HoofdstukVI.

HoofdstukVI.Het Mazdeïsme.I. Inleiding.Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken omgang eischt.En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,1waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, in den strijd tegen devijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek—velen meenen in Bactrië—is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de „Verhevene”, zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te verstaan is.Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit boek is vastgeknoopt. ’t Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te nemen, dat althans de Gātha’s, oude liederen, die van het Avesta een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór Christus en lang vóór Cyrus (6eeeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks ook koning Vistaçpā. Veel had hij te strijden met den invloed der Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.Wat het Zend-Avesta betreft,—de naam beteekentwet(avesta) metverklaring(zend)—dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en uitgegeven2, in Europa bekend geworden.Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens 6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede teekent hem, zooals hij meer in ’t practische leven inwerkt, doch dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, zij het in aarden vaten, in zich dragend.Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gātha’s) en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover zal hier niet misplaatst zijn.In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, alzoo in de 4eeeuwvóórChristus schijnt er, volgens geloofwaardige berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts een gedeelte bleef gespaard.Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der Sassaniden (226–636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog in de 9eeeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du Perron is uitgegeven, is het volgende:1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de offerhandeling.2. Vispēred (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij „alle heeren” worden aangeroepen.3. Vendīdād (wet tegen de daēva’s = duivelen) in 22 fargards (hoofdstukken).4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata’s (verheven wezens) aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme.3In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gātha’s (oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot het jaar 1000vóóronze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus dezelfde. Deze waren o. a. Varuna enMithra, Yama, of zooals de Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning van het oudste menschdom en van het doodenrijk.4Ook wisten zij toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijdenroes dronk: een middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke bezieling te geraken.De twee—later zoo uiteenloopende stroomen—waren dus eenmaal één. Hoe zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij de Perzen echter heeft—zeker geruimen tijd na hunne scheiding van de vroegere landgenooten—een bepaalde hervorming van den godsdienst plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, dat de Gātha’s van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank vonden in zijn rein gemoed.II. Het Mazdeïsme derGātha’s.Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van Mazda, ook welAhura Mazdageheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, geestelijke en stoffelijke. „Wie,” zoo heet het van hem in een der oude liederen,5„heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie schiep in ’s vaders gemoed het verlangen naar een zoon?”Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. „Van den aanvang af, Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze vestigt.”6Alles roept Mazda in ’t leven: hij schept Vohumanō (de goede gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra (het ware rijk).7Geeft hij dezen als goede geniussen aan den mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gātha’s als zijn trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, gezeten, landbouwende huisvaders te maken.Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, ging echter ten hemel.Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt „de ziel van het rund” over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda’s trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda’s geboden te verkondigen, het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van landbouw en veeteelt op.Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude Indiërs8voorgesteld als de Alziende, die nietbedrogen kan worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte is, hem „die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen des rechts voorschrijft.”Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem—voornamelijk een zestal—hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij bedenken: 1edat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten wordt voorgesteld, 2edat deze trawanten nauwelijks als personen, veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder genoemd worden Vohumanō = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda’s heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten van den mensch in ’t algemeen en in het bizonder die tegenover de hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen vanVohumanō (bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst (waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de grootste vijand der Drukh’s (booze geesten), die zijn stichtingen vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, hoewel Khsatra’s zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumanō: m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en landbouw moeten hand aan hand gaan.Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gātha’s niet als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn verbonden. Zij zijn Haurvatāt en Ameretāt. De eerste naam beteekent: volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat hij hun op aarde kracht en duurzaamheid(de aardsche zegeningen, die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gātha’s voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig „gehoorzaamheid” beteekent. Hij wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet hij: de weg tot de godheid.Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumanō, de goede gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatāt, het volkomen welzijn, Ameretāt, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.De leer van éénen God.—En—zegt de lezer misschien, de oud-Perzische leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, een goede en een booze:Ahura Mazdaen Anrō-mainyu. Zeer zeker. Doch vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gātha’s vinden wij het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, de een het leven, de ander het niet-leven.Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars,het beste voor den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, die wenschen Ahura Mazda te behagen.Van een duivel tegenover den goeden god: Anrō-mainyu tegenover Ahura Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden tot het gebied van Anrō-mainyu, den booze.Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme:Anrō-mainyuzou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.Mazda was dus de eenige god.—Doch—onder het Perzische volk was vrijwel inheemsch de dienst der daēva’s, der oude goden, die men reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daēva’s werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daēva’s eenmaal vereerd werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daēva’s, ook aan den mensch. Hij kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daēva’s enDrukhs, de booze machten, waarvan Aēsma een der voornaamste is.Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle brug Çinvat naar de Garō demāna, de liederenwoning, waar Mazda met zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der onsterfelijken (haurvatāt en ameretāt),waar Mazda der vromen gebeden hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van ouds beloofd.Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat („de brug van het verzamelen”), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met afgrijselijke spijzen worden gevoed.Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later echter komt een eindoordeel, „de voleinding der wereld” zooals het in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda’s begeerlijke wereld deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven Mazda’s gebied uitbreiden.Mazda’s gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt ook Mazda’s rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet dus Mazda’s dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven valt te denken: integendeel, het huwelijkis een godsdienstige plicht, het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo heet het, „onderwijze men met het zwaard.” Hem te sparen is zondig; doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.Wat den eeredienst betreft: daarin nam het „roode, heete vuur” van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, voorts uit een offerkoek, die Haurvatāt en een drank, die Ameretāt vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, die van Mazda diens welbehagen leerde.Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef Mazda’s medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het licht treden,Ahura Mazdaen Anrō-mainyu komen tegenover elkaar te staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda de machtigste.III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta.We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, of zij boeten in den strijd om ’t bestaan iets van hun zuiverheid in. Zoo nu is het ook hier gegaan.De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet behoorden: welnu—er was geen andere weg, dan dezen onder de hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij waren gehecht aan godsdienstigegebruiken, oorspronkelijk aan ’t Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met eenZarathustrischenijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, alzoo circa 535–325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze opvatting moet worden beschouwd.Ahura Mazda leerden wij volgens de Gātha’s kennen als den hoogsten der goden, den schepper van ’t heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden Vohumanō en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem ter zijde staande,9meer als personen opgevat, dan vroeger het geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, die met Ahura Mazda te zamen de zevenAmesa-Spenta’sworden genoemd en de schoonste eerenamen dragen,10terwijl dan een gansch heirleger minder hooge geesten, de Yazata’s (vereeringswaardigen) onder hen staan.Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garō demāna: den hemel. M.a.w. men erkent deéénheidin de veelheid, zij zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den voorgrond: ’t zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke Haurvatāt en Ameretāt als mannelijke wezens voorgesteld.Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden b.v. de zooeven genoemde Haurvatāt en Ameretāt ook de stillers van honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den mensch,11komt thans in hoogeeere. Hij wordt voorgesteld, niet slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de onsterfelijke weldoeners, deAmesa-spenta’s, hun invloed door de wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal ’s nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, kracht gevende gebed Ahuna vairya.12Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met opgeheven zwaard, ook te middernacht.Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige vogel toekende.Niet alleen echter de Amesa-spenta’s en Sraosa worden thans meer persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata’s bij, die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.Ook het hemellicht—reeds voor Zarathustra’s hervorming in Perzië vereerd—wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, neen, ’t is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaalzelfs zal het—bij de voleinding der wereld—de vernieuwing van alle dingen en de opstanding der heiligen bewerken.Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten vanvóórZarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saōsyant), die in de toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf toekomt. Men hoore de volgende mythe:Twee wedijverende geesten, Spenta en Anrō mainyu: de goede en de booze geest,13pogen zich meester te maken van het hvarena. De eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi dahāka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apām napāt14verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar—de god van het huiselijk vuur, het haardvuur—werd veel gediend. Hij, die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: Apām napāt, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, „de vrouwenheer”.) en Nairyō-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:alléénzoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de gansche aarde teoverstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt op Mazda’s bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich vertoont, grijpen de Amesa-spenta’s den glans en verdeelen dien over de aarde.Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan deAmesa-spenta’sen zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata’s:15want indien de zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn de booze machten der duisternis, dedaēva’ste weerstaan?Wat de sterren betreft—de planeten vereerde men niet, dat waren in de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, die men met de ster Sirius vereenzelvigde.Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van denzomer den weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling16, gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte strijdt hij tegen den daēva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden stroomt en op de aarde neerdaalt.M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, dat het donkere zwerk bekampt en overwint.Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En—de grootste zonde in hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten leven op prijs stelt? Onder de goden, in hetZarathustrischsysteem opgenomen, mogen wij vooral Haoma,Hom, zooals hij soms ook genoemd wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid reeds vroeger in Indië17en met verwondering zien we hem ook hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder het zingen der Gātha’s, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch nijd veroorzaakt.Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots gewapend—want hij is een krijgsgod—gaat hij rond om alles op te merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachtenen zijn tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer der wereld aangesteld.Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata’s, de vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort beschermgeesten, de Fravasi’s een vrij belangrijke rol. Zij zijn het, die—ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek geloof—de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn er myriaden van Fravasi’s, die de wacht houden over het gesternte, vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren het dichtst bij de woningen der daēva’s staat. Wederom anderen waken over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger worden. Somtijds ook worden de fravasi’s voorgesteld als eigenlijk de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk werden deze echter daarvan onderscheiden.Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter staat een gansche wereld van booze geesten, met Anrō mainyu aan het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.Anrō mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede dat de heilige Zarathustra, de geesel der daēva’s, de aartsvijand der druja’s, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnischegeloofsbelijdenis op te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog andere pogingen worden in ’t werk gesteld, doch Zarathustra, sterk met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou te niet gaan dan het geloof afzweren.Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, waartegen de vijand niets vermag.Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anrōmainyuter zijde: Aēsma,de nijd, Ahōmanō, de slechte gezindheid, Tauru, de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika’s, de schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra de heilige vogel van Sraosa, Parōdars, de haan, de wereld heeft wakker gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou kunnen heeten. Verder de druja’s, die de menschen tot vleeschelijke gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daēva’s, die verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, „de duistere duisternis, uit duisternis gesproten.” Tegen al deze machten, door Anrō mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide machten, de goede en de booze in. Bovenhem toch welft zich de hemel, de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf is in het rijk van Vayu18, in den dampkring. De aarde waarop de mensch woont, is in zeven karsvare’s (kringen) verdeeld. De middelste daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken van de zeven dvipa’s. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de Fravasi’s de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven geesten en Mazda wonen. In ’t midden daarvan staat de hemelboom, waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend Saēna neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taēra, het middelpunt der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dierlichtsfeer. Al het andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata’s, heeft Ahura Mazda geschapen.Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda een hemelsche schepping tot stand door19het uitspreken van het heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, de wateren, de planten, het vee, de menschen.We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: amesa-spenta’s, yazata’s enz., doch ten slotte ook de vijandige geest met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd20, hiernamaals eeuwig loon.In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daēva’s om zijn bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, is de strijd beslist.De booze daēvadienaars worden meegenomen door den daēva Vizaresa (den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij hier moesten prijsgeven.Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda met zijn heiligen is.Vohumanō rijst van zijn gouden troon en vraagt: „Hoe zijt gij hier tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?”Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort vagevuur, te gewagen.De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta’s geholpen, de wereld herscheppen.Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anrō mainyu, trekt zich in wanhoop terug.Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aēsma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem manō, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumanō verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatāt en Ameretāt maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anrō mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten.Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en deAmesa-Spenta’svooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuurachtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant,21het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda’s hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahrām vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parōdars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daēva’s gedood.De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren—’t zelfdehad trouwens in Indië plaats22—minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.Gewoonlijk heet deze: Daēna, dat nu eens door „wet”, danweer door „godsdienst” kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat hetnomadenlevenvan den daēvadienaar.Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht).Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daēva’s.De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daēva’s vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anrō mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anrō mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt:„Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen.” Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. „Bij ons”, zoo heet het in een later geschrift, „is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten—datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven.”Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parōdars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door ’t gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anrō mainyu’s geliefde dochter.Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens23, waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeftgelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen ’t jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anrō mainyu uit te roeien.Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata’s werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumanō, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: „het bederf van het beste is het slechtste.” Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.„Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden.”Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf,overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook—straks komen wij daarop terug—dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558–529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336–323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.IV. Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s.Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi’s) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij—wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven—wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:„Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling.”We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi’s hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.„Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?”„Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem.”„Wie is die ééne God?”„De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is „schiep”. In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan.”„Gelooven wij niet in eenig ander God?”„Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan.”„Welke gedaante heeft onze God?”„Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats.”„Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen.”„Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?”„Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen.”„Wat dat is, moet gij mij uitleggen.”„God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk.”„Hoeveel namen zijn er voor God?”„Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven.”„Waarom zijn daar zoovele namen van God?”„De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven.”„Wat is onze godsdienst?”„Onze godsdienst is: Dienst van God.”„Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?”„Gods ware profeet—de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantamān Anoshirwān—bracht ons van Godswege het ware geloof.”„Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?”„Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid.”„Welke zijn deze voorwerpen?”„Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons „kibleh”24omdatGod in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons „kibleh” te wezen.”„Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?”„De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe’s, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels.”„Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?”„Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:„God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal ’s daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood.25Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden.”„Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?”„Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: „gij zult ontvangen, naar wat gij doet.” Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld.”„Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?”„Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need’rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen.”„Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?”„Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.„Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame.”Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: „Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging.” Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven ’s morgens en ’s avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studieder gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette „Rahanumai Mazdiashná”(gids voor de vereerders van éénen God).Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. „Neen, moeder,” zeiden zij, de kleine schouders ophalend, „dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig.” En—de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:„O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden.”Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi’s in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi’s ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.Zoo kwam er dus onder de Parsi’s meer belangstelling inhun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.Onder den invloed van „Rahanumai”, de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten:26Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gātha’s gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover hetpolytheïsmepredikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. „U en u alleen”, sprak hij, „ziet het oog mijner ziel.” Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gātha’s) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.Zij—de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde—oordeelen dat de Parsi’s moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden—en dat uit Zarathustra’s woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollennadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi’s in Indië, 84,000 op 254millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.En ook voor ons westerlingen—vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd—kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid—zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!

