III.

III.Tentleven.—De kleine dalen in het Zuid-Oosten.—Geschiedenissen van dieven en sprookjes.—De ruïnen van Martand.—Brahmanen en Mollahs.Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh, Arpat enLidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk, dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen, op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen, als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba’s genoemd, van allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold, waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden; het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien ponny’s, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park, dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp, die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast; voor de etappe van 20 kilometer vier anna’s; voor de halve twee anna’s, dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine geldstukjes van 2 en 4 anna’s meegenomen. Ik liet de koelies op een rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven, tot de beurt aan hen kwam.Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben, hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes, die een heerlijke frischheid onderhouden.Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen ’s morgens, dat ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen, die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom vanhonderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen en de politie het verder onder elkander uitmaken.Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den berg is gevallen.Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden, door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk bleek zoo’n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen een weg gebaand.Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den, want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong; zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo’n verrassing, dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel, verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept: “Daar is het!” trekt het beleedigde water zich op eens terug, zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken, schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee, heeft tot zich zelve gezegd: “In deze eeuw van ijzer zal niemand op mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden geëerd....” En de berekening heeft niet gefaald.Van Vangam brengt een korte tocht ons naarKoekar-Nag. Maar hier ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel, bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen zich met de hoogere sneeuwballenen rhododendrons. Weer hooger klommen jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger, geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven, want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten toedienen aan dentahsildarof onderprefect van Ver-Nag. De reden was, dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken; het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok, om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd, dat al die goden dood waren?Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude kluizenaar woont.Ruïne van een tempel te Khotair.Ruïne van een tempel te Khotair.Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter, die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir, vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er werd ons een kampplaats aangewezenonder notenboomen op een plek, die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.Rustieke tempel te Voetanar.Rustieke tempel te Voetanar.Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte niet ontzien.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten, waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom, een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud genoeg zullenwezen, om echt een huishouding te beginnen.Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in, ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst, dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond worden door Yogini’s, half feeën en half toovenaressen; wee hun, die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld, dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894 vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen, een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen, toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini’s van de bergen.Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt, schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens; een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst wordt met bloedige letters aangekondigd.Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd, dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal, waar wij onze hoofdbagage vonden.Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug, bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen, de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen, ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie van zijn geliefde godheid, de zon.Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, ’s nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen, die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf, verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der mooiste kampen van Kaschmir betrokken.Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen heuvelvormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de naga, of eigenlijk lieten de beide naga’s, naar de brahmanen zeggen, het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar, bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene licht was ons kamp gevestigd.Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya’s genoemd naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer, dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit, en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was, toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken, en zei tot hen: “Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven; ik wil er ook een voor mij hebben.” Het zou een moeilijk geval hebben kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt, dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken; eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde maand gewijd aan den dienst van de pitri’s of vaderen, de overleden voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van die maand is geboren.Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita’s van Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af, zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.Maar de poerohita’s nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien, en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden pelgrimstocht af te wachten.In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen; de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld, en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize is de naam poerohita een beleediging.Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen, zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan, waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier, was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.A propos van poerohita’s ben ik te Bhavan getuige geweest van een amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel, die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehierzijn geschiedenis, zooals de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper, had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden, zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij zich hield.Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de duiventil had toegelaten. Geen zijner collega’s wilde meer aan zijn tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof te werpen.In den tempel te Martand.In den tempel te Martand.“Gij,” zeide hij tot den pandit, “ge zijt een pandit uit de stad, wijs en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt.” Die vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita’s.Altaar in den tempel te Voetanar.Altaar in den tempel te Voetanar.Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven, dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield, dat zoo’n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard, maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den gezegenden naam moest herhalen van “Ram! Ram!” waarna hij, gereinigd door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.Pandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasPandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasVijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam, oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen, die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans en zijn brood gevonden.Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken en nog een paar andere; bijde lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit, en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken van een mohammedaanschen heilige vereert.Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen, dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek uiterlijk hebben, elkander risji’s noemen met een titel uit de oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.IV.De bedevaart van Amarnath.—Het dal van de Lidar.—De pelgrims uit Indië.—Naar de toppen.—De heilige grot.—In de dholi.—De goedhars of buffelherders.Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige, vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen, sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat; er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes van menschelijkheid wenscht te zien.Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen, terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de “gouden weide” en zelfs boven “het dal der rozen”.Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding, waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts brengt.In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn, hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat, dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren, melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had, hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad rijst nog vermeerderen. Door de parvana’s of orderbrieven, die we te Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig, maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en den stroom.Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het bestaat uit twee huizen voor de poerohita’s en enkele planken hutten voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god, waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen, door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat is Ganesj!Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj en sprak: “Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar; die rood zal wezen.” Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en Islamabad of Srinagar.Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote, met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren, dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen, die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes, die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met het vaandel begeeft zich op weg naarAmarnath, waarna alle anderen volgen.Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van Pendsjab.Tannin, 18 Aug.Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om uit te blazen en te dineeren.Van Palgam is dit een zware tocht. Wij zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten gras, en eenige kangri’s, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen en een kangri kosten drie anna’s of dertig centimes.Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze ’s avonds zouden gebruiken.Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan dien weg, en waar niets was te krijgen.Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever, naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar beneden.Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal, een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken, sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide, die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de hoogten slechts bloeiend voor God.Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen, die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers; we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen, een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.Cecha-Nag, 20 Aug.Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar niet minder moeilijk. Zooklimmen wij met een marschdag telkens een stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen, die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten; toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang, terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten, en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof, waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten, hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen, als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is, of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.Kel-Nar, 21 Aug.Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee, en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, dieinderdaad veel steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen, zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke gletschers boven ons lagen.Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het wilden, aan de naga’s van de streek ten offer gebracht.Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen; de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de maliks van Bhatkote dan later inzamelen.Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas, tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind, die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal, dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren, namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.Pandjtarni, 22 Aug.Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen, is doodgegaan.De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten, gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.Kort daarna komt men te Pandjtarni. De “vijf stroomen” vloeien in een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof, die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en rood door de poerohita’s, die van twee uur in den namiddag af op hen wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels, pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar komen ze terug met bundels jeneverbeshout.Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.Amarnath, 23 Aug.Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken, dat de beschaving vorderingen maakt!Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen, die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen, en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt, als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.Bad der pelgrims te Amarnath.Bad der pelgrims te Amarnath.Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer der Onsterfelijken.Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus, vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten den kreet: “Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!” Met dien uitroep stormen ze naar de grot.Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd, om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel der pelgrims is geen schaduwvan twijfel. Met welk een devotie drukken ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij, gewijd door een rhythme van handgeklap.Onnoodig te zeggen, dat de poerohita’s van de party zijn, zij hebben de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen, die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden, als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita’s een onnoodige drukte en duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs, die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme, oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is voor de poerohita’s van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal, een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben, en het laatste voor de maliks van Bhatkote.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt, en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden is aan de Mohammedanen.Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.Zoo’n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen, waarop ze bij hen zouden wezen.Mohammedaansche bedelaar.Mohammedaansche bedelaar.Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van Amarnath terug in stilte en verlatenheid.Den 24sten Aug., ’s morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte, die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes, en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen, dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt van Astan Marg.Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel, waarin gesmolten boter wordt bewaarden de aarden of bronzen potten, waarin ze wordt gesmolten.In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde eenvoudigheid van de herderinnetjes.Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer.Vandaagheb ik nog alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van den Haramoek te doen.

