Dertiende Hoofdstuk.Dertiende Hoofdstuk.Op eigen beenen.De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht en met Moeder besprak.„Ik zou wel liever onzen jongen meenemen,” zei Vader, „maar hij heeft hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke week bezocht.”Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich sterk gehecht.Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder, na zoovele jaren van arbeid wel eenpaar jaartjes rust verdiend hadden en ook lachte het idee van „op eigen beenen te moeten staan” hem wel weer toe.Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel verwacht had.Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw verblijf gezocht worden.De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano aanwezig. Daarbij hadden ze een „engel” van een kamerverhuurster, een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er proper en welverzorgd uit.En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst te geven.„Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is ’t geen mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi, dat je d’r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek in z’n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters onder den grond schoot. Hè-hè-hè …” en de juffrouw schommelde van ’t lachen … „en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen.”„Wel, juffrouw,” zei Flip, „ik geloof wel, dat wij het met elkaar zullen vinden.”Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten ze het gerust zeggen.Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten, programma’s, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost, zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon doorbrengen.Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door, terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven, of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk instrument bespeelde.Het was de Turksche trom.Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.Tsching-tsching-tsching-boem!!! …. Tsching-boem-tsching!!!Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij, dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!„Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is,” riep Piet.„Je hebt gelijk! … Hier boven!!”Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!„Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!”Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!„Zeg, Flip, die vent is krankzinnig … dat kunnen we zoo niet uithouden!”„Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten.”„Vooruit dan!”De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.Tsching-boem-boem!!!Piet beukte nu zijn vuist op de deur.„Alors … wat isser … Entrez!”De jongelui traden binnen.Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer, een muzieklessenaar met ’n studie-boek ervoor, een kort, dik Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.„Ah … les messieurs … kaat u zitte … U isse van benee … premier etage? … Oui, oui … voila des cigarettes … excusez moi … iek studeere … oui … iek speel ien de orchestre …”„Pardon,” verzocht Piet, „als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?”„Loister? … Mais oui … iek loister … wat ’ad u?”„Ik at snijboonen met worst,” zei Piet, „maar daar gaat het nou niet over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?”„Oofd fan Juut? Comprends pas … isse niet ’oofd fan Juut … isse die kroote tromme … fan die orchestre … moet iek studeere … oui … chaque soir … ielken oavend …”„Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie zitten?”„’Errie … dies noem u ’errie? Isse la musique …isse ma chambre … iek betaal die propriétaire … kan iek doen wat iek verkies, n’est-ce pas? Vous jouez du piano … eh bien … watte wil u …”„Maar waarde heer, dat gaat niet aan,” zei Flip,„dat lawaai maakt een mensch gek!”„Oh … pas du tout … kaat wel aan … isse niet zoo erk …”Tsching-boem-boem!!!„Nou, meneer,” zei Piet, „we zullen er dan wel eens met de juffrouw over spreken.”„Kaat uw kang …çam’est égal …. bonsoir mes amis!”Tsching-boem-boem!!!BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hijde boel niet beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen avond duren?Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.Na een uur studie hield de muzikant op.Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.„Zeg, Flip,” zei Piet, „morgen ben je jarig!”„Ik? Je bent dronken … ik ben pas jarig geweest.”„Zeur niet … Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, danbenje morgen jarig.”„Nou, mij best … ik ben morgen jarig … maar ik tracteer niet, als je dat maar weet.”„Hoeft ook niet, luister.”En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen op de knieën deed slaan van pret.„Onbetaalbaar!” riep hij, „als dát niet werkt, helpt niets!”Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen, kermis-toeters en een groote bel.Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.„We weten geen ander middel,” besloot hij, „om van den muzikant af te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal.”Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.Ze bekeken de kamer en de vele foto’s en juist wou Piet de geschiedenis gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop te lezen stond: „Deur sluiten s. v. p.” toen opeens de muzikant weer aan ’t studeeren ging.Tsching-tsching-boem!!!Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.De groote trom tsching-boemde nog even door.De groote trom tsching-boemde nog even door.Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten, of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met den Franschman.„Doorspelen,” commandeerde Piet.Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek, aan te staren.„Hou op … hou op!!!” schreeuwde toen juffrouw Roest.En de Franschman voegde er bij:„Isse skande … sacré bleu … maak tout le monde siek!!”„Ah, monsieur …” zei Piet lachend, „gaat u zitten … U is van boven?… Tweede étage?… Juist, juist … hier zijn sigaren … excuseer ons … wij studeeren … dit is ons orkest … wij studeeren elken avond …”„Ielken oavond … ielken oavond dees ’erie?”„Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer … dit is mijn kamer … ik betaal de juffrouw … kan ik dus doen wat ik verkies …. U speelt de groote trom … wel, wat wilt u?”„Maar dit kan ik niet toestaan,” zei juffrouw Roest, „dit gaat te ver, meneer Bell.”„Och kom,” zei Piet, „zoolang monsieur van u toestemming heeft, om dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zalmijnorkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit of u verliest òns en de rest van de huurders.”„Isse skande … isse criminal … mais je me vengerai … iek zal maatrekele neem … iek betaal niet ma chambre … compris?”„Komprie? Komprie?” barstte juffrouw Roest los. „Je lijkt zelf wel een komprie. Jawel, m’n huur niet betalen en mij nog uitschelden voor komprie! Je kunt vertrekken met ’t eind van de week; verstaan? Komprie … wel heb je ooit!”De Franschman ging mopperend weer naar boven.De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag vertrok de onruststoker met zijn „’oofd fan Juut”.Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in het leven van Pietje.De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere uitvoering ging of een concert moest „verslaan,” maar meestal brachten ze hunne avonden samen op de kamer door.Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika aangekomen.Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen.Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld verging en las:New-York, April 19 ….1490 Riverside Drive.Beste kerel,Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke briefheeft mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch eenwonderlijkland! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer dan honderd-duizend auto’s door de straten rijden enhonderdentreinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal ik dan om een groot kapitaal?Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier,je hebt immers altijd zoo’n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.FLAT Iron Building NEW YORKFLATIron BuildingNEW YORKDenk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.Van je toegenegen vriend:Jacob Mantel.Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon te lezen.„Wel, ik moet zeggen,” vond Flip, „dat Jacob ons allemaal de loef afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kanikooit bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès … de heele wereld ligt voor je open.”„Wat zou jij in mijn geval doen?” vroeg Piet.„In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom pak je Jacob’s voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?”Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.„Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m’n hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen weigeren.”„’t Ellendigste voor mij is,” zei Flip, „dat ik je dan kwijtraak. De tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je ontzettend missen.”Piet wachtte niet langer, dan noodig was.Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een oogenblik verwonderd op. Piet had altijdeen vroolijken trek om den mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.„Wel, wat zullen we nu hebben?” vroeg de heer Peters. „Heeft uw vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht nieuws brengen?”„Heelemaal niet,” zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond, waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. „Heelemaal geen slecht nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!”„Hè … wat … wie???… Ga jij … naar … Amerika? En dat noem je me geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?”„Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!”De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met „u” aan te spreken.„Maar … maar …” begon hij, en hij liep met groote stappen de kamer op en neer, „ik wil je niet kwijt hier … je doet je werk goed … uitmuntend … de redacteurs zijn tevreden … je hebt stijl … pit … goeie vooruitzichten … wat wil je meer? Hoe oud ben je?”„Binnenkort word ik achttien.”„Binnenkort achttien … nauwelijks de vlegeljaren te boven! En dan naar Amerika! zonder vaste positie … zonder adres … zonder vrienden … niet weten wat te doen … dat kennenwe … dat hebbener al zoovelen geprobeerd … De grootste helft komt terug … een paar komen er … de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende …”„Wel,” zei Piet beslist, „ik zal dan behooren tot de weinigen, die er komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie … ik heb een vriend te New-York!”„O, dat verandert … Hm … anders een duivelschplan van je … ’k had je graag hier gehouden, Piet … maar enfin. Wekelijksch feuilleton zeg je, he? Maak het pittig, interessant … Brieven uit Amerika van Pietje Bell … de stad zal opkijken … Wel, laten we zeggen … vijftig gulden per week … om te beginnen … dat wil zeggen, verondersteld dat ik daarvoor twee brieven krijg … dan heb je daar alvast twintig dollar wekelijks … behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?”„Aangenomen, meneer!” riep Piet verheugd.
