Bibliographie.G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel), in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en deel IX.P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch derReligionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr.P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883.Religious Systems of the World (a collection ofaddresses).London. Swan Sonnenschein & Co. 1901.Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism, Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883.H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881.T. W.RhysDavids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting Christian Knowledge).A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900.E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam 1881.H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma) vert. door F. Ortt. ’s Gravenhage. „Drukkerij Vrede” 1900.M. von Brandt. Die ChinesischePhilosophieund der Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898.C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II (de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895.A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893.G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897.F. Justi. Geschichte des alten Persiens.Berlin. G. Grote. 1879.Inhoud.Bladz.VOORREDE1–4Het Brahmanisme5–37I.Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden5–15Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst en van Brahmanisme en Boeddhisme.—Pantheïstisch karakter van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.—Oorsprong van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en godsvereering, Rishi’s, Varuna, Agni, Indra, Sūrya, verwantschap der goden.—Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.—Kastenwezen.—De Veda’s.—Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Ātman, Brahmā, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en kluizenaar.—Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe deze zich met het volksgeloof verstond.II.Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing16–28Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun incarnaties, karakter en vereering.—Esoterische opvatting van het Brahmanisme.—Einddoel, waarnaar men streeft.—Vedānta en Sānkhya.—RāmāyanaenMahābhārata, Valmiki, Visvamitra, Yayati.—Op den drempel van het Boeddhisme.III.Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-Samāj)28–37Vroegere pogingen tot hervorming.—Karakter der nieuwere beweging.—Rāmmohun Roy.—Zijn optreden tegen deafgoderij.—Strijd tegen weduwenverbranding.—Zijn streven. Verhouding tot het Christendom.—Eeredienst.—Stichting der Brahmo Samāj.—Zijn dood.—Debendra-nāth.—Zijn beginselverklaring.—Liturgie.—Verdeeldheid.—Vier grondbeginselen.—Voornaamste punten der leer.—Narāin Bose.—Keshab Chander Sen.—Zijn doel.—Zijn jeugd.—Toetreding tot de broederschap.—Zijn radicalisme.—Sociale hervormingen, die hij voorstond.—Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden in een nieuwe vereeniging.—Program.—Godsdienstoefening.—Mozoomdar.Het Boeddhisme38–154I.Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden38–54Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.—Zijn verspreiding.—Zijn uiteenloopende opvatting.—Quaestie over het historische der Boeddha-figuur.—Waarheid en verdichting gemengd.—Boeddha’s geboorteplaats.—Wat over zijn jeugd vaststaat.—Zijn wonderbare geboorte.—Asita.—De vier voorteekens.—Voorzorgen van zijn vader.—De vier voorteekenen verschijnen.—Pogingen om de hoogere roeping van Boeddha te vernietigen.—Hemelgeesten sterken hem.—Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.—Geboorte van Rāhula.—Boeddha’s strijd.—Zijn besluit.—Zijn vertrek.—Wat Māra hem voortoovert.—Boeddha bij de kluizenaars.—In ’t woud.—Einde zijner zelfkastijding.—Zijn vijf leerlingen verlaten hem.—Zijn strijd en overwinning onder den Bō-boom.—Zijn verlichting.—Aarzeling om de leer te prediken.II.Boeddha als prediker van den weg des heils54–87Boeddha in het wildpark bij Benares.—De vijf vroegere leerlingen.—Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig pad.—Bekeering der vijf asceten.—Van Bimbisāra.—Van Sāriputta en Mogallāna.—Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese.—Boeddha ontmoet zijn vader.—Ziet Yaçodharā terug.—Boeddha in zijndagelijksch leven.—Gelijkheid in den kring der leerlingen.—Velen van hen zijn aanzienlijken.—Sunīta, leerling uit geringen stand.—Boeddhisme een democratische beweging?—Ānanda, de meest geliefde leerling.—Devadatta, de verrader.—Leekenvrienden en vriendinnen.—Visākhā.—Haar zorg voor monniken en nonnen.—Boeddha’s denkbeelden over de vrouw.—Gesprek daarover met Ānanda—Nonnen minder dan monniken geacht.—Boeddha’s strijd tegen de Brahmanen.—Boeddha over het offeren.—Boeddha tegen zelfkastijding.—Boeddha geen „vrijdenker” of „atheïst”.—Getuigenissen daarover.—Boeddha’s gesprek met Vāsettha over de vereeniging met Brahmā.—Boeddha en de schoone zondares.—De vergeldingsleer (Karma).—Aantrekkelijkheid van Boeddha’s persoon: zijn figuur geen schepping der verbeelding.—Boeddhistische spreuken.—Boeddha’s laatste levensdagen en dood.III.Boeddha’s onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen87–111Waarde in het Boeddhisme aan „de leer” gehecht.—Boeddha’s onderwijs vooral tot het verstand gericht.—Rede over den gloed der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige tot het hoogere.—Onderricht door vragen: gesprek met Sonā,—Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.—Gelijkenis van de vergeving.—Gelijkenis van den godloochenaar.—Gelijkenis van Kisāgotamī.—Geschiedenis van prins Kunāla.—Boeddha op een huwelijksfeest.—Geschiedenis van het meisje Bhadrā.—Koning Wessantara.—Koning Bambadat.—De hongerige hond.—Boeddha als vredestichter.—De verloren zoon.—De vrouw aan de bron.—Geschiedenis van Vāsavadatta.—Gelijkenis van het brandend huis.—Gesprek met Rāhula over valschheid.IV.Hoofdpunten van Boeddha’s leer111–119Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.—Schildering der Samsăra.—Er is echter verlossing.—Stemming der Boeddhisten in leven en sterven.—„Dorst” de oorzaak van het lijden.—Hoe Boeddha de zielsverhuizing opvatte?—Hoe Nirvāna?—De ketterij van Yamaka: conclusie.V.De weg des heils119–124Stations op den weg des heils.—Rechtschapenheid.—De vijf geboden.—Geestelijke oefening in welwillendheid.—Bekeering van Roja.—Geschiedenis van Sāma.—Beheersching der zinnen.—Opmerkzaamheid.—Māra, zijne verzoeking van Boeddha.—Gelijkenis van den schildpad.—Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde: extase.—Boeddha’s persoon op den achtergrond.VI.Het Boeddhisme in de praktijk124–139Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en aarde.—Geen hiërarchie.—Wie van de (monniken) gemeente zijn uitgesloten.—Opname als monnik (Pabbāja en Upasampadā).—De vier gestrenge regelen.—De vier groote verboden.—Gelofte niet voor altijd.—Goede daarin.—Tucht van het publiek.—Dagelijksch leven der monniken.—Onderricht der jeugd.—Aanzien, waarin zij staan.—Biechtsamenkomsten.—Biechtformule (Patimōkha).—De regentijd.—Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.—Hoe thans in Birma.—In Ceylon.—Voorlezing op Zondag uit de H. S.—Vier heilige plaatsen.—Boeddhistische nonnen.—Haar onderworpenheid aan de monniken.—De vrouwen tegenover Boeddha’s leer.—Haar gebed.—Boeddhistische leeken.—Hun levensopvatting. —Afkeer van den oorlog.—Individueele op den voorgrond.—Opvattingen over vergelding en boete.—Hoe zij staan tegenover den dood.—Waardeering der Boeddhistische leer.VII.De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme139–149Hoofdpunten, hierbij te bespreken.—Oude concilie’s.—Van Rājagriha, Vaisāli, Patna.—Açoka.—Zijn opschriften.—Açoka’s hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.—Zijn liefde voor den innerlijken godsdienst.—Zijn afkeer van den oorlog.—Bescherming van dieren.—Zorg voor kranke menschen en dieren.—Bepalingen ten gunste der monniken.—Het leven der monniken in zijn dagen.—Godsdienstige feesten.—Zendelingen.—Stūpa’s.—Concilie van Patna (244).—Heilige teksten.—Drie Pitaka’s.VIII.Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme149–154Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.—Ondergang in Indië.—Oorzaken daarvan.—Het Boeddhisme in Tibet.—Overeenkomst met het Roomsch-Catholicisme.—Beschrijving eener godsdienstoefening in de kathedraal van Lhassa.—Slot.De Chineesche philosophie155–245I.Inleiding155–158Hoofddoel van deze uiteenzetting.—Het oude en standvastige der Chineesche beschaving.—De twee hoofdrichtingen der Chineesche philosophie.—Strijd van Confucianisme en Taoïsme.—Overwinning van Confucius.—Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.—Wat aan het Confucianisme het overwicht gaf.—Oud-Chineesche wijsgeer-profeten.