III.Tentleven.—De kleine dalen in het Zuid-Oosten.—Geschiedenissen van dieven en sprookjes.—De ruïnen van Martand.—Brahmanen en Mollahs.Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh, Arpat enLidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk, dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen, op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen, als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba’s genoemd, van allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold, waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden; het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien ponny’s, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park, dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp, die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast; voor de etappe van 20 kilometer vier anna’s; voor de halve twee anna’s, dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine geldstukjes van 2 en 4 anna’s meegenomen. Ik liet de koelies op een rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven, tot de beurt aan hen kwam.Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben, hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes, die een heerlijke frischheid onderhouden.Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen ’s morgens, dat ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen, die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom vanhonderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen en de politie het verder onder elkander uitmaken.Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den berg is gevallen.Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden, door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk bleek zoo’n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen een weg gebaand.Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den, want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong; zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo’n verrassing, dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel, verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept: “Daar is het!” trekt het beleedigde water zich op eens terug, zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken, schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee, heeft tot zich zelve gezegd: “In deze eeuw van ijzer zal niemand op mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden geëerd....” En de berekening heeft niet gefaald.Van Vangam brengt een korte tocht ons naarKoekar-Nag. Maar hier ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel, bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen zich met de hoogere sneeuwballenen rhododendrons. Weer hooger klommen jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger, geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven, want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten toedienen aan dentahsildarof onderprefect van Ver-Nag. De reden was, dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken; het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok, om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd, dat al die goden dood waren?Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude kluizenaar woont.Ruïne van een tempel te Khotair.Ruïne van een tempel te Khotair.Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter, die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir, vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er werd ons een kampplaats aangewezenonder notenboomen op een plek, die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.Rustieke tempel te Voetanar.Rustieke tempel te Voetanar.Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte niet ontzien.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten, waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom, een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud genoeg zullenwezen, om echt een huishouding te beginnen.Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in, ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst, dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond worden door Yogini’s, half feeën en half toovenaressen; wee hun, die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld, dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894 vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen, een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen, toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini’s van de bergen.Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt, schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens; een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst wordt met bloedige letters aangekondigd.Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd, dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal, waar wij onze hoofdbagage vonden.Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug, bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen, de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen, ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie van zijn geliefde godheid, de zon.Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, ’s nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen, die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf, verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der mooiste kampen van Kaschmir betrokken.Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen heuvelvormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de naga, of eigenlijk lieten de beide naga’s, naar de brahmanen zeggen, het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar, bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene licht was ons kamp gevestigd.Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya’s genoemd naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer, dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit, en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was, toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken, en zei tot hen: “Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven; ik wil er ook een voor mij hebben.” Het zou een moeilijk geval hebben kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt, dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken; eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde maand gewijd aan den dienst van de pitri’s of vaderen, de overleden voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van die maand is geboren.Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita’s van Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af, zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.Maar de poerohita’s nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien, en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden pelgrimstocht af te wachten.In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen; de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld, en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize is de naam poerohita een beleediging.Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen, zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan, waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier, was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.A propos van poerohita’s ben ik te Bhavan getuige geweest van een amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel, die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehierzijn geschiedenis, zooals de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper, had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden, zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij zich hield.Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de duiventil had toegelaten. Geen zijner collega’s wilde meer aan zijn tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof te werpen.In den tempel te Martand.In den tempel te Martand.“Gij,” zeide hij tot den pandit, “ge zijt een pandit uit de stad, wijs en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt.” Die vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita’s.Altaar in den tempel te Voetanar.Altaar in den tempel te Voetanar.Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven, dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield, dat zoo’n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard, maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den gezegenden naam moest herhalen van “Ram! Ram!” waarna hij, gereinigd door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.Pandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasPandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasVijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam, oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen, die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans en zijn brood gevonden.Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken en nog een paar andere; bijde lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit, en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken van een mohammedaanschen heilige vereert.Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen, dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek uiterlijk hebben, elkander risji’s noemen met een titel uit de oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.IV.De bedevaart van Amarnath.—Het dal van de Lidar.—De pelgrims uit Indië.—Naar de toppen.—De heilige grot.—In de dholi.—De goedhars of buffelherders.Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige, vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen, sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat; er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes van menschelijkheid wenscht te zien.Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen, terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de “gouden weide” en zelfs boven “het dal der rozen”.Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding, waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts brengt.In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn, hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat, dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren, melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had, hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad rijst nog vermeerderen. Door de parvana’s of orderbrieven, die we te Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig, maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en den stroom.Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het bestaat uit twee huizen voor de poerohita’s en enkele planken hutten voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god, waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen, door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat is Ganesj!Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj en sprak: “Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar; die rood zal wezen.” Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en Islamabad of Srinagar.Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote, met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren, dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen, die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes, die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met het vaandel begeeft zich op weg naarAmarnath, waarna alle anderen volgen.Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van Pendsjab.Tannin, 18 Aug.Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om uit te blazen en te dineeren.Van Palgam is dit een zware tocht. Wij zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten gras, en eenige kangri’s, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen en een kangri kosten drie anna’s of dertig centimes.Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze ’s avonds zouden gebruiken.Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan dien weg, en waar niets was te krijgen.Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever, naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar beneden.Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal, een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken, sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide, die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de hoogten slechts bloeiend voor God.Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen, die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers; we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen, een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.Cecha-Nag, 20 Aug.Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar niet minder moeilijk. Zooklimmen wij met een marschdag telkens een stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen, die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten; toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang, terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten, en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof, waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten, hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen, als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is, of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.Kel-Nar, 21 Aug.Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee, en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, dieinderdaad veel steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen, zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke gletschers boven ons lagen.Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het wilden, aan de naga’s van de streek ten offer gebracht.Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen; de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de maliks van Bhatkote dan later inzamelen.Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas, tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind, die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal, dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren, namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.Pandjtarni, 22 Aug.Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen, is doodgegaan.De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten, gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.Kort daarna komt men te Pandjtarni. De “vijf stroomen” vloeien in een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof, die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en rood door de poerohita’s, die van twee uur in den namiddag af op hen wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels, pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar komen ze terug met bundels jeneverbeshout.Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.Amarnath, 23 Aug.Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken, dat de beschaving vorderingen maakt!Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen, die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen, en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt, als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.Bad der pelgrims te Amarnath.Bad der pelgrims te Amarnath.Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer der Onsterfelijken.Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus, vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten den kreet: “Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!” Met dien uitroep stormen ze naar de grot.Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd, om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel der pelgrims is geen schaduwvan twijfel. Met welk een devotie drukken ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij, gewijd door een rhythme van handgeklap.Onnoodig te zeggen, dat de poerohita’s van de party zijn, zij hebben de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen, die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden, als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita’s een onnoodige drukte en duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs, die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme, oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is voor de poerohita’s van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal, een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben, en het laatste voor de maliks van Bhatkote.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt, en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden is aan de Mohammedanen.Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.Zoo’n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen, waarop ze bij hen zouden wezen.Mohammedaansche bedelaar.Mohammedaansche bedelaar.Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van Amarnath terug in stilte en verlatenheid.Den 24sten Aug., ’s morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte, die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes, en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen, dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt van Astan Marg.Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel, waarin gesmolten boter wordt bewaarden de aarden of bronzen potten, waarin ze wordt gesmolten.In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde eenvoudigheid van de herderinnetjes.Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer.Vandaagheb ik nog alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van den Haramoek te doen.

