De steven is naar ’t Noorden toegekeerd, wij hebben ’t verste punt bereikt en gaan eindelijk terug.
De „Landes” strekken zich uit, onafzienbaar, in desolate eentonigheid, rechts en links van den pijlrechten weg....
’t Zijn bosschen en moerassen, en nóg eens bosschen en moerassen, zonder eind. Meestal sparreboomen, waarvan hars wordt afgetapt. Iedere slanke, bruine stam is op een meter hoogte van den grond diep ingekorven, en daaronder hangt een blikken schaaltje, als een scheerbekken, waarde hars langzaam in afdruipt. ’t Zijn als gewonde soldaten, die een grijs verband om hebben.
Alom, de doodsche, onbewoonde stilte, de absolute, eenzame verlatenheid. Uren en uren rijden wij daar doorheen, zonder een huis te zien, zonder een levend schepsel te ontmoeten.
Toch wel; opeens zien wij iets komen: een karretje met een paard. Het gaat op zij van den weg en houdt daar stil. Een oud mannetje en een oud vrouwtje kruipen met inspanning van onder ’t dekzeil, gaan even op den rand van ’t woud, schijnen daar iets uit een zak te schudden, en stijgen weer in ’t karretje, dat sjokkend verder rijdt.
Wàt mogen ze daar wel hebben uitgeschud?
We zien het dadelijk. ’t Is een poes, een ongelukkig klein poesje, dat miauwend op den weg komt huppelen en even, als een hondje, ’t karretje poogt achterna te loopen. Maar ’t karretje is nu reeds verre, en een kat is geen dier dat zoo maar meeloopt; het blijft al spoedig staan, miauwt klagelijk en dringt opnieuw naar ’t woud toe.
Nog vóór mijn dames daartoe bevel geven, houd ik den wagen stil.
Poes, poes, poes, poes, poes! roep ik hem zacht-streelend toe, alsof ’t een nederlandsche poes was. Maar dadelijk mij bedenkend, tracht ik hem in ’t Fransch tot mij te lokken:
—Minette, minette, minette!
Helaas, de arme poes begrijpt in ’t geheel mijn uitnemende bedoeling niet. Zonder haast, maarblijkbaar met het onwrikbare voornemen zich niet door mij in te laten halen, dringt hij, af en toe miauwend, voorzichtig over modderplasjes schrijdend en zich onder neerhangende bramen bukkend, steeds dieper door in ’t onherbergzaam woud. Ik moet het weldra opgeven, want hij verdwijnt in heesters, waar ik hem niet verder kan volgen.
Rampzalig, stom dier! Wat moet er daar van hem worden? Hoelang zal hij er rondzwerven, klagend, miauwend, dagen en nachten schreiend als een verlaten kind, tot hij eindelijk van honger omkomt! In plaats van in de auto met mijn dames mee te rijden! Wat zouden die hem geknuffeld en vertroeteld hebben! Hij had sandwiches, schaaltjes suikermelk, koekjes gekregen; zij hadden hem niet anders dan in goede handen ergens toevertrouwd, of zelfs hem de geheele reis verder met zich meegenomen; ja, hij was waarschijnlijk ons huisdier geworden, hij had de kookkunst onzer verschillende, snel elkander opvolgende keukenmeiden leeren waardeeren, en elk donzig-zacht dekbed of gemakkelijke leunstoel hadden hem totrust- of verblijfplaatsgediend. Dom dier, dat zich daar in die wildernis gaat zelfmoorden! Maar zoo gaat het helaas! Menschen en dieren begrijpen elkander nog niet, of niet meer.
En aldoor verder strekken zich de „Landes” uit, steeds verder en steeds verder, in hun eindelooze eentonigheid. En weer rijden wij uren en uren, niets ziende dan den lijnrechten weg tusschen de moerassige bosschen, waar de ingekorven sparren met hun grijzige harsbakjes, als ontelbare zieken of gewonden staan te treuren. Komt er nog wel ooit een afwisseling in of een eind eraan? Zullen we zoo doorrijden, in één snellen, krachtigen motoradem door, tot aanBordeaux?
