Chapter ornament
De tocht van schipper Van Halen met het door hem zelf uitgevonden vaartuig werd druk besproken.
Toen Andries tegen den avond een van de herbergen aan het IJ binnenstapte om er een kanHaarlemschte drinken, zaten ook dáár de aanwezigen er druk over te redeneeren.
„Ik zeg maar,” schreeuwde een scheepsbarbier, een klein, zwetserig kereltje, met hooge, gillende stem: „Ik zeg maar, dat het nu feitelijk bewezen is, dat de berekeningen van schipper Van Halen juist waren. En dat heb ikaltijdgezegd, ofschoon ieder indertijd volhield, dat de uitvinding van den knappen schipper geen halve duit waard was!”
„Och wat!” gromde een scheepstimmerman, „heb je er zelf indertijd niet het hardst van allen den draak mee gestoken?”
„Ik!” gilde het mannetje, rood van inspanning en verontwaardiging, „ik?Een man van ontwikkeling?! Dat is immers te dwaas om los te loopen!”
„Enikzeg je, dat je 't wèl gezeid hebt!” bulderde de scheepstimmerman.
„Bedaar, bedaar! vriend Jaspersz!” piepte het kereltje, terwijl hij angstig achteruit schoof; „ik heb dat wel eensgezègd, zeker, zeker! Maar uit gekheid, weet je?”
„Jawel,” gromde de scheepstimmerman, „zoo kan je natuurlijk je d'r altijd uit redden.”
„Hoor eens!” piepte de barbier, die, nu hij zag dat Jaspersz bedaarder was geworden, weer wat moed begon te krijgen, „ons vroeger oordeel doet er eigenlijk ook weinig aan toe;ditis zeker: Door Pieter Van Halen is de scheepsbouwkunst een heele stap vooruit gebracht. Hebjullieooit een schip gemaakt, dat in den ongelooflijk korten tijd van een jaar de reis naar de vèrste deelen van Indië kon doen?”
„En dat zoo weinig vòlk noodig heeft?” voegde een ander zeeman er bij. Ofschoon ik dáár nu juist niet zoo mee ingenomen ben.”
„En dat waaròm niet?” gilde het scheepsbarbiertje weer.
„Waaròm niet? Wel, dat is dunkt me zoo klaar als een klontje: Het vaartuig van schipper Van Halen heeft maar een derde van de manschap noodig, die een ander schip van dezelfde grootte vereischt. Een heeleboel zeevolk zal daardoor moeten leegloopen, als het gauw allemáál van die nieuwerwetsche schepen worden!”
„Och wat!” gilde het stemmetje van den barbier nu weer. „Hoe korter reis en hoe minder manschap hoe voordeeliger voor de reeders. Die zullen dus meer schepen gaan bouwen, er zullen meer reizen worden gemaakt en ten slotte worden de zeelui er nog beter in plaats van slechter van.”
„Ja, als het de reeders goed gaat,” zei weer een ander, „dan varen ook de zeelui daar wel bij.”
„En wat een verbetering met betrekking tot de gezondheid!” krijschte de barbier weer; „want bij schipper Van Halen behoeven niet zooveel menschen in een beperkte ruimte opgehoopt te worden als op andere schepen. En doordat de reis met dat schip maar zoo kort duurt, is er lang zooveel gevaar niet, dat het volk gebrek aan mondbehoeften en goed drinkwater zal krijgen, waardoor scheurbuik schier onmogelijk wordt!”
„Bovendien,” zoo mengde zich Andries nu in het gesprek, „hebben we nù den tocht gedaan bij het ongunstigste weer. We mogen dus hopen, dat er onder meer gunstige omstandigheden nog voordeeliger uitkomsten te wachten zijn.”
„We?heb je dan de reis meegemaakt?” riepen verscheidene stemmen.
„Ja, dat heb ik. Schipper Van Halen is mijn neef,” zei Andries met zekeren trots.
Van alle kanten werd hij nu met vragen bestormd, waar maar geen eind aan scheen te komen.
„Nu, vriendschap!” zei ten slotte een van de aanwezigen, „na zoo'n gelukkigen uitslag is voor je neef zijn fortuin zoo goed als gemaakt. Je zult zien, het régent straks aanbiedingen, de een al mooier dan de ander, van rijke reeders die ook zulke schepen willen hebben.”
„Ik vrees, dat het hun weinig zal baten,” gaf Andries ten antwoord.
„En dat waarom?” riepen verscheidene gasten verwonderd.
„Wel, toen mijn neef, jaren geleden, met zijn uitvinding voor den dag kwam, heeft niemand hem willen helpen. Integendeel, overal waar hij zich aanmeldde, werd hij bespot en uitgelachen....”
„Ah, jawel,” viel een matroos hem in de rede: „Vroeger, toen ik jullie noodig had, zal hij denken, wou jelui niemendal van me weten; wel nou, loop jullie dan nou óók maar naar de maan!”
„Ja, zoo denkt hij er precies over,” bevestigde Andries, betaalde zijn bier en stapte de herberg uit.
Nauwelijks had hij die verlaten, of hij werd door een der aanwezigen, die slechts zwijgend geluisterd had, gevolgd en staande gehouden:
„Zeg vriendschap!” zei de vreemdeling, „zou je neef heusch geen plan hebben om, zelfs voor veel geld, zijn uitvinding bekend te maken?”
„Ik zou het niet denken, vriend!” gaf Andries ten antwoord.
„Jullie moet dan wel heel rijk zijn,” ging de man voort, „om ter wille van een misplaatst eergevoel zelfs een schitterende aanbieding van de hand te wijzen!”
„Jullie? Mijn neef wil u zeggen. Want ik voor mij bezit geen duit!”
Dat was het juist, wat de vreemdeling wilde weten. Vandaar dat hij met opzet het meervoud had gebruikt. „Welnu, als dat wààr is, dan zul je er toch ook niet op tegen hebben, om op een gemakkelijke manier een honderd gulden te verdienen.”
Honderd gulden verdienen op een gemakkelijkewijze! Andries' oogen schitterden! Want hij had, helaas, voor een groot deel de geldzucht van zijn vader geërfd!