Dertiende Hoofdstuk.Dertiende Hoofdstuk.Op eigen beenen.De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht en met Moeder besprak.„Ik zou wel liever onzen jongen meenemen,” zei Vader, „maar hij heeft hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke week bezocht.”Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich sterk gehecht.Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder, na zoovele jaren van arbeid wel eenpaar jaartjes rust verdiend hadden en ook lachte het idee van „op eigen beenen te moeten staan” hem wel weer toe.Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel verwacht had.Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw verblijf gezocht worden.De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano aanwezig. Daarbij hadden ze een „engel” van een kamerverhuurster, een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er proper en welverzorgd uit.En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst te geven.„Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is ’t geen mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi, dat je d’r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek in z’n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters onder den grond schoot. Hè-hè-hè …” en de juffrouw schommelde van ’t lachen … „en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen.”„Wel, juffrouw,” zei Flip, „ik geloof wel, dat wij het met elkaar zullen vinden.”Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten ze het gerust zeggen.Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten, programma’s, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost, zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon doorbrengen.Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door, terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven, of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk instrument bespeelde.Het was de Turksche trom.Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.Tsching-tsching-tsching-boem!!! …. Tsching-boem-tsching!!!Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij, dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!„Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is,” riep Piet.„Je hebt gelijk! … Hier boven!!”Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!„Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!”Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!„Zeg, Flip, die vent is krankzinnig … dat kunnen we zoo niet uithouden!”„Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten.”„Vooruit dan!”De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.Tsching-boem-boem!!!Piet beukte nu zijn vuist op de deur.„Alors … wat isser … Entrez!”De jongelui traden binnen.Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer, een muzieklessenaar met ’n studie-boek ervoor, een kort, dik Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.„Ah … les messieurs … kaat u zitte … U isse van benee … premier etage? … Oui, oui … voila des cigarettes … excusez moi … iek studeere … oui … iek speel ien de orchestre …”„Pardon,” verzocht Piet, „als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?”„Loister? … Mais oui … iek loister … wat ’ad u?”„Ik at snijboonen met worst,” zei Piet, „maar daar gaat het nou niet over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?”„Oofd fan Juut? Comprends pas … isse niet ’oofd fan Juut … isse die kroote tromme … fan die orchestre … moet iek studeere … oui … chaque soir … ielken oavend …”„Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie zitten?”„’Errie … dies noem u ’errie? Isse la musique …isse ma chambre … iek betaal die propriétaire … kan iek doen wat iek verkies, n’est-ce pas? Vous jouez du piano … eh bien … watte wil u …”„Maar waarde heer, dat gaat niet aan,” zei Flip,„dat lawaai maakt een mensch gek!”„Oh … pas du tout … kaat wel aan … isse niet zoo erk …”Tsching-boem-boem!!!„Nou, meneer,” zei Piet, „we zullen er dan wel eens met de juffrouw over spreken.”„Kaat uw kang …çam’est égal …. bonsoir mes amis!”Tsching-boem-boem!!!BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hijde boel niet beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen avond duren?Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.Na een uur studie hield de muzikant op.Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.„Zeg, Flip,” zei Piet, „morgen ben je jarig!”„Ik? Je bent dronken … ik ben pas jarig geweest.”„Zeur niet … Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, danbenje morgen jarig.”„Nou, mij best … ik ben morgen jarig … maar ik tracteer niet, als je dat maar weet.”„Hoeft ook niet, luister.”En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen op de knieën deed slaan van pret.„Onbetaalbaar!” riep hij, „als dát niet werkt, helpt niets!”Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen, kermis-toeters en een groote bel.Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.„We weten geen ander middel,” besloot hij, „om van den muzikant af te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal.”Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.Ze bekeken de kamer en de vele foto’s en juist wou Piet de geschiedenis gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop te lezen stond: „Deur sluiten s. v. p.” toen opeens de muzikant weer aan ’t studeeren ging.Tsching-tsching-boem!!!Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.De groote trom tsching-boemde nog even door.De groote trom tsching-boemde nog even door.Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten, of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met den Franschman.