9)Zie mijn:Het Christelijk Huisgezin.Tweede herziene druk. Kampen, J. H. Kok 1912, bl. 29 v.Stuart Mill,De slavernij der vrouw, naar de 4de Eng. uitgave bewerktdoorM. Elizabeth Noest, Amsterdam, van Looy 1898 bl. 470, zegt dan ook terecht, dat de wetten dikwerf slechter zijn, dan de menschen, die ze uitvoeren, en door gezindheid en belangen worden verzacht.
9)Zie mijn:Het Christelijk Huisgezin.Tweede herziene druk. Kampen, J. H. Kok 1912, bl. 29 v.Stuart Mill,De slavernij der vrouw, naar de 4de Eng. uitgave bewerktdoorM. Elizabeth Noest, Amsterdam, van Looy 1898 bl. 470, zegt dan ook terecht, dat de wetten dikwerf slechter zijn, dan de menschen, die ze uitvoeren, en door gezindheid en belangen worden verzacht.
10)Volgens hetHandelsbladvan 22 Aug. 1917 riep Mej.F. S. Schippers, hoofd van de Kartinischool te Semarang in een open brief in deJavabodede hulp in van MevrouwVan Limburg Stirum, echtgenoote van den gouverneur generaal, om al haar invloed aan te wenden, dat er binnen afzienbaren tijd een einde komen mocht aan het uithuwelijken van Javaansche kinderen reeds op 12 tot 14 jarigen leeftijd, waaraan ook de kinderen der Kartinischolen niet ontkomen. Dit moge nu geen regel zijn, zooals van inlandsche zijde werd opgemerkt (Handelsblad9 Oct. 1917 Ocht.), ook als uitzondering is het al erg genoeg.
10)Volgens hetHandelsbladvan 22 Aug. 1917 riep Mej.F. S. Schippers, hoofd van de Kartinischool te Semarang in een open brief in deJavabodede hulp in van MevrouwVan Limburg Stirum, echtgenoote van den gouverneur generaal, om al haar invloed aan te wenden, dat er binnen afzienbaren tijd een einde komen mocht aan het uithuwelijken van Javaansche kinderen reeds op 12 tot 14 jarigen leeftijd, waaraan ook de kinderen der Kartinischolen niet ontkomen. Dit moge nu geen regel zijn, zooals van inlandsche zijde werd opgemerkt (Handelsblad9 Oct. 1917 Ocht.), ook als uitzondering is het al erg genoeg.
11)Verg. mijnChristelijk Huisgezinbl. 27 v.Rösler,Die Frauenfrage2,Freiburg B.1907 bl. 144 v. en de daar bl. 178 opgegeven litteratuur; over de Grieksche en Romeinsche vrouw ook Mej. Dr.Gerlings,De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam Kruyt 1913 bl. 9–42.
11)Verg. mijnChristelijk Huisgezinbl. 27 v.Rösler,Die Frauenfrage2,Freiburg B.1907 bl. 144 v. en de daar bl. 178 opgegeven litteratuur; over de Grieksche en Romeinsche vrouw ook Mej. Dr.Gerlings,De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam Kruyt 1913 bl. 9–42.
12)Verg. het aanThalestoegeschreven gezegde, dat hij het noodlot dankbaar was, dat hij ten eerste als mensch en niet als dier geboren was, ten tweede als man en niet als vrouw, ten derde als Helleen en niet als barbaar,Zahn,Der Brief des Ap. Paulus an die Galater2,Leipzig1907 bl. 187. Het Jodendom heeft zich, behalve in zijne eigen nakomelingen, ook zijwaarts in het Mohammedanisme voortgezet, dat o.a. ook de polygamie en de lichtvaardige echtscheiding bestendigde, en door de minachting der vrouw aan de beschaving groot nadeel toebracht. Nog pas, in de Augustus-aflevering van hetKoloniaal Tijdschrift 1917schreef de HeerH. T. Damste, dat de vrouwen in een Mohammedaansch land aan de Heidenen zijn overgeleverd en aan allerlei willekeur blootstaan. Verg. ookRösler,Die Frauenfrage, Freiburg i. B.1907 bl. 190 v.
12)Verg. het aanThalestoegeschreven gezegde, dat hij het noodlot dankbaar was, dat hij ten eerste als mensch en niet als dier geboren was, ten tweede als man en niet als vrouw, ten derde als Helleen en niet als barbaar,Zahn,Der Brief des Ap. Paulus an die Galater2,Leipzig1907 bl. 187. Het Jodendom heeft zich, behalve in zijne eigen nakomelingen, ook zijwaarts in het Mohammedanisme voortgezet, dat o.a. ook de polygamie en de lichtvaardige echtscheiding bestendigde, en door de minachting der vrouw aan de beschaving groot nadeel toebracht. Nog pas, in de Augustus-aflevering van hetKoloniaal Tijdschrift 1917schreef de HeerH. T. Damste, dat de vrouwen in een Mohammedaansch land aan de Heidenen zijn overgeleverd en aan allerlei willekeur blootstaan. Verg. ookRösler,Die Frauenfrage, Freiburg i. B.1907 bl. 190 v.
13)Tot recht verstand van 1 Cor. 11 : 7–12 merke men op, dat 1º de man wel het beeld en de heerlijkheid Gods heet, maar de vrouw niet het beeld, doch alleen de heerlijkheid des mans. Want ook de vrouw is niet eerst middellijk door den man, doch rechtstreeks beeld Gods; dat 2º de man daarin boven de vrouw verheven is, dat hij de heerlijkheid Gods is, d. w. z. in het huwelijk en gezin de heerschappij draagt, stand en rang bepaalt, en de vrouw daaraan slechts door het huwelijk deel krijgt; en dat 3º deze verhouding toch weer niet eenzijdig is op te vatten, alsof alles van de zijde van den man komt en op de vrouw overgaat, maar in het Christelijk huwelijk, in den Heere, is noch vrouw zonder man, noch man zonder vrouw. En dit komt weer met de natuurorde overeen, want bij de schepping ontstond wel de vrouw uit den man, maar daarna wordt de man toch door de vrouw ter wereld gebracht; en dat alles is zoo door God bepaald. Hieraan zij nog toegevoegd, dat de tweede hier gemaakte opmerking ook verklaart, waarom wij God niet anders dan mannelijk kunnen denken. Wel worden Hem in de Schrift ook vrouwelijke eigenschappen toegekend, Jes. 49 : 15, 66 : 13, maar wijl God altijd de Eerste is, de Onafhankelijke, de Schepper en Regeerder van alle dingen, komt zijn beeld en gelijkenis vergelijkenderwijs beter in den man, dan in de vrouw aan het licht.Mausbach,Die Stellung der Frau im Menschheitsleben,M. Gladbach1906 bl. 116.Rösler,Die Frauenfragebl. 232 v.
13)Tot recht verstand van 1 Cor. 11 : 7–12 merke men op, dat 1º de man wel het beeld en de heerlijkheid Gods heet, maar de vrouw niet het beeld, doch alleen de heerlijkheid des mans. Want ook de vrouw is niet eerst middellijk door den man, doch rechtstreeks beeld Gods; dat 2º de man daarin boven de vrouw verheven is, dat hij de heerlijkheid Gods is, d. w. z. in het huwelijk en gezin de heerschappij draagt, stand en rang bepaalt, en de vrouw daaraan slechts door het huwelijk deel krijgt; en dat 3º deze verhouding toch weer niet eenzijdig is op te vatten, alsof alles van de zijde van den man komt en op de vrouw overgaat, maar in het Christelijk huwelijk, in den Heere, is noch vrouw zonder man, noch man zonder vrouw. En dit komt weer met de natuurorde overeen, want bij de schepping ontstond wel de vrouw uit den man, maar daarna wordt de man toch door de vrouw ter wereld gebracht; en dat alles is zoo door God bepaald. Hieraan zij nog toegevoegd, dat de tweede hier gemaakte opmerking ook verklaart, waarom wij God niet anders dan mannelijk kunnen denken. Wel worden Hem in de Schrift ook vrouwelijke eigenschappen toegekend, Jes. 49 : 15, 66 : 13, maar wijl God altijd de Eerste is, de Onafhankelijke, de Schepper en Regeerder van alle dingen, komt zijn beeld en gelijkenis vergelijkenderwijs beter in den man, dan in de vrouw aan het licht.Mausbach,Die Stellung der Frau im Menschheitsleben,M. Gladbach1906 bl. 116.Rösler,Die Frauenfragebl. 232 v.
14)Harnack,Mission und Ausbreitung des Christ. in den ersten drei Jahrh.2,Leipzig1906.E. von der Goltz,Der Dienst der Frau in der Christl. Kirche1905,Zscharnack,Der Dienst der Frau in den ersten Jahrhunderten der Christl. Kirche, Göttingen1902, die vóór de inhoudsopgave ook litteratuur noemt.Achelisin PRE3IV 616.Rösler,Die Frauenfrage1907, bl. 239 v.Lydia Stöcker,Die Frau in der alten Kirche,Tübingen1907,Gerlings,De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam, 1913.Harrenstein,Het arbeidsterrein der Kerk in de groote steden, Kampen J. H. Kok 1913 Bijlage J.