—Keizer Wuwang (1110 v. C.)—Zijn fout.II.Confucius, zijn leven en leer157–178Zijn geboorte, naam, familie.—Zijn jeugd en huwelijk.—Bekleedt verschillende betrekkingen.—Zijn roem.—Confucius’ vlucht uit Lu.—Keert terug.—Wordt beambte der stad Chungtu.—Klimt ten slotte tot minister van justitie op.—Valt in ongenade.—In ballingschap.—In 483 in Lu terug.—Zijn dood en laatste woorden.—Eerst lang na zijn dood in eere.—Ten slotte afzonderlijke tempels voor hem.—Ook thans bij de Mandschoe regeering zeer geëerd.—Confucius’ leer niet nieuw.—Stelde het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.—Afkeer van bespiegeling over ’s menschen toekomst.—Confucius’ nauwgezetheid en vormelijkheid.—Welken indruk wij van zijn persoon krijgen.—Zijn ontmoeting met Lao-tsze.—Oordeel van Taoïstische werklieden.—Confucius en de roover Kih.—Oordeel van Wang-Chung.—Oordeel zijner leerlingen.—Confucius kind van zijn tijd en volk.—Kritiek van zijn leerling Tsze lu.—Zijn grief, dat hij miskend werd.—Zijn zwakheid.—Zijn leer der wederkeerigheid.—Zichzelf en anderen opvoeden.—Opvattingvan gehoorzaamheid.—Kinderlijke liefde begin van alle deugd.—Aanprijzing van zelfopvoeding.—Goed voorbeeld geven.—Zijn ware natuur volgen.—Harmonie bewaren.—Anderen behandelen, zooals men zelf behandeld wil zijn.—Ideaal van den wijze.—Fouten zoeken in zichzelf.—De vijf wederkeerige plichten.—De drie eigenschappen.—Waardoor zij uitgeoefend worden.—Negen regels voor de beheerschers des rijks.—Vorm, waarin Confucius zijne leer kleedt ook niet oorspronkelijk.—Wat Confucius eens op een beeld las in 517 v. Chr.—Verval van Confucius’ leer na zijn dood.III.Mencius178–190Zijn jeugd.—Zorg zijner moeder.—Zijn leerjaren.—Leeraar.—Politiek hervormer.—Mencius’ ontgoocheling.—Ambteloos burger.—Zijn dood.—Canonisatie.—Verschillend karakter van Confucius en Mencius.—Mencius’ strijd tegen Cynici en Mihisten.—Mencius’ democratie.—Zijn erkenning van de waarde der Chineesche beschaving.—Zijn leer der „voorbeschikking”.—Acht den mensch van nature goed.—Leer van Han yü en Chu hi over ’s menschen natuur.—De vijf en de drie dingen, in strijd met de kinderlijke liefde.—Mencius tegenover de secte van Shin nung.—Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral van dien des wijzen.—Zijn vijf eischen ten opzichte van het staatsbestuur.—Komt op tegen uitbuiting des volks.—Zijn strijd tegen Mih ti’s leer der algemeene liefde.—Leer van Mih ti.—Hoe Mencius dit systeem omverwierp.—Mencius’ strijd tegen den Taoïst Yang Chu (pessimist).—Mencius’ leer over de „hartstocht”.—Verwante denkbeelden bij den psycholoog Ribot.IV.Lao tsze190–202Zijn geboorte.—Latere verdichtselen daarover.—Zijn werk Tao teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.—Het Tao.—Wat daaronder te verstaan?—Iets onpersoonlijks.—Getuigenis van Lao tsze, van Huai nan tsze.—Tao de natuur (natura naturans).—Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang tsze).—Vergeleken met hedendaagsche beweringen.—Uitspraak van Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.—Verhouding van Tao en God.—Evolutiedoor de Taoïsten erkend.—Plaats van den mensch in het heelal volgens het Taoïsme.—Beschouwing van den dood.—Van ’s menschen roeping.—De „hemelsche” natuur te volgen.—Niet „actief” zijn.—Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan van Confucius en de zijnen.—Lao tsze prijst rust en nederigheid aan.—Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van druk.—Lao tsze wil weinig regeeren.— Hoe hij de ontaarding der regeering schetst.—Zijn regeeringsideaal.— Zijn aanprijzing van rust.—Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon.V.Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme202–215Chwang tsze en de vorst van Tsu.—Hoe hij begraven wilde worden.—Valt Confucius en diens leer scherp aan.—Waarschuwing tegen acht gebreken en vier fouten.—Keurt af Confucius’ rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.—Gispt de veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.—Chwang tsze over den dood.—Chwang tsze en de schedel.—Zijn besef van het onbevredigende des levens.—Lieh tsze.—Het betrekkelijke der kennis (de krankzinnige).—De man uit Yin (het vergankelijke).—Tchung lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der wereld.—Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).—Yang Chu.—Het korte leven dat zooveel droefs heeft.—Onbezorgd genieten.—Keizer Muh en de Magiër.—Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft zich aan Taoïstische kunsten over.—De Taoïstische „doktoren der rede” en het bijgeloof.—De Taoïstische paus.—Invloed van het Taoïsme op het volk.VI.De „geleerden” tegenover Taoïsme en Boeddhisme215–227Argumenten van weerszijden gebezigd.—Het onbloedige der vervolgingen.—Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs in de zedeleer der „geleerden” ingedrongen.—Oud en nieuw Confucianisme.—Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).—Het groote plan van Ho en de rol van Loh.—Reactie tegen het inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het Confucianisme.—De Mandschoe regeering en het Confucianisme.—Het heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen, pogingen om het populair te maken.—Zijn 16 sententiën.—Waarde van het Staats-Confucianisme.—Schaduwzijde.VII.De klassieke boeken der Chineezen227–243De vijf groote en de vier kleine klassieken.—De dertien klassieke werken.—Nog drie andere klassieken.—Geijkte verklaringen.—I-king.—Shu-king.—Shi-king.—Chau-li.—I-li.—Li-ki.—Chun Chiu.—Lun-yü.—De werken van Mencius.—Hsiao-king.—Het wonderboek Urhya.—Tahio.—Chung-yung.—Tshu-shu.—Kung tsze kia yu.Werken der Taoïsten: Tao teh king.—Commentaren.—Kwan yin tsze.—Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.—Liu Ngan (Huai nan tsze).Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.—Vernietiging der boeken door de dynastie Tsin.—Voorstelling van Sze ma tsien.—Latere „bibliotheek-rampen”.—Verdienste der Chineesche geleerden.—Vervalschingen.—Schade in den nieuwen tijd.—Slecht onderhoud der bibliotheken.—De ijver der Chineesche letterkundigen te prijzen.—Besluit.Het Mazdeïsme244–278I.Inleiding244–248Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen godsdienst.—Toch beiden uit één stam.—Moeilijkheid om het Mazdeïsme te beschrijven.—Zend-Avesta.—Zoroaster, historisch?—Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.—De drie phasen van het Mazdeïsme.—Alexander de Groote.—De Sassaniden (226–636 n. C.).—Wat van de oude literatuur is gebleven.—De Gātha’s, vertegenwoordigen oudste phase.—Gemeenschappelijke goden en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.—Waardoor later zooveel verschil?—Karakter der Zarathustrische hervorming.II.Het Mazdëisme der Gātha’s248–254Verhevenheid van Ahura Mazda.—De goede geniussen, die hij den mensch schenkt.—Bescherming van de koe, opgedragen aan Zoroaster.—Oude kosmogonische mythe.—De aarde als de gavenschenkende koe.—Mazda als de Alwetende,éénige God.—Mazda’s trawanten (geniussen).—Gematigd dualisme.—De daēva’s.—Lot van goeden en boozen.—Eindoordeel.—Hoe Mazda moet worden gediend.—Landbouw en huwelijk in hooge eere.—Geen zachtheid tegenover den vijand.—Offeren.—Gewijde spreuken.III.Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta254–271Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in den nieuwen godsdienst kwam.—DeAmesa-Spenta’s, meer zelfstandig.—Sraosa.—Ahuna vairya.—De „rechtvaardigste rechtvaardigheid” en „het hemellicht”.—Strijd om het hemellicht.—Atar, god van het vuur.—Apām Napāt.—Het hemelvuur.—Anahita.—Zon, maan en sterren.—Planeten als vijandig beschouwd.—Tistrya (Sirius).—Asi.—Haoma.—De roes van den onsterfelijkheidsdrank.—Mithra.—De fravasi’s.—Anrō mainyu en de booze geesten.—Anrō mainyu en Zarathustra.—De helpers van den booze.—De mensch tusschen Mazda en Anrō mainyu in.—Voorstelling omtrent heelal en aarde.—De eeuwigheid van Mazda’s schepping.—Voorstelling der schepping.—Des menschen levenstaak en dood.—Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding der wereld.—De drie Heilanden.—Anrō mainyu’s nederlaag.—De priesters.—De eeredienst.—Het haoma offer.—De vuurdienst.—De godsdienst in het leven.—Landbouw.—Heilige en onreine plaatsen.—Tegen ascese.—IJverige arbeid.—Eerlijkheid.—Tegen ontucht.—Reinheidseischen.—Heiligheid van vuur, aarde en water.—De dierenwereld.—Plicht tegenover reine en onreine dieren.—Innerlijke reinheid.—Straffen.—Geestelijke straffen.IV.Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s272–278Uitgeweken Perzen in Indië.—Welke twee punten van hun geloof zij vasthielden.—Wat hen wakker maakte.—Strijd met het Christendom.—Nieuwe Zarathustrische catechismus.—Dabadhaï Naoroja.—Scholen.—Lezingen.—Weekblad.—Vereeniging.—Verheffing der vrouw.—Tegen kinder-huwelijk.—Resultaat omtrent de gewijde boeken.—Beteekenis van het Parsisme.
