouden weder krijgen, hebbende sommigen hunner reeds verscheiden jaren in de maag van dit beest geleefd. Juist als de voorzitter dezer vergaderinge ons zoude beginnente zeggen, tot welk einde wij bij den anderen waren gekomen, werd onze plaag dorstig, en dronk op deszelfs gewone manier; het water stortte met zoo veel gewelds naa binnen, dat wij allen verpligt wierden ons wederom naa onze schepen te begeven, of gevaar liepen van te verdrinken, zoodat sommigen nog moesten zwemmen, en naauwlijks hun leven reddeden. Doch weinige uuren daarna waren wij gelukkiger: want toen kwamen wij bijëen, zoodra het dier zig ontlast had. Ik werd tot voorzitter verkozen, en stelde voor, om de twee grootste masten, welken in de vloot waren, aan elkander te hegten, en als onze plaagbast den bek weder opende, dan gereed te zijn om dit houtje daarin te rammeien, en hem alzoo te beletten, dat hij dien niet weder sloot. Deze voorslag werd door degantsche vergadering goedgekeurd, en tot een besluit gemaakt: het welk een ieder der aanwezenden met het stellenvan zijn merk bekragtigde. Tot dit werk werden ettelijke der sterkste en onvervaardste kaerels uitgekozen, die hetzelve nauwlijks in gereedheid hadden, toen onze kerkervoogd den bek opende; maar onze brave manschap hunnen slag waarnemende, plaatsten op 't zelfde ogenblik het eene einde der masten tegen het verhemelte, en boorde het ander einde door de tong van dit dier, zoodat het zijnen bek niet weder konde toedoen. Nu werd het zeer ras hoog water; wij bemanden met der haast eenige sloepen, en lieten ons op deze wijze in de waereld boegseeren; wordende, na veertien dagen in deze duisternis gezeten te hebben, op de aangenaamste wijze door het verkwiklijk daglicht verrast.
Wanneer wij allen van dit veel bevattend dier ons afscheid genomen hadden, monsterden wij onze vloot, en bevonden ons vijf-en-dertig zeilen sterk, van alle volken onder den hemel. De twee mastenlieten wij in den bek zitten, om te beletten, dat anderen in denzelfden afschuwlijken kuil der duisternisse en onreinigheid geen schipbreuk zouden lijden. Een onderzoek, in welk gedeelte van de waereld wij ons bevonden, was onze eerste bezigheid, waarmede wij een zeer geruimen tijd doorbragten; wanneer ik, na lang vergeefsch zoekens, eindelijk uit eenige waarnemingen ontdekte, dat wij in deCaspischezee waren, welke een gedeelte van het land derKalmucksche Tartarenbespoelt. Niemand kon begrijpen, hoe wij hier gekomen waren, naardien deze zee geene gemeenschap met andere zeeën heeft: één van de lange inwoners van het kaas-eiland, welken ik met mij genomen had, gaf 'er deze oplossing van: dat het gedrogt, in wiens maag wij zoo lang opgesloten waren geweest, ons hier gebragt had door onderaardsche kanalen; maar ons weinig daar over bekommerende, stevenden wijnaa land, en ik was de eerste die voet aan wal zettede. Dewijl onze schepen ons hier van geenen dienst waren, verkogten wij ze allen aan den groten Heer; en ik nam aan om dezelven met mijn slinger en vleugels uit deCaspischenaa deOost-zeete brengen, om in eenen volgenden Oorlog tegenRuslandgebruikt te kunnen worden.—Nauwlijks was ik landwaards in gegaan of 'er kwam een grote beer op mij aanloopen, en wilde mij te lijf; maar ik greep hem bij zijne voorpoten, in iedere hand één; kneep hem, dat hij lustig schreeuwde, en hield hem op deze wijze zoo lang, tot dat hij van honger stierf.
Van hier reisde ik, voor de tweede keer, naaSt. Petersburg, alwaar een oud vriend mij een zeer goeden brak, een jong van die berugte teef, waarvan ik meermalen gesproken heb, welke jongen wierp terwijl zij een haas naa zettede, vereerde. Ik had het ongeluk hemkort daarna te verliezen, door een schot van een lompen onbezuisden jager, die op hem schoot in plaats van op een nest met veldhoenders, welken hij had opgestoten. Van het vel van dit schepzel heb ik dezen borstrok gemaakt (welken deBaronna dien tijd altijd droeg, en bij dit verhaal aan zijne vrienden toonde) welke het vermogen heeft om mij, zelfs tegen mijnen wil, te brengen, ter plaatse daar wild is, zoo menigmaal ik in dien tijd op het veld ben. Als ik binnen een snaphaan schot kome, is het nog nooit anders gebeurd, oféén van de knopen vliegt van mijn borstrok af, en valt op de plaats, daar het wild is, het welk, dan opvliegende, mij nog nooitmusluktis te raaken: want ik ga altijd wandelen met geladen geweer en overgehaalden haan. Eer de jagttijd aankomt, zal ik weder een nieuw stel knopen in gereedheid hebben.
Als een nest met patrijzen op deze wijze, door het vallen van een knoop onder dezelven, gestoord wordt, vliegen ze altijd op in een regte lijn agter elkander. Op zekeren tijd vergat ik den hagel, en latende mijn laadstok in den loop, schoot ik denzelven zoo regt door de vogels heen, als of de kok ze aan 't spit gestoken had; ook had ik vergeten een prop op het kruid te doen, waardoor de laadstok zoo heet wierd, dat de vogels volkomen gaar waren, eer ik te huis was.
Zoodra ik inEngelandterug gekeerd was, volvoerde ik dat gene, het welk mij het naast aan 't hart lag; te weten een bestaan te zoeken voor den kaas-eilander, welken ik mede gebragt had. Mijn oude vriend, de HeerWILLEM VAN KAMEREN, die aan mij alle zijne denkbeelden over het aanleggen van chineesche tuinen, met welker beschrijving hij zoo veel roems verworvenheeft, verschuldigd is, toonde zig in een gesprek, het welk ik kort na mijne wederkomst met hem hield, zeer verlegen om een middel, om de nieuwe vierkante lantaarns te ontsteken; hij merkte aan dat de gewone manier met ladders hier niet gevolgd kon worden; mijn geboren kaas-eilander kwam mij in 't hoofd, die van negen voeten, welke zijne lengte was toen ik hem mede nam, tot tien en een halven voet gegroeid was: ik bragt hem bij dien Heer, die hem met het aanzienlijk ampt van ontsteker der nieuwe lantaarns begunstigde. Ingevolge hiervan is hij tegenwoordig bezig, om in zijne zakken onder een groten klok een lamp te brengen, in plaats van die welken de HeerWILLEM VAN KAMERENzoo opzigtelijk in 't midden van een vierkanten lantaarn geplaatst had.