14)Harnack,Mission und Ausbreitung des Christ. in den ersten drei Jahrh.2,Leipzig1906.E. von der Goltz,Der Dienst der Frau in der Christl. Kirche1905,Zscharnack,Der Dienst der Frau in den ersten Jahrhunderten der Christl. Kirche, Göttingen1902, die vóór de inhoudsopgave ook litteratuur noemt.Achelisin PRE3IV 616.Rösler,Die Frauenfrage1907, bl. 239 v.Lydia Stöcker,Die Frau in der alten Kirche,Tübingen1907,Gerlings,De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam, 1913.Harrenstein,Het arbeidsterrein der Kerk in de groote steden, Kampen J. H. Kok 1913 Bijlage J.
3. DE VROUW IN DE CHRISTENHEID.
Zoo was er in de Christelijke kerk oorspronkelijk een krachtig streven, om voor de velerlei werkzaamheden binnen en buiten de gemeente van den dienst der vrouwen gebruik te maken. Ook namen ze in den ouden tijd, toen de bisschopskeuze nog niet aan een bepaald deel der geestelijkheid was toebetrouwd, hier en daar soms met de mannen aan die verkiezing deel15). Maar inzonderheid drie oorzaken hebben deze ontwikkeling in haar loop gestuit, de haeresie, de hierarchie en de ascese. Wat de haeresie betreft, de geschiedenis der godsdiensten bewijst, dat in enthusiaste tijden de verbreiding eener religie ontzaglijk veel aan de werkzaamheid der vrouwen te danken heeft. Men denke in den nieuweren tijd slechts aanMad.Blavatsky, Mrs.Besant, Mrs.Eddyenz.; maar zoo was het altijd en overal, in het oorspronkelijke Christendom, en daarna in het Gnosticisme, Marcionitisme, Montanisme, Priscillianisme enz. Deze secten droegen aan de vrouwen dikwerf het ambt op, om te leeren en de sacramenten te bedienen. Naarmate deze vrouwelijke propaganda van kettersche leeringen toenam en gevaarlijker werd, klemde de kerk zich vast aan het woord van Paulus:mulier taceat in ecclesia, de vrouw zwijge in de gemeente, en werd voor al wat op een ambtelijken dienst der vrouw geleek, bevreesd. De ontwikkeling der hierarchie leidde in dezelfde richting; decharismatische organisatie maakte meer en meer voor de institutaire, gereglementeerde kerk plaats. Aan den leek, niet alleen aan de vrouw, maar ook aan den man, werd het vrije woord ontnomen; het woord bleef alleen aan den bisschop, aan de geestelijkheid. De hoogste ambten in de kerk kregen een priesterlijk karakter; en vrouwen kunnen en mogen, naar het woord vanTertullianus, alleen priesteressen der kuischheid zijn. Eindelijk kwam er nog de ascese bij, die sedert de tweede eeuw meer en meer bij de Christenen ingang vond, straks door de kerk erkend en opgenomen werd en alzoo aan de dubbele moraal het aanzijn schonk. De martelaar, de kluizenaar, de monnik, de bedelmonnik, de zelfpijniger werd de ware Christen. In de Middeleeuwen gingen wereldvlucht en wereldzucht met elkander gepaard.
Deze ascetische richting is oorzaak geweest, dat kerkelijke mannen over den zinnelijken lust, over het huwelijk en over de vrouw menigmaal een eenzijdig en onbillijk oordeel hebben gevoeld. Op de tweede synode te Macon in 585 werd er zelfs door een bisschop beweerd, dat vrouwen niet in den vollen zin menschen konden genoemd worden.16)Maar dit geval staat vrijwel op zichzelf; de synode toonde uit den Bijbel aan, dat de vrouw wèl een mensch mag heeten, want Jezus heette de Zoon des menschen, dat is van Maria. En tegenover al de minachting, welke aan de vrouwen van de zijde van kerkvaders, monniken, inquisiteurs enz. te beurt is gevallen, mag men billijkheidshalve niet vergeten, dat de kerk de ascetische buitensporigheden van sommige secten steeds bestreden heeft; dat zij de ascetische levenswijze tot de raden, niet tot de geboden rekende, en huwelijk, monogamie en onontbindbaarheid vanden echt hoog gehouden heeft. Ook gingen de Kerkvaders in hunne verachting nooit zoover als de Manichaeën, die het sexueele met het zondige vereenzelvigden; velen hunner, bijv.Clemens AlexandrinusenAmbrosius, hebben van de vrouw met hooge waardeering gesproken. Vrouwenhaters zijn er bovendien, evenals vrouwenvergoders, steeds en onder alle richtingen geweest; men denke slechts aanSchopenhauerenNietzsche.
Vooral echter neme men nog in aanmerking, dat de kerk de hulpdiensten der vrouwen wel langzamerhand geheel teruggedrongen en vernietigd heeft, maar op eene andere wijze en in een anderen vorm toch behouden en hersteld heeft. De vrouw, die in den dienst der kerk rechtstreeks niet meer te gebruiken was, en toch daarvoor roeping gevoelde, zonderde zich van de wereld af, ging met anderen samenwonen, of zocht eene schuilplaats in het klooster. Want van het ontstaan van het monnikwezen af werden er ook kloosters voor vrouwen gebouwd, dikwerf met die van kloosters voor mannen onder één toezicht gesteld. MetBenedictus van Nursiawerkte zijne zusterScholasticasamen;Liobawas medearbeidster vanBonifaciusen abdis van het kloosterBischofsheimaan denTauber; de abdis van het klooster teFontévrault (dep. Maine et Loire)stond aan 't hoofd van nonnen en monniken; de ZweedscheBirgittastichtte niet alleen een klooster voor 60 nonnen, maar daarnaast ook een klooster voor 72 monniken. Zoo ontstonden er dusgenaamde dubbele kloosters, ook in de orde der Praemonstratensen, Cisterciensen, Gilbertijnen enz., en voegden vele orden, zooals vooral die der Franciscanen en Dominikanen, ook nog Tertiariërs en Tertiarinnen aan zich toe, die zonder het afleggen van bepaalde kloostergeloften, toch naar den zoogenaamden derden regel gingen leven; in den nieuweren tijd kwamen er nog tal van congregaties van mannen en van vrouwen bij. De Roomsche kerk heeft de vrouwen dus wel beslist uit de ambten geweerd, maar toch op andere wijze van haar diensten ruimschoots gebruik gemaakt. En door al deze vrouwen is op het gebied van handwerk, kunst en wetenschap, onderwijs en opvoeding, armen- en krankenzorg,barmhartigheid en zending eene werkzaamheid ontwikkeld, welke niet hoog genoeg gewaardeerd kan worden.
Maar in deze kloosters trad dikwerf verval in, zoodat telkens hervorming noodig was. En tegen het einde der Middeleeuwen nam dit verval in die mate toe en werd het zoo algemeen, dat de kloosters in alle landen te slechter naam en faam bekend stonden. Men kon zijne dochter—zeideGeiler von Kaisersberg—beter naar een publiek huis, dan naar vele kloosters zenden. De hoogere en lagere geestelijkheid stond niet beter aangeschreven, want, sedertGregorius VIIhaar tot het coelibaat verplichtte, leefde ze voor het grootste gedeelte in concubinaat, indien niet erger, in openbare hoererij. De minnedienst der ridderorden ontaardde bovendien in sentimentaliteit en bandeloosheid. De prostitutie greep steeds verder om zich heen en werd een gevaar voor de steden niet alleen, maar ook voor het platteland. Onder dit alles leed de naam en de waardeering der vrouw; ze werd in spreuk en lied, in ernst en scherts op honende wijze veracht en bespot. En de officieele wetenschap bood er weinig tegenwicht aan.
Thomas Aquinaswas evenalsAugustinusvan oordeel, dat de prostitutie, schoon onvereenigbaar met het Christendom, toch wegens hare onuitroeibaarheid geduld moest worden.17)In zijn oordeel over de vrouw bindt hij zich al te zeer aan het gezag vanAristoteles, die wel veel treffelijks over de vrouw heeft gezegd, maar haar toch minderwaardig achtte, want de man was het actieve principe, overtrof haar in rechtvaardigheid, dapperheid en deugd, en de vrouw is het passieve principe, de hulè, (de stof in Aristotelischen zin, tegenover den vorm), een man zonder zaad, een verminkte man. Deze voorstelling werd doorThomasovergenomen en meermalen herhaald; de vrouw is eenmas occasionatus, een verminkte man.18)De asceten gingenop dit thema dikwerf nog verder door, en beschuldigden de vrouw van allerlei ondeugden; zelfsThomas a Kempiswaarschuwt tegen alle vertrouwelijkheid met eenige vrouw.19)Het toppunt van deze vrouwenverachting werd in den Heksenhamer van de beide DominicanenSprengerenKrämerbereikt, die in 1489 het licht zag en in groote mate heeft bijgedragen tot de heksenvervolging. In de 13e eeuw toch leidde de verscherping der tucht tegen de vele opkomende ketterijen tot het instellen der Inquisitie, die meer en meer ook op de tooverij hare aandacht richtte en een nauw verband aannam tusschen haeresie en magie. Duizenden en duizenden vrouwen zijn van dien tijd af, tot in de achttiende eeuw toe, in Protestantsche zoowel als in Roomsche landen, van dezen heksenwaan de beklagenswaardige slachtoffers geweest.20)
Niet alleen godsdienstig en kerkelijk, maar ook zedelijk was daarom eene radicale hervorming noodzakelijk. Tegen het einde der Middeleeuwen kwamen Renaissance en Reformatie gelijkelijk tegen het ascetisch levensideaal met zijne treurige gevolgen in verzet. De Renaissance was echter eene aristocratische beweging en kwam, wat de vrouwen betreft, slechts aan de ontwikkeling van een kleine schare uit de hoogere kringen der maatschappij ten goede; tot de verheffing der vrouw, tot de veredeling van huwelijk en gezinsleven heeft ze weinig bijgedragen, omdat ze, vol bewondering voor de klassieke oudheid, dikwerf verviel tot eene naturalistische ethiek en op het volk, ook op de vrouw uit het volk, uit de hoogte neerzag; toen ze in de 17e eeuw in Frankrijk doordrong, kweekte zij een geslacht vanfemmes savantesenfemmes précieuses, die den spot vanMolièreverdienden. De Reformatie greep veel dieper in, ontwortelde het ascetisch ideaal door hare leer van derechtvaardiging uit het geloof, en stelde ervoor in de plaats den trouwen arbeid in het aardsche en tevens goddelijke beroep.