„En wat zou ik daarvoor dan moeten doen?” vroeg hij gretig.
„Al heel weinig. Luister maar: Ik ben scheepsbouwmeester en het zou mij veel waard zijn, als ik óók zulke schepen als „De Vlugge Christina” kon maken. Daarom wil ik aan je neef het voorstel doen om hem, voor een groote som desnoods, zijn uitvinding af te koopen. Ik begrijp echter heel goed, dat dit niet dadelijk zal gelukken. Maar je hebt misschien invloed op hem. Welnu, tracht dan, zoodra ik weer vertrokken ben, uw neef te bewegen mijn voorstel aan te nemen. Gelukt je dit, dan betaal ik je onmiddellijk honderd gulden uit!”
„Aangenomen!” zei de jonkman.
„Laten we dan afspreken, dat we elkaar precies over veertien dagen weer in dezelfde taveerne van hedenavond zullen ontmoeten.”
„Top!” riep Andries, waarna hij den vreemdeling verliet om weer naar boord te gaan.
Reeds den volgenden morgen werd den kapitein door den scheepstimmerman een inderdaad schitterend aanbod gedaan. Maar Van Halen, die in den man een van zijn vroegere tegenwerkers herkende, weigerde beslist.Andries deed wat hij kon om neef Pieter tot andere gedachten te brengen, maar—niets mocht baten. Dit maakte hem verdrietig en daar van het onderwijs in den eersten tijd tòch niets komen zou, vroeg en kreeg hij verlof om eens voor een week naar zijn familie in Rotterdam te gaan. Want men moet weten, dat na den aanval zijn vader het toch maar veiliger geacht had, om weer dáár te gaan wonen.
Aanhoudend dacht Andries aan de halsstarrigheid van zijn neef, die hem verhinderde in één oogenblik honderd gulden te verdienen. O, alshijdie uitvinding eens gedaan had, alshijdie plannen en teekeningen eens bezat! Wat zou hij er zaken mee doen! Voor duizenden guldens zou hij ze verkoopen....
Maar—hij hàd ze nu eenmaal niet. En Pieter, die ze wèl bezat, liet ze nu verder ongebruikt vergelen. Wáár zouden ze liggen? In de kast natuurlijk, die neef altijd zoo zorgvuldig gesloten hield.... Maar als die kast nu te eeniger tijd toevallig eens los was, zou het dan zoo erg wezen als hij, Andries, die papieren er uit nam en ze voor veel, veel geld verkocht? Ze lagen daar immers toch maar renteloos! Pieter zou er dus heelemaal geen schade bij hebben....
Zóó mijmerde Andries voort en hoe méér hij er over dacht, hoe méér zijn geldzucht hem aandreef, zich vandie plans en teekeningen meester te maken.
Na een week reeds keerde hij naar Amsterdam terug, vást besloten, om zijn voornemen ten uitvoer te brengen, zoodra de gelegenheid maar gunstig was.
Onder die omstandigheden vond hij het nu zelfs gelukkig, dat zijn neef zoo halsstarrig geweigerd had. „Maar,” zoo vroeg hij zich af, „zal Pieter bij zijn weigeringblijven?”
Spoedig bleek hem echter, dat voor die vrees weinig grond bestond. Wel ontving Van Halen van alle kanten uitnoodigingen en bezoeken, wel kreeg hij van alle kanten aanzoeken om modellen te maken volgenszijnstelsel; ja, poogden de Oost-Indische Compagnie en de Hooge regeering zelfs hem over te halen tot mededeeling van zijn uitvinding, maar schipper Van Halen bleek niet te vermurwen. Hij was nu met hart en ziel koopman geworden en trachtte alleen indiehoedanigheid van zijn uitvinding zooveel mogelijk voordeel te trekken. Zijn eischen liepen dus buitensporig hoog, zoodat de regeering van alle verdere onderhandeling met hem afzag.
Particulieren die dit hoorden, waagden het nu heelemaal niet meer. Maar van dat oogenblik af aan trachtten alle mogelijke scheepsbouwmeesters, die tòch al het land aan Van Halen hadden, zijn uitvinding tekleineeren. Volgens hun oordeel was „De Vlugge Christina” een schip, dat slechts zoo kon worden gemaakt, omdat het zoo'nkleinvaartuig was. Groote schepen zou men op die manier niet kunnen bouwen, ging men zeggen. In het kort, wangunst en boosaardigheid deden wat zij konden, om den roem, dien Van Halen als uitvinder reeds verworven had, zoo klein mogelijk te maken, zoodat weldra de meeste menschen de overtuiging hadden, dat Van Halen een heel gewoon schippertje, maar een geweldig groote bluffer was.
Andries begreep echter, dat de mannen van het vak voor zich zelf wel beter wisten en dat het bezit van neef Pieters teekeningen nog alle waarde voor hen hebben zou.
Op den bepaalden tijd begaf hij zich naar de herberg, waar hij, volgens afspraak, den scheepstimmerman zou ontmoeten. Nu de zaken zoo'n keer hadden genomen, had hij echter weinig hoop, den vreemdeling daar aan te treffen. Zooveel te grooter was dus zijn verrassing, toen hij er den man toch zitten vond.
„Je bent er niet in geslaagd, je neef tot andere gedachten te brengen?” vroeg de vreemdeling zacht, om niet door de aanwezigen gehoord te worden.
„Neen,” zei Andries, „maar wat zou het u waard zijn,” fluisterde hij, „alsiku die ontwerpen verschafte?”
„De zaak loopt prachtiger van stapel, dan ik had durven hopen,” dacht de vreemdeling, die juist gekomen was om Andries, wiens geldzucht hem den vorigen keer vrij duidelijk was gebleken, tot die slechte daad over te halen.
„Wat mij dat waard zou zijn? Stellig wel een duizend gulden!”
„Neen, voor zoo'n bagatel wil ik het niet doen,” was het antwoord.
Lang en druk werd er daarop gefluisterd en het gevolg was, dat Andries op zich nam, den vreemdeling voor tienduizend gulden de papieren, die op de uitvinding betrekking hadden, in handen te spelen.
