LE TRAVAILDE ARBEID.
LE TRAVAIL
DE ARBEID.DE SPECHT.Er zijn vele onnoozele lasterpraatjes omtrent de vogels in omloop, en daarvan is wel een van de onnoozelste, dat deSpecht, die gaten pikt in de boomen, daarvoor de harde en gezonde uitkiest, die hem het meeste werk geven. Voor het gezond verstand is het duidelijk genoeg, dat het arme dier, dat zich met wormen en insecten voedt, daarvoor de zieke en meest aangetaste boomen noodig heeft, waar hij minder weerstand zal vinden, en die hem bovendien rijken buit beloven. En de verwoede krijg, dien hij voert, tegen dat volk van vernielers, die anders ook de gezonde boomen zouden bederven, is een zéér gewichtige dienst,die hij ons bewijst. De staat moest hem beloonen, zoo niet met eene toelage dan toch met den eeretitel van „Behouder der bosschen”. Maar wat doet men? Inplaats van hem te beloonen, hebben onwetende administrateurs dikwijls een prijs op zijn hoofd gesteld.Maar de specht zou niet de ideale arbeider zijn, als hij niet werd belasterd en vervolgd. Zijn bescheiden gilde, over oude en nieuwe wereld verspreid, dient den mensch, en is hem tot leering en verheffing. Het kleed verschilt, maar het algemeene herkenningsteeken is de scharlakenroode kap, waarmee deze brave werkman veelal zijn hoofd tooit, zijn dikken, stevigen schedel. Het gereedschap, dat bij zijn vak behoort, en dat hem dient tot houweel en bijl, beitel en boor, is zijn forsche, vierkant ingeplante bek. Zijn krachtige pooten met de sterke zwarte nagels, die stevig grijpen, maken het hem mogelijk geheele dagen in hoogst ongemakkelijke houding tegen een boom of tak te zitten, altijd maar kloppend van beneden naar boven. 's Morgens alleen is hij in beweging, dan gebruikt hij zijn ledematen op allerhande wijze, zooals alle goede werkers doen, om op gang te komen, en daarna aan 't werk te blijven. Met zeldzame toewijding klopt hij een heelen dag. Dikwijls hoort men hem nog laat in den avond, hij werkt dan na, dat is dan zooveel uur winst. Zijn geheele bouw is aangelegd op dit leven van strengen arbeid. De spieren, altijd gespannen, geven een lederachtige hardheid aan zijn vleesch. De bijzonder groote galblaas duidt op hevigheid en hardnekkigen ijver bij het werken; van drift overigens geen spoor.De meeningen over dit merkwaardig wezen, moesten wel zeer uiteen loopen. Men heeft den grooten werker geschat, naarmate men zijn werk schatte,naarmate men zelf meer of minder werkzaam was, en naarmate men al of niet, in een rustig werkzaam leven, een vloek, of een zegen des hemels, zag.Men heeft ook willen weten, of de specht vroolijk of ernstig is; daarop kwamen verschillende antwoorden, misschien alle juist, in verband met soort en klimaat. Ik wil gaarne aannemen, dat Wilson end'Audubonhem vroolijk en beweeglijk zagen. Zij bedoelen namelijk den mooien specht met gouden vleugel, van Carolina, op de grens der tropen. Die specht komt gemakkelijk en ruim aan den kost, in die warme landen, zoo rijk aan insekten. Zijn sierlijk gebogen snavel, minder hard dan die van onze spechten, schijnt er ook op te wijzen, dat hij met minder weerspannige boomen te doen heeft. Maar de fransche en duitsche spechten, die door het omhulsel van onze oude Europeesche eiken moeten dringen, hebben een heel ander werktuig; hun snavel is vierkant, zwaar en sterk. Het is zeer waarschijnlijk, dat hun dag meer werkuren heeft. Zij zijnarbeiders, die onder slechte condities werken: meer werk en minder loon. Vóóral in tijden van droogte zijn zij er jammerlijk slecht aan toe; de prooi vlucht, trekt zich verder terug, zoekt de koelte. Daarom roept onze Fransche specht den regen: „Plieu-plieu!” zegt het volk. In Bourgondië noemen zij den specht „procureur van den molenaar”2). Want als er geen water valt, moeten specht en molenaar stop zetten en hongerlijden. Maar is het geen vergissing van Toussenel, onzen grooten vogelkenner, den voortreffelijken en vernuftigen waarnemer, als hij den specht vroolijk noemt? Wáárop grondt hij die meening? Op de koddige buigingen, waarmee hij het wijfje denkt welgevallig te zijn?Maar wie van ons, ook de meest ernstige, doet in hetzelfde geval niet hetzelfde. Hij noemt hem ook guit en potsemaker, omdat eens een specht, toen hij hem zag, vlug rond ging draaien. Voor een vogel, die maar zeer middelmatig vliegt, was dat misschien het wijste, wat hij doen kon, vooral tegenover zulk een uitstekend schutter. En dit bewijst voor zijn gezond verstand. De specht met zijn ongewild vleesch, had een gewoon jager rustig laten naderen. Maar van zulk een kenner, zulk een vurig vogelminnaar, had hij grootelijks te vreezen; zeker zou hij zijn opgezet, ter opluistering van een of ander museum.Ik verzoek den beroemden schrijver, er nog eens goed over na te denken, hoe zulk een leven van onafgebroken arbeid moet werken op humeur en gedrag. De lengte van zulke werkdagen gaat verre de aangename maat te buiten van wat Fournier noemt: „aantrekkelijk werk.” De specht werkt opzichzelf, voor eigen rekening, en zeker beklaagt hij zich daarover niet; hij voelt het als zijn eigen belang, veel en zoolang mogelijk te werken. Stevig op zijn sterke pooten, in een lastige houding, blijft hij een dag waar hij is, en er nog over. Is hij gelukkig? Ik denk het wel. Vroolijk? Dat betwijfel ik. Treurig? In 't geheel niet. Het ingespannen arbeiden, maakt ons ernstig; maar het verbant ook de somberheid.Hij echter, die onintelligent werk verricht, of de ongelukkigen, die moeten overwerken, zij zien slechts geluk in een leven zonder arbeid; het ingespannen bestaan van den specht, moet hun wel een vloek van het lot schijnen. De Duitsche handswerkman verzekert, dat het een bakker is, die zelf luierende op zijn kantoor, het arme werkvolk bedroog met slecht gewicht, en hen liet honger lijden. Nu moet hij voor zijn straf al maar werken, doorwerken tot het laatste oordeel, levend van insekten.Een onnoozele en zonderlinge verklaring. Ik houd meer van de oude Italiaansche fabel: Picus, zoon van den tijd—Saturnus—was een held van strenge zeden, hij versmaadde de liefde en de begoochelingen van Circé. Om haar te ontvluchten, nam hij vleugels en ging zich verbergen in de bosschen. En nu heeft hij ook het menschelijke wezen verloren. Maar hij kreeg er meer voor terug: een goddelijk inzicht, voorspellend en voorziend; hij weet, wat nog komen moet, hij ziet wat nog niet is.Een zeer belangrijk oordeel over de spechten hebben de Indianen van Noord-Amerika. Deze helden hebben wel ingezien, dat ook de specht een held is. Zij dragen graag den kop bij zich van de soort, die zij „de specht met den ivoren snavel” noemen, en gelooven dan, dat zijn moed en ijver in henzelf zal varen. Een zéér gegrond geloof, zooals de ondervindingbewijst.Zelfs het krachtigste gemoed voelt zich nog versterkt, met dat sprekend symbool steeds onder de oogen; „zoo wil ik zijn, in moed en volharding.”Maar dit moet men in het oog houden, dat de specht, al is hij een held, altijd de vreedzame held van den arbeid is. Hij heeft geen andere eischen. Zijn vervaarlijke bek, zijn sterke klauwen, zijn voor heel andere dingen bestemd, dan voor den krijg. Hij is zoo geheel en al ingenomen door zijn werk, dat geen naijver hem ooit tot een gevecht zou verleiden. De arbeid absorbeert hem en vraagt de inspanning van al zijn vermogens.Zijn werk is zéér samengesteld en vol afwisseling. Eerst onderzoekt de ervaren houtvester met zijn hamer, d. i. zijn snavel, taktvol zijn boom. Hij luistert, hoe het geluid klinkt; wat de boom zegt, wat hij in zich heeft. Het ausculteeren, in de medicijnen nog betrekkelijk nieuw, was al sedert duizend jaren het voornaamste procédé van den specht. Hij vroeg, peilde, zag met het gehoor, de leemten en holten in het weefsel van den boom. Een boom, soms uiterlijk gezond en krachtig, om zijn reusachtigen bouw al aangewezen door den hamer van de marine, wordt door den specht, oneindig bekwamer beoordeelaar, rottig en aangestoken bevonden; in het gebruik zal hij op noodlottige wijze te kort schieten: het hout zal onder de constructie bezwijken, of het schip zal een lek krijgen. Als de boom grondig onderzocht is, eigent de specht hem zich gerechtelijk toe, en vestigt er zich. Het hout is voos, dus slecht, dus bevolkt, er woont een insektenstam. Er moet aangeklopt aan de poorten der stad. De bevolking vlucht in wanorde, òf over de muren òf door de zijwegen. Er hadden schildwachten moeten zijn. Bij ontstentenis daarvan, betrekt de éenige belegeraar de wacht, van tijd tot tijd het hoofd wendend om voorbijtrekkende vluchtelingen in te rekenen; daartoe dient hem voortreffelijk,een buitengewoon lange tong, die hij uitschiet zooals een slang dat doet. Die jacht geeft hem een grage maag en de inspanning windt hem op. Hij begint te zien door schors en hout heen; hij ziet de ontsteltenis van den vijandigen stam, en woont hun volksvergaderingen bij. En soms daalt hij heel gauw van den boom naar beneden, als vreesde hij een geheimen uitgang, die de belegerden in veiligheid brengt.Een boom, uiterlijk gezond, van binnen rottig en aangevreten, welk een beeld van verschrikking voorden patriot, die nadenkt over het lot der volkeren! Toen in Rome de republiek begon te verzwakken, voelde het Romeinsche volk zich zulk een boom gelijk en er kwam een dag, dat het sidderend den specht zag neerkomen op het Forum zelf, op het tribunaal, letterlijk den praetor in de hand. Toen was er ontroering en sombere gedachten. Men zendt om de waarzeggers, zij komen: als de vogel ongestraft vertrekt, zal de Republiek sterven, blijft hij dan bedreigt hij alléén hèm, die hem in de hand heeft, den praetor. Deze magistraat, het was Aelius Tubero, doodde den vogel onmiddellijk, hij stierf zelf spoedig daarop, en de Republiek duurde nog twee eeuwen.Dat is niet belachelijk, maar groot, want zij duurde door dit nobel beroep op de toewijding van een harer burgers. Zij duurde door het zwijgend antwoord van een groote ziel. Deze handelingen zijn vruchtbaar, zij kweeken mannen en helden; zij bestendigen den duur der volken.Om op onzen specht terug te komen: deze werker, deze eenzame, deze groote profeet moet ook aan de universeele natuurwet gehoorzamen. Tweemaal op een jaar verloochent hij zijn aard, werpt hij zijn strengheid af en helaas! dat ik het zeggen moet: hij wordt belachelijk. Gelukkig, wie van het menschenras het niet meer dan tweemaal in het jaar is!Belachelijk, niet omdat hij verliefd is; maar omdat hij zijne liefde op zoo kluchtige wijze uit. Op zijn Zondags uitgedost en prachtig in de veêren, de sombere tinten opgehaald met het mooie scharlaken, draait hij om het wijfje heen, en zijn medeminnaars doen hetzelfde.Maar deze eenvoudige werklui, aangelegd op ernstige bezigheid, zijn vreemd aan wereldsch kunstvertoon en aan de gracelijke bewegingen der kolibri's, en zij zien geen kans hun hulde anders te betoonen dandoor vrij linksche buigingen. Echter linksch voor ons, menschen, niet voor het voorwerp, dat zij er mee huldigen. Zij behagen er mee, en dat is het eenig noodige. Heeft de uitverkorene haar keus bepaald, dan volgt er geen gevecht. Bewonderingswaardige zeden van deze eerzame en waardige arbeiders! De andere druipen teleurgesteld af, maar met fijne en vrome kieschheid blijven zij de vrijheid eerbiedigen. Maar gij denkt misschien, dat de gelukkige en zijn schoone nu hun herdersuurtje gaan genieten, zwervend in de bosschen? In 't geheel niet! Zij gaan onmiddellijk aan het werk. „Toon je talenten,” zegt zij, „en bewijs, dat ik mij niet bedrogen heb.” Welk een gelegenheid voor een kunstenaar! Zij vuurt zijn genie aan. Van timmerman wordt hij schrijnwerker en draaier, van schrijnwerker wiskunstenaar. De regelmaat der vormen, het goddelijkrhytmewordt hem geopenbaard door de liefde. En dit is nu juist de mooie geschiedenis van den beroemden Antwerpschen smid, Quintijn Matsys, die de dochter van een schilder liefhad; om hare liefde te winnen werd hij zelf de grootsche schilder van het XVIde-eeuwsch Vlaanderen.