Tiende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.Tiende Hoofdstuk.Aangename en onaangename lotgevallen.De Morgenpost had in den laatsten tijd veel goede diensten bewezen aan arme ouden van dagen, die een jubileum te herdenken hadden, maar geen geld bezaten, om het ook maar allerminst feestelijk te vieren.Wanneer bijvoorbeeld een zeer oud en zeer arm echtpaar zijn50-jarighuwelijk zou herdenken, deelde de Morgenpost dit reeds eenige weken te voren mede aan weldadige stadgenooten, kennissen en buren.Wel, wanneer de groote dag dan aanbrak, kwamen van alle kanten der stad de gaven en geschenken binnenstroomen, hadden buren de woning en soms zelfs het straatje feestelijk versierd en was er aan eten, drinken en snoeperij geen gebrek. En dan werd op zulk een dag ook een der reporters van de courant naar de fuivende familie gezonden, ten einde de vreugde nog te verhoogen door een officieel verslag van de feestelijkheid.Die eer viel op zekeren dag te beurt aan ons Pietje.Het was een zeer oud, onaanzienlijk en vervallen straatje, waarheen Piet dien middag zich begaf.Vanaf den ingang zag hij reeds, hoe vriendelijke buren het versierd hadden met papieren slingers, bloemen en lampions.Zelfs een draaiorgel, met oranje en groene guirlandes behangen, was voor dien dag afgehuurd en draaide zijn afgezaagde deunen onophoudelijk af.Kinderen dansten op de maat der muziek en zelfs hadden eenige mannen en vrouwen een dansje niet kunnen versmaden, zoodat er bijna heel den dag in het armoe-straatje „bal-champêtre” was.Maar er is een zeker gedeelte onder het volk, dat een bruiloft of welke andere feestviering dan ook, niet als compleet beschouwt, als er niet een vechtpartij, of zelfs ook maar een flinke ruzie op het programma voorkomt.Dit zou Piet vandaag ondervinden.Hij bekeek lachend de versierde woningen, vond het aardig, hoe die brave buren zoo meehielpen, den feestvierenden oudjes een onvergetelijken dag te bereiden.Maar het taaltje, dat die buurtgenooten gebruikten … o semaaje!!„Mot je hier weese, meester?”„Jongen kaikeris watten faine ridder …”„’t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie.”„Mot je bai ’t bruidspaar weese, meheer?”Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd.Het draaiorgel jengelde zonder ophouden.Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken.„O heere-m’n-tijd, Kee!!!” gilde een schommelende vischvrouw, „hij komp om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?”„Zeg ’m maar,” riep Kee van verre uit een raam, „dat-ie de zon in z’n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z’n lijf.”Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een langen neus maakte. Toen vroeg hij:„En waar woont nu het bruidspaar?”„Linksom en je neus achterna, meheer.”Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf:Hulde aan bRuiT en bRuiDegoMPiet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht, dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel te groote handschoenen, die over detoppen der vingers neerhingen, opende hem de deur en vroeg:„Mot u hier weese?”„Ik denk het wel,” zei Piet. „Ik ben van de krant.”Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap, beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen en schreeuwde:„Oomè!!! … Oome Hain!! …”„Wel, wat mot-je?” klonk het minzaam van boven.„Oome … hier is een man voor de krante …”„Krante? Me hebbe geen ouwe krante …”Piet deed een stap nader.„Ik ben van de Morgenpost,” verklaarde hij.„O … da’s andere koffie … ’k Doch dat je ’n krante-jood was.”„Kom maar bove … kee-je de trap zien?”„Dat gaat wel,” zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste trede zoekend.„Nee,” klonk het weer van boven, „daar is de trap niet … dan mot-je nog een beetje verder doorloopen …”„O …” zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z’n rechterbeen stond te zwaaien.Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning diende.Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen …Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.Twee ouwetjes—beduusd door de ongewone herrie—stil in een groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo’n schild prijkte, vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.„Kom d’r in, meheer,” zei dezelfde stem, die hem aan de trap met „krantejood” betiteld had.„Goeiemiddag,” zei Piet, „en is dáár het bruidspaar?”„Ja, ’t benne me grootvader en me grootmoeder, vijftigjaar getrouwd. Hier vader, hij is van de krant.”Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te zijn, en wees op Piet.Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel, buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde een lastige zuigeling.„Een heele feestdag,” zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat te zeggen.„Zoowat twee uur, denk ik,” was het antwoord van den man, die het natuurlijk niet verstaan had.„Ik zeg … een heel féést …” sprak Piet nu wat luider.„Zoo … kom je van Weesp?”Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.„Nou … en jullie magge ’t allemaal hoore … ik ben van geen mens bang … Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak … jullie net zoo goed … en z’n cente … z’n cente heit-ie netjes zellef gehouwe …”„Wat weet jai nou van Oome Tinus z’n cente?” krijschte een tante, met welgevallen haar glaasje uitlikkend.„Hou jai je d’r nou buiten, Knelia,” suste haar buurvrouw.Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.„Ik zeg … asdat Tinus …”„Nau ja, we weten dat jij en Tinus … jij en Tinus …. dronke benne …?”„Zeg dat nog is,” daagde Oom uit, „als je dat nog is zegt, zal ’k je in me knuisten neme …”„Drònke … drònke,” herhaalde de neef, „en dat zeggen wij hier allemaal.”PATS!!! … kreeg de neef een haal om zijn ooren.Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer.Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in, de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op om te vertrekken.