ZESTIENDE HOOFDSTUK.Besluit.Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in de hut te Broek sprak: „’t Is een zware taak, het beroep van arts,” maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: „het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!”Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er ’s winters goed ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveelpatiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen: „Mijn Annie is nog altijd dezelfde—behalve dat zij als ’t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is.”Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: „’t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou ’t ver in die kunst gebracht hebben en een beroemd man zijn geworden.” Maar dan antwoordt Hilda: „Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest.”Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in ’t geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen zij nooit hooren.Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en zijn bewoners derhoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben’s zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel voor hem over hebben.Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker,welke deze niet geweigerd heeft. ’t Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren in ’t eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of ’t koud is of niet, laat hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is ’t een feest bij de oude lui aan huis, dan is ’t of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, terwijl zij in de handen slaat: „Zie me zoo’n man eens aan!”Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten heeft: ’t is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, die nu een gezeten Engelschman is.En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van„DE ZILVEREN SCHAATSEN.”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.Besluit.Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in de hut te Broek sprak: „’t Is een zware taak, het beroep van arts,” maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: „het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!”Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er ’s winters goed ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveelpatiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen: „Mijn Annie is nog altijd dezelfde—behalve dat zij als ’t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is.”Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: „’t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou ’t ver in die kunst gebracht hebben en een beroemd man zijn geworden.” Maar dan antwoordt Hilda: „Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest.”Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in ’t geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen zij nooit hooren.Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en zijn bewoners derhoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben’s zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel voor hem over hebben.Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker,welke deze niet geweigerd heeft. ’t Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren in ’t eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of ’t koud is of niet, laat hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is ’t een feest bij de oude lui aan huis, dan is ’t of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, terwijl zij in de handen slaat: „Zie me zoo’n man eens aan!”Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten heeft: ’t is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, die nu een gezeten Engelschman is.En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van„DE ZILVEREN SCHAATSEN.”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.Besluit.
Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in de hut te Broek sprak: „’t Is een zware taak, het beroep van arts,” maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: „het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!”Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er ’s winters goed ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveelpatiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen: „Mijn Annie is nog altijd dezelfde—behalve dat zij als ’t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is.”Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: „’t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou ’t ver in die kunst gebracht hebben en een beroemd man zijn geworden.” Maar dan antwoordt Hilda: „Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest.”Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in ’t geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen zij nooit hooren.Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en zijn bewoners derhoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben’s zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel voor hem over hebben.Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker,welke deze niet geweigerd heeft. ’t Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren in ’t eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of ’t koud is of niet, laat hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is ’t een feest bij de oude lui aan huis, dan is ’t of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, terwijl zij in de handen slaat: „Zie me zoo’n man eens aan!”Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten heeft: ’t is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, die nu een gezeten Engelschman is.En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van„DE ZILVEREN SCHAATSEN.”
Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.
Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in de hut te Broek sprak: „’t Is een zware taak, het beroep van arts,” maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: „het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!”
Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er ’s winters goed ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveelpatiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen: „Mijn Annie is nog altijd dezelfde—behalve dat zij als ’t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is.”
Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: „’t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou ’t ver in die kunst gebracht hebben en een beroemd man zijn geworden.” Maar dan antwoordt Hilda: „Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest.”
Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in ’t geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen zij nooit hooren.
Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.
Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en zijn bewoners derhoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben’s zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.
Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel voor hem over hebben.
Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker,welke deze niet geweigerd heeft. ’t Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren in ’t eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of ’t koud is of niet, laat hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is ’t een feest bij de oude lui aan huis, dan is ’t of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, terwijl zij in de handen slaat: „Zie me zoo’n man eens aan!”
Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten heeft: ’t is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, die nu een gezeten Engelschman is.
En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van
„DE ZILVEREN SCHAATSEN.”