Van dat oogenblik af bespiedde hij zorgvuldig de kast die neef Pieter tot eigen gebruik diende. Maar op welk uur van den dag hij ook de kajuit binnen sloop, steeds vond hij ze gesloten. Eens, toen Pieter zich aan dek bevond, beproefde Andries den sleutel van zijn eigen kast op het slot, maar tot zijn spijt bleek die niet te passen.
Wat nu gedaan! Wachten tot Pieter bij ongeluk de kast eens niet afsloot kon hij niet lang meer, want de noodige herstellingen aan het schip waren al gedaan, de lading was al zoo goed als binnen en over een paar dagen zouden zij weer in zee steken. Neen, hij moestzijn slag slaan, nu of morgen, anders was het te laat! Maarnu, dat ging niet, want alle matrozen waren aan dek. De verdenking zou dus dadelijk op hém vallen ... Zou het moeilijk gaan, de kast open breken? Hij rukte even aan de deur.—Er kwam beweging in ... Ze zou gemakkelijk los te breken zijn ... Zonder veel geluid stellig ... En—Pieter sliep altijd vast ... O, van nacht, van nacht ... Ja, dan moet het gebeuren ... Morgen—dan was het misschien te laat.
Pieter was dien dag druk in de weer geweest, want hij wilde dat het stouwen van de lading, evenals vroeger, geheel onder zijn toezicht zou geschieden. Moe van alle beslommeringen begaf hij zich eindelijk naar bed en sliep dadelijk in. Hij droomde van de nieuwe reis, die hij met zijn geliefd schip weer ondernomen had. „De Vlugge Christina” vloog weer, licht als een veertje, over de golven. Schepen van allerlei natiën snelde hij voorbij, tot hij ze in een oogenblik ver achter zich gelaten had. In weinige dagen was hij reeds de warme luchtstreek genaderd. Hij had nog geen waarneming gedaan, maar hij voelde het duidelijk aan den lauwen adem van den wind, die langs zijn wangen streek. Op eens, midden in den nacht, zag hij dreigend een donkere klip uit den oceaan omhoog steken. Hij wilde haastig het roer wenden, maar, door een onbekende oorzaakwas dit onbruikbaar. Hij poogde te schreeuwen, om den bijstand der matrozen in te roepen, maar het scheen of zijn tong verlamd was. En intusschen naderde het vaartuig al sneller en sneller de klip, waar het regelrecht op afliep ... Reeds zag hij de klip vlak voor den boeg ... reeds hoorde hij een onheilspellend gekraak ... Toen werd hij wakker.
Gelukkig, hij had slechtsgedroomd.
Maar dat gekraak dan, dat was toch géén droom geweest. Dat had hij duidelijk gehoord.
Hij richtte zich op en keek rond.
Plotseling ontwaarde hij in een hoek van de kajuit een donkere gestalte, die zich over een menigte papieren heenboog, in de grootste wanorde over den grond verspreid.
Bliksemsnel greep hij naar het pistool, dat altijd onder zijn bereik lag en sprong het bed uit. Maar zijn hand zonk machteloos weer neer, want in hetzelfde oogenblik had hij, bij het bleeke licht van de maan dat door een der ruiten van de kajuit drong, in den dief zijn eigen neef herkend.
„Groote God!... Andries!! Jij?” riep hij vol ontzetting.
„Pieter ... ik ... ik ...”
„Weg!! Weg!!” schreeuwde Van Halen met heeschestem. Want die geopende kast, die papieren, over den grond verspreid, deden hem met smartelijke helderheid eensklaps alles begrijpen.
„Je bent—o, je bent een ellendeling!.. Weg! Weg!” kreet Pieter opnieuw.
Doodsbleek en sidderend van angst greep Andries de deur van de kajuit en verdween als een schim in den nacht, om nooit weer aan boord te komen.
Van Halen verzamelde nu alles wat op den grond lag en sloot de kast, waarna hij zich als wezenloos in een stoel liet neervallen.
De papieren, die op zijn uitvinding betrekking hadden, had Andries niet kunnen vinden, omdat die op een geheime plaats achter het beschot bewaard werden. Niettemin had dit voorval Van Halen geweldig geschokt. Van alle kanten door vijanden omringd, zonder vrouw of kind om hem lief te hebben, had hij al zijn genegenheid, al zijn hoop op dezen schranderen jongeling gevestigd. En zijn plan stond reeds vast om zijn geheele bezitting aan hem te vermaken en, door hém, zijn uitvinding, die hem dierbaar was boven alles, eenmaal aan de wereld over te dragen.
Maar van nu af had hij niemand, niemand meer aan wien hij zich hechtte; van nu af aan zou zijn hart voor ieder gesloten zijn. Wie ter wereld was dan ook nog tevertrouwen, als zelfs hij, voor wien hij alles, alles had willen zijn, ja, dien hij tweemaal zelfs het leven had gered, hem nog ellendig bedroog? Neen, hij zou Europa verlaten en, (als een eeuwige zwerver,) nooit weer terugkeeren naar het werelddeel, waar hij zulke bittere ervaringen had opgedaan.
In treurige overpeinzingen en plannen voor de toekomst verdiept, zat hij nog lang na middernacht in de kajuit. Tegen den morgen had hij zijn besluit genomen. Hij stond op, legde een flink vuur aan en haalde toen uit de geheime kast al de papieren, die op zijn uitvinding betrekking hadden. Stuk voor stuk wierp hij ze in de vlammen en zag toe, hoe de arbeid en inspanning van schier heel zijn leven snel door de gretige vlamtongen omkronkeld en verteerd werden. Een traan rolde langs zijn door de zon gebruind gezicht—het was de laatste warmte-uiting van een gemoed, dat plotseling verkild was.
Toen stond Van Halen op. Hij was een geheel ander mensch geworden. Moe van den hevigen schok en het droevige peinzen en denken, wierp hij zich opnieuw op zijn leger neer, vol heftigen haat voor de menschen, van wie hij zijn leven lang niets dan spot, miskenning en laagheid had ondervonden.