„Zoo werd een zwart Vulkaan door Liefde een Appel.”Dus gebeurt het op een goeden dag, dat de specht beeldhouwer wordt. Met de strenge nauwkeurigheid, de volkomen ronding die men alleen met den passer verkrijgt, holt hij een sierlijk gewelf uit, zuiver half bolvormig. Het wordt glad gepolijst als marmer of ivoor. Ook ontbreken hygiënische en strategische voorzorgen niet. Een bochtige nauwe ingang, die naar buiten af helt, dat de regen er niet kan binnendringen, begunstigt de verdediging; kop en snavel van den moedigen inwoner volstaan om de opening te sluiten.En welk hart zou nu zoo iets kunnen weerstaan?Wie zou zulk een kunstenaar, zulk een kloek verdediger niet aannemen; een die met zoo grooten ijver voorziet in de behoeften van het gezin? Wie zou niet met volkomen gerustheid achter dat nobel bolwerk van dezen toegewijden kampioen, het teeder mysterie van het moederschap volbrengen! Er is dus geen weerstand, en zij nestelen zich: slechts een hymne ontbreekt.—„Hymen! O Hymenaee”!—Het is niet zijn schuld, dat de Natuur aan het genie van den specht de muze der melodie ontzegd heeft; maar in zijn schelle stem herkent men ten minste de noot van den hartstocht.Mogen zij gelukkig zijn! Moge een lief jeugdig geslacht onder hunne oogen ontluiken en groeien. De roofvogels kunnen hier niet gemakkelijk binnendringen. Maar de slang! de vreeselijke zwarte slang! als die het nest maar niet vindt! En laat er geenkinderhand komen om den ouders hun kroost te ontrukken! En dan blijve de ornitholoog, de groote vogelvriend, vooral ver van hier.Als de wreede mensch, dat hard en gestadig werken, die teedere liefde voor het gezin en dat heldhaftig verdedigen van de vrijheid wist te eerbiedigen, dan zou zeker geen jager dezen waardigen vogel te na komen. Een jong natuurkundige, die er een had geworgd om hem te kunnen opzetten, heeft mij gezegd, dat hij den heelen dag ziek en vol wroeging geweest was, van die hardnekkige worsteling, hij voelde zich een moordenaar.Wilson schijnt hetzelfde ondervonden te hebben: „Den eersten dag, dat ik dezen vogel in Noord-Carolina observeerde,” vertelt hij, „heb ik hem licht aan den vleugel gekwetst; en toen ik hem in mijn hand nam, gaf hij een schreeuw als een kind, maar zoo schel en akelig, dat mijn paard schichtig werd en mij bijna had afgeworpen. Ik nam hem mee naar Wilmington, en in de straten brachten zijn aanhoudend schelle kreten de menschen aan deuren en vensters, vooral doodelijk verschrikte vrouwen. Ik reed door; in de cour van het hôtel zag ik den eigenaar naar mij toe komen met allerlei verschrikte menschen, die niet begrepen wat er gaande was. En denk nu eens aan wat een alarm, toen ik opgaf wat ik voor mijn kind en mijzelf noodig had. De hôtelhouder stond daar bleek en suf, en de anderen waren stom van verbazing. Nadat ik mij een oogenblik met hunne ontsteltenis had vermaakt, vertoonde ik mijn specht, en er volgde een algemeen geschater. Ik nam hem mee naar mijn kamer, en ging even mijn paard verzorgen. Na een uurtje kwam ik terug, en toen ik de deur opende, hoorde ik dienzelfden akeligen schreeuw, nu denkelijk veroorzaakt door de teleurstelling, gesnapt te worden, in zijn poging tot vluchten.Hij was langs het venster naar boven geklommen, bijna tot aan de zoldering. Vlak daaronder was hij aan het sloopen gegaan. Het bed was bezaaid met groote brokken pleister; de latten van het plafond lagen bloot, wel vijftien vierkante decimeters, en er was al een gat zoo groot als een vuist in het zonnescherm, zoodat misschien na nog een uurtje, hij zich een weg gebaand zou hebben. Ik maakte een touw vast aan zijn bek en bond hem aan de tafel, toen ging ik weg om voedsel voor hem te halen; want ik wilde hem in het leven houden. De trap opgaande, hoorde ik hem weer aan 't werk, en toen ik binnen kwam, was hij bezig om de tafel te vernielen, waar hij aan vast was gelegd. Hij scheen daarop zijn woede te koelen. Hij pikte mij verscheidene malen met zijn snavel, toen ik er een teekening van wilde maken, en zijn moed en ontembare vrijheidszin maakten zulk een indruk op mij, dat ik een aanvechting kreeg hem aan zijn bosschen terug te geven. Hij bleef nog drie dagen in leven, maar weigerde alle voedsel. Met leedwezen zag ik hem sterven.”2)Men moet hier aan watermolens denken: een rad dat door stroomend water in beweging wordt gebracht.
DE ARBEID.
DE SPECHT.
Er zijn vele onnoozele lasterpraatjes omtrent de vogels in omloop, en daarvan is wel een van de onnoozelste, dat deSpecht, die gaten pikt in de boomen, daarvoor de harde en gezonde uitkiest, die hem het meeste werk geven. Voor het gezond verstand is het duidelijk genoeg, dat het arme dier, dat zich met wormen en insecten voedt, daarvoor de zieke en meest aangetaste boomen noodig heeft, waar hij minder weerstand zal vinden, en die hem bovendien rijken buit beloven. En de verwoede krijg, dien hij voert, tegen dat volk van vernielers, die anders ook de gezonde boomen zouden bederven, is een zéér gewichtige dienst,die hij ons bewijst. De staat moest hem beloonen, zoo niet met eene toelage dan toch met den eeretitel van „Behouder der bosschen”. Maar wat doet men? Inplaats van hem te beloonen, hebben onwetende administrateurs dikwijls een prijs op zijn hoofd gesteld.
Maar de specht zou niet de ideale arbeider zijn, als hij niet werd belasterd en vervolgd. Zijn bescheiden gilde, over oude en nieuwe wereld verspreid, dient den mensch, en is hem tot leering en verheffing. Het kleed verschilt, maar het algemeene herkenningsteeken is de scharlakenroode kap, waarmee deze brave werkman veelal zijn hoofd tooit, zijn dikken, stevigen schedel. Het gereedschap, dat bij zijn vak behoort, en dat hem dient tot houweel en bijl, beitel en boor, is zijn forsche, vierkant ingeplante bek. Zijn krachtige pooten met de sterke zwarte nagels, die stevig grijpen, maken het hem mogelijk geheele dagen in hoogst ongemakkelijke houding tegen een boom of tak te zitten, altijd maar kloppend van beneden naar boven. 's Morgens alleen is hij in beweging, dan gebruikt hij zijn ledematen op allerhande wijze, zooals alle goede werkers doen, om op gang te komen, en daarna aan 't werk te blijven. Met zeldzame toewijding klopt hij een heelen dag. Dikwijls hoort men hem nog laat in den avond, hij werkt dan na, dat is dan zooveel uur winst. Zijn geheele bouw is aangelegd op dit leven van strengen arbeid. De spieren, altijd gespannen, geven een lederachtige hardheid aan zijn vleesch. De bijzonder groote galblaas duidt op hevigheid en hardnekkigen ijver bij het werken; van drift overigens geen spoor.
De meeningen over dit merkwaardig wezen, moesten wel zeer uiteen loopen. Men heeft den grooten werker geschat, naarmate men zijn werk schatte,naarmate men zelf meer of minder werkzaam was, en naarmate men al of niet, in een rustig werkzaam leven, een vloek, of een zegen des hemels, zag.
Men heeft ook willen weten, of de specht vroolijk of ernstig is; daarop kwamen verschillende antwoorden, misschien alle juist, in verband met soort en klimaat. Ik wil gaarne aannemen, dat Wilson end'Audubonhem vroolijk en beweeglijk zagen. Zij bedoelen namelijk den mooien specht met gouden vleugel, van Carolina, op de grens der tropen. Die specht komt gemakkelijk en ruim aan den kost, in die warme landen, zoo rijk aan insekten. Zijn sierlijk gebogen snavel, minder hard dan die van onze spechten, schijnt er ook op te wijzen, dat hij met minder weerspannige boomen te doen heeft. Maar de fransche en duitsche spechten, die door het omhulsel van onze oude Europeesche eiken moeten dringen, hebben een heel ander werktuig; hun snavel is vierkant, zwaar en sterk. Het is zeer waarschijnlijk, dat hun dag meer werkuren heeft. Zij zijnarbeiders, die onder slechte condities werken: meer werk en minder loon. Vóóral in tijden van droogte zijn zij er jammerlijk slecht aan toe; de prooi vlucht, trekt zich verder terug, zoekt de koelte. Daarom roept onze Fransche specht den regen: „Plieu-plieu!” zegt het volk. In Bourgondië noemen zij den specht „procureur van den molenaar”2). Want als er geen water valt, moeten specht en molenaar stop zetten en hongerlijden. Maar is het geen vergissing van Toussenel, onzen grooten vogelkenner, den voortreffelijken en vernuftigen waarnemer, als hij den specht vroolijk noemt? Wáárop grondt hij die meening? Op de koddige buigingen, waarmee hij het wijfje denkt welgevallig te zijn?
Maar wie van ons, ook de meest ernstige, doet in hetzelfde geval niet hetzelfde. Hij noemt hem ook guit en potsemaker, omdat eens een specht, toen hij hem zag, vlug rond ging draaien. Voor een vogel, die maar zeer middelmatig vliegt, was dat misschien het wijste, wat hij doen kon, vooral tegenover zulk een uitstekend schutter. En dit bewijst voor zijn gezond verstand. De specht met zijn ongewild vleesch, had een gewoon jager rustig laten naderen. Maar van zulk een kenner, zulk een vurig vogelminnaar, had hij grootelijks te vreezen; zeker zou hij zijn opgezet, ter opluistering van een of ander museum.
Ik verzoek den beroemden schrijver, er nog eens goed over na te denken, hoe zulk een leven van onafgebroken arbeid moet werken op humeur en gedrag. De lengte van zulke werkdagen gaat verre de aangename maat te buiten van wat Fournier noemt: „aantrekkelijk werk.” De specht werkt opzichzelf, voor eigen rekening, en zeker beklaagt hij zich daarover niet; hij voelt het als zijn eigen belang, veel en zoolang mogelijk te werken. Stevig op zijn sterke pooten, in een lastige houding, blijft hij een dag waar hij is, en er nog over. Is hij gelukkig? Ik denk het wel. Vroolijk? Dat betwijfel ik. Treurig? In 't geheel niet. Het ingespannen arbeiden, maakt ons ernstig; maar het verbant ook de somberheid.
Hij echter, die onintelligent werk verricht, of de ongelukkigen, die moeten overwerken, zij zien slechts geluk in een leven zonder arbeid; het ingespannen bestaan van den specht, moet hun wel een vloek van het lot schijnen. De Duitsche handswerkman verzekert, dat het een bakker is, die zelf luierende op zijn kantoor, het arme werkvolk bedroog met slecht gewicht, en hen liet honger lijden. Nu moet hij voor zijn straf al maar werken, doorwerken tot het laatste oordeel, levend van insekten.
Een onnoozele en zonderlinge verklaring. Ik houd meer van de oude Italiaansche fabel: Picus, zoon van den tijd—Saturnus—was een held van strenge zeden, hij versmaadde de liefde en de begoochelingen van Circé. Om haar te ontvluchten, nam hij vleugels en ging zich verbergen in de bosschen. En nu heeft hij ook het menschelijke wezen verloren. Maar hij kreeg er meer voor terug: een goddelijk inzicht, voorspellend en voorziend; hij weet, wat nog komen moet, hij ziet wat nog niet is.
Een zeer belangrijk oordeel over de spechten hebben de Indianen van Noord-Amerika. Deze helden hebben wel ingezien, dat ook de specht een held is. Zij dragen graag den kop bij zich van de soort, die zij „de specht met den ivoren snavel” noemen, en gelooven dan, dat zijn moed en ijver in henzelf zal varen. Een zéér gegrond geloof, zooals de ondervindingbewijst.Zelfs het krachtigste gemoed voelt zich nog versterkt, met dat sprekend symbool steeds onder de oogen; „zoo wil ik zijn, in moed en volharding.”
Maar dit moet men in het oog houden, dat de specht, al is hij een held, altijd de vreedzame held van den arbeid is. Hij heeft geen andere eischen. Zijn vervaarlijke bek, zijn sterke klauwen, zijn voor heel andere dingen bestemd, dan voor den krijg. Hij is zoo geheel en al ingenomen door zijn werk, dat geen naijver hem ooit tot een gevecht zou verleiden. De arbeid absorbeert hem en vraagt de inspanning van al zijn vermogens.