Bibliographie.G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel), in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en deel IX.P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch derReligionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr.P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883.Religious Systems of the World (a collection ofaddresses).London. Swan Sonnenschein & Co. 1901.Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism, Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883.H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881.T. W.RhysDavids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting Christian Knowledge).A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900.E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam 1881.H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma) vert. door F. Ortt. ’s Gravenhage. „Drukkerij Vrede” 1900.M. von Brandt. Die ChinesischePhilosophieund der Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898.C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II (de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895.A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893.G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897.F. Justi. Geschichte des alten Persiens.Berlin. G. Grote. 1879.
Bibliographie.
G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel), in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en deel IX.P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch derReligionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr.P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883.Religious Systems of the World (a collection ofaddresses).London. Swan Sonnenschein & Co. 1901.Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism, Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883.H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881.T. W.RhysDavids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting Christian Knowledge).A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900.E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam 1881.H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma) vert. door F. Ortt. ’s Gravenhage. „Drukkerij Vrede” 1900.M. von Brandt. Die ChinesischePhilosophieund der Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898.C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II (de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895.A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893.G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897.F. Justi. Geschichte des alten Persiens.Berlin. G. Grote. 1879.
G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel), in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en deel IX.
P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch derReligionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr.
P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883.
Religious Systems of the World (a collection ofaddresses).London. Swan Sonnenschein & Co. 1901.
Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism, Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883.
H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881.
T. W.RhysDavids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting Christian Knowledge).
A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900.
E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam 1881.
H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma) vert. door F. Ortt. ’s Gravenhage. „Drukkerij Vrede” 1900.
M. von Brandt. Die ChinesischePhilosophieund der Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898.
C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II (de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895.
A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893.
G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897.
F. Justi. Geschichte des alten Persiens.Berlin. G. Grote. 1879.
Inhoud.Bladz.VOORREDE1–4Het Brahmanisme5–37I.Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden5–15Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst en van Brahmanisme en Boeddhisme.—Pantheïstisch karakter van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.—Oorsprong van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en godsvereering, Rishi’s, Varuna, Agni, Indra, Sūrya, verwantschap der goden.—Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.—Kastenwezen.—De Veda’s.—Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Ātman, Brahmā, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en kluizenaar.—Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe deze zich met het volksgeloof verstond.II.Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing16–28Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun incarnaties, karakter en vereering.—Esoterische opvatting van het Brahmanisme.—Einddoel, waarnaar men streeft.—Vedānta en Sānkhya.—RāmāyanaenMahābhārata, Valmiki, Visvamitra, Yayati.—Op den drempel van het Boeddhisme.III.Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-Samāj)28–37Vroegere pogingen tot hervorming.—Karakter der nieuwere beweging.—Rāmmohun Roy.—Zijn optreden tegen deafgoderij.—Strijd tegen weduwenverbranding.—Zijn streven. Verhouding tot het Christendom.—Eeredienst.—Stichting der Brahmo Samāj.—Zijn dood.—Debendra-nāth.—Zijn beginselverklaring.—Liturgie.—Verdeeldheid.—Vier grondbeginselen.—Voornaamste punten der leer.—Narāin Bose.—Keshab Chander Sen.—Zijn doel.—Zijn jeugd.—Toetreding tot de broederschap.—Zijn radicalisme.—Sociale hervormingen, die hij voorstond.—Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden in een nieuwe vereeniging.—Program.—Godsdienstoefening.—Mozoomdar.Het Boeddhisme38–154I.Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden38–54Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.—Zijn verspreiding.—Zijn uiteenloopende opvatting.—Quaestie over het historische der Boeddha-figuur.—Waarheid en verdichting gemengd.—Boeddha’s geboorteplaats.—Wat over zijn jeugd vaststaat.—Zijn wonderbare geboorte.—Asita.—De vier voorteekens.—Voorzorgen van zijn vader.—De vier voorteekenen verschijnen.—Pogingen om de hoogere roeping van Boeddha te vernietigen.—Hemelgeesten sterken hem.—Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.—Geboorte van Rāhula.—Boeddha’s strijd.—Zijn besluit.—Zijn vertrek.—Wat Māra hem voortoovert.—Boeddha bij de kluizenaars.—In ’t woud.—Einde zijner zelfkastijding.—Zijn vijf leerlingen verlaten hem.—Zijn strijd en overwinning onder den Bō-boom.—Zijn verlichting.—Aarzeling om de leer te prediken.II.Boeddha als prediker van den weg des heils54–87Boeddha in het wildpark bij Benares.—De vijf vroegere leerlingen.—Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig pad.—Bekeering der vijf asceten.—Van Bimbisāra.—Van Sāriputta en Mogallāna.—Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese.—Boeddha ontmoet zijn vader.—Ziet Yaçodharā terug.—Boeddha in zijndagelijksch leven.—Gelijkheid in den kring der leerlingen.—Velen van hen zijn aanzienlijken.—Sunīta, leerling uit geringen stand.—Boeddhisme een democratische beweging?—Ānanda, de meest geliefde leerling.—Devadatta, de verrader.—Leekenvrienden en vriendinnen.—Visākhā.—Haar zorg voor monniken en nonnen.—Boeddha’s denkbeelden over de vrouw.—Gesprek daarover met Ānanda—Nonnen minder dan monniken geacht.—Boeddha’s strijd tegen de Brahmanen.—Boeddha over het offeren.—Boeddha tegen zelfkastijding.—Boeddha geen „vrijdenker” of „atheïst”.—Getuigenissen daarover.—Boeddha’s gesprek met Vāsettha over de vereeniging met Brahmā.—Boeddha en de schoone zondares.—De vergeldingsleer (Karma).—Aantrekkelijkheid van Boeddha’s persoon: zijn figuur geen schepping der verbeelding.—Boeddhistische spreuken.—Boeddha’s laatste levensdagen en dood.III.Boeddha’s onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen87–111Waarde in het Boeddhisme aan „de leer” gehecht.—Boeddha’s onderwijs vooral tot het verstand gericht.—Rede over den gloed der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige tot het hoogere.—Onderricht door vragen: gesprek met Sonā,—Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.—Gelijkenis van de vergeving.—Gelijkenis van den godloochenaar.—Gelijkenis van Kisāgotamī.—Geschiedenis van prins Kunāla.—Boeddha op een huwelijksfeest.—Geschiedenis van het meisje Bhadrā.—Koning Wessantara.—Koning Bambadat.—De hongerige hond.—Boeddha als vredestichter.—De verloren zoon.—De vrouw aan de bron.—Geschiedenis van Vāsavadatta.—Gelijkenis van het brandend huis.—Gesprek met Rāhula over valschheid.IV.Hoofdpunten van Boeddha’s leer111–119Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.—Schildering der Samsăra.—Er is echter verlossing.—Stemming der Boeddhisten in leven en sterven.—„Dorst” de oorzaak van het lijden.—Hoe Boeddha de zielsverhuizing opvatte?—Hoe Nirvāna?—De ketterij van Yamaka: conclusie.V.De weg des heils119–124Stations op den weg des heils.—Rechtschapenheid.—De vijf geboden.—Geestelijke oefening in welwillendheid.—Bekeering van Roja.—Geschiedenis van Sāma.—Beheersching der zinnen.—Opmerkzaamheid.—Māra, zijne verzoeking van Boeddha.—Gelijkenis van den schildpad.—Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde: extase.—Boeddha’s persoon op den achtergrond.VI.Het Boeddhisme in de praktijk124–139Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en aarde.—Geen hiërarchie.—Wie van de (monniken) gemeente zijn uitgesloten.—Opname als monnik (Pabbāja en Upasampadā).—De vier gestrenge regelen.—De vier groote verboden.—Gelofte niet voor altijd.—Goede daarin.—Tucht van het publiek.—Dagelijksch leven der monniken.—Onderricht der jeugd.—Aanzien, waarin zij staan.—Biechtsamenkomsten.—Biechtformule (Patimōkha).—De regentijd.—Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.—Hoe thans in Birma.—In Ceylon.—Voorlezing op Zondag uit de H. S.—Vier heilige plaatsen.—Boeddhistische nonnen.—Haar onderworpenheid aan de monniken.—De vrouwen tegenover Boeddha’s leer.—Haar gebed.—Boeddhistische leeken.—Hun levensopvatting. —Afkeer van den oorlog.—Individueele op den voorgrond.—Opvattingen over vergelding en boete.