HoofdstukVI.Het Mazdeïsme.I. Inleiding.Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken omgang eischt.En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,1waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, in den strijd tegen devijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek—velen meenen in Bactrië—is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de „Verhevene”, zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te verstaan is.Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit boek is vastgeknoopt. ’t Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te nemen, dat althans de Gātha’s, oude liederen, die van het Avesta een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór Christus en lang vóór Cyrus (6eeeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks ook koning Vistaçpā. Veel had hij te strijden met den invloed der Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.Wat het Zend-Avesta betreft,—de naam beteekentwet(avesta) metverklaring(zend)—dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en uitgegeven2, in Europa bekend geworden.Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens 6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede teekent hem, zooals hij meer in ’t practische leven inwerkt, doch dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, zij het in aarden vaten, in zich dragend.Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gātha’s) en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover zal hier niet misplaatst zijn.In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, alzoo in de 4eeeuwvóórChristus schijnt er, volgens geloofwaardige berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts een gedeelte bleef gespaard.Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der Sassaniden (226–636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog in de 9eeeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du Perron is uitgegeven, is het volgende:1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de offerhandeling.2. Vispēred (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij „alle heeren” worden aangeroepen.3. Vendīdād (wet tegen de daēva’s = duivelen) in 22 fargards (hoofdstukken).4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata’s (verheven wezens) aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme.3In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gātha’s (oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot het jaar 1000vóóronze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus dezelfde. Deze waren o. a. Varuna enMithra, Yama, of zooals de Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning van het oudste menschdom en van het doodenrijk.4Ook wisten zij toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijdenroes dronk: een middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke bezieling te geraken.De twee—later zoo uiteenloopende stroomen—waren dus eenmaal één. Hoe zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij de Perzen echter heeft—zeker geruimen tijd na hunne scheiding van de vroegere landgenooten—een bepaalde hervorming van den godsdienst plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, dat de Gātha’s van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank vonden in zijn rein gemoed.II. Het Mazdeïsme derGātha’s.Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van Mazda, ook welAhura Mazdageheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, geestelijke en stoffelijke. „Wie,” zoo heet het van hem in een der oude liederen,5„heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie schiep in ’s vaders gemoed het verlangen naar een zoon?”Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. „Van den aanvang af, Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze vestigt.”6Alles roept Mazda in ’t leven: hij schept Vohumanō (de goede gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra (het ware rijk).7Geeft hij dezen als goede geniussen aan den mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gātha’s als zijn trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, gezeten, landbouwende huisvaders te maken.Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, ging echter ten hemel.Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt „de ziel van het rund” over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda’s trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda’s geboden te verkondigen, het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van landbouw en veeteelt op.Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude Indiërs8voorgesteld als de Alziende, die nietbedrogen kan worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte is, hem „die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen des rechts voorschrijft.”Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem—voornamelijk een zestal—hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij bedenken: 1edat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten wordt voorgesteld, 2edat deze trawanten nauwelijks als personen, veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder genoemd worden Vohumanō = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda’s heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten van den mensch in ’t algemeen en in het bizonder die tegenover de hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen vanVohumanō (bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst (waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de grootste vijand der Drukh’s (booze geesten), die zijn stichtingen vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, hoewel Khsatra’s zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumanō: m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en landbouw moeten hand aan hand gaan.Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gātha’s niet als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn verbonden. Zij zijn Haurvatāt en Ameretāt. De eerste naam beteekent: volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat hij hun op aarde kracht en duurzaamheid(de aardsche zegeningen, die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gātha’s voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig „gehoorzaamheid” beteekent. Hij wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet hij: de weg tot de godheid.Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumanō, de goede gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatāt, het volkomen welzijn, Ameretāt, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.De leer van éénen God.—En—zegt de lezer misschien, de oud-Perzische leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, een goede en een booze:Ahura Mazdaen Anrō-mainyu. Zeer zeker. Doch vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gātha’s vinden wij het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, de een het leven, de ander het niet-leven.Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars,het beste voor den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, die wenschen Ahura Mazda te behagen.Van een duivel tegenover den goeden god: Anrō-mainyu tegenover Ahura Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden tot het gebied van Anrō-mainyu, den booze.Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme:Anrō-mainyuzou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.Mazda was dus de eenige god.—Doch—onder het Perzische volk was vrijwel inheemsch de dienst der daēva’s, der oude goden, die men reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daēva’s werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daēva’s eenmaal vereerd werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daēva’s, ook aan den mensch. Hij kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daēva’s enDrukhs, de booze machten, waarvan Aēsma een der voornaamste is.Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle brug Çinvat naar de Garō demāna, de liederenwoning, waar Mazda met zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der onsterfelijken (haurvatāt en ameretāt),waar Mazda der vromen gebeden hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van ouds beloofd.Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat („de brug van het verzamelen”), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met afgrijselijke spijzen worden gevoed.Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later echter komt een eindoordeel, „de voleinding der wereld” zooals het in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda’s begeerlijke wereld deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven Mazda’s gebied uitbreiden.Mazda’s gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt ook Mazda’s rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet dus Mazda’s dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven valt te denken: integendeel, het huwelijkis een godsdienstige plicht, het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo heet het, „onderwijze men met het zwaard.” Hem te sparen is zondig; doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.Wat den eeredienst betreft: daarin nam het „roode, heete vuur” van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, voorts uit een offerkoek, die Haurvatāt en een drank, die Ameretāt vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, die van Mazda diens welbehagen leerde.Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef Mazda’s medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het licht treden,Ahura Mazdaen Anrō-mainyu komen tegenover elkaar te staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda de machtigste.III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta.We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, of zij boeten in den strijd om ’t bestaan iets van hun zuiverheid in. Zoo nu is het ook hier gegaan.De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet behoorden: welnu—er was geen andere weg, dan dezen onder de hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij waren gehecht aan godsdienstigegebruiken, oorspronkelijk aan ’t Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met eenZarathustrischenijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, alzoo circa 535–325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze opvatting moet worden beschouwd.Ahura Mazda leerden wij volgens de Gātha’s kennen als den hoogsten der goden, den schepper van ’t heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden Vohumanō en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem ter zijde staande,9meer als personen opgevat, dan vroeger het geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, die met Ahura Mazda te zamen de zevenAmesa-Spenta’sworden genoemd en de schoonste eerenamen dragen,10terwijl dan een gansch heirleger minder hooge geesten, de Yazata’s (vereeringswaardigen) onder hen staan.Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garō demāna: den hemel. M.a.w. men erkent deéénheidin de veelheid, zij zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den voorgrond: ’t zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke Haurvatāt en Ameretāt als mannelijke wezens voorgesteld.Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden b.v. de zooeven genoemde Haurvatāt en Ameretāt ook de stillers van honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den mensch,11komt thans in hoogeeere. Hij wordt voorgesteld, niet slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de onsterfelijke weldoeners, deAmesa-spenta’s, hun invloed door de wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal ’s nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, kracht gevende gebed Ahuna vairya.12Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met opgeheven zwaard, ook te middernacht.Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige vogel toekende.Niet alleen echter de Amesa-spenta’s en Sraosa worden thans meer persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata’s bij, die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.Ook het hemellicht—reeds voor Zarathustra’s hervorming in Perzië vereerd—wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, neen, ’t is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaalzelfs zal het—bij de voleinding der wereld—de vernieuwing van alle dingen en de opstanding der heiligen bewerken.Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten vanvóórZarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saōsyant), die in de toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf toekomt. Men hoore de volgende mythe:Twee wedijverende geesten, Spenta en Anrō mainyu: de goede en de booze geest,13pogen zich meester te maken van het hvarena. De eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi dahāka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apām napāt14verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar—de god van het huiselijk vuur, het haardvuur—werd veel gediend. Hij, die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: Apām napāt, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, „de vrouwenheer”.) en Nairyō-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:alléénzoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de gansche aarde teoverstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt op Mazda’s bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich vertoont, grijpen de Amesa-spenta’s den glans en verdeelen dien over de aarde.Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan deAmesa-spenta’sen zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata’s:15want indien de zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn de booze machten der duisternis, dedaēva’ste weerstaan?Wat de sterren betreft—de planeten vereerde men niet, dat waren in de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, die men met de ster Sirius vereenzelvigde.Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van denzomer den weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling16, gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte strijdt hij tegen den daēva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden stroomt en op de aarde neerdaalt.M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, dat het donkere zwerk bekampt en overwint.Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En—de grootste zonde in hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten leven op prijs stelt? Onder de goden, in hetZarathustrischsysteem opgenomen, mogen wij vooral Haoma,Hom, zooals hij soms ook genoemd wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid reeds vroeger in Indië17en met verwondering zien we hem ook hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder het zingen der Gātha’s, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch nijd veroorzaakt.Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots gewapend—want hij is een krijgsgod—gaat hij rond om alles op te merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachtenen zijn tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer der wereld aangesteld.Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata’s, de vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort beschermgeesten, de Fravasi’s een vrij belangrijke rol. Zij zijn het, die—ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek geloof—de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn er myriaden van Fravasi’s, die de wacht houden over het gesternte, vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren het dichtst bij de woningen der daēva’s staat. Wederom anderen waken over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger worden. Somtijds ook worden de fravasi’s voorgesteld als eigenlijk de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk werden deze echter daarvan onderscheiden.Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter staat een gansche wereld van booze geesten, met Anrō mainyu aan het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.Anrō mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede dat de heilige Zarathustra, de geesel der daēva’s, de aartsvijand der druja’s, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnischegeloofsbelijdenis op te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog andere pogingen worden in ’t werk gesteld, doch Zarathustra, sterk met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou te niet gaan dan het geloof afzweren.Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, waartegen de vijand niets vermag.Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anrōmainyuter zijde: Aēsma,de nijd, Ahōmanō, de slechte gezindheid, Tauru, de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika’s, de schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra de heilige vogel van Sraosa, Parōdars, de haan, de wereld heeft wakker gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou kunnen heeten. Verder de druja’s, die de menschen tot vleeschelijke gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daēva’s, die verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, „de duistere duisternis, uit duisternis gesproten.” Tegen al deze machten, door Anrō mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide machten, de goede en de booze in. Bovenhem toch welft zich de hemel, de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf is in het rijk van Vayu18, in den dampkring. De aarde waarop de mensch woont, is in zeven karsvare’s (kringen) verdeeld. De middelste daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken van de zeven dvipa’s. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de Fravasi’s de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven geesten en Mazda wonen. In ’t midden daarvan staat de hemelboom, waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend Saēna neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taēra, het middelpunt der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dierlichtsfeer. Al het andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata’s, heeft Ahura Mazda geschapen.Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda een hemelsche schepping tot stand door19het uitspreken van het heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, de wateren, de planten, het vee, de menschen.We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: amesa-spenta’s, yazata’s enz., doch ten slotte ook de vijandige geest met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd20, hiernamaals eeuwig loon.In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daēva’s om zijn bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, is de strijd beslist.De booze daēvadienaars worden meegenomen door den daēva Vizaresa (den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij hier moesten prijsgeven.Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda met zijn heiligen is.Vohumanō rijst van zijn gouden troon en vraagt: „Hoe zijt gij hier tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?”Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort vagevuur, te gewagen.De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta’s geholpen, de wereld herscheppen.Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anrō mainyu, trekt zich in wanhoop terug.Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aēsma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem manō, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumanō verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatāt en Ameretāt maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anrō mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten.Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en deAmesa-Spenta’svooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuurachtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant,21het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda’s hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahrām vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parōdars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daēva’s gedood.De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren—’t zelfdehad trouwens in Indië plaats22—minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.Gewoonlijk heet deze: Daēna, dat nu eens door „wet”, danweer door „godsdienst” kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat hetnomadenlevenvan den daēvadienaar.Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht).Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daēva’s.De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daēva’s vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anrō mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anrō mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt:„Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen.” Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. „Bij ons”, zoo heet het in een later geschrift, „is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten—datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven.”Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parōdars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door ’t gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anrō mainyu’s geliefde dochter.Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens23, waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeftgelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen ’t jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anrō mainyu uit te roeien.Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata’s werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumanō, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: „het bederf van het beste is het slechtste.” Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.„Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden.”Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf,overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook—straks komen wij daarop terug—dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558–529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336–323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.IV. Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s.Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi’s) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij—wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven—wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:„Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling.”We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi’s hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.„Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?”„Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem.”„Wie is die ééne God?”„De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is „schiep”. In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan.”„Gelooven wij niet in eenig ander God?”„Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan.”„Welke gedaante heeft onze God?”„Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats.”„Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen.”„Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?”„Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen.”„Wat dat is, moet gij mij uitleggen.”„God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk.”„Hoeveel namen zijn er voor God?”„Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven.”„Waarom zijn daar zoovele namen van God?”„De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven.”„Wat is onze godsdienst?”„Onze godsdienst is: Dienst van God.”„Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?”„Gods ware profeet—de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantamān Anoshirwān—bracht ons van Godswege het ware geloof.”„Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?”„Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid.”„Welke zijn deze voorwerpen?”„Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons „kibleh”24omdatGod in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons „kibleh” te wezen.”„Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?”„De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe’s, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels.”„Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?”„Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:„God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal ’s daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood.25Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden.”„Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?”„Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: „gij zult ontvangen, naar wat gij doet.” Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld.”„Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?”„Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need’rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen.”„Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?”„Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.„Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame.”Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: „Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging.” Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven ’s morgens en ’s avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studieder gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette „Rahanumai Mazdiashná”(gids voor de vereerders van éénen God).Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. „Neen, moeder,” zeiden zij, de kleine schouders ophalend, „dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig.” En—de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:„O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden.”Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi’s in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi’s ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.Zoo kwam er dus onder de Parsi’s meer belangstelling inhun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.Onder den invloed van „Rahanumai”, de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten:26Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gātha’s gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover hetpolytheïsmepredikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. „U en u alleen”, sprak hij, „ziet het oog mijner ziel.” Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gātha’s) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.Zij—de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde—oordeelen dat de Parsi’s moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden—en dat uit Zarathustra’s woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollennadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi’s in Indië, 84,000 op 254millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.En ook voor ons westerlingen—vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd—kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid—zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!