Daardoor werd ze, vooral in hare Gereformeerde vertakking, in hooge mate bevorderlijk aan het eereherstel van het huwelijk, aan de verheffing van het gezinsleven, aan het kweeken van allerlei huiselijke en burgerlijke deugden, en ook aan de ethische waardeering der vrouw. De Hervormers gaven daarin door hun huwelijk en gezinsleven zelven een voorbeeld; want al legtLuther, uit reactie, soms al te sterk den nadruk op het huwelijk als medicijn der hoererij, en al is zijn raad inzake het tweede huwelijk vanPhilip van Hessenin 1539 niet te verdedigen, men vindt bij hen geen satire of spot met de vrouw, gelijk die in de kringen der Humanisten dikwerf voorkwamen, maar eene waardige bespreking van alwat op huwelijk en gezin betrekking heeft, en eene hooge waardeering van de roeping, die aan de vrouw, in onderscheid van den man, in haar huis is toebetrouwd. De huwelijksformulieren en huwelijksboeken, die in menigte verschenen, leggen van deze ethische waardeering van vrouw en moeder, van huwelijk en gezin een welsprekend getuigenis af. En het huiselijk leven, dat in de Protestantsche landen tot ontwikkeling kwam en de vergelijking met dat in de Roomsche landen uitnemend kan doorstaan, drukt daarop het zegel der practijk. Zelfs werd in de Gereformeerde kerken in Nederland en in het Rijnland, ten deele ook in Frankrijk, eene poging beproefd, om het weduwenambt van 1 Tim. 5 : 9, 10 te herstellen, maar deze poging slaagde slechts voor korten tijd. En daar zij de vergoeding der vrouwelijke hulpdiensten miste, die in Rome door de nonnen bewezen werden, kon de Protestantsche kerk doorElisabeth Maloniet geheel ten onrechte de „rechtlich organisirte Männerkirche” genoemd worden. Eerst de nood der tijden dwong in de vorige eeuw, om, inzonderheid op initiatief vanTheodor FliednerenAmalie Sieveking, een georganiseerden vrouwenarbeid voor allerlei werken van barmhartigheid in het leven te roepen.
De Hervormers en hunne volgelingen dachten er dan ook nietaan, om de vrouw te verachten; zij leeren allen overeenkomstig de Schrift, vooral in Gen. 1 : 27, dat de vrouw evengoed als de man een mensch is, en naar Gods beeld geschapen.21)
Maar toch was men er ver van af, om de ongelijkheid van man en vrouw uit te wisschen. Zelfs leefde daarbij nog eenigermate voort de antieke en scholastieke gedachte van de minderwaardigheid der vrouw, welke met Schriftuurplaatsen als Gen. 2 : 18, 3 : 16, 1 Cor. 11 : 7 v. Ef. 5 : 23, 24, 1 Tim. 2:13, 14 gesteund werd. Al stond de vrouw religieus-ethisch met den man gelijk en al muntte zij in deugden van vroomheid, lijdzaamheid enz. boven hem uit; ze was toch in waardigheid, kracht en heerlijkheid de mindere van den man.Lutherzeide:eine Weibsperson ist von Gemüt und Leib viel schwächer, verführlicher und beweglicher als eine Mannsperson, en zoo ongeveer lieten allen zich uit. Vrouwen zijn „mindermenschen” zooalsHuyghenszegt; of naar de uitdrukking vanCats: alwat een man gelijct, een hooger wesen heeft.Wittewrongelnoemt zonder meer de vrouw de mindere, den man den meerdere, het hoofd, den heer, den meester, den leidsman van de vrouw; hij behandelt eerst de plichten van de vrouw, daarna die van den man, want officium ascendit, amor descendit: de plicht klimt opwaarts, de liefde daalt nederwaarts. Als de vrouw begint met haar plichten te vervullen, beweegt zij haar man, om zich behoorlijk jegens haar aan te stellen. Onder die plichten neemt de onderdanigheid, de onderwerping, de gehoorzaamheid de eerste plaats in22). In het huwelijksformulier van de Geref. kerken in Nederland wordt aan de vrouw het voorbeeld der heilige vrouwen voor oogen gehouden, welke op God hoopten en haren eigenen mannen onderdanig waren, gelijkerwijs Sara haren man Abraham gehoorzaam geweest is, hem noemende heere. Wel wordt deze gehoorzaamheid der vrouw in datzelfde formulier beperkttot de dingen, die recht en billijk zijn, en opgewogen door den plicht van den man, om zijne vrouw lief te hebben en bij haar te wonen met verstand enz. Maar in de ethiek wordt toch altijd zeer sterk nadruk gelegd op de behulpzaamheid, volgzaamheid, zachtmoedigheid, eerbiedigheid enz., welke de vrouw jegens haren man in acht heeft te nemen.
Deze geringere waardeering der vrouw hangt ongetwijfeld voor een deel met het intellectualisme samen, met de leer, dat verstand en rede de grootste voorrechten zijn van den mensch. Wijl deze echter in hoogere mate aan den man dan aan de vrouw geschonken waren, vloeide daaruit de minderwaardigheid der vrouw vanzelve voort. En daarmede verbond zich terstond eene tweede eigenaardigheid, welke men aan de vrouw toeschreef; wijl zij in intellectueele gaven bij den man achterstond, was ze ook lichter verleidbaar, meer toegankelijk voor verzoekingen des duivels, vatbaarder voor bijgeloof, ketterij, tooverij, hekserij enz. Zeide Paulus ook niet in 1 Tim. 2 : 14, dat Eva tot overtreding van Gods gebod kwam, doordat zij zich door de slang liet verleiden en bedriegen, maar dat Adam viel, naardien hij door zijne vrouw overreed werd? De suprematie, die aan het intellect werd toegekend, en de geringere waarde, welke aan het gemoed werd gehecht, droeg er toe bij, om de vrouw bij den man achter te stellen en die deugden, waarin zij hem evenaart of overtreft, in de schaduw te dringen.
Daarbij kwam ook nog het gebrek aan historischen zin. Als uit Gen. 18 : 12, (Richt. 19 : 26, 27) en 1 Petr. 3 : 6 de plicht van de onderdanigheid der vrouw wordt afgeleid, ziet men geheel over het hoofd, dat de verhouding, waarin de vrouw in de dagen des Ouden en Nieuwen Testaments naar gewoonte en wet tot haar man stond, eene geheel andere was, dan die, welke langzamerhand onder de Christenvolken tot stand kwam.23)Op dezelfde wijze trektWittewrongeluit teksten als Gen. 30 : 1, 31 : 4, (Esth. 1 : 7) het besluit, dat eene vrouw op de vermaningen en bestraffingen van haren man behoorlijk acht moet geven en komen moet, zoodra zij door hem ontboden wordt; ja zelfs, dat godzalige vrouwen, „bijaldien oock de man zijne huisvrouwe, sonder en buyten eenige schuldt ('t welck de beste kan gebeuren) soude bestraffen, soo discreet zullen zijn, dat sij liever met een stille sachtmoedigheydt dat sullen verdragen ende over haer laten gaen, alsdat zij daerom haren man met eenige scherpe en onbetamelicke redenen souden bejegenen; wel wetende dat het is de eygenschap van een goetaerdige dispositie, somtijdts een schuldt te erkennen, even daer geen en is”.24)
Natuurlijk valt ook in dergelijke vermaningen wel eenige waarheid op te merken, maar de toon, waarin ze gesteld zijn, verraadt toch duidelijk, dat de vrouw als de mindere van den man wordt beschouwd.25)En zulke gedachten voeren nog in tal van kringen den boventoon. Enkele jaren geleden maakte een Duitsche baron een reis naar het Oosten en deelde na zijn terugkeer, in denLokal-Anzeiger, eenige van zijne ervaringen mede. Daarin toonde hij zich bijzonder ingenomen met de zachtaardigheid, gedienstigheid en trouw der Japansche vrouwen. Want naar zijn oordeel was verstand en geleerdheid het domein van den man, en moest de vrouw niets zijn dan eene liefelijke, vriendelijke, trouwe en bescheidene echtgenoote, die haar levensdoel erkent in het den man het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Dit ideale type der trouw trof hij het meest volmaakt bij de Japansche aan, die de slavin van haar man is, maar eene allerliefste slavin, en van geen emancipatie en vrouwenrechten weet.26)
Maar de vrouwen zijn met dit ideaal niet meer tevreden, en de mannen haasten zich tegenwoordig, met te verklaren, dat de vrouw niet is de mindere, maar dat zij is eene andere dan de man.