—Hoe zij staan tegenover den dood.—Waardeering der Boeddhistische leer.VII.De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme139–149Hoofdpunten, hierbij te bespreken.—Oude concilie’s.—Van Rājagriha, Vaisāli, Patna.—Açoka.—Zijn opschriften.—Açoka’s hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.—Zijn liefde voor den innerlijken godsdienst.—Zijn afkeer van den oorlog.—Bescherming van dieren.—Zorg voor kranke menschen en dieren.—Bepalingen ten gunste der monniken.—Het leven der monniken in zijn dagen.—Godsdienstige feesten.—Zendelingen.—Stūpa’s.—Concilie van Patna (244).—Heilige teksten.—Drie Pitaka’s.VIII.Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme149–154Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.—Ondergang in Indië.—Oorzaken daarvan.—Het Boeddhisme in Tibet.—Overeenkomst met het Roomsch-Catholicisme.—Beschrijving eener godsdienstoefening in de kathedraal van Lhassa.—Slot.De Chineesche philosophie155–245I.Inleiding155–158Hoofddoel van deze uiteenzetting.—Het oude en standvastige der Chineesche beschaving.—De twee hoofdrichtingen der Chineesche philosophie.—Strijd van Confucianisme en Taoïsme.—Overwinning van Confucius.—Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.—Wat aan het Confucianisme het overwicht gaf.—Oud-Chineesche wijsgeer-profeten.—Keizer Wuwang (1110 v. C.)—Zijn fout.II.Confucius, zijn leven en leer157–178Zijn geboorte, naam, familie.—Zijn jeugd en huwelijk.—Bekleedt verschillende betrekkingen.—Zijn roem.—Confucius’ vlucht uit Lu.—Keert terug.—Wordt beambte der stad Chungtu.—Klimt ten slotte tot minister van justitie op.—Valt in ongenade.—In ballingschap.—In 483 in Lu terug.—Zijn dood en laatste woorden.—Eerst lang na zijn dood in eere.—Ten slotte afzonderlijke tempels voor hem.—Ook thans bij de Mandschoe regeering zeer geëerd.—Confucius’ leer niet nieuw.—Stelde het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.—Afkeer van bespiegeling over ’s menschen toekomst.—Confucius’ nauwgezetheid en vormelijkheid.—Welken indruk wij van zijn persoon krijgen.—Zijn ontmoeting met Lao-tsze.—Oordeel van Taoïstische werklieden.—Confucius en de roover Kih.—Oordeel van Wang-Chung.—Oordeel zijner leerlingen.—Confucius kind van zijn tijd en volk.—Kritiek van zijn leerling Tsze lu.—Zijn grief, dat hij miskend werd.—Zijn zwakheid.—Zijn leer der wederkeerigheid.—Zichzelf en anderen opvoeden.—Opvattingvan gehoorzaamheid.—Kinderlijke liefde begin van alle deugd.—Aanprijzing van zelfopvoeding.—Goed voorbeeld geven.—Zijn ware natuur volgen.—Harmonie bewaren.—Anderen behandelen, zooals men zelf behandeld wil zijn.—Ideaal van den wijze.—Fouten zoeken in zichzelf.—De vijf wederkeerige plichten.—De drie eigenschappen.—Waardoor zij uitgeoefend worden.—Negen regels voor de beheerschers des rijks.—Vorm, waarin Confucius zijne leer kleedt ook niet oorspronkelijk.—Wat Confucius eens op een beeld las in 517 v. Chr.—Verval van Confucius’ leer na zijn dood.III.Mencius178–190Zijn jeugd.—Zorg zijner moeder.—Zijn leerjaren.—Leeraar.—Politiek hervormer.—Mencius’ ontgoocheling.—Ambteloos burger.—Zijn dood.—Canonisatie.—Verschillend karakter van Confucius en Mencius.—Mencius’ strijd tegen Cynici en Mihisten.—Mencius’ democratie.—Zijn erkenning van de waarde der Chineesche beschaving.—Zijn leer der „voorbeschikking”.—Acht den mensch van nature goed.—Leer van Han yü en Chu hi over ’s menschen natuur.—De vijf en de drie dingen, in strijd met de kinderlijke liefde.—Mencius tegenover de secte van Shin nung.—Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral van dien des wijzen.—Zijn vijf eischen ten opzichte van het staatsbestuur.—Komt op tegen uitbuiting des volks.—Zijn strijd tegen Mih ti’s leer der algemeene liefde.—Leer van Mih ti.—Hoe Mencius dit systeem omverwierp.—Mencius’ strijd tegen den Taoïst Yang Chu (pessimist).—Mencius’ leer over de „hartstocht”.—Verwante denkbeelden bij den psycholoog Ribot.IV.Lao tsze190–202Zijn geboorte.—Latere verdichtselen daarover.—Zijn werk Tao teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.—Het Tao.—Wat daaronder te verstaan?—Iets onpersoonlijks.—Getuigenis van Lao tsze, van Huai nan tsze.—Tao de natuur (natura naturans).—Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang tsze).—Vergeleken met hedendaagsche beweringen.—Uitspraak van Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.—Verhouding van Tao en God.—Evolutiedoor de Taoïsten erkend.—Plaats van den mensch in het heelal volgens het Taoïsme.—Beschouwing van den dood.—Van ’s menschen roeping.—De „hemelsche” natuur te volgen.—Niet „actief” zijn.—Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan van Confucius en de zijnen.—Lao tsze prijst rust en nederigheid aan.—Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van druk.—Lao tsze wil weinig regeeren.— Hoe hij de ontaarding der regeering schetst.—Zijn regeeringsideaal.— Zijn aanprijzing van rust.—Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon.V.Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme202–215Chwang tsze en de vorst van Tsu.—Hoe hij begraven wilde worden.—Valt Confucius en diens leer scherp aan.—Waarschuwing tegen acht gebreken en vier fouten.—Keurt af Confucius’ rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.—Gispt de veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.—Chwang tsze over den dood.—Chwang tsze en de schedel.—Zijn besef van het onbevredigende des levens.—Lieh tsze.—Het betrekkelijke der kennis (de krankzinnige).—De man uit Yin (het vergankelijke).—Tchung lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der wereld.—Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).—Yang Chu.—Het korte leven dat zooveel droefs heeft.—Onbezorgd genieten.—Keizer Muh en de Magiër.—Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft zich aan Taoïstische kunsten over.—De Taoïstische „doktoren der rede” en het bijgeloof.—De Taoïstische paus.—Invloed van het Taoïsme op het volk.VI.De „geleerden” tegenover Taoïsme en Boeddhisme215–227Argumenten van weerszijden gebezigd.—Het onbloedige der vervolgingen.—Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs in de zedeleer der „geleerden” ingedrongen.—Oud en nieuw Confucianisme.—Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).—Het groote plan van Ho en de rol van Loh.—Reactie tegen het inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het Confucianisme.—De Mandschoe regeering en het Confucianisme.—Het heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen, pogingen om het populair te maken.—Zijn 16 sententiën.—Waarde van het Staats-Confucianisme.—Schaduwzijde.VII.De klassieke boeken der Chineezen227–243De vijf groote en de vier kleine klassieken.—De dertien klassieke werken.—Nog drie andere klassieken.—Geijkte verklaringen.—I-king.—Shu-king.—Shi-king.—Chau-li.—I-li.—Li-ki.—Chun Chiu.—Lun-yü.—De werken van Mencius.—Hsiao-king.—Het wonderboek Urhya.—Tahio.—Chung-yung.—Tshu-shu.—Kung tsze kia yu.Werken der Taoïsten: Tao teh king.—Commentaren.—Kwan yin tsze.—Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.—Liu Ngan (Huai nan tsze).Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.—Vernietiging der boeken door de dynastie Tsin.—Voorstelling van Sze ma tsien.—Latere „bibliotheek-rampen”.—Verdienste der Chineesche geleerden.—Vervalschingen.—Schade in den nieuwen tijd.—Slecht onderhoud der bibliotheken.—De ijver der Chineesche letterkundigen te prijzen.—Besluit.Het Mazdeïsme244–278I.Inleiding244–248Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen godsdienst.—Toch beiden uit één stam.—Moeilijkheid om het Mazdeïsme te beschrijven.—Zend-Avesta.—Zoroaster, historisch?—Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.—De drie phasen van het Mazdeïsme.—Alexander de Groote.—De Sassaniden (226–636 n. C.).—Wat van de oude literatuur is gebleven.—De Gātha’s, vertegenwoordigen oudste phase.—Gemeenschappelijke goden en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.—Waardoor later zooveel verschil?—Karakter der Zarathustrische hervorming.II.Het Mazdëisme der Gātha’s248–254Verhevenheid van Ahura Mazda.—De goede geniussen, die hij den mensch schenkt.—Bescherming van de koe, opgedragen aan Zoroaster.—Oude kosmogonische mythe.—De aarde als de gavenschenkende koe.—Mazda als de Alwetende,éénige God.—Mazda’s trawanten (geniussen).—Gematigd dualisme.—De daēva’s.—Lot van goeden en boozen.—Eindoordeel.—Hoe Mazda moet worden gediend.—Landbouw en huwelijk in hooge eere.—Geen zachtheid tegenover den vijand.—Offeren.—Gewijde spreuken.III.Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta254–271Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in den nieuwen godsdienst kwam.—DeAmesa-Spenta’s, meer zelfstandig.—Sraosa.—Ahuna vairya.—De „rechtvaardigste rechtvaardigheid” en „het hemellicht”.—Strijd om het hemellicht.—Atar, god van het vuur.—Apām Napāt.—Het hemelvuur.—Anahita.—Zon, maan en sterren.—Planeten als vijandig beschouwd.—Tistrya (Sirius).—Asi.—Haoma.—De roes van den onsterfelijkheidsdrank.—Mithra.—De fravasi’s.—Anrō mainyu en de booze geesten.—Anrō mainyu en Zarathustra.—De helpers van den booze.—De mensch tusschen Mazda en Anrō mainyu in.—Voorstelling omtrent heelal en aarde.—De eeuwigheid van Mazda’s schepping.—Voorstelling der schepping.—Des menschen levenstaak en dood.—Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding der wereld.—De drie Heilanden.—Anrō mainyu’s nederlaag.—De priesters.—De eeredienst.—Het haoma offer.—De vuurdienst.—De godsdienst in het leven.—Landbouw.—Heilige en onreine plaatsen.—Tegen ascese.—IJverige arbeid.—Eerlijkheid.—Tegen ontucht.—Reinheidseischen.—Heiligheid van vuur, aarde en water.—De dierenwereld.—Plicht tegenover reine en onreine dieren.—Innerlijke reinheid.—Straffen.—Geestelijke straffen.IV.Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s272–278Uitgeweken Perzen in Indië.—Welke twee punten van hun geloof zij vasthielden.—Wat hen wakker maakte.—Strijd met het Christendom.—Nieuwe Zarathustrische catechismus.—Dabadhaï Naoroja.—Scholen.—Lezingen.—Weekblad.—Vereeniging.—Verheffing der vrouw.—Tegen kinder-huwelijk.—Resultaat omtrent de gewijde boeken.—Beteekenis van het Parsisme.