Zijn werk is zéér samengesteld en vol afwisseling. Eerst onderzoekt de ervaren houtvester met zijn hamer, d. i. zijn snavel, taktvol zijn boom. Hij luistert, hoe het geluid klinkt; wat de boom zegt, wat hij in zich heeft. Het ausculteeren, in de medicijnen nog betrekkelijk nieuw, was al sedert duizend jaren het voornaamste procédé van den specht. Hij vroeg, peilde, zag met het gehoor, de leemten en holten in het weefsel van den boom. Een boom, soms uiterlijk gezond en krachtig, om zijn reusachtigen bouw al aangewezen door den hamer van de marine, wordt door den specht, oneindig bekwamer beoordeelaar, rottig en aangestoken bevonden; in het gebruik zal hij op noodlottige wijze te kort schieten: het hout zal onder de constructie bezwijken, of het schip zal een lek krijgen. Als de boom grondig onderzocht is, eigent de specht hem zich gerechtelijk toe, en vestigt er zich. Het hout is voos, dus slecht, dus bevolkt, er woont een insektenstam. Er moet aangeklopt aan de poorten der stad. De bevolking vlucht in wanorde, òf over de muren òf door de zijwegen. Er hadden schildwachten moeten zijn. Bij ontstentenis daarvan, betrekt de éenige belegeraar de wacht, van tijd tot tijd het hoofd wendend om voorbijtrekkende vluchtelingen in te rekenen; daartoe dient hem voortreffelijk,een buitengewoon lange tong, die hij uitschiet zooals een slang dat doet. Die jacht geeft hem een grage maag en de inspanning windt hem op. Hij begint te zien door schors en hout heen; hij ziet de ontsteltenis van den vijandigen stam, en woont hun volksvergaderingen bij. En soms daalt hij heel gauw van den boom naar beneden, als vreesde hij een geheimen uitgang, die de belegerden in veiligheid brengt.
Een boom, uiterlijk gezond, van binnen rottig en aangevreten, welk een beeld van verschrikking voorden patriot, die nadenkt over het lot der volkeren! Toen in Rome de republiek begon te verzwakken, voelde het Romeinsche volk zich zulk een boom gelijk en er kwam een dag, dat het sidderend den specht zag neerkomen op het Forum zelf, op het tribunaal, letterlijk den praetor in de hand. Toen was er ontroering en sombere gedachten. Men zendt om de waarzeggers, zij komen: als de vogel ongestraft vertrekt, zal de Republiek sterven, blijft hij dan bedreigt hij alléén hèm, die hem in de hand heeft, den praetor. Deze magistraat, het was Aelius Tubero, doodde den vogel onmiddellijk, hij stierf zelf spoedig daarop, en de Republiek duurde nog twee eeuwen.
Dat is niet belachelijk, maar groot, want zij duurde door dit nobel beroep op de toewijding van een harer burgers. Zij duurde door het zwijgend antwoord van een groote ziel. Deze handelingen zijn vruchtbaar, zij kweeken mannen en helden; zij bestendigen den duur der volken.
Om op onzen specht terug te komen: deze werker, deze eenzame, deze groote profeet moet ook aan de universeele natuurwet gehoorzamen. Tweemaal op een jaar verloochent hij zijn aard, werpt hij zijn strengheid af en helaas! dat ik het zeggen moet: hij wordt belachelijk. Gelukkig, wie van het menschenras het niet meer dan tweemaal in het jaar is!
Belachelijk, niet omdat hij verliefd is; maar omdat hij zijne liefde op zoo kluchtige wijze uit. Op zijn Zondags uitgedost en prachtig in de veêren, de sombere tinten opgehaald met het mooie scharlaken, draait hij om het wijfje heen, en zijn medeminnaars doen hetzelfde.
Maar deze eenvoudige werklui, aangelegd op ernstige bezigheid, zijn vreemd aan wereldsch kunstvertoon en aan de gracelijke bewegingen der kolibri's, en zij zien geen kans hun hulde anders te betoonen dandoor vrij linksche buigingen. Echter linksch voor ons, menschen, niet voor het voorwerp, dat zij er mee huldigen. Zij behagen er mee, en dat is het eenig noodige. Heeft de uitverkorene haar keus bepaald, dan volgt er geen gevecht. Bewonderingswaardige zeden van deze eerzame en waardige arbeiders! De andere druipen teleurgesteld af, maar met fijne en vrome kieschheid blijven zij de vrijheid eerbiedigen. Maar gij denkt misschien, dat de gelukkige en zijn schoone nu hun herdersuurtje gaan genieten, zwervend in de bosschen? In 't geheel niet! Zij gaan onmiddellijk aan het werk. „Toon je talenten,” zegt zij, „en bewijs, dat ik mij niet bedrogen heb.” Welk een gelegenheid voor een kunstenaar! Zij vuurt zijn genie aan. Van timmerman wordt hij schrijnwerker en draaier, van schrijnwerker wiskunstenaar. De regelmaat der vormen, het goddelijkrhytmewordt hem geopenbaard door de liefde. En dit is nu juist de mooie geschiedenis van den beroemden Antwerpschen smid, Quintijn Matsys, die de dochter van een schilder liefhad; om hare liefde te winnen werd hij zelf de grootsche schilder van het XVIde-eeuwsch Vlaanderen.
„Zoo werd een zwart Vulkaan door Liefde een Appel.”
Dus gebeurt het op een goeden dag, dat de specht beeldhouwer wordt. Met de strenge nauwkeurigheid, de volkomen ronding die men alleen met den passer verkrijgt, holt hij een sierlijk gewelf uit, zuiver half bolvormig. Het wordt glad gepolijst als marmer of ivoor. Ook ontbreken hygiënische en strategische voorzorgen niet. Een bochtige nauwe ingang, die naar buiten af helt, dat de regen er niet kan binnendringen, begunstigt de verdediging; kop en snavel van den moedigen inwoner volstaan om de opening te sluiten.
En welk hart zou nu zoo iets kunnen weerstaan?Wie zou zulk een kunstenaar, zulk een kloek verdediger niet aannemen; een die met zoo grooten ijver voorziet in de behoeften van het gezin? Wie zou niet met volkomen gerustheid achter dat nobel bolwerk van dezen toegewijden kampioen, het teeder mysterie van het moederschap volbrengen! Er is dus geen weerstand, en zij nestelen zich: slechts een hymne ontbreekt.—„Hymen! O Hymenaee”!—Het is niet zijn schuld, dat de Natuur aan het genie van den specht de muze der melodie ontzegd heeft; maar in zijn schelle stem herkent men ten minste de noot van den hartstocht.
Mogen zij gelukkig zijn! Moge een lief jeugdig geslacht onder hunne oogen ontluiken en groeien. De roofvogels kunnen hier niet gemakkelijk binnendringen. Maar de slang! de vreeselijke zwarte slang! als die het nest maar niet vindt! En laat er geenkinderhand komen om den ouders hun kroost te ontrukken! En dan blijve de ornitholoog, de groote vogelvriend, vooral ver van hier.
Als de wreede mensch, dat hard en gestadig werken, die teedere liefde voor het gezin en dat heldhaftig verdedigen van de vrijheid wist te eerbiedigen, dan zou zeker geen jager dezen waardigen vogel te na komen. Een jong natuurkundige, die er een had geworgd om hem te kunnen opzetten, heeft mij gezegd, dat hij den heelen dag ziek en vol wroeging geweest was, van die hardnekkige worsteling, hij voelde zich een moordenaar.
Wilson schijnt hetzelfde ondervonden te hebben: „Den eersten dag, dat ik dezen vogel in Noord-Carolina observeerde,” vertelt hij, „heb ik hem licht aan den vleugel gekwetst; en toen ik hem in mijn hand nam, gaf hij een schreeuw als een kind, maar zoo schel en akelig, dat mijn paard schichtig werd en mij bijna had afgeworpen. Ik nam hem mee naar Wilmington, en in de straten brachten zijn aanhoudend schelle kreten de menschen aan deuren en vensters, vooral doodelijk verschrikte vrouwen. Ik reed door; in de cour van het hôtel zag ik den eigenaar naar mij toe komen met allerlei verschrikte menschen, die niet begrepen wat er gaande was. En denk nu eens aan wat een alarm, toen ik opgaf wat ik voor mijn kind en mijzelf noodig had. De hôtelhouder stond daar bleek en suf, en de anderen waren stom van verbazing. Nadat ik mij een oogenblik met hunne ontsteltenis had vermaakt, vertoonde ik mijn specht, en er volgde een algemeen geschater. Ik nam hem mee naar mijn kamer, en ging even mijn paard verzorgen. Na een uurtje kwam ik terug, en toen ik de deur opende, hoorde ik dienzelfden akeligen schreeuw, nu denkelijk veroorzaakt door de teleurstelling, gesnapt te worden, in zijn poging tot vluchten.
Hij was langs het venster naar boven geklommen, bijna tot aan de zoldering. Vlak daaronder was hij aan het sloopen gegaan. Het bed was bezaaid met groote brokken pleister; de latten van het plafond lagen bloot, wel vijftien vierkante decimeters, en er was al een gat zoo groot als een vuist in het zonnescherm, zoodat misschien na nog een uurtje, hij zich een weg gebaand zou hebben. Ik maakte een touw vast aan zijn bek en bond hem aan de tafel, toen ging ik weg om voedsel voor hem te halen; want ik wilde hem in het leven houden. De trap opgaande, hoorde ik hem weer aan 't werk, en toen ik binnen kwam, was hij bezig om de tafel te vernielen, waar hij aan vast was gelegd. Hij scheen daarop zijn woede te koelen. Hij pikte mij verscheidene malen met zijn snavel, toen ik er een teekening van wilde maken, en zijn moed en ontembare vrijheidszin maakten zulk een indruk op mij, dat ik een aanvechting kreeg hem aan zijn bosschen terug te geven. Hij bleef nog drie dagen in leven, maar weigerde alle voedsel. Met leedwezen zag ik hem sterven.”
2)Men moet hier aan watermolens denken: een rad dat door stroomend water in beweging wordt gebracht.
2)Men moet hier aan watermolens denken: een rad dat door stroomend water in beweging wordt gebracht.
LE CHANTDE ZANG.
