Zwijgend zaten ze aan tafel. Anna keek met angstige nieuwsgierigheid van Wouter naar haar moeder en van haar moeder naar Wouter. Rubrecht vroeg eindelijk goedig, weifelend, 'n beetje bedeesd: „Wat is er, Wouter, heb je weer wat met oom gehad?....”
„Ja, ja!” viel toen de moeder, weer met die vreemde scherpheid, schielijk in. „Wouter heeft ruzie gehad met Frits en hij is er weg.”
Anna schrok. „Hemel!” riep ze.
De oude vader fronsde zijn grijze wenkbrauwen en bromde, terwijl hij de sauskom naar zich toe trok en zich langzaam bediende: „Ruzie, ruzie! ....kom, kom! dat moet niet, .... dat moet toch niet!.... Wat is er eigenlijk, Wouter? Heb je....”
Maar Wouter viel hem in de rede: „Vader, laten we er nu niet over spreken, nu nog niet. Later zal ik u alles wel vertellen!....”
„Goed! .... goed, jongen,” bromde de oude man weer en at langzaam kauwend door, soms tusschen twee aardappelen mompelend: „Ruzie! ruzie!....”
Vóórdat 't korte maal nog afgeloopen was stond Wouter op.
Hij ging uit.
Om twee uur 's nachts kwam Wouter thuis. Zijn moeder hoorde hem zacht stommelend de trap opkomen. Toen liet ze zich 't bed uitglijden en sloop naar 't portaal, waar ze hem opwachtte. 't Was er donker. Alleen viel langs de deur van haar slaapkamer, die ze op een kier had gelaten,een smalle streep schemerlicht op den gekalkten muur. Daar ging ze staan, zoodat hij haar zag toen hij de tweede trap opkwam. Hij huiverde van schrik. „Ben je daar, Wouter,” zei ze, „Goddank!” „Moeder, u zult kou vatten, gauw naar binnen!” „Ben je bij haar geweest? hoe heeft ze je ontvangen?” fluisterde ze. „Ze heeft me heelemaal niet ontvangen,” zei hij somber, .... „ze kon niet .... ze was naar bed gegaan met hoofdpijn, zei meneer....” „En wat heb jij dan gedaan den heelen avond?” „Ik? .... 'k weet niet...., 'k heb geloopen...., overal rondgeboemeld.... Toe, moeder, ga nou naar binnen! ga nou slapen!.... Vader zal wakker worden .... nacht moeder!” En hij liep langzaam door naar zijn kamertje. Zij hoorde hem naar binnen gaan, de deur sluiten, nog wat rondstommelen—toen werd alles stil....
Ze ging naar binnen en terug in 't groote bed, waar Rubrecht sliep, achterover liggend, zwaar ronkend alsoude mannen doen. Huiverend trok ze haar deken om zich heen en ging scherp liggen denken aan morgen, wat ze zeggen zou. En plotseling trof 't haar met een schok dat ze Margreet haatte, met staalharden haat, en zij voelde zich sterk en vol strijdlust; zij voelde zich een tijgerin, die haar jong moest verdedigen tegen een vijand....
„Ze zal 'm niet hebben! .... nooit!” mompelde ze.
't Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht—nietig vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje op—voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag—en, schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen in z'n bed, hij had geklaagd dat hijzoo moe was. De dikke drukker ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag—ze was dadelijk 't kantoor binnengeloopen, „Hé, hé!” riep hij uit, en vroeg, 'n beetje angstig: „er is toch geen onraad?”
„Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? .... alleen?”
„Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker,” zei Smit, die een kleur kreeg, „gaat u mee, .... gaat u mee naar boven!”
Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine uitroepjes: „Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!”
„U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!”
„Niet?” vroeg Smit, verwonderd.
„Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en—u weet dat misschien niet—maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't 'm eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend....”
„Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?”
En zij, op den man af: „Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's gemerkt, dat Wouter schulden maakte?”
Hij dadelijk met heldere stem: „Nooit, mevrouw!.... Wouter schulden!—Dat valt me niet mee van 'm!”
„Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zooheelveel is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!”
„Van Margreet ook?” Smit werd onrustig en warm.
„Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat 't nog al wat zal zijn.”
„Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was al dat geld voor?”
„Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!”
Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. „Maar dat is heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed dat ik haar even roep?”
„Wacht u nog even, meneer Smit,” zei ze vlug, met een zenuwachtige beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg.
Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling wierp zemet een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: „Meneer Smit, .... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft. De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo, meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer.” (Ze stond op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) „En daarom, meneerSmit!—u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik—doe met mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt, dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien, dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet genoeg van hem hield....”
Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar.
Eindelijk opperde hij weifelend: „Ziet u 't niet wat te zwart in?....”