Inhoud.
Bladz.VOORREDE1–4Het Brahmanisme5–37I.Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden5–15Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst en van Brahmanisme en Boeddhisme.—Pantheïstisch karakter van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.—Oorsprong van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en godsvereering, Rishi’s, Varuna, Agni, Indra, Sūrya, verwantschap der goden.—Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.—Kastenwezen.—De Veda’s.—Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Ātman, Brahmā, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en kluizenaar.—Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe deze zich met het volksgeloof verstond.II.Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing16–28Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun incarnaties, karakter en vereering.—Esoterische opvatting van het Brahmanisme.—Einddoel, waarnaar men streeft.—Vedānta en Sānkhya.—RāmāyanaenMahābhārata, Valmiki, Visvamitra, Yayati.—Op den drempel van het Boeddhisme.III.Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-Samāj)28–37Vroegere pogingen tot hervorming.—Karakter der nieuwere beweging.—Rāmmohun Roy.—Zijn optreden tegen deafgoderij.—Strijd tegen weduwenverbranding.—Zijn streven. Verhouding tot het Christendom.—Eeredienst.—Stichting der Brahmo Samāj.—Zijn dood.—Debendra-nāth.—Zijn beginselverklaring.—Liturgie.—Verdeeldheid.—Vier grondbeginselen.—Voornaamste punten der leer.—Narāin Bose.—Keshab Chander Sen.—Zijn doel.—Zijn jeugd.—Toetreding tot de broederschap.—Zijn radicalisme.—Sociale hervormingen, die hij voorstond.—Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden in een nieuwe vereeniging.—Program.—Godsdienstoefening.—Mozoomdar.Het Boeddhisme38–154I.Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden38–54Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.—Zijn verspreiding.—Zijn uiteenloopende opvatting.—Quaestie over het historische der Boeddha-figuur.—Waarheid en verdichting gemengd.—Boeddha’s geboorteplaats.—Wat over zijn jeugd vaststaat.—Zijn wonderbare geboorte.—Asita.—De vier voorteekens.—Voorzorgen van zijn vader.—De vier voorteekenen verschijnen.—Pogingen om de hoogere roeping van Boeddha te vernietigen.—Hemelgeesten sterken hem.—Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.—Geboorte van Rāhula.—Boeddha’s strijd.—Zijn besluit.—Zijn vertrek.—Wat Māra hem voortoovert.—Boeddha bij de kluizenaars.—In ’t woud.—Einde zijner zelfkastijding.—Zijn vijf leerlingen verlaten hem.—Zijn strijd en overwinning onder den Bō-boom.—Zijn verlichting.—Aarzeling om de leer te prediken.II.Boeddha als prediker van den weg des heils54–87Boeddha in het wildpark bij Benares.—De vijf vroegere leerlingen.—Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig pad.—Bekeering der vijf asceten.—Van Bimbisāra.—Van Sāriputta en Mogallāna.—Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese.—Boeddha ontmoet zijn vader.—Ziet Yaçodharā terug.—Boeddha in zijndagelijksch leven.—Gelijkheid in den kring der leerlingen.—Velen van hen zijn aanzienlijken.—Sunīta, leerling uit geringen stand.—Boeddhisme een democratische beweging?—Ānanda, de meest geliefde leerling.—Devadatta, de verrader.—Leekenvrienden en vriendinnen.—Visākhā.—Haar zorg voor monniken en nonnen.—Boeddha’s denkbeelden over de vrouw.—Gesprek daarover met Ānanda—Nonnen minder dan monniken geacht.—Boeddha’s strijd tegen de Brahmanen.—Boeddha over het offeren.—Boeddha tegen zelfkastijding.—Boeddha geen „vrijdenker” of „atheïst”.—Getuigenissen daarover.—Boeddha’s gesprek met Vāsettha over de vereeniging met Brahmā.—Boeddha en de schoone zondares.—De vergeldingsleer (Karma).—Aantrekkelijkheid van Boeddha’s persoon: zijn figuur geen schepping der verbeelding.—Boeddhistische spreuken.—Boeddha’s laatste levensdagen en dood.III.Boeddha’s onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen87–111Waarde in het Boeddhisme aan „de leer” gehecht.—Boeddha’s onderwijs vooral tot het verstand gericht.—Rede over den gloed der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige tot het hoogere.—Onderricht door vragen: gesprek met Sonā,—Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.—Gelijkenis van de vergeving.—Gelijkenis van den godloochenaar.—Gelijkenis van Kisāgotamī.—Geschiedenis van prins Kunāla.—Boeddha op een huwelijksfeest.—Geschiedenis van het meisje Bhadrā.—Koning Wessantara.—Koning Bambadat.—De hongerige hond.—Boeddha als vredestichter.—De verloren zoon.—De vrouw aan de bron.—Geschiedenis van Vāsavadatta.—Gelijkenis van het brandend huis.—Gesprek met Rāhula over valschheid.IV.Hoofdpunten van Boeddha’s leer111–119Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.—Schildering der Samsăra.—Er is echter verlossing.—Stemming der Boeddhisten in leven en sterven.—„Dorst” de oorzaak van het lijden.—Hoe Boeddha de zielsverhuizing opvatte?—Hoe Nirvāna?—De ketterij van Yamaka: conclusie.V.De weg des heils119–124Stations op den weg des heils.—Rechtschapenheid.—De vijf geboden.—Geestelijke oefening in welwillendheid.—Bekeering van Roja.—Geschiedenis van Sāma.—Beheersching der zinnen.—Opmerkzaamheid.—Māra, zijne verzoeking van Boeddha.—Gelijkenis van den schildpad.—Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde: extase.—Boeddha’s persoon op den achtergrond.VI.Het Boeddhisme in de praktijk124–139Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en aarde.—Geen hiërarchie.—Wie van de (monniken) gemeente zijn uitgesloten.—Opname als monnik (Pabbāja en Upasampadā).—De vier gestrenge regelen.—De vier groote verboden.—Gelofte niet voor altijd.—Goede daarin.—Tucht van het publiek.—Dagelijksch leven der monniken.—Onderricht der jeugd.—Aanzien, waarin zij staan.—Biechtsamenkomsten.—Biechtformule (Patimōkha).—De regentijd.—Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.—Hoe thans in Birma.—In Ceylon.—Voorlezing op Zondag uit de H. S.—Vier heilige plaatsen.—Boeddhistische nonnen.—Haar onderworpenheid aan de monniken.—De vrouwen tegenover Boeddha’s leer.—Haar gebed.—Boeddhistische leeken.—Hun levensopvatting. —Afkeer van den oorlog.—Individueele op den voorgrond.—Opvattingen over vergelding en boete.—Hoe zij staan tegenover den dood.—Waardeering der Boeddhistische leer.VII.De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme139–149Hoofdpunten, hierbij te bespreken.—Oude concilie’s.—Van Rājagriha, Vaisāli, Patna.—Açoka.—Zijn opschriften.—Açoka’s hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.—Zijn liefde voor den innerlijken godsdienst.—Zijn afkeer van den oorlog.—Bescherming van dieren.—Zorg voor kranke menschen en dieren.—Bepalingen ten gunste der monniken.—Het leven der monniken in zijn dagen.—Godsdienstige feesten.—Zendelingen.—Stūpa’s.—Concilie van Patna (244).—Heilige teksten.—Drie Pitaka’s.VIII.Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme149–154Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.—Ondergang in Indië.—Oorzaken daarvan.—Het Boeddhisme in Tibet.—Overeenkomst met het Roomsch-Catholicisme.—Beschrijving eener godsdienstoefening in de kathedraal van Lhassa.—Slot.De Chineesche philosophie155–245I.Inleiding155–158Hoofddoel van deze uiteenzetting.—Het oude en standvastige der Chineesche beschaving.—De twee hoofdrichtingen der Chineesche philosophie.—Strijd van Confucianisme en Taoïsme.—Overwinning van Confucius.—Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.—Wat aan het Confucianisme het overwicht gaf.—Oud-Chineesche wijsgeer-profeten.—Keizer Wuwang (1110 v. C.)—Zijn fout.II.Confucius, zijn leven en leer157–178Zijn geboorte, naam, familie.—Zijn jeugd en huwelijk.—Bekleedt verschillende betrekkingen.—Zijn roem.—Confucius’ vlucht uit Lu.—Keert terug.—Wordt beambte der stad Chungtu.—Klimt ten slotte tot minister van justitie op.—Valt in ongenade.—In ballingschap.—In 483 in Lu terug.—Zijn dood en laatste woorden.—Eerst lang na zijn dood in eere.—Ten slotte afzonderlijke tempels voor hem.—Ook thans bij de Mandschoe regeering zeer geëerd.—Confucius’ leer niet nieuw.—Stelde het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.—Afkeer van bespiegeling over ’s menschen toekomst.