15)Mausbach,Die Stellung der Frau im Menschheitsleben. M. Gladbach.1906 bl. 58.
15)Mausbach,Die Stellung der Frau im Menschheitsleben. M. Gladbach.1906 bl. 58.
16)Verg.De Katholiek, Dec. 1903 bl. 463, en Aug. Sept. 1917 bl. 84. De vraag, of de vrouw een mensch verdiende te heeten, werd ook later nog wel in scherts gesteld. In 1595 verscheen daarover te Wittenberg eene disputatie, welke bestreden werd door Dr.Andreas Schoppein zijneCorona dignitatis muliebris1596 en later ook door Dr.S. Gedickete Maagdenburg in eeneDefensie sexus muliebris, Hagae Comitum1638. Verg.de Moor,Comment. in Marckii Comp. II982. En in 1779 verscheen hier te lande nog een pamflet getiteld:Bewijs dat vrouwen geen menschen zijn.
16)Verg.De Katholiek, Dec. 1903 bl. 463, en Aug. Sept. 1917 bl. 84. De vraag, of de vrouw een mensch verdiende te heeten, werd ook later nog wel in scherts gesteld. In 1595 verscheen daarover te Wittenberg eene disputatie, welke bestreden werd door Dr.Andreas Schoppein zijneCorona dignitatis muliebris1596 en later ook door Dr.S. Gedickete Maagdenburg in eeneDefensie sexus muliebris, Hagae Comitum1638. Verg.de Moor,Comment. in Marckii Comp. II982. En in 1779 verscheen hier te lande nog een pamflet getiteld:Bewijs dat vrouwen geen menschen zijn.
17)In het tractaat vanThomasover de regeering der vorsten komt de uitdrukking voor:Hoc facit meretrix in mundo quod sentina in mari vel cloaca in palatio; maar ze staat in een gedeelte, dat niet meer doorThomaszelf geschreven werd.
17)In het tractaat vanThomasover de regeering der vorsten komt de uitdrukking voor:Hoc facit meretrix in mundo quod sentina in mari vel cloaca in palatio; maar ze staat in een gedeelte, dat niet meer doorThomaszelf geschreven werd.
18)Thomas,Summa Theol. I92 art. 1.
18)Thomas,Summa Theol. I92 art. 1.
19)Thomas a Kempis,Over de navolging van ChristusI 8.
19)Thomas a Kempis,Over de navolging van ChristusI 8.
20)Art. inPRE3VIII30–36. Verg. verderBücher,Die Frauenfrage im Mittelalter, Tübingen1882.Grupp,Kulturgeschichte des Mittelalters IStuttgart1894.H. Finke,Die Frau im Mittelalter, Kempten1913.Mausbach,Altchristl. und moderne Gedanken über Frauenberuf. M. Gladbach1905.Rösler,Die Frauenfrage2Freiburg Herder1907.
20)Art. inPRE3VIII30–36. Verg. verderBücher,Die Frauenfrage im Mittelalter, Tübingen1882.Grupp,Kulturgeschichte des Mittelalters IStuttgart1894.H. Finke,Die Frau im Mittelalter, Kempten1913.Mausbach,Altchristl. und moderne Gedanken über Frauenberuf. M. Gladbach1905.Rösler,Die Frauenfrage2Freiburg Herder1907.
21)Verg. bijv.deMoor,Comm. in Marckii Comp. II982 v.III46.
21)Verg. bijv.deMoor,Comm. in Marckii Comp. II982 v.III46.
22)Wittewrongel,Christelijke Huyshoudinghe I108. v.Lobstein,Die Ethik Calvins, Strassburg1877 bl. 99. De voorstelling vanBusken Huet,Het Land van Rembrand II3 bl. 11 v. is echter zeer eenzijdig.
22)Wittewrongel,Christelijke Huyshoudinghe I108. v.Lobstein,Die Ethik Calvins, Strassburg1877 bl. 99. De voorstelling vanBusken Huet,Het Land van Rembrand II3 bl. 11 v. is echter zeer eenzijdig.
23)De Hollandsche Spectatormerkte daarom reeds op, dat „zulks was in een tijd, dat de vrouw volstrekt aan haar gemaal als haar koning en wetgever onderworpen was”, aangehaald door Mej. Dr.S.I.von Wolzogen Kühr,De Nederl. vrouw in de eerste helft der 18e eeuw. Leiden, Brill 1912 bl. 102.
23)De Hollandsche Spectatormerkte daarom reeds op, dat „zulks was in een tijd, dat de vrouw volstrekt aan haar gemaal als haar koning en wetgever onderworpen was”, aangehaald door Mej. Dr.S.I.von Wolzogen Kühr,De Nederl. vrouw in de eerste helft der 18e eeuw. Leiden, Brill 1912 bl. 102.
24)T. a. p.bl. 116, 117.
24)T. a. p.bl. 116, 117.
25)Zoo ookBilderdijk, verg. mijnBilderdijk als Denker en Dichter, Kampen J. H. Kok 1906 bl. 174 v.
25)Zoo ookBilderdijk, verg. mijnBilderdijk als Denker en Dichter, Kampen J. H. Kok 1906 bl. 174 v.
26)Handelsblad23 Nov. 1904.
26)Handelsblad23 Nov. 1904.
4. DE VROUWENBEWEGING.
Deze verandering in de waardschatting der vrouw is te danken aan den omkeer, die in de achttiende eeuw in het denken en leven der volken werd teweeggebracht eenerzijds door het Piëtisme en anderzijds door het Rationalisme. Rome vond een uitweg voor het individualisme in het kloosterwezen, en wist het tevens in deze instelling aan zichzelf ondergeschikt en dienstbaar te maken. Het Protestantisme sloot dezen uitweg af, en zag toen in eigen kring het conventikel- en het sectewezen opkomen.
Daar zijn nu eenmaal menschen, die in het gewone gareel niet meeloopen kunnen, en hun eigen weg verkiezen te gaan. Op godsdienstig gebied kunnen zij zich niet vinden in het compromis, dat de officieele kerken naar hunne meening steeds genoodzaakt zijn, in de practijk met de wereld te sluiten; zij zonderen zich af, stichten kleinere of grootere gemeenschappen en trachten overeenkomstig de eischen der Bergrede te leven. Bij al deze secten laat het subject, het individu zijne rechten gelden, zoodat òf strenge maatregelen van orde en tucht noodig zijn, òf de gemeenschap licht door onderlinge verdeeldheid en twist tenietgaat. En het individualisme komt ook daarin uit, dat de kloosters van monniken gewoonlijk ook kloosters van nonnen naast zich zien opkomen, of dat binnen de kringen der secten (Wederdoopers, Independenten, Kwakers,Piëtisten, Methodisten enz.) aan de vrouw veel meer rechten worden toegekend dan in de officieele kerken.
Het Rationalisme, dat aan het Piëtisme verwant is, werkte in dezelfde richting. Het werd reeds voorbereid door Renaissance en Humanisme, nieuwere wijsbegeerte en natuurwetenschap; en uit deze bewegingen gingen reeds stemmen op, om de rechten der vrouw te bepleiten.Agrippa van Nettesheimgaf reeds in 1505 een tractaat uitde nobilitate et praecellentia feminei sexus;Anna Maria Schuurmanschreef eene verhandelingde capacitate ingenü muliebris ad scientias, die door Prof.Rivetusin 1638 te Leiden werd gepubliceerd; en Dr.Johan van Beverwyck, geneesheer en schepen te Dordrecht, gaf in 1643 een boek in het licht over de uitnementheyt des vrouwelichen geslachts, dat doorDaniel Joncktijsin zijn: Der mannen opperwaerdigheydt, bestreden werd. Maar deze geschriften stonden meer of min op zichzelve, en oefenden weinig invloed uit. Heel anders was dit gesteld met deAufklärung, die den individueelen mensch als redelijk wezen trachtte vrij te maken van alle uitwendige autoriteit en traditie, en met dit streven een omkeer in Europa teweegbracht, welke in beteekenis Renaissance en Reformatie nog overtrof. De mensch, de individueele, redelijke mensch ging zich zelf gevoelen; trotsch op de verlichting, die thans was bereikt, zag hij uit de hoogte op het donkere verleden neer; in zijne rede en wil had hij genoegzame macht, om de waarheid te kennen en het goede te doen; hij was en had aan zichzelf genoeg.
Zoodra nu het individualisme de organische beschouwing van gezin, maatschappij en staat vervangt, komen vanzelf ook de rechten der vrouw aan het woord. In de tweede helft der 18e eeuw verscheen er eene rijke litteratuur over de opvoeding en de religieuse verlichting der vrouw, over de hervorming van het huwelijk en de huwelijkswetgeving. Aan de hoven en in de salons vonden de denkbeelden derAufklärungbij de dames gereeden ingang.Rousseaukwam er wel tegen op, en ging ook in dit opzicht tot de natuur terug. In het vijfde boek van zijnEmilewijst hij op het onderscheid tusschen man en vrouw en leidt daaruit af, dat de vrouw speciaal geschapen ispour plaire à l'homme en pourêtresubjuguée.Hare opvoeding moet daarmede overeenstemmen; ze moet geheel zijnrelative aux hommes; de vrouw mag en moet wel veel leeren, doch alleen die dingen, welke zij behoort te weten; beter een eenvoudig opgevoed meisje, dan eene geleerde, die een geesel is voor haar man en kinderen en hare vrouwelijke plichten verwaarloost.