HoofdstukVI.Het Mazdeïsme.I. Inleiding.Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken omgang eischt.En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,1waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, in den strijd tegen devijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek—velen meenen in Bactrië—is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de „Verhevene”, zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te verstaan is.Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit boek is vastgeknoopt. ’t Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te nemen, dat althans de Gātha’s, oude liederen, die van het Avesta een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór Christus en lang vóór Cyrus (6eeeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks ook koning Vistaçpā. Veel had hij te strijden met den invloed der Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.Wat het Zend-Avesta betreft,—de naam beteekentwet(avesta) metverklaring(zend)—dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en uitgegeven2, in Europa bekend geworden.Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens 6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede teekent hem, zooals hij meer in ’t practische leven inwerkt, doch dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, zij het in aarden vaten, in zich dragend.Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gātha’s) en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover zal hier niet misplaatst zijn.In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, alzoo in de 4eeeuwvóórChristus schijnt er, volgens geloofwaardige berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts een gedeelte bleef gespaard.Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der Sassaniden (226–636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog in de 9eeeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du Perron is uitgegeven, is het volgende:1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de offerhandeling.2. Vispēred (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij „alle heeren” worden aangeroepen.3. Vendīdād (wet tegen de daēva’s = duivelen) in 22 fargards (hoofdstukken).4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata’s (verheven wezens) aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme.3In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gātha’s (oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot het jaar 1000vóóronze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus dezelfde. Deze waren o. a. Varuna enMithra, Yama, of zooals de Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning van het oudste menschdom en van het doodenrijk.4Ook wisten zij toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijdenroes dronk: een middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke bezieling te geraken.De twee—later zoo uiteenloopende stroomen—waren dus eenmaal één. Hoe zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij de Perzen echter heeft—zeker geruimen tijd na hunne scheiding van de vroegere landgenooten—een bepaalde hervorming van den godsdienst plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, dat de Gātha’s van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank vonden in zijn rein gemoed.II. Het Mazdeïsme derGātha’s.Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van Mazda, ook welAhura Mazdageheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, geestelijke en stoffelijke. „Wie,” zoo heet het van hem in een der oude liederen,5„heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie schiep in ’s vaders gemoed het verlangen naar een zoon?”Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. „Van den aanvang af, Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze vestigt.”6Alles roept Mazda in ’t leven: hij schept Vohumanō (de goede gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra (het ware rijk).7Geeft hij dezen als goede geniussen aan den mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gātha’s als zijn trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, gezeten, landbouwende huisvaders te maken.Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, ging echter ten hemel.Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt „de ziel van het rund” over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda’s trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda’s geboden te verkondigen, het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van landbouw en veeteelt op.Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude Indiërs8voorgesteld als de Alziende, die nietbedrogen kan worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte is, hem „die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen des rechts voorschrijft.”Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem—voornamelijk een zestal—hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij bedenken: 1edat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten wordt voorgesteld, 2edat deze trawanten nauwelijks als personen, veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder genoemd worden Vohumanō = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda’s heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten van den mensch in ’t algemeen en in het bizonder die tegenover de hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen vanVohumanō (bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst (waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de grootste vijand der Drukh’s (booze geesten), die zijn stichtingen vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, hoewel Khsatra’s zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumanō: m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en landbouw moeten hand aan hand gaan.Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gātha’s niet als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn verbonden. Zij zijn Haurvatāt en Ameretāt. De eerste naam beteekent: volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat hij hun op aarde kracht en duurzaamheid(de aardsche zegeningen, die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gātha’s voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig „gehoorzaamheid” beteekent. Hij wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet hij: de weg tot de godheid.Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumanō, de goede gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatāt, het volkomen welzijn, Ameretāt, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.De leer van éénen God.—En—zegt de lezer misschien, de oud-Perzische leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, een goede en een booze:Ahura Mazdaen Anrō-mainyu. Zeer zeker. Doch vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gātha’s vinden wij het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, de een het leven, de ander het niet-leven.Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars,het beste voor den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, die wenschen Ahura Mazda te behagen.Van een duivel tegenover den goeden god: Anrō-mainyu tegenover Ahura Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden tot het gebied van Anrō-mainyu, den booze.Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme:Anrō-mainyuzou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.Mazda was dus de eenige god.—Doch—onder het Perzische volk was vrijwel inheemsch de dienst der daēva’s, der oude goden, die men reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daēva’s werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daēva’s eenmaal vereerd werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daēva’s, ook aan den mensch. Hij kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daēva’s enDrukhs, de booze machten, waarvan Aēsma een der voornaamste is.Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle brug Çinvat naar de Garō demāna, de liederenwoning, waar Mazda met zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der onsterfelijken (haurvatāt en ameretāt),waar Mazda der vromen gebeden hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van ouds beloofd.Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat („de brug van het verzamelen”), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met afgrijselijke spijzen worden gevoed.Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later echter komt een eindoordeel, „de voleinding der wereld” zooals het in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda’s begeerlijke wereld deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven Mazda’s gebied uitbreiden.Mazda’s gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt ook Mazda’s rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet dus Mazda’s dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven valt te denken: integendeel, het huwelijkis een godsdienstige plicht, het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo heet het, „onderwijze men met het zwaard.” Hem te sparen is zondig; doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.Wat den eeredienst betreft: daarin nam het „roode, heete vuur” van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, voorts uit een offerkoek, die Haurvatāt en een drank, die Ameretāt vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, die van Mazda diens welbehagen leerde.Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef Mazda’s medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het licht treden,Ahura Mazdaen Anrō-mainyu komen tegenover elkaar te staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda de machtigste.III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta.We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, of zij boeten in den strijd om ’t bestaan iets van hun zuiverheid in. Zoo nu is het ook hier gegaan.De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet behoorden: welnu—er was geen andere weg, dan dezen onder de hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij waren gehecht aan godsdienstigegebruiken, oorspronkelijk aan ’t Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met eenZarathustrischenijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, alzoo circa 535–325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze opvatting moet worden beschouwd.Ahura Mazda leerden wij volgens de Gātha’s kennen als den hoogsten der goden, den schepper van ’t heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden Vohumanō en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem ter zijde staande,9meer als personen opgevat, dan vroeger het geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, die met Ahura Mazda te zamen de zevenAmesa-Spenta’sworden genoemd en de schoonste eerenamen dragen,10terwijl dan een gansch heirleger minder hooge geesten, de Yazata’s (vereeringswaardigen) onder hen staan.Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garō demāna: den hemel. M.a.w. men erkent deéénheidin de veelheid, zij zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den voorgrond: ’t zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke Haurvatāt en Ameretāt als mannelijke wezens voorgesteld.Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden b.v. de zooeven genoemde Haurvatāt en Ameretāt ook de stillers van honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den mensch,11komt thans in hoogeeere. Hij wordt voorgesteld, niet slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de onsterfelijke weldoeners, deAmesa-spenta’s, hun invloed door de wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal ’s nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, kracht gevende gebed Ahuna vairya.12Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met opgeheven zwaard, ook te middernacht.Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige vogel toekende.Niet alleen echter de Amesa-spenta’s en Sraosa worden thans meer persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata’s bij, die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.Ook het hemellicht—reeds voor Zarathustra’s hervorming in Perzië vereerd—wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, neen, ’t is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaalzelfs zal het—bij de voleinding der wereld—de vernieuwing van alle dingen en de opstanding der heiligen bewerken.Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten vanvóórZarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saōsyant), die in de toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf toekomt. Men hoore de volgende mythe:Twee wedijverende geesten, Spenta en Anrō mainyu: de goede en de booze geest,13pogen zich meester te maken van het hvarena. De eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi dahāka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apām napāt14verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar—de god van het huiselijk vuur, het haardvuur—werd veel gediend. Hij, die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: Apām napāt, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, „de vrouwenheer”.) en Nairyō-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:alléénzoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de gansche aarde teoverstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt op Mazda’s bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich vertoont, grijpen de Amesa-spenta’s den glans en verdeelen dien over de aarde.Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan deAmesa-spenta’sen zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata’s:15want indien de zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn de booze machten der duisternis, dedaēva’ste weerstaan?Wat de sterren betreft—de planeten vereerde men niet, dat waren in de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, die men met de ster Sirius vereenzelvigde.Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van denzomer den weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling16, gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte strijdt hij tegen den daēva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden stroomt en op de aarde neerdaalt.M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, dat het donkere zwerk bekampt en overwint.Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En—de grootste zonde in hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten leven op prijs stelt? Onder de goden, in hetZarathustrischsysteem opgenomen, mogen wij vooral Haoma,Hom, zooals hij soms ook genoemd wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid reeds vroeger in Indië17en met verwondering zien we hem ook hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder het zingen der Gātha’s, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch nijd veroorzaakt.Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots gewapend—want hij is een krijgsgod—gaat hij rond om alles op te merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachtenen zijn tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer der wereld aangesteld.Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata’s, de vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort beschermgeesten, de Fravasi’s een vrij belangrijke rol. Zij zijn het, die—ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek geloof—de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn er myriaden van Fravasi’s, die de wacht houden over het gesternte, vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren het dichtst bij de woningen der daēva’s staat. Wederom anderen waken over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger worden. Somtijds ook worden de fravasi’s voorgesteld als eigenlijk de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk werden deze echter daarvan onderscheiden.Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter staat een gansche wereld van booze geesten, met Anrō mainyu aan het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.Anrō mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede dat de heilige Zarathustra, de geesel der daēva’s, de aartsvijand der druja’s, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnischegeloofsbelijdenis op te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog andere pogingen worden in ’t werk gesteld, doch Zarathustra, sterk met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou te niet gaan dan het geloof afzweren.Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, waartegen de vijand niets vermag.Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anrōmainyuter zijde: Aēsma,de nijd, Ahōmanō, de slechte gezindheid, Tauru, de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika’s, de schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra de heilige vogel van Sraosa, Parōdars, de haan, de wereld heeft wakker gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou kunnen heeten. Verder de druja’s, die de menschen tot vleeschelijke gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daēva’s, die verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, „de duistere duisternis, uit duisternis gesproten.” Tegen al deze machten, door Anrō mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide machten, de goede en de booze in. Bovenhem toch welft zich de hemel, de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf is in het rijk van Vayu18, in den dampkring. De aarde waarop de mensch woont, is in zeven karsvare’s (kringen) verdeeld. De middelste daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken van de zeven dvipa’s. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de Fravasi’s de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven geesten en Mazda wonen. In ’t midden daarvan staat de hemelboom, waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend Saēna neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taēra, het middelpunt der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dierlichtsfeer. Al het andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata’s, heeft Ahura Mazda geschapen.Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda een hemelsche schepping tot stand door19het uitspreken van het heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, de wateren, de planten, het vee, de menschen.We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: amesa-spenta’s, yazata’s enz., doch ten slotte ook de vijandige geest met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd20, hiernamaals eeuwig loon.In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daēva’s om zijn bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, is de strijd beslist.De booze daēvadienaars worden meegenomen door den daēva Vizaresa (den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij hier moesten prijsgeven.Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda met zijn heiligen is.Vohumanō rijst van zijn gouden troon en vraagt: „Hoe zijt gij hier tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?”Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort vagevuur, te gewagen.De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta’s geholpen, de wereld herscheppen.Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anrō mainyu, trekt zich in wanhoop terug.Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aēsma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem manō, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumanō verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatāt en Ameretāt maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anrō mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten.Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en deAmesa-Spenta’svooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuurachtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant,21het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda’s hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahrām vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parōdars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daēva’s gedood.De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren—’t zelfdehad trouwens in Indië plaats22—minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.Gewoonlijk heet deze: Daēna, dat nu eens door „wet”, danweer door „godsdienst” kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat hetnomadenlevenvan den daēvadienaar.Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht).Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daēva’s.De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daēva’s vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anrō mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anrō mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt:„Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen.” Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. „Bij ons”, zoo heet het in een later geschrift, „is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten—datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven.”Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parōdars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door ’t gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anrō mainyu’s geliefde dochter.Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens23, waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeftgelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen ’t jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anrō mainyu uit te roeien.Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata’s werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumanō, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: „het bederf van het beste is het slechtste.” Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.„Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden.”Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf,overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook—straks komen wij daarop terug—dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558–529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336–323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.IV. Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s.Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi’s) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij—wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven—wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:„Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling.”We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi’s hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.„Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?”„Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem.”„Wie is die ééne God?”„De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is „schiep”. In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan.”„Gelooven wij niet in eenig ander God?”„Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan.”„Welke gedaante heeft onze God?”„Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats.”„Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen.”„Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?”„Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen.”„Wat dat is, moet gij mij uitleggen.”„God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk.”„Hoeveel namen zijn er voor God?”„Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven.”„Waarom zijn daar zoovele namen van God?”„De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven.”„Wat is onze godsdienst?”„Onze godsdienst is: Dienst van God.”„Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?”„Gods ware profeet—de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantamān Anoshirwān—bracht ons van Godswege het ware geloof.”„Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?”„Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid.”„Welke zijn deze voorwerpen?”„Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons „kibleh”24omdatGod in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons „kibleh” te wezen.”„Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?”„De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe’s, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels.”„Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?”„Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:„God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal ’s daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood.25Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden.”„Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?”„Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: „gij zult ontvangen, naar wat gij doet.” Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld.”„Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?”„Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need’rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen.”„Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?”„Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.„Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame.”Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: „Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging.” Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven ’s morgens en ’s avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studieder gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette „Rahanumai Mazdiashná”(gids voor de vereerders van éénen God).Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. „Neen, moeder,” zeiden zij, de kleine schouders ophalend, „dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig.” En—de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:„O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden.”Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi’s in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi’s ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.Zoo kwam er dus onder de Parsi’s meer belangstelling inhun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.Onder den invloed van „Rahanumai”, de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten:26Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gātha’s gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover hetpolytheïsmepredikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. „U en u alleen”, sprak hij, „ziet het oog mijner ziel.” Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gātha’s) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.Zij—de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde—oordeelen dat de Parsi’s moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden—en dat uit Zarathustra’s woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollennadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi’s in Indië, 84,000 op 254millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.En ook voor ons westerlingen—vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd—kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid—zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!