—Confucius’ nauwgezetheid en vormelijkheid.—Welken indruk wij van zijn persoon krijgen.—Zijn ontmoeting met Lao-tsze.—Oordeel van Taoïstische werklieden.—Confucius en de roover Kih.—Oordeel van Wang-Chung.—Oordeel zijner leerlingen.—Confucius kind van zijn tijd en volk.—Kritiek van zijn leerling Tsze lu.—Zijn grief, dat hij miskend werd.—Zijn zwakheid.—Zijn leer der wederkeerigheid.—Zichzelf en anderen opvoeden.—Opvattingvan gehoorzaamheid.—Kinderlijke liefde begin van alle deugd.—Aanprijzing van zelfopvoeding.—Goed voorbeeld geven.—Zijn ware natuur volgen.—Harmonie bewaren.—Anderen behandelen, zooals men zelf behandeld wil zijn.—Ideaal van den wijze.—Fouten zoeken in zichzelf.—De vijf wederkeerige plichten.—De drie eigenschappen.—Waardoor zij uitgeoefend worden.—Negen regels voor de beheerschers des rijks.—Vorm, waarin Confucius zijne leer kleedt ook niet oorspronkelijk.—Wat Confucius eens op een beeld las in 517 v. Chr.—Verval van Confucius’ leer na zijn dood.III.Mencius178–190Zijn jeugd.—Zorg zijner moeder.—Zijn leerjaren.—Leeraar.—Politiek hervormer.—Mencius’ ontgoocheling.—Ambteloos burger.—Zijn dood.—Canonisatie.—Verschillend karakter van Confucius en Mencius.—Mencius’ strijd tegen Cynici en Mihisten.—Mencius’ democratie.—Zijn erkenning van de waarde der Chineesche beschaving.—Zijn leer der „voorbeschikking”.—Acht den mensch van nature goed.—Leer van Han yü en Chu hi over ’s menschen natuur.—De vijf en de drie dingen, in strijd met de kinderlijke liefde.—Mencius tegenover de secte van Shin nung.—Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral van dien des wijzen.—Zijn vijf eischen ten opzichte van het staatsbestuur.—Komt op tegen uitbuiting des volks.—Zijn strijd tegen Mih ti’s leer der algemeene liefde.—Leer van Mih ti.—Hoe Mencius dit systeem omverwierp.—Mencius’ strijd tegen den Taoïst Yang Chu (pessimist).—Mencius’ leer over de „hartstocht”.—Verwante denkbeelden bij den psycholoog Ribot.IV.Lao tsze190–202Zijn geboorte.—Latere verdichtselen daarover.—Zijn werk Tao teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.—Het Tao.—Wat daaronder te verstaan?—Iets onpersoonlijks.—Getuigenis van Lao tsze, van Huai nan tsze.—Tao de natuur (natura naturans).—Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang tsze).—Vergeleken met hedendaagsche beweringen.—Uitspraak van Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.—Verhouding van Tao en God.—Evolutiedoor de Taoïsten erkend.—Plaats van den mensch in het heelal volgens het Taoïsme.—Beschouwing van den dood.—Van ’s menschen roeping.—De „hemelsche” natuur te volgen.—Niet „actief” zijn.—Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan van Confucius en de zijnen.—Lao tsze prijst rust en nederigheid aan.—Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van druk.—Lao tsze wil weinig regeeren.— Hoe hij de ontaarding der regeering schetst.—Zijn regeeringsideaal.— Zijn aanprijzing van rust.—Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon.V.Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme202–215Chwang tsze en de vorst van Tsu.—Hoe hij begraven wilde worden.—Valt Confucius en diens leer scherp aan.—Waarschuwing tegen acht gebreken en vier fouten.—Keurt af Confucius’ rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.—Gispt de veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.—Chwang tsze over den dood.—Chwang tsze en de schedel.—Zijn besef van het onbevredigende des levens.—Lieh tsze.—Het betrekkelijke der kennis (de krankzinnige).—De man uit Yin (het vergankelijke).—Tchung lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der wereld.—Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).—Yang Chu.—Het korte leven dat zooveel droefs heeft.—Onbezorgd genieten.—Keizer Muh en de Magiër.—Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft zich aan Taoïstische kunsten over.—De Taoïstische „doktoren der rede” en het bijgeloof.—De Taoïstische paus.—Invloed van het Taoïsme op het volk.VI.De „geleerden” tegenover Taoïsme en Boeddhisme215–227Argumenten van weerszijden gebezigd.—Het onbloedige der vervolgingen.—Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs in de zedeleer der „geleerden” ingedrongen.—Oud en nieuw Confucianisme.—Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).—Het groote plan van Ho en de rol van Loh.—Reactie tegen het inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het Confucianisme.—De Mandschoe regeering en het Confucianisme.—Het heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen, pogingen om het populair te maken.—Zijn 16 sententiën.—Waarde van het Staats-Confucianisme.—Schaduwzijde.VII.De klassieke boeken der Chineezen227–243De vijf groote en de vier kleine klassieken.—De dertien klassieke werken.—Nog drie andere klassieken.—Geijkte verklaringen.—I-king.—Shu-king.—Shi-king.—Chau-li.—I-li.—Li-ki.—Chun Chiu.—Lun-yü.—De werken van Mencius.—Hsiao-king.—Het wonderboek Urhya.—Tahio.—Chung-yung.—Tshu-shu.—Kung tsze kia yu.Werken der Taoïsten: Tao teh king.—Commentaren.—Kwan yin tsze.—Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.—Liu Ngan (Huai nan tsze).Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.—Vernietiging der boeken door de dynastie Tsin.—Voorstelling van Sze ma tsien.—Latere „bibliotheek-rampen”.—Verdienste der Chineesche geleerden.—Vervalschingen.—Schade in den nieuwen tijd.—Slecht onderhoud der bibliotheken.—De ijver der Chineesche letterkundigen te prijzen.—Besluit.Het Mazdeïsme244–278I.Inleiding244–248Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen godsdienst.—Toch beiden uit één stam.—Moeilijkheid om het Mazdeïsme te beschrijven.—Zend-Avesta.—Zoroaster, historisch?—Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.—De drie phasen van het Mazdeïsme.—Alexander de Groote.—De Sassaniden (226–636 n. C.).—Wat van de oude literatuur is gebleven.—De Gātha’s, vertegenwoordigen oudste phase.—Gemeenschappelijke goden en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.—Waardoor later zooveel verschil?—Karakter der Zarathustrische hervorming.II.Het Mazdëisme der Gātha’s248–254Verhevenheid van Ahura Mazda.—De goede geniussen, die hij den mensch schenkt.—Bescherming van de koe, opgedragen aan Zoroaster.—Oude kosmogonische mythe.—De aarde als de gavenschenkende koe.—Mazda als de Alwetende,éénige God.—Mazda’s trawanten (geniussen).—Gematigd dualisme.—De daēva’s.—Lot van goeden en boozen.—Eindoordeel.—Hoe Mazda moet worden gediend.—Landbouw en huwelijk in hooge eere.—Geen zachtheid tegenover den vijand.—Offeren.—Gewijde spreuken.III.Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta254–271Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in den nieuwen godsdienst kwam.—DeAmesa-Spenta’s, meer zelfstandig.—Sraosa.—Ahuna vairya.—De „rechtvaardigste rechtvaardigheid” en „het hemellicht”.—Strijd om het hemellicht.—Atar, god van het vuur.—Apām Napāt.—Het hemelvuur.—Anahita.—Zon, maan en sterren.—Planeten als vijandig beschouwd.—Tistrya (Sirius).—Asi.—Haoma.—De roes van den onsterfelijkheidsdrank.—Mithra.—De fravasi’s.—Anrō mainyu en de booze geesten.—Anrō mainyu en Zarathustra.—De helpers van den booze.—De mensch tusschen Mazda en Anrō mainyu in.—Voorstelling omtrent heelal en aarde.—De eeuwigheid van Mazda’s schepping.—Voorstelling der schepping.—Des menschen levenstaak en dood.—Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding der wereld.—De drie Heilanden.—Anrō mainyu’s nederlaag.—De priesters.—De eeredienst.—Het haoma offer.—De vuurdienst.—De godsdienst in het leven.—Landbouw.—Heilige en onreine plaatsen.—Tegen ascese.—IJverige arbeid.—Eerlijkheid.—Tegen ontucht.—Reinheidseischen.—Heiligheid van vuur, aarde en water.—De dierenwereld.—Plicht tegenover reine en onreine dieren.—Innerlijke reinheid.—Straffen.—Geestelijke straffen.IV.Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s272–278Uitgeweken Perzen in Indië.—Welke twee punten van hun geloof zij vasthielden.—Wat hen wakker maakte.—Strijd met het Christendom.—Nieuwe Zarathustrische catechismus.—Dabadhaï Naoroja.—Scholen.—Lezingen.—Weekblad.—Vereeniging.—Verheffing der vrouw.—Tegen kinder-huwelijk.—Resultaat omtrent de gewijde boeken.—Beteekenis van het Parsisme.
