Tien uren op jacht.Tien uren op jacht.Eenvoudige grillige inval.Schets door Gédéon.I.Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht niet geheel en al ongelijk.Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus als slachters optreden?Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja, ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen haarfijn vertellen.O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd, met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des ondanks begin ik.II.Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike zullen bezitten!”Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen, afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit, waarmee hij in den jachttijd langs ’s heeren wegenslentert, stellig reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel als de jagers »van de bovenste plank,”di primo cartello, zeggen de Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften, zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel, wetenschappen, alles verdween in ’t niet bij de voorbereidingen voor dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen, en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat, een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan was hij zoo vlug ter been als iemand.Die vriend heette Bretignot.Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij, die van den prins geen kwaad dacht.»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?” vroeg hij mij op dien toon van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen geringschatting bevatten.»Nooit, Bretignot,” antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om...”»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken,”viel Bretignot in.»Wij kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen, waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus, ik neem u mee!”»Maar ik heb....” zei ik aarzelend.»Geen geweer!”»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht.”»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op tachtig passen afstands neerlegt.”»Onder voorwaarde van het te raken!” hernam ik lachende.»Natuurlijk!—Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn.”»Te goed, Bretignot!”»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen.”»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan1aan mijn geweer heb, zou de hond overkompleet zijn!”Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot drijft. Die zijn hem heilig!Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.»Welnu, gij komt, niet waar?” zeide hij.»Als gij er op gesteld zijt!”.... antwoordde ik zonder eenige geestdrift.»Jawel, jawel!....” meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik reken op u.”En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij, die mij nog lang zal heugen.Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo’n jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij, ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden; maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van Bretignot moest komen bewonderen.Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer, een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat de verkooper haar zou terugnemen—met vijftig procent verlies voor mij—wanneer er geen wild in geborgen was geweest.De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.»Wie weet evenwel?” dacht ik.De ijdelheid is de wereld nog niet uit!III.Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening, was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het Perigord-plein aangewezen was, des avonds tenzes uur aanwezig. Daar nam ik als de achtste—de honden niet medegerekend—plaats in de rotonde van een postwagen.Bretignot en zijne jachtgezellen—ik durfde mij nog niet als een hunner meerekenen—zaten prachtig onder hettraditioneeletuig. Het waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou; anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij dan ook vormelijk voorstellen.Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent, die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van hoogere orde verzonken.Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraakop alle twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d’hôte in de hotels.Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel bezigde hij drie »pans” voor een geweer met twee loopen. En dan, welke gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt, terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren, zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!—Ik liep zelfs gevaar, door zijn gebaren gedood te worden.Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb,” verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!”»Kijk, dat is net als ik!” dacht ik.»En ik dan, Matifat!” antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen?Nou! die patrijzen daar!”»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot hagel voerde!”»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!”»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten, wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!”»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken ongelukkig slechts een hap maakte!”»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!”Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, diePontclouéen Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen.”Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon ongeduldig te verlangen dat het morgen was.IV.Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!»Vlooien!” had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!”Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst—die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,—brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had,” zeiden de jagers.Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden.”»Ja, ik zal mijn best doen,” antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?”Brétignot haalde minachtend de schouders op.Eindelijk waren wij op jacht—een geheel vrije jacht.—Ieder deed zooals hij goed vond.Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.Met het uitzicht op zoo’n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa’s zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in den aanslag gebracht.»Niet schieten! niet schieten!” riep mijn vriend Brétignot, die onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?”»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!”Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué, Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die, met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun kuiten maakte.»Te drommel! draag je geweer toch beter!” herhaalde Brétignot op het oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!” antwoordde ik, een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven, versnelde ik den pas.V.Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf omhoog.Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die de wollen kousen bedekten—wol is beter dan katoen,—daar het laatste ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken; maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk onberispelijk in het pak zit.Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest wel waar zijn, daar zij het zeiden.»Maar,” had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te schieten! Dat is een jager onwaardig!”Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper toebereid, weet te onderscheiden!Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem eer zou aandoen, voegde er bij;»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je op een haas schiet.”»Als er een voorbijkomt!” merkte ik spottend op.»Er zullen er wel voorbijkomen,” antwoordde Brétignot koeltjes.»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor ’t richten van je schot.”»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot,” antwoordde ik. »Die opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas zal brengen!”Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af, een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.»Op jacht! op jacht!”riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!”Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik durfde niet te antwoorden.Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo’n verschalking!Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde, en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld, daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Jeinstinctwas sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijtenen tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren, het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen in welke omstandigheden dat gebeurde.Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten tot ik alleen zou zijn om dat te doen.Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn, stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo even had gevuld.Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om dezen te doen overgaan!Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde berichten in de plattelands-dagbladen!En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging, indien—ja, nu ik er aan denk—indien in de richting van de lading het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet meer zou terugkomen.VI.Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen toon, zooals het een meester voegt.»Heb jij geschoten?” vroeg hij.»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten....”»Een patrijs?”»Ja, een patrijs!”Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar hebben willen erkennen.»En waar is die patrijs?” vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch met den loop van zijn geweer aanraakte.»Verloren!” antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik had geen hond! O, als ik een hond had gehad!”Komaan, komaan! met zoo’n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden!Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder had gesteund,—een van die klappen, waaromtrent men wel is waar, niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet, dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer van de zaken weet dan ik.Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende wildverdelgersverlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk, dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn, die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per jager zou geven.Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort, zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee jonge patrijzen.Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en Matifat hadden het buskruit laten spreken.Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer.O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij meent dat alles maar voor hem is!....” »Naar den duivel met die lieden, die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te zamen zou jagen!....” en andere lieflijkheden met een picardische saus, die mijn pen weigert weer te geven.De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te gelijkertijd waren losgebrand.Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de anderen geknald had. Maar—daarover was niet te redekavelen—hoe kon het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp eens door een schooljongen!Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin.VII.Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen—de laatste helaas! zeer plat—werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen,diesedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?—Ja, wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers opknoopen! Eén aan iederen boom, en meteen vel papier op de borst tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al hetgezeurvan jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zoumisschiennu vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort, die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht te verzamelen.Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando’s van de engelsche marine geleken.Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch, voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten had?” Maar ik durfde niet uit eigenliefde.Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij aan dien kant een noot in den mond had.»Mooi zoo! een ongeluk!” riep Brétignot.»Dat mankeert er nog maar aan!” schreeuwde Duvauchelle.Dat was alles wat hun dat »misdrijf” ontlokte, van verwondingen toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood te berokkenen,” zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe—wanneer zij ooit het leven moeten laten!En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang en kon niet spreken.Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.»Welnu, brave man, wat is er?” vroeg Maximon op beschermenden toon.»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang”, antwoordde ik.»Och, dat is niets!” hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!”»Jawel!... jawel!...” zei de boer, die de belangrijkheid van zijn verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten onderstreepen.»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te kwetsen?” vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef rusten.»Heb jij niet geschoten?” vroeg mij Maximon.»