„Jij!” brulde een der gasten hem toe, „wat doe jij hier? Van de krant, hè? Heb jij ’t hart in je falie om ons weer ’s in de krant te zette … wáág het is … dan sla ’k je hoed over je ooge … kijk zóó!!”En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoedneer, die hem tot aan den neus over het hoofd zakte.Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds „gelijncht” te worden.Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen, verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij veilig en wel de hoofdstraat bereikt had …In ’t steegje klonk nog ’t draaiorgel, dansten de buren en vocht de familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens maat in de muurkast opgestapeld.Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets met vader niet in den haak was.Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:„Dat zijn er heel wat!”„Tien vakken vol … elk vak honderd paar … duizend paar schoenen en geen cent waard.”„Geen cent waard?”„Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, … maar ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen tegenwoordig dit soort schoenen niet meer … ze willen fijne schoenen hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen … Heb ik ook, meer dan genoeg …. maar hoe kom ik van die oude partij af?”Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.„Ziet er sterk en solide uit,” meende hij.Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.„Weet jij er soms wat op?” vroeg Vader.„Misschien, op ’t oogenblik nog niet.”Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen, had veel geleerd omtrent zakendoen.Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.„Wel vader,” zei Piet, „ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er goed over denken.”Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem verteld had.Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar goede Manilla sigaren.Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en hij betere verlangde.„Best meneer,” had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En daarop had hijdezelfdesigaren in een nieuw kistje gedaan en ze heetten nu: Perfectos.Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden dag nog zeggen, datdezeManilla’s veel beter waren en bijzonder naar zijn genoegen.Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met schoenen.En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor de werkdagen!En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het in de krant stond.De krant!!… een idee!!Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.Een nieuw artikel!Dáár had je ’t.Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger, ze waren een nieuwe uitvinding!Een nieuw soort leer … NIJLPAARDEN leer!!!!!Pas uitgevonden … Als dat niet werkte!!!Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde hij zich bij den directeur.„Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?” was de vriendelijke begroeting.„Mijnheer,” begon hij, „mijn vader heeft een zeer belangrijke uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen op het gebied der schoen-industrie.”„Komaan, en waarin bestaat dat?”„Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die aan ons cadeau.„Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken.”„Ja … en toen?”„Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte maakte hij er eenpaar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen kunnenworden.”„Wel, die uitvinding is goud waard!”„Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!„Goud meneer? Diamant, radium!”„Wel, wel,” lachte de heer Peters. „Wat kan jij ze vertellen! Maar wat wou u nu eigenlijk? Mij ’n paar ervan verkoopen?”„O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel ik nu niet.”„Wat dan?”„Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost ennu wou ik een stukje in de kolommen zetten.”„Wel, daar is niets tegen … ga je gang … Bell.”Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te hebben, verliet hij het vertrek.Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:GROOTE UITVINDINGop het gebied derSCHOEN-INDUSTRIE.Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEERDe STERKSTE schoen ter wereld.Alleen Zaterdag a. s.—Verkoop begint twaalf uur v.m.10 gulden—10 gulden—10 gulden—10 guldenAlle maten voorhanden.—Let wel.—Alleen Zaterdag.P. BELL’S SCHOENENMAGAZIJNHeerenstraat 234En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden.Dat was Donderdag-avond.Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei niet veel, alleen, dat hij ’t nog geheim moest houden.Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote letters in rood en zwart gedrukt was:DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.N. P. Leer.—Tien gulden.Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te bewaren.Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten.Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan, hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.Er was geen tijd tot eten … het eene paar schoenenvloog na het andere … ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben … en heel den dag hield de stroom van koopers aan.En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot, was er van de duizend paar schoenen niet één over.Zoo’n dag had hij nog nooit meegemaakt …„Wel vader,” vroeg Piet, „heeft mijn plan gewerkt?”„Jongen, je idee was Amerikaansch … maar … zie je … ik heb nog nooit van mijn leven zaken gedaan opdiemanier … want … zie je … het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer …”„Wat doet dat er toe? Zijn ’t geen bèste schoenen?”„O ja, puikbest … beter dan menig andere …”„Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld, nietwaar?”„Zeker, jongen.”„Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden of spinnekoppenleer … als ’t maar sterk en goed is!”„En dát is het, Piet.”