In sombere stemming kwam hij dien morgen aan dek.„Mannen,” sprak hij, nadat hij al zijn matrozen om zich heen verzameld had: „ik heb besloten, Europa voor goed te verlaten. Wat mij tot dit besluit bewogen heeft, doet er weinig toe. Ik dwing niemand om met mij te varen, die er niet vrijwillig toe overgaat. Wie echter lust heeft met mij te vertrekken waarheen ik verkies, zal nooit mogen vragen waaróm ikditdoe ofdat; wànneer wij zullen landen of wáar wij zullen aankomen, want van nu af geef ik niemand rekenschap van mijn doen of laten meer. Ieder, die deze voorwaarde aanneemt, beloof ik een dubbele gage en eenmaal, wanneer hij voor den dienst ongeschikt wordt, een rijkelijk pensioen. Ieder, die datnietwil, kan vandaag nog in mijn kajuit komen om zijn loon en desnoods dadelijk vertrekken. Morgen echter gaan wij onder zeil.”
Negentien van zijn manschappen, allen kloeke, onverschrokken kerels, sloten nu een verdrag met hem, overeenkomstig de voorwaarden die hij had gesteld. Ook Thomas, nu als matroos meevarend, sloot zich bij hen aan. De vijf overigen waren getrouwde mannen en verlieten het vaartuig en zijn kapitein, die zij beide lief hadden gekregen, met een gevoel van weemoed, zooals ze nog bij geen enkele afmonstering gekend hadden.
Van Halen zag ze echter onverschillig vertrekken.
Den volgenden dag liet hij, tegen den avond, de ankers lichten zonder zijn pas te vertoonen, waarop het wachtschip onmiddellijk van wal ging om hem aan te houden.
Maar onder het gejuich der matrozen liet Van Halen de Hollandsche vlag hijschen. Een zwarte wimpel waaide van den grooten mast als bewijs, dat hij zoowel met zijn vaderland als met ieder ander wilde breken, en spoedig was het vlugge vaartuig als een waterspook uit het gezicht verdwenen, ofschoon het oorlogsschip alle zeilen bijzette en het kogel op kogel nazond.
Chapter ending
Chapter ornament
Zoodra Van Halen in volle zee was liet hij den steven naar het Zuiden wenden, stuurde de volgende dagen bij een goeden wind langs de kusten van Normandië en liep eindelijk de golf van Biscaye binnen. Hier, in het meest stormachtige gedeelte van de zee die Europa bespoelt, had het schip veel te lijden van vreeselijke windvlagen en hooggaande golven; maar daar het zoo voortreffelijk ingericht was, waren Van Halen en zijn klein getal manschappen toch volkomen in staat hun vaartuig te blijven besturen. Den vijfden dag zeilde hij des nachts, terwijl de storm loeide en de regen in stroomen neerviel, niet zonder gevaar, dicht langs de kust, om de rotsachtige Kaap Finisterre heen.
De sombere stemming van Van Halen bracht hem in een toestand, waarin hij voor geen enkele onderneming meer terug beefde. Het leven had voor hem alle bekoorlijkheid, alle waarde verloren en dat van zijn medemenschen telde hij daarom even weinig als het zijne. Alleen het op de proef stellen van zijn geliefd schip achtte hij nog de moeite waard; alleen dàt denkbeeld kon hem nog bekoren. Daarom onderwierp hij het dolzinnig aan de vreeselijkste proeven en hoe onverschrokkener en vermeteler hij alles op het spel zette, des te schooner uitkomsten leverde zijn bouwkunst op.
Opdat echter niemand zou raden, wat hij wilde beproeven, stond hij in de gevaarlijkste oogenblikken zelf aan het roer en riep zijn manschappen de noodige bevelen toe door den scheepsroeper. Met de kracht van een reus verrichtte hij alleen het werk, waartoe men op andere schepen onderscheidene manschappen noodig heeft.
Toen hij, in weerwil van den storm, dicht bij de Spaansche kust kaap Finisterre omzeilde, was het wéér zoo'n gevaarvol oogenblik. Het was omstreeks negen uur 's avonds, toen de matrozen van de wacht hem den glinsterenden lichttoren van Villano aanwezen, die als een flauw schijnende ster op de golven scheen te dansen.
Van Halen antwoordde niets, maar hield zijn schip,dat ondanks den storm vele zeilen bijhad, een weinig meer van de kust af, terwijl hij intusschen van tijd tot tijd een snellen blik op het nabij zijnde land wierp.
Spoedig verscheen er ten Zuidoosten een tweede lichtpunt. Het was de vuurtoren van Torrinana.
Toen Van Halen dit tweede, hem welbekende licht zag, bleek hem daaruit, dat hij thans aan bakboord de beruchte klippen van Torrinana en Corrubion kreeg en nu gaf de roekelooze aan zijn ontstelde manschappen bevel om, behalve de zeilen die al stonden, het fokkezeil op te halen, waardoor het schip een ontzettende vaart moest krijgen, of te midden van de branding zijn wissen ondergang tegemoet gaan.
Zoodra het fokkezeil bijgezet was schoot het schip met zóó'n kracht vooruit, dat Van Halen niet meer bij machte was om alléén het roer te regeeren en daarom een van zijn sterkste matrozen te hulp riep.
't Was een moedig en ervaren zeeman, die niet kon nalaten hem opmerkzaam te maken op den gevaarlijken toestand waarin het vaartuig verkeerde.
„Schipper,” riep hij, „wij drijven naar de klippen af!”
„Waarachtig niet,” schreeuwde Van Halen, „we zeilen er op dit oogenblik om heen!”
Plotseling schitterde er iets als de bliksem, waarop de knal volgde van een zwaar stuk geschut.
In het volgende oogenblik zag men den omtrek van een groot schip zonder masten, dat door wind en golven landwaarts gedreven werd.
„Groote God! Wat is dat?” riep de man die naast Van Halen stond.
„Stuurboord!” klonk het bevel. „Het is een schip; over een minuut moet het vergaan!”