MaarRousseauwas zelf te veel een man derAufklärung, dan dat hij den stroom kon keeren. In Duitschland publiceerdeTh. G. von Hippeleen werk over het huwelijk in 1774, over de burgerlijke verbetering in 1792 en over de opvoeding der vrouw in 1801. In Engeland gafMary Wollstonecraft, die in 1790 tegenEdm. Burkede menschenrechten der Fransche Revolutie verdedigde, twee jaar laterA vindication of the rights of womenin het licht, waarin zij de noodzakelijkheid der opvoeding voor de vrouw bepleitte en op eene gelijke moraal voor man en vrouw aandrong. In Frankrijk trok men uit de menschenrechten de consequentie, dat de vrouwen ook in politieke rechten met de mannen gelijk moesten gesteld worden. De encyclopaedist,Markiesde Condorcet, nam het reeds in 1789 in een artikel voor de burgerrechten der vrouwen op, en werd als lid der wetgevende vergadering en van de Nationale Conventie de pleitbezorger van hare belangen.27)
Maar ook de vrouwen zelve werden door de Revolutie aangegrepen; zij dienden niet alleen adressen en petities in, maar traden, onder leiding vanTheroigne de Mericourt,Rosa LacombeenOlympe de Gouges, ook handelend op. Nadat de mannen op 14 Juli 1789 deBastillehadden veroverd, bestormden zij 5 October van dat jaar het stadhuis en trokken, 8000 in getal, naar Versailles, om den koning te dwingen tot erkenning der rechten van den mensch. Sedert namen zij aan de omwenteling een werkzaam, niet zelden gewelddadig, aandeel; zij mengden zich in de debatten der mannenclubs, richtten eigen vereenigingen op en dienden bij de NationaleConventie verzoekschriften in voor politieke gelijkstelling van de vrouw met den man. Maar het dikwerf revolutionair optreden der vrouwen wekte in en buiten het parlement sterken tegenstand; vele leden van het parlement bestreden de politieke rechten der vrouw, wijl de physische en psychische kracht haar daartoe ontbrak en haar roeping in het huisgezin ligt; en zoo nam de Conventie 30 Oct. 1793 het besluit, om alle vrouwenvereenigingen te verbieden. Sedert verliep de beweging; Napoleon voelde voor de emancipatie der vrouw weinig sympathie, achtte hare bestemming vooral in het voortbrengen en opvoeden van kinderen gelegen, en plaatste haar in denCode civilvan 21 Maart 1804 onder de heerschappij van den man.
Toch bleef de gedachte van de rechten der vrouw voortleven. In Frankrijk bij St.Simon,Enfantin, de romancièreGeorge Sand,Considérante. a.; in Duitschland voor een deel in de kringen van het neo-classicisme en de romantiek, maar vooral bij de mannen van het jonge Duitschland,Heinrich Heine,Gutzkowenz. En zij kreeg in de eerste helft der negentiende eeuw aangrijpenden ernst en practischen steun in de ontwikkeling van het bedrijfsleven. Al heeft de vrouw schier overal ook wel arbeid buitenshuis verricht, toch kan men in het algemeen zeggen, dat de vrouw vroeger in eigen huis haar werkzaamheid vond. Maar toen in de achttiende eeuw de machine werd uitgevonden en het handwerk verdrong (de spinmachine dagteekent van 1764, de weefmachine van 1787),straks de stoommachine uit den jare 1774 den fabrieksarbeid deed opkomen, toen had er allengs eene groote verandering in de huishouding plaats. Tal van werkzaamheden, zooals spinnen, weven, vervaardiging van kleedingstukken, wasschen, strijken, bakken, slachten enz., werden meer en meer aan het huisgezin onttrokken; het opleggen van voorraden voor den winter werd onnoodig, wijl alles steeds in de winkels verkrijgbaar was; het huis hield meer en meer op, eene productie-gemeenschap te zijn. Vooral na de invoering der naaimachine in 1844 werd deze verandering steeds dieper gevoeld, enzij werd daarin vooral openbaar, dat vrouwen en dochters uit de arbeiderskringen in menigte stroomden naar de fabrieken, om met de bijverdienste van een karig en zuur verdiend loon de veel te geringe inkomsten van het gezin te vermeerderen.28)In die fabrieken kon men bij de machines elke arbeidskracht gebruiken, zelfs die van jonge kinderen, want de vraag naar waren nam toe, naarmate door stoomboot en spoortrein het wereldverkeer zich uitbreidde en het getal markten en afzetgebieden vermeerderde. Welke droeve toestanden er zich toen onder de arbeiders in huis en werkplaats voordeden, kwam o. a. bij de Chartistenbeweging in Engeland aan het licht. Daar kwam ook de vrouwenvraag aan de orde, toen de census van 1851 openbaar maakte, dat van de 7043701 vrouwen er 3107791 werkzaam waren in een of ander bedrijf en daar menigmaal op schandelijke wijze werden geëxploiteerd (Song of the shirt).29)
Een geest des ontfermens ontwaakte toen in de Engelsche maatschappij, en tal van vrouwen gingen zich wijden aan werken der barmhartigheid.Hannah Morevestigde de aandacht op de opvoeding der vrouw en drong op het oprichten van scholen voor de armere bevolking aan.Mary Carpenterreisde driemalen naar Indië, om de opvoeding van het vrouwelijk geslacht te verbeteren en werd stichtster van deNational India Association, die de nationale tegenstellingen tusschen Engeland en Indië trachtte te verzachten.Elizabeth Frynam den arbeid onder de gevangenen ter hand,Louise Twiningsin de werkhuizen,Florence Nightingaleonder gewonden en kranken,Mrs.Chrisholmonder emigranten en kolonisten enz.30)
Een ander gevolg van de ontwikkeling der grootindustrie bestond daarin, dat dochters uit den burgerstand de huishouding gingen minachten en naar een anderen, meer bevredigenden arbeid begonnenuit te zien. En te meer werden zij in deze richting gedreven, wijl het met haar eergevoel streed, om lijdelijk op de gelegenheid tot een huwelijk te wachten of voortdurend ten laste van hare ouders te blijven leven. Zoo besloten zij in steeds grooter getale, om voor de uitoefening van een of ander beroep in de maatschappij zich voor te bereiden en alzoo haar eigen brood te verdienen. Sedert het midden der vorige eeuw kwam er daarom naast eene z. g. n. proletarische, ook eene burgerlijke vrouwenbeweging op.
De proletarische vrouwenbeweging vertoonde van den beginne af een eigen karakter. Het was n. l. niet de behoefte aan of de lust tot arbeid, maar de nood des levens, die vrouwen en meisjes in grooten getale naar de fabrieken dreef, om het karig loon van den man met eenige bijverdienste tot onderhoud van het gezin te vermeerderen. Maar deze ellendige toestanden in de gezinnen en in de fabrieken vormden een vruchtbaren bodem voor de verlossende gedachten der sociaaldemocratie, die in dienzelfden tijd in Duitschland opkwam.MarxenEngelswaren de stichters van het z. g. n. wetenschappelijk socialisme, dat een verband legde tusschen maatschappij en wetenschap, en uit de geschiedenis van verleden en heden trachtte aan te toonen, dat de ontwikkeling van het kapitalisme noodwendig leiden moest tot voortdurende vermeerdering van de ellende des volks en tot ineenstorting der tegenwoordige maatschappij. De geschiedenis werd daarbij bezien in het licht van het historisch materialisme, dat vanFeuerbach,Darwine. a. de materialistisch-evolutionistische wereldbeschouwing overnam, en over den oorsprong en de ontwikkeling der familie zich aansloot bij de destijds opgang makende theorieën vanBachofen,Morgan,McLennane.a.
Deze theorieën kwamen in het kort hierop neer: de aanvang der menschelijke samenleving was de horde, waarin promiscuiteit (regelloos geslachtsverkeer) heerschte evenals bij de dieren des velds. Maar langzamerhand ontwikkelde zich daaruit een andere vorm van gemeenschap, n. l. de gunaikokratie, de periode der vrouwenregeering, waarvoor de grond voornamelijk gelegen was in het feit, datde band tusschen moeder en kind vóór en na de geboorte veel inniger en sterker was dan die tusschen vader en kind. Omdat er n.l. regelloos geslachtsverkeer en geen band des huwelijks bestond, was de vader van het kind onbekend; maar de moeder bleef aan het kind gebonden, en had het ook na de geboorte nog jaren lang te verzorgen; de afstamming kon dus niet naar den vader, maar moest naar de moeder gerekend worden (moederrecht); zij was het hoofd en middelpunt des gezins, oefende in dezen kring een onbeperkt gezag uit en was volkomen zelfstandig; het was de gouden eeuw voor de vrouw.
Maar aan dezen idyllischen toestand kwam een einde door de cultuur, welke ook hier weer de natuur bedierf; toen n.l. de mannen hun nomadisch leven lieten varen, en zich gingen toeleggen op landbouw en nijverheid, toen ze bezitters werden van landerijen, kudden en slaven, van wapenen en voorraden, toen verdrongen ze allengs ook de vrouwen uit haar voormalige eervolle positie en namen zelven de eerste plaats in het gezin en de familie in. Het moederrecht maakte toen voor het vaderrecht plaats, het oorspronkelijk communisme voor het privaat bezit, de heerschappij van de vrouw voor die van den man, de polygamie voor de monogamie.