Neen. De auto, de groote, vrije „chemineau” der wijde ruimten, houdt, evenmin als zijn kleinere broeder, van te lange eentonigheid. In zijn gecompliceerde ziel zijn vele snaren van afwisseling, en eensklaps, op het onverwachtste oogenblik, doet hij er weer een trillen, een ál te wel bekende, helaas! de luid-knallende snaar van een springenden band!
Een eigenaardige gewaarwording zoo’n springende non-slipping-band, onder een snelheid van vijf en zeventig of tachtig kilometer per uur! Niet zoo bizonder hard de knal—een flink pistoolschot—maar dat schurend-klagend-slepen van den platten band over den weg, dat langgerekt oewieoewieoewieoewie, als van een plotseling ter dood gemarteld dier, dat zijn laatste adem uitkreunt!
Ja ja, daar staan we weer, en midden in de woeste eenzaamheid derLandes. Gelukkig is het„Stepney” dadelijk aangeschroefd en rijden wij weer verder. Maar wat blijkt nu spoedig: een niet-vermoede, broederlijke sympathie, tusschen onze beide, vóór ’t vertrek gelijktijdig opgelegde, achterbanden! Geen twintig kilometer zijn wij doorgereden of daar knalt opnieuw het korte „pan!” gevolgd door het langgerekte-schurend „oewieoewieoewieoewie”.
De tweede band, helaas! Zijn innige gehechtheid aan zijn tweelingbroeder was zóó groot, dat hij zonder hem niet langer kon of wilde leven. Hij heeft hem, ongetroost, in ’t graf gevolgd. En wij....? Wij rouwen, helaas! wij rouwen dubbel en dwars, in onze ziel en onze beurs. Afwisseling hebben we nu meer dan genoeg, ondanks de doodsche eenzaamheid der streek. Ik kijk beurtelings op mijn horloge, dat ongeveer vier uur wijst, op de zon, die reeds een sterke neiging toont om te gaan zien wat er in de diepte der bosschen gebeurt, en op mijn landkaart, die mij duidelijk vertelt, dat wij op niet meer dan vijf en twintig kilometer afstand zijn van een plaatsje datCastel-Jalouxheet, maar op nog meer dan honderd kilometer vanBordeaux. Om ’s nachts, over onbekende wegen, en thans zonder reserve-banden naarBordeauxte rijden, heb ik geen zin. BlijftCastel-Jaloux.
Castel-Jaloux!Eensklaps gaat mij als een prachtig licht op, en ik herinner mij de verzen van den heldhaftigen poëet:
„Nous sommes les cadets de Gascognede Carbon de Castel-JalouxMenteurs et bretteurs sans vergogne....”. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Nous sommes les cadets de Gascognede Carbon de Castel-JalouxMenteurs et bretteurs sans vergogne....”. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
—Dames, roep ik juichend, wees over dit ongeluk gelukkig! Wij komen vanavond niet inBordeaux, wij blijven slapen in het heldenland door uwen lievelings-poëet bezongen, ja, wij logeeren in het landCyrano, bij de „Cadets de Gascogne de Carbon de Castel-Jaloux!”
Tot mijn niet geringe verbazing ontmoet mijn juichkreet in ’t geheel niet de verwachte geestdrift. Integendeel: een soort van jammerkreet gaat op.
—Zou daar wel een hôtel zijn? vraagt, bezorgd, een van mijn dames.
—Dat weet ik niet, maar wat komt het er op aan, wie bekommert zich om zulke alledaagsche dingen in het Walhalla der ridderen! antwoord ik met overtuiging.
—Ja, maar toch; hoeveel inwoners telt dat plaatsje wel?
—Hoeveel?.... bijna tweeduizend! Maar wat geeft dat?Cyranoalleen, met zijn neus en zijn degen; onder ’t balcon vanRoxane....
Een algemeen gejammer smoort mijn woorden. Mijn dames zijn ondankbaar, kunnen het heldhaftig-poëtische van ’t geval maar niet naar waarde schatten. Is me dat nu eenigszins gevoel hebben voor poëzie? Wat zou het wel geweest zijn haddenze toevallig in de boerderij vanChanteclermoeten overnachten? Neen, ’t is werkelijk treurig.
Zoo bleef ik dus alleen om van de verrassing te genieten. Met schemering kwamen wij in het wonderoord aan en reden rechtstreeks naar de eenige hôtellerie.