„Doorspelen,” commandeerde Piet.Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek, aan te staren.„Hou op … hou op!!!” schreeuwde toen juffrouw Roest.En de Franschman voegde er bij:„Isse skande … sacré bleu … maak tout le monde siek!!”„Ah, monsieur …” zei Piet lachend, „gaat u zitten … U is van boven?… Tweede étage?… Juist, juist … hier zijn sigaren … excuseer ons … wij studeeren … dit is ons orkest … wij studeeren elken avond …”„Ielken oavond … ielken oavond dees ’erie?”„Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer … dit is mijn kamer … ik betaal de juffrouw … kan ik dus doen wat ik verkies …. U speelt de groote trom … wel, wat wilt u?”„Maar dit kan ik niet toestaan,” zei juffrouw Roest, „dit gaat te ver, meneer Bell.”„Och kom,” zei Piet, „zoolang monsieur van u toestemming heeft, om dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zalmijnorkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit of u verliest òns en de rest van de huurders.”„Isse skande … isse criminal … mais je me vengerai … iek zal maatrekele neem … iek betaal niet ma chambre … compris?”„Komprie? Komprie?” barstte juffrouw Roest los. „Je lijkt zelf wel een komprie. Jawel, m’n huur niet betalen en mij nog uitschelden voor komprie! Je kunt vertrekken met ’t eind van de week; verstaan? Komprie … wel heb je ooit!”De Franschman ging mopperend weer naar boven.De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag vertrok de onruststoker met zijn „’oofd fan Juut”.Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in het leven van Pietje.De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere uitvoering ging of een concert moest „verslaan,” maar meestal brachten ze hunne avonden samen op de kamer door.Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika aangekomen.Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen.Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld verging en las:New-York, April 19 ….1490 Riverside Drive.Beste kerel,Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke briefheeft mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch eenwonderlijkland! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer dan honderd-duizend auto’s door de straten rijden enhonderdentreinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal ik dan om een groot kapitaal?Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier,je hebt immers altijd zoo’n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.FLAT Iron Building NEW YORKFLATIron BuildingNEW YORKDenk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.Van je toegenegen vriend:Jacob Mantel.Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon te lezen.„Wel, ik moet zeggen,” vond Flip, „dat Jacob ons allemaal de loef afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kanikooit bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès … de heele wereld ligt voor je open.”„Wat zou jij in mijn geval doen?” vroeg Piet.„In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom pak je Jacob’s voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?”Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.„Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m’n hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen weigeren.”„’t Ellendigste voor mij is,” zei Flip, „dat ik je dan kwijtraak. De tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je ontzettend missen.”Piet wachtte niet langer, dan noodig was.Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een oogenblik verwonderd op. Piet had altijdeen vroolijken trek om den mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.„Wel, wat zullen we nu hebben?” vroeg de heer Peters. „Heeft uw vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht nieuws brengen?”„Heelemaal niet,” zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond, waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. „Heelemaal geen slecht nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!”„Hè … wat … wie???… Ga jij … naar … Amerika? En dat noem je me geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?”„Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!”De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met „u” aan te spreken.„Maar … maar …” begon hij, en hij liep met groote stappen de kamer op en neer, „ik wil je niet kwijt hier … je doet je werk goed … uitmuntend … de redacteurs zijn tevreden … je hebt stijl … pit … goeie vooruitzichten … wat wil je meer? Hoe oud ben je?”„Binnenkort word ik achttien.”„Binnenkort achttien … nauwelijks de vlegeljaren te boven! En dan naar Amerika! zonder vaste positie … zonder adres … zonder vrienden … niet weten wat te doen … dat kennenwe … dat hebbener al zoovelen geprobeerd … De grootste helft komt terug … een paar komen er … de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende …”„Wel,” zei Piet beslist, „ik zal dan behooren tot de weinigen, die er komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie … ik heb een vriend te New-York!”„O, dat verandert … Hm … anders een duivelschplan van je … ’k had je graag hier gehouden, Piet … maar enfin. Wekelijksch feuilleton zeg je, he? Maak het pittig, interessant … Brieven uit Amerika van Pietje Bell … de stad zal opkijken … Wel, laten we zeggen … vijftig gulden per week … om te beginnen … dat wil zeggen, verondersteld dat ik daarvoor twee brieven krijg … dan heb je daar alvast twintig dollar wekelijks … behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?”„Aangenomen, meneer!” riep Piet verheugd.
Dertiende Hoofdstuk.Dertiende Hoofdstuk.Op eigen beenen.
Dertiende Hoofdstuk.