„Nee! .... meneer Smit, ik zie 't niet te zwart in...., heusch niet! Al zoo menigmaal heb ik op 't punt gestaan om naar u toe te komen om er over te spreken, maar och! .... dan zei ik altijd maar weer tegen me zelf: Je ziet 't te donker in, je bent 'n melancholiek mensch, je ziet alles, alles in 't donker. Maar nu moet 't, waarachtig! Weet u hoe ze 'm gisterenmiddag ontvangen heeft?.... En 's avonds heeft ze 'm heelemaal niet willen zien!....”
„Ze had hoofdpijn!....”
„Ja, ja,” zei Wouter's moeder met een droevigen glimlach, „ze had hoofdpijn.”
Beiden zwegen. Zij ging weer zitten, hij ook—stil, in elkaar gezakt, met z'n handen op z'n knieën. De anders altijd drukke bewegelijke man was als geslagen.... „Wat zullen we doen?” vroeg hij, toen 't zwijgen pijnlijk werd, met weifelende stem.
„Laat haar nu hier komen, meneer Smit, laten we met haar praten.”
„Nu? .... nou dadelijk?” vroeg hij, opziende tegen de scène.
„Ik geloof werkelijk, dat dat 't beste is,” antwoordde zij.
Hij ging naar de deur en riep: „Gree!.... Gree!”
En ze kwam.
Ze liep, vriendelijk glimlachend als altijd, naar mevrouw Rubrecht toe. „Hé! zoo vroeg al? .... hoe gaat 't u, mevrouw?”
Maar eer ze nog 't kleine vrouwtje 'n hand reiken kon, vroeg haar vader, kortaf, 'n beetje bar om zijn weekheid te verbergen: „Je hebt geld geleend aan Wouter?”
Ze schrok van die vreemde stem. Ze keerde zich naar hem om. Ze werd bleek. „Ja! .... ja, pa!” zei ze.
„Veel?”
„'n Hondervijftig gulden is 't zoowat bij elkaar!....”
„Zoowat? Weet je 't niet precies?”
„Nee—, ik weet 't niet precies.”
„Weet je 't niet precies?” vroeg hij nog eens, zich over die kleinigheid opwindend. „Hoe komt 't, dat je 't niet weet? Schrijf je zulke dingen niet op?....”
„Och! meneer Smit,” viel toen moeder Rubrecht in, op zeer kalmen, bijna plechtigen toon,—want ze was zich nu heelemaal meester, nu ze haar vijandin tegenover zich zag—, „laten we daar nu niet over praten! Mag ik 's wat aan Margreet vragen?”
„Zeker! .... zeker!....” bromde Smit.
Margreet durfde mevrouw Rubrecht niet aanzien. Zij trok een onverschillig gezicht, liep naar 't raam en keek naar buiten. Toen stond 't vrouwtje op en ging ook 'n paar stappen naar 't raam, zoodat ze achter Margreet stond. Ze steunde op de leuning van een stoel. „Ik heb jenog's ééns gevraagd, wat ik je nu weer vragen zal; Margreet: houd je wel genoeg vanWouter? Ik geloof, dat je me toen niet goed begrepen hebt. Ik hoop, dat je me nu beter begrijpen zal. Luister goed. Houd—je—wel—genoeg—van—Wouter? Is bij hem te zijn wel 't heerlijkste wat er is voor je? Zou je alles wat je verder op de wereld bezit willen missen om hem alleen?.... Zou je ellende, verachting, alles, met hem willen dragen? Zou je jezelf vermoorden om hem te redden? .... als je kinderen kreeg, zou je ze dan liefhebben omdat 't zijn kinderen waren? .... en als je ze niet kreeg, zou dan toch je gansche verdere leven, dat zoolang kan zijn, nog wel vijftig, nog wel zestig jaar, zouden al die jaren gevuld worden door hem alleen?....
Margreet bleef staan. Ze tuurde aldoor naar buiten, ze verroerde zich niet.
Haar vader liepen de tranen in z'n baard.
„Zeg, Margreet!” begon de moeder weer, „kan-je nu weer antwoorden zoo als toen?”
Langzaam draaide 't meisje zich om. Ze was bleek, geelbleek, en er was een zenuwachtig trekken om haar mond.
„Nee! ....” zei ze fluisterend, .... „eigenlijk geloof ik niet, dat ik....”
„Maar Greetje!” riep de vader uit, zich afwendend om zijn aandoening meester te worden, „hoe kom je nu zoo....”
„Je gelooft 't niet?.... Nee! je weet heel zeker, dat jenietzooveel van 'm houdt,” ging nu moeder Rubrecht voort en haar stem kreeg weer dat onaangenaam scherpe, „je moet 't al dikwijls gevoeld hebben, dat kan toch niet anders!.... En toch heb je 'r nog geen eind aan gemaakt!.... Waarom dee-je dat niet? Om toch maar geëngageerd te zijn, toch maar uit te gaan?....”