Men hoorde eenige flauwe kreten, daar „De Vlugge Christina” in dat oogenblik op geen pistoolschot afstands achter den spiegel van het vreemde vaartuig voorbij gleed.
Er werd nog een schot gelost en bij het flikkeren herkende men de vlag en zag men langs de zij van het schip talrijke monden van zware stukken geschut, en dat zich een groote menigte menschen aan boord bevonden, die in wanhoop rondliepen.
Nu hoorde men een verschrikkelijk gekraak, dat zelfs boven het bruisen van de golven en het gehuil van den wind uitklonk.
De matroos sidderde en bad overluid: „Barmhartige God, sta ze bij!”
„Het is gebeurd!” sprak Van Halen ijzingwekkend koud.
„Aldie menschen?” riep de matroos ontzet.
„Ja!” was het antwoord, koud en gevoelloosuitgesproken, alsof het de onbeduidendste zaak ter wereld gold.
Men zag weldra niets meer van het vreemde schip.
Toch kwamen nog enkele schipbreukelingen op de wrakken van hun vaartuig aan de kust, waar zij gered werden.
Het is licht te begrijpen dat het reeds bestaande geloof aan een spookschip onder Hollandsche vlag, door de verhalen van deze schipbreukelingen nieuw voedsel ontving.
De buitengewone beweeglijkheid en de goede bouw redden Van Halen's vaartuig van het wisse verderf, waaraan hij het bijna moedwillig had prijs gegeven. Reeds na vijf dagen zeilde het ten Westen van Cadix, liep onder Engelsche vlag, deze haven binnen, nam eenige ververschingen in, benevens een grooten voorraad kostbaren Spaanschen wijn en stak toen weer in zee om naar de Canarische eilanden te zeilen. In volle zee heesch Van Halen de Hollandsche vlag weer en voer rustig daarheen, onbekommerd over hetgeen hem zou kunnen bejegenen.
Spoedig kwam in de verte een groot schip te zien dat zijn geheelen achtermast en al de raas, stengen en rondhouten van de andere masten verloren had.
Men gaf noodseinen, maar Van Halen zond zijn volktusschendeks en bekreunde zich er niet om.
De zonderlinge handelwijze van den anders zoo menschenlievenden man wekte onder het scheepsvolk niet weinig verwondering en ontevredenheid op. Niemand durfde echter zijn gevoelen uiten.—Het vreemde vaartuig bleef spoedig achter en verdween in de verte.
Maar nu meldden de matrozen, dat op een zeemijl afstand een boot vol volk te zien was, dat zeker schipbreukelingen moesten zijn. Van Halen, wiens stemming hoe langer hoe somberder werd, hoe meer hij zich aan den omgang met zijn tochtgenooten onttrok, antwoordde niets, maar beval aan zijn manschappen, om zich op het dek neer te leggen en niet eerder op te staan, vóór hij het hun gebood.
De vreemde boot roeide uit alle macht, om zooveel mogelijk het snelzeilende schip te achterhalen. Maar tevergeefs riepen de ongelukkigen om hulp en medelijden, tevergeefs spanden zij hun laatste krachten in om het schip te naderen en desnoods met geweld aan boord te komen. „De Vlugge Christina” vloog hen voorbij en liet de boot niets na dan eenige kringen in het water.
Vijf minuten later was het schip van Van Halen al zoo ver, dat men den zwakken klank van hun stemmen niet meer hooren kon.
De matrozen waren buiten zichzelf van verbazing over deze onmenschelijke onverschilligheid van Van Halen. Zij vreesden voor zijn verstand en maakten fluisterend opmerkingen die meestal hierop neerkwamen, dat men schip en leven niet langer kon toevertrouwen aan het opzicht van een krankzinnige. Van Halen hóórde dat nu wel niet, maar de duistere blikken van zijn manschappen voorspelden hem niet veel goeds, waarom hij besloot zich de eerste de beste gelegenheid van hen allen te ontdoen. Voorloopig echter had hij nog werk genoeg voor hen; alles wat door den storm beschadigd was deed hij herstellen en het schip van buiten opnieuw verven. Hij liet er nu ook de witte streep af, die langs de geschutpoorten liep en toen stak de lange, zwart geteerde romp dreigend af bij de groene oppervlakte van den oceaan.
Nauwelijks waren deze werkzaamheden verricht, of aan den Zuidelijken gezichteinder verschenen als donkere wolken de rotstoppen van de Canarische eilanden. Den volgenden dag wierp kapitein Van Halen het anker op de reede van Teneriffe en vertoonde zijn schip de Spaansche vlag.
Van Halen gaf nu zijn matrozen bevel, dat zij zich eenige dagen op dit eiland moesten vermaken, daar hij ongestoord alleen wilde zijn.
Zijn sombere stemming aan boord was al bevreemdend genoeg, des te meer verraste hen nu dit verlangen om alleen te zijn. Zij hadden Van Halen lief, want, hoewel zij zich in stilte over hem uitlieten alsof hij niet wel bij het hoofd zou zijn, deed hij hen toch geen van allen ooit kwaad en zijn vreemdheid en onverschilligheid wekten bij hen wel huivering en medelijden, maar toch had hij hun achting nog niet verloren. In hun oogen was hij nog een onvergelijkelijk zeeman, een stuurman wiens kunst algemeene bewondering tot zich trok en een bevelhebber dien men zonder tegenspraak gehoorzaamde. Maar hij was hun in den laatsten tijd zoo vreemd voorgekomen, hij scheen dezelfde niet meer van vroeger. Angstig trachtten zij elkaar de bezorgdheid uit het hoofd te praten, die zijn vreemde handelwijze bij hen opwekte en waartoe hij met iederen dag opnieuw aanleiding gaf. In zijn besluit om eenige dagen alleen aan boord te blijven meenden zij dan ook niet anders te moeten zien dan een nieuwe dwaasheid van een waanzinnige. Toch was het hun niet onwelkom, zij zouden nu tenminste eens eenigen tijd van zijn drukkende somberheid ontslagen zijn. Want Van Halen's toestand werd hun een voortdurende benauwing; zelfs Thomas had sinds lang geen grappen meer.