Tiende Hoofdstuk.Tiende Hoofdstuk.Aangename en onaangename lotgevallen.De Morgenpost had in den laatsten tijd veel goede diensten bewezen aan arme ouden van dagen, die een jubileum te herdenken hadden, maar geen geld bezaten, om het ook maar allerminst feestelijk te vieren.Wanneer bijvoorbeeld een zeer oud en zeer arm echtpaar zijn50-jarighuwelijk zou herdenken, deelde de Morgenpost dit reeds eenige weken te voren mede aan weldadige stadgenooten, kennissen en buren.Wel, wanneer de groote dag dan aanbrak, kwamen van alle kanten der stad de gaven en geschenken binnenstroomen, hadden buren de woning en soms zelfs het straatje feestelijk versierd en was er aan eten, drinken en snoeperij geen gebrek. En dan werd op zulk een dag ook een der reporters van de courant naar de fuivende familie gezonden, ten einde de vreugde nog te verhoogen door een officieel verslag van de feestelijkheid.Die eer viel op zekeren dag te beurt aan ons Pietje.Het was een zeer oud, onaanzienlijk en vervallen straatje, waarheen Piet dien middag zich begaf.Vanaf den ingang zag hij reeds, hoe vriendelijke buren het versierd hadden met papieren slingers, bloemen en lampions.Zelfs een draaiorgel, met oranje en groene guirlandes behangen, was voor dien dag afgehuurd en draaide zijn afgezaagde deunen onophoudelijk af.Kinderen dansten op de maat der muziek en zelfs hadden eenige mannen en vrouwen een dansje niet kunnen versmaden, zoodat er bijna heel den dag in het armoe-straatje „bal-champêtre” was.Maar er is een zeker gedeelte onder het volk, dat een bruiloft of welke andere feestviering dan ook, niet als compleet beschouwt, als er niet een vechtpartij, of zelfs ook maar een flinke ruzie op het programma voorkomt.Dit zou Piet vandaag ondervinden.Hij bekeek lachend de versierde woningen, vond het aardig, hoe die brave buren zoo meehielpen, den feestvierenden oudjes een onvergetelijken dag te bereiden.Maar het taaltje, dat die buurtgenooten gebruikten … o semaaje!!„Mot je hier weese, meester?”„Jongen kaikeris watten faine ridder …”„’t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie.”„Mot je bai ’t bruidspaar weese, meheer?”Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd.Het draaiorgel jengelde zonder ophouden.Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken.„O heere-m’n-tijd, Kee!!!” gilde een schommelende vischvrouw, „hij komp om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?”„Zeg ’m maar,” riep Kee van verre uit een raam, „dat-ie de zon in z’n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z’n lijf.”Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een langen neus maakte. Toen vroeg hij:„En waar woont nu het bruidspaar?”„Linksom en je neus achterna, meheer.”Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf:Hulde aan bRuiT en bRuiDegoMPiet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht, dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel te groote handschoenen, die over detoppen der vingers neerhingen, opende hem de deur en vroeg:„Mot u hier weese?”„Ik denk het wel,” zei Piet. „Ik ben van de krant.”Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap, beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen en schreeuwde:„Oomè!!! … Oome Hain!! …”„Wel, wat mot-je?” klonk het minzaam van boven.„Oome … hier is een man voor de krante …”„Krante? Me hebbe geen ouwe krante …”Piet deed een stap nader.„Ik ben van de Morgenpost,” verklaarde hij.„O … da’s andere koffie … ’k Doch dat je ’n krante-jood was.”„Kom maar bove … kee-je de trap zien?”„Dat gaat wel,” zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste trede zoekend.„Nee,” klonk het weer van boven, „daar is de trap niet … dan mot-je nog een beetje verder doorloopen …”„O …” zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z’n rechterbeen stond te zwaaien.Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning diende.Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen …Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.Twee ouwetjes—beduusd door de ongewone herrie—stil in een groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo’n schild prijkte, vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.„Kom d’r in, meheer,” zei dezelfde stem, die hem aan de trap met „krantejood” betiteld had.„Goeiemiddag,” zei Piet, „en is dáár het bruidspaar?”„Ja, ’t benne me grootvader en me grootmoeder, vijftigjaar getrouwd. Hier vader, hij is van de krant.”Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te zijn, en wees op Piet.Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel, buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde een lastige zuigeling.„Een heele feestdag,” zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat te zeggen.„Zoowat twee uur, denk ik,” was het antwoord van den man, die het natuurlijk niet verstaan had.„Ik zeg … een heel féést …” sprak Piet nu wat luider.„Zoo … kom je van Weesp?”Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.„Nou … en jullie magge ’t allemaal hoore … ik ben van geen mens bang … Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak … jullie net zoo goed … en z’n cente … z’n cente heit-ie netjes zellef gehouwe …”„Wat weet jai nou van Oome Tinus z’n cente?” krijschte een tante, met welgevallen haar glaasje uitlikkend.„Hou jai je d’r nou buiten, Knelia,” suste haar buurvrouw.Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.„Ik zeg … asdat Tinus …”„Nau ja, we weten dat jij en Tinus … jij en Tinus …. dronke benne …?”„Zeg dat nog is,” daagde Oom uit, „als je dat nog is zegt, zal ’k je in me knuisten neme …”„Drònke … drònke,” herhaalde de neef, „en dat zeggen wij hier allemaal.”PATS!!! … kreeg de neef een haal om zijn ooren.Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer.Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in, de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op om te vertrekken.