—Wat lijkt het hier alles somber en zwart! weeklaagden mijn dames.
—Wellicht, antwoordde ik, wellicht rouwt nog de gansche streek over den dood vanCyrano.
Wij kregen zwarte bedden in zwarte vertrekken en, beneden, in de zwarte eetkamer, gebruikten wij zwarte spijzen en dronken zwarten wijn uit zwarte flesschen.
—’t Is hier verschrikkelijk! jammerden, geconsterneerd, mijn dames.
—’t Is de nacht, zei ik. De nacht is zwart en spreidt zijn duisternis over alles uit.
—We zitten hier als schipbreukelingen, zuchtteéénvan mijn dames.
—Als tufbreukelingen, poogde ik te schertsen. Maar de grap, die trouwens walgelijk flauw was, ging heelemaal niet op.
Wij keken elkander roerloos, met verstarde oogen aan.
’t Was negen uur. Een stilte als die des grafs hing over het verlaten plaatsje. De menschen van ’t hôtel sloten de buitenluiken; een zwarte poes, met groene oogen, kwam langzaam, uit de zwarte keuken, naar de zwarte eetzaal toegeslopen.
—Ach, dat arme poesje uit de Landes! riep meewarig-verteederd een van mijn dames.
Dat liet ons allen even mijmerend, in sombere gedachten.
—Miauw, miauw, miauw, liep de zwarte poes zanikend rond. En eensklaps sprong zij midden op de zwarte tafel.
Met een noodgil sprongen mijn dames overeind.
—O! dat akelig, ákelig beest! schreeuwden zij, en vlogen de trappen op, naar hun zwarte kamers.
Geheel alleen, met de zwarte poes die uit de zwarte potten likte, bleef ik nog even aan de zwarte tafel zitten, eenige gast in het hôtel van de, door den dichter ons zoo levendig-lawaaiend voorgestelde,„Cadets deGascognede Carbon de Castel-Jaloux”.
Toen ging ik, handentastend als een blinde, ook naar boven....
Bordeauxgrijs en zonnig, met hooge huizen en lange rechte straten,Bordeauxmet zijn groote plaatsen, zijn imposante monumenten en zijn breede, woelige rivier ligt reeds een heel eind achter den rug, en nu jagen wij maar voorwaarts,huiswaarts, met het gevoel dat de reis om zoo te zeggen afgeloopen is. Even nog een blik op ’t pittoreskeAngoulême, hoog op zijn heuvel, met zijn prachtige oude kathedraal, een laatste vizie van het warme zuiden; en weldra zijn wij in een andere streek, onder een anderen hemel, waarvan de grijze dofheid ons maar al te welbekend is.
De boomen, die daar straks nog groen waren, of met rijke najaarstinten overglansd, beginnen naakt en kaal te worden, met dorre, uitstekende takken, als armen van geraamten. Het moet hier onlangs flink geregend hebben, de weg ligt slijkerig, de voren in de bruine akkers glimmen en zwarte en bonte benden kraaien drijven er droef-krassend overheen. ’t Is reeds de triestige najaarsverlatenheid van onze noorderstreken.
Maar toch nog even hier en daar een kleurige verrassing. De veemarkt vanCouhé-Vérac, bijvoorbeeld, was een schilderij. Die lag daar in de diepte, even buiten het oud stadje, als ’t ware midden in een bosch van hooggekruinde, grijze, slankstammige boomen. Al het vee was uniform warmbruin van kleur, al de kielen van de boeren waren blauw, sterkblauw en al de hoeden, de typische, ouderwetsche,breed-gerandehoeden waren zwart. Bruin, blauw, zwart, één woeling van drie kleuren door elkaar, daar in de diepte, onder de hooge, slanke, grijze stammen, met, als vaag-zichtbaren achtergrond, de grijze muren van ’t verweerde stadje. ’t Was als eenRosa-Bonheur-schilderij.
Een schilderij ook, een koddige aquarel-schilderij, was het hoofdtooisel derPoitou-boerinnen: een enorme witte, of wit-en-mauve muts met breede linten, op die meestal ronde, dikke, bruin-gebrande koppen. Men zag geen haar, niets dan die kolossale, lichte, bolle kappen, als wandelende pompoenen tusschen de kleurlooze kleederdracht der mannen.