Van deze verkregen macht heeft de man vervolgens in den loop der eeuwen een steeds schandelijker misbruik gemaakt; de vrouw is het eerste menschelijk wezen, dat in knechtschap kwam; zij werd uit het openbare leven teruggedrongen in haar huis, mocht niet met mannen omgaan en buitenshuis niet anders dan gesluierd verschijnen; door eene ongemakkelijke kleeding werd zij bovendien voor elke vrije beweging, en voor allerlei nuttigen arbeid ongeschikt gemaakt. De mannen behielden zich allerlei vrijheden voor, van veelwijverij, hoererij enz., maar de vrouw werd allengs door gewoonte en ook door de wet van al hare rechten beroofd; de vrouw werd in vollen zin rechtloos, het eigendom van den man, die met haar handelen kon naar welgevallen. De man werd de heer, de eigenaar, het hoofd, de bourgeois, en de vrouw werd de slavin, vertegenwoordigster van het proletariaat.
Daarin komt thans echter opnieuw eene verandering; de vrouw wordt allengs, evenals de arbeider, zichzelve bewust; zij gaat beseffen, dat zij de gelijke is van den man en dezelfde rechten heeft als hij, en daarom bindt ze met kracht en moed den strijd voor hare vrijmaking aan, liefst met, desnoods tegen den man. In den eersten tijd voelde de sociaaldemocratie niet zoo bijzonder veel sympathie voor de proletarische vrouwenbeweging; want naarmate de vrouwen het huis verlieten en daarbuiten allerlei arbeid gingen verrichten, scheen het gevaar te dreigen, dat zij de loonen verlaagden en de mannen verdrongen. Toen de geschiedenis echter bewees, dat dat gevaar niet zoo groot was als eerst werd gevreesd, nam de sociaaldemocratie eene vriendelijker houding tegenover de vrouwenbeweging aan, en trachtte zij ze aan haar eigen belangen dienstbaar te maken. Beide vereenigden zich in het streven naar hetzelfde ideaal: omverwerping van de tegenwoordige, en stichting van eene nieuwe maatschappij.
Tot de wantoestanden in de hedendaagsche maatschappij, die bestreden en afgeschaft dienen te worden, behooren ook het huwelijk—de eenige werkelijke lijfeigenschap, die de wet nog kent,—de monogamie, de opvoeding der kinderen in het huisgezin enz. En in de nieuwe maatschappij, die op komst is, zullen mannen en vrouwen in rechten volkomen gelijk zijn; zonder onderscheid des geslachts, zal er voor allen worden ingevoerd een gelijke arbeidsplicht en na den arbeid eene gelijke, vrije ontspanning. De vrouw zal in dien toekomststaat volkomen vrij en onafhankelijk zijn; het huwelijk, dat met het privaat bezit ten nauwste samenhangt, zal een privaat contract zijn, de echtscheiding elk oogenblik vrij staan, het huisgezin beperkt en de opvoeding der kinderen spoedig na de geboorte aan de maatschappij worden toebetrouwd.31)
Vele van deze in den eersten tijd uitgesproken gedachten zijn, evenals die over het historisch materialisme, de inrichting van den toekomststaat, de verdwijning der religie enz., in de kringen der sociaaldemocratie, allengs verzacht en teruggedrongen; en met name nam men tegenover de beweging voor het vrouwenkiesrecht eene steeds vriendelijker houding aan. Eerst stelde de partij nog slechts, van 1863 af, den eisch van gelijk, direct, geheim kiesrecht voor alle mannen boven 20 jaar; maar teGotha1875 en teErfurt1891 ging zij reeds verder, en eischte stemrecht voor alle mannen en vrouwen boven 20 jaar en gelijkstelling in rechten voor beiden op alle terreinen. In 1895 trad de sociaal-democratische partij in den Rijksdag voor deze eischen op; de strijd voor de rechten der vrouw werd een onderdeel van den strijd tegen de kapitalistische maatschappij, enClara Zettinwerd in 1896 opgenomen als lid in het bestuur der partij.
Van deze proletarische of socialistische vrouwenbeweging is de burgerlijke in verschillende punten onderscheiden. Deze kwam tegelijk op met de liberale partij, dus omstreeks het jaar 1848, en stond aanvankelijk scherp tegenover de vrouwenbeweging, die uit de kringen der arbeiders opkwam en almeer door de sociaaldemocratie zich leiden liet. In Duitschland stond hare opkomst rechtstreeks in verband met de gebeurtenissen in het genoemde revolutiejaar; want wel werden de vrouwen, die zich aan het hoofd dezer beweging stelden, ook tot optreden bewogen door de treurige toestanden, waarin de arbeidsters in de fabrieken verkeerden; ze werden echter evenzeer en in nog sterker mate gedreven door de zucht naar vrijheid en zelfstandigheid; de emancipatie-idee huwde zich in dezen kring met den wensch der democratie. Zooals deze op staatkundig gebied naar meer vrijheid streefde, zoo ontwaakte er ook onder de burgervrouwen van dien tijd een sterk verlangen naar intellectueele, moreele, sociale, economische en politieke verheffing der vrouw. Op de vraag, of vrouwen ook recht hadden op deelneming in de behartiging van de belangen van den Staat, gafLouise Otto(1819–1895)die van deze beweging de ziel was, reeds in 1844 ten antwoord: zij hebben er niet alleen het recht, maar ook den plicht toe. Doordrongen van het door haar zelf aldus genoemde groote recht der individualiteit, om alles te worden, wat ze worden kan, was zij het, die in den eersten tijd aan de vrouwenbeweging in Duitschland den weg aanwees en het doel voorschreef. Dat doel was óók wel practisch; voor de vrouw moest de arena van denkarbeid geopend worden, opdat zij in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Maar op den voorgrond stond toch het ideëele doel, om de vrouw door verstandelijke, zedelijke, nationale opvoeding op te heffen, haar gezichtskring te verruimen, deel te doen nemen aan de hedendaagsche cultuur; en door haar mede-arbeid de zedelijke waarden der menschheid te verhoogen. Vrijheid van ontwikkeling en vrijheid van arbeid zijn voor de vrouw noodig voor haar eigen volmaking, en tevens eischen der gerechtigheid.32)
De beweging ondervond van den aanvang af sterke bestrijding, en ging onder den druk der reactie, die na de revolutie intrad, ook merkbaar achteruit. Maar ze wortelde te diep in de werkelijkheid, dan dat ze te niet kon gaan. Integendeel, het vrouwenvraagstuk begon, vooral van zijne economische zijde, meer en meer de aandacht te trekken; vele werken zagen het licht over den beroepsarbeid der vrouw; op het voorbeeld van Engeland werden verschillende beroepen, bijv. bij post, telegrafie enz. ook voor vrouwen opengesteld; de inrichtingen tot opleiding van vrouwen voor onderwijs, handel, bedrijf enz. namen toe; in 1866 werd opgericht de z.g.n.Letteverein, d. i. de naarW. A. Lette(1799–1868) genoemde vereeniging, die, met terzijdestelling van alle politiekeemancipatie-ideeën, eenvoudig vermeerdering der arbeidsgelegenhedenen van de daarvoor noodige opleiding voor de vrouwen zich ten doel stelde. De vrouwenbeweging herleefde dan ook in den aanvang der zestiger jaren en kreeg eene organisatie in deAllgemeine Deutsche Frauenverein, die voor de eerste maal 16–18 Oct. 1865 teLeipzigonder leiding vanLouise Ottosamenkwam („Leipziger Frauenschlacht”).
Ofschoon eerst meer practisch werkende, door het oprichten van industriecursussen, vrouwenavonden, arbeidsbazars enz., nam de vereeniging allengs ook andere vraagstukken ter hand, vooral inzake de opvoeding der vrouw, hare opleiding voor allerlei bedrijven in nijverheid en handel, en ook hare studie aan de universiteit in verschillende wetenschappen. Onder invloed van wat in Amerika te dezen opzichte plaats had, begon men ook aan te dringen op deelname der vrouw aan werkzaamheden, die van de burgerlijke gemeente uitgingen, zooals armenzorg, weezenverpleging, fabrieksinspectie, en in 1877 ging er zelfs eene petitie naar den Rijksdag, om verbetering aan te brengen in de burgerrechtelijke positie der vrouw. Al deze vragen gaven tot verschil van meening aanleiding, en vooralontstonder een principiëele discussie, toen het boek vanMillover de onderwerping der vrouw door de vertaling vanJenny Hirschin Duitschland meer bekend werd, en de vrouwenbeweging voor velen in een ander licht kwam te staan33).
De pennestrijd wierp dit dubbele voordeel af, dat het vrouwenvraagstuk veel dieper dan tot nu toe, van physiologisch-psychologische, ethische en cultuurhistorische zijde werd bezien, en dat vele vrouwen, zooals bijv.Elisabeth Gnauck-Kühne,Gabrielle Reuter,Laura Marholm,Helene Langeenz. in de overtuiging werden versterkt, dat het doel der vrouwenbeweging niet in emancipatie zonder meer kan bestaan; man en vrouw bleken toch inelk opzicht zoo onderscheiden te zijn, dat het ideaal voor beiden niet gelijk kan wezen; aan de vrouw komt in de maatschappij een eigen terrein toe, dat bij de natuur der vrouw en bij het moederschap past en de eigenaardige gaven der vrouw tot ontwikkeling kan brengen.