I. Inleiding.Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken omgang eischt.En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,1waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, in den strijd tegen devijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek—velen meenen in Bactrië—is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de „Verhevene”, zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te verstaan is.Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit boek is vastgeknoopt. ’t Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te nemen, dat althans de Gātha’s, oude liederen, die van het Avesta een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór Christus en lang vóór Cyrus (6eeeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks ook koning Vistaçpā. Veel had hij te strijden met den invloed der Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.Wat het Zend-Avesta betreft,—de naam beteekentwet(avesta) metverklaring(zend)—dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en uitgegeven2, in Europa bekend geworden.Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens 6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede teekent hem, zooals hij meer in ’t practische leven inwerkt, doch dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, zij het in aarden vaten, in zich dragend.Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gātha’s) en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover zal hier niet misplaatst zijn.In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, alzoo in de 4eeeuwvóórChristus schijnt er, volgens geloofwaardige berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts een gedeelte bleef gespaard.Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der Sassaniden (226–636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog in de 9eeeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du Perron is uitgegeven, is het volgende:1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de offerhandeling.2. Vispēred (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij „alle heeren” worden aangeroepen.3. Vendīdād (wet tegen de daēva’s = duivelen) in 22 fargards (hoofdstukken).4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata’s (verheven wezens) aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme.3In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gātha’s (oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot het jaar 1000vóóronze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus dezelfde. Deze waren o. a. Varuna enMithra, Yama, of zooals de Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning van het oudste menschdom en van het doodenrijk.4Ook wisten zij toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijdenroes dronk: een middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke bezieling te geraken.De twee—later zoo uiteenloopende stroomen—waren dus eenmaal één. Hoe zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij de Perzen echter heeft—zeker geruimen tijd na hunne scheiding van de vroegere landgenooten—een bepaalde hervorming van den godsdienst plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, dat de Gātha’s van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank vonden in zijn rein gemoed.