Toen zagen wijPoitiers, zoo oud, zoo grijs en zoo verweerd. Een kathedraal nog prachtiger dan die vanAngoulême, een door de eeuwen gelijkmatig-afgesleten grijssteenen kantwerk van ontroerende schoonheid. In die gelijkmatige versletenheid ligt een eigenaardige behoorlijkheid. Een ruïne is meestal tragisch en geweldig, als een mooie en nog krachtige grijsaard, die enkele van zijn ledematen heeft verloren; maar een oude kathedraal als die vanPoitiersbehoudt in haar antieke ongeschondenheid iets innig zachts en liefelijks, een afstomping van al wat scherp of hoekig was, iets als de teere, berustende glimlach van een schoone oude vrouw op wier gelaat de levensstormen wel veel uitgewischt, maar bijna nergens ingevreten hebben. ’t Is één en gaaf gebleven; ’t is verweerd maar onverwoest, er blijft een zachten glans van liefde en levensweelde stralen, onder het grijze weemoedswaas der oude dagen.
Nog doffer en nog grauwer is de lucht geworden,nog droeviger krassen de sombere raven en de laatste, afgerukte bruine blaadjes van de boomen huppelen door wind en modder vóór ons heen, alsof zij ons den weg naar ’t triestig Noorden willen wijzen.
’t Begint weldra te regenen....
De kap moet op, de mantels worden dichtgeknoopt, de plaids over de knieën uitgespreid. De avond valt, in kille, grauwe eenzaamheid.
Tours, 7 kilomètres!
Iets moedeloos komt over ons. Is dat de mooieTouraine, „le jardin de la France”, waarvan wij ook de oude, historische kasteelen willen zien?
De regen slaat tegen de voorruit aan, sijpelt in lange stralen, als van stil-vloeiende tranen neer. Ik zie nauwelijks nog mijn weg, een weg van slijk en modderplassen.
Daar twinkelen lichten in de verte. ’t IsTours, en als in een haven van veiligheid en verkwikkende warmte, rijden wij weldra door de heldere straten.
Vóór ons hôtel, een mooi hôtel, worden wij door den gérant verwelkomd.
—Zijn er goed-verwarmde kamers? Kunnen wij goed, warm eten krijgen?
Alles, álles kunnen wij krijgen. Verkleumd en huiverig, met stijve beenen stappen wij uit, en vier paar handen gaan zich al spoedig, tot gloeiens toe, aan de hel-brandende hall-kachel warmen.
We zitten in ’t Noorden, in ’t grijze, gure, akelige winter-Noorden.
Den volgenden morgen worden wij door een echten orkaan wakkergeloeid. ’t Is 1 November, Allerheiligen, en het geluid der kerkklokken wordt, met den kletsenden regen en de bulderende windvlagen, als één akelige jammerklacht wild heen en weer gezweept.
Wat zullen we doen? Hier blijven of toch maar doorrijden? Van kasteelen zien kan zelfs geen sprake meer wezen.
Tóch maar doorrijden! Wij hebben allen haast nu om aan ’t eind te zijn. Mijn dames verlangen vurig naar Parijs, en ik verlang naar ’t einde.
De auto zwalpt nu als een schip door volle modderzee. Het is geen rijden meer, ’t is op- en neerbonzen en plassen, waarbij het slijk tot hoog over de kap heenzweept. Arme, forschechemineauder vrije ruimten, waar zijn de groene, idyllische zonnelanden van de Pyreneeën?
Een eindelooze, grauwe vlakte zonder boomen:la Beauce. Hier slaat de onbeteugelde regen dwars door alles heen en de orkaan tilt letterlijk den wagen op en rukt mij bijna ’t stuur uit handen.
O, die dorpjes vanla Beauce, die sombere, vervallen krotten, waarin de griezelige personages vanLa Terre: de Fouan’s, de Buteau’s, de la Grande’szeker nog hun dierenbestaan leven! Ze staan daar laag tegen den grond gedrukt, van dezelfde kleur als de doodkleurige aarde, en klaar, als ’t ware, om er onder te verdwijnen. Het groene mos groeit op de grauwe strooien daken, geen borstel verf heeft ooit de gore muren of vermolmde deuren opgefleurd, en ’t puinig kerktorentje rijst er als een supreeme desolatie midden tusschen op, iets om te huilen van verlatenheid en opgefolterd wee.