Van Halen vermoedde niets van dit alles; hij wasvoortdurend in zichzelven gekeerd en zijn manschappen waren in zijn oog niets dan werktuigen die hij niet missen kon. Hij wilde hen nog zoo lang bij zich houden, totdat hij een oord zou gevonden hebben, waar hij alléén, afgezonderd van de menschen, die hij haatte, leven kon.
Vijf dagen lang hadden de matrozen in alle richtingen het eiland doorkruist; den zesden dag daalden zij weer boven Orotava van de bergen naar de kusten af. De ruwe zeelui, anders geen vrienden van groote tochten in het binnenland, verlieten het bekoorlijke eiland Teneriffe met een weemoedig gevoel en met huivering dachten zij aan de ontmoeting met hun kapitein. Hoe zouden zij hem aantreffen? Zou hij, na die dagenlange afzondering, niet nòg vreemder, nòg somberder geworden zijn?
Met onverschilligen blik zag Van Halen zijn manschappen weer aan boord komen. Onmiddellijk gaf hij bevel de ankers te lichten, waarop het schip, door den wind in volle zee gedreven, vlug als een vogel uit de oogen der eilandbewoners achter het voorgebergte verdween.
Van Halen bereikte spoedig het gedeelte van den oceaan, dat de SpanjaardenMare de Sargassonoemen. Hier schijnt de zeeman, te midden van de woelendegolven, eensklaps een vreedzaam groen weiland te zien. Een groot gedeelte van het water is hier namelijk met zulk een dicht en weelderig groeiend zeegras bedekt, dat men het niet alleen nietzienkan, maar dat zelfs de golfslag er door gebroken wordt, zoodat de schepen daardoor, zoo niet geheel, dan toch in groote mate op hun tocht vertraagd worden.
Van Halen zag dit vreemde verschijnsel, dat toch ook voor hém nieuw was, met dezelfde onverschilligheid en ijzingwekkende koelheid, die zich onder alle indrukken bij hem vertoonden. Zijn manschappen vervreemdden zich iederen dag meer en meer van hem, zij schuwden en ontweken hem zooveel ze maar konden, maar toch luisterden zij met angstige bezorgdheid naar ieder bevel, daar zij voelden, dat zij zonder hem niets zouden zijn en dat anders bij het eerste gevaar allen verloren zouden gaan.
Thans echter stond het onwrikbaar bij hen vast, om bij het landen in de eerstvolgende haven Van Halen en zijn schip te verlaten. Geen vijandschap of haat was hiervan oorzaak, want evenmin als hun ongelukkige aanvoerder iemands liefde trachtte te verwerven, evenmin gaf hij zijn schepelingen aanleiding, zich gekrenkt te gevoelen. Maar alleen het drukkende gevoel van een treurige verlatenheid en van een onverklaarbare vrees,die zijn sombere en zwijgende persoonlijkheid bij hen opwekte, bracht hen tot dit besluit. Hun ruime gage, hun uitstekend voedsel, hun onvergelijkelijk vaartuig, niets was in staat hen te weerhouden.
Na een tocht van negentien dagen sedert hun aankomst in de zee vanSargasso, vertoonden zich als lichte wolkjes aan de Westerkim de kusten van de eerste West-Indische eilanden.
Van Halen was in deze streken nog onbekend. Hij zeilde daarom op het eerste vaartuig los, dat hij ontdekte en haalde daarvan een loods over, om hem den weg te wijzen tusschen de tallooze eilanden van den Amerikaanschen Archipel.
In dien tijd was West-Indië even gevreesd om zijn gevaren als gezocht om zijn voortbrengselen. Door de gruwelijke wreedheid van de Spanjaarden werden deze bekoorlijke en rijke eilanden ontvolkt en verwoest. In het begin van de zeventiende eeuw bezetten de Engelschen en Franschen enkele dezer eilanden en legden er koloniën aan. Die eerste volksplanters werden echter door de Spanjaarden verdreven, vooral uit St. Domingo, maar de schoone streek was hun reeds te lief geworden, dan dat zij er zich geheel uit wilden laten verjagen. Zij vestigden zich dus op de nabijgelegen Schildpad-eilanden waar zij weldra, omdat zij van alle kanten toevloedkregen, tot zoo'n groot getal aangroeiden, dat zij de Spanjaarden met gelijke munt konden betalen. Zij verdreven ze eerst van St. Domingo en gingen toen, tot vergelding voor het hun aangedane kwaad, langs de kusten op roof uit. In tijden van grooten nood vielen zij alle volken aan, maar de Spanjaardenaltijd, waar zij die maar vonden.
Hun onverzoenlijke haat jegens dit volk was het gevolg van de ongehoorde wreedheid, waarmee de Amerikanen door de Spanjaarden behandeld werden. Vroeger hadden zij nooit aan zeerooverij gedacht. Zij waren enkel Boekaniers, d. i. stierenjagers geweest, maar de Spanjaarden hadden, om hen te benadeelen, alle stieren op St. Domingo uitgeroeid en hen dus tot het uiterste gebracht.
Daar zij zich overtuigd hielden dat hun handelwijze wettig was, bezielde hen een moed, die alle gevaren en zelfs den dood verachtte. Ja, zij geloofden zóó weinig, onrecht te plegen, dat zij steeds God om bijstand bij hun onderneming aanriepen en Hem eveneens openlijk dankten, nadat alles afgeloopen was.
Deze dappere, roekelooze mannen doorkruisten toen de zeeën van West-Indië en brachten door hun schrikkelijke daden vrees en ontzetting te weeg bij alle zeevarenden.Boekaniers,Flibustiers,Marrons—hoe zijook genoemd werden, altijd werd er een somber gevoel van afgrijzen door opgewekt.
Onder zulke gevaarlijke omstandigheden nu naderde de ongelukkige Van Halen met zijn fraai vaartuig het bekoorlijke eiland. Zijn somberheid nam nog toe met den dag en was voor zijn manschappen onbegrijpelijk; aan den eenen kant gevoelden zij ten opzichte van hun kapitein afschuw en ontzetting, aan den anderen kant diep medelijden.