Wijl echter naast dezeAllgemeine Deutsche Frauenvereinallerlei andere vereenigingen zich vormden, van huisvrouwen, onderwijzeressen, kunstenaressen, handelsbedienden enz., met allerlei bijzondere doeleinden (het oprichten van volkskeukens, het stichten van scholen voor voortgezet onderwijs, de bescherming van de rechten der vrouw in de industrie, de kinderverzorging, de bestrijding van de prostitutie, van het alcoholismeenz.), kwam het verlangen op, om al deze vereenigingen op te nemen in éénen Bond. De damesHanna Bieber-Böhm,Auguste FörsterenAnna Simsonhadden op de wereldtentoonstelling te Chicago kennis gemaakt met denNational Council of Women in the United States, en wisten, in het vaderland teruggekeerd, te bewerken, dat een soortgelijke Bond ook tusschen de vrouwenvereenigingen in Duitschland werd opgericht, 28–29 Maart 1894. Deze Bond beperkte zijne werkzaamheden tot die, waarmede alle aangesloten vereenigingen instemden, en riep Commissies in het leven voor de verschillende takken van arbeid (bedrijfsinspectie, burgerrechtelijke positie der vrouw, opvoeding, bescherming, matigheid, zedelijkheid, enz.); in 1897 sloot hij zich aan bij denInternational Council of Women, die in 1888 teWashingtonwas opgericht en om de vijf jaren een congres houdt.34)
Maar de Bond haalde door deze vereeniging ook allerlei elementen binnen, die slecht bij elkander pasten. Er waren vrouwen, die met al de genoemde werkzaamheden niet tevreden waren, maarook verlangden, dat de strijd zou aangebonden worden voor het politieke stemrecht der vrouw. Anderen begonnen de oudere leden van den Bond conservatief te vinden, dienden zich zelve als de radicalen aan en richtten een verband van fortschrittliche vrouwenvereenigingen op (in 1899), waarin men niet alleen voor het politieke stemrecht der vrouw, maar ook voor hervorming van het familierecht, verbetering der vrouwenkleeding enz., inzonderheid ook voor toenadering tot de proletarische vrouwenbeweging den strijd kon aanbinden. Dit laatste punt had trouwens reeds van de stichting van den Bond af moeilijkheden opgeleverd; de Bond verklaarde zich zelf tegen de toelating van arbeidstersvereenigingen, die eene duidelijke politieke tendenz hadden, maar vooral vier vrouwen,Minna Cauer,Lina Morgenstern,Lily von Gizycky(laterLilyBraun) enGebauerkonden zich hiermede niet vereenigen;Minna CauerenLily Braunrichtten een eigen orgaan:Die Frauenbewegungop, dat de radicale richting vertegenwoordigt en ook naar hervorming van het huwelijk streeft.
Naarmate vele vereenigingen in den Bond den radicalen kant uitgingen, hielden de Christelijke vrouwen zich op een afstand of richtten eigen vereenigingen op. Maar onderling was men van Christelijke zijde in zijn oordeel over de vrouwenbeweging volstrekt niet eenstemmig; sommigen, zooalsBettex, zagen er weinig goeds in en achtten ze met letter en geest des Bijbels in strijd; anderen, zooalsJoh. WeissenGustav Gerok, betoogden, dat het Christelijk ideaal juist de bevrijding der vrouw eischte; en er waren er ook, zooalsH. Kötzschke,W. Bornemanne. a., die een bemiddelend standpunt innamen. Toch kwam het door de bemoeiïngen vanFrau Elis.Gnauck-Kühnetot de vorming van eene Evangelisch-socialeFrauengruppe, Dec. 1894 te Berlijn, die het volgend jaar in verbinding trad met het Evangelisch-sociale Congres. In 1896 nam ook de nationaal-sociale partij vanNaumannhet vrouwenvraagstuk op in haar program. Naast beide stichtte Prof.Zimmerin 1894 nog eenEvangelische Diakonieverein., met het doel, om de behoeftenen belangen der evangelische diakonie in overeenstemming te brengen met de eischen, welke de vrouwenbeweging stelt in betrekking tot de opvoeding en de economische zelfstandigheid der vrouw.35)In 1899 kwam de Duitsch-EvangelischeFrauenbundtot stand, die streeft naar oplossing van het vrouwenvraagstuk in den zin des Evangelies en tot godsdienstig-zedelijke verbetering van het volksleven.36)
Op dezelfde wijze bleven natuurlijk de Roomsche vrouwenvereenigingen hare zelfstandigheid bewaren. Ofschoon uit den aard der zaak met de vrouwenbeweging weinig sympathie gevoelende, heeft Rome toch, in de negentiende eeuw misschien nog meer dan vroeger, den vrouwenarbeid op allerlei terrein weten te waardeeren en te organiseeren. Reeds dit is opmerkelijk, dat de Mariavereering, vooral na de afkondiging van het dogma der onbevlekte ontvangenis 8 Dec. 1854, in buitengewone mate is toegenomen en thans de afkondiging van het leerstuk van Maria's hemelvaart voorbereidt. De Marianische congregaties breidden zich van jaar tot jaar onder alle standen en rangen van de Roomsche Christenheid uit. Terwijl oudere vrouwenorden, zooals bijv. die der Ursulinnen, in ledental wonnen, kwamen er nieuwe orden en vereenigingen in grooten getale bij; van 1816 tot 1865 werden er niet minder dan 198 door den paus geapprobeerd. En al deze vereenigingen namen werkzaamheden ter hand, wier noodzakelijkheid door de sociale toestanden van den nieuweren tijd aan het licht was getreden, armenzorg, ziekenverpleging, in- en uitwendige zending enz., inzonderheid ook de opvoeding van meisjes. Langzamerhand werden er ook vereenigingen opgericht, die meer rechtstreeks met de vrouwenbeweging in verband stonden, vereenigingen van arbeidsters, dienstboden, onderwijzeressen, studeerenden, vrouwen, moeders enz. Zoowas de gang van zaken in alle Roomsche landen, Italië, Oostenrijk, Frankrijk, België enz., ook in Duitschland. Hier veroverde op de Katholiekendagen ook het vrouwenvraagstuk zich eene plaats; sociale cursussen gingen er rekening mede houden; en in 1903 werd deKatholische Frauenbundopgericht, die tegenover de moderne vrouwenbeweging positie nam, een breedwerkprogramontwierp, en inDie Christliche Frauzich een orgaan schiep.37)
De strijd voor de vrijmaking en verheffing der vrouw beperkt zich echter niet tot één land, maar heeft zich in den loop der vorige eeuw tot alle volken uitgebreid; het vrouwenvraagstuk is in vollen zin een internationaal vraagstuk geworden. Er valt niet aan te denken, om van de vrouwenbeweging in de verschillende landen een, al ware het maar beknopt, overzicht te geven; genoeg zij het, op te merken, dat zij zich in alle beschaafde landen voordoet. Het vrouwenvraagstuk is aan de orde in alle landen van Europa, in alle staten van Noord-Amerika, Zuid-Amerika en Australië, en het komt aan de orde in Indië, China, Japan, ook, blijkens het optreden vanRadenKartini, in Nederlandsch Indië. Wij hebben daarin dus met een vraagstuk te doen, dat niet door enkele personen is opgeworpen, maar dat uit demaatschappijzelve opkomt en steeds meer in zijne algemeene beteekenis wordt erkend.
Toch wordt het vraagstuk niet altijd op dezelfde wijze voorgesteld, en ontwikkelt de vrouwenbeweging zich niet overal in dezelfde richting. Ofschoon ze wel eene zekere algemeene strekking vertoont, vat ieder land het vrouwenvraagstuk toch, overeenkomstig zijne eigenaardige verhoudingen en toestanden van eene bijzondere wijze aan. In België en Italië, zegtHelene Lange, valt de vrouwenbeweging nog grootendeels met die der arbeidsters saam; in Amerika staat het streven naar politieke gelijkstelling op den voorgrond; enin Griekenland bepaalt men zich nog hoofdzakelijk tot verbetering van den socialen toestand der vrouw.38)Ook is de beweging over het algemeen veel krachtiger in de Protestantsche, dan in de R. Katholieke, in de Germaansche en Angelsaksische, dan in de Romaansche landen; bij gene openbaart ze zich meer in een streven naar intellectueele, ethische en politieke, bij deze meer in een streven naar economische en sociale verheffing der vrouw.