Bij beken, bij watervallen stroomt de regen neer. Mijn arme dames zijn ontoonbaar geworden, van ’t hoofd tot de voeten één natte modderkluwen, ondanks de beschuttende kap. Het is niet langer uit te houden. Nooit, nooit zullen we Parijs bereiken; en het is wonder, wonder bóven wonder, dat de kranige motor nog maar steeds met onvermoeiden adem door blijft snorren. Er wordt beraadslaagd. Ginds verre, aan den grijzen watereinder, verrijst, in de vroeg-dalende schemering, de imposante kathedraal vanChartres. Zullen we daar maar ophouden en den nacht doorbrengen. ’t Is Allerheiligen; er zal een prachtigen, indrukwekkenden dienst zijn in die schoonste en grootste kathedraal van Frankrijk; of zullen de dames maar liefst dadelijk den trein nemen naar Parijs, waarheen ik haar den volgenden dag per auto zal volgen?
—Parijs,.... Parijs,.... hoor ik zacht fluisteren. Mijn dames verkiezen Parijs!
Ik heb haar aan het station gebracht. Hun moddermantels enplaidshebben zij in den wagen gelaten en dan zijn ze mij alle drie frisch en lief komen omhelzen.
Even een traan weggepinkt, een sigaret opgestoken, mijn wagen gegareerd, en gansch alleen dan in ’t halfduister naar de kathedraal, om er den Allerheiligendienst bij te wonen.
Nog nooit heb ik een zaliger gewaarwording van rust en vrede over mij voelen komen.
Het gansche schip, groot genoeg om een leger te bergen, was met een stil-biddende menigte gevuld. Honderden waskaarsen brandden zacht-knetterend op het hoogaltaar en in de zijbeuken; het orgel speelde en mooie stemmen zongen, maar zóó verloren, zóó onwezenlijk verre in die reuzen-kathedraal, dat men niet eens wist waar ze vandaan kwamen; en door de hooge, hooge boogramen met de pracht-vitraux, waarin het azuurblauw domineert, zeeg naar de diepte een wonderzacht en teeder licht, iets als een transparant-blauw-mauve schijnsel van edelgesteenten-atmosfeer.
Wat was het daar opeens gansch anders dan ’t geen ik, sinds bijna een maand, doorleefd had, en wat was het zalig-rustig, dat het zoo gansch anders was! De innerlijke mensch kan nog eensontwaken, en mijmeren en peinzen. De mensch, die bijna een machine was geworden, voelde weer dieper stemming, wijding en ontroering.
Hoelang duurde ’t? Ik weet het niet. Ik weet alleen, dat het nog langer had mogen duren. Ik had mijn oogen gesloten en toen ik ze weer opende, was de teer-mystische atmosfeer, die door de hooge kleurenramen naar beneden zeefde, tot een grijs-grauwe schemering vervaald. Het orgel zweeg, de stemmen zwegen, de kaarsen werden uitgedoofd. In schuivende drommen verlieten de menschen de kerk, en half bewust stond ik ook eindelijk in ’t laatste daglicht buiten, nietig-klein onder de reuzentorens en gewelven, die als een forteres ten hemel oprezen.
Ik loosde een zucht en slenterde in mijn eenzaamheid naar het hôtel toe. Nu maar weer verder in de gewone werkelijkheid voortleven: eten, rooken, slapen, en morgen naar Parijs toe....
Ik haat Parijs. Ik heb een onuitsprekelijken afkeer van Parijs, en bij elk nieuw, steeds gedwongen bezoek, is die afkeer toegenomen. Nu vooral, nu ik Parijs veranderd heb gevonden, in een soort van monstrueuze amerikaansche ploertenstadherschapen, nu is mijn haat van een kwaadaardig soort geworden, en ik ken geen woorden meer om mijn walg en mijn verachting uit te drukken.