Het was dan nu ook zóó ver met den grooten man gekomen, dat hij begon te handelen, zonder zich zelf helder bewust te zijn van hetgeen hij deed; hij was geheel waanzinnig geworden.
We zeilen er om heen„We zeilen er op dit oogenblik om heen!” (Bladz. 102.)
„We zeilen er op dit oogenblik om heen!” (Bladz. 102.)
De ervaren zeelui van Van Halen, die voor geen gevaar terugdeinsden, waren thans vol van een vrees en een afschuw, even groot als het vertrouwen en het ontzag, dat zij vroeger voor hem gevoeld hadden. Huiverend bespiedden zij elk van zijn schreden, iedere dwaze daad, want zij konden het voor elkaar niet langer verbergen dat hen allen het vreeselijkst gevaar bedreigde, als deze verschrikkelijke man eens, misschien door een gering toeval, in woede geraakte. Geen van hen sprak meer met hem zonder zich door angstige schuwheid beklemd te gevoelen en ieder ontweek hem zorgvuldig, want zij wilden tot niets meer verplichtzijn dan tot den scheepsdienst en wat daarbij behoorde. Alleen Thomas had genoeg menschelijk gevoel om zijn meester met medelijden waar te nemen en hoe meer de anderen tegen hem opkwamen, des te vaster sloothijzich bij hem aan, des te liefderijker zorgde hij er voor, dat in al zijn behoeften voorzien werd. Ja, hij gebruikte zelfs zijn invloed om te beletten, dat men den ongelukkige aan handen en voeten gebonden in het ruim wierp, zooals enkelen al gedreigd hadden te zullen doen.
Van Halen zelf scheen van de dreigende houding zijner manschappen even weinig besef te hebben als van zijn onbeschrijfelijk ongelukkigen zielstoestand. Evenals hij die menschen slechts als werktuigen scheen te beschouwen, als levende en bezielde gedeelten van het wonderbare vaartuig dat hij gebouwd had, evenzoo scheen hij zelf een werktuig te worden en niet meer te gevoelen of te verrichten dan noodig was tot besturing en instandhouding van het geheel. Maar dit deed hij met al de omzichtigheid, kracht en moed waarover de bekwaamste zeeman slechts kan beschikken en hoe minder hij mènsch scheen te blijven, des te meer moest zijn scheepsvolk erkennen, dat zijn kunde en ervarenheid als zééman toenam.
Hij werd echter zoo karig met woorden, dat zij geen wóórd van hem hoorden of het moest een bevel zijn.
De ongelukkige man vergat ook geheel voor zijn lichaam te zorgen. Kleeren, schoon linnen, eten en drinken, alles moest hem door Thomas gebracht worden bij het roer, dat hij nu bijna niet meer verliet.
Slechts één ding scheen nog in staat te zijn, hem uit zijn wezenloosheid op te wekken. Namelijk wanneer er iets dat hij voor den dienst op het schip bevolen had, niet ten uitvoer gebracht werd, al was het ook nog zoo'n kleinigheid. Zoo had hij op zekeren dag aan een matroos bij den voormast iets onbeduidends bevolen en aan dat bevel was geen gevolg gegeven. Zoodra Van Halen dat bemerkte werd hij woedend, zette het roer vast, greep den matroos aan, die als een kind ineenkroop onder de vreeselijke handen van zijn bevelhebber en droeg hem naar de plaats, waar hij had moeten werken. Toen hij hem daar zijn werk had laten verrichten sloeg hij hem zóó geweldig met een eind hout, dat de arme man gedurende de verdere reis niet in staat was dienst te doen en eerst na een langdurig verblijf aan land het gebruik van al zijn ledematen terugkreeg.
Al de matrozen omringden Van Halen en keken hem dreigend aan, maar niet één waagde het den woedenden man tegen te houden, ofschoon zij bij iederen slag vreesden, dat het den ongelukkige het leven zou kosten.
Toen Van Halen eindelijk zijn slachtoffer half dood als een worm aan zijn voeten zag kruipen, beval hij, dat men zijn gekneusde ledematen met brandewijn wasschen en hem naar zijn kooi brengen zou. Hij stelde daarna een ander in zijn plaats, keek de verbleekende matrozen somber aan, hief dreigend het eind hout in de hoogte en keerde, zonder zich verder om hen te bekommeren, naar zijn post aan het roer terug om daar, evenals vroeger, de dubbele betrekking van scheepskapitein en stuurman waar te nemen.
Het was een huiveringwekkend gezicht, deze waanzinnige, zooals hij in een stillen nacht in den maneschijn aan het roer stond en onbewegelijk zijn oogen op de angstige manschappen gevestigd hield. Huiveringwekkend ook was het te zien hoe hij, van vermoeienis haast bezwijkend, het roer aan een ander overgaf en dan, als een machine, altijd in een rechte lijn over het kleine dek heen en weer wandelde. Na op die manier een uur, of soms verscheidene uren te hebben doorgebracht, zocht hij een plekje naast de vlaggekast op, legde zich daar neer met het gezicht naar den hemel gekeerd en sliep in. Maar de kleinste beweging, het minste gedruisch maakte hem wakker en dan begaf hij zich met schijnbaar nooit uitgeputte krachten weer op zijn post.
Zoo bereikte „De Vlugge Christina” eindelijk denWest-Indischen Archipel, altijd bestuurd door den loods. Die voerde het schip, nadat het de onbewoonde eilanden zonder tegenspoed voorbij was, langs de Noord-Oostelijke punt van Jamaïca en nu zeilde het verder langs de heerlijke kusten van dit eiland, totdat het bij de hoofdstad Port-Royal binnen liep. Onder een geweldigen toevloed van menschen, die bij het ongewone schouwspel aan de haven bijeen stroomden, werd het schip tot onder de kanonnen van het fort gevoerd.
Zoodra de loods het dek verliet traden al de matrozen met uitzondering van den zieke en Thomas, gezamenlijk op hem toe, ofschoon hij nog met enkele noodzakelijke verrichtingen voor de veiligheid van zijn schip bezig was en vertelden hem, dat zij eenparig besloten hadden de „Christina” voor altijd te verlaten.