LE CHANT
DE ZANG.Het zal weinigen ontgaan zijn, dat kamervogels, wanneer er gasten zijn en het gesprek levendig wordt, daaraan op hun manier gaan deelnemen en beginnen te kweelen en te zingen.Dat is hun universeel instinkt, zelfs in vrijheid. Zij zijn de echo van God en van den mensch. Zij vereenigen zich met geluiden en stemmen, en paren daaraan hun poëzie en hun wilde naïeve rhytmen. In onbewuste verwantschap, ook als contrast, verhoogen zij de groote effekten in de natuur en vullen die aan: De zeevogel stelt zijn hooge schrille kreten tegenover het zware doffe slaan der golven. Met het eentonigruischen der bladeren, die de wind beweegt, stemt zacht, het klagend koeren der tortelduiven en het kweelen van tallooze vogels; en aan de glorie der ontwakende velden beantwoordt het luid jubelen van den leeuwerik, die de vreugde der aarde meevoert ten hooge. Zoo klinkt overal vocaal-muziek uit, boven het immens instrumentaal concert der Natuur, boven die zware zuchten, die sonore geluidsgolven van dat goddelijk orgel; het is de vogelzang, die zich losmaakt van die zware basaccoorden; en de veelal vlugge, schelle tonen snijden op dien ernstigen grond, als streek een vurig violist de snaren.Gewiekte stemmen van vuur, engelstemmen! uitingen van een intens leven, van een hooger leven dan het onze, een leven van zwerven en beweeglijkheid! In den arbeider, den eeuwig gebondene aan zijn akker, wekken zij sereenere gedachten en een droom van vrijheid.Zooals het plantaardig leven in de lente herboren wordt met het komen der bladeren, vernieuwt zich het dierlijk leven door de terugkomst der vogels, hun liefde en hun zangen. Van dit alles weet men niet op het Zuidelijk halfrond; díe wereld is nog jong en in een staat van wording; zij moet haar stem nog vinden. De hoogste bloei van de ziel en van het leven, de zang, is haar nog niet gegeven.Het mooie en grootsche verschijnsel op dit hooger levend deel der aarde is, dat, wanneer de Natuur haar zwijgende harmonie van bloemen en bladeren schept, haar lied van Maart en April, haar symphonie van Mei, dat wij allen dan, menschen en vogels, meetrillen in die akkoorden en het rhytme opnemen. Dan worden de kleinsten zelfs dichters, sublieme zangers soms. Zij zingen voor hun genooten, wier liefde zij verlangen... Zij zingen voor wie naar henluisteren wil, en die eerste wedstrijd eischt van velen een ongehoorde inspanning. De mensch geeft den vogel antwoord. De zang van den een, roept den zang van den ander. Dat samengaan is ongekend in de heetezône. De schitterende kleurenweelde, die er de harmonie vervangt, schept niet zulk een band. De vogels dáár in hun juweelentooi, zijn er niet te minder eenzaam om.Wel zéér verschillend van die uitgelezen schepsels in hun fonkelende pracht, is de vogel van onze landen, zoo simpel van kleed, zoo rijk van hart: hij leeft met de armen. Zeer weinigen maar, zoeken de mooie tuinen, de aristokratische lanen, de schaduw der trotsche parken. Allen leven met den landman. God gaf hen overal een plaats. Wouden en boschjes, lichtingen, akkers en wijngaarden, vochtige weiden en het riet der plassen, de bosschen van het gebergte en zelfs de besneeuwde toppen, iedere plaats gaf Hij zijn gevleugelde bevolking; geen plek is misdeeld van deze harmonie; en zoo is het, dat de mensch nergens gaan kan; niet zóó hoog stijgen, niet zóó laag dalen, of hij vindt er den vreugdezang, den zang der vertroosting.Als de dag tenauwernood is begonnen, en in de stallen het klokje luidt voor de kudden, dan is ook de gele3)kwikstaart klaar om hen te geleiden, en trippelt vroolijk om hen heen. Zij mengt zich onder het vee, en zoekt het bijzijn van den herder. Zij weet dat dier en mensch haar gaarne zien, en dat zij hen beveiligt voor de insekten. Zij zet zich rustig op den kop der runderen en op den rug der schapen. Zelden verlaat zij hen over dag en zij brengt ze getrouw weer thuis. Niet minder vast op haar post is de bergkwikstaart4); waar gewasschen wordt, vliegt zij om de vrouwen heen, loopt op haar hooge pootjes in het water en vraagt om kruimeltjes brood; en als met een zonderling mimisch instinct, wipt zij haar staartje op en neer met de beweging van de waschborden, alsof zij met meewerken haar loon wilde verdienen.De akkervogel, de vogel van den landbouwer bij uitnemendheid, is de leeuwerik; hij is zijn trouwe gezel; waar hij moeitevol de vore trekt, vindt hij de leeuwerik om hem aan te moedigen en te steunen, en een lied van hope voor hem te zingen.Hoop, dat is het aloude devies van onze Galliërs, daarom hebben zij voor hun nationalen vogel den leeuwerik verkoren, den leeuwerik met zijn armelijk kleedje, maar zoo rijk van hart en zang!Het schijnt of de natuur de leeuweriken misdeeld heeft. De stelling van hun nagels maakt hen ongeschikt om zich op een tak te zetten. Zij nestelen op den grond, vlak bij het arme haasje, en hun eenige beschutting is de vore. Welk een gevaarlijk, zorgvol leven, als zij gaan broeden! Wat een angst en bekommernis! Niet veel meer dan een graspolletjeonttrekt den schat der moeder aan het oog van hond, van wouw en valk. Haastig moet zij broeden, haastig moet zij haar angstig kroost opkweeken. Wie zou niet gelooven, dat het arme schepsel de melancholie moet deelen van haar droeven nabuur de haas?„Dit dier is somber, hem verteert de angst.” (La Fontaine).Maar het tegendeel is waar: door eene wondere vroolijkheid en luchthartigheid, misschien wuftheid, en fransche zorgeloosheid, herwint onze nationale vogel, als tenauwernood het gevaar geweken is, onmiddellijk zijn zielsrust, zijn zang, zijn ontembare levensvreugd. En nog eenwonder: al de gevaren, die hun leven steeds bedreigen, al die wreede beproevingen verharden hun hartje niet; zij blijven trouwhartig en vroolijk, gezellig en vertrouwelijk, en zij geven een, bij de vogels zeldzaam, voorbeeld van broederlijke liefde; de leeuwerik zal evenals de zwaluw, wanneer het noodig is, zijn gelijken verzorgen.Maar zij hebben tweederlei steun en prikkel: hetlichten deliefde. In liefde leven zij het halve jaar; tot driemaal toe soms, doen zij zichzelf het zorgelijk geluk aan van het ouderschap, en den moeitevollen arbeid van een opvoeding vol onzekerheden. En wanneer er geen liefde voor hen is, dan blijft hun het licht tot opwekking. Een enkele zonnestraal is voldoende om hun den zang te hergeven. Zij zijn de kinderen van den dag. Als de morgen komt, als de horizont zich met purper kleurt en de zon verschijnt, dan gaat de leeuwerik op uit de vore, als een pijl, en draagt zijn vreugdehymne ten hemel.Heilige poëzie, frisch als de dageraad, rein en blij als een kinderziel! Deze machtige vèrklinkende zang geeft het teeken aan de maaiers. „Het is tijd!” zegt de vader, „hoor je de leeuwerik niet?” De vogel volgt hen, wekt hen op tot den arbeid; op de heete middaguren noodigt hij hen te gaan slapen en houdt de insekten weg. Over het rustend hoofdje van het halfsluimerend meisje giet hij stroomen van harmonie.„Geen orgaan,” zegt Toussenel, „kan het tegen den leeuwerik opnemen,” wat rijkdom en verscheidenheid in den zang betreft; geen vogel heeft die soepele toon, dat fluweelig timbre; geen zang draagt zóó ver en houdt zóó aan, en verwonderlijk is de buigzaamheid en kracht der stembanden. De leeuwerik zingt een uur lang aan één stuk door, zonder ook maar den duur van één seconde af te breken; en hijzingt terwijl hij verticaal naar boven stijgt tot een hoogte van duizend meter, stijgt door de wolken heen; en er gaat geen enkele noot verloren gedurende dit immens trajekt. Zou één nachtegaal dat kunnen?Deze zang van het licht is een weldaad voor de wereld, en men vindt den leeuwerik bijna in ieder land, dat de zon verlicht. Zooveel verschillende streken, zooveel verscheidenheid in de soorten: huisleeuwerik, akkerleeuwerik, boomleeuwerik, bergleeuwerik, woestijnleeuwerik zelfs; leeuweriken in de zoutsteppenvan Midden-Azië en leeuweriken op de door den Noordenwind gezengde vlakten van het afschuwelijk Tartarije. Het is als eene vergoeding, door de vriendelijke natuur gegeven; een teedere vertroosting van God's vaderzorg.Maar de herfst is gekomen. Terwijl de leeuwerik achter de ploeg zijn oogst van insekten binnenhaalt, komen de gasten uit de Noordelijke landen. De lijsters zijn juist op tijd voor den wijnoogst; en trots op zijn kroon, komt ook het onzichtbaar-kleine goudhaantje. Het komt uit Noorwegen, uit de nevels, en onder een reusachtigen denneboom zingt de kleine toovenaar zijn mysterieus liedje, totdat de geweldige koude hem noopt af te zakken en zich te mengen onder het lagere volk, de „Klein-Jantjes,” die bij ons thuis hooren, en ons bekoren met hun licht vlietend zangetje.Het wordt guurder, de vogels zoeken de menschen. De brave bloedvinken, zachtmoedig en steeds trouw gepaard, vragen met zacht en droevig gekweel om onderstand. De heggemusch verlaat haar boschjes en waagt het tot aan de huisdeur te komen, met een klagelijk trillend, eentonig stemmetje.„Als in de eerste Octobernevels, even voordat de winter begint, de arme zijn schamele provisie van dood hout komt sprokkelen, vliegt een klein vogeltje op hem af, aangetrokken door het geluid van den bijl. Hij vliegt om hem heen, als om hem te verwelkomen, al maar zachtjes kweelend een zoet liedeke. Dat is het roodborstje, afgezonden door een goede fee tot den eenzamen arbeider om hem te zeggen, dat er nog zijn in de Natuur, die belang in hem stellen.„Als de houthakker de sintels, die hij den vorigen dag met asch bedekte, heeft bijeengezocht, als dan de spaanders en doode takken knappen en sprankelenin de vlam, dan komt ook het roodborstje gevlogen, en viert, al zingend, het vuurtje en de vreugd van den houthakker.„Als de Natuur den slaap ingaat, en zich dekt met den mantel van sneeuw, als men geen stemmen meer hoort, dan soms den schreeuw van de vogels uit het Noorden, die hoog in de lucht hun snelle driehoeken trekken; of misschien den Noordenwind, hoe hij loeit en in de schoorsteenen buldert van de hutten op het veld, dan komt er weer een fluitend wijsje, een zacht moduleerend gekweel, dat in naam van den scheppenden arbeid protesteert tegen die geluidloosheid, den rouw en stilstand.”Open uw venster! och, geef hem wat kruimpjes, een paar korreltjes zaad! Als hij vriendelijke gezichten ziet zal hij binnenkomen; hij is gevoelig voor een vuurtje; dan gaat het arme schepseltje door dien korten zomer heen, weer versterkt, den winter in.Toussenel ergert zich met reden, dat geen dichter nog het roodborstje bezong. Maar het vogeltje is zijn eigen dichter; als men zijn liedje kon opschrijven, zou het heel juist de poëzie van zijn nederig bestaan weergeven. Het roodborstje, dat ik nu bij mij heb en dat in mijn studeerkamer vrij rondvliegt, gaat bij ontstentenis van toehoorders voor den spiegel en kweelt daar zacht, zonder mij te storen, al zijn gedachtetjes voor het illusoir roodborstje, dat tegenover hem verschenen is.3)In het franschbergeronne—herderinnetje.4)In het franschlavandière—waschvrouw.
DE ZANG.
Het zal weinigen ontgaan zijn, dat kamervogels, wanneer er gasten zijn en het gesprek levendig wordt, daaraan op hun manier gaan deelnemen en beginnen te kweelen en te zingen.
Dat is hun universeel instinkt, zelfs in vrijheid. Zij zijn de echo van God en van den mensch. Zij vereenigen zich met geluiden en stemmen, en paren daaraan hun poëzie en hun wilde naïeve rhytmen. In onbewuste verwantschap, ook als contrast, verhoogen zij de groote effekten in de natuur en vullen die aan: De zeevogel stelt zijn hooge schrille kreten tegenover het zware doffe slaan der golven. Met het eentonigruischen der bladeren, die de wind beweegt, stemt zacht, het klagend koeren der tortelduiven en het kweelen van tallooze vogels; en aan de glorie der ontwakende velden beantwoordt het luid jubelen van den leeuwerik, die de vreugde der aarde meevoert ten hooge. Zoo klinkt overal vocaal-muziek uit, boven het immens instrumentaal concert der Natuur, boven die zware zuchten, die sonore geluidsgolven van dat goddelijk orgel; het is de vogelzang, die zich losmaakt van die zware basaccoorden; en de veelal vlugge, schelle tonen snijden op dien ernstigen grond, als streek een vurig violist de snaren.
Gewiekte stemmen van vuur, engelstemmen! uitingen van een intens leven, van een hooger leven dan het onze, een leven van zwerven en beweeglijkheid! In den arbeider, den eeuwig gebondene aan zijn akker, wekken zij sereenere gedachten en een droom van vrijheid.
Zooals het plantaardig leven in de lente herboren wordt met het komen der bladeren, vernieuwt zich het dierlijk leven door de terugkomst der vogels, hun liefde en hun zangen. Van dit alles weet men niet op het Zuidelijk halfrond; díe wereld is nog jong en in een staat van wording; zij moet haar stem nog vinden. De hoogste bloei van de ziel en van het leven, de zang, is haar nog niet gegeven.
Het mooie en grootsche verschijnsel op dit hooger levend deel der aarde is, dat, wanneer de Natuur haar zwijgende harmonie van bloemen en bladeren schept, haar lied van Maart en April, haar symphonie van Mei, dat wij allen dan, menschen en vogels, meetrillen in die akkoorden en het rhytme opnemen. Dan worden de kleinsten zelfs dichters, sublieme zangers soms. Zij zingen voor hun genooten, wier liefde zij verlangen... Zij zingen voor wie naar henluisteren wil, en die eerste wedstrijd eischt van velen een ongehoorde inspanning. De mensch geeft den vogel antwoord. De zang van den een, roept den zang van den ander. Dat samengaan is ongekend in de heetezône. De schitterende kleurenweelde, die er de harmonie vervangt, schept niet zulk een band. De vogels dáár in hun juweelentooi, zijn er niet te minder eenzaam om.
Wel zéér verschillend van die uitgelezen schepsels in hun fonkelende pracht, is de vogel van onze landen, zoo simpel van kleed, zoo rijk van hart: hij leeft met de armen. Zeer weinigen maar, zoeken de mooie tuinen, de aristokratische lanen, de schaduw der trotsche parken. Allen leven met den landman. God gaf hen overal een plaats. Wouden en boschjes, lichtingen, akkers en wijngaarden, vochtige weiden en het riet der plassen, de bosschen van het gebergte en zelfs de besneeuwde toppen, iedere plaats gaf Hij zijn gevleugelde bevolking; geen plek is misdeeld van deze harmonie; en zoo is het, dat de mensch nergens gaan kan; niet zóó hoog stijgen, niet zóó laag dalen, of hij vindt er den vreugdezang, den zang der vertroosting.