Ik vind Parijs (dat Parijs wat wij, vreemdelingen, helaas! alleen kennen) een dievenhol, een „mauvais lieu”, een moordkuil, een bordeel. En daarenboven een vuil, leelijk, triestig, vervelend bordeel. Ik verveel mij in Parijs, gruwelijk, grenzeloos, buiten alle proportie. ’t Liefst blijf ik er gansch alleen in mijn sombere hôtelkamer zitten, als een verschuwde uil in zijn hok, in stom-verslagen roerloosheid wachtend tot ik er weer uit zal geraken.
Het is geen onwil, geen voorgenomen systematische vijandelijkheid, geen zwartgallige brompotterij: ik voel mij oprecht, en diep, en formidabel ongelukkig in Parijs.
Ik heb toch weer mijn uiterst-best gedaan om het er aardig en mooi te vinden, en ’t is me niet mogelijk, ik kàn niet.
Ik heb nog eens deLouvrebezocht en wat ik mij ook inspan, ik kan het er niet anders vinden in die groote, slecht-verlichte zalen, dan een doodvermoeiende rommel van zeer zeker meestal op zichzelf kostbare en prachtige, maar om-er-gek-van-te-worden door elkaar gegooide en gehangen dingen. Ik vind het geen museum, ’t is een paleis, of een rijke rommelwinkel, zooals ge wilt, maar overstelpt en overladen om er hoofdpijn van te krijgen.
’k Heb in Parijs gewandeld! Pardon, als ik het zoo uitdruk. Ik bedoel dat ik een paar ochtenden mijn leven heb gewaagd in de onzinnige hoop van hier of daar, tusschen twee vuilnishoopen, een mooi uitzicht of monument te kunnen bewonderen. Misschien is zoo iets niet onmogelijk om vier of vijf uur ’s morgens; maar om tien, of elf, of twaalf uur is het geraden eerst je testament te maken.
’k Ben naar de theaters geweest! Hoho! de Parijsche theaters! De illuzie, de levensdroom van ieder vreemdeling of provinciaal! Die mooie stukken vanCapus, vanBernsteinen vanBataille, de gróóte succes-stukken! Ik heb ze gezien. Ik heb er zoo twee of drie gezien. Wàt ik gezien heb en van wie het was, dat weet ik niet meer. ’t Komt er ook niets op aan. ’t Was in elk geval van een der succes-fabrikanten, en ’t was altijd en overal precies hetzelfde: Overspel in drie of vier of vijf bedrijven. Ik vraag me zelfs af waarom die industriëelen al hun producten zoo niet ondertitelen: een of andere flink-sensationeele titel en dan daaronder, in plaats van drama, comedie, of tragedie: overspel in zooveel bedrijven. Ik twijfel niet of dat zou het zeer groot succes nog aanzienlijk verhoogen.
Verder ben ik langs de boulevards, in derue de la Paix, in de chic-que theehuizen en restaurants geweest. En in al dieluxe-plaatsenzag ik een zelfde soort hybridisch wezen, dat groote sensatie scheen te verwekken en waarvoor lakeien, hofmeesters en kellners eerbiedig-diep bogen.
Eerst dacht ik, dat het een ongekend soort groote, ziekelijke rat was, maar ’t bleek toch achter af, althans van verre, eenigszins tot het menschelijk ras te behooren.
Het was een nauw-sluitende, meestal donkere koker, waarin zich vlug, doch in telkens gestremde vaart, twee smalle, lange stokken schenen te bewegen. Boven dien koker een eveneens nauwsluitend buisje, waaruit twee andere dunne stokken kwamen en boven het buisje een dikke bonten slang en een enorme platte korf of mand met veeren, waaruit een heusch menschengezicht, bleek en niet grooter dan een theeschaaltje, met gele haren en donkere oogen, insolent kwam kijken.
Dat waren „les belles Parisiennes” werd mij vertrouwelijk in ’t oor gefluisterd. De heerlijke ras-ploert-Amerikanen verlieten sidderend hun Far-westelijke slachthuizen of bierbrouwerijen om die wonderen van nabij te komen aanschouwen; zij deden er de onzinnigste buitensporigheden voor, en waren eerst goed en volkomen gelukkig wanneer zij, ten prijze van stapels dollars, een van die schepseltjes veroverd hadden.