De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht en met Moeder besprak.„Ik zou wel liever onzen jongen meenemen,” zei Vader, „maar hij heeft hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke week bezocht.”Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich sterk gehecht.Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder, na zoovele jaren van arbeid wel eenpaar jaartjes rust verdiend hadden en ook lachte het idee van „op eigen beenen te moeten staan” hem wel weer toe.Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel verwacht had.Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw verblijf gezocht worden.De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano aanwezig. Daarbij hadden ze een „engel” van een kamerverhuurster, een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er proper en welverzorgd uit.En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst te geven.„Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is ’t geen mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi, dat je d’r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek in z’n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters onder den grond schoot. Hè-hè-hè …” en de juffrouw schommelde van ’t lachen … „en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen.”„Wel, juffrouw,” zei Flip, „ik geloof wel, dat wij het met elkaar zullen vinden.”Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten ze het gerust zeggen.Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten, programma’s, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost, zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon doorbrengen.Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door, terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven, of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk instrument bespeelde.Het was de Turksche trom.Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.Tsching-tsching-tsching-boem!!! …. Tsching-boem-tsching!!!Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij, dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!„Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is,” riep Piet.„Je hebt gelijk! … Hier boven!!”Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!„Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!”Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!„Zeg, Flip, die vent is krankzinnig … dat kunnen we zoo niet uithouden!”„Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten.”„Vooruit dan!”De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.Tsching-boem-boem!!!Piet beukte nu zijn vuist op de deur.„Alors … wat isser … Entrez!”De jongelui traden binnen.Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer, een muzieklessenaar met ’n studie-boek ervoor, een kort, dik Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.„Ah … les messieurs … kaat u zitte … U isse van benee … premier etage? … Oui, oui … voila des cigarettes … excusez moi … iek studeere … oui … iek speel ien de orchestre …”„Pardon,” verzocht Piet, „als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?”„Loister? … Mais oui … iek loister … wat ’ad u?”„Ik at snijboonen met worst,” zei Piet, „maar daar gaat het nou niet over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?”„Oofd fan Juut? Comprends pas … isse niet ’oofd fan Juut … isse die kroote tromme … fan die orchestre … moet iek studeere … oui … chaque soir … ielken oavend …”„Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie zitten?”„’Errie … dies noem u ’errie? Isse la musique …isse ma chambre … iek betaal die propriétaire … kan iek doen wat iek verkies, n’est-ce pas? Vous jouez du piano … eh bien … watte wil u …”„Maar waarde heer, dat gaat niet aan,” zei Flip,„dat lawaai maakt een mensch gek!”„Oh … pas du tout … kaat wel aan … isse niet zoo erk …”Tsching-boem-boem!!!„Nou, meneer,” zei Piet, „we zullen er dan wel eens met de juffrouw over spreken.”„Kaat uw kang …çam’est égal …. bonsoir mes amis!”Tsching-boem-boem!!!BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hijde boel niet beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen avond duren?Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.Na een uur studie hield de muzikant op.Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.„Zeg, Flip,” zei Piet, „morgen ben je jarig!”„Ik? Je bent dronken … ik ben pas jarig geweest.”„Zeur niet … Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, danbenje morgen jarig.”„Nou, mij best … ik ben morgen jarig … maar ik tracteer niet, als je dat maar weet.”„Hoeft ook niet, luister.”En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen op de knieën deed slaan van pret.„Onbetaalbaar!” riep hij, „als dát niet werkt, helpt niets!”Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen, kermis-toeters en een groote bel.Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.„We weten geen ander middel,” besloot hij, „om van den muzikant af te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal.”Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.Ze bekeken de kamer en de vele foto’s en juist wou Piet de geschiedenis gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop te lezen stond: „Deur sluiten s. v. p.” toen opeens de muzikant weer aan ’t studeeren ging.Tsching-tsching-boem!!!Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.De groote trom tsching-boemde nog even door.De groote trom tsching-boemde nog even door.Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten, of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met den Franschman.„Doorspelen,” commandeerde Piet.Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek, aan te staren.„Hou op … hou op!!!” schreeuwde toen juffrouw Roest.En de Franschman voegde er bij:„Isse skande … sacré bleu … maak tout le monde siek!!”„Ah, monsieur …” zei Piet lachend, „gaat u zitten … U is van boven?… Tweede étage?… Juist, juist … hier zijn sigaren … excuseer ons … wij studeeren … dit is ons orkest … wij studeeren elken avond …”„Ielken oavond … ielken oavond dees ’erie?”„Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer … dit is mijn kamer … ik betaal de juffrouw … kan ik dus doen wat ik verkies …. U speelt de groote trom … wel, wat wilt u?”