Als de dag tenauwernood is begonnen, en in de stallen het klokje luidt voor de kudden, dan is ook de gele3)kwikstaart klaar om hen te geleiden, en trippelt vroolijk om hen heen. Zij mengt zich onder het vee, en zoekt het bijzijn van den herder. Zij weet dat dier en mensch haar gaarne zien, en dat zij hen beveiligt voor de insekten. Zij zet zich rustig op den kop der runderen en op den rug der schapen. Zelden verlaat zij hen over dag en zij brengt ze getrouw weer thuis. Niet minder vast op haar post is de bergkwikstaart4); waar gewasschen wordt, vliegt zij om de vrouwen heen, loopt op haar hooge pootjes in het water en vraagt om kruimeltjes brood; en als met een zonderling mimisch instinct, wipt zij haar staartje op en neer met de beweging van de waschborden, alsof zij met meewerken haar loon wilde verdienen.
De akkervogel, de vogel van den landbouwer bij uitnemendheid, is de leeuwerik; hij is zijn trouwe gezel; waar hij moeitevol de vore trekt, vindt hij de leeuwerik om hem aan te moedigen en te steunen, en een lied van hope voor hem te zingen.
Hoop, dat is het aloude devies van onze Galliërs, daarom hebben zij voor hun nationalen vogel den leeuwerik verkoren, den leeuwerik met zijn armelijk kleedje, maar zoo rijk van hart en zang!
Het schijnt of de natuur de leeuweriken misdeeld heeft. De stelling van hun nagels maakt hen ongeschikt om zich op een tak te zetten. Zij nestelen op den grond, vlak bij het arme haasje, en hun eenige beschutting is de vore. Welk een gevaarlijk, zorgvol leven, als zij gaan broeden! Wat een angst en bekommernis! Niet veel meer dan een graspolletjeonttrekt den schat der moeder aan het oog van hond, van wouw en valk. Haastig moet zij broeden, haastig moet zij haar angstig kroost opkweeken. Wie zou niet gelooven, dat het arme schepsel de melancholie moet deelen van haar droeven nabuur de haas?
„Dit dier is somber, hem verteert de angst.” (La Fontaine).
Maar het tegendeel is waar: door eene wondere vroolijkheid en luchthartigheid, misschien wuftheid, en fransche zorgeloosheid, herwint onze nationale vogel, als tenauwernood het gevaar geweken is, onmiddellijk zijn zielsrust, zijn zang, zijn ontembare levensvreugd. En nog eenwonder: al de gevaren, die hun leven steeds bedreigen, al die wreede beproevingen verharden hun hartje niet; zij blijven trouwhartig en vroolijk, gezellig en vertrouwelijk, en zij geven een, bij de vogels zeldzaam, voorbeeld van broederlijke liefde; de leeuwerik zal evenals de zwaluw, wanneer het noodig is, zijn gelijken verzorgen.
Maar zij hebben tweederlei steun en prikkel: hetlichten deliefde. In liefde leven zij het halve jaar; tot driemaal toe soms, doen zij zichzelf het zorgelijk geluk aan van het ouderschap, en den moeitevollen arbeid van een opvoeding vol onzekerheden. En wanneer er geen liefde voor hen is, dan blijft hun het licht tot opwekking. Een enkele zonnestraal is voldoende om hun den zang te hergeven. Zij zijn de kinderen van den dag. Als de morgen komt, als de horizont zich met purper kleurt en de zon verschijnt, dan gaat de leeuwerik op uit de vore, als een pijl, en draagt zijn vreugdehymne ten hemel.
Heilige poëzie, frisch als de dageraad, rein en blij als een kinderziel! Deze machtige vèrklinkende zang geeft het teeken aan de maaiers. „Het is tijd!” zegt de vader, „hoor je de leeuwerik niet?” De vogel volgt hen, wekt hen op tot den arbeid; op de heete middaguren noodigt hij hen te gaan slapen en houdt de insekten weg. Over het rustend hoofdje van het halfsluimerend meisje giet hij stroomen van harmonie.
„Geen orgaan,” zegt Toussenel, „kan het tegen den leeuwerik opnemen,” wat rijkdom en verscheidenheid in den zang betreft; geen vogel heeft die soepele toon, dat fluweelig timbre; geen zang draagt zóó ver en houdt zóó aan, en verwonderlijk is de buigzaamheid en kracht der stembanden. De leeuwerik zingt een uur lang aan één stuk door, zonder ook maar den duur van één seconde af te breken; en hijzingt terwijl hij verticaal naar boven stijgt tot een hoogte van duizend meter, stijgt door de wolken heen; en er gaat geen enkele noot verloren gedurende dit immens trajekt. Zou één nachtegaal dat kunnen?
Deze zang van het licht is een weldaad voor de wereld, en men vindt den leeuwerik bijna in ieder land, dat de zon verlicht. Zooveel verschillende streken, zooveel verscheidenheid in de soorten: huisleeuwerik, akkerleeuwerik, boomleeuwerik, bergleeuwerik, woestijnleeuwerik zelfs; leeuweriken in de zoutsteppenvan Midden-Azië en leeuweriken op de door den Noordenwind gezengde vlakten van het afschuwelijk Tartarije. Het is als eene vergoeding, door de vriendelijke natuur gegeven; een teedere vertroosting van God's vaderzorg.
Maar de herfst is gekomen. Terwijl de leeuwerik achter de ploeg zijn oogst van insekten binnenhaalt, komen de gasten uit de Noordelijke landen. De lijsters zijn juist op tijd voor den wijnoogst; en trots op zijn kroon, komt ook het onzichtbaar-kleine goudhaantje. Het komt uit Noorwegen, uit de nevels, en onder een reusachtigen denneboom zingt de kleine toovenaar zijn mysterieus liedje, totdat de geweldige koude hem noopt af te zakken en zich te mengen onder het lagere volk, de „Klein-Jantjes,” die bij ons thuis hooren, en ons bekoren met hun licht vlietend zangetje.
Het wordt guurder, de vogels zoeken de menschen. De brave bloedvinken, zachtmoedig en steeds trouw gepaard, vragen met zacht en droevig gekweel om onderstand. De heggemusch verlaat haar boschjes en waagt het tot aan de huisdeur te komen, met een klagelijk trillend, eentonig stemmetje.
„Als in de eerste Octobernevels, even voordat de winter begint, de arme zijn schamele provisie van dood hout komt sprokkelen, vliegt een klein vogeltje op hem af, aangetrokken door het geluid van den bijl. Hij vliegt om hem heen, als om hem te verwelkomen, al maar zachtjes kweelend een zoet liedeke. Dat is het roodborstje, afgezonden door een goede fee tot den eenzamen arbeider om hem te zeggen, dat er nog zijn in de Natuur, die belang in hem stellen.
„Als de houthakker de sintels, die hij den vorigen dag met asch bedekte, heeft bijeengezocht, als dan de spaanders en doode takken knappen en sprankelenin de vlam, dan komt ook het roodborstje gevlogen, en viert, al zingend, het vuurtje en de vreugd van den houthakker.
„Als de Natuur den slaap ingaat, en zich dekt met den mantel van sneeuw, als men geen stemmen meer hoort, dan soms den schreeuw van de vogels uit het Noorden, die hoog in de lucht hun snelle driehoeken trekken; of misschien den Noordenwind, hoe hij loeit en in de schoorsteenen buldert van de hutten op het veld, dan komt er weer een fluitend wijsje, een zacht moduleerend gekweel, dat in naam van den scheppenden arbeid protesteert tegen die geluidloosheid, den rouw en stilstand.”
Open uw venster! och, geef hem wat kruimpjes, een paar korreltjes zaad! Als hij vriendelijke gezichten ziet zal hij binnenkomen; hij is gevoelig voor een vuurtje; dan gaat het arme schepseltje door dien korten zomer heen, weer versterkt, den winter in.
Toussenel ergert zich met reden, dat geen dichter nog het roodborstje bezong. Maar het vogeltje is zijn eigen dichter; als men zijn liedje kon opschrijven, zou het heel juist de poëzie van zijn nederig bestaan weergeven. Het roodborstje, dat ik nu bij mij heb en dat in mijn studeerkamer vrij rondvliegt, gaat bij ontstentenis van toehoorders voor den spiegel en kweelt daar zacht, zonder mij te storen, al zijn gedachtetjes voor het illusoir roodborstje, dat tegenover hem verschenen is.
3)In het franschbergeronne—herderinnetje.
3)In het franschbergeronne—herderinnetje.
4)In het franschlavandière—waschvrouw.
4)In het franschlavandière—waschvrouw.
LE NIDHET NEST.
LE NID
HET NEST.ARCHITEKTUUR DER VOGELS.IK heb, terwijl ik dit schrijf, eene belangrijke verzameling nesten van fransche vogels voor mij, door een vriend bijeengezocht. Dit stelt mij in staat te beoordeelen wat anderen over dit onderwerp schreven; het te waardeeren of misschien te verbeteren; konde maar onze begrensde taal een denkbeeld geven van die zeer bizondere kunst, veel minder verwant aan de onze, dan men op het eerste gezicht geneigd is te gelooven. Daarom is het alles waard, de voorwerpen zelf inhanden te hebben, te zien en te betasten; dán pas begrijpt men hoe verkeerd het is, te willen vergelijken; men wordt daarbij onjuist en onwaar. Het zijn dingen uit een wereld, die op zichzelf staat; moet ik zeggenbovenofbenedende werken der menschen? Het één noch het ander; maar absoluut verschillend; de verwantschap is een uiterlijke.Bedenken wij eerst, dat dit allerbekoorlijkst voorwerp, het fijnste en subtielste wat men zich denken kan, alléén bestaat door kunst, behendigheid en berekening. Het materiaal is gewoonlijk zeer rustiek en niet altijd datgene, wat de kunstenaars het liefst gebruikten. De gereedschappen zijn gebrekkig. De vogel heeft niet het behendig pootje van den eekhoorn, of de tanden van den bever. Hij heeft niets anders dan snavel en poot, en een poot is heel iets anders dan een hand.—Het moet ons dus wel schijnen, of het nest een onoplosbaar vraagstuk voor hem is. Degenen, die ik vóór mij heb, zijn meest alle gemaakt van dooreengewerkte stukjes mos, kleine buigzame takjes, of lange plantenvezels; maar het is nog minder dooreengewerkt dan saamgedrukt; een soort van vilt; een samenstel van allerlei materiaal, met volharding en inspanning dicht saamgeperst; een groot werk, dat veel vlijt en energie vereischt en waarbij snavel en poot onvoldoende zijn. Het eigenlijke werktuig, is het lichaam zelf van het vogeltje, zijn borstje waarmeê het perst en drukt, tot het materiaal dicht en soepel is en zich voegt in het geheel. En het lijfje van het vogeltje is weer het werktuig, dat van binnen aan het nest de ronding geeft; door zich aanhoudend te draaien en te wenden, en van alle kanten den wand terug te drukken, slaagt het er in het nest zijn cirkelvorm te geven. Het nest is dus het individu zelf, zijn vorm, en zijn onmiddellijk overgebrachteinspanning; ik zou hier wellijdenwillen zeggen, want het resultaat kon alléén verkregen worden, door een onafgebroken herhaalde drukking van de borst. Ieder enkel grassprietje is, om zijn buiging aan te nemen en te houden, duizendmaal en duizendmaal gedrukt moeten worden door het borstje; zeker met een pijnlijke beklemming van de ademhaling en mogelijk hartkloppingen.Hoe anders de woonplaats van den viervoet. De meesten worden behaard geboren, waartoe zouden zij een nest behoeven?5)Degenen, die bouwen of holen graven, doen het dan ook meer voor zichzelf dan voor hun jongen. De marmot is een handig mijnwerker in haar schuins hellende, onderaardsche gang, die haar beveiligt voor den wind. De eekhoorn richt zich behendig zijn aardig torentje op, dat hem voor den regen zal vrijwaren. De groote waterbouwkundige, de bever, die het wassen van het water voorziet, bouwt zich meerdere verdiepingen, die hij naar willekeur kan bewonen: alles voor het individu.Maar de vogels bouwen voor het gezin; zorgeloos hebben zij geleefd, tusschen de bladeren gewoond, gemakkelijke buit voor hun belagers; maar zijn zij niet meer alléén, dan maakt het vooruitzicht en de hoop op het ouderschap hen tot kunstenaars. Het nest is eene schepping der Liefde.Ook is het werk duidelijk de uiting van een buitengewone en hartstochtelijke wilskracht met zeldzaam doorzettingsvermogen. En dat blijkt vooral dááruit, dat het niet als onze bouwsels, is voorbereid door een getimmerte, dat het plan vaststelt en het werk ondersteunt en regelt. Hier is de ziel van den kunstenaar zóó van het plan doortrokken; het beeld staat hem zóó zuiver en levendig voor oogen, dat zonder geraamte of getimmerte, zonder voorafbereid steunsel het luchtscheepje stuk voor stuk wordt opgetrokken; en geen stuk verstoort den gang van het geheel. Alles komt op zijn plaats, symmetrisch en in volkomen harmonie, een zéér moeielijke arbeid, bij zóó gebrekkig gereedschap, en bij de primitieve wijze van samenpersing door drukking met de borst. Dit werk vertrouwt de moeder het mannetje niet toe; maar zij gebruikt hem als leverancier. Hij zoekt het