Eertijds had Parijs toch wel meer aantrekkelijkheden voor mij. Eertijds ging ik er iederen ochtend naar deMorguewandelen, om nog eens echte menschen te bekijken, en ik kwam terug langs deSeine-kaden, om het geduld der hengelaars te bewonderen. Maar nu is deMorguevoor ’t publiek gesloten en ’t aldoor hooge waterheeft de hengelaars verdreven. Iemand, die goed op de hoogte schijnt, heeft mij verzekerd dat Parijs ernstig bedreigd is met finalen ondergang door ’t water. Wat ’n ontzettende ramp! Geheel Parijs, met zijn cocottes, zijn theehuizen en restaurants; met zijn integrale ploert-Amerikanen en zijn succes-fabriekstukken vanCapus, vanBernsteinenBataille, in één nacht weggespoeld door ’t álles-overweldigend element! Dan kom ik zeker nog eens kijken, al was het maar om een of andere van die dolle koker-Parisiennes, krampachtig, met een paar Amerikanen, aan de wegstroomende wrak-décors vanLa Rafaleof vanLa Vierge Folievastgeklampt, te helpen redden.
Alleen voor de dames, voormijndames, voor àlle dames, zou ’t onherstelbaar zijn, indien Parijs zoo moest vergaan. Die houden dólll van Parijs, die vinden ’t héééérlijk in Parijs, die weten zich daar op te schroeven en op te winden, tot ze werkelijk gelooven dat ze van Parijs „genieten”.
Stumperds....!
Adieu, Paris....! Adieu, de tout mon cœur!Ik vrees wel dat gij, ondanks de gunstige voorspellingen, nog niet zoo spoedig van den aardbodemzult verdwijnen, en dan hoop ik maar, dat ik u nooit terug zal zien.
Mijn dames hebben mij voor ’t laatst omhelsd, zij zijn in de kokerwinkels achtergebleven, en nu rijd ik gansch alleen terug, naar mijn dierbare geboortestreek met hare doodshoofdwegen.
Het is minder ongezellig dan ik dacht, die eenzaamheid. Ik rook, ik fluit een deuntje, ik filosofeer halfluid in me zelf of praat met mijn eenig lief motortje.
Op dat kranig, nooit vermoeide, nooit onwillig wezen, heeft zich nu al mijn vrije, onbestemde liefde saâmgetrokken. Wat hebben wij elkaar goed leeren kennen en wat zijn we onscheidbare, trouwe vrienden geworden! Vroeger was er wel eens verschil van opinie, kon er wel soms iets haperen. ’t Gebeurde dat ik dringend „ja” zei, en dathijhalsstarrig, nijdig, venijnig „neen” bromde. Nu, nooit meer. Een wenk, enhijbegrijpt mij. En daarom heb ik hem zoo ìnnig lief. Onder de eenkleurige grijze kap die hem bedekt, leeft, onzichtbaar en ontembaar, een vurige, trillende ziel. Vanmorgen, vóór ’t vertrekken, heb ik hem gezegd: „in één adem, hoor, zonder naar iets te kijken, rijden wij naar huis” en hij heeft dadelijk „ja” gesnord, en rijdt, sinds uren reeds, onfaalbaar op het doel af.
Toch hebben wij, samen, even een emotie. Bij een zijweg lezen wij op een bordje: „Avenue du château de Balincourt”.
„Balincourt.... Balincourt....”die naam klinkt ons niet vreemd, zegt ons iets, maar wat....?
Oh!....Balincourt, ’t kasteel vanBalincourt, waar onze oude koning geregeld van al zijn vermoeiende staatsbeslommeringen kwam uitrusten!
Zouden wij er iets van zien? Wij rijden langzaam, zeer, zéér langzaam, maar te vergeefs, helaas!.... het koninklijk domein ligt, diep in zijn bosschen, voor alle onbescheiden blikken verborgen. Wel begrijpelijk. Die arme koning, hoe had hij anders rust kunnen genieten? Het hoofd vol van de Congozaken, die gansch zijn fortuin dreigden te verslinden, kwam hij hier, als een goede huisvader, in de gezelligheid van het familieleven, ontspanning en verkwikking zoeken. Jammer toch dat we niets kunnen zien, dat we niet eens iemand uit zijn vroegere, naaste omgeving zien. Wij lijden in ons nationaal gevoel, wij zijn er werkelijk bedroefd onder. Vooruit dan maar, vooruit, in ongetemde vaart, naar ons en zijn geboorteland, dat hij zoo trotsch en zoo gelukkig heeft gemaakt!