„Maar dit kan ik niet toestaan,” zei juffrouw Roest, „dit gaat te ver, meneer Bell.”„Och kom,” zei Piet, „zoolang monsieur van u toestemming heeft, om dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zalmijnorkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit of u verliest òns en de rest van de huurders.”„Isse skande … isse criminal … mais je me vengerai … iek zal maatrekele neem … iek betaal niet ma chambre … compris?”„Komprie? Komprie?” barstte juffrouw Roest los. „Je lijkt zelf wel een komprie. Jawel, m’n huur niet betalen en mij nog uitschelden voor komprie! Je kunt vertrekken met ’t eind van de week; verstaan? Komprie … wel heb je ooit!”De Franschman ging mopperend weer naar boven.De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag vertrok de onruststoker met zijn „’oofd fan Juut”.Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in het leven van Pietje.De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere uitvoering ging of een concert moest „verslaan,” maar meestal brachten ze hunne avonden samen op de kamer door.Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika aangekomen.Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen.Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld verging en las:New-York, April 19 ….1490 Riverside Drive.Beste kerel,Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke briefheeft mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch eenwonderlijkland! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer dan honderd-duizend auto’s door de straten rijden enhonderdentreinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal ik dan om een groot kapitaal?Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier,je hebt immers altijd zoo’n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.FLAT Iron Building NEW YORKFLATIron BuildingNEW YORKDenk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.Van je toegenegen vriend:Jacob Mantel.Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon te lezen.„Wel, ik moet zeggen,” vond Flip, „dat Jacob ons allemaal de loef afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kanikooit bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès … de heele wereld ligt voor je open.”„Wat zou jij in mijn geval doen?” vroeg Piet.„In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom pak je Jacob’s voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?”Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.„Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m’n hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen weigeren.”„’t Ellendigste voor mij is,” zei Flip, „dat ik je dan kwijtraak. De tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je ontzettend missen.”Piet wachtte niet langer, dan noodig was.Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een oogenblik verwonderd op. Piet had altijdeen vroolijken trek om den mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.„Wel, wat zullen we nu hebben?” vroeg de heer Peters. „Heeft uw vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht nieuws brengen?”„Heelemaal niet,” zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond, waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. „Heelemaal geen slecht nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!”„Hè … wat … wie???… Ga jij … naar … Amerika? En dat noem je me geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?”„Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!”De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met „u” aan te spreken.„Maar … maar …” begon hij, en hij liep met groote stappen de kamer op en neer, „ik wil je niet kwijt hier … je doet je werk goed … uitmuntend … de redacteurs zijn tevreden … je hebt stijl … pit … goeie vooruitzichten … wat wil je meer? Hoe oud ben je?”„Binnenkort word ik achttien.”„Binnenkort achttien … nauwelijks de vlegeljaren te boven! En dan naar Amerika! zonder vaste positie … zonder adres … zonder vrienden … niet weten wat te doen … dat kennenwe … dat hebbener al zoovelen geprobeerd … De grootste helft komt terug … een paar komen er … de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende …”„Wel,” zei Piet beslist, „ik zal dan behooren tot de weinigen, die er komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie … ik heb een vriend te New-York!”„O, dat verandert … Hm … anders een duivelschplan van je … ’k had je graag hier gehouden, Piet … maar enfin. Wekelijksch feuilleton zeg je, he? Maak het pittig, interessant … Brieven uit Amerika van Pietje Bell … de stad zal opkijken … Wel, laten we zeggen … vijftig gulden per week … om te beginnen … dat wil zeggen, verondersteld dat ik daarvoor twee brieven krijg … dan heb je daar alvast twintig dollar wekelijks … behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?”„Aangenomen, meneer!” riep Piet verheugd.
De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.
Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht en met Moeder besprak.
„Ik zou wel liever onzen jongen meenemen,” zei Vader, „maar hij heeft hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke week bezocht.”
Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.
Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.
Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich sterk gehecht.
Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder, na zoovele jaren van arbeid wel eenpaar jaartjes rust verdiend hadden en ook lachte het idee van „op eigen beenen te moeten staan” hem wel weer toe.
Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.
Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel verwacht had.
Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.
Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw verblijf gezocht worden.
De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano aanwezig. Daarbij hadden ze een „engel” van een kamerverhuurster, een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.
Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.
Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er proper en welverzorgd uit.