materiaal, grasjes, mos, stukjes wortel, of kleine takjes. Maar als het bouwsel klaar is, als het op het binnenste aankomt, het bed, het meubilair, dan wordt het een moeilijk geval. Men moet bedenken, dat dit leger een eitje moet bergen, dat oneindig gevoelig is voor koude; ieder plekje, dat te koud wordt, kost een lid aan het jonge vogeltje. Het wordt naakt geboren. Hetbuikje tegen de moeder gedrukt is voor kou beveiligd; maar het vederloos ruggetje moet warm gehouden worden door het nest. Daarom is de moeder zoo angstvallig in haar voorzorgen en zoo veeleischend, dat zij nauwelijks te bevredigen is. Het mannetje brengt b.v. paardenhaar mee; het is te hard en kan alléén dienen voor onderlaag, als een soort springveeren bed. Hij brengt hennep; dat is te koud; alleen zijde, of het zijdeachtige pluis van sommige planten, wol en katoen, worden aangenomen; en nog beter: zij trekt haar eigen donsveeren uit en legt die onder haar jonkjes. Het is treffend, het mannetje naar materiaal te zien zoeken, heimelijk en slim; hij is bang, dat wie hem opmerkt, den weg naar het nest zal uitvinden. Daarom neemt hij, als hij bespied wordt, dikwijls een anderen weg. Met allerlei kleine diefstallen kan hij de moeder helpen. Soms volgt hij de schapen om een paar pluisjes wol te krijgen.In den hoenderhof neemt hij de donsveertjes van de leghennen. En in zijn overmoed houdt hij er zelfs een oogje op, of misschien de vrouw haar kluw of haar spinrokken onder de veranda vergeet; dat is dan al weer een paar draadjes winst.De nestenverzamelingen bestaan nog niet lang; zijzijn ook zeldzaam, en nog niet rijk. Toch kan men bij sommigen, in die van Rouaan b.v., die uitmunt door rangschikking, en in die van Parijs, die een paar bijzondere exemplaren bezit, al de industrieën nagaan, waardoor dat uitnemende kunststuk, het nest, wordt gewrocht. Wat is er de ontwikkeling, de voortgang van? Niet van de eene kunst op de andere (niet van metselen naar vlechten b.v.); maar in ieder vak gaan de vogels, die het beoefenen, met meer of minder kunst te werk, naarmate de soort intelligent is, het materiaal meer of minder voegzaam, en naar het klimaat het eischt.Van de grovere vogels hebben de vetganzen, depingouïns, bij wien het jong onmiddellijk na de geboorte te water gaat, genoeg aan een gat in den grond. Maar de bijeneter, de oeverzwaluw, die hun jongen moeten grootbrengen, hollen zich een woning uit, van zéér goede en min of meer wiskunstige verhoudingen, die behoorlijk wordt uitgerust en van zachte stoffen voorzien, zoodat de jongen geen last hebben van den harden en vochtigen grond.Van de metselende vogels, vergenoegt de flamingo zich met een pyramide van opgehoogde klei, waarop hij zijn eieren beveiligt tegenover strooming, om ze daar, rustig, staande op zijn lange beenen, uit tebroeden. Dit is grof Werk, en hij is nog maar een opperman. De ware metselaar is de zwaluw, die haar huis hecht aan het onze.Maar het wonder van de soort is wellicht het vernuftig kartonwerk van den lijster der wijngaarden. Zijn nest, dat in die vochtige atmosfeer veel te lijden zou hebben, is van buiten van mos, en ontsnapt aan het oog, door éénheid van kleur met het loof; maar als men er in kijkt, is het een prachtig glanzend gepolijste kom, haast zoo zuiver als glas; men kon er zich in spiegelen. De rustieke kunst, eigen aan de bosschen: het timmeren, schrijnwerken, beeldhouwen, heeft zijn eenvoudigste specimen in het nest van den toekan; zijn snavel is enorm, maar zwak en dun; hij gebruikt alleen vermolmde boomen. De specht, beter gewapend, kan veel meer, dat weet men: hij is dewaretimmerman, en, komt de liefde, dan wordt hij beeldhouwer.Oneindig rijk aan geslachten en soorten, is het gilde der wevers en mandenmakers. Het zou een werk van langen adem zijn, bij hun punt van uitgang beginnende, die industrie vol verscheidenheid, in zijn loop en tot het einde na te gaan.De vogels der waterkanten vlechten al, maar ruw en onhandig. Waarom zouden zij er ook veel werk van maken? Zoo doeltreffend door de natuur gekleed, met een vetachtig gevederte, nagenoeg ondoordringbaar, hebben zij minder rekening te houden met de elementen. Hun kunst is de jacht; altijd krap gevoed, worden zij beheerscht door een veeleischende maag.Het zeer elementaire vlechten, van reigers en ooievaars, wordt al, hoewel in geringer mate, voorbijgestreefd door de vlechtwerkers der bosschen: de gaai, de bloedvink. Hun talrijker familie, noopt hen tot solied werken. De onderlaag is ruw, maardaarop vlechten zij een meer of minder sierlijk korfje, een samenstel van stevig verbonden takjes en worteltjes. De karkiet verbindt kunstig eenige rietstengels, waaraan de bladen door het weefsel heen gewerkt, een stevige beweeglijke basis vormen, die de bewegingen volgt van het riet. De buidelmees bevestigt haar beursvormig nest maar aan één kant, en laat dus haar jongen wiegen door den wind. Het sijsje, het puttertje, de vink, zijn knappe viltwerkers. De laatste, schuw en wantrouwig, plakt aan zijn nest als het klaar is, heel behendig stukjes grijs korstmos, waardoor men bij het zoeken geheel van de wijs wordt gebracht, en dit allersierlijkste, zoo goed verstopte nest in den regel aanziet voor een soort van uitwas, iets toevalligs en natuurlijks.Het lijmen en het viltwerken speelt trouwens ook een groote rol bij het werk der wevers. Men doetverkeerd, die vakken te sterk af te scheiden. Het vliegenvogeltje neemt gom van de boomen om zijn nestje goed dicht te maken; de meeste anderen gebruiken hun speeksel. En wonderlijk, enkelen, bij wie de liefde het vernuft verscherpt, nemen hun toevlucht tot de kunst, waartoe hun organen het minst zijn aangelegd. Een Amerikaansche spreeuw komt er toe de bladeren met zijn snavel aan elkaar te naaien, en heel handig ook. Eenige knappe wevers gebruiken behalve hun snavel ook nog hun pootje; als de ketting klaar is, houden zij die met hun pootje vast en weven dan met hun bek. Zoo kan men hen dus met recht wevervogels noemen. Behendigheid komt er dus niet te kort; maar de gereedschappen zijn gebrekkig; zij zijn zeldzaam ongeschikt voor het werk. Daarbij vergeleken, zijn de insekten verwonderlijk doelmatig toegerust. Zij zijn de geboren arbeiders. De vogels zijn het maar tijdelijk, door den prikkel en geestdrift der liefde.5)Een van de uitzonderingen hierop is het konijn, dat naakte, hulpelooze jongen voortbrengt.(Noot van den V.).
HET NEST.
ARCHITEKTUUR DER VOGELS.
IK heb, terwijl ik dit schrijf, eene belangrijke verzameling nesten van fransche vogels voor mij, door een vriend bijeengezocht. Dit stelt mij in staat te beoordeelen wat anderen over dit onderwerp schreven; het te waardeeren of misschien te verbeteren; konde maar onze begrensde taal een denkbeeld geven van die zeer bizondere kunst, veel minder verwant aan de onze, dan men op het eerste gezicht geneigd is te gelooven. Daarom is het alles waard, de voorwerpen zelf inhanden te hebben, te zien en te betasten; dán pas begrijpt men hoe verkeerd het is, te willen vergelijken; men wordt daarbij onjuist en onwaar. Het zijn dingen uit een wereld, die op zichzelf staat; moet ik zeggenbovenofbenedende werken der menschen? Het één noch het ander; maar absoluut verschillend; de verwantschap is een uiterlijke.
Bedenken wij eerst, dat dit allerbekoorlijkst voorwerp, het fijnste en subtielste wat men zich denken kan, alléén bestaat door kunst, behendigheid en berekening. Het materiaal is gewoonlijk zeer rustiek en niet altijd datgene, wat de kunstenaars het liefst gebruikten. De gereedschappen zijn gebrekkig. De vogel heeft niet het behendig pootje van den eekhoorn, of de tanden van den bever. Hij heeft niets anders dan snavel en poot, en een poot is heel iets anders dan een hand.—Het moet ons dus wel schijnen, of het nest een onoplosbaar vraagstuk voor hem is. Degenen, die ik vóór mij heb, zijn meest alle gemaakt van dooreengewerkte stukjes mos, kleine buigzame takjes, of lange plantenvezels; maar het is nog minder dooreengewerkt dan saamgedrukt; een soort van vilt; een samenstel van allerlei materiaal, met volharding en inspanning dicht saamgeperst; een groot werk, dat veel vlijt en energie vereischt en waarbij snavel en poot onvoldoende zijn. Het eigenlijke werktuig, is het lichaam zelf van het vogeltje, zijn borstje waarmeê het perst en drukt, tot het materiaal dicht en soepel is en zich voegt in het geheel. En het lijfje van het vogeltje is weer het werktuig, dat van binnen aan het nest de ronding geeft; door zich aanhoudend te draaien en te wenden, en van alle kanten den wand terug te drukken, slaagt het er in het nest zijn cirkelvorm te geven. Het nest is dus het individu zelf, zijn vorm, en zijn onmiddellijk overgebrachteinspanning; ik zou hier wellijdenwillen zeggen, want het resultaat kon alléén verkregen worden, door een onafgebroken herhaalde drukking van de borst. Ieder enkel grassprietje is, om zijn buiging aan te nemen en te houden, duizendmaal en duizendmaal gedrukt moeten worden door het borstje; zeker met een pijnlijke beklemming van de ademhaling en mogelijk hartkloppingen.
Hoe anders de woonplaats van den viervoet. De meesten worden behaard geboren, waartoe zouden zij een nest behoeven?5)Degenen, die bouwen of holen graven, doen het dan ook meer voor zichzelf dan voor hun jongen. De marmot is een handig mijnwerker in haar schuins hellende, onderaardsche gang, die haar beveiligt voor den wind. De eekhoorn richt zich behendig zijn aardig torentje op, dat hem voor den regen zal vrijwaren. De groote waterbouwkundige, de bever, die het wassen van het water voorziet, bouwt zich meerdere verdiepingen, die hij naar willekeur kan bewonen: alles voor het individu.
Maar de vogels bouwen voor het gezin; zorgeloos hebben zij geleefd, tusschen de bladeren gewoond, gemakkelijke buit voor hun belagers; maar zijn zij niet meer alléén, dan maakt het vooruitzicht en de hoop op het ouderschap hen tot kunstenaars. Het nest is eene schepping der Liefde.
Ook is het werk duidelijk de uiting van een buitengewone en hartstochtelijke wilskracht met zeldzaam doorzettingsvermogen. En dat blijkt vooral dááruit, dat het niet als onze bouwsels, is voorbereid door een getimmerte, dat het plan vaststelt en het werk ondersteunt en regelt. Hier is de ziel van den kunstenaar zóó van het plan doortrokken; het beeld staat hem zóó zuiver en levendig voor oogen, dat zonder geraamte of getimmerte, zonder voorafbereid steunsel het luchtscheepje stuk voor stuk wordt opgetrokken; en geen stuk verstoort den gang van het geheel. Alles komt op zijn plaats, symmetrisch en in volkomen harmonie, een zéér moeielijke arbeid, bij zóó gebrekkig gereedschap, en bij de primitieve wijze van samenpersing door drukking met de borst. Dit werk vertrouwt de moeder het mannetje niet toe; maar zij gebruikt hem als leverancier. Hij zoekt het materiaal, grasjes, mos, stukjes wortel, of kleine takjes. Maar als het bouwsel klaar is, als het op het binnenste aankomt, het bed, het meubilair, dan wordt het een moeilijk geval. Men moet bedenken, dat dit leger een eitje moet bergen, dat oneindig gevoelig is voor koude; ieder plekje, dat te koud wordt, kost een lid aan het jonge vogeltje. Het wordt naakt geboren. Hetbuikje tegen de moeder gedrukt is voor kou beveiligd; maar het vederloos ruggetje moet warm gehouden worden door het nest. Daarom is de moeder zoo angstvallig in haar voorzorgen en zoo veeleischend, dat zij nauwelijks te bevredigen is. Het mannetje brengt b.v. paardenhaar mee; het is te hard en kan alléén dienen voor onderlaag, als een soort springveeren bed. Hij brengt hennep; dat is te koud; alleen zijde, of het zijdeachtige pluis van sommige planten, wol en katoen, worden aangenomen; en nog beter: zij trekt haar eigen donsveeren uit en legt die onder haar jonkjes. Het is treffend, het mannetje naar materiaal te zien zoeken, heimelijk en slim; hij is bang, dat wie hem opmerkt, den weg naar het nest zal uitvinden. Daarom neemt hij, als hij bespied wordt, dikwijls een anderen weg. Met allerlei kleine diefstallen kan hij de moeder helpen. Soms volgt hij de schapen om een paar pluisjes wol te krijgen.