III.Tentleven.—De kleine dalen in het Zuid-Oosten.—Geschiedenissen van dieven en sprookjes.—De ruïnen van Martand.—Brahmanen en Mollahs.Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh, Arpat enLidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk, dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen, op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen, als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba’s genoemd, van allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold, waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden; het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien ponny’s, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park, dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp, die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast; voor de etappe van 20 kilometer vier anna’s; voor de halve twee anna’s, dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine geldstukjes van 2 en 4 anna’s meegenomen. Ik liet de koelies op een rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven, tot de beurt aan hen kwam.Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben, hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes, die een heerlijke frischheid onderhouden.Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen ’s morgens, dat ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen, die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom vanhonderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen en de politie het verder onder elkander uitmaken.Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den berg is gevallen.Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden, door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk bleek zoo’n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen een weg gebaand.Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den, want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong; zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo’n verrassing, dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel, verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept: “Daar is het!” trekt het beleedigde water zich op eens terug, zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken, schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee, heeft tot zich zelve gezegd: “In deze eeuw van ijzer zal niemand op mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden geëerd....” En de berekening heeft niet gefaald.Van Vangam brengt een korte tocht ons naarKoekar-Nag. Maar hier ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel, bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen zich met de hoogere sneeuwballenen rhododendrons. Weer hooger klommen jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger, geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven, want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten toedienen aan dentahsildarof onderprefect van Ver-Nag. De reden was, dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken; het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok, om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd, dat al die goden dood waren?Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude kluizenaar woont.Ruïne van een tempel te Khotair.Ruïne van een tempel te Khotair.Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter, die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir, vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er werd ons een kampplaats aangewezenonder notenboomen op een plek, die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.Rustieke tempel te Voetanar.Rustieke tempel te Voetanar.Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte niet ontzien.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten, waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom, een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud genoeg zullenwezen, om echt een huishouding te beginnen.Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in, ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst, dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond worden door Yogini’s, half feeën en half toovenaressen; wee hun, die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld, dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894 vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen, een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen, toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini’s van de bergen.Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt, schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens; een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst wordt met bloedige letters aangekondigd.Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd, dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal, waar wij onze hoofdbagage vonden.Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug, bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen, de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen, ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie van zijn geliefde godheid, de zon.Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, ’s nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen, die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf, verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der mooiste kampen van Kaschmir betrokken.Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen heuvelvormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de naga, of eigenlijk lieten de beide naga’s, naar de brahmanen zeggen, het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar, bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene licht was ons kamp gevestigd.Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya’s genoemd naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer, dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit, en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was, toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken, en zei tot hen: “Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven; ik wil er ook een voor mij hebben.” Het zou een moeilijk geval hebben kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt, dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken; eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde maand gewijd aan den dienst van de pitri’s of vaderen, de overleden voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van die maand is geboren.Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita’s van Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af, zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.Maar de poerohita’s nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien, en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden pelgrimstocht af te wachten.In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen; de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld, en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize is de naam poerohita een beleediging.Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen, zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan, waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier, was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.A propos van poerohita’s ben ik te Bhavan getuige geweest van een amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel, die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehierzijn geschiedenis, zooals de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper, had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden, zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij zich hield.Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de duiventil had toegelaten. Geen zijner collega’s wilde meer aan zijn tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof te werpen.In den tempel te Martand.In den tempel te Martand.“Gij,” zeide hij tot den pandit, “ge zijt een pandit uit de stad, wijs en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt.” Die vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita’s.Altaar in den tempel te Voetanar.Altaar in den tempel te Voetanar.Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven, dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield, dat zoo’n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard, maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den gezegenden naam moest herhalen van “Ram! Ram!” waarna hij, gereinigd door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.Pandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasPandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasVijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam, oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen, die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans en zijn brood gevonden.Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken en nog een paar andere; bijde lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit, en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken van een mohammedaanschen heilige vereert.Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen, dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek uiterlijk hebben, elkander risji’s noemen met een titel uit de oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.