Van Halen staarde ze vreemd aan, gaf geen antwoord en ging voort met zijn bevelen te geven. Hij liet het vaartuig geheel aftakelen en alles op zijn plaats brengen waar het behoorde. Toen hij op die manier voor zijn schip gezorgd had, gaf hij aan zijn matrozen bevel om hun kisten te pakken, een boot aan te roepen en zich aan dek voor het vertrek gereed te houden. Daarop kwam hij bij hen. Hij betaalde aan elk het bedongen loon, liet den zieke met al wat hij bezat in de boot brengen en gaf hem een aanzienlijke som gelds.Toen sloot hij zich in de kajuit op en wilde verder van niemand meer iets hooren.
Thomas, de eenige die Van Halen nog toegenegen was, klopte dan ook lang te vergeefs aan de deur. Eindelijk echter deed Van Halen open. Met een somberen blik zag hij den jonkman aan. „Wat wil je nog?” vroeg hij. „Ze zijn weg; allemaal! Ik heb je niet meer noodig!”
„Kapitein, ik wil niet weggaan, ik blijf bij u; u kunt mij niet missen!”
„Ga heen!” was het koele antwoord.
„Neen, kapitein, ik kán en ik wil u niet verlaten. Wie zou u bedienen en wie zou bij u zijn als ik u ook verliet? Neen, kapitein, ik zal u als een hond volgen en al trapt u mij van u af, dan zal ik weer naar u toekruipen,” zei de jongeling ontroerd.
Van Halen staarde hem zwijgend en somber aan. Eindelijk scheen er toch een flauwe herinnering in hem op te komen.
„O, jawel ... Je bent Thomas ... die me altijd eten brengt ... eten en schoone kleeren. O—ja, ja wel ... Thomas ...!”
Met die woorden liet hij hem in de kajuit en stond toe, dat hij hem bediende, evenals vroeger. Thomas haalde nu wat voedsel, bracht wijn en verzorgde zijn ongelukkigen meester weer even trouw als te voren.'s Avonds, toen Van Halen sliep, ging hij aan dek en waakte hier den geheelen nacht, totdat zijn meester den volgenden morgen weer boven kwam. De krankzinnige staarde wezenloos naar de leegte op zijn schip. Hij was alles wat den vorigen dag gebeurd was al weer vergeten en wandelde volslagen onverschillig over het dek heen en weer, tot een nieuwe indruk zijn opmerkzaamheid weer wakker maakte.
Hij zag van den wal een boot afsteken met verscheidene ambtenaren er in. Het had namelijk de aandacht getrokken, dat een menigte matrozen het schip hadden verlaten. Dat scheen verdacht. Men vermoedde een misdaad en had enkelen van hen onmiddellijk in hechtenis genomen. Het getuigenis van die lieden en de handelwijze van Van Halen zelf, die in gebreke gebleven was de noodige aangiften bij het havenbestuur te doen, hadden nu een bezoek van eenige beambten van het wachtschip ten gevolge.
Van Halen zag met een glimlach de officieren en ambtenaren aan boord komen en begroette hen als iemand, wiens zaken volkomen in orde zijn.
De officier van het wachtschip sloeg een blik van bewondering op het prachtige vaartuig en zijn fraaie inrichting. Toen zag hij Van Halen en den eenigen matroos die bij hem stond getroffen aan en vroeg:
„Is u de bevelhebber van dit schip?”
„Jawel, mijnheer,” antwoordde Van Halen heel gewoon, „waaraan heb ik de eer van uw bezoek te danken?”
„Zou ik uw papieren eens mogen inzien?”
„Zeker, mijnheer, volg mij maar in de kajuit.”
De officier bevond alles in orde. Alleen was hij verwonderd dat de passen geen blijk droegen vóór de reis vertoond te zijn aan den Hollandschen havenmeester te Amsterdam. Nu zag hij de kajuit rond en vroeg:
„Heeft u er iets op tegen, dat de ambtenaren uw lading onderzoeken?”
„Volstrekt niet!” antwoordde Van Halen. Hij gaf Thomas de sleutels en wenkte hem, dat hij met de ambtenaren zou meegaan.
Zoodra zij de kajuit verlaten hadden kreeg Van Halen een flesch wijn, schonk den officier en zichzelf in en onthaalde hem met de houding van iemand, die zijn wereld kent. Hij sprak echter geen woord meer, totdat de ambtenaren terugkwamen. Toen die eindelijk weer de kajuit binnen traden zag hij ze vragend aan.
„Alles in orde!” was het antwoord.
„Mijnheer,” vroeg de officier verwonderd, „waar is uw volk toch?”
„Gisteren hebben mijn matrozen hun ontslaggevraagd en zoodra ik ze uitbetaald had, hebben ze allemaal mijn schip verlaten,” zei Van Halen met de grootste kalmte.
„Maar heeft u nu nog manschappen genoeg over om den dienst te doen en de reis voort te zetten?”
Van Halen keek treurig voor zich.
Eindelijk zei hij, alsof hij uit een droom ontwaakte: „Ik hoop hier nieuwe matrozen aan te monsteren!”
De officier en de ambtenaren keken elkaar bedenkelijk aan.
„Ik zal u een wacht op uw schip geven, totdat het weer genoegzaam bemand is,” zei de officier. „U behoeft dan tenminste niet bezorgd voor uw eigendom te wezen. Maar wees voorzichtig als u matrozen aanmonstert, want er zwerft hier veel gespuis rond.”
De vreemdelingen verlieten nu het schip weer en schudden bedenkelijk het hoofd over den kapitein en den treurigen toestand, waarin de ongelukkige verkeerde.
Een uur later verschenen in een boot een onderofficier en vijf soldaten om het dek te bezetten. Thomas voorzag de soldaten van het noodige, om daarna weer al zijn zorgen aan den armen krankzinnige te wijden.
Aan wal was men intusschen over het lot van Van Halen ernstig beducht.