En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst te geven.
„Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is ’t geen mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi, dat je d’r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek in z’n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters onder den grond schoot. Hè-hè-hè …” en de juffrouw schommelde van ’t lachen … „en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen.”
„Wel, juffrouw,” zei Flip, „ik geloof wel, dat wij het met elkaar zullen vinden.”
Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten ze het gerust zeggen.
Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten, programma’s, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.
Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost, zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon doorbrengen.
Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door, terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.
Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven, of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.
De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk instrument bespeelde.
Het was de Turksche trom.
Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.
Tsching-tsching-tsching-boem!!! …. Tsching-boem-tsching!!!
Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij, dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.
Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!
„Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is,” riep Piet.
„Je hebt gelijk! … Hier boven!!”
Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!
„Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!”
Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!
„Zeg, Flip, die vent is krankzinnig … dat kunnen we zoo niet uithouden!”
„Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten.”
„Vooruit dan!”
De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.
Tsching-boem-boem!!!
Piet beukte nu zijn vuist op de deur.
„Alors … wat isser … Entrez!”
De jongelui traden binnen.
Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer, een muzieklessenaar met ’n studie-boek ervoor, een kort, dik Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.
Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.
„Ah … les messieurs … kaat u zitte … U isse van benee … premier etage? … Oui, oui … voila des cigarettes … excusez moi … iek studeere … oui … iek speel ien de orchestre …”
„Pardon,” verzocht Piet, „als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?”
„Loister? … Mais oui … iek loister … wat ’ad u?”
„Ik at snijboonen met worst,” zei Piet, „maar daar gaat het nou niet over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?”
„Oofd fan Juut? Comprends pas … isse niet ’oofd fan Juut … isse die kroote tromme … fan die orchestre … moet iek studeere … oui … chaque soir … ielken oavend …”
„Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie zitten?”
„’Errie … dies noem u ’errie? Isse la musique …isse ma chambre … iek betaal die propriétaire … kan iek doen wat iek verkies, n’est-ce pas? Vous jouez du piano … eh bien … watte wil u …”
„Maar waarde heer, dat gaat niet aan,” zei Flip,„dat lawaai maakt een mensch gek!”
„Oh … pas du tout … kaat wel aan … isse niet zoo erk …”
Tsching-boem-boem!!!
„Nou, meneer,” zei Piet, „we zullen er dan wel eens met de juffrouw over spreken.”
„Kaat uw kang …çam’est égal …. bonsoir mes amis!”
Tsching-boem-boem!!!
BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.
Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.
De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hijde boel niet beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen avond duren?
Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.
Na een uur studie hield de muzikant op.
Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.
„Zeg, Flip,” zei Piet, „morgen ben je jarig!”
„Ik? Je bent dronken … ik ben pas jarig geweest.”
„Zeur niet … Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, danbenje morgen jarig.”
„Nou, mij best … ik ben morgen jarig … maar ik tracteer niet, als je dat maar weet.”
„Hoeft ook niet, luister.”
En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen op de knieën deed slaan van pret.
„Onbetaalbaar!” riep hij, „als dát niet werkt, helpt niets!”
Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen, kermis-toeters en een groote bel.
Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.
Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.
„We weten geen ander middel,” besloot hij, „om van den muzikant af te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal.”
Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.
Ze bekeken de kamer en de vele foto’s en juist wou Piet de geschiedenis gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop te lezen stond: „Deur sluiten s. v. p.” toen opeens de muzikant weer aan ’t studeeren ging.
Tsching-tsching-boem!!!
Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.
Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.
Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.
De groote trom tsching-boemde nog even door.
De groote trom tsching-boemde nog even door.
Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten, of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met den Franschman.
„Doorspelen,” commandeerde Piet.
Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek, aan te staren.
„Hou op … hou op!!!” schreeuwde toen juffrouw Roest.
En de Franschman voegde er bij:
„Isse skande … sacré bleu … maak tout le monde siek!!”
„Ah, monsieur …” zei Piet lachend, „gaat u zitten … U is van boven?… Tweede étage?… Juist, juist … hier zijn sigaren … excuseer ons … wij studeeren … dit is ons orkest … wij studeeren elken avond …”
„Ielken oavond … ielken oavond dees ’erie?”
„Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer … dit is mijn kamer … ik betaal de juffrouw … kan ik dus doen wat ik verkies …. U speelt de groote trom … wel, wat wilt u?”