„Ik heb er nooit zoo ernstig over gedacht,” zei ze, plotseling uitbarstend in hoog snikken. „Maar 'k zal 't hem nu wel zeggen.... Want ikwil 't ook niet langer...., ikwil't niet...., ik ben altijd vroolijk geweest en zonder zorg en tegenwoordig zie ik op tegen elken dag!.... Hij weet van niets dan zorgen, zorgen, altijd zorgen!.... Hij zet haast nooit 's 'n vroolijk gezicht.... Me vrindinnen vragen wat of hij heeft, of hij ziek is.... 't Is 'n akelige jongen! ik wil 'm niet hebben .... nooit! .... nooit! ziedaar!” En ze stampte op den grond en huilde luid en liet zich achterover vallen in een gemakkelijken stoel.
„Margreet!” riep de vader, nu heel boos, vuurrood in zijn gezicht, „ik wil niet, dat je zoo spreekt! Hoe kom je zoo gek je 'r iets van aan te trekken wat je vrindinnen zeggen?.... Je bent heel oppervlakkig .... heel lichtzinnig!....”
„'t Is toch niet waar!” huilde 't meisje weer, „ik ben niet lichtzinnig!.... Omdat ik nou vroolijk ben en levenslustig! .... daar ben ik toch jong voor!.... Waarom, zou ik nu alaltijd zuur moeten kijken!.... En als ik te veel van plezier houd .... en uitgaan .... en van mooie dingen koopen en zoo .... dan komt dat allemaal alleen doordat u me verwend hebt!.... 't Is uw schuld!.... Ik kan nou niet anders meer...., ik kan toch me zelf geen geweld aandoen!....”
Smit zweeg en zuchtte. Mevrouw Rubrecht ging naar hem toe, gaf hem 'n hand en zei zacht: „Ik dank u wel voor uw hulp, meneer Smit...., en ik laat 't nu verder aan u over...., spreekt u met haar .... en laat ze Wouter .... laat ze Wouter .... ja, 't zal 't beste zijn, dat ze hem afschrijft. Want als hij haar weer ziet of spreekt .... misschien....”
„Goed!.... Goed!.... zei Smit, „ik zal met haar praten....”
Toen ging de moeder weg, zonder zelfs meer om te kijken naar 't meisje dat daar op dien stoel lag.
Wouter was eindelijk opgestaan, tegen twaalf uur, en naar beneden gekomen. Hij vond zijn moeder alleen aan de gedekte koffietafel, bezig met de koffie....; hij groette haar met 'n zacht vrindelijk „Morgen, moedertje!” en ging op 'n stoel zitten, die ergens tegen den muur stond. Z'n handen in z'n zakken, z'n beenen rechtuitgestoken zat hij daar zwijgend voor zich te turen. Zij kwam naar hem toe, keek hem teeder aan en gaf hem een zoen op z'n voorhoofd. „Hoe is 't nou, Wouter, voel je je nog zoo moe? heb je geen hoofdpijn?”
„Nee!....”
„Mijn goeie arme jongen,mijnjongen, je moet wat doorstaan dezer dagen, .... maar je zult je er wel flink onder houden, hè?.... Je bent immers altijd mijn flinke Wouter geweest!.... Beloof je 't me?”
„Zeker, moeder, zeker!” zei hij flauw glimlachend.
Ze zwegen weer. Ze zeurde wat in de kamer rond, keek nog 's in de koffiekan, verzette 'n paar kopjes.
„Zeg moeder!”
„Wat is 't?”
„Dat plan van naar Margreet gaan hebt u toch uit 't hoofd gezet?”
Zij gaf geen antwoord. Zij keek den anderen kant op.
„Zeg, moeder!....”
„Waarom, Wouter?”
„Waarom? .... maar, moeder! waarom? .... wel omdat dat toch niet kan! .... maar, .... God! moeder! wat is er? .... u bent er toch niet al heen geweest?.... Hebt u haar gesproken? Wat zei ze? Moeder! zeg! .... hebt u 't toch willen afmaken?....” Hij was opgestaan, hij beefde, zijn stem was heesch.
„Wouter! Wouter! In Godsnaam, wees nou bedaard! .... wees nou flink!.... Ja, ik ben er geweest en ik heb een eind gemaakt aan watalleen op je ongeluk uit kon loopen! Ik weet, dat ik er goed aan gedaan heb!.... Ze zal je schrijven!....”