Bladz.
VOORREDE1–4
Het Brahmanisme5–37
I.Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden5–15
Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst en van Brahmanisme en Boeddhisme.—Pantheïstisch karakter van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.—Oorsprong van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en godsvereering, Rishi’s, Varuna, Agni, Indra, Sūrya, verwantschap der goden.—Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.—Kastenwezen.—De Veda’s.—Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Ātman, Brahmā, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en kluizenaar.—Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe deze zich met het volksgeloof verstond.
II.Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing16–28
Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun incarnaties, karakter en vereering.—Esoterische opvatting van het Brahmanisme.—Einddoel, waarnaar men streeft.—Vedānta en Sānkhya.—RāmāyanaenMahābhārata, Valmiki, Visvamitra, Yayati.—Op den drempel van het Boeddhisme.
III.Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-Samāj)28–37
Vroegere pogingen tot hervorming.—Karakter der nieuwere beweging.—Rāmmohun Roy.—Zijn optreden tegen deafgoderij.—Strijd tegen weduwenverbranding.—Zijn streven. Verhouding tot het Christendom.—Eeredienst.—Stichting der Brahmo Samāj.—Zijn dood.—Debendra-nāth.—Zijn beginselverklaring.—Liturgie.—Verdeeldheid.—Vier grondbeginselen.—Voornaamste punten der leer.—Narāin Bose.—Keshab Chander Sen.—Zijn doel.—Zijn jeugd.—Toetreding tot de broederschap.—Zijn radicalisme.—Sociale hervormingen, die hij voorstond.—Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden in een nieuwe vereeniging.—Program.—Godsdienstoefening.—Mozoomdar.
Het Boeddhisme38–154
I.Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden38–54
Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.—Zijn verspreiding.—Zijn uiteenloopende opvatting.—Quaestie over het historische der Boeddha-figuur.—Waarheid en verdichting gemengd.—Boeddha’s geboorteplaats.—Wat over zijn jeugd vaststaat.—Zijn wonderbare geboorte.—Asita.—De vier voorteekens.—Voorzorgen van zijn vader.—De vier voorteekenen verschijnen.—Pogingen om de hoogere roeping van Boeddha te vernietigen.—Hemelgeesten sterken hem.—Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.—Geboorte van Rāhula.—Boeddha’s strijd.—Zijn besluit.—Zijn vertrek.—Wat Māra hem voortoovert.—Boeddha bij de kluizenaars.—In ’t woud.—Einde zijner zelfkastijding.—Zijn vijf leerlingen verlaten hem.—Zijn strijd en overwinning onder den Bō-boom.—Zijn verlichting.—Aarzeling om de leer te prediken.
II.Boeddha als prediker van den weg des heils54–87
Boeddha in het wildpark bij Benares.—De vijf vroegere leerlingen.—Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig pad.—Bekeering der vijf asceten.—Van Bimbisāra.—Van Sāriputta en Mogallāna.—Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese.—Boeddha ontmoet zijn vader.—Ziet Yaçodharā terug.—Boeddha in zijndagelijksch leven.—Gelijkheid in den kring der leerlingen.—Velen van hen zijn aanzienlijken.—Sunīta, leerling uit geringen stand.—Boeddhisme een democratische beweging?—Ānanda, de meest geliefde leerling.—Devadatta, de verrader.—Leekenvrienden en vriendinnen.—Visākhā.—Haar zorg voor monniken en nonnen.—Boeddha’s denkbeelden over de vrouw.—Gesprek daarover met Ānanda—Nonnen minder dan monniken geacht.—Boeddha’s strijd tegen de Brahmanen.—Boeddha over het offeren.—Boeddha tegen zelfkastijding.—Boeddha geen „vrijdenker” of „atheïst”.—Getuigenissen daarover.—Boeddha’s gesprek met Vāsettha over de vereeniging met Brahmā.—Boeddha en de schoone zondares.—De vergeldingsleer (Karma).—Aantrekkelijkheid van Boeddha’s persoon: zijn figuur geen schepping der verbeelding.—Boeddhistische spreuken.—Boeddha’s laatste levensdagen en dood.
III.Boeddha’s onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen87–111
Waarde in het Boeddhisme aan „de leer” gehecht.—Boeddha’s onderwijs vooral tot het verstand gericht.—Rede over den gloed der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige tot het hoogere.—Onderricht door vragen: gesprek met Sonā,—Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.—Gelijkenis van de vergeving.—Gelijkenis van den godloochenaar.—Gelijkenis van Kisāgotamī.—Geschiedenis van prins Kunāla.—Boeddha op een huwelijksfeest.—Geschiedenis van het meisje Bhadrā.—Koning Wessantara.—Koning Bambadat.—De hongerige hond.—Boeddha als vredestichter.—De verloren zoon.—De vrouw aan de bron.—Geschiedenis van Vāsavadatta.—Gelijkenis van het brandend huis.—Gesprek met Rāhula over valschheid.
IV.Hoofdpunten van Boeddha’s leer111–119
Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.—Schildering der Samsăra.—Er is echter verlossing.—Stemming der Boeddhisten in leven en sterven.—„Dorst” de oorzaak van het lijden.—Hoe Boeddha de zielsverhuizing opvatte?—Hoe Nirvāna?—De ketterij van Yamaka: conclusie.
V.De weg des heils119–124
Stations op den weg des heils.—Rechtschapenheid.—De vijf geboden.—Geestelijke oefening in welwillendheid.—Bekeering van Roja.—Geschiedenis van Sāma.—Beheersching der zinnen.—Opmerkzaamheid.—Māra, zijne verzoeking van Boeddha.—Gelijkenis van den schildpad.—Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde: extase.—Boeddha’s persoon op den achtergrond.
VI.Het Boeddhisme in de praktijk124–139
Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en aarde.—Geen hiërarchie.—Wie van de (monniken) gemeente zijn uitgesloten.—Opname als monnik (Pabbāja en Upasampadā).—De vier gestrenge regelen.—De vier groote verboden.—Gelofte niet voor altijd.—Goede daarin.—Tucht van het publiek.—Dagelijksch leven der monniken.—Onderricht der jeugd.—Aanzien, waarin zij staan.—Biechtsamenkomsten.—Biechtformule (Patimōkha).—De regentijd.—Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.—Hoe thans in Birma.—In Ceylon.—Voorlezing op Zondag uit de H. S.—Vier heilige plaatsen.—Boeddhistische nonnen.—Haar onderworpenheid aan de monniken.—De vrouwen tegenover Boeddha’s leer.—Haar gebed.—Boeddhistische leeken.—Hun levensopvatting. —Afkeer van den oorlog.—Individueele op den voorgrond.—Opvattingen over vergelding en boete.—Hoe zij staan tegenover den dood.—Waardeering der Boeddhistische leer.
VII.De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme139–149
Hoofdpunten, hierbij te bespreken.—Oude concilie’s.—Van Rājagriha, Vaisāli, Patna.—Açoka.—Zijn opschriften.—Açoka’s hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.—Zijn liefde voor den innerlijken godsdienst.—Zijn afkeer van den oorlog.—Bescherming van dieren.—Zorg voor kranke menschen en dieren.—Bepalingen ten gunste der monniken.—Het leven der monniken in zijn dagen.—Godsdienstige feesten.—Zendelingen.—Stūpa’s.—Concilie van Patna (244).—Heilige teksten.—Drie Pitaka’s.
VIII.Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme149–154
Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.—Ondergang in Indië.—Oorzaken daarvan.—Het Boeddhisme in Tibet.—Overeenkomst met het Roomsch-Catholicisme.—Beschrijving eener godsdienstoefening in de kathedraal van Lhassa.—Slot.
De Chineesche philosophie155–245
I.Inleiding155–158
Hoofddoel van deze uiteenzetting.—Het oude en standvastige der Chineesche beschaving.—De twee hoofdrichtingen der Chineesche philosophie.—Strijd van Confucianisme en Taoïsme.—Overwinning van Confucius.—Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.—Wat aan het Confucianisme het overwicht gaf.—Oud-Chineesche wijsgeer-profeten.—Keizer Wuwang (1110 v. C.)—Zijn fout.