„Jij!” brulde een der gasten hem toe, „wat doe jij hier? Van de krant, hè? Heb jij ’t hart in je falie om ons weer ’s in de krant te zette … wáág het is … dan sla ’k je hoed over je ooge … kijk zóó!!”En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoedneer, die hem tot aan den neus over het hoofd zakte.Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds „gelijncht” te worden.Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen, verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij veilig en wel de hoofdstraat bereikt had …In ’t steegje klonk nog ’t draaiorgel, dansten de buren en vocht de familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens maat in de muurkast opgestapeld.Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets met vader niet in den haak was.Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:„Dat zijn er heel wat!”„Tien vakken vol … elk vak honderd paar … duizend paar schoenen en geen cent waard.”„Geen cent waard?”„Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, … maar ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen tegenwoordig dit soort schoenen niet meer … ze willen fijne schoenen hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen … Heb ik ook, meer dan genoeg …. maar hoe kom ik van die oude partij af?”Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.„Ziet er sterk en solide uit,” meende hij.Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.„Weet jij er soms wat op?” vroeg Vader.„Misschien, op ’t oogenblik nog niet.”Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen, had veel geleerd omtrent zakendoen.Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.„Wel vader,” zei Piet, „ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er goed over denken.”Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem verteld had.Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar goede Manilla sigaren.Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en hij betere verlangde.„Best meneer,” had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En daarop had hijdezelfdesigaren in een nieuw kistje gedaan en ze heetten nu: Perfectos.Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden dag nog zeggen, datdezeManilla’s veel beter waren en bijzonder naar zijn genoegen.Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met schoenen.En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor de werkdagen!En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het in de krant stond.De krant!!… een idee!!Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.Een nieuw artikel!Dáár had je ’t.Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger, ze waren een nieuwe uitvinding!Een nieuw soort leer … NIJLPAARDEN leer!!!!!Pas uitgevonden … Als dat niet werkte!!!Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde hij zich bij den directeur.„Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?” was de vriendelijke begroeting.„Mijnheer,” begon hij, „mijn vader heeft een zeer belangrijke uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen op het gebied der schoen-industrie.”„Komaan, en waarin bestaat dat?”„Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die aan ons cadeau.„Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken.”„Ja … en toen?”„Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte maakte hij er eenpaar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen kunnenworden.”„Wel, die uitvinding is goud waard!”„Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!„Goud meneer? Diamant, radium!”„Wel, wel,” lachte de heer Peters. „Wat kan jij ze vertellen! Maar wat wou u nu eigenlijk? Mij ’n paar ervan verkoopen?”„O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel ik nu niet.”„Wat dan?”„Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost ennu wou ik een stukje in de kolommen zetten.”„Wel, daar is niets tegen … ga je gang … Bell.”Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te hebben, verliet hij het vertrek.Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:GROOTE UITVINDINGop het gebied derSCHOEN-INDUSTRIE.Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEERDe STERKSTE schoen ter wereld.Alleen Zaterdag a. s.—Verkoop begint twaalf uur v.m.10 gulden—10 gulden—10 gulden—10 guldenAlle maten voorhanden.—Let wel.—Alleen Zaterdag.P. BELL’S SCHOENENMAGAZIJNHeerenstraat 234En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden.Dat was Donderdag-avond.Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei niet veel, alleen, dat hij ’t nog geheim moest houden.Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote letters in rood en zwart gedrukt was:DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.N. P. Leer.—Tien gulden.Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te bewaren.Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten.Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan, hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.Er was geen tijd tot eten … het eene paar schoenenvloog na het andere … ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben … en heel den dag hield de stroom van koopers aan.En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot, was er van de duizend paar schoenen niet één over.Zoo’n dag had hij nog nooit meegemaakt …„Wel vader,” vroeg Piet, „heeft mijn plan gewerkt?”„Jongen, je idee was Amerikaansch … maar … zie je … ik heb nog nooit van mijn leven zaken gedaan opdiemanier … want … zie je … het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer …”„Wat doet dat er toe? Zijn ’t geen bèste schoenen?”„O ja, puikbest … beter dan menig andere …”„Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld, nietwaar?”„Zeker, jongen.”„Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden of spinnekoppenleer … als ’t maar sterk en goed is!”„En dát is het, Piet.”