Hij luisterde niet meer. Hij viel weer neer op zijn stoel. Hij greep met z'n rechterhand naar z'n hoofd, wreef zich over z'n kort geknipt haar met onbewust gebaar, als een krankzinnige.
Zijn moeder kwam naar hem toe.
Toen vloog hij op, de deur uit.
„Wouter!” riep ze, „Wouter!” En in de gang: „Wouter!”
Maar de voordeur sloeg dicht.
Buiten adem kwam hij voor de deur bij Smit aan. Hij schelde wild, en toen de deur openging wou hij doorstormen naar boven, maar Smit—hij was 't zelf—greep hem bij z'n arm. „Niet naar boven!” beval hij ernstig.
„Ik moet, ik moet!” riep Wouter met een woesten ruk.
„Je zult niet!.... Wie 's hier de baas, jij of ik? .... je zult niet naar boven!”
Wouter rukte aan z'n arm maar Smit hield stevig vast.
„Je wilt toch niet, dat ik je de deur uit zetten zal, Wouter?”
Toen gaf hij toe, bleef staan, hijgend.
Smit schudde den arm, dien hij nog vast hield. „Arme jongen,” zei hij, met trillende stem, „ik heb bliksems met je te doen! waarachtig! .... maar toe, wees nou flink! .... toon nou dat je 'n kerel bent, 'n mannetjesvent, wat donder! Ga nou naar huis! .... ze zal je schrijven!.... Geloof me, kerel, er is toch niets meer aan te doen, 't is beter zoo!”
„'t Is beter zoo .... 't is beter zoo,” herhaalde Wouter met innige bitterheid, „altijd beter zoo! .... als je gemarteld wordt...., als je moet tobben en ploeteren en niets hebt dan verdriet, .... altijd: beter zoo! beter zoo!”
„Arme kerel, arme kerel! .... kom, wees nou bedaard! .... ga nou weg! .... ze zal je schrijven van middag.... Ga nou weg, Wouter, .... maar geef me eerst nog 'n hand, ouwe jongen!.... Ik heb er toch waarachtig geen schuld aan, dat weet je wel!....”
Wouter gaf hem zijn rechter hand; maar even lag die hand slap, zonder actie, in Smit's knijpenden knuist. Toen ging hij weg, zwijgend, langzaam, loom. Hij liep straten en grachten om. Hij wou niet naar huis, niet zijn moeder zien. Hij liep den ganschen middag door, diep ellendig, zich voelend als een schooier, armoedig, verloopen, door de menschen vergeten. Tegen den avond at hij wat in een gaarkeuken, niet veel, hij was te moe. Hij verbeeldde zich, dat alle menschen hem aankeken in die gaarkeuken, ging er gauw uit, liep weer door....
Eindelijk ging hij naar huis, hij wou dien brief lezen.
Voor zijn moeder was die middag één lange marteling. Waar was hij heen?.... Waarom kwam hij niet thuis?....
Zij liep naar Smit, hoorde hoe 't daar gegaan was. Toen weer naar huis!.... Neen, hij was er nog niet....
Waar dan?.... Denken dorst ze niet.... O, die angst, die hartverschroeiende angst!....
De grachten liep ze langs en in het park dwaalde ze rond. Ze schrok hevig toen ze 'n troep menschen ergens aan den waterkant zag staan. Weer kwam ze thuis .... en, in wanhoop, wou ze ook weer dadelijk weggaan, maar Anna, die vermoedde wat er gebeurd was, smeekte haar huilend thuis te blijven; ze was immers ook veel te moe....
Ja, 't was waar, ze was wel moe, wel moe!....
Toen kwam Rubrecht van kantooren in korte afgebroken zinnen en zonder hem aan te zien, zei ze 'm alles. Hij was één en al verbazing, hij zat met open mond te luisteren, hij begreep er niets van.... Wouter schuld! Zijn engagement af!.... Ze wisten niet waar hij was!.... Maar dat was verschrikkelijk!.... Ach, waarom moest hij dat nog allemaal beleven op zijn ouden dag....
Inéén gedoken, voorover, zijn groot rond hoofd wiegend op zijn halsboord zat hij suf te kijken, te staren, te mompelen.
Moeder Rubrecht was ook op een stoel neergevallen, stil snikkend en bijtend op haar zakdoek met wijdopen oogen. Anna stond bij het raam en keek uit.
De meid kwam zeggen, dat het eten op tafel was.
Ze letten er niet op.
Ze zwegen, ze wachtten.
De vader vroeg alleen nog:....„Hoeveel is 't .... die schuld....?”
„'k Weet 't niet precies, .... 'n paar honderd gulden,” zei zijn vrouw.
Daar werd gescheld! Anna zei, dat 't de post was. De meid kwam weer naar boven, klopte bedeesd, en Anna ging naar de deur en nam den brief aan. „Van Margreet,” zei ze alleen, en lei den brief op tafel.