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen.”»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!” riep Duvauchelle.»Hoe, uitgemaakt?” vroeg ik.»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I,” zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide.»Ik!” riep ik. »Ik!...”»Niemand anders kan het zijn!” sprak Brétignot gestreng.»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!” meende Matifat.»En wanneer men zoo’n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen, die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!”En daarmee maakten de heeren er zich van af.Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.»Het gaat nu beter?!”vroeg ik.»O! la... la!... O! daar komt het weer!”... antwoordde hij, terwijl de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker”.»Neen, neen,” riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg.”En ik ging heen.VIII.Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de nabijheid van zoo’n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid maande hen, zich van mij te verwijderen.Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn lot over, alsof ik een heksenmeester was, die methet kwade oog is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels” ik kon ontwaren, zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs niets te doen, stond ik hier!Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal met het spottend opschrift:Privatieve jacht.Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen spoor te ontdekken!Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?IX.Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een kilometer, en ik zou het bereiken.Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!” dacht ik. »Waarachtig, zij willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!”En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend, door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken of vinken voorgezet worden.Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik angstig en oplettend keek rechts en links.Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en, wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten, levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den boezem!Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en ruigten, zag ik voorwaar iets.Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel—dat kon ik niet uitmaken—was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas, een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk, dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen, wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan te leggen.Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden zijn.Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,—op twintig passen ongeveer,—knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn, bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.»Geraakt!” riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn om mij mijn schot te betwisten!”En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien, hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik raapte het op....Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.X.In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot gewekt was.»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?” zei hij met die stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.»Marechaussee, ik verzeker u!” antwoordde ik stotterend.»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!”»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!”»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is.”Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat was het netelige punt!»Zoodat gij een jachtakte hebt?” vroeg Pandoor.»Een jachtakte?”»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?”Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik betuigde,—hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,—dat ik mijn jachtakte vergeten had.Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de lip van den vertegenwoordiger der wet.»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!” zei hij, op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het verschiet heeft.»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn brave marechaussee, en....”»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!”»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de smeekbeden van een eerstbeginnende.”Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.»Zoodat gij heet?” vroeg hij mij.Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben den naam van een mijner collega’s op te geven. Maar ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.Bleef nu het voorval met des maréchaussée’s hoed over. Die kwestie werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen geregeld.»Het is jammer,” zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!”»Een bijna nieuwe hoed!” antwoordde Pandoor. »Zoodat ikhem gekocht heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd.”En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde, den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte.Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.XI.Dat is de lijst der aandoeningen, die ik op dien gedenkwaardigen dag ondervond. Ik had misschien een kwartel en misschien een patrijs gedood. Ik had misschien een boer verwond, maar ik had zeer zeker een maréchaussée’s hoed doorboord. Ik was jagende, zonder jachtakte betrapt geworden. Er was een proces-verbaal tegen mij opgemaakt, maar op een andersmans naam! Ik had het gezag bedrogen!!! Wat kon een nieuweling in de edele kunst der Andersons en der Pertuisets meer overkomen.Het is buiten kijf, dat mijn vriend de pianist onaangenaam verrast is geweest, toen hem beteekend werd, dat hij voor het kantongerecht te Doullens moestverschijnen. Ik vernam sedert, dat het hem niet mogelijk geweest was een alibi te bewijzen. Dientengevolge was hij tot zestien franken boete en tot de kosten veroordeeld, welke laatsten nog wel ééns die som bedroegen.Ik haast mij aan mijn verhaal toe te voegen, dat hij eenigen tijd daarna een postwissel ontving onder de leus van: Restitutie, groot twee-en-dertig francs, die hem zijn onkosten vergoedde. Nooit heeft hij vernomen en zal ook nooit vernemen, van wien die postwissel kwam; maar hij is door het kantonrechterlijk vonnis gebrandmerkt, hij is thans bij de justitie bekend.XII.Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij, het zal niet weer gebeuren.Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.Einde.1Noot van den Vertaler. De haan van een geweer heet in het Fransch ook chien. De Fransche woordspeling is hier niet weer te geven.
Tien uren op jacht.Tien uren op jacht.Eenvoudige grillige inval.Schets door Gédéon.I.Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht niet geheel en al ongelijk.Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus als slachters optreden?Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja, ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen haarfijn vertellen.O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd, met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des ondanks begin ik.II.Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike zullen bezitten!”Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen, afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit, waarmee hij in den jachttijd langs ’s heeren wegenslentert, stellig reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel als de jagers »van de bovenste plank,”di primo cartello, zeggen de Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften, zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel, wetenschappen, alles verdween in ’t niet bij de voorbereidingen voor dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen, en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat, een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan was hij zoo vlug ter been als iemand.Die vriend heette Bretignot.Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij, die van den prins geen kwaad dacht.»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?” vroeg hij mij op dien toon van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen geringschatting bevatten.»Nooit, Bretignot,” antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om...”»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken,”viel Bretignot in.»Wij kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen, waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus, ik neem u mee!”»Maar ik heb....” zei ik aarzelend.»Geen geweer!”»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht.”»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op tachtig passen afstands neerlegt.”»Onder voorwaarde van het te raken!” hernam ik lachende.»Natuurlijk!—Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn.”»Te goed, Bretignot!”»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen.”»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan1aan mijn geweer heb, zou de hond overkompleet zijn!”Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot drijft. Die zijn hem heilig!Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.»Welnu, gij komt, niet waar?” zeide hij.»Als gij er op gesteld zijt!”.... antwoordde ik zonder eenige geestdrift.»Jawel, jawel!....” meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik reken op u.”En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij, die mij nog lang zal heugen.Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo’n jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij, ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden; maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van Bretignot moest komen bewonderen.Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer, een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat de verkooper haar zou terugnemen—met vijftig procent verlies voor mij—wanneer er geen wild in geborgen was geweest.De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.»Wie weet evenwel?” dacht ik.De ijdelheid is de wereld nog niet uit!III.Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening, was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het Perigord-plein aangewezen was, des avonds tenzes uur aanwezig. Daar nam ik als de achtste—de honden niet medegerekend—plaats in de rotonde van een postwagen.Bretignot en zijne jachtgezellen—ik durfde mij nog niet als een hunner meerekenen—zaten prachtig onder hettraditioneeletuig. Het waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou; anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij dan ook vormelijk voorstellen.Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent, die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van hoogere orde verzonken.Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraakop alle twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d’hôte in de hotels.Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel bezigde hij drie »pans” voor een geweer met twee loopen. En dan, welke gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt, terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren, zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!—Ik liep zelfs gevaar, door zijn gebaren gedood te worden.Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb,” verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!”»Kijk, dat is net als ik!” dacht ik.»En ik dan, Matifat!” antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen?Nou! die patrijzen daar!”»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot hagel voerde!”»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!”»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten, wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!”»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken ongelukkig slechts een hap maakte!”»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!”Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, diePontclouéen Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen.”Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon ongeduldig te verlangen dat het morgen was.IV.Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!»Vlooien!” had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!”Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst—die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,—brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had,” zeiden de jagers.Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden.”»Ja, ik zal mijn best doen,” antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?”Brétignot haalde minachtend de schouders op.Eindelijk waren wij op jacht—een geheel vrije jacht.—Ieder deed zooals hij goed vond.Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.Met het uitzicht op zoo’n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa’s zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in den aanslag gebracht.»Niet schieten! niet schieten!” riep mijn vriend Brétignot, die onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?”»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!”Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué, Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die, met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun kuiten maakte.»Te drommel! draag je geweer toch beter!” herhaalde Brétignot op het oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!” antwoordde ik, een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven, versnelde ik den pas.V.Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf omhoog.Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die de wollen kousen bedekten—wol is beter dan katoen,—daar het laatste ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken; maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk onberispelijk in het pak zit.Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest wel waar zijn, daar zij het zeiden.»Maar,” had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te schieten! Dat is een jager onwaardig!”Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper toebereid, weet te onderscheiden!Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem eer zou aandoen, voegde er bij;»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je op een haas schiet.”»Als er een voorbijkomt!” merkte ik spottend op.»Er zullen er wel voorbijkomen,” antwoordde Brétignot koeltjes.»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor ’t richten van je schot.”»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot,” antwoordde ik. »Die opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas zal brengen!”Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af, een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.»Op jacht! op jacht!”riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!”Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik durfde niet te antwoorden.Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo’n verschalking!Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde, en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld, daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Jeinstinctwas sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijtenen tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren, het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen in welke omstandigheden dat gebeurde.Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten tot ik alleen zou zijn om dat te doen.Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn, stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo even had gevuld.Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om dezen te doen overgaan!Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde berichten in de plattelands-dagbladen!En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging, indien—ja, nu ik er aan denk—indien in de richting van de lading het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet meer zou terugkomen.VI.Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen toon, zooals het een meester voegt.»Heb jij geschoten?” vroeg hij.»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten....”»Een patrijs?”»Ja, een patrijs!”Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar hebben willen erkennen.»En waar is die patrijs?” vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch met den loop van zijn geweer aanraakte.»Verloren!” antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik had geen hond! O, als ik een hond had gehad!”Komaan, komaan! met zoo’n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden!Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder had gesteund,—een van die klappen, waaromtrent men wel is waar, niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet, dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer van de zaken weet dan ik.Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende wildverdelgersverlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk, dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn, die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per jager zou geven.Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort, zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee jonge patrijzen.Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en Matifat hadden het buskruit laten spreken.Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer.O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij meent dat alles maar voor hem is!....” »Naar den duivel met die lieden, die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te zamen zou jagen!....” en andere lieflijkheden met een picardische saus, die mijn pen weigert weer te geven.De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te gelijkertijd waren losgebrand.Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de anderen geknald had. Maar—daarover was niet te redekavelen—hoe kon het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp eens door een schooljongen!Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin.VII.Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen—de laatste helaas! zeer plat—werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen,diesedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?—Ja, wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers opknoopen! Eén aan iederen boom, en meteen vel papier op de borst tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al hetgezeurvan jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zoumisschiennu vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort, die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht te verzamelen.Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando’s van de engelsche marine geleken.Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch, voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten had?” Maar ik durfde niet uit eigenliefde.Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij aan dien kant een noot in den mond had.»Mooi zoo! een ongeluk!” riep Brétignot.»Dat mankeert er nog maar aan!” schreeuwde Duvauchelle.Dat was alles wat hun dat »misdrijf” ontlokte, van verwondingen toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood te berokkenen,” zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe—wanneer zij ooit het leven moeten laten!En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang en kon niet spreken.Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.»Welnu, brave man, wat is er?” vroeg Maximon op beschermenden toon.»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang”, antwoordde ik.»Och, dat is niets!” hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!”»Jawel!... jawel!...” zei de boer, die de belangrijkheid van zijn verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten onderstreepen.»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te kwetsen?” vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef rusten.»Heb jij niet geschoten?” vroeg mij Maximon.»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen.”»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!” riep Duvauchelle.»Hoe, uitgemaakt?” vroeg ik.»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I,” zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide.»Ik!” riep ik. »Ik!...”»Niemand anders kan het zijn!” sprak Brétignot gestreng.»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!” meende Matifat.»En wanneer men zoo’n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen, die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!”En daarmee maakten de heeren er zich van af.Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.»Het gaat nu beter?!”vroeg ik.»O! la... la!... O! daar komt het weer!”... antwoordde hij, terwijl de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker”.»Neen, neen,” riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg.”En ik ging heen.VIII.Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de nabijheid van zoo’n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid maande hen, zich van mij te verwijderen.Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn lot over, alsof ik een heksenmeester was, die methet kwade oog is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels” ik kon ontwaren, zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs niets te doen, stond ik hier!Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal met het spottend opschrift:Privatieve jacht.Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen spoor te ontdekken!Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?IX.Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een kilometer, en ik zou het bereiken.Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!” dacht ik. »Waarachtig, zij willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!”En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend, door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken of vinken voorgezet worden.Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik angstig en oplettend keek rechts en links.Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en, wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten, levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den boezem!Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en ruigten, zag ik voorwaar iets.Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel—dat kon ik niet uitmaken—was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas, een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk, dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen, wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan te leggen.Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden zijn.Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,—op twintig passen ongeveer,—knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn, bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.»Geraakt!” riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn om mij mijn schot te betwisten!”En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien, hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik raapte het op....Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.X.In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot gewekt was.»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?” zei hij met die stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.»Marechaussee, ik verzeker u!” antwoordde ik stotterend.»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!”»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!”»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is.”Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat was het netelige punt!»Zoodat gij een jachtakte hebt?” vroeg Pandoor.»Een jachtakte?”»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?”Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik betuigde,—hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,—dat ik mijn jachtakte vergeten had.Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de lip van den vertegenwoordiger der wet.»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!” zei hij, op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het verschiet heeft.»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn brave marechaussee, en....”»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!”»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de smeekbeden van een eerstbeginnende.”Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.»Zoodat gij heet?” vroeg hij mij.Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben den naam van een mijner collega’s op te geven. Maar ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.Bleef nu het voorval met des maréchaussée’s hoed over. Die kwestie werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen geregeld.»Het is jammer,” zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!”»Een bijna nieuwe hoed!” antwoordde Pandoor. »Zoodat ikhem gekocht heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd.”En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde, den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte.Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.XI.Dat is de lijst der aandoeningen, die ik op dien gedenkwaardigen dag ondervond. Ik had misschien een kwartel en misschien een patrijs gedood. Ik had misschien een boer verwond, maar ik had zeer zeker een maréchaussée’s hoed doorboord. Ik was jagende, zonder jachtakte betrapt geworden. Er was een proces-verbaal tegen mij opgemaakt, maar op een andersmans naam! Ik had het gezag bedrogen!!! Wat kon een nieuweling in de edele kunst der Andersons en der Pertuisets meer overkomen.Het is buiten kijf, dat mijn vriend de pianist onaangenaam verrast is geweest, toen hem beteekend werd, dat hij voor het kantongerecht te Doullens moestverschijnen. Ik vernam sedert, dat het hem niet mogelijk geweest was een alibi te bewijzen. Dientengevolge was hij tot zestien franken boete en tot de kosten veroordeeld, welke laatsten nog wel ééns die som bedroegen.Ik haast mij aan mijn verhaal toe te voegen, dat hij eenigen tijd daarna een postwissel ontving onder de leus van: Restitutie, groot twee-en-dertig francs, die hem zijn onkosten vergoedde. Nooit heeft hij vernomen en zal ook nooit vernemen, van wien die postwissel kwam; maar hij is door het kantonrechterlijk vonnis gebrandmerkt, hij is thans bij de justitie bekend.XII.Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij, het zal niet weer gebeuren.Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.Einde.1Noot van den Vertaler. De haan van een geweer heet in het Fransch ook chien. De Fransche woordspeling is hier niet weer te geven.