Tiende Hoofdstuk.Tiende Hoofdstuk.Aangename en onaangename lotgevallen.

Tiende Hoofdstuk.

De Morgenpost had in den laatsten tijd veel goede diensten bewezen aan arme ouden van dagen, die een jubileum te herdenken hadden, maar geen geld bezaten, om het ook maar allerminst feestelijk te vieren.Wanneer bijvoorbeeld een zeer oud en zeer arm echtpaar zijn50-jarighuwelijk zou herdenken, deelde de Morgenpost dit reeds eenige weken te voren mede aan weldadige stadgenooten, kennissen en buren.Wel, wanneer de groote dag dan aanbrak, kwamen van alle kanten der stad de gaven en geschenken binnenstroomen, hadden buren de woning en soms zelfs het straatje feestelijk versierd en was er aan eten, drinken en snoeperij geen gebrek. En dan werd op zulk een dag ook een der reporters van de courant naar de fuivende familie gezonden, ten einde de vreugde nog te verhoogen door een officieel verslag van de feestelijkheid.Die eer viel op zekeren dag te beurt aan ons Pietje.Het was een zeer oud, onaanzienlijk en vervallen straatje, waarheen Piet dien middag zich begaf.Vanaf den ingang zag hij reeds, hoe vriendelijke buren het versierd hadden met papieren slingers, bloemen en lampions.Zelfs een draaiorgel, met oranje en groene guirlandes behangen, was voor dien dag afgehuurd en draaide zijn afgezaagde deunen onophoudelijk af.Kinderen dansten op de maat der muziek en zelfs hadden eenige mannen en vrouwen een dansje niet kunnen versmaden, zoodat er bijna heel den dag in het armoe-straatje „bal-champêtre” was.Maar er is een zeker gedeelte onder het volk, dat een bruiloft of welke andere feestviering dan ook, niet als compleet beschouwt, als er niet een vechtpartij, of zelfs ook maar een flinke ruzie op het programma voorkomt.Dit zou Piet vandaag ondervinden.Hij bekeek lachend de versierde woningen, vond het aardig, hoe die brave buren zoo meehielpen, den feestvierenden oudjes een onvergetelijken dag te bereiden.Maar het taaltje, dat die buurtgenooten gebruikten … o semaaje!!„Mot je hier weese, meester?”„Jongen kaikeris watten faine ridder …”„’t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie.”„Mot je bai ’t bruidspaar weese, meheer?”Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd.Het draaiorgel jengelde zonder ophouden.Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken.„O heere-m’n-tijd, Kee!!!” gilde een schommelende vischvrouw, „hij komp om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?”„Zeg ’m maar,” riep Kee van verre uit een raam, „dat-ie de zon in z’n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z’n lijf.”Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een langen neus maakte. Toen vroeg hij:„En waar woont nu het bruidspaar?”„Linksom en je neus achterna, meheer.”Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf:Hulde aan bRuiT en bRuiDegoMPiet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht, dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel te groote handschoenen, die over detoppen der vingers neerhingen, opende hem de deur en vroeg:„Mot u hier weese?”„Ik denk het wel,” zei Piet. „Ik ben van de krant.”Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap, beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen en schreeuwde:„Oomè!!! … Oome Hain!! …”„Wel, wat mot-je?” klonk het minzaam van boven.„Oome … hier is een man voor de krante …”„Krante? Me hebbe geen ouwe krante …”Piet deed een stap nader.„Ik ben van de Morgenpost,” verklaarde hij.„O … da’s andere koffie … ’k Doch dat je ’n krante-jood was.”„Kom maar bove … kee-je de trap zien?”„Dat gaat wel,” zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste trede zoekend.„Nee,” klonk het weer van boven, „daar is de trap niet … dan mot-je nog een beetje verder doorloopen …”„O …” zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z’n rechterbeen stond te zwaaien.Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning diende.Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen …Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.Twee ouwetjes—beduusd door de ongewone herrie—stil in een groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo’n schild prijkte, vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.„Kom d’r in, meheer,” zei dezelfde stem, die hem aan de trap met „krantejood” betiteld had.„Goeiemiddag,” zei Piet, „en is dáár het bruidspaar?”„Ja, ’t benne me grootvader en me grootmoeder, vijftigjaar getrouwd. Hier vader, hij is van de krant.”Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te zijn, en wees op Piet.Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel, buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde een lastige zuigeling.„Een heele feestdag,” zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat te zeggen.„Zoowat twee uur, denk ik,” was het antwoord van den man, die het natuurlijk niet verstaan had.„Ik zeg … een heel féést …” sprak Piet nu wat luider.„Zoo … kom je van Weesp?”Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.„Nou … en jullie magge ’t allemaal hoore … ik ben van geen mens bang … Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak … jullie net zoo goed … en z’n cente … z’n cente heit-ie netjes zellef gehouwe …”„Wat weet jai nou van Oome Tinus z’n cente?” krijschte een tante, met welgevallen haar glaasje uitlikkend.„Hou jai je d’r nou buiten, Knelia,” suste haar buurvrouw.Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.„Ik zeg … asdat Tinus …”„Nau ja, we weten dat jij en Tinus … jij en Tinus …. dronke benne …?”„Zeg dat nog is,” daagde Oom uit, „als je dat nog is zegt, zal ’k je in me knuisten neme …”„Drònke … drònke,” herhaalde de neef, „en dat zeggen wij hier allemaal.”PATS!!! … kreeg de neef een haal om zijn ooren.Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer.Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in, de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op om te vertrekken.