De moeder nam 'm op. Ja, daar stond 't, keurig geschreven:
„Den WelEdelen Heer Wouter Rubrecht, E. V.”....
Ze wachtten weer....
Eindelijk! daar sloeg de deur dicht.... „Daar is hij!” riep moeder Rubrecht, blij opvliegend, kijkend naar de deur die opengaan zou. Ook de vader draaide zijn dikke hoofd om naar de deur en Anna keek er half afgewend naar. Hij kwam de trap op, hij was op 't portaal, .... hij liep voorbij, naar boven!....
Zijn moeder nam de brief en ging hem achterna.
„Wouter!.... waar ben je geweest? ....we waren zoo vreeselijk ongerust!”
„Ongerust? .... om mij?....” vroeg hij bitter..........................
„Hier is de brief!”
„O! dank u....”
Hij bekeek het adres, .... brak den brief open.... Zij bleef staan bij de deur.
„Och, moeder! .... toe, laat me nou alleen!”
„Ik wou zoo graag bij je blijven om je te troosten, .... maar als je liever hebt, dat ik wegga....”
„Ja! ja!”
„Goed .... goed!....” En zij ging ... ze ging op de trap zitten. Ze hoorde niets dan nu en dan wat gekraak of 'n kuch.... Na een uur ging ze weer naar boven, zonder gedruisch, en klopte aan zijn deur.
„Binnen!” hoorde ze zacht zeggen.
Ze kwam de kamer in. „Wouter”, zei ze, „ik ben niet gerust, voor ik met je gesproken heb....”
Hij lag met z'n hoofd op de houten tafel, .... z'n armen er om heen, .... de brief naast hem.
Hij gaf geen antwoord.
„Wouter!....”
„Wouter!....”
Daar keek hij op. Hij keek haar aan. „O, moeder, moeder! hoe hebt u dat kunnen doen!” zei hij. En die blik! die blik van dof smartelijk verwijt.
Zij rilde! o God, o God! Neen, zoo verschrikkelijk had ze 't zich niet voorgesteld. Ze kon niet spreken.
Ze greep zich stevig vast aan de leuning van een stoel om zich weer meester te worden. Eindelijk, met een schor geluid: „'t Was heusch om jou alleen, Wouter, waarachtig, alleen voor jou.... Maar ik begrijp wel, dat je dat nu niet inziet nog .... later wel .... later wèl!”
„Voor mij! voor mij!” riep hij uit, met krijschende wanhoop,.... „Och! moeder, ga nou weg...., laat me nu met rust! .... o laat ik nu niets meerzeggen! .... laat ik nu zwijgen!” Ze ging, maar bleef nog bij de deur staan, aarzelend, niet een laatste hoop, dat hij haar terug zou roepen.
Hij had zijn hoofd weer op de tafel laten vallen. Dof, toonloos hoorde ze 'm mompelen: „'k Wou 'k dood was.” En toen weer opkijkend, krachtiger: „Och, laat me nou toch met rust .... laat me nou toch alleen!”
De dagen verliepen in grijze treurigheid in 't Rubrechtshuis. Wim kwam geregeld 's avonds. Maar hij was er heelemaal de man niet naar om de menschen wat op te beuren. Met een gewichtig gezicht en hoofdschuddend hoorde hij alles aan en zei alleen maar nu en dan: „sjonge jonge, 't is toch jammer, hoor!....” of: „ja, ik zeg maar: beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald, dat zeg ik maar!”
En hij was nog veel eigenwijzer en pedanter dan vroeger, want hij verbeeldde zich nu hoog boven Wouter te staan. Hij was toch maar zijn betrekking niet kwijt, alles behalve! hij kreeg met één Mei weer honderd gulden opslag, had de patroon hem beloofd, en zijn engagement! .... wel, hoe zou dat ooit af kunnen gaan!.... Hij had nooit wat met Annetje! .... en over 'n maand of wat zouden ze trouwen! Dat 's wat anders!
De oude man zat meestal te suffen en liet zijn pijp soms uitgaan, wat vroeger nooit gebeurde.
Moeder Rubrecht leefde van uur tot uur in onrust door. Zij was altijd weer bang als Wouter uitging. Maar geen oogenblik had ze spijt van wat ze gedaan had. „Als ik niet wist, dat 'k me plicht had gedaan,” zei ze tegen Anna, „dan zou ik zeker sterven van verdriet.”
Wouter zat meestal op zijn kamertje te soezen of in kranten te kijken,soms schreef hij een brief of ging hij iemand spreken. Als hij binnenkwam om te eten, zei hij niets dan 't hoognoodige. Hij vermeed vooral zijn moeder toe te spreken.