I. Inleiding.

Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken omgang eischt.En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,1waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, in den strijd tegen devijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek—velen meenen in Bactrië—is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de „Verhevene”, zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te verstaan is.Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit boek is vastgeknoopt. ’t Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te nemen, dat althans de Gātha’s, oude liederen, die van het Avesta een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór Christus en lang vóór Cyrus (6eeeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks ook koning Vistaçpā. Veel had hij te strijden met den invloed der Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.Wat het Zend-Avesta betreft,—de naam beteekentwet(avesta) metverklaring(zend)—dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en uitgegeven2, in Europa bekend geworden.Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens 6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede teekent hem, zooals hij meer in ’t practische leven inwerkt, doch dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, zij het in aarden vaten, in zich dragend.Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gātha’s) en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover zal hier niet misplaatst zijn.In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, alzoo in de 4eeeuwvóórChristus schijnt er, volgens geloofwaardige berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts een gedeelte bleef gespaard.Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der Sassaniden (226–636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog in de 9eeeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du Perron is uitgegeven, is het volgende:1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de offerhandeling.2. Vispēred (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij „alle heeren” worden aangeroepen.3. Vendīdād (wet tegen de daēva’s = duivelen) in 22 fargards (hoofdstukken).4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata’s (verheven wezens) aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme.3In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gātha’s (oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot het jaar 1000vóóronze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus dezelfde. Deze waren o. a. Varuna enMithra, Yama, of zooals de Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning van het oudste menschdom en van het doodenrijk.4Ook wisten zij toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijdenroes dronk: een middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke bezieling te geraken.De twee—later zoo uiteenloopende stroomen—waren dus eenmaal één. Hoe zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij de Perzen echter heeft—zeker geruimen tijd na hunne scheiding van de vroegere landgenooten—een bepaalde hervorming van den godsdienst plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, dat de Gātha’s van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank vonden in zijn rein gemoed.

Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken omgang eischt.

En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,1waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, in den strijd tegen devijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek—velen meenen in Bactrië—is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de „Verhevene”, zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te verstaan is.

Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit boek is vastgeknoopt. ’t Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te nemen, dat althans de Gātha’s, oude liederen, die van het Avesta een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór Christus en lang vóór Cyrus (6eeeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks ook koning Vistaçpā. Veel had hij te strijden met den invloed der Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.

Wat het Zend-Avesta betreft,—de naam beteekentwet(avesta) metverklaring(zend)—dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en uitgegeven2, in Europa bekend geworden.

Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens 6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.

Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede teekent hem, zooals hij meer in ’t practische leven inwerkt, doch dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, zij het in aarden vaten, in zich dragend.

Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gātha’s) en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.

Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover zal hier niet misplaatst zijn.

In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, alzoo in de 4eeeuwvóórChristus schijnt er, volgens geloofwaardige berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts een gedeelte bleef gespaard.

Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der Sassaniden (226–636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog in de 9eeeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.

Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du Perron is uitgegeven, is het volgende:

1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de offerhandeling.

2. Vispēred (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij „alle heeren” worden aangeroepen.

3. Vendīdād (wet tegen de daēva’s = duivelen) in 22 fargards (hoofdstukken).

4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata’s (verheven wezens) aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.

5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.

Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme.3In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gātha’s (oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot het jaar 1000vóóronze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.

Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?

We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.

De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus dezelfde. Deze waren o. a. Varuna enMithra, Yama, of zooals de Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning van het oudste menschdom en van het doodenrijk.4Ook wisten zij toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.

Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijdenroes dronk: een middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke bezieling te geraken.

De twee—later zoo uiteenloopende stroomen—waren dus eenmaal één. Hoe zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij de Perzen echter heeft—zeker geruimen tijd na hunne scheiding van de vroegere landgenooten—een bepaalde hervorming van den godsdienst plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, dat de Gātha’s van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank vonden in zijn rein gemoed.

II. Het Mazdeïsme derGātha’s.Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van Mazda, ook welAhura Mazdageheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, geestelijke en stoffelijke. „Wie,” zoo heet het van hem in een der oude liederen,5„heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie schiep in ’s vaders gemoed het verlangen naar een zoon?”Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. „Van den aanvang af, Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze vestigt.”6Alles roept Mazda in ’t leven: hij schept Vohumanō (de goede gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra (het ware rijk).7Geeft hij dezen als goede geniussen aan den mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gātha’s als zijn trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, gezeten, landbouwende huisvaders te maken.Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, ging echter ten hemel.Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt „de ziel van het rund” over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda’s trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda’s geboden te verkondigen, het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van landbouw en veeteelt op.Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude Indiërs8voorgesteld als de Alziende, die nietbedrogen kan worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte is, hem „die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen des rechts voorschrijft.”Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem—voornamelijk een zestal—hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij bedenken: 1edat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten wordt voorgesteld, 2edat deze trawanten nauwelijks als personen, veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder genoemd worden Vohumanō = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda’s heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten van den mensch in ’t algemeen en in het bizonder die tegenover de hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen vanVohumanō (bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst (waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de grootste vijand der Drukh’s (booze geesten), die zijn stichtingen vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, hoewel Khsatra’s zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumanō: m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en landbouw moeten hand aan hand gaan.Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gātha’s niet als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn verbonden. Zij zijn Haurvatāt en Ameretāt. De eerste naam beteekent: volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat hij hun op aarde kracht en duurzaamheid(de aardsche zegeningen, die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gātha’s voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig „gehoorzaamheid” beteekent. Hij wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet hij: de weg tot de godheid.Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumanō, de goede gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatāt, het volkomen welzijn, Ameretāt, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.De leer van éénen God.—En—zegt de lezer misschien, de oud-Perzische leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, een goede en een booze:Ahura Mazdaen Anrō-mainyu. Zeer zeker. Doch vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gātha’s vinden wij het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, de een het leven, de ander het niet-leven.Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars,het beste voor den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, die wenschen Ahura Mazda te behagen.Van een duivel tegenover den goeden god: Anrō-mainyu tegenover Ahura Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden tot het gebied van Anrō-mainyu, den booze.Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme:Anrō-mainyuzou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.Mazda was dus de eenige god.—Doch—onder het Perzische volk was vrijwel inheemsch de dienst der daēva’s, der oude goden, die men reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daēva’s werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daēva’s eenmaal vereerd werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daēva’s, ook aan den mensch. Hij kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daēva’s enDrukhs, de booze machten, waarvan Aēsma een der voornaamste is.Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle brug Çinvat naar de Garō demāna, de liederenwoning, waar Mazda met zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der onsterfelijken (haurvatāt en ameretāt),waar Mazda der vromen gebeden hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van ouds beloofd.Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat („de brug van het verzamelen”), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met afgrijselijke spijzen worden gevoed.Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later echter komt een eindoordeel, „de voleinding der wereld” zooals het in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda’s begeerlijke wereld deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven Mazda’s gebied uitbreiden.Mazda’s gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt ook Mazda’s rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet dus Mazda’s dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven valt te denken: integendeel, het huwelijkis een godsdienstige plicht, het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo heet het, „onderwijze men met het zwaard.” Hem te sparen is zondig; doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.Wat den eeredienst betreft: daarin nam het „roode, heete vuur” van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, voorts uit een offerkoek, die Haurvatāt en een drank, die Ameretāt vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, die van Mazda diens welbehagen leerde.Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef Mazda’s medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het licht treden,Ahura Mazdaen Anrō-mainyu komen tegenover elkaar te staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda de machtigste.