„Jij!” brulde een der gasten hem toe, „wat doe jij hier? Van de krant, hè? Heb jij ’t hart in je falie om ons weer ’s in de krant te zette … wáág het is … dan sla ’k je hoed over je ooge … kijk zóó!!”En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoedneer, die hem tot aan den neus over het hoofd zakte.Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds „gelijncht” te worden.Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen, verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij veilig en wel de hoofdstraat bereikt had …In ’t steegje klonk nog ’t draaiorgel, dansten de buren en vocht de familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens maat in de muurkast opgestapeld.Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets met vader niet in den haak was.Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:„Dat zijn er heel wat!”„Tien vakken vol … elk vak honderd paar … duizend paar schoenen en geen cent waard.”„Geen cent waard?”„Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, … maar ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen tegenwoordig dit soort schoenen niet meer … ze willen fijne schoenen hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen … Heb ik ook, meer dan genoeg …. maar hoe kom ik van die oude partij af?”Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.„Ziet er sterk en solide uit,” meende hij.Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.„Weet jij er soms wat op?” vroeg Vader.„Misschien, op ’t oogenblik nog niet.”Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen, had veel geleerd omtrent zakendoen.Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.„Wel vader,” zei Piet, „ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er goed over denken.”Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem verteld had.Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar goede Manilla sigaren.Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en hij betere verlangde.„Best meneer,” had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En daarop had hijdezelfdesigaren in een nieuw kistje gedaan en ze heetten nu: Perfectos.Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden dag nog zeggen, datdezeManilla’s veel beter waren en bijzonder naar zijn genoegen.Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met schoenen.En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor de werkdagen!En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het in de krant stond.De krant!!… een idee!!Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.Een nieuw artikel!Dáár had je ’t.Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger, ze waren een nieuwe uitvinding!Een nieuw soort leer … NIJLPAARDEN leer!!!!!Pas uitgevonden … Als dat niet werkte!!!Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde hij zich bij den directeur.„Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?” was de vriendelijke begroeting.„Mijnheer,” begon hij, „mijn vader heeft een zeer belangrijke uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen op het gebied der schoen-industrie.”„Komaan, en waarin bestaat dat?”„Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die aan ons cadeau.„Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken.”„Ja … en toen?”„Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte maakte hij er eenpaar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen kunnenworden.”„Wel, die uitvinding is goud waard!”„Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!„Goud meneer? Diamant, radium!”„Wel, wel,” lachte de heer Peters. „Wat kan jij ze vertellen! Maar wat wou u nu eigenlijk? Mij ’n paar ervan verkoopen?”„O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel ik nu niet.”„Wat dan?”„Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost ennu wou ik een stukje in de kolommen zetten.”„Wel, daar is niets tegen … ga je gang … Bell.”Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te hebben, verliet hij het vertrek.Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:GROOTE UITVINDINGop het gebied derSCHOEN-INDUSTRIE.Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEERDe STERKSTE schoen ter wereld.Alleen Zaterdag a. s.—Verkoop begint twaalf uur v.m.10 gulden—10 gulden—10 gulden—10 guldenAlle maten voorhanden.—Let wel.—Alleen Zaterdag.P. BELL’S SCHOENENMAGAZIJNHeerenstraat 234En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden.Dat was Donderdag-avond.Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei niet veel, alleen, dat hij ’t nog geheim moest houden.Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote letters in rood en zwart gedrukt was:DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.N. P. Leer.—Tien gulden.Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te bewaren.Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten.Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan, hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.Er was geen tijd tot eten … het eene paar schoenenvloog na het andere … ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben … en heel den dag hield de stroom van koopers aan.En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot, was er van de duizend paar schoenen niet één over.Zoo’n dag had hij nog nooit meegemaakt …„Wel vader,” vroeg Piet, „heeft mijn plan gewerkt?”„Jongen, je idee was Amerikaansch … maar … zie je … ik heb nog nooit van mijn leven zaken gedaan opdiemanier … want … zie je … het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer …”„Wat doet dat er toe? Zijn ’t geen bèste schoenen?”„O ja, puikbest … beter dan menig andere …”„Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld, nietwaar?”„Zeker, jongen.”„Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden of spinnekoppenleer … als ’t maar sterk en goed is!”„En dát is het, Piet.”