Zoo verliepen acht dagen. Toen, op een avond, stond de oude Rubrecht in ééns op en lei zijn pijp neer en ging de kamer uit en de anderen hoorden vol verwondering, dat hij naar boven ging, naar Wouter. Hij bleef 'r wel een uur. Toen hij weer beneden kwam had hij iets vergenoegds over zich. Hij ging naar zijn vrouw en fluisterde: „'t Is maar tweehonderdtwintig gulden, ik heb ze hem gegeven,” en hij knipoogde, bijna vroolijk. Zij stak hem 'n hand toe en begon te huilen. Toen knipoogde hij sterker en ging weer in zijn stoel zitten knikkebollen, maar hij schoof zich 'n beetje van 't licht af.
'n Paar dagen later zei Wouter aan tafel: „Vader, ik wou u van avond graag nog even spreken.”
„Goed, jongen, best....” bromde de oude man, weer met dat vergenoegde gezicht even.
Wim en Anna waren er niet.
En hij ging weer naar boven en ze praatten weer een uur, maar toen hij beneden kwam, keek hij erg bedrukt. Zijn vrouw kwam naar hem toe. „Wat is er?” vroeg ze gejaagd.
„Hij wil weg!.... Naar de Transvaal!....”
Toen sloot ze de oogen en zonk neer op 'n stoel .... en lang bleef ze dof snikkend zoo zitten.
„Hij sprak over 't geld voor de reis,” zei Rubrecht nog, .... nou dat kan hij krijgen natuurlijk....”
't Was prachtig weer den dag toen Wouter wegging. Ze brachten hem allemaal naar de boot, zijn ouders, Anna en Wim. Gelukkig! bij het inpakken van zijn boeltje, waar zijn moeder natuurlijk aan te pas was gekomen, had hij weer vriendelijk met haar gepraat....
Ze had 'm ook gevraagd wat hij van plan was daar te gaan doen in de Transvaal. Hij wist 't nog niet, had hij gezegd, hij zou wel zien, hij had 'n paar aanbevelingen gekregen door toedoen van zijn vrinden en nu zou hij wel 's zien. Hij zou in ieder geval welwatkrijgen!....
„Je schrijft ons toch vooral gauw, Wouter?”
„Ja zeker .... zeker!....”
Onderweg naar de boot werd niet veel gepraat. Alleen Wim beweerde wat, hij kraamde schoolwijsheid uit over Zuid-Afrika, hij gaf Wouter nuttige wenken met 't oog op het klimaat daar en de insecten.
Ze gingen mee op de boot en zagen Wouter's hut en zijn moeder huilde stil, toen ze 't kleine hokje zag. „Had je nog maar 'n kussen meegenomen,” zei ze.
Eindelijk werd het tijd om afscheid te nemen. Overal op de boot werd al gezoend en gehuild.... Er werd een bel geluid....
Wouter drukte zijn vader lang de hand.
De oude man sprak met groote moeite 'n paar wenschen uit voor Wouter's reis en toekomst: „Ik!.... Ik zal je wel nooit meer zien, jongen! .... maar och! .... als 't jou maar goed gaat!....”
Wouter kuste Anna, gaf Wim 'n hand en wenschte hun beiden gelukkige bruidsdagen en ook verder .... maar hij kon niet verder.
Toen nam hij zijn moeder in z'n armen.
Hij keek haar lang aan, en zij voelde,drinkend dien laatsten langen blik, dat hij nog altijd veel van haar hield, maar dat 't toch niet meer was zooals vroeger. „Je bent nu toch niet meer boos op me?” vroeg ze, droevig glimlachend. Toen wendde hij z'n blik af en trok even z'n wenkbrauwen samen.
„Nee, .... moeder, nee .... nee....” zei hij toen. En dan bukte hij zich snel over haar en zoende haar tweemaal op 'r voorhoofd, dat ze nat voelde van zijn tranen.
Hij is weg, .... hij is weg, .... dat suisde door moeder Rubrecht's hoofd de heele dagen door en de nachten als ze wakker lag.
Hij is weg, mijn lieveling, fluisterde ze soms heel zacht voor zich heen in den stillen nacht.
En ze bad weer: O goeie God! waak over hem! .... ik kan nu niets meervoor hem doen! .... o God, maak hem gelukkig!....
Altijd dacht ze aan hem.... 't Liefst haalde ze zich zijn beeld voor den geest zooals hij geweest was tien jaar oud, aardig klein jongetje, leunend aan haar schoot.... Maar ook later, zooals hij was thuis gekomen, toen hij den eersten keer naar 't buitenland was geweest, den eersten keer, dat hij zoolang van haar weg geweest was, zes maanden!.... Wat had hij haar toen gekust, en wat was hij uitgelaten geweest! Dol! Hij had met haar gedanst door de kamer, hij moest met haar uit, hij sprak over alles met zijn „moedertje-lief,” zoo als hij toen altijd zei,—„ouwetje” zei hij ook wel 's—wat 'n heerlijke tijd was dat geweest....