II.Confucius, zijn leven en leer157–178
Zijn geboorte, naam, familie.—Zijn jeugd en huwelijk.—Bekleedt verschillende betrekkingen.—Zijn roem.—Confucius’ vlucht uit Lu.—Keert terug.—Wordt beambte der stad Chungtu.—Klimt ten slotte tot minister van justitie op.—Valt in ongenade.—In ballingschap.—In 483 in Lu terug.—Zijn dood en laatste woorden.—Eerst lang na zijn dood in eere.—Ten slotte afzonderlijke tempels voor hem.—Ook thans bij de Mandschoe regeering zeer geëerd.—Confucius’ leer niet nieuw.—Stelde het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.—Afkeer van bespiegeling over ’s menschen toekomst.—Confucius’ nauwgezetheid en vormelijkheid.—Welken indruk wij van zijn persoon krijgen.—Zijn ontmoeting met Lao-tsze.—Oordeel van Taoïstische werklieden.—Confucius en de roover Kih.—Oordeel van Wang-Chung.—Oordeel zijner leerlingen.—Confucius kind van zijn tijd en volk.—Kritiek van zijn leerling Tsze lu.—Zijn grief, dat hij miskend werd.—Zijn zwakheid.—Zijn leer der wederkeerigheid.—Zichzelf en anderen opvoeden.—Opvattingvan gehoorzaamheid.—Kinderlijke liefde begin van alle deugd.—Aanprijzing van zelfopvoeding.—Goed voorbeeld geven.—Zijn ware natuur volgen.—Harmonie bewaren.—Anderen behandelen, zooals men zelf behandeld wil zijn.—Ideaal van den wijze.—Fouten zoeken in zichzelf.—De vijf wederkeerige plichten.—De drie eigenschappen.—Waardoor zij uitgeoefend worden.—Negen regels voor de beheerschers des rijks.—Vorm, waarin Confucius zijne leer kleedt ook niet oorspronkelijk.—Wat Confucius eens op een beeld las in 517 v. Chr.—Verval van Confucius’ leer na zijn dood.
III.Mencius178–190
Zijn jeugd.—Zorg zijner moeder.—Zijn leerjaren.—Leeraar.—Politiek hervormer.—Mencius’ ontgoocheling.—Ambteloos burger.—Zijn dood.—Canonisatie.—Verschillend karakter van Confucius en Mencius.—Mencius’ strijd tegen Cynici en Mihisten.—Mencius’ democratie.—Zijn erkenning van de waarde der Chineesche beschaving.—Zijn leer der „voorbeschikking”.—Acht den mensch van nature goed.—Leer van Han yü en Chu hi over ’s menschen natuur.—De vijf en de drie dingen, in strijd met de kinderlijke liefde.—Mencius tegenover de secte van Shin nung.—Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral van dien des wijzen.—Zijn vijf eischen ten opzichte van het staatsbestuur.—Komt op tegen uitbuiting des volks.—Zijn strijd tegen Mih ti’s leer der algemeene liefde.—Leer van Mih ti.—Hoe Mencius dit systeem omverwierp.—Mencius’ strijd tegen den Taoïst Yang Chu (pessimist).—Mencius’ leer over de „hartstocht”.—Verwante denkbeelden bij den psycholoog Ribot.
IV.Lao tsze190–202
Zijn geboorte.—Latere verdichtselen daarover.—Zijn werk Tao teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.—Het Tao.—Wat daaronder te verstaan?—Iets onpersoonlijks.—Getuigenis van Lao tsze, van Huai nan tsze.—Tao de natuur (natura naturans).—Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang tsze).—Vergeleken met hedendaagsche beweringen.—Uitspraak van Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.—Verhouding van Tao en God.—Evolutiedoor de Taoïsten erkend.—Plaats van den mensch in het heelal volgens het Taoïsme.—Beschouwing van den dood.—Van ’s menschen roeping.—De „hemelsche” natuur te volgen.—Niet „actief” zijn.—Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan van Confucius en de zijnen.—Lao tsze prijst rust en nederigheid aan.—Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van druk.—Lao tsze wil weinig regeeren.— Hoe hij de ontaarding der regeering schetst.—Zijn regeeringsideaal.— Zijn aanprijzing van rust.—Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon.
V.Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme202–215
Chwang tsze en de vorst van Tsu.—Hoe hij begraven wilde worden.—Valt Confucius en diens leer scherp aan.—Waarschuwing tegen acht gebreken en vier fouten.—Keurt af Confucius’ rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.—Gispt de veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.—Chwang tsze over den dood.—Chwang tsze en de schedel.—Zijn besef van het onbevredigende des levens.—Lieh tsze.—Het betrekkelijke der kennis (de krankzinnige).—De man uit Yin (het vergankelijke).—Tchung lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der wereld.—Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).—Yang Chu.—Het korte leven dat zooveel droefs heeft.—Onbezorgd genieten.—Keizer Muh en de Magiër.—Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft zich aan Taoïstische kunsten over.—De Taoïstische „doktoren der rede” en het bijgeloof.—De Taoïstische paus.—Invloed van het Taoïsme op het volk.
VI.De „geleerden” tegenover Taoïsme en Boeddhisme215–227
Argumenten van weerszijden gebezigd.—Het onbloedige der vervolgingen.—Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs in de zedeleer der „geleerden” ingedrongen.—Oud en nieuw Confucianisme.—Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).—Het groote plan van Ho en de rol van Loh.—Reactie tegen het inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het Confucianisme.—De Mandschoe regeering en het Confucianisme.—Het heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen, pogingen om het populair te maken.—Zijn 16 sententiën.—Waarde van het Staats-Confucianisme.—Schaduwzijde.
VII.De klassieke boeken der Chineezen227–243
De vijf groote en de vier kleine klassieken.—De dertien klassieke werken.—Nog drie andere klassieken.—Geijkte verklaringen.—I-king.—Shu-king.—Shi-king.—Chau-li.—I-li.—Li-ki.—Chun Chiu.—Lun-yü.—De werken van Mencius.—Hsiao-king.—Het wonderboek Urhya.—Tahio.—Chung-yung.—Tshu-shu.—Kung tsze kia yu.
Werken der Taoïsten: Tao teh king.—Commentaren.—Kwan yin tsze.—Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.—Liu Ngan (Huai nan tsze).
Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.—Vernietiging der boeken door de dynastie Tsin.—Voorstelling van Sze ma tsien.—Latere „bibliotheek-rampen”.—Verdienste der Chineesche geleerden.—Vervalschingen.—Schade in den nieuwen tijd.—Slecht onderhoud der bibliotheken.—De ijver der Chineesche letterkundigen te prijzen.—Besluit.
Het Mazdeïsme244–278
I.Inleiding244–248
Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen godsdienst.—Toch beiden uit één stam.—Moeilijkheid om het Mazdeïsme te beschrijven.—Zend-Avesta.—Zoroaster, historisch?—Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.—De drie phasen van het Mazdeïsme.—Alexander de Groote.—De Sassaniden (226–636 n. C.).—Wat van de oude literatuur is gebleven.—De Gātha’s, vertegenwoordigen oudste phase.—Gemeenschappelijke goden en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.—Waardoor later zooveel verschil?—Karakter der Zarathustrische hervorming.
II.Het Mazdëisme der Gātha’s248–254
Verhevenheid van Ahura Mazda.—De goede geniussen, die hij den mensch schenkt.—Bescherming van de koe, opgedragen aan Zoroaster.—Oude kosmogonische mythe.—De aarde als de gavenschenkende koe.—Mazda als de Alwetende,éénige God.—Mazda’s trawanten (geniussen).—Gematigd dualisme.—De daēva’s.—Lot van goeden en boozen.—Eindoordeel.—Hoe Mazda moet worden gediend.—Landbouw en huwelijk in hooge eere.—Geen zachtheid tegenover den vijand.—Offeren.—Gewijde spreuken.
III.Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta254–271
Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in den nieuwen godsdienst kwam.—DeAmesa-Spenta’s, meer zelfstandig.—Sraosa.—Ahuna vairya.—De „rechtvaardigste rechtvaardigheid” en „het hemellicht”.—Strijd om het hemellicht.—Atar, god van het vuur.—Apām Napāt.—Het hemelvuur.—Anahita.—Zon, maan en sterren.—Planeten als vijandig beschouwd.—Tistrya (Sirius).—Asi.—Haoma.—De roes van den onsterfelijkheidsdrank.—Mithra.—De fravasi’s.—Anrō mainyu en de booze geesten.—Anrō mainyu en Zarathustra.—De helpers van den booze.—De mensch tusschen Mazda en Anrō mainyu in.—Voorstelling omtrent heelal en aarde.—De eeuwigheid van Mazda’s schepping.—Voorstelling der schepping.—Des menschen levenstaak en dood.—Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding der wereld.—De drie Heilanden.—Anrō mainyu’s nederlaag.—De priesters.—De eeredienst.—Het haoma offer.—De vuurdienst.—De godsdienst in het leven.—Landbouw.—Heilige en onreine plaatsen.—Tegen ascese.—IJverige arbeid.—Eerlijkheid.—Tegen ontucht.—Reinheidseischen.—Heiligheid van vuur, aarde en water.—De dierenwereld.—Plicht tegenover reine en onreine dieren.—Innerlijke reinheid.—Straffen.—Geestelijke straffen.
IV.Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s272–278
Uitgeweken Perzen in Indië.—Welke twee punten van hun geloof zij vasthielden.—Wat hen wakker maakte.—Strijd met het Christendom.—Nieuwe Zarathustrische catechismus.—Dabadhaï Naoroja.—Scholen.—Lezingen.—Weekblad.—Vereeniging.—Verheffing der vrouw.—Tegen kinder-huwelijk.—Resultaat omtrent de gewijde boeken.—Beteekenis van het Parsisme.