„Maar dit kan ik niet toestaan,” zei juffrouw Roest, „dit gaat te ver, meneer Bell.”
„Och kom,” zei Piet, „zoolang monsieur van u toestemming heeft, om dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zalmijnorkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit of u verliest òns en de rest van de huurders.”
„Isse skande … isse criminal … mais je me vengerai … iek zal maatrekele neem … iek betaal niet ma chambre … compris?”
„Komprie? Komprie?” barstte juffrouw Roest los. „Je lijkt zelf wel een komprie. Jawel, m’n huur niet betalen en mij nog uitschelden voor komprie! Je kunt vertrekken met ’t eind van de week; verstaan? Komprie … wel heb je ooit!”
De Franschman ging mopperend weer naar boven.
De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.
Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag vertrok de onruststoker met zijn „’oofd fan Juut”.
Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in het leven van Pietje.
De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.
Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere uitvoering ging of een concert moest „verslaan,” maar meestal brachten ze hunne avonden samen op de kamer door.
Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika aangekomen.
Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen.
Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld verging en las:
New-York, April 19 ….1490 Riverside Drive.Beste kerel,Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke briefheeft mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch eenwonderlijkland! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer dan honderd-duizend auto’s door de straten rijden enhonderdentreinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal ik dan om een groot kapitaal?Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier,je hebt immers altijd zoo’n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.FLAT Iron Building NEW YORKFLATIron BuildingNEW YORKDenk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.Van je toegenegen vriend:Jacob Mantel.
New-York, April 19 ….1490 Riverside Drive.
Beste kerel,
Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke briefheeft mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?
Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch eenwonderlijkland! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer dan honderd-duizend auto’s door de straten rijden enhonderdentreinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.
Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal ik dan om een groot kapitaal?
Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier,je hebt immers altijd zoo’n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.
FLAT Iron Building NEW YORKFLATIron BuildingNEW YORK
FLATIron BuildingNEW YORK
Denk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.
Van je toegenegen vriend:Jacob Mantel.
Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon te lezen.
„Wel, ik moet zeggen,” vond Flip, „dat Jacob ons allemaal de loef afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kanikooit bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès … de heele wereld ligt voor je open.”
„Wat zou jij in mijn geval doen?” vroeg Piet.
„In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom pak je Jacob’s voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?”
Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.
„Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m’n hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen weigeren.”
„’t Ellendigste voor mij is,” zei Flip, „dat ik je dan kwijtraak. De tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je ontzettend missen.”
Piet wachtte niet langer, dan noodig was.
Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.
Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een oogenblik verwonderd op. Piet had altijdeen vroolijken trek om den mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.
„Wel, wat zullen we nu hebben?” vroeg de heer Peters. „Heeft uw vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht nieuws brengen?”
„Heelemaal niet,” zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond, waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. „Heelemaal geen slecht nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!”
„Hè … wat … wie???… Ga jij … naar … Amerika? En dat noem je me geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?”
„Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!”
De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met „u” aan te spreken.
„Maar … maar …” begon hij, en hij liep met groote stappen de kamer op en neer, „ik wil je niet kwijt hier … je doet je werk goed … uitmuntend … de redacteurs zijn tevreden … je hebt stijl … pit … goeie vooruitzichten … wat wil je meer? Hoe oud ben je?”
„Binnenkort word ik achttien.”
„Binnenkort achttien … nauwelijks de vlegeljaren te boven! En dan naar Amerika! zonder vaste positie … zonder adres … zonder vrienden … niet weten wat te doen … dat kennenwe … dat hebbener al zoovelen geprobeerd … De grootste helft komt terug … een paar komen er … de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende …”
„Wel,” zei Piet beslist, „ik zal dan behooren tot de weinigen, die er komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie … ik heb een vriend te New-York!”
„O, dat verandert … Hm … anders een duivelschplan van je … ’k had je graag hier gehouden, Piet … maar enfin. Wekelijksch feuilleton zeg je, he? Maak het pittig, interessant … Brieven uit Amerika van Pietje Bell … de stad zal opkijken … Wel, laten we zeggen … vijftig gulden per week … om te beginnen … dat wil zeggen, verondersteld dat ik daarvoor twee brieven krijg … dan heb je daar alvast twintig dollar wekelijks … behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?”
„Aangenomen, meneer!” riep Piet verheugd.