Maar altijd kwam haar denken ten slotte weer neer op dien vreeselijken dag toen ze naar Smit was gegaan om 't af te maken. Die zware dag, die zwarte dag! Maar ja, ja, ja, ze hadhaar plicht gedaan, zij moest 't doen! zij moest, zij moest. O! als ik daar zelf ooit aan ga twijfelen, dacht ze, dan .... dan is alles uit....
Ik heb mijn plicht gedaan, zei ze dan maar aldoor in zichzelf. Hij zal 't ook wel in gaan zien. Van dat verre land uit zal hij de dingen zien zoo als ze zijn. Want als je er midden in staat zie je de dingen niet in hun ware verhoudingen, maar op een afstand zie je ze zoo als ze zijn.... Hij zal 't wel gaan begrijpen.
Maar ook al begreep hij 't nooit!.... Zij had haar plicht gedaan, zij mocht niet anders doen.
Wouter moest er nu al twee maanden zijn. En er was nog geen brief. Rubrecht's patroon informeerde bij een handelsvriend in Johannesburg en vrij gauw kwam er antwoord. Zeker,de jonge Rubrecht was daar bekend, hij was bediende aan een groote handelsinrichting, een goede betrekking.
Blij met dat bericht, trotsch op zijn zoon die daar toch maar weer zoo gauw een goede positie had gekregen, schreef de oude Rubrecht hem dadelijk zes zijdjes vol. Het verwonderde hem, dat zijn vrouw niet zoo blij scheen; hij vroeg of zij niet een briefje bij den zijnen wou doen. Zij deed 't. Ze schreef een korten brief:
„Vader heeft je 't weinige verteld wat hier gebeurt,” schreef ze, „maar waarom heb jij ons niet geschreven? O, Wouter, als je wist hoe ik verlang naar een brief van je! Waarom? waarom schreef je nog niet? Hoe voel je je nu? Hoe leef je, wat doe je? O, schrijf, dat je gelukkig bent, ik verlang er zoo naar, 't zal me zoo goed doen! Mijn lieve jongen, ik wil je geen verwijt maken .... maar och! waarom schreef je nog niet?”
Anna's uitzet gaf veel drukte enafleiding. Dag in dag uit zaten moeder en dochter te naaien .... te zoomen.... En toen kwam de drukte van het trouwen zelf.
Maar een brief van Wouter kwam er niet....
In een roes van veel doen voor Anna en Wim trachtte moeder Rubrecht dat vlijmend leed te vergeten, maar iederen morgen was 't toch 't eerste weer waar ze aan dacht: Nog geen brief van Wouter.
Eindelijk trouwden ze. 't Ging alles heel eenvoudig en burgerlijk toe. De familie van Wim bestond uit kleine winkeliers, kommiezen en klerken. Er was een dansavond waar veel werd gezongen en gezoend.... Maar op den trouwdag werd er niet rondgereden, dat had moeder Rubrecht niet gewild; Wim had 't land tegenover zijn familie.
Ze gingen wonen ergens in een nieuwe buurt, in een aartsvervelende rechte straat; bovenhuizen, benedenhuizen, alle gelijk, twee en twintighuizen onder één gevel. 't Was een heel eind van de oude gracht naar die nieuwe straat....
Er was nog altijd geen brief.
Zoo bleven dan vader Rubrecht en zijn vrouw alleen in het bovenhuis op de smalle oude gracht. En altijd nog ging de oude boekhouder 's morgens om kwart voor negen naar kantoor en kwart over vijven kwam hij thuis. Hij klaagde soms over den last dien hij had van een jongmensch, dien zijn patroon er bij genomen had tot zijn hulp, een wijsneuzig ventje dat alles beter wou weten.... Waarvoor was die kwajongen noodig, hij kon 't nog best alleen af!
's Avonds sufte hij met zijn pijp of dutte in. Om den anderen dag zei hij 's: „Waarom of die Wouter toch nooit schrijft!....” maar daar bleef 't dan bij.
De arme moeder leed.... Waarom, waarom deed hij haar dat aan? Kon hij dan niet vergeven? Begreep hij haar nog altijd niet? Hield hij niet meer van haar? Of was hij werkelijk ongelukkig, nog altijd, voor goed misschien?....
Eéns, op weg naar Anna, kwam ze Margreet tegen! Ze had haar niet gezien sinds dien morgen daar in de voorkamer. Met plotseling drooggeschroeiden mond, de beenen zwaar van schrik was ze 't meisje voorbij geloopen. En ze had gezien, dat ze veel ouder was en bleeker en magerder....