Verder is er in de vrouwenbeweging een zekere ontwikkelingsgang te bespeuren. Ze kwam tegen het einde der 18e eeuw in Frankrijk op, dankte toen haar oorsprong aan de idee der rechten van den mensch, en was dus eerst meer eene ideëele en politieke, dan eene economische en sociale beweging. Dit laatste werd ze vooral omstreeks het midden der vorige eeuw door de veranderingen, welke de grootindustrie in de werkzaamheden van het huisgezin aanbracht. Met de proletarische vrouwenbeweging verbond zich weldra die van de dochters en vrouwen uit de burgerkringen des volks, welke streefde naar opleiding voor een beroep, vrijen toegang tot alle scholen, en openstelling van alle beroepen voor de vrouw. Maar toen langs dezen weg de vrouwen meer en meer met de maatschappij in aanraking kwamen, kregen zij een open oog voor de misstanden, die daar overal voorkwamen, en zagen zij zich tot allerlei werken van barmhartigheid en zending geroepen. Met of zonder de mannen bonden zij den strijd aan tegen alcoholisme en prostitutie, wijdden zij zich aan armenzorg, ziekenverpleging, meisjesopvoeding, kinder- en moederbescherming enz. En naarmate zij zich buitenshuis gingen bewegen en in de maatschappij eene eigene plaats gingen innemen, kwam bij velen de wensch op, om ook burgerrechtelijk en staatsrechtelijk meerdere zelfstandigheid deelachtig te worden.
De strijd voor het politieke stemrecht der vrouw kwam, behalve in Frankrijk tijdens de Revolutie, het eerst in Amerika op. Daar werden bij den opstand tegen Engeland soortgelijke onveranderlijkemenschenrechten afgekondigd, als in Frankrijk, zij het ook op anderen grondslag. Reeds in 1776 steldeAbigail Smithden eisch, dat de vrouwen toegelaten zouden worden tot alle openbare scholen en gelijke rechten met de mannen ontvangen zouden. Maar de tijd was voor de inwilliging dezer eischen nog niet rijp, schoon de staatNew Jerseyin 1790 op grond van het ontbreken van het adjectief mannelijke (male) vóór ingezetenen (inhabitants) in de wet een korten tijd aan de vrouwen het stemrecht verleende. In de eerste helft der 19e eeuw was het streven der vrouwen in Amerika ook meer op verbetering der opvoeding van meisjes, op de openstelling van de gewone openbare scholen (coëducatie), of op de stichting van aparte meisjesscholen gericht.
Het vrouwenstemrecht kwam vooral op het tapijt, toen de beweging tegen de slavernij opkwam, en vrouwen (vooral Kwakervrouwen, zooalsLucretia Mott) daaraan in het openbaar, door vergaderingen, redevoeringen enz. deelnamen. Ofschoon dit optreden veel tegenstand ontmoette, zetten de vrouwen toch door en lieten meer en meer ook op maatschappelijk gebied haar invloed gelden (bijv. in de bestrijding van het alkoholisme, de prostitutie enz.) Trouwens, de vrouwen hadden in Amerika reeds lang eene geëerde positie; zij werden, ook omdat zij in getal verre bij de mannen achterstonden, hoog gewaardeerd; zij genoten eene groote mate van zelfstandigheid, en gingen sedert het midden der vorige eeuw clubs vormen, waar zij zich oefenden in litteratuur, geschiedenis, kunst, natuurwetenschap, philosophie, staatswetenschap, huishoudkunde enz. Ondragelijk was voor haar de gedachte, dat zij in het openbaar niet mochten optreden en spreken, en vooral ook, dat zij, als straks de negers burgerrecht en stemrecht verkregen, bij dezen zouden achterstaan. Den 14den Juli 1848 kwam dan ook, gehoorgevende aan den oproep vanLucretia MottenElisabeth Cady StantonteSeneca Fallsin den staatNew-Yorkeene vergadering van ongeveer honderd personen samen, om de maatschappelijke, rechtelijke en kerkelijke positie der vrouw en hare rechten te bespreken. Van dit jaar dagteekent de dikwerf heftige en gewelddadige,in den eersten tijd ook meermalen tegen de onderdrukking van den man gekeerde actie der vrouwen voor hare huiselijke en maatschappelijke, burgerrechtelijke en politieke rechten. En langzamerhand wonnen ze veld; de scholen werden voor haar opengesteld, de toegang tot al meerdere en hoogere beroepen werd haar ontsloten; veranderingen in de burgerrechtelijke positie der vrouw werden in bijna alle staten aangebracht; en hetterritory Wyominggaf haar in 1869 het stemrecht en behield dit, toen het 1890 als staat in de Unie werd opgenomen. En sedert hebben vele andere staten dit voorbeeld gevolgd.39)
In Engeland werd ten jare 1832 het vrouwenkiesrecht nog opzettelijk uitgesloten, door in het ontwerp van kiesrechthervorming aan het woord kiezers het adjectief: mannelijke toe te voegen. Deze verandering gaf den stoot tot eene beweging voor het vrouwenkiesrecht, welke in 1851 krachtig bevorderd werd door een artikel vanMrs.John Stuart Millin deWestminster Review, dat later werd opgenomen onder de werken van haar echtgenoot. Toen deze in 1865 lid van het parlement werd, bond hij ook daar den strijd voor het vrouwenkiesrecht aan. In 1867 diende hij het voorstel in, om in de kieswet de woorden: mannelijke kiezers te vervangen door: kiesgerechtigde personen. Dit voorstel werd toen wel met 194 tegen 73 stemmen verworpen, maar de quaestie raakte sedert niet meer van de baan. De onderMill'sleiding opgerichteNational Union of Women's Suffrage Societieskreeg hare vertakkingen over alle deelen van het land, en hield de actie levendig. Zij onderscheidde zich daarbij gunstig van deWomen's social and political Union, wier leden meenden, dat zij door „militante” daden het kiesrecht der vrouw aan Regeering en Volksvertegenwoordiging moesten afdwingen en daardoor velen van de vrouwenbewegingafkeerig maakten. Maar de zaak won toch veld; de oppositie werd in het parlement steeds zwakker; in Nieuw-Zeeland werd in 1893 aan de vrouwen het actieve kiesrecht toegekend; Zuid-Australië volgde in 1895, West-Australië in 1900, N. Zuid-Wales in 1902. Indien desuffragettesde zaak niet bedorven hadden, zou Engeland misschien spoedig gevolgd zijn.
Maar toen kwam in 1914 de oorlog. In alle oorlogvoerende, ten deele ook in de mobiliseerende landen, moesten de vrouwen den arbeid van de mannen overnemen. In eens werden alle beroepen en bedrijven voor haar opengesteld, niet alleen de dienst bij het Roode Kruis en in allerlei werken van barmhartigheid, maar ook die van koetsiers, conducteurs, postbestellers, in landbouw, nijverheid, mijn- en bouwbedrijf, munitiefabrieken enz. En in al dien arbeid hebben ze zich, tot in de kleeding toe, aan de nieuwe omstandigheden aangepast en buitengewone praestaties geleverd. Zoo is in wijden kring het oordeel over de vrouw, over hare positie in de maatschappij, over haar gaven en ook over het vrouwenkiesrecht gewijzigd.
Nergens kwam dit duidelijker dan in Engeland aan den dag. Vroegere tegenstanders, zooalsAsquith, gaven zich gewonnen, en menigeen was blij, dat de quaestie op deze wijze tot eene oplossing kwam. Eenige maanden geleden sprak het Parlement zich met groote meerderheid ten gunste van het vrouwenkiesrecht uit, en den 7 Dec. l.l. nam het Lagerhuis een wetsvoorstel aan, waarbij het kiesrecht eene belangrijke uitbreiding ontving en o. a. ook verleend werd aan vrouwen boven de dertig jaren, met inbegrip van vrouwen van kiezers, terwijl haar tevens het gemeentelijk kiesrecht werd verleend. Den 10 Jan. l.l. hechtte ook het Hoogerhuis aan dit wetsvoorstel zijne goedkeuring met 134 tegen 71 stemmen; vele leden, die ertegen waren, onthielden zich van stemming, ten einde een conflict met het Lagerhuis te vermijden. Maar de aartsbisschoppen vanCanterburyenYorken alle aanwezige twaalf bisschoppen stemden voor. Dit resultaat van de actie voor vrouwenkiesrecht heeft daarom te meer beteekenis, wijl tot dusver over het algemeen nog slechts kleinerestaten het vrouwenkiesrecht hadden ingevoerd, thans echter met Engeland ook de grootere staten dit voorbeeld gaan volgen. Zoo kwam enkele weken geleden ook uit Amerika het bericht, dat de staatNew-Yorkeveneens met groote meerderheid zich voor het vrouwenstemrecht had verklaard, terwijl het Ministerie-Wekerlebij de Hongaarsche Kamer een wetsvoorstel indiende, dat het kiesrecht o. a. ook verleenen wil aan vrouwen, die met goed gevolg de vierde klasse eener burgerschool hebben doorloopen, die sinds twee jaren werkend lid zijn van eene erkende wetenschappelijke, litteraire of artistieke vereeniging, of aan oorlogsweduwen, die een of meer kinderen hebben.40)
Hier te lande was de Réveil voor de vrouwenbeweging in zooverre van belang, als hij voor de godsdienstige en zedelijke ellenden in de maatschappij de oogen opende, in ruimen zin tot evangeliseerenden enphilanthropischenarbeid aanspoorde en niet alleen mannen, maar ook vrouwen opwekte, om zich te vereenigen en de belangen zich aan te trekken van arbeidsters en dienstboden, weezen en weduwen, gevallen meisjes en vaderlooze kinderen, zuigelingen en kraamvrouwen enz. Na de bevrijdingsoorlogen heeft zich hier, evenals in andere landen, op het gebied van barmhartigheid en menschenliefde eene actie ontwikkeld, waarin vorstinnen op den troon, vrouwen uit de hoogere en uit de lagere standen met elkander wedijverden, en die voor de hervorming der maatschappij van groote beteekenis is geweest.