De Morgenpost had in den laatsten tijd veel goede diensten bewezen aan arme ouden van dagen, die een jubileum te herdenken hadden, maar geen geld bezaten, om het ook maar allerminst feestelijk te vieren.

Wanneer bijvoorbeeld een zeer oud en zeer arm echtpaar zijn50-jarighuwelijk zou herdenken, deelde de Morgenpost dit reeds eenige weken te voren mede aan weldadige stadgenooten, kennissen en buren.

Wel, wanneer de groote dag dan aanbrak, kwamen van alle kanten der stad de gaven en geschenken binnenstroomen, hadden buren de woning en soms zelfs het straatje feestelijk versierd en was er aan eten, drinken en snoeperij geen gebrek. En dan werd op zulk een dag ook een der reporters van de courant naar de fuivende familie gezonden, ten einde de vreugde nog te verhoogen door een officieel verslag van de feestelijkheid.

Die eer viel op zekeren dag te beurt aan ons Pietje.

Het was een zeer oud, onaanzienlijk en vervallen straatje, waarheen Piet dien middag zich begaf.

Vanaf den ingang zag hij reeds, hoe vriendelijke buren het versierd hadden met papieren slingers, bloemen en lampions.

Zelfs een draaiorgel, met oranje en groene guirlandes behangen, was voor dien dag afgehuurd en draaide zijn afgezaagde deunen onophoudelijk af.

Kinderen dansten op de maat der muziek en zelfs hadden eenige mannen en vrouwen een dansje niet kunnen versmaden, zoodat er bijna heel den dag in het armoe-straatje „bal-champêtre” was.

Maar er is een zeker gedeelte onder het volk, dat een bruiloft of welke andere feestviering dan ook, niet als compleet beschouwt, als er niet een vechtpartij, of zelfs ook maar een flinke ruzie op het programma voorkomt.

Dit zou Piet vandaag ondervinden.

Hij bekeek lachend de versierde woningen, vond het aardig, hoe die brave buren zoo meehielpen, den feestvierenden oudjes een onvergetelijken dag te bereiden.

Maar het taaltje, dat die buurtgenooten gebruikten … o semaaje!!

„Mot je hier weese, meester?”

„Jongen kaikeris watten faine ridder …”

„’t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie.”

„Mot je bai ’t bruidspaar weese, meheer?”

Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd.

Het draaiorgel jengelde zonder ophouden.

Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken.

„O heere-m’n-tijd, Kee!!!” gilde een schommelende vischvrouw, „hij komp om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?”

„Zeg ’m maar,” riep Kee van verre uit een raam, „dat-ie de zon in z’n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z’n lijf.”

Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een langen neus maakte. Toen vroeg hij:

„En waar woont nu het bruidspaar?”

„Linksom en je neus achterna, meheer.”

Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf:

Hulde aan bRuiT en bRuiDegoM

Piet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht, dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.

Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel te groote handschoenen, die over detoppen der vingers neerhingen, opende hem de deur en vroeg:

„Mot u hier weese?”

„Ik denk het wel,” zei Piet. „Ik ben van de krant.”

Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap, beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen en schreeuwde:

„Oomè!!! … Oome Hain!! …”

„Wel, wat mot-je?” klonk het minzaam van boven.

„Oome … hier is een man voor de krante …”

„Krante? Me hebbe geen ouwe krante …”

Piet deed een stap nader.

„Ik ben van de Morgenpost,” verklaarde hij.

„O … da’s andere koffie … ’k Doch dat je ’n krante-jood was.”

„Kom maar bove … kee-je de trap zien?”

„Dat gaat wel,” zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste trede zoekend.

„Nee,” klonk het weer van boven, „daar is de trap niet … dan mot-je nog een beetje verder doorloopen …”

„O …” zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z’n rechterbeen stond te zwaaien.

Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning diende.

Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen …

Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.

Twee ouwetjes—beduusd door de ongewone herrie—stil in een groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo’n schild prijkte, vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.

„Kom d’r in, meheer,” zei dezelfde stem, die hem aan de trap met „krantejood” betiteld had.

„Goeiemiddag,” zei Piet, „en is dáár het bruidspaar?”

„Ja, ’t benne me grootvader en me grootmoeder, vijftigjaar getrouwd. Hier vader, hij is van de krant.”

Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te zijn, en wees op Piet.

Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.

Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.

De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel, buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde een lastige zuigeling.

„Een heele feestdag,” zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat te zeggen.

„Zoowat twee uur, denk ik,” was het antwoord van den man, die het natuurlijk niet verstaan had.

„Ik zeg … een heel féést …” sprak Piet nu wat luider.

„Zoo … kom je van Weesp?”

Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.

„Nou … en jullie magge ’t allemaal hoore … ik ben van geen mens bang … Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak … jullie net zoo goed … en z’n cente … z’n cente heit-ie netjes zellef gehouwe …”

„Wat weet jai nou van Oome Tinus z’n cente?” krijschte een tante, met welgevallen haar glaasje uitlikkend.

„Hou jai je d’r nou buiten, Knelia,” suste haar buurvrouw.

Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.

„Ik zeg … asdat Tinus …”

„Nau ja, we weten dat jij en Tinus … jij en Tinus …. dronke benne …?”

„Zeg dat nog is,” daagde Oom uit, „als je dat nog is zegt, zal ’k je in me knuisten neme …”

„Drònke … drònke,” herhaalde de neef, „en dat zeggen wij hier allemaal.”

PATS!!! … kreeg de neef een haal om zijn ooren.

Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!

En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer.

Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in, de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.

Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op om te vertrekken.