Tien uren op jacht.Eenvoudige grillige inval.Schets door Gédéon.I.Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht niet geheel en al ongelijk.Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus als slachters optreden?Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja, ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen haarfijn vertellen.O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd, met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des ondanks begin ik.II.Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike zullen bezitten!”Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen, afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit, waarmee hij in den jachttijd langs ’s heeren wegenslentert, stellig reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel als de jagers »van de bovenste plank,”di primo cartello, zeggen de Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften, zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel, wetenschappen, alles verdween in ’t niet bij de voorbereidingen voor dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen, en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat, een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan was hij zoo vlug ter been als iemand.Die vriend heette Bretignot.Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij, die van den prins geen kwaad dacht.»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?” vroeg hij mij op dien toon van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen geringschatting bevatten.»Nooit, Bretignot,” antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om...”»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken,”viel Bretignot in.»Wij kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen, waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus, ik neem u mee!”»Maar ik heb....” zei ik aarzelend.»Geen geweer!”»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht.”»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op tachtig passen afstands neerlegt.”»Onder voorwaarde van het te raken!” hernam ik lachende.»Natuurlijk!—Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn.”»Te goed, Bretignot!”»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen.”»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan1aan mijn geweer heb, zou de hond overkompleet zijn!”Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot drijft. Die zijn hem heilig!Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.»Welnu, gij komt, niet waar?” zeide hij.»Als gij er op gesteld zijt!”.... antwoordde ik zonder eenige geestdrift.»Jawel, jawel!....” meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik reken op u.”En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij, die mij nog lang zal heugen.Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo’n jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij, ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden; maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van Bretignot moest komen bewonderen.Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer, een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat de verkooper haar zou terugnemen—met vijftig procent verlies voor mij—wanneer er geen wild in geborgen was geweest.De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.»Wie weet evenwel?” dacht ik.De ijdelheid is de wereld nog niet uit!III.Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening, was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het Perigord-plein aangewezen was, des avonds tenzes uur aanwezig. Daar nam ik als de achtste—de honden niet medegerekend—plaats in de rotonde van een postwagen.Bretignot en zijne jachtgezellen—ik durfde mij nog niet als een hunner meerekenen—zaten prachtig onder hettraditioneeletuig. Het waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou; anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij dan ook vormelijk voorstellen.Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent, die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van hoogere orde verzonken.Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraakop alle twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d’hôte in de hotels.Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel bezigde hij drie »pans” voor een geweer met twee loopen. En dan, welke gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt, terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren, zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!—Ik liep zelfs gevaar, door zijn gebaren gedood te worden.Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb,” verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!”»Kijk, dat is net als ik!” dacht ik.»En ik dan, Matifat!” antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen?Nou! die patrijzen daar!”»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot hagel voerde!”»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!”»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten, wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!”»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken ongelukkig slechts een hap maakte!”»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!”Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, diePontclouéen Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen.”Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon ongeduldig te verlangen dat het morgen was.IV.Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!»Vlooien!” had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!”Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst—die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,—brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had,” zeiden de jagers.Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden.”»Ja, ik zal mijn best doen,” antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?”Brétignot haalde minachtend de schouders op.Eindelijk waren wij op jacht—een geheel vrije jacht.—Ieder deed zooals hij goed vond.Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.Met het uitzicht op zoo’n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa’s zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in den aanslag gebracht.»Niet schieten! niet schieten!” riep mijn vriend Brétignot, die onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?”»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!”Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué, Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die, met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun kuiten maakte.»Te drommel! draag je geweer toch beter!” herhaalde Brétignot op het oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!” antwoordde ik, een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven, versnelde ik den pas.V.Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf omhoog.Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die de wollen kousen bedekten—wol is beter dan katoen,—daar het laatste ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken; maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk onberispelijk in het pak zit.Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest wel waar zijn, daar zij het zeiden.»Maar,” had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te schieten! Dat is een jager onwaardig!”Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper toebereid, weet te onderscheiden!Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem eer zou aandoen, voegde er bij;»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je op een haas schiet.”»Als er een voorbijkomt!” merkte ik spottend op.»Er zullen er wel voorbijkomen,” antwoordde Brétignot koeltjes.»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor ’t richten van je schot.”»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot,” antwoordde ik. »Die opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas zal brengen!”Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af, een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.»Op jacht! op jacht!”riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!”Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik durfde niet te antwoorden.Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo’n verschalking!Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde, en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld, daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Jeinstinctwas sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijtenen tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren, het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen in welke omstandigheden dat gebeurde.Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten tot ik alleen zou zijn om dat te doen.Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn, stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo even had gevuld.Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om dezen te doen overgaan!Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde berichten in de plattelands-dagbladen!En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging, indien—ja, nu ik er aan denk—indien in de richting van de lading het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet meer zou terugkomen.VI.Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen toon, zooals het een meester voegt.»Heb jij geschoten?” vroeg hij.»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten....”»Een patrijs?”»Ja, een patrijs!”Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar hebben willen erkennen.»En waar is die patrijs?” vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch met den loop van zijn geweer aanraakte.»Verloren!” antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik had geen hond! O, als ik een hond had gehad!”Komaan, komaan! met zoo’n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden!Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder had gesteund,—een van die klappen, waaromtrent men wel is waar, niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet, dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer van de zaken weet dan ik.Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende wildverdelgersverlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk, dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn, die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per jager zou geven.Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort, zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee jonge patrijzen.Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en Matifat hadden het buskruit laten spreken.Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer.O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij meent dat alles maar voor hem is!....” »Naar den duivel met die lieden, die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te zamen zou jagen!....” en andere lieflijkheden met een picardische saus, die mijn pen weigert weer te geven.De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te gelijkertijd waren losgebrand.Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de anderen geknald had. Maar—daarover was niet te redekavelen—hoe kon het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp eens door een schooljongen!Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin.VII.Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen—de laatste helaas! zeer plat—werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen,diesedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?—Ja, wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers opknoopen! Eén aan iederen boom, en meteen vel papier op de borst tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al hetgezeurvan jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zoumisschiennu vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort, die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht te verzamelen.Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando’s van de engelsche marine geleken.Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch, voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten had?” Maar ik durfde niet uit eigenliefde.Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij aan dien kant een noot in den mond had.»Mooi zoo! een ongeluk!” riep Brétignot.»Dat mankeert er nog maar aan!” schreeuwde Duvauchelle.Dat was alles wat hun dat »misdrijf” ontlokte, van verwondingen toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood te berokkenen,” zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe—wanneer zij ooit het leven moeten laten!En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang en kon niet spreken.Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.»Welnu, brave man, wat is er?” vroeg Maximon op beschermenden toon.»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang”, antwoordde ik.»Och, dat is niets!” hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!”»Jawel!... jawel!...” zei de boer, die de belangrijkheid van zijn verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten onderstreepen.»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te kwetsen?” vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef rusten.»Heb jij niet geschoten?” vroeg mij Maximon.»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen.”»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!” riep Duvauchelle.»Hoe, uitgemaakt?” vroeg ik.»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I,” zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide.»Ik!” riep ik. »Ik!...”»Niemand anders kan het zijn!” sprak Brétignot gestreng.»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!” meende Matifat.»En wanneer men zoo’n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen, die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!”En daarmee maakten de heeren er zich van af.Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.»Het gaat nu beter?!”vroeg ik.»O! la... la!... O! daar komt het weer!”... antwoordde hij, terwijl de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker”.»Neen, neen,” riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg.”En ik ging heen.VIII.Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de nabijheid van zoo’n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid maande hen, zich van mij te verwijderen.Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn lot over, alsof ik een heksenmeester was, die methet kwade oog is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels” ik kon ontwaren, zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs niets te doen, stond ik hier!Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal met het spottend opschrift:Privatieve jacht.Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen spoor te ontdekken!Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?IX.Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een kilometer, en ik zou het bereiken.Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!” dacht ik. »Waarachtig, zij willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!”En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend, door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken of vinken voorgezet worden.Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik angstig en oplettend keek rechts en links.Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en, wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten, levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den boezem!Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en ruigten, zag ik voorwaar iets.Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel—dat kon ik niet uitmaken—was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas, een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk, dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen, wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan te leggen.Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden zijn.Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,—op twintig passen ongeveer,—knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn, bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.»Geraakt!” riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn om mij mijn schot te betwisten!”En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien, hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik raapte het op....Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.X.In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot gewekt was.»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?” zei hij met die stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.»Marechaussee, ik verzeker u!” antwoordde ik stotterend.»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!”»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!”»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is.”Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat was het netelige punt!»Zoodat gij een jachtakte hebt?” vroeg Pandoor.»Een jachtakte?”»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?”Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik betuigde,—hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,—dat ik mijn jachtakte vergeten had.Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de lip van den vertegenwoordiger der wet.»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!” zei hij, op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het verschiet heeft.»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn brave marechaussee, en....”»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!”»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de smeekbeden van een eerstbeginnende.”Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.»Zoodat gij heet?” vroeg hij mij.Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben den naam van een mijner collega’s op te geven. Maar ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.Bleef nu het voorval met des maréchaussée’s hoed over. Die kwestie werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen geregeld.»Het is jammer,” zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!”»Een bijna nieuwe hoed!” antwoordde Pandoor. »Zoodat ikhem gekocht heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd.”En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde, den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte.Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.XI.Dat is de lijst der aandoeningen, die ik op dien gedenkwaardigen dag ondervond. Ik had misschien een kwartel en misschien een patrijs gedood. Ik had misschien een boer verwond, maar ik had zeer zeker een maréchaussée’s hoed doorboord. Ik was jagende, zonder jachtakte betrapt geworden. Er was een proces-verbaal tegen mij opgemaakt, maar op een andersmans naam! Ik had het gezag bedrogen!!! Wat kon een nieuweling in de edele kunst der Andersons en der Pertuisets meer overkomen.Het is buiten kijf, dat mijn vriend de pianist onaangenaam verrast is geweest, toen hem beteekend werd, dat hij voor het kantongerecht te Doullens moestverschijnen. Ik vernam sedert, dat het hem niet mogelijk geweest was een alibi te bewijzen. Dientengevolge was hij tot zestien franken boete en tot de kosten veroordeeld, welke laatsten nog wel ééns die som bedroegen.Ik haast mij aan mijn verhaal toe te voegen, dat hij eenigen tijd daarna een postwissel ontving onder de leus van: Restitutie, groot twee-en-dertig francs, die hem zijn onkosten vergoedde. Nooit heeft hij vernomen en zal ook nooit vernemen, van wien die postwissel kwam; maar hij is door het kantonrechterlijk vonnis gebrandmerkt, hij is thans bij de justitie bekend.XII.Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij, het zal niet weer gebeuren.Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.Einde.1Noot van den Vertaler. De haan van een geweer heet in het Fransch ook chien. De Fransche woordspeling is hier niet weer te geven.
Schets door Gédéon.
I.Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht niet geheel en al ongelijk.Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus als slachters optreden?Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja, ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen haarfijn vertellen.O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd, met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des ondanks begin ik.
Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht niet geheel en al ongelijk.
Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus als slachters optreden?
Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?
Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.
Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja, ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen haarfijn vertellen.
O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd, met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des ondanks begin ik.
II.Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike zullen bezitten!”Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen, afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit, waarmee hij in den jachttijd langs ’s heeren wegenslentert, stellig reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel als de jagers »van de bovenste plank,”di primo cartello, zeggen de Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften, zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel, wetenschappen, alles verdween in ’t niet bij de voorbereidingen voor dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen, en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat, een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan was hij zoo vlug ter been als iemand.Die vriend heette Bretignot.Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij, die van den prins geen kwaad dacht.»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?” vroeg hij mij op dien toon van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen geringschatting bevatten.»Nooit, Bretignot,” antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om...”»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken,”viel Bretignot in.»Wij kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen, waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus, ik neem u mee!”»Maar ik heb....” zei ik aarzelend.»Geen geweer!”»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht.”»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op tachtig passen afstands neerlegt.”»Onder voorwaarde van het te raken!” hernam ik lachende.»Natuurlijk!—Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn.”»Te goed, Bretignot!”»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen.”»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan1aan mijn geweer heb, zou de hond overkompleet zijn!”Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot drijft. Die zijn hem heilig!Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.»Welnu, gij komt, niet waar?” zeide hij.»Als gij er op gesteld zijt!”.... antwoordde ik zonder eenige geestdrift.»Jawel, jawel!....” meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik reken op u.”En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij, die mij nog lang zal heugen.Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo’n jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij, ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden; maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van Bretignot moest komen bewonderen.Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer, een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat de verkooper haar zou terugnemen—met vijftig procent verlies voor mij—wanneer er geen wild in geborgen was geweest.De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.»Wie weet evenwel?” dacht ik.De ijdelheid is de wereld nog niet uit!
Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike zullen bezitten!”
Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen, afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.
Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit, waarmee hij in den jachttijd langs ’s heeren wegenslentert, stellig reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.
De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel als de jagers »van de bovenste plank,”di primo cartello, zeggen de Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften, zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel, wetenschappen, alles verdween in ’t niet bij de voorbereidingen voor dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen, en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.
Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat, een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan was hij zoo vlug ter been als iemand.
Die vriend heette Bretignot.
Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij, die van den prins geen kwaad dacht.
»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?” vroeg hij mij op dien toon van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen geringschatting bevatten.
»Nooit, Bretignot,” antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om...”
»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken,”viel Bretignot in.»Wij kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen, waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus, ik neem u mee!”
»Maar ik heb....” zei ik aarzelend.
»Geen geweer!”
»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht.”
»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op tachtig passen afstands neerlegt.”
»Onder voorwaarde van het te raken!” hernam ik lachende.
»Natuurlijk!—Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn.”
»Te goed, Bretignot!”
»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen.”
»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan1aan mijn geweer heb, zou de hond overkompleet zijn!”
Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot drijft. Die zijn hem heilig!
Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.
»Welnu, gij komt, niet waar?” zeide hij.
»Als gij er op gesteld zijt!”.... antwoordde ik zonder eenige geestdrift.
»Jawel, jawel!....” meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik reken op u.”
En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij, die mij nog lang zal heugen.
Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo’n jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij, ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden; maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van Bretignot moest komen bewonderen.
Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer, een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat de verkooper haar zou terugnemen—met vijftig procent verlies voor mij—wanneer er geen wild in geborgen was geweest.
De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.
»Wie weet evenwel?” dacht ik.
De ijdelheid is de wereld nog niet uit!
III.Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening, was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het Perigord-plein aangewezen was, des avonds tenzes uur aanwezig. Daar nam ik als de achtste—de honden niet medegerekend—plaats in de rotonde van een postwagen.Bretignot en zijne jachtgezellen—ik durfde mij nog niet als een hunner meerekenen—zaten prachtig onder hettraditioneeletuig. Het waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou; anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij dan ook vormelijk voorstellen.Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent, die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van hoogere orde verzonken.Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraakop alle twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d’hôte in de hotels.Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel bezigde hij drie »pans” voor een geweer met twee loopen. En dan, welke gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt, terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren, zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!—Ik liep zelfs gevaar, door zijn gebaren gedood te worden.Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb,” verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!”»Kijk, dat is net als ik!” dacht ik.»En ik dan, Matifat!” antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen?Nou! die patrijzen daar!”»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot hagel voerde!”»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!”»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten, wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!”»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken ongelukkig slechts een hap maakte!”»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!”Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, diePontclouéen Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen.”Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon ongeduldig te verlangen dat het morgen was.
Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening, was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het Perigord-plein aangewezen was, des avonds tenzes uur aanwezig. Daar nam ik als de achtste—de honden niet medegerekend—plaats in de rotonde van een postwagen.
Bretignot en zijne jachtgezellen—ik durfde mij nog niet als een hunner meerekenen—zaten prachtig onder hettraditioneeletuig. Het waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou; anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.
Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij dan ook vormelijk voorstellen.
Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent, die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van hoogere orde verzonken.
Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraakop alle twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d’hôte in de hotels.
Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel bezigde hij drie »pans” voor een geweer met twee loopen. En dan, welke gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt, terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren, zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!—Ik liep zelfs gevaar, door zijn gebaren gedood te worden.
Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.
»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb,” verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!”
»Kijk, dat is net als ik!” dacht ik.
»En ik dan, Matifat!” antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen?Nou! die patrijzen daar!”
»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot hagel voerde!”
»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!”
»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.
En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten, wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!”
»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken ongelukkig slechts een hap maakte!”
»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!”
Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, diePontclouéen Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.
Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen.”
Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon ongeduldig te verlangen dat het morgen was.
IV.Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!»Vlooien!” had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!”Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst—die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,—brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had,” zeiden de jagers.Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden.”»Ja, ik zal mijn best doen,” antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?”Brétignot haalde minachtend de schouders op.Eindelijk waren wij op jacht—een geheel vrije jacht.—Ieder deed zooals hij goed vond.Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.Met het uitzicht op zoo’n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa’s zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in den aanslag gebracht.»Niet schieten! niet schieten!” riep mijn vriend Brétignot, die onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?”»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!”Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué, Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die, met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun kuiten maakte.»Te drommel! draag je geweer toch beter!” herhaalde Brétignot op het oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!” antwoordde ik, een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven, versnelde ik den pas.
Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!
Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!
En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!
»Vlooien!” had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!”
Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.
Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst—die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,—brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.
Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had,” zeiden de jagers.
Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.
Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:
»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden.”
»Ja, ik zal mijn best doen,” antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?”
Brétignot haalde minachtend de schouders op.
Eindelijk waren wij op jacht—een geheel vrije jacht.—Ieder deed zooals hij goed vond.
Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.
Met het uitzicht op zoo’n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.
Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa’s zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.
Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in den aanslag gebracht.
»Niet schieten! niet schieten!” riep mijn vriend Brétignot, die onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.
»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?”
»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!”
Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué, Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die, met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.
Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun kuiten maakte.
»Te drommel! draag je geweer toch beter!” herhaalde Brétignot op het oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.
»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!” antwoordde ik, een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.
Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven, versnelde ik den pas.
V.Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf omhoog.Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die de wollen kousen bedekten—wol is beter dan katoen,—daar het laatste ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken; maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk onberispelijk in het pak zit.Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest wel waar zijn, daar zij het zeiden.»Maar,” had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te schieten! Dat is een jager onwaardig!”Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper toebereid, weet te onderscheiden!Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem eer zou aandoen, voegde er bij;»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je op een haas schiet.”»Als er een voorbijkomt!” merkte ik spottend op.»Er zullen er wel voorbijkomen,” antwoordde Brétignot koeltjes.»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor ’t richten van je schot.”»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot,” antwoordde ik. »Die opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas zal brengen!”Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af, een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.»Op jacht! op jacht!”riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!”Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik durfde niet te antwoorden.Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo’n verschalking!Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde, en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld, daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Jeinstinctwas sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijtenen tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren, het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen in welke omstandigheden dat gebeurde.Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten tot ik alleen zou zijn om dat te doen.Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn, stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo even had gevuld.Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om dezen te doen overgaan!Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde berichten in de plattelands-dagbladen!En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging, indien—ja, nu ik er aan denk—indien in de richting van de lading het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet meer zou terugkomen.
Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf omhoog.
Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die de wollen kousen bedekten—wol is beter dan katoen,—daar het laatste ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken; maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk onberispelijk in het pak zit.
Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest wel waar zijn, daar zij het zeiden.
»Maar,” had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te schieten! Dat is een jager onwaardig!”
Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper toebereid, weet te onderscheiden!
Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem eer zou aandoen, voegde er bij;
»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je op een haas schiet.”
»Als er een voorbijkomt!” merkte ik spottend op.
»Er zullen er wel voorbijkomen,” antwoordde Brétignot koeltjes.
»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor ’t richten van je schot.”
»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot,” antwoordde ik. »Die opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas zal brengen!”
Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af, een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.
»Op jacht! op jacht!”riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!”
Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik durfde niet te antwoorden.
Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo’n verschalking!
Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde, en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.
Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld, daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Jeinstinctwas sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.
Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijtenen tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!
Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren, het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen in welke omstandigheden dat gebeurde.
Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten tot ik alleen zou zijn om dat te doen.
Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn, stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo even had gevuld.
Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om dezen te doen overgaan!
Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde berichten in de plattelands-dagbladen!
En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging, indien—ja, nu ik er aan denk—indien in de richting van de lading het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet meer zou terugkomen.
VI.Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen toon, zooals het een meester voegt.»Heb jij geschoten?” vroeg hij.»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten....”»Een patrijs?”»Ja, een patrijs!”Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar hebben willen erkennen.»En waar is die patrijs?” vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch met den loop van zijn geweer aanraakte.»Verloren!” antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik had geen hond! O, als ik een hond had gehad!”Komaan, komaan! met zoo’n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden!Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder had gesteund,—een van die klappen, waaromtrent men wel is waar, niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet, dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer van de zaken weet dan ik.Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende wildverdelgersverlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk, dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn, die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per jager zou geven.Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort, zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee jonge patrijzen.Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en Matifat hadden het buskruit laten spreken.Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer.O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij meent dat alles maar voor hem is!....” »Naar den duivel met die lieden, die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te zamen zou jagen!....” en andere lieflijkheden met een picardische saus, die mijn pen weigert weer te geven.De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te gelijkertijd waren losgebrand.Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de anderen geknald had. Maar—daarover was niet te redekavelen—hoe kon het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp eens door een schooljongen!Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin.
Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.
Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen toon, zooals het een meester voegt.
»Heb jij geschoten?” vroeg hij.
»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten....”
»Een patrijs?”
»Ja, een patrijs!”
Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar hebben willen erkennen.
»En waar is die patrijs?” vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch met den loop van zijn geweer aanraakte.
»Verloren!” antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik had geen hond! O, als ik een hond had gehad!”
Komaan, komaan! met zoo’n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden!
Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.
Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder had gesteund,—een van die klappen, waaromtrent men wel is waar, niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.
De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.
Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet, dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer van de zaken weet dan ik.
Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende wildverdelgersverlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk, dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn, die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per jager zou geven.
Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.
Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort, zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.
Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee jonge patrijzen.
Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en Matifat hadden het buskruit laten spreken.
Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer.
O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij meent dat alles maar voor hem is!....” »Naar den duivel met die lieden, die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te zamen zou jagen!....” en andere lieflijkheden met een picardische saus, die mijn pen weigert weer te geven.
De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te gelijkertijd waren losgebrand.
Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de anderen geknald had. Maar—daarover was niet te redekavelen—hoe kon het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp eens door een schooljongen!
Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin.
VII.Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen—de laatste helaas! zeer plat—werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen,diesedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?—Ja, wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers opknoopen! Eén aan iederen boom, en meteen vel papier op de borst tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al hetgezeurvan jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zoumisschiennu vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort, die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht te verzamelen.Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando’s van de engelsche marine geleken.Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch, voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten had?” Maar ik durfde niet uit eigenliefde.Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij aan dien kant een noot in den mond had.»Mooi zoo! een ongeluk!” riep Brétignot.»Dat mankeert er nog maar aan!” schreeuwde Duvauchelle.Dat was alles wat hun dat »misdrijf” ontlokte, van verwondingen toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood te berokkenen,” zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe—wanneer zij ooit het leven moeten laten!En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang en kon niet spreken.Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.»Welnu, brave man, wat is er?” vroeg Maximon op beschermenden toon.»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang”, antwoordde ik.»Och, dat is niets!” hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!”»Jawel!... jawel!...” zei de boer, die de belangrijkheid van zijn verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten onderstreepen.»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te kwetsen?” vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef rusten.»Heb jij niet geschoten?” vroeg mij Maximon.»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen.”»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!” riep Duvauchelle.»Hoe, uitgemaakt?” vroeg ik.»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I,” zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide.»Ik!” riep ik. »Ik!...”»Niemand anders kan het zijn!” sprak Brétignot gestreng.»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!” meende Matifat.»En wanneer men zoo’n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen, die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!”En daarmee maakten de heeren er zich van af.Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.»Het gaat nu beter?!”vroeg ik.»O! la... la!... O! daar komt het weer!”... antwoordde hij, terwijl de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker”.»Neen, neen,” riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg.”En ik ging heen.
Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen—de laatste helaas! zeer plat—werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen,diesedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.
Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?—Ja, wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers opknoopen! Eén aan iederen boom, en meteen vel papier op de borst tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al hetgezeurvan jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!
Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!
Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zoumisschiennu vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort, die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht te verzamelen.
Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando’s van de engelsche marine geleken.
Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch, voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten had?” Maar ik durfde niet uit eigenliefde.
Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.
Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.
Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...
Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij aan dien kant een noot in den mond had.
»Mooi zoo! een ongeluk!” riep Brétignot.
»Dat mankeert er nog maar aan!” schreeuwde Duvauchelle.
Dat was alles wat hun dat »misdrijf” ontlokte, van verwondingen toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood te berokkenen,” zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe—wanneer zij ooit het leven moeten laten!
En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang en kon niet spreken.
Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.
»Welnu, brave man, wat is er?” vroeg Maximon op beschermenden toon.
»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang”, antwoordde ik.
»Och, dat is niets!” hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!”
»Jawel!... jawel!...” zei de boer, die de belangrijkheid van zijn verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten onderstreepen.
»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te kwetsen?” vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef rusten.
»Heb jij niet geschoten?” vroeg mij Maximon.
»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen.”
»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!” riep Duvauchelle.
»Hoe, uitgemaakt?” vroeg ik.
»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I,” zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide.
»Ik!” riep ik. »Ik!...”
»Niemand anders kan het zijn!” sprak Brétignot gestreng.
»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!” meende Matifat.
»En wanneer men zoo’n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen, die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!”
En daarmee maakten de heeren er zich van af.
Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.
Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.
»Het gaat nu beter?!”vroeg ik.
»O! la... la!... O! daar komt het weer!”... antwoordde hij, terwijl de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker”.
»Neen, neen,” riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg.”
En ik ging heen.
VIII.Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de nabijheid van zoo’n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid maande hen, zich van mij te verwijderen.Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn lot over, alsof ik een heksenmeester was, die methet kwade oog is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels” ik kon ontwaren, zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs niets te doen, stond ik hier!Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal met het spottend opschrift:Privatieve jacht.Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen spoor te ontdekken!Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?
Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de nabijheid van zoo’n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid maande hen, zich van mij te verwijderen.
Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn lot over, alsof ik een heksenmeester was, die methet kwade oog is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!
Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels” ik kon ontwaren, zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs niets te doen, stond ik hier!
Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal met het spottend opschrift:Privatieve jacht.
Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen spoor te ontdekken!
Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?
IX.Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een kilometer, en ik zou het bereiken.Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!” dacht ik. »Waarachtig, zij willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!”En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend, door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken of vinken voorgezet worden.Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik angstig en oplettend keek rechts en links.Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en, wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten, levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den boezem!Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en ruigten, zag ik voorwaar iets.Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel—dat kon ik niet uitmaken—was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas, een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk, dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen, wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan te leggen.Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden zijn.Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,—op twintig passen ongeveer,—knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn, bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.»Geraakt!” riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn om mij mijn schot te betwisten!”En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien, hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik raapte het op....Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.
Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een kilometer, en ik zou het bereiken.
Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.
In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.
»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!” dacht ik. »Waarachtig, zij willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!”
En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend, door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken of vinken voorgezet worden.
Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.
Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik angstig en oplettend keek rechts en links.
Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en, wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!
Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten, levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.
Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.
Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den boezem!
Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en ruigten, zag ik voorwaar iets.
Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!
Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel—dat kon ik niet uitmaken—was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas, een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk, dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen, wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!
Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan te leggen.Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden zijn.
Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,—op twintig passen ongeveer,—knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn, bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.
»Geraakt!” riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn om mij mijn schot te betwisten!”
En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien, hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!
Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik raapte het op....
Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.
X.In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot gewekt was.»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?” zei hij met die stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.»Marechaussee, ik verzeker u!” antwoordde ik stotterend.»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!”»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!”»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is.”Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat was het netelige punt!»Zoodat gij een jachtakte hebt?” vroeg Pandoor.»Een jachtakte?”»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?”Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik betuigde,—hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,—dat ik mijn jachtakte vergeten had.Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de lip van den vertegenwoordiger der wet.»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!” zei hij, op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het verschiet heeft.»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn brave marechaussee, en....”»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!”»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de smeekbeden van een eerstbeginnende.”Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.»Zoodat gij heet?” vroeg hij mij.Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben den naam van een mijner collega’s op te geven. Maar ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.Bleef nu het voorval met des maréchaussée’s hoed over. Die kwestie werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen geregeld.»Het is jammer,” zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!”»Een bijna nieuwe hoed!” antwoordde Pandoor. »Zoodat ikhem gekocht heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd.”En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde, den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte.Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.
In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot gewekt was.
»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?” zei hij met die stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.
»Marechaussee, ik verzeker u!” antwoordde ik stotterend.
»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!”
»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!”
»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is.”
Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat was het netelige punt!
»Zoodat gij een jachtakte hebt?” vroeg Pandoor.
»Een jachtakte?”
»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?”
Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik betuigde,—hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,—dat ik mijn jachtakte vergeten had.
Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de lip van den vertegenwoordiger der wet.
»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!” zei hij, op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het verschiet heeft.
»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn brave marechaussee, en....”
»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!”
»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de smeekbeden van een eerstbeginnende.”
Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.
»Zoodat gij heet?” vroeg hij mij.
Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben den naam van een mijner collega’s op te geven. Maar ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.
Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.
Bleef nu het voorval met des maréchaussée’s hoed over. Die kwestie werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen geregeld.
»Het is jammer,” zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!”
»Een bijna nieuwe hoed!” antwoordde Pandoor. »Zoodat ikhem gekocht heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd.”
En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde, den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.
Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte.
Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.
XI.Dat is de lijst der aandoeningen, die ik op dien gedenkwaardigen dag ondervond. Ik had misschien een kwartel en misschien een patrijs gedood. Ik had misschien een boer verwond, maar ik had zeer zeker een maréchaussée’s hoed doorboord. Ik was jagende, zonder jachtakte betrapt geworden. Er was een proces-verbaal tegen mij opgemaakt, maar op een andersmans naam! Ik had het gezag bedrogen!!! Wat kon een nieuweling in de edele kunst der Andersons en der Pertuisets meer overkomen.Het is buiten kijf, dat mijn vriend de pianist onaangenaam verrast is geweest, toen hem beteekend werd, dat hij voor het kantongerecht te Doullens moestverschijnen. Ik vernam sedert, dat het hem niet mogelijk geweest was een alibi te bewijzen. Dientengevolge was hij tot zestien franken boete en tot de kosten veroordeeld, welke laatsten nog wel ééns die som bedroegen.Ik haast mij aan mijn verhaal toe te voegen, dat hij eenigen tijd daarna een postwissel ontving onder de leus van: Restitutie, groot twee-en-dertig francs, die hem zijn onkosten vergoedde. Nooit heeft hij vernomen en zal ook nooit vernemen, van wien die postwissel kwam; maar hij is door het kantonrechterlijk vonnis gebrandmerkt, hij is thans bij de justitie bekend.
Dat is de lijst der aandoeningen, die ik op dien gedenkwaardigen dag ondervond. Ik had misschien een kwartel en misschien een patrijs gedood. Ik had misschien een boer verwond, maar ik had zeer zeker een maréchaussée’s hoed doorboord. Ik was jagende, zonder jachtakte betrapt geworden. Er was een proces-verbaal tegen mij opgemaakt, maar op een andersmans naam! Ik had het gezag bedrogen!!! Wat kon een nieuweling in de edele kunst der Andersons en der Pertuisets meer overkomen.
Het is buiten kijf, dat mijn vriend de pianist onaangenaam verrast is geweest, toen hem beteekend werd, dat hij voor het kantongerecht te Doullens moestverschijnen. Ik vernam sedert, dat het hem niet mogelijk geweest was een alibi te bewijzen. Dientengevolge was hij tot zestien franken boete en tot de kosten veroordeeld, welke laatsten nog wel ééns die som bedroegen.
Ik haast mij aan mijn verhaal toe te voegen, dat hij eenigen tijd daarna een postwissel ontving onder de leus van: Restitutie, groot twee-en-dertig francs, die hem zijn onkosten vergoedde. Nooit heeft hij vernomen en zal ook nooit vernemen, van wien die postwissel kwam; maar hij is door het kantonrechterlijk vonnis gebrandmerkt, hij is thans bij de justitie bekend.
XII.Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij, het zal niet weer gebeuren.Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.Einde.
Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij, het zal niet weer gebeuren.
Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.
Einde.
1Noot van den Vertaler. De haan van een geweer heet in het Fransch ook chien. De Fransche woordspeling is hier niet weer te geven.
1Noot van den Vertaler. De haan van een geweer heet in het Fransch ook chien. De Fransche woordspeling is hier niet weer te geven.