II. Het Mazdeïsme derGātha’s.

Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van Mazda, ook welAhura Mazdageheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, geestelijke en stoffelijke. „Wie,” zoo heet het van hem in een der oude liederen,5„heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie schiep in ’s vaders gemoed het verlangen naar een zoon?”Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. „Van den aanvang af, Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze vestigt.”6Alles roept Mazda in ’t leven: hij schept Vohumanō (de goede gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra (het ware rijk).7Geeft hij dezen als goede geniussen aan den mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gātha’s als zijn trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, gezeten, landbouwende huisvaders te maken.Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, ging echter ten hemel.Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt „de ziel van het rund” over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda’s trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda’s geboden te verkondigen, het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van landbouw en veeteelt op.Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude Indiërs8voorgesteld als de Alziende, die nietbedrogen kan worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte is, hem „die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen des rechts voorschrijft.”Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem—voornamelijk een zestal—hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij bedenken: 1edat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten wordt voorgesteld, 2edat deze trawanten nauwelijks als personen, veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder genoemd worden Vohumanō = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda’s heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten van den mensch in ’t algemeen en in het bizonder die tegenover de hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen vanVohumanō (bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst (waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de grootste vijand der Drukh’s (booze geesten), die zijn stichtingen vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, hoewel Khsatra’s zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumanō: m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en landbouw moeten hand aan hand gaan.Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gātha’s niet als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn verbonden. Zij zijn Haurvatāt en Ameretāt. De eerste naam beteekent: volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat hij hun op aarde kracht en duurzaamheid(de aardsche zegeningen, die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gātha’s voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig „gehoorzaamheid” beteekent. Hij wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet hij: de weg tot de godheid.Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumanō, de goede gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatāt, het volkomen welzijn, Ameretāt, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.De leer van éénen God.—En—zegt de lezer misschien, de oud-Perzische leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, een goede en een booze:Ahura Mazdaen Anrō-mainyu. Zeer zeker. Doch vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gātha’s vinden wij het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, de een het leven, de ander het niet-leven.Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars,het beste voor den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, die wenschen Ahura Mazda te behagen.Van een duivel tegenover den goeden god: Anrō-mainyu tegenover Ahura Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden tot het gebied van Anrō-mainyu, den booze.Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme:Anrō-mainyuzou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.Mazda was dus de eenige god.—Doch—onder het Perzische volk was vrijwel inheemsch de dienst der daēva’s, der oude goden, die men reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daēva’s werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daēva’s eenmaal vereerd werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daēva’s, ook aan den mensch. Hij kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daēva’s enDrukhs, de booze machten, waarvan Aēsma een der voornaamste is.Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle brug Çinvat naar de Garō demāna, de liederenwoning, waar Mazda met zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der onsterfelijken (haurvatāt en ameretāt),waar Mazda der vromen gebeden hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van ouds beloofd.Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat („de brug van het verzamelen”), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met afgrijselijke spijzen worden gevoed.Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later echter komt een eindoordeel, „de voleinding der wereld” zooals het in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda’s begeerlijke wereld deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven Mazda’s gebied uitbreiden.Mazda’s gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt ook Mazda’s rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet dus Mazda’s dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven valt te denken: integendeel, het huwelijkis een godsdienstige plicht, het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo heet het, „onderwijze men met het zwaard.” Hem te sparen is zondig; doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.Wat den eeredienst betreft: daarin nam het „roode, heete vuur” van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, voorts uit een offerkoek, die Haurvatāt en een drank, die Ameretāt vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, die van Mazda diens welbehagen leerde.Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef Mazda’s medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het licht treden,Ahura Mazdaen Anrō-mainyu komen tegenover elkaar te staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda de machtigste.

Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van Mazda, ook welAhura Mazdageheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, geestelijke en stoffelijke. „Wie,” zoo heet het van hem in een der oude liederen,5„heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie schiep in ’s vaders gemoed het verlangen naar een zoon?”

Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. „Van den aanvang af, Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze vestigt.”6

Alles roept Mazda in ’t leven: hij schept Vohumanō (de goede gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra (het ware rijk).7Geeft hij dezen als goede geniussen aan den mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gātha’s als zijn trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, gezeten, landbouwende huisvaders te maken.

Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, ging echter ten hemel.

Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt „de ziel van het rund” over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda’s trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda’s geboden te verkondigen, het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van landbouw en veeteelt op.

Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.

Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.

Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude Indiërs8voorgesteld als de Alziende, die nietbedrogen kan worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte is, hem „die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen des rechts voorschrijft.”

Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem—voornamelijk een zestal—hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij bedenken: 1edat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten wordt voorgesteld, 2edat deze trawanten nauwelijks als personen, veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.

Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder genoemd worden Vohumanō = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda’s heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.

Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten van den mensch in ’t algemeen en in het bizonder die tegenover de hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen vanVohumanō (bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst (waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de grootste vijand der Drukh’s (booze geesten), die zijn stichtingen vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, hoewel Khsatra’s zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.

Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumanō: m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.

Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.

Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.

Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en landbouw moeten hand aan hand gaan.

Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gātha’s niet als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn verbonden. Zij zijn Haurvatāt en Ameretāt. De eerste naam beteekent: volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat hij hun op aarde kracht en duurzaamheid(de aardsche zegeningen, die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.

Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gātha’s voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig „gehoorzaamheid” beteekent. Hij wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet hij: de weg tot de godheid.

Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumanō, de goede gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatāt, het volkomen welzijn, Ameretāt, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.

De leer van éénen God.—En—zegt de lezer misschien, de oud-Perzische leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, een goede en een booze:Ahura Mazdaen Anrō-mainyu. Zeer zeker. Doch vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gātha’s vinden wij het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, de een het leven, de ander het niet-leven.

Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars,het beste voor den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, die wenschen Ahura Mazda te behagen.

Van een duivel tegenover den goeden god: Anrō-mainyu tegenover Ahura Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).

Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden tot het gebied van Anrō-mainyu, den booze.

Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme:Anrō-mainyuzou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.

Mazda was dus de eenige god.—Doch—onder het Perzische volk was vrijwel inheemsch de dienst der daēva’s, der oude goden, die men reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?

In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daēva’s werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daēva’s eenmaal vereerd werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.

Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daēva’s, ook aan den mensch. Hij kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daēva’s enDrukhs, de booze machten, waarvan Aēsma een der voornaamste is.

Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle brug Çinvat naar de Garō demāna, de liederenwoning, waar Mazda met zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der onsterfelijken (haurvatāt en ameretāt),waar Mazda der vromen gebeden hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van ouds beloofd.

Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat („de brug van het verzamelen”), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met afgrijselijke spijzen worden gevoed.

Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later echter komt een eindoordeel, „de voleinding der wereld” zooals het in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda’s begeerlijke wereld deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.

Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven Mazda’s gebied uitbreiden.

Mazda’s gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt ook Mazda’s rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet dus Mazda’s dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.

Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven valt te denken: integendeel, het huwelijkis een godsdienstige plicht, het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo heet het, „onderwijze men met het zwaard.” Hem te sparen is zondig; doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.

Wat den eeredienst betreft: daarin nam het „roode, heete vuur” van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, voorts uit een offerkoek, die Haurvatāt en een drank, die Ameretāt vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, die van Mazda diens welbehagen leerde.

Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef Mazda’s medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het licht treden,Ahura Mazdaen Anrō-mainyu komen tegenover elkaar te staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda de machtigste.

III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta.We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, of zij boeten in den strijd om ’t bestaan iets van hun zuiverheid in. Zoo nu is het ook hier gegaan.De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet behoorden: welnu—er was geen andere weg, dan dezen onder de hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij waren gehecht aan godsdienstigegebruiken, oorspronkelijk aan ’t Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met eenZarathustrischenijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, alzoo circa 535–325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze opvatting moet worden beschouwd.Ahura Mazda leerden wij volgens de Gātha’s kennen als den hoogsten der goden, den schepper van ’t heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden Vohumanō en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem ter zijde staande,9meer als personen opgevat, dan vroeger het geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, die met Ahura Mazda te zamen de zevenAmesa-Spenta’sworden genoemd en de schoonste eerenamen dragen,10terwijl dan een gansch heirleger minder hooge geesten, de Yazata’s (vereeringswaardigen) onder hen staan.Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garō demāna: den hemel. M.a.w. men erkent deéénheidin de veelheid, zij zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den voorgrond: ’t zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke Haurvatāt en Ameretāt als mannelijke wezens voorgesteld.Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden b.v. de zooeven genoemde Haurvatāt en Ameretāt ook de stillers van honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den mensch,11komt thans in hoogeeere. Hij wordt voorgesteld, niet slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de onsterfelijke weldoeners, deAmesa-spenta’s, hun invloed door de wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal ’s nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, kracht gevende gebed Ahuna vairya.12Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met opgeheven zwaard, ook te middernacht.Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige vogel toekende.Niet alleen echter de Amesa-spenta’s en Sraosa worden thans meer persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata’s bij, die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.Ook het hemellicht—reeds voor Zarathustra’s hervorming in Perzië vereerd—wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, neen, ’t is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaalzelfs zal het—bij de voleinding der wereld—de vernieuwing van alle dingen en de opstanding der heiligen bewerken.Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten vanvóórZarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saōsyant), die in de toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf toekomt. Men hoore de volgende mythe:Twee wedijverende geesten, Spenta en Anrō mainyu: de goede en de booze geest,13pogen zich meester te maken van het hvarena. De eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi dahāka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apām napāt14verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar—de god van het huiselijk vuur, het haardvuur—werd veel gediend. Hij, die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: Apām napāt, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, „de vrouwenheer”.) en Nairyō-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:alléénzoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de gansche aarde teoverstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt op Mazda’s bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich vertoont, grijpen de Amesa-spenta’s den glans en verdeelen dien over de aarde.Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan deAmesa-spenta’sen zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata’s:15want indien de zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn de booze machten der duisternis, dedaēva’ste weerstaan?Wat de sterren betreft—de planeten vereerde men niet, dat waren in de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, die men met de ster Sirius vereenzelvigde.Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van denzomer den weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling16, gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte strijdt hij tegen den daēva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden stroomt en op de aarde neerdaalt.M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, dat het donkere zwerk bekampt en overwint.Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En—de grootste zonde in hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten leven op prijs stelt? Onder de goden, in hetZarathustrischsysteem opgenomen, mogen wij vooral Haoma,Hom, zooals hij soms ook genoemd wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid reeds vroeger in Indië17en met verwondering zien we hem ook hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder het zingen der Gātha’s, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch nijd veroorzaakt.Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots gewapend—want hij is een krijgsgod—gaat hij rond om alles op te merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachtenen zijn tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer der wereld aangesteld.Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata’s, de vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort beschermgeesten, de Fravasi’s een vrij belangrijke rol. Zij zijn het, die—ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek geloof—de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn er myriaden van Fravasi’s, die de wacht houden over het gesternte, vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren het dichtst bij de woningen der daēva’s staat. Wederom anderen waken over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger worden. Somtijds ook worden de fravasi’s voorgesteld als eigenlijk de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk werden deze echter daarvan onderscheiden.Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter staat een gansche wereld van booze geesten, met Anrō mainyu aan het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.Anrō mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede dat de heilige Zarathustra, de geesel der daēva’s, de aartsvijand der druja’s, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnischegeloofsbelijdenis op te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog andere pogingen worden in ’t werk gesteld, doch Zarathustra, sterk met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou te niet gaan dan het geloof afzweren.Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, waartegen de vijand niets vermag.Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anrōmainyuter zijde: Aēsma,de nijd, Ahōmanō, de slechte gezindheid, Tauru, de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika’s, de schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra de heilige vogel van Sraosa, Parōdars, de haan, de wereld heeft wakker gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou kunnen heeten. Verder de druja’s, die de menschen tot vleeschelijke gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daēva’s, die verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, „de duistere duisternis, uit duisternis gesproten.” Tegen al deze machten, door Anrō mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide machten, de goede en de booze in. Bovenhem toch welft zich de hemel, de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf is in het rijk van Vayu18, in den dampkring. De aarde waarop de mensch woont, is in zeven karsvare’s (kringen) verdeeld. De middelste daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken van de zeven dvipa’s. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de Fravasi’s de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven geesten en Mazda wonen. In ’t midden daarvan staat de hemelboom, waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend Saēna neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taēra, het middelpunt der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dierlichtsfeer. Al het andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata’s, heeft Ahura Mazda geschapen.Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda een hemelsche schepping tot stand door19het uitspreken van het heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, de wateren, de planten, het vee, de menschen.We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: amesa-spenta’s, yazata’s enz., doch ten slotte ook de vijandige geest met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd20, hiernamaals eeuwig loon.In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daēva’s om zijn bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, is de strijd beslist.De booze daēvadienaars worden meegenomen door den daēva Vizaresa (den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij hier moesten prijsgeven.Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda met zijn heiligen is.Vohumanō rijst van zijn gouden troon en vraagt: „Hoe zijt gij hier tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?”Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort vagevuur, te gewagen.De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta’s geholpen, de wereld herscheppen.Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anrō mainyu, trekt zich in wanhoop terug.Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aēsma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem manō, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumanō verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatāt en Ameretāt maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anrō mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten.Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en deAmesa-Spenta’svooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuurachtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant,21het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda’s hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahrām vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parōdars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daēva’s gedood.De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren—’t zelfdehad trouwens in Indië plaats22—minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.Gewoonlijk heet deze: Daēna, dat nu eens door „wet”, danweer door „godsdienst” kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat hetnomadenlevenvan den daēvadienaar.Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht).Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daēva’s.De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daēva’s vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anrō mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anrō mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt:„Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen.” Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. „Bij ons”, zoo heet het in een later geschrift, „is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten—datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven.”Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parōdars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door ’t gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anrō mainyu’s geliefde dochter.Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens23, waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeftgelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen ’t jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anrō mainyu uit te roeien.Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata’s werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumanō, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: „het bederf van het beste is het slechtste.” Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.„Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden.”Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf,overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook—straks komen wij daarop terug—dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558–529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336–323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.