„Jij!” brulde een der gasten hem toe, „wat doe jij hier? Van de krant, hè? Heb jij ’t hart in je falie om ons weer ’s in de krant te zette … wáág het is … dan sla ’k je hoed over je ooge … kijk zóó!!”

En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoedneer, die hem tot aan den neus over het hoofd zakte.

Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.

En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds „gelijncht” te worden.

Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen, verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij veilig en wel de hoofdstraat bereikt had …

In ’t steegje klonk nog ’t draaiorgel, dansten de buren en vocht de familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!

Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.

Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens maat in de muurkast opgestapeld.

Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets met vader niet in den haak was.

Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:

„Dat zijn er heel wat!”

„Tien vakken vol … elk vak honderd paar … duizend paar schoenen en geen cent waard.”

„Geen cent waard?”

„Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, … maar ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen tegenwoordig dit soort schoenen niet meer … ze willen fijne schoenen hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen … Heb ik ook, meer dan genoeg …. maar hoe kom ik van die oude partij af?”

Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.

„Ziet er sterk en solide uit,” meende hij.

Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.

„Weet jij er soms wat op?” vroeg Vader.

„Misschien, op ’t oogenblik nog niet.”

Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen, had veel geleerd omtrent zakendoen.

Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.

„Wel vader,” zei Piet, „ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er goed over denken.”

Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.

En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem verteld had.

Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.

Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar goede Manilla sigaren.

Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.

De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en hij betere verlangde.

„Best meneer,” had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En daarop had hijdezelfdesigaren in een nieuw kistje gedaan en ze heetten nu: Perfectos.

Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden dag nog zeggen, datdezeManilla’s veel beter waren en bijzonder naar zijn genoegen.

Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met schoenen.

En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.

Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor de werkdagen!

En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het in de krant stond.

De krant!!… een idee!!

Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.

Een nieuw artikel!

Dáár had je ’t.

Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger, ze waren een nieuwe uitvinding!

Een nieuw soort leer … NIJLPAARDEN leer!!!!!

Pas uitgevonden … Als dat niet werkte!!!

Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde hij zich bij den directeur.

„Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?” was de vriendelijke begroeting.

„Mijnheer,” begon hij, „mijn vader heeft een zeer belangrijke uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen op het gebied der schoen-industrie.”

„Komaan, en waarin bestaat dat?”

„Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die aan ons cadeau.

„Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken.”

„Ja … en toen?”

„Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte maakte hij er eenpaar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen kunnenworden.”

„Wel, die uitvinding is goud waard!”

„Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!

„Goud meneer? Diamant, radium!”

„Wel, wel,” lachte de heer Peters. „Wat kan jij ze vertellen! Maar wat wou u nu eigenlijk? Mij ’n paar ervan verkoopen?”

„O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel ik nu niet.”

„Wat dan?”

„Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost ennu wou ik een stukje in de kolommen zetten.”

„Wel, daar is niets tegen … ga je gang … Bell.”

Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te hebben, verliet hij het vertrek.

Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:

GROOTE UITVINDINGop het gebied derSCHOEN-INDUSTRIE.Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEERDe STERKSTE schoen ter wereld.Alleen Zaterdag a. s.—Verkoop begint twaalf uur v.m.10 gulden—10 gulden—10 gulden—10 guldenAlle maten voorhanden.—Let wel.—Alleen Zaterdag.P. BELL’S SCHOENENMAGAZIJNHeerenstraat 234

GROOTE UITVINDINGop het gebied derSCHOEN-INDUSTRIE.Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEERDe STERKSTE schoen ter wereld.

Alleen Zaterdag a. s.—Verkoop begint twaalf uur v.m.10 gulden—10 gulden—10 gulden—10 guldenAlle maten voorhanden.—Let wel.—Alleen Zaterdag.

P. BELL’S SCHOENENMAGAZIJN

Heerenstraat 234

En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden.

Dat was Donderdag-avond.

Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei niet veel, alleen, dat hij ’t nog geheim moest houden.

Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote letters in rood en zwart gedrukt was:

DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.N. P. Leer.—Tien gulden.

DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.

N. P. Leer.—Tien gulden.

Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.

Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.

Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te bewaren.

Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten.

Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan, hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.

Er was geen tijd tot eten … het eene paar schoenenvloog na het andere … ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben … en heel den dag hield de stroom van koopers aan.

En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot, was er van de duizend paar schoenen niet één over.

Zoo’n dag had hij nog nooit meegemaakt …

„Wel vader,” vroeg Piet, „heeft mijn plan gewerkt?”

„Jongen, je idee was Amerikaansch … maar … zie je … ik heb nog nooit van mijn leven zaken gedaan opdiemanier … want … zie je … het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer …”

„Wat doet dat er toe? Zijn ’t geen bèste schoenen?”

„O ja, puikbest … beter dan menig andere …”

„Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld, nietwaar?”

„Zeker, jongen.”

„Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden of spinnekoppenleer … als ’t maar sterk en goed is!”

„En dát is het, Piet.”


Back to IndexNext