In den hoenderhof neemt hij de donsveertjes van de leghennen. En in zijn overmoed houdt hij er zelfs een oogje op, of misschien de vrouw haar kluw of haar spinrokken onder de veranda vergeet; dat is dan al weer een paar draadjes winst.
De nestenverzamelingen bestaan nog niet lang; zijzijn ook zeldzaam, en nog niet rijk. Toch kan men bij sommigen, in die van Rouaan b.v., die uitmunt door rangschikking, en in die van Parijs, die een paar bijzondere exemplaren bezit, al de industrieën nagaan, waardoor dat uitnemende kunststuk, het nest, wordt gewrocht. Wat is er de ontwikkeling, de voortgang van? Niet van de eene kunst op de andere (niet van metselen naar vlechten b.v.); maar in ieder vak gaan de vogels, die het beoefenen, met meer of minder kunst te werk, naarmate de soort intelligent is, het materiaal meer of minder voegzaam, en naar het klimaat het eischt.
Van de grovere vogels hebben de vetganzen, depingouïns, bij wien het jong onmiddellijk na de geboorte te water gaat, genoeg aan een gat in den grond. Maar de bijeneter, de oeverzwaluw, die hun jongen moeten grootbrengen, hollen zich een woning uit, van zéér goede en min of meer wiskunstige verhoudingen, die behoorlijk wordt uitgerust en van zachte stoffen voorzien, zoodat de jongen geen last hebben van den harden en vochtigen grond.
Van de metselende vogels, vergenoegt de flamingo zich met een pyramide van opgehoogde klei, waarop hij zijn eieren beveiligt tegenover strooming, om ze daar, rustig, staande op zijn lange beenen, uit tebroeden. Dit is grof Werk, en hij is nog maar een opperman. De ware metselaar is de zwaluw, die haar huis hecht aan het onze.
Maar het wonder van de soort is wellicht het vernuftig kartonwerk van den lijster der wijngaarden. Zijn nest, dat in die vochtige atmosfeer veel te lijden zou hebben, is van buiten van mos, en ontsnapt aan het oog, door éénheid van kleur met het loof; maar als men er in kijkt, is het een prachtig glanzend gepolijste kom, haast zoo zuiver als glas; men kon er zich in spiegelen. De rustieke kunst, eigen aan de bosschen: het timmeren, schrijnwerken, beeldhouwen, heeft zijn eenvoudigste specimen in het nest van den toekan; zijn snavel is enorm, maar zwak en dun; hij gebruikt alleen vermolmde boomen. De specht, beter gewapend, kan veel meer, dat weet men: hij is dewaretimmerman, en, komt de liefde, dan wordt hij beeldhouwer.
Oneindig rijk aan geslachten en soorten, is het gilde der wevers en mandenmakers. Het zou een werk van langen adem zijn, bij hun punt van uitgang beginnende, die industrie vol verscheidenheid, in zijn loop en tot het einde na te gaan.
De vogels der waterkanten vlechten al, maar ruw en onhandig. Waarom zouden zij er ook veel werk van maken? Zoo doeltreffend door de natuur gekleed, met een vetachtig gevederte, nagenoeg ondoordringbaar, hebben zij minder rekening te houden met de elementen. Hun kunst is de jacht; altijd krap gevoed, worden zij beheerscht door een veeleischende maag.
Het zeer elementaire vlechten, van reigers en ooievaars, wordt al, hoewel in geringer mate, voorbijgestreefd door de vlechtwerkers der bosschen: de gaai, de bloedvink. Hun talrijker familie, noopt hen tot solied werken. De onderlaag is ruw, maardaarop vlechten zij een meer of minder sierlijk korfje, een samenstel van stevig verbonden takjes en worteltjes. De karkiet verbindt kunstig eenige rietstengels, waaraan de bladen door het weefsel heen gewerkt, een stevige beweeglijke basis vormen, die de bewegingen volgt van het riet. De buidelmees bevestigt haar beursvormig nest maar aan één kant, en laat dus haar jongen wiegen door den wind. Het sijsje, het puttertje, de vink, zijn knappe viltwerkers. De laatste, schuw en wantrouwig, plakt aan zijn nest als het klaar is, heel behendig stukjes grijs korstmos, waardoor men bij het zoeken geheel van de wijs wordt gebracht, en dit allersierlijkste, zoo goed verstopte nest in den regel aanziet voor een soort van uitwas, iets toevalligs en natuurlijks.
Het lijmen en het viltwerken speelt trouwens ook een groote rol bij het werk der wevers. Men doetverkeerd, die vakken te sterk af te scheiden. Het vliegenvogeltje neemt gom van de boomen om zijn nestje goed dicht te maken; de meeste anderen gebruiken hun speeksel. En wonderlijk, enkelen, bij wie de liefde het vernuft verscherpt, nemen hun toevlucht tot de kunst, waartoe hun organen het minst zijn aangelegd. Een Amerikaansche spreeuw komt er toe de bladeren met zijn snavel aan elkaar te naaien, en heel handig ook. Eenige knappe wevers gebruiken behalve hun snavel ook nog hun pootje; als de ketting klaar is, houden zij die met hun pootje vast en weven dan met hun bek. Zoo kan men hen dus met recht wevervogels noemen. Behendigheid komt er dus niet te kort; maar de gereedschappen zijn gebrekkig; zij zijn zeldzaam ongeschikt voor het werk. Daarbij vergeleken, zijn de insekten verwonderlijk doelmatig toegerust. Zij zijn de geboren arbeiders. De vogels zijn het maar tijdelijk, door den prikkel en geestdrift der liefde.
5)Een van de uitzonderingen hierop is het konijn, dat naakte, hulpelooze jongen voortbrengt.(Noot van den V.).
5)Een van de uitzonderingen hierop is het konijn, dat naakte, hulpelooze jongen voortbrengt.
(Noot van den V.).
VILLES DES OISEAUXVOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.
VILLES DES OISEAUX
VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.Hoe meer ik er over denk, hoe duidelijker ik besef, dat de vogels niet, als de insekten, nijvere dieren zijn. Zij zijn de dichters in de Natuur, de onafhankelijkste van alle wezens; zij leiden een prachtig avontuurlijk leven; maar over 't geheel zijn zij weinig beschermd.Denken wij ons de Amerikaansche wouden, en laat ons nagaan welke de beveiligingsmiddelen zijn van de alléénlevende wezens. Vergelijken wij de veiligheidsmaatregelen van de vogels, de vindingen van hun energie, met de uitvindingen van hun buren, de menschen, die in dezelfde streken leven. Het verschil doet de vogels eer aan; het menschelijk vernuftvond slechts aanvalswerktuigen. De Indiaan vond de knots en het scalpeermes; de vogel alléén het nest.En wat zindelijkheid, warmte, sierlijkheid betreft, wint het nest het in alle opzichten van den wigwam, en van de negerhut, die dikwijls in Afrika niet anders is, dan een holle baobab (apenbroodboom).De negers hebben de deur nog niet uitgevonden; hun woning blijft open, en om zich tegen nachtelijke aanvallen van wilde dieren te beschermen, vullen zij den ingang op met doornen.De vogel weet ook zijn nest niet te sluiten. Hoe zal hij zich beveiligen? een ernstige, moeilijk te beantwoorden vraag.Hij maakt een nauwen bochtigen ingang. Kiest hij een natuurlijk nest in een boomholte, dan vernauwt hij den ingang door een vernuftig metselwerk. Verscheidenen bouwen een dubbel nest met twee woonruimten; in de alkoof broedt de moeder, in de vestibule waakt de vader als een trouwe schildwacht, gereed den aanval af te slaan als hij mocht komen.En wat een vijanden! slangen, menschen, apen, eekhoorns, en zelfs vogels! Want dat volk heeft ook zijn roovers. Soms helpen de buren den zwakke, zijn goed terug te krijgen, en de indringer wordt met geweld verjaagd. Er is daar een zaadetende kraai, die zeer ver gaat in het recht doen. Als er een jong paar, andere nesten gaat bestelen, om met het eigen nest vlugger gereed te zijn, dan wordt hun dit niet vergeven. Acht of tien vereenigen zich, en vernielen het dievennest, dat er geen stuk van heel blijft; en de schuldigen zijn genoopt naar elders te vertrekken en van meet af aan te beginnen.Is dat geen gevoel voor eigendom, en het heilig recht van den arbeid?Hoe nu veiligheid te vinden, en een soort van publiekeorde? Het is aardig na te gaan, hoe de vogels dat vraagstuk hebben opgelost.Twee oplossingen doen zich voor: de eerste is vereeniging; het vormen van een staat, die alle krachten in zich zou samenvatten, zoodat door samenwerking der zwakken, een defensieve macht tot stand zou komen.De tweede—schijnt het niet wonderbaar, onmogelijk, fantasterij?—zou moeten zijn, eene verwezenlijking van de luchtstad van Aristofanes, bewaakt tegen de zware roovers der lucht en ontoegankelijk voor de roovers van de aarde, den jager en de slang.Deze twee moeilijkheden, waarvan de eene onmogelijkheid schijnt, zijn door de vogels tot werkelijkheid geworden.Eerst de samenwerking, de Staat. Het koningschap staat een trap lager. Zooals de apen een koning hebben, die iedere bende aanvoert, zoo schijnen verscheiden vogelsoorten, vóóral wanneer gevaar dreigt, een hoofd te volgen.De paradijsvogels hebben een koning. De tiran, eendapper onversaagd klein vogeltje, geeft bescherming aan grootere soorten, die hem vertrouwen en volgen. Men verzekert ook, dat de edele sperwer zijn roofinstinct onderdrukt, en enkele vreesachtige soorten, die op zijn edelmoedigheid vertrouwen onder zich laat nestelen.Maar samenwerking tusschen gelijken, is toch altijd het veiligste. De struisvogels, vetganzen, en nog meer anderen doen dat. Vele soorten, die zich voor den trek vereenigen, vormen bij de afreis tijdelijke republieken. Men weet van de voortreffelijke verstandhouding, den republikeinschen ernst, de prachtige taktiek der ooievaars en kraanvogels. Anderen, veel kleiner en minder gewapend, en dat in een klimaat waar de wreed vruchtbare natuur, hun zonder ophouden de vreeselijkste vijanden baart, durven zich niet van elkander te verwijderen, en bouwen hunne woningen dicht bij elkander zonder ze nog te laten samensmelten. En zoo leven zij onder een gemeenschappelijk dak in afzonderlijke cellen, als de bijen in hun korf. De beschrijving, die Paterson daarvan geeft doet denken aan een fabel. Maar het geval wordt door Levaillant bevestigd, die dikwijls in Amerika die zeldzame kolonies vond en bestudeerde. Het is de beschrijving van een immense parapluie, die aan een boom is vastgehecht, en onder zijn gemeenschappelijk dak meer dan driehonderd woningen bergt. „Ik liet hem bij mij brengen,” zegt Levaillant,„en verscheiden mannen waren noodig om hem op een wagen te zetten. Ik sloeg hem door met een bijl, en ik zag, dat de massa uit bosman gras bestond, maar zoo dicht gevlochten, dat de regen er onmogelijk door kon dringen. Deze massa is het eigenlijke geraamte van het gebouw, iedere vogel maakt zich een nest onder het gemeenschappelijk dak. De nesten zijn alle aan den rand;het bovengedeelte blijft vrij, zonder daarom nutteloos te zijn; want daar het hooger is dan de rest, krijgt hierdoor het geheel een voldoende helling, zoodat de kleine woninkjes alle goed beschermd zijn. Kort genomen, moet men zich dus een groot, onregelmatig, schuin afloopend dak voorstellen, waarvan de rand inwendig opgevuld is met dicht aanééngesloten nesten. Zoo krijgt men het juiste begrip van dit eigenaardig bouwsel.Ieder nest heeft 3 tot 4 duim middellijn, wat voor het vogeltje voldoende is; en daar ze aan elkaar stooten het geheele dak rond, schijnen zij voor het oog een geheel te vormen; zij zijn gescheiden door een kleine opening, tegelijk de ingang; en dikwijls dient ééne opening voor drie nesten, waarvan het eene naar bínnen ligt en de twee andere ieder aan een kant. Er waren 320 cellen hetgeen 640 bewoners maakt, als tenminste in iedere cel een paartje was, waarvan ik niet heelemaal zeker ben. Toch heb ik iedere keer, dat ik op een zwerm schoot een gelijk aantal mannetjes en wijfjes gevonden.” Lofwaardig voorbeeld!hoe verdient het navolging!—Maar zou dat broederlijk zich vereenigen van die kleine wezentjes, wel een voldoende waarborg zijn? Zeker zullen ze soms met hun aantal en luidruchtigheid het monster verschrikken en van zijn weg doen afwijken; maar als de boa, sterk in zijn schubbig pantser, en doof voor hun kreten, hardnekkig blijft voortschuiflen en hun burcht aanvalt, op een tijd misschien dat de jongen nog niet vlug zijn, dan wil hun aantal niet anders zeggen dan, meer slachtoffers.Blijft nog, deluchtstadvan Aristofanes: afgezonderd van aarde en water, te bouwen in de lucht; een wonder dat alléén de twee sterkste machten op de wereld kunnen scheppen: deLiefdeen deVrees, de meest intense vrees, die het bloed doet stollen. Als uit een hollen boom de donkere platte kop van een kil reptiel zich opheft en u aansist, dan siddert ge, niet waar, gij een sterke man?Moet dan niet dat weerloos schepseltje van angst vergaan, als het zoo overvallen wordt in zijn nestje en de schrik zijn vleugels verlamt?De luchtstad ontstond in het land der slangen. In Afrika, het land der monsters, met zijn afschuwelijke droogten, bedekken zij letterlijk den grond. In Azië, op de verschroeide kusten van Bombay, in de bosschen, waar het rottig slijk gaat gisten, krioelen zij, en groeien, opgeblazen van venijn. De Molukken zijn er vol van.Vandaar de vinding van deLoxia pensilis(grootsnavel der Filippijnen), zòo heet die groote kunstenaar. Hij kiest een boom uit, dicht aan het water. Aan de takken hecht hij behendig afhangende plantenvezels. Hij meet het gewicht van het nest vooruit, en vergist zich nooit. Aan de vezels bevestigt hij één voor één, vrij harde grassen en doet dit, zondersteunsel, los in de lucht werkend. Het is een lastig werk en van langen duur, niet anders te volbrengen dan met oneindig veel geduld en energie.De vestibule alleen, is al een cylinder van niet minder dan twaalf of vijftien voet lengte, die boven het water hangt met de opening naar beneden, zoodat men stijgende moet binnengaan. Het bovenste gedeelte heeft den vorm van een pompoen of opgeblazen zak, iets als de retort van een scheikundige. Soms hangen er vijf of zes van die nesten aan één bamboe.Dit is dus mijn luchtstad. Geen verbeeldingsdroom, zooals die van Aristofanes, maar echt en werkelijk, en die voldoet aan de drie voorwaarden: veiligheid van de waterzijde en ook van den landkant en bovendien ontoegankelijk te zijn voor de roovers der lucht, door de nauwe toegangen, die met veel moeite beklommen worden.En nu zoudt gij misschien tegen den sluwen vogel over zijn nest zeggen, wat men tegen Columbus zeide, toen hij zich sterk had gemaakt een ei rechtop te zetten: „Maar dat is dood eenvoudig.” En dan zou de vogel, als Columbus, antwoorden: „Waarom vondt ge 't dan zelf niet uit?”
VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.
Hoe meer ik er over denk, hoe duidelijker ik besef, dat de vogels niet, als de insekten, nijvere dieren zijn. Zij zijn de dichters in de Natuur, de onafhankelijkste van alle wezens; zij leiden een prachtig avontuurlijk leven; maar over 't geheel zijn zij weinig beschermd.
Denken wij ons de Amerikaansche wouden, en laat ons nagaan welke de beveiligingsmiddelen zijn van de alléénlevende wezens. Vergelijken wij de veiligheidsmaatregelen van de vogels, de vindingen van hun energie, met de uitvindingen van hun buren, de menschen, die in dezelfde streken leven. Het verschil doet de vogels eer aan; het menschelijk vernuftvond slechts aanvalswerktuigen. De Indiaan vond de knots en het scalpeermes; de vogel alléén het nest.
En wat zindelijkheid, warmte, sierlijkheid betreft, wint het nest het in alle opzichten van den wigwam, en van de negerhut, die dikwijls in Afrika niet anders is, dan een holle baobab (apenbroodboom).
De negers hebben de deur nog niet uitgevonden; hun woning blijft open, en om zich tegen nachtelijke aanvallen van wilde dieren te beschermen, vullen zij den ingang op met doornen.
De vogel weet ook zijn nest niet te sluiten. Hoe zal hij zich beveiligen? een ernstige, moeilijk te beantwoorden vraag.
Hij maakt een nauwen bochtigen ingang. Kiest hij een natuurlijk nest in een boomholte, dan vernauwt hij den ingang door een vernuftig metselwerk. Verscheidenen bouwen een dubbel nest met twee woonruimten; in de alkoof broedt de moeder, in de vestibule waakt de vader als een trouwe schildwacht, gereed den aanval af te slaan als hij mocht komen.
En wat een vijanden! slangen, menschen, apen, eekhoorns, en zelfs vogels! Want dat volk heeft ook zijn roovers. Soms helpen de buren den zwakke, zijn goed terug te krijgen, en de indringer wordt met geweld verjaagd. Er is daar een zaadetende kraai, die zeer ver gaat in het recht doen. Als er een jong paar, andere nesten gaat bestelen, om met het eigen nest vlugger gereed te zijn, dan wordt hun dit niet vergeven. Acht of tien vereenigen zich, en vernielen het dievennest, dat er geen stuk van heel blijft; en de schuldigen zijn genoopt naar elders te vertrekken en van meet af aan te beginnen.
Is dat geen gevoel voor eigendom, en het heilig recht van den arbeid?
Hoe nu veiligheid te vinden, en een soort van publiekeorde? Het is aardig na te gaan, hoe de vogels dat vraagstuk hebben opgelost.
Twee oplossingen doen zich voor: de eerste is vereeniging; het vormen van een staat, die alle krachten in zich zou samenvatten, zoodat door samenwerking der zwakken, een defensieve macht tot stand zou komen.
De tweede—schijnt het niet wonderbaar, onmogelijk, fantasterij?—zou moeten zijn, eene verwezenlijking van de luchtstad van Aristofanes, bewaakt tegen de zware roovers der lucht en ontoegankelijk voor de roovers van de aarde, den jager en de slang.
Deze twee moeilijkheden, waarvan de eene onmogelijkheid schijnt, zijn door de vogels tot werkelijkheid geworden.
Eerst de samenwerking, de Staat. Het koningschap staat een trap lager. Zooals de apen een koning hebben, die iedere bende aanvoert, zoo schijnen verscheiden vogelsoorten, vóóral wanneer gevaar dreigt, een hoofd te volgen.
De paradijsvogels hebben een koning. De tiran, eendapper onversaagd klein vogeltje, geeft bescherming aan grootere soorten, die hem vertrouwen en volgen. Men verzekert ook, dat de edele sperwer zijn roofinstinct onderdrukt, en enkele vreesachtige soorten, die op zijn edelmoedigheid vertrouwen onder zich laat nestelen.
Maar samenwerking tusschen gelijken, is toch altijd het veiligste. De struisvogels, vetganzen, en nog meer anderen doen dat. Vele soorten, die zich voor den trek vereenigen, vormen bij de afreis tijdelijke republieken. Men weet van de voortreffelijke verstandhouding, den republikeinschen ernst, de prachtige taktiek der ooievaars en kraanvogels. Anderen, veel kleiner en minder gewapend, en dat in een klimaat waar de wreed vruchtbare natuur, hun zonder ophouden de vreeselijkste vijanden baart, durven zich niet van elkander te verwijderen, en bouwen hunne woningen dicht bij elkander zonder ze nog te laten samensmelten. En zoo leven zij onder een gemeenschappelijk dak in afzonderlijke cellen, als de bijen in hun korf. De beschrijving, die Paterson daarvan geeft doet denken aan een fabel. Maar het geval wordt door Levaillant bevestigd, die dikwijls in Amerika die zeldzame kolonies vond en bestudeerde. Het is de beschrijving van een immense parapluie, die aan een boom is vastgehecht, en onder zijn gemeenschappelijk dak meer dan driehonderd woningen bergt. „Ik liet hem bij mij brengen,” zegt Levaillant,„en verscheiden mannen waren noodig om hem op een wagen te zetten. Ik sloeg hem door met een bijl, en ik zag, dat de massa uit bosman gras bestond, maar zoo dicht gevlochten, dat de regen er onmogelijk door kon dringen. Deze massa is het eigenlijke geraamte van het gebouw, iedere vogel maakt zich een nest onder het gemeenschappelijk dak. De nesten zijn alle aan den rand;het bovengedeelte blijft vrij, zonder daarom nutteloos te zijn; want daar het hooger is dan de rest, krijgt hierdoor het geheel een voldoende helling, zoodat de kleine woninkjes alle goed beschermd zijn. Kort genomen, moet men zich dus een groot, onregelmatig, schuin afloopend dak voorstellen, waarvan de rand inwendig opgevuld is met dicht aanééngesloten nesten. Zoo krijgt men het juiste begrip van dit eigenaardig bouwsel.
Ieder nest heeft 3 tot 4 duim middellijn, wat voor het vogeltje voldoende is; en daar ze aan elkaar stooten het geheele dak rond, schijnen zij voor het oog een geheel te vormen; zij zijn gescheiden door een kleine opening, tegelijk de ingang; en dikwijls dient ééne opening voor drie nesten, waarvan het eene naar bínnen ligt en de twee andere ieder aan een kant. Er waren 320 cellen hetgeen 640 bewoners maakt, als tenminste in iedere cel een paartje was, waarvan ik niet heelemaal zeker ben. Toch heb ik iedere keer, dat ik op een zwerm schoot een gelijk aantal mannetjes en wijfjes gevonden.” Lofwaardig voorbeeld!hoe verdient het navolging!—Maar zou dat broederlijk zich vereenigen van die kleine wezentjes, wel een voldoende waarborg zijn? Zeker zullen ze soms met hun aantal en luidruchtigheid het monster verschrikken en van zijn weg doen afwijken; maar als de boa, sterk in zijn schubbig pantser, en doof voor hun kreten, hardnekkig blijft voortschuiflen en hun burcht aanvalt, op een tijd misschien dat de jongen nog niet vlug zijn, dan wil hun aantal niet anders zeggen dan, meer slachtoffers.
Blijft nog, deluchtstadvan Aristofanes: afgezonderd van aarde en water, te bouwen in de lucht; een wonder dat alléén de twee sterkste machten op de wereld kunnen scheppen: deLiefdeen deVrees, de meest intense vrees, die het bloed doet stollen. Als uit een hollen boom de donkere platte kop van een kil reptiel zich opheft en u aansist, dan siddert ge, niet waar, gij een sterke man?
Moet dan niet dat weerloos schepseltje van angst vergaan, als het zoo overvallen wordt in zijn nestje en de schrik zijn vleugels verlamt?
De luchtstad ontstond in het land der slangen. In Afrika, het land der monsters, met zijn afschuwelijke droogten, bedekken zij letterlijk den grond. In Azië, op de verschroeide kusten van Bombay, in de bosschen, waar het rottig slijk gaat gisten, krioelen zij, en groeien, opgeblazen van venijn. De Molukken zijn er vol van.
Vandaar de vinding van deLoxia pensilis(grootsnavel der Filippijnen), zòo heet die groote kunstenaar. Hij kiest een boom uit, dicht aan het water. Aan de takken hecht hij behendig afhangende plantenvezels. Hij meet het gewicht van het nest vooruit, en vergist zich nooit. Aan de vezels bevestigt hij één voor één, vrij harde grassen en doet dit, zondersteunsel, los in de lucht werkend. Het is een lastig werk en van langen duur, niet anders te volbrengen dan met oneindig veel geduld en energie.
De vestibule alleen, is al een cylinder van niet minder dan twaalf of vijftien voet lengte, die boven het water hangt met de opening naar beneden, zoodat men stijgende moet binnengaan. Het bovenste gedeelte heeft den vorm van een pompoen of opgeblazen zak, iets als de retort van een scheikundige. Soms hangen er vijf of zes van die nesten aan één bamboe.
Dit is dus mijn luchtstad. Geen verbeeldingsdroom, zooals die van Aristofanes, maar echt en werkelijk, en die voldoet aan de drie voorwaarden: veiligheid van de waterzijde en ook van den landkant en bovendien ontoegankelijk te zijn voor de roovers der lucht, door de nauwe toegangen, die met veel moeite beklommen worden.
En nu zoudt gij misschien tegen den sluwen vogel over zijn nest zeggen, wat men tegen Columbus zeide, toen hij zich sterk had gemaakt een ei rechtop te zetten: „Maar dat is dood eenvoudig.” En dan zou de vogel, als Columbus, antwoorden: „Waarom vondt ge 't dan zelf niet uit?”