III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta.

We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, of zij boeten in den strijd om ’t bestaan iets van hun zuiverheid in. Zoo nu is het ook hier gegaan.De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet behoorden: welnu—er was geen andere weg, dan dezen onder de hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij waren gehecht aan godsdienstigegebruiken, oorspronkelijk aan ’t Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met eenZarathustrischenijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, alzoo circa 535–325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze opvatting moet worden beschouwd.Ahura Mazda leerden wij volgens de Gātha’s kennen als den hoogsten der goden, den schepper van ’t heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden Vohumanō en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem ter zijde staande,9meer als personen opgevat, dan vroeger het geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, die met Ahura Mazda te zamen de zevenAmesa-Spenta’sworden genoemd en de schoonste eerenamen dragen,10terwijl dan een gansch heirleger minder hooge geesten, de Yazata’s (vereeringswaardigen) onder hen staan.Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garō demāna: den hemel. M.a.w. men erkent deéénheidin de veelheid, zij zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den voorgrond: ’t zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke Haurvatāt en Ameretāt als mannelijke wezens voorgesteld.Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden b.v. de zooeven genoemde Haurvatāt en Ameretāt ook de stillers van honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den mensch,11komt thans in hoogeeere. Hij wordt voorgesteld, niet slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de onsterfelijke weldoeners, deAmesa-spenta’s, hun invloed door de wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal ’s nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, kracht gevende gebed Ahuna vairya.12Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met opgeheven zwaard, ook te middernacht.Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige vogel toekende.Niet alleen echter de Amesa-spenta’s en Sraosa worden thans meer persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata’s bij, die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.Ook het hemellicht—reeds voor Zarathustra’s hervorming in Perzië vereerd—wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, neen, ’t is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaalzelfs zal het—bij de voleinding der wereld—de vernieuwing van alle dingen en de opstanding der heiligen bewerken.Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten vanvóórZarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saōsyant), die in de toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf toekomt. Men hoore de volgende mythe:Twee wedijverende geesten, Spenta en Anrō mainyu: de goede en de booze geest,13pogen zich meester te maken van het hvarena. De eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi dahāka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apām napāt14verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar—de god van het huiselijk vuur, het haardvuur—werd veel gediend. Hij, die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: Apām napāt, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, „de vrouwenheer”.) en Nairyō-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:alléénzoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de gansche aarde teoverstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt op Mazda’s bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich vertoont, grijpen de Amesa-spenta’s den glans en verdeelen dien over de aarde.Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan deAmesa-spenta’sen zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata’s:15want indien de zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn de booze machten der duisternis, dedaēva’ste weerstaan?Wat de sterren betreft—de planeten vereerde men niet, dat waren in de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, die men met de ster Sirius vereenzelvigde.Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van denzomer den weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling16, gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte strijdt hij tegen den daēva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden stroomt en op de aarde neerdaalt.M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, dat het donkere zwerk bekampt en overwint.Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En—de grootste zonde in hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten leven op prijs stelt? Onder de goden, in hetZarathustrischsysteem opgenomen, mogen wij vooral Haoma,Hom, zooals hij soms ook genoemd wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid reeds vroeger in Indië17en met verwondering zien we hem ook hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder het zingen der Gātha’s, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch nijd veroorzaakt.Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots gewapend—want hij is een krijgsgod—gaat hij rond om alles op te merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachtenen zijn tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer der wereld aangesteld.Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata’s, de vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort beschermgeesten, de Fravasi’s een vrij belangrijke rol. Zij zijn het, die—ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek geloof—de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn er myriaden van Fravasi’s, die de wacht houden over het gesternte, vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren het dichtst bij de woningen der daēva’s staat. Wederom anderen waken over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger worden. Somtijds ook worden de fravasi’s voorgesteld als eigenlijk de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk werden deze echter daarvan onderscheiden.Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter staat een gansche wereld van booze geesten, met Anrō mainyu aan het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.Anrō mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede dat de heilige Zarathustra, de geesel der daēva’s, de aartsvijand der druja’s, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnischegeloofsbelijdenis op te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog andere pogingen worden in ’t werk gesteld, doch Zarathustra, sterk met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou te niet gaan dan het geloof afzweren.Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, waartegen de vijand niets vermag.Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anrōmainyuter zijde: Aēsma,de nijd, Ahōmanō, de slechte gezindheid, Tauru, de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika’s, de schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra de heilige vogel van Sraosa, Parōdars, de haan, de wereld heeft wakker gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou kunnen heeten. Verder de druja’s, die de menschen tot vleeschelijke gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daēva’s, die verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, „de duistere duisternis, uit duisternis gesproten.” Tegen al deze machten, door Anrō mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide machten, de goede en de booze in. Bovenhem toch welft zich de hemel, de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf is in het rijk van Vayu18, in den dampkring. De aarde waarop de mensch woont, is in zeven karsvare’s (kringen) verdeeld. De middelste daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken van de zeven dvipa’s. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de Fravasi’s de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven geesten en Mazda wonen. In ’t midden daarvan staat de hemelboom, waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend Saēna neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taēra, het middelpunt der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dierlichtsfeer. Al het andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata’s, heeft Ahura Mazda geschapen.Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda een hemelsche schepping tot stand door19het uitspreken van het heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, de wateren, de planten, het vee, de menschen.We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: amesa-spenta’s, yazata’s enz., doch ten slotte ook de vijandige geest met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd20, hiernamaals eeuwig loon.In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daēva’s om zijn bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, is de strijd beslist.De booze daēvadienaars worden meegenomen door den daēva Vizaresa (den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij hier moesten prijsgeven.Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda met zijn heiligen is.Vohumanō rijst van zijn gouden troon en vraagt: „Hoe zijt gij hier tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?”Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort vagevuur, te gewagen.De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta’s geholpen, de wereld herscheppen.Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anrō mainyu, trekt zich in wanhoop terug.Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aēsma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem manō, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumanō verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatāt en Ameretāt maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anrō mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten.Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en deAmesa-Spenta’svooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuurachtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant,21het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda’s hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahrām vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parōdars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daēva’s gedood.De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren—’t zelfdehad trouwens in Indië plaats22—minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.Gewoonlijk heet deze: Daēna, dat nu eens door „wet”, danweer door „godsdienst” kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat hetnomadenlevenvan den daēvadienaar.Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht).Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daēva’s.De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daēva’s vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anrō mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anrō mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt:„Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen.” Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. „Bij ons”, zoo heet het in een later geschrift, „is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten—datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven.”Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parōdars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door ’t gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anrō mainyu’s geliefde dochter.Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens23, waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeftgelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen ’t jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anrō mainyu uit te roeien.Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata’s werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumanō, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: „het bederf van het beste is het slechtste.” Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.„Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden.”Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf,overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook—straks komen wij daarop terug—dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558–529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336–323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.

We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, of zij boeten in den strijd om ’t bestaan iets van hun zuiverheid in. Zoo nu is het ook hier gegaan.

De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet behoorden: welnu—er was geen andere weg, dan dezen onder de hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij waren gehecht aan godsdienstigegebruiken, oorspronkelijk aan ’t Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met eenZarathustrischenijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, alzoo circa 535–325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze opvatting moet worden beschouwd.

Ahura Mazda leerden wij volgens de Gātha’s kennen als den hoogsten der goden, den schepper van ’t heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden Vohumanō en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem ter zijde staande,9meer als personen opgevat, dan vroeger het geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, die met Ahura Mazda te zamen de zevenAmesa-Spenta’sworden genoemd en de schoonste eerenamen dragen,10terwijl dan een gansch heirleger minder hooge geesten, de Yazata’s (vereeringswaardigen) onder hen staan.

Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garō demāna: den hemel. M.a.w. men erkent deéénheidin de veelheid, zij zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den voorgrond: ’t zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke Haurvatāt en Ameretāt als mannelijke wezens voorgesteld.

Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden b.v. de zooeven genoemde Haurvatāt en Ameretāt ook de stillers van honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den mensch,11komt thans in hoogeeere. Hij wordt voorgesteld, niet slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de onsterfelijke weldoeners, deAmesa-spenta’s, hun invloed door de wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal ’s nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, kracht gevende gebed Ahuna vairya.12

Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met opgeheven zwaard, ook te middernacht.

Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige vogel toekende.

Niet alleen echter de Amesa-spenta’s en Sraosa worden thans meer persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata’s bij, die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.

Ook het hemellicht—reeds voor Zarathustra’s hervorming in Perzië vereerd—wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.

Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, neen, ’t is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaalzelfs zal het—bij de voleinding der wereld—de vernieuwing van alle dingen en de opstanding der heiligen bewerken.

Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten vanvóórZarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saōsyant), die in de toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf toekomt. Men hoore de volgende mythe:

Twee wedijverende geesten, Spenta en Anrō mainyu: de goede en de booze geest,13pogen zich meester te maken van het hvarena. De eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi dahāka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apām napāt14verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar—de god van het huiselijk vuur, het haardvuur—werd veel gediend. Hij, die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: Apām napāt, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, „de vrouwenheer”.) en Nairyō-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.

Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:alléénzoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de gansche aarde teoverstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt op Mazda’s bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.

Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.

Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.

Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich vertoont, grijpen de Amesa-spenta’s den glans en verdeelen dien over de aarde.

Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan deAmesa-spenta’sen zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata’s:15want indien de zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn de booze machten der duisternis, dedaēva’ste weerstaan?

Wat de sterren betreft—de planeten vereerde men niet, dat waren in de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, die men met de ster Sirius vereenzelvigde.

Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van denzomer den weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling16, gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte strijdt hij tegen den daēva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden stroomt en op de aarde neerdaalt.

M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, dat het donkere zwerk bekampt en overwint.

Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.

Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.

Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En—de grootste zonde in hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten leven op prijs stelt? Onder de goden, in hetZarathustrischsysteem opgenomen, mogen wij vooral Haoma,Hom, zooals hij soms ook genoemd wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid reeds vroeger in Indië17en met verwondering zien we hem ook hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.

Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder het zingen der Gātha’s, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.

De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch nijd veroorzaakt.

Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots gewapend—want hij is een krijgsgod—gaat hij rond om alles op te merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachtenen zijn tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer der wereld aangesteld.

Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata’s, de vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort beschermgeesten, de Fravasi’s een vrij belangrijke rol. Zij zijn het, die—ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek geloof—de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn er myriaden van Fravasi’s, die de wacht houden over het gesternte, vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren het dichtst bij de woningen der daēva’s staat. Wederom anderen waken over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger worden. Somtijds ook worden de fravasi’s voorgesteld als eigenlijk de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk werden deze echter daarvan onderscheiden.

Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter staat een gansche wereld van booze geesten, met Anrō mainyu aan het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.

Anrō mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede dat de heilige Zarathustra, de geesel der daēva’s, de aartsvijand der druja’s, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnischegeloofsbelijdenis op te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog andere pogingen worden in ’t werk gesteld, doch Zarathustra, sterk met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou te niet gaan dan het geloof afzweren.

Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, waartegen de vijand niets vermag.

Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anrōmainyuter zijde: Aēsma,de nijd, Ahōmanō, de slechte gezindheid, Tauru, de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika’s, de schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra de heilige vogel van Sraosa, Parōdars, de haan, de wereld heeft wakker gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou kunnen heeten. Verder de druja’s, die de menschen tot vleeschelijke gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daēva’s, die verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, „de duistere duisternis, uit duisternis gesproten.” Tegen al deze machten, door Anrō mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.

De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide machten, de goede en de booze in. Bovenhem toch welft zich de hemel, de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf is in het rijk van Vayu18, in den dampkring. De aarde waarop de mensch woont, is in zeven karsvare’s (kringen) verdeeld. De middelste daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken van de zeven dvipa’s. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de Fravasi’s de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.

Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven geesten en Mazda wonen. In ’t midden daarvan staat de hemelboom, waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend Saēna neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taēra, het middelpunt der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.

Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dierlichtsfeer. Al het andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata’s, heeft Ahura Mazda geschapen.

Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.

Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda een hemelsche schepping tot stand door19het uitspreken van het heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, de wateren, de planten, het vee, de menschen.

We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: amesa-spenta’s, yazata’s enz., doch ten slotte ook de vijandige geest met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.

Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd20, hiernamaals eeuwig loon.

In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daēva’s om zijn bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, is de strijd beslist.

De booze daēvadienaars worden meegenomen door den daēva Vizaresa (den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij hier moesten prijsgeven.

Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda met zijn heiligen is.

Vohumanō rijst van zijn gouden troon en vraagt: „Hoe zijt gij hier tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?”

Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort vagevuur, te gewagen.

De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta’s geholpen, de wereld herscheppen.

Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anrō mainyu, trekt zich in wanhoop terug.

Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.

De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aēsma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem manō, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumanō verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatāt en Ameretāt maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anrō mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten.Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.

We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.

Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.

Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.

Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.

Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en deAmesa-Spenta’svooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.

Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuurachtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant,21het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda’s hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahrām vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parōdars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daēva’s gedood.

De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.

In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren—’t zelfdehad trouwens in Indië plaats22—minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.

De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.

Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.

Gewoonlijk heet deze: Daēna, dat nu eens door „wet”, danweer door „godsdienst” kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.

Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.

Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat hetnomadenlevenvan den daēvadienaar.

Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.

De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht).Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daēva’s.

De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.

De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daēva’s vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anrō mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anrō mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.

Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt:„Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen.” Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. „Bij ons”, zoo heet het in een later geschrift, „is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten—datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven.”

Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parōdars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door ’t gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.

Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.

Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anrō mainyu’s geliefde dochter.

Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.

Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens23, waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.

Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.

Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeftgelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen ’t jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.

Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anrō mainyu uit te roeien.

Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata’s werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.

Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumanō, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.

Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.

De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: „het bederf van het beste is het slechtste.” Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.

Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.

„Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden.”

Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf,overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.

Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.

We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook—straks komen wij daarop terug—dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558–529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336–323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.

Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi’s, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.

IV. Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s.Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi’s) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij—wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven—wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:„Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling.”We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi’s hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.„Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?”„Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem.”„Wie is die ééne God?”„De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is „schiep”. In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan.”„Gelooven wij niet in eenig ander God?”„Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan.”„Welke gedaante heeft onze God?”„Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats.”„Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen.”„Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?”„Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen.”„Wat dat is, moet gij mij uitleggen.”„God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk.”„Hoeveel namen zijn er voor God?”„Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven.”„Waarom zijn daar zoovele namen van God?”„De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven.”„Wat is onze godsdienst?”„Onze godsdienst is: Dienst van God.”„Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?”„Gods ware profeet—de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantamān Anoshirwān—bracht ons van Godswege het ware geloof.”„Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?”„Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid.”„Welke zijn deze voorwerpen?”„Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons „kibleh”24omdatGod in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons „kibleh” te wezen.”„Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?”„De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe’s, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels.”„Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?”„Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:„God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal ’s daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood.25Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden.”„Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?”„Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: „gij zult ontvangen, naar wat gij doet.” Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld.”„Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?”„Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need’rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen.”„Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?”„Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.„Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame.”Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: „Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging.” Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven ’s morgens en ’s avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studieder gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette „Rahanumai Mazdiashná”(gids voor de vereerders van éénen God).Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. „Neen, moeder,” zeiden zij, de kleine schouders ophalend, „dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig.” En—de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:„O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden.”Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi’s in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi’s ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.Zoo kwam er dus onder de Parsi’s meer belangstelling inhun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.Onder den invloed van „Rahanumai”, de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten:26Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gātha’s gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover hetpolytheïsmepredikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. „U en u alleen”, sprak hij, „ziet het oog mijner ziel.” Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gātha’s) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.Zij—de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde—oordeelen dat de Parsi’s moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden—en dat uit Zarathustra’s woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollennadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi’s in Indië, 84,000 op 254millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.En ook voor ons westerlingen—vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd—kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid—zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!

IV. Het „hervormde” Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi’s.

Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi’s) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij—wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven—wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:„Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling.”We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi’s hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.„Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?”„Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem.”„Wie is die ééne God?”„De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is „schiep”. In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan.”„Gelooven wij niet in eenig ander God?”„Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan.”„Welke gedaante heeft onze God?”„Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats.”„Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen.”„Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?”„Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen.”„Wat dat is, moet gij mij uitleggen.”„God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk.”„Hoeveel namen zijn er voor God?”„Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven.”„Waarom zijn daar zoovele namen van God?”„De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven.”„Wat is onze godsdienst?”„Onze godsdienst is: Dienst van God.”„Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?”„Gods ware profeet—de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantamān Anoshirwān—bracht ons van Godswege het ware geloof.”„Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?”„Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid.”„Welke zijn deze voorwerpen?”„Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons „kibleh”24omdatGod in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons „kibleh” te wezen.”„Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?”„De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe’s, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels.”„Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?”„Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:„God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal ’s daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood.25Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden.”„Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?”„Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: „gij zult ontvangen, naar wat gij doet.” Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld.”„Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?”„Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need’rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen.”„Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?”„Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.„Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame.”Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: „Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging.” Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven ’s morgens en ’s avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studieder gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette „Rahanumai Mazdiashná”(gids voor de vereerders van éénen God).Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. „Neen, moeder,” zeiden zij, de kleine schouders ophalend, „dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig.” En—de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:„O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden.”Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi’s in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi’s ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.Zoo kwam er dus onder de Parsi’s meer belangstelling inhun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.Onder den invloed van „Rahanumai”, de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten:26Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gātha’s gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover hetpolytheïsmepredikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. „U en u alleen”, sprak hij, „ziet het oog mijner ziel.” Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gātha’s) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.Zij—de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde—oordeelen dat de Parsi’s moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden—en dat uit Zarathustra’s woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollennadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi’s in Indië, 84,000 op 254millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.En ook voor ons westerlingen—vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd—kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid—zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!

Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.

Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi’s) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij—wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven—wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:

„Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling.”

We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi’s hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.

„Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?”

„Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem.”

„Wie is die ééne God?”

„De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is „schiep”. In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan.”

„Gelooven wij niet in eenig ander God?”

„Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan.”

„Welke gedaante heeft onze God?”

„Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats.”

„Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen.”

„Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?”

„Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen.”

„Wat dat is, moet gij mij uitleggen.”

„God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk.”

„Hoeveel namen zijn er voor God?”

„Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven.”

„Waarom zijn daar zoovele namen van God?”

„De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven.”

„Wat is onze godsdienst?”

„Onze godsdienst is: Dienst van God.”

„Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?”

„Gods ware profeet—de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantamān Anoshirwān—bracht ons van Godswege het ware geloof.”

„Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?”

„Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid.”

„Welke zijn deze voorwerpen?”

„Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons „kibleh”24omdatGod in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons „kibleh” te wezen.”

„Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?”

„De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe’s, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels.”

„Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?”

„Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:

„God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal ’s daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood.25Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden.”

„Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?”

„Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: „gij zult ontvangen, naar wat gij doet.” Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld.”

„Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?”

„Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need’rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen.”

„Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?”

„Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.

„Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame.”

Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.

Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: „Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging.” Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven ’s morgens en ’s avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.

Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studieder gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette „Rahanumai Mazdiashná”(gids voor de vereerders van éénen God).

Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. „Neen, moeder,” zeiden zij, de kleine schouders ophalend, „dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig.” En—de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.

Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.

Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:

„O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden.”

Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi’s in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.

Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi’s ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.

Zoo kwam er dus onder de Parsi’s meer belangstelling inhun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.

Onder den invloed van „Rahanumai”, de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten:26

Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gātha’s gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover hetpolytheïsmepredikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. „U en u alleen”, sprak hij, „ziet het oog mijner ziel.” Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.

De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gātha’s) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.

Zij—de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde—oordeelen dat de Parsi’s moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden—en dat uit Zarathustra’s woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.

Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollennadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi’s in Indië, 84,000 op 254millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.

En ook voor ons westerlingen—vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd—kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.

Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.

Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid—zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!


Back to IndexNext