Hoe kwam dat?.... Ze was toch altijd gezond geweest, 'n sterk kind, 'n krachtig, bloeiend meisje!.... Zou ze 'r dan toch over tobben?.... Zou ze dan toch meer van hem gehouden hebben dan.... Neen!.... neen!....Maar hoe kwam 't dan, dat ze er zoo slecht uitzag?....
En toen kwam 't ergste wat de gemartelde vrouw overkomen kon, toen kwam de twijfel of ze 'r wel goed aan gedaan had, toen.... En 't was zooals ze zelf wel gevoeld had, toen was alles uit....
't Liep naar den winter, de dagen werden al korter en korter. En somber, somber werd 't op de oude smalle gracht; de regen droop van de bladerlooze boomen, zolderluiken klepperden in woeste windvlagen.
En meestal sinds Anna trouwde zat de moeder in de voorkamer aan het middelste raam, aan dat tafeltje waar toen dat mandje bloemen op gestaan had, naar buiten te kijken, naar de grauwe wolkmonsters, de staag stuwende wolkgevaarten en naar het vuile groenbruine water in de gracht.Als Rubrecht thuis kwam, in de schemering, vond hij haar daar nog zitten, onzichtbaar bijna in de schaduw van het penant tusschen de ramen. Dan placht hij zacht op haar te knorren, te zeggen, dat 't niet goed was, jezelf zoo melancholiek te maken door zoo in 't donker te blijven zitten, dan deed hij soms nog wel 's zijn best haar wat op te vroolijken, vertellend 't een of ander wat hij gehoord had op kantoor. Maar hij zag dan wel, dat ze toch niet luisterde .... en dan hield hij maar op met een zucht.
Nu en dan kwam Anna 's middags en 'n enkele maal ging de moeder ook nog wel 's naar haar en Wim. Anna was gauw gewend aan haar nieuwe leven, aan die nieuwe straat; ze had kennis gemaakt met de buren en onderhield conversatie met de vrouw van den jongen bakker op de hoek en met de dochters van een hoofdinspecteur van politie. Ze was altijd vol verhalen over al die menschen.
't Beviel haar allemaal uitstekend.
En ál minder begreep ze haar moeder, ál meer vervreemdde ze van haar. En over Wouter dacht ze haast nooit....
Wèl zei ze soms, dat ze zoo verlangde naar een kind, want dat 't zoo'n „vervulling” zou zijn. „Met de lange avonden ook, ziet u, je weet niet wat je aldoor doen moet....” Wim verlangde er ook zoo naar....
Dan glimlachte de moeder en zei niets. En Anna zag niet de oneindige treurigheid van dien glimlach.
En eens op een laten avond—Rubrecht zat te dutten over de krant—werd heel zacht de buitendeur dicht getrokken. 't Was 'n stille avond. De maan scheen.
Moeder Rubrecht liep vlug over de stille gracht. Ze kwam een jongen man tegen, lang, krachtig gebouwd. Ze stak de straat over, recht op hemaf. De onbekende bleef staan, verbaasd. „Ben jij 't Wouter,” fluisterde ze, „goed .... goed .... ga maar gauw naar huis, vader zit zoo alleen .... ik ga naar de tuin....”
„Je hebt de verkeerde voor, juffrouw,” riep de ander, „zoek je je zoon?....”
„Me zoon?” zei ze, peinzend, „me zoon? o ja! .... o ja! .... heb je 'm niet gezien?”
„Nee, hoor! .... niet gezien!.....” zei de jongeman en stapte door. „Zeker gek!” mompelde hij.
Ze liep door tot aan een smal zijsteegje. Daar ging ze in. 't Liep dood, dat steegje, 't liep dood op een andere gracht. Heel aan 't eind stond een lantaarn, daar juist neergezet dat de menschen zien zouden, dat 't doodliep op 't water en er niet invallen.
Ze ging op den steenen walkant zitten en keek in 't zwarte water. Verderop scheen de maan, maar voor haar lag 't in de schaduw van de huizen.
Toen begon ze zacht te zingen een oud, oud kinderdeuntje:
„'n Karretje over den zandweg reed,De maan scheen helder, de weg was breed,De voerman lag te rusten....”
„'n Karretje over den zandweg reed,De maan scheen helder, de weg was breed,De voerman lag te rusten....”
Verder kwam ze niet. En zoo zacht liet ze zich afglijden, dat er geen plomp was in 't water.
Nog wat kreunend geworstel alleen....
En één lange, bange kreet!....
Stilte toen....
De Uitgevers-Maatschappy „Elsevier” geeft uit en debiteert met klimmend succes