Daar is het eindelijk weer, het lief geboorteland! Al zagen wij het niet, wij zouden het wel voelen, aan zijn doodshoofdskeien. ’t Is of de banden likdoornen hadden, zoo pijnlijk springen zij op en neer. Maar ach! ’t is toch verteederend je land terug te vinden. Kijk eens, al die kleine kinderen, waar komen ze vandaan? Die hebben we in geen weken meer gezien. En die windmolens, wat wieken zevroolijk met hun lange, roode armen door de lucht! Ze wenken ons, ze roepen ons naar huis. Ja, hun vier groote zeilen zijn heusch de vier gewesten; het eerste heet Oost, het tweede West, het derde Thuis, het vierde Best, en die woorden schijnen zij voortdurend in hun radde wentelen te herhalen:
Oost WestThuis Best.Oost WestThuis Best.
Oost WestThuis Best.Oost WestThuis Best.
Wij zijn er. Het hek staat open en in de kronkelende oprijlaan ontdek ik nog iets van de sporen, die de wielen er bij ons vertrek in groefden. Is het wel waar? Is het wel mogelijk? Droom ik niet? Hebben wij werkelijk dien reuzencirkel van meer dan vijf duizend kilometer rondgereden?
Ja,.... hetiswaar!
Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBladzijde v[Niet in bron]!Bladzijde v[Niet in bron]!Bladzijde 1geometischgeometrischBladzijde 2euenBladzijde 3,.Bladzijde 7vultzultBladzijde 9allergekstaller-gekstBladzijde 13excuzeerenexcuseerenBladzijde 13hotelhôtelBladzijde 16weg-blauwendewegblauwendeBladzijde 19HOTELHÔTELBladzijde 20helderverlichtehelder-verlichteBladzijde 20zoo ’nzoo’nBladzijde 21en-enBladzijde 23allerhevigstealler-hevigsteBladzijde 25en-enBladzijde 26en-enBladzijde 26en-enBladzijde 32wit- en- goudenwit-en-goudenBladzijde 32,—Bladzijde 32donkergrijzedonker-grijzeBladzijde 34ContaktKontaktBladzijde 39[Niet in bron]”Bladzijde 40.......Bladzijde 43fosfoorgeelfosfoor-geelBladzijde 47doeddoetBladzijde 48provencaalschprovençaalschBladzijde 48provencaalscheprovençaalscheBladzijde 56Monte CarloMonte-CarloBladzijde 56Monte CarloMonte-CarloBladzijde 56Monte CarloMonte-CarloBladzijde 63Monte CarloMonte-CarloBladzijde 63chicquechic-queBladzijde 64HaarHunBladzijde 64.. .....Bladzijde 70[Niet in bron]”Bladzijde 71zachtzangerigezacht-zangerigeBladzijde 71Buffalo BillBuffalo-BillBladzijde 74[Niet in bron]”Bladzijde 79rem-en-uitschakelingsveerenrem- en uitschakelingsveerenBladzijde 86doods-of-kinderhoofdendoods- of kinderhoofdenBladzijde 87dag-en-zonnelichtdag- en zonnelichtBladzijde 89isIsBladzijde 91lichtgrijs-of-lichtgemskleurigelichtgrijs- of lichtgemskleurigeBladzijde 91[Niet in bron]”Bladzijde 91[Niet in bron]”Bladzijde 91[Niet in bron]”Bladzijde 91[Niet in bron]”Bladzijde 93eeueenBladzijde 100wijduitgespreidewijd-uitgespreideBladzijde 102zachtwegstervendzacht-wegstervendBladzijde 107sportkoningsport-koningBladzijde 116rust-of-verblijfplaatsrust- of verblijfplaatsBladzijde 120éenéénBladzijde 121[Niet in bron],Bladzijde 121CascogneGascogneBladzijde 121[Niet in bron]”Bladzijde 122breedgerandebreed-gerandeBladzijde 123AugoulêmeAngoulêmeBladzijde 130luxeplaatsenluxe-plaatsenBladzijde 134[Niet in bron]”
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: