ZESDE HOOFDSTUK.Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.„Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?” riep Lodewijk van den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.„Volstrekt niet, Lodewijk,” antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde hij: „Vooruit, jongens! Deze straat in!”„Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?” vroeg Frits Verdam aan Ben.„Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?” vroeg de aangesprokene.„Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo’n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil ’t zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren.”„Very vreemd!” riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met kant omzoomd was. „En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?”„Ieder Haarlemmer,” zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, „zal u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts een sprookje: ’t is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in zwang is.”„Komt, jongens!” riep nu de kapitein. „Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders.”„Je hebt deugdelijk gelijk,” antwoordde Frits. „’t Is maar jammer, dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren.”„De damiaatjes, wat zijn zij?” vroeg Benjamin.„Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot tien uren geluid worden, ’t Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. ’t Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben gedragen.”„Niet minder dan de Dokkumers,” viel Jacob Poot hem in de rede. „Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein.”„Van Piet Hein?” vroeg Ben.„Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde,” zeide Peter van den Helm. „En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze verovering gebruikte vaartuigen. Over ’t geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten.”„Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,” meende Lodewijk. „Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden.”„Ha! wiens beeld is dat?” riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen.„Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst,Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor ’t eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid.”„Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst,” zeide Benjamin. „Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u.”„Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld opgericht,” antwoordde Frits. „De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon ’t wel jammer is, dat het eerste werk, hetwelk hij gedrukt heeft, „de Spiegel onzer behoudenis”, van geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man.”„En wat is dat voor een antiek gebouw?” hernam Ben.„Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,” zeide Lodewijk. „Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:„Wanneer de graef hierop het sant,Syn princenwoning had geplant,Soo was dit loflick out gesticht,Tot Haerlems raethuis ingericht.”„Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden.”„En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?”„Dat is het tegenwoordige stadhuis,” antwoordde Frits, „vroeger het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van hooge waarde.”Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was.„Dit orgel,” zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, „heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op.”„Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi,” zeide Frits. „Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone1spelen.”„Dat is goed,” zeiden Lodewijk en Peter.„Als je ’t mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten,” zeide Jacob Poot. „We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de St. Bavo2al meermalen gezien.”„Hier heb je nu de scheepjes,” begon Frits, „opgehangen ter herinnering aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?” vroeg hij een oogenblik later.„Welnu, wat zou dat?”„Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar door het koper is heengekomen.—Hier op den muur ziet gij een steen, aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was.”„Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroegertijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak,” zeide Peter.„Ik doe niet recht verstaan dat woord,” zeide Ben. „Wat is dat voor een soort van reus, een Sparrewou?”„Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden.”„Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573,” zeide Frits. „De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld.”Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.’t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. ’t Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en ’t was of duizend angstkreten door de St. Bavo weergalmden.—Maar—daar ruischt een zacht geluid, als een stem des engels—de storm bedaart—de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen der zefirs—de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten meteen psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.Het orgel zweeg—en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. ’t Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.„Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?” vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, „’t Wordt hoog tijd, om op te stappen.”„Je hebt gelijk,” antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. „Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen.”De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.„Slaapkop!” riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. „Hoe kun je bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?”„Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,” antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren.„Als aangesprokene,” voleindigde Peter, „behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en mannelijk is.”Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat.Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan: „Glorious! Glorious!”„Ja, Ben,” hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, „’t is inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord. „Wie is daar op het orgel?” riep hij uit. „Als ’t geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn.” En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.„Hoe heb ik het toch?” vroeg hij, „gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren.”—„Gij hebt gelijk,” gaf Händel bedaard ten antwoord, „en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen.”—„Je kunt begrijpen, hoe de organist stond te kijken.”3„Dat laat zich hooren,” zeide Frits. „Maar waar zullen wij nu heen?”„Hoort eens, jongens!” hernam Peter. „Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen.”„Heel goed,” antwoordde Karel Schimmel. „Wat is hier nog meer te kijken?”„O, heel veel,” gaf Frits ten antwoord. „Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkstezijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug.”„Jan de Lapper? Wie was dat?”—vroeg Ben.„Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan ’t schoenflikken als te voren. Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede4eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken.”„Den Hout? Wat is dat?” vroeg Ben.„Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste.…”„Houd op!” riep Peter. „Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?”„Leiden!” riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.„’t Is zoo maar ’t best ook,” zeide Frits Verdam tegen Benjamin. „Want als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer ’t een groote bloemtuin is.”„Komt dan, op reis!” riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.„Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?” zeide Peter. „Dat kort den weg op.”„Ik wil wat mededeelen,” zeide Frits Verdam. „Laat ons dan wat langzaam en naast elkander rijden.”„Dat is goed,” riepen allen en Frits begon:„In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Washaarechtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van den krijgsknecht moest doorboren, die ’t wagen durfde, op den trans te verschijnen. „Ik ben altijd goed voor u geweest,” zeide zij. „Welnu, veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen.” „Dat is u toegestaan,” riep men haar toe.—De poort gaat open, en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.… Wat denkt gij?”„Wel, haar juweelen en beste kleederen,” zeide Karel.„Neen—haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer,” hervatte Frits. „En haar daad was des te mooier,daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was.”„En wat deed het volk nu?” vroeg Peter.„’t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel werd vernield.”„Kom, dat is nooit gebeurd!” riep Karel Schimmel uit. „Hoe zou een zwakke vrouw zoo’n grooten kerel hebben kunnen dragen!”„Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,” verzekerde Frits.„Ik geloof het wèl,” zeide Jacob Poot. „Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen.”„Ik zou haar beklagen, Jacob,” antwoordde Peter lachend, „indien zij zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen.”„Nu dan, ’t zou mij genoeg zijn, als zij ’twildedoen,” hervatte Jacob.„Dus zou je den wil voor de daad nemen?” vroeg Peter. „Doch wie weet er nog een historie, Haarlem betreffende?”„Meen je van het beleg?” zeide Lodewijk.„O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen5reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is.”„Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb,” zeide Jacob. „’t Is een heel mooie historie.”„Nu vertel dan!” riepen allen te gelijk.„Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden,” antwoordde de dikkerd. „Anders kan ik onmogelijk vertellen.”„Best,” antwoordde Peter. „Jongens! Wat meer piano aan.”„Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje bracht eenuur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.„Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou ’t dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, alsof het in lichtelaaie stond.„Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. ’t Was het geluid van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.„Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. „Ha!” riep hij met kinderlijke vroolijkheid uit. „Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben.”„Dit ging in ’t eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid: „Komt hier, komt hier!” maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: „zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!” Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten—misschien zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: „Ik wil hier tot morgen blijven.”„De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk—en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.„O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was ’t niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?„Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren.Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.„In ’s Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?” riep hij uit.„Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt,” antwoordde het kind met flauwe stem. „Zeg, dat zij gauw komen.”6„Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een kleinen knaap gered was,” eindigde Jacob.1Gids, geleider.↑2De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.↑3Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.↑4Zie mijn „Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel”.↑5Adolf en Clara.↑6Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.↑
ZESDE HOOFDSTUK.Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.„Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?” riep Lodewijk van den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.„Volstrekt niet, Lodewijk,” antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde hij: „Vooruit, jongens! Deze straat in!”„Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?” vroeg Frits Verdam aan Ben.„Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?” vroeg de aangesprokene.„Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo’n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil ’t zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren.”„Very vreemd!” riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met kant omzoomd was. „En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?”„Ieder Haarlemmer,” zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, „zal u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts een sprookje: ’t is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in zwang is.”„Komt, jongens!” riep nu de kapitein. „Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders.”„Je hebt deugdelijk gelijk,” antwoordde Frits. „’t Is maar jammer, dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren.”„De damiaatjes, wat zijn zij?” vroeg Benjamin.„Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot tien uren geluid worden, ’t Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. ’t Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben gedragen.”„Niet minder dan de Dokkumers,” viel Jacob Poot hem in de rede. „Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein.”„Van Piet Hein?” vroeg Ben.„Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde,” zeide Peter van den Helm. „En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze verovering gebruikte vaartuigen. Over ’t geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten.”„Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,” meende Lodewijk. „Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden.”„Ha! wiens beeld is dat?” riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen.„Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst,Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor ’t eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid.”„Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst,” zeide Benjamin. „Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u.”„Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld opgericht,” antwoordde Frits. „De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon ’t wel jammer is, dat het eerste werk, hetwelk hij gedrukt heeft, „de Spiegel onzer behoudenis”, van geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man.”„En wat is dat voor een antiek gebouw?” hernam Ben.„Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,” zeide Lodewijk. „Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:„Wanneer de graef hierop het sant,Syn princenwoning had geplant,Soo was dit loflick out gesticht,Tot Haerlems raethuis ingericht.”„Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden.”„En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?”„Dat is het tegenwoordige stadhuis,” antwoordde Frits, „vroeger het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van hooge waarde.”Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was.„Dit orgel,” zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, „heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op.”„Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi,” zeide Frits. „Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone1spelen.”„Dat is goed,” zeiden Lodewijk en Peter.„Als je ’t mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten,” zeide Jacob Poot. „We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de St. Bavo2al meermalen gezien.”„Hier heb je nu de scheepjes,” begon Frits, „opgehangen ter herinnering aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?” vroeg hij een oogenblik later.„Welnu, wat zou dat?”„Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar door het koper is heengekomen.—Hier op den muur ziet gij een steen, aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was.”„Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroegertijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak,” zeide Peter.„Ik doe niet recht verstaan dat woord,” zeide Ben. „Wat is dat voor een soort van reus, een Sparrewou?”„Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden.”„Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573,” zeide Frits. „De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld.”Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.’t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. ’t Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en ’t was of duizend angstkreten door de St. Bavo weergalmden.—Maar—daar ruischt een zacht geluid, als een stem des engels—de storm bedaart—de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen der zefirs—de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten meteen psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.Het orgel zweeg—en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. ’t Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.„Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?” vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, „’t Wordt hoog tijd, om op te stappen.”„Je hebt gelijk,” antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. „Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen.”De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.„Slaapkop!” riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. „Hoe kun je bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?”„Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,” antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren.„Als aangesprokene,” voleindigde Peter, „behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en mannelijk is.”Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat.Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan: „Glorious! Glorious!”„Ja, Ben,” hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, „’t is inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord. „Wie is daar op het orgel?” riep hij uit. „Als ’t geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn.” En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.„Hoe heb ik het toch?” vroeg hij, „gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren.”—„Gij hebt gelijk,” gaf Händel bedaard ten antwoord, „en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen.”—„Je kunt begrijpen, hoe de organist stond te kijken.”3„Dat laat zich hooren,” zeide Frits. „Maar waar zullen wij nu heen?”„Hoort eens, jongens!” hernam Peter. „Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen.”„Heel goed,” antwoordde Karel Schimmel. „Wat is hier nog meer te kijken?”„O, heel veel,” gaf Frits ten antwoord. „Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkstezijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug.”„Jan de Lapper? Wie was dat?”—vroeg Ben.„Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan ’t schoenflikken als te voren. Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede4eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken.”„Den Hout? Wat is dat?” vroeg Ben.„Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste.…”„Houd op!” riep Peter. „Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?”„Leiden!” riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.„’t Is zoo maar ’t best ook,” zeide Frits Verdam tegen Benjamin. „Want als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer ’t een groote bloemtuin is.”„Komt dan, op reis!” riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.„Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?” zeide Peter. „Dat kort den weg op.”„Ik wil wat mededeelen,” zeide Frits Verdam. „Laat ons dan wat langzaam en naast elkander rijden.”„Dat is goed,” riepen allen en Frits begon:„In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Washaarechtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van den krijgsknecht moest doorboren, die ’t wagen durfde, op den trans te verschijnen. „Ik ben altijd goed voor u geweest,” zeide zij. „Welnu, veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen.” „Dat is u toegestaan,” riep men haar toe.—De poort gaat open, en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.… Wat denkt gij?”„Wel, haar juweelen en beste kleederen,” zeide Karel.„Neen—haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer,” hervatte Frits. „En haar daad was des te mooier,daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was.”„En wat deed het volk nu?” vroeg Peter.„’t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel werd vernield.”„Kom, dat is nooit gebeurd!” riep Karel Schimmel uit. „Hoe zou een zwakke vrouw zoo’n grooten kerel hebben kunnen dragen!”„Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,” verzekerde Frits.„Ik geloof het wèl,” zeide Jacob Poot. „Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen.”„Ik zou haar beklagen, Jacob,” antwoordde Peter lachend, „indien zij zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen.”„Nu dan, ’t zou mij genoeg zijn, als zij ’twildedoen,” hervatte Jacob.„Dus zou je den wil voor de daad nemen?” vroeg Peter. „Doch wie weet er nog een historie, Haarlem betreffende?”„Meen je van het beleg?” zeide Lodewijk.„O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen5reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is.”„Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb,” zeide Jacob. „’t Is een heel mooie historie.”„Nu vertel dan!” riepen allen te gelijk.„Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden,” antwoordde de dikkerd. „Anders kan ik onmogelijk vertellen.”„Best,” antwoordde Peter. „Jongens! Wat meer piano aan.”„Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje bracht eenuur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.„Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou ’t dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, alsof het in lichtelaaie stond.„Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. ’t Was het geluid van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.„Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. „Ha!” riep hij met kinderlijke vroolijkheid uit. „Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben.”„Dit ging in ’t eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid: „Komt hier, komt hier!” maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: „zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!” Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten—misschien zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: „Ik wil hier tot morgen blijven.”„De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk—en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.„O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was ’t niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?„Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren.Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.„In ’s Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?” riep hij uit.„Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt,” antwoordde het kind met flauwe stem. „Zeg, dat zij gauw komen.”6„Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een kleinen knaap gered was,” eindigde Jacob.1Gids, geleider.↑2De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.↑3Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.↑4Zie mijn „Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel”.↑5Adolf en Clara.↑6Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.↑
ZESDE HOOFDSTUK.Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.
Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.„Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?” riep Lodewijk van den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.„Volstrekt niet, Lodewijk,” antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde hij: „Vooruit, jongens! Deze straat in!”„Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?” vroeg Frits Verdam aan Ben.„Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?” vroeg de aangesprokene.„Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo’n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil ’t zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren.”„Very vreemd!” riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met kant omzoomd was. „En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?”„Ieder Haarlemmer,” zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, „zal u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts een sprookje: ’t is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in zwang is.”„Komt, jongens!” riep nu de kapitein. „Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders.”„Je hebt deugdelijk gelijk,” antwoordde Frits. „’t Is maar jammer, dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren.”„De damiaatjes, wat zijn zij?” vroeg Benjamin.„Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot tien uren geluid worden, ’t Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. ’t Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben gedragen.”„Niet minder dan de Dokkumers,” viel Jacob Poot hem in de rede. „Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein.”„Van Piet Hein?” vroeg Ben.„Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde,” zeide Peter van den Helm. „En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze verovering gebruikte vaartuigen. Over ’t geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten.”„Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,” meende Lodewijk. „Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden.”„Ha! wiens beeld is dat?” riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen.„Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst,Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor ’t eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid.”„Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst,” zeide Benjamin. „Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u.”„Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld opgericht,” antwoordde Frits. „De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon ’t wel jammer is, dat het eerste werk, hetwelk hij gedrukt heeft, „de Spiegel onzer behoudenis”, van geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man.”„En wat is dat voor een antiek gebouw?” hernam Ben.„Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,” zeide Lodewijk. „Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:„Wanneer de graef hierop het sant,Syn princenwoning had geplant,Soo was dit loflick out gesticht,Tot Haerlems raethuis ingericht.”„Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden.”„En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?”„Dat is het tegenwoordige stadhuis,” antwoordde Frits, „vroeger het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van hooge waarde.”Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was.„Dit orgel,” zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, „heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op.”„Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi,” zeide Frits. „Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone1spelen.”„Dat is goed,” zeiden Lodewijk en Peter.„Als je ’t mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten,” zeide Jacob Poot. „We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de St. Bavo2al meermalen gezien.”„Hier heb je nu de scheepjes,” begon Frits, „opgehangen ter herinnering aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?” vroeg hij een oogenblik later.„Welnu, wat zou dat?”„Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar door het koper is heengekomen.—Hier op den muur ziet gij een steen, aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was.”„Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroegertijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak,” zeide Peter.„Ik doe niet recht verstaan dat woord,” zeide Ben. „Wat is dat voor een soort van reus, een Sparrewou?”„Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden.”„Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573,” zeide Frits. „De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld.”Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.’t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. ’t Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en ’t was of duizend angstkreten door de St. Bavo weergalmden.—Maar—daar ruischt een zacht geluid, als een stem des engels—de storm bedaart—de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen der zefirs—de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten meteen psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.Het orgel zweeg—en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. ’t Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.„Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?” vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, „’t Wordt hoog tijd, om op te stappen.”„Je hebt gelijk,” antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. „Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen.”De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.„Slaapkop!” riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. „Hoe kun je bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?”„Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,” antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren.„Als aangesprokene,” voleindigde Peter, „behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en mannelijk is.”Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat.Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan: „Glorious! Glorious!”„Ja, Ben,” hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, „’t is inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord. „Wie is daar op het orgel?” riep hij uit. „Als ’t geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn.” En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.„Hoe heb ik het toch?” vroeg hij, „gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren.”—„Gij hebt gelijk,” gaf Händel bedaard ten antwoord, „en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen.”—„Je kunt begrijpen, hoe de organist stond te kijken.”3„Dat laat zich hooren,” zeide Frits. „Maar waar zullen wij nu heen?”„Hoort eens, jongens!” hernam Peter. „Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen.”„Heel goed,” antwoordde Karel Schimmel. „Wat is hier nog meer te kijken?”„O, heel veel,” gaf Frits ten antwoord. „Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkstezijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug.”„Jan de Lapper? Wie was dat?”—vroeg Ben.„Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan ’t schoenflikken als te voren. Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede4eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken.”„Den Hout? Wat is dat?” vroeg Ben.„Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste.…”„Houd op!” riep Peter. „Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?”„Leiden!” riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.„’t Is zoo maar ’t best ook,” zeide Frits Verdam tegen Benjamin. „Want als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer ’t een groote bloemtuin is.”„Komt dan, op reis!” riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.„Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?” zeide Peter. „Dat kort den weg op.”„Ik wil wat mededeelen,” zeide Frits Verdam. „Laat ons dan wat langzaam en naast elkander rijden.”„Dat is goed,” riepen allen en Frits begon:„In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Washaarechtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van den krijgsknecht moest doorboren, die ’t wagen durfde, op den trans te verschijnen. „Ik ben altijd goed voor u geweest,” zeide zij. „Welnu, veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen.” „Dat is u toegestaan,” riep men haar toe.—De poort gaat open, en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.… Wat denkt gij?”„Wel, haar juweelen en beste kleederen,” zeide Karel.„Neen—haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer,” hervatte Frits. „En haar daad was des te mooier,daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was.”„En wat deed het volk nu?” vroeg Peter.„’t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel werd vernield.”„Kom, dat is nooit gebeurd!” riep Karel Schimmel uit. „Hoe zou een zwakke vrouw zoo’n grooten kerel hebben kunnen dragen!”„Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,” verzekerde Frits.„Ik geloof het wèl,” zeide Jacob Poot. „Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen.”„Ik zou haar beklagen, Jacob,” antwoordde Peter lachend, „indien zij zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen.”„Nu dan, ’t zou mij genoeg zijn, als zij ’twildedoen,” hervatte Jacob.„Dus zou je den wil voor de daad nemen?” vroeg Peter. „Doch wie weet er nog een historie, Haarlem betreffende?”„Meen je van het beleg?” zeide Lodewijk.„O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen5reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is.”„Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb,” zeide Jacob. „’t Is een heel mooie historie.”„Nu vertel dan!” riepen allen te gelijk.„Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden,” antwoordde de dikkerd. „Anders kan ik onmogelijk vertellen.”„Best,” antwoordde Peter. „Jongens! Wat meer piano aan.”„Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje bracht eenuur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.„Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou ’t dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, alsof het in lichtelaaie stond.„Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. ’t Was het geluid van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.„Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. „Ha!” riep hij met kinderlijke vroolijkheid uit. „Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben.”„Dit ging in ’t eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid: „Komt hier, komt hier!” maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: „zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!” Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten—misschien zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: „Ik wil hier tot morgen blijven.”„De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk—en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.„O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was ’t niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?„Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren.Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.„In ’s Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?” riep hij uit.„Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt,” antwoordde het kind met flauwe stem. „Zeg, dat zij gauw komen.”6„Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een kleinen knaap gered was,” eindigde Jacob.
Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.
„Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?” riep Lodewijk van den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.
„Volstrekt niet, Lodewijk,” antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde hij: „Vooruit, jongens! Deze straat in!”
„Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?” vroeg Frits Verdam aan Ben.
„Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?” vroeg de aangesprokene.
„Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo’n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil ’t zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren.”
„Very vreemd!” riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met kant omzoomd was. „En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?”
„Ieder Haarlemmer,” zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, „zal u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts een sprookje: ’t is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in zwang is.”
„Komt, jongens!” riep nu de kapitein. „Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders.”
„Je hebt deugdelijk gelijk,” antwoordde Frits. „’t Is maar jammer, dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren.”
„De damiaatjes, wat zijn zij?” vroeg Benjamin.
„Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot tien uren geluid worden, ’t Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. ’t Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben gedragen.”
„Niet minder dan de Dokkumers,” viel Jacob Poot hem in de rede. „Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein.”
„Van Piet Hein?” vroeg Ben.
„Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde,” zeide Peter van den Helm. „En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze verovering gebruikte vaartuigen. Over ’t geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten.”
„Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,” meende Lodewijk. „Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden.”
„Ha! wiens beeld is dat?” riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen.
„Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst,Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor ’t eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid.”
„Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst,” zeide Benjamin. „Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u.”
„Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld opgericht,” antwoordde Frits. „De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon ’t wel jammer is, dat het eerste werk, hetwelk hij gedrukt heeft, „de Spiegel onzer behoudenis”, van geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man.”
„En wat is dat voor een antiek gebouw?” hernam Ben.
„Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,” zeide Lodewijk. „Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:
„Wanneer de graef hierop het sant,Syn princenwoning had geplant,Soo was dit loflick out gesticht,Tot Haerlems raethuis ingericht.”
„Wanneer de graef hierop het sant,
Syn princenwoning had geplant,
Soo was dit loflick out gesticht,
Tot Haerlems raethuis ingericht.”
„Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden.”
„En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?”
„Dat is het tegenwoordige stadhuis,” antwoordde Frits, „vroeger het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van hooge waarde.”
Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was.
„Dit orgel,” zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, „heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op.”
„Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi,” zeide Frits. „Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone1spelen.”
„Dat is goed,” zeiden Lodewijk en Peter.
„Als je ’t mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten,” zeide Jacob Poot. „We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de St. Bavo2al meermalen gezien.”
„Hier heb je nu de scheepjes,” begon Frits, „opgehangen ter herinnering aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?” vroeg hij een oogenblik later.
„Welnu, wat zou dat?”
„Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar door het koper is heengekomen.—Hier op den muur ziet gij een steen, aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was.”
„Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroegertijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak,” zeide Peter.
„Ik doe niet recht verstaan dat woord,” zeide Ben. „Wat is dat voor een soort van reus, een Sparrewou?”
„Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden.”
„Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573,” zeide Frits. „De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld.”
Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.
’t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. ’t Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en ’t was of duizend angstkreten door de St. Bavo weergalmden.—Maar—daar ruischt een zacht geluid, als een stem des engels—de storm bedaart—de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen der zefirs—de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten meteen psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.
Het orgel zweeg—en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. ’t Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.
„Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?” vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, „’t Wordt hoog tijd, om op te stappen.”
„Je hebt gelijk,” antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. „Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen.”
De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.
„Slaapkop!” riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. „Hoe kun je bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?”
„Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,” antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren.
„Als aangesprokene,” voleindigde Peter, „behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en mannelijk is.”
Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat.
Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan: „Glorious! Glorious!”
„Ja, Ben,” hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, „’t is inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord. „Wie is daar op het orgel?” riep hij uit. „Als ’t geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn.” En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.
„Hoe heb ik het toch?” vroeg hij, „gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren.”—„Gij hebt gelijk,” gaf Händel bedaard ten antwoord, „en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen.”—„Je kunt begrijpen, hoe de organist stond te kijken.”3
„Dat laat zich hooren,” zeide Frits. „Maar waar zullen wij nu heen?”
„Hoort eens, jongens!” hernam Peter. „Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen.”
„Heel goed,” antwoordde Karel Schimmel. „Wat is hier nog meer te kijken?”
„O, heel veel,” gaf Frits ten antwoord. „Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkstezijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug.”
„Jan de Lapper? Wie was dat?”—vroeg Ben.
„Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan ’t schoenflikken als te voren. Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede4eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken.”
„Den Hout? Wat is dat?” vroeg Ben.
„Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste.…”
„Houd op!” riep Peter. „Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?”
„Leiden!” riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.
„’t Is zoo maar ’t best ook,” zeide Frits Verdam tegen Benjamin. „Want als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer ’t een groote bloemtuin is.”
„Komt dan, op reis!” riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.
„Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?” zeide Peter. „Dat kort den weg op.”
„Ik wil wat mededeelen,” zeide Frits Verdam. „Laat ons dan wat langzaam en naast elkander rijden.”
„Dat is goed,” riepen allen en Frits begon:
„In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Washaarechtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van den krijgsknecht moest doorboren, die ’t wagen durfde, op den trans te verschijnen. „Ik ben altijd goed voor u geweest,” zeide zij. „Welnu, veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen.” „Dat is u toegestaan,” riep men haar toe.—De poort gaat open, en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.… Wat denkt gij?”
„Wel, haar juweelen en beste kleederen,” zeide Karel.
„Neen—haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer,” hervatte Frits. „En haar daad was des te mooier,daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was.”
„En wat deed het volk nu?” vroeg Peter.
„’t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel werd vernield.”
„Kom, dat is nooit gebeurd!” riep Karel Schimmel uit. „Hoe zou een zwakke vrouw zoo’n grooten kerel hebben kunnen dragen!”
„Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,” verzekerde Frits.
„Ik geloof het wèl,” zeide Jacob Poot. „Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen.”
„Ik zou haar beklagen, Jacob,” antwoordde Peter lachend, „indien zij zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen.”
„Nu dan, ’t zou mij genoeg zijn, als zij ’twildedoen,” hervatte Jacob.
„Dus zou je den wil voor de daad nemen?” vroeg Peter. „Doch wie weet er nog een historie, Haarlem betreffende?”
„Meen je van het beleg?” zeide Lodewijk.
„O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen5reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is.”
„Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb,” zeide Jacob. „’t Is een heel mooie historie.”
„Nu vertel dan!” riepen allen te gelijk.
„Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden,” antwoordde de dikkerd. „Anders kan ik onmogelijk vertellen.”
„Best,” antwoordde Peter. „Jongens! Wat meer piano aan.”
„Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje bracht eenuur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.
„Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou ’t dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, alsof het in lichtelaaie stond.
„Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. ’t Was het geluid van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.
„Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. „Ha!” riep hij met kinderlijke vroolijkheid uit. „Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben.”
„Dit ging in ’t eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid: „Komt hier, komt hier!” maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: „zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!” Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten—misschien zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: „Ik wil hier tot morgen blijven.”
„De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk—en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.
„O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was ’t niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?
„Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren.Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.
„In ’s Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?” riep hij uit.
„Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt,” antwoordde het kind met flauwe stem. „Zeg, dat zij gauw komen.”6
„Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een kleinen knaap gered was,” eindigde Jacob.
1Gids, geleider.↑2De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.↑3Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.↑4Zie mijn „Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel”.↑5Adolf en Clara.↑6Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.↑
1Gids, geleider.↑2De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.↑3Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.↑4Zie mijn „Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel”.↑5Adolf en Clara.↑6Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.↑
1Gids, geleider.↑
2De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.↑
3Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.↑
4Zie mijn „Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel”.↑
5Adolf en Clara.↑
6Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.↑