Tentleven.—De kleine dalen in het Zuid-Oosten.—Geschiedenissen van dieven en sprookjes.—De ruïnen van Martand.—Brahmanen en Mollahs.

Tentleven.—De kleine dalen in het Zuid-Oosten.—Geschiedenissen van dieven en sprookjes.—De ruïnen van Martand.—Brahmanen en Mollahs.

Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh, Arpat enLidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk, dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.

Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen, op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen, als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba’s genoemd, van allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.

Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold, waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden; het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien ponny’s, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!

Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park, dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp, die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast; voor de etappe van 20 kilometer vier anna’s; voor de halve twee anna’s, dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine geldstukjes van 2 en 4 anna’s meegenomen. Ik liet de koelies op een rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven, tot de beurt aan hen kwam.

Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben, hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes, die een heerlijke frischheid onderhouden.

Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen ’s morgens, dat ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen, die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom vanhonderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen en de politie het verder onder elkander uitmaken.

Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den berg is gevallen.

Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden, door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk bleek zoo’n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen een weg gebaand.

Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.

De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den, want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong; zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo’n verrassing, dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.

Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel, verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.

Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept: “Daar is het!” trekt het beleedigde water zich op eens terug, zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken, schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee, heeft tot zich zelve gezegd: “In deze eeuw van ijzer zal niemand op mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden geëerd....” En de berekening heeft niet gefaald.

Van Vangam brengt een korte tocht ons naarKoekar-Nag. Maar hier ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel, bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen zich met de hoogere sneeuwballenen rhododendrons. Weer hooger klommen jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger, geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven, want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.

Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten toedienen aan dentahsildarof onderprefect van Ver-Nag. De reden was, dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.

Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken; het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok, om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd, dat al die goden dood waren?

Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.

Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude kluizenaar woont.

Ruïne van een tempel te Khotair.Ruïne van een tempel te Khotair.

Ruïne van een tempel te Khotair.

Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter, die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.

Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir, vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er werd ons een kampplaats aangewezenonder notenboomen op een plek, die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.

Rustieke tempel te Voetanar.Rustieke tempel te Voetanar.

Rustieke tempel te Voetanar.

Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte niet ontzien.

Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.

Jeugdige bruidegom en muzikanten bij een bruiloft te Rozloe.

Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten, waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom, een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud genoeg zullenwezen, om echt een huishouding te beginnen.

Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in, ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst, dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond worden door Yogini’s, half feeën en half toovenaressen; wee hun, die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld, dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894 vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen, een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen, toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini’s van de bergen.

Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt, schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens; een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst wordt met bloedige letters aangekondigd.

Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd, dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal, waar wij onze hoofdbagage vonden.

Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug, bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.

Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen, de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen, ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie van zijn geliefde godheid, de zon.

Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, ’s nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen, die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf, verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.

In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der mooiste kampen van Kaschmir betrokken.

Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen heuvelvormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de naga, of eigenlijk lieten de beide naga’s, naar de brahmanen zeggen, het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar, bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene licht was ons kamp gevestigd.

Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya’s genoemd naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer, dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit, en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was, toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken, en zei tot hen: “Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven; ik wil er ook een voor mij hebben.” Het zou een moeilijk geval hebben kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt, dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken; eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde maand gewijd aan den dienst van de pitri’s of vaderen, de overleden voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van die maand is geboren.

Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita’s van Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af, zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.

De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.

Maar de poerohita’s nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien, en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden pelgrimstocht af te wachten.

In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen; de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld, en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize is de naam poerohita een beleediging.

Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen, zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan, waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier, was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.

A propos van poerohita’s ben ik te Bhavan getuige geweest van een amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel, die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.

Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehierzijn geschiedenis, zooals de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper, had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden, zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij zich hield.

Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de duiventil had toegelaten. Geen zijner collega’s wilde meer aan zijn tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof te werpen.

In den tempel te Martand.In den tempel te Martand.

In den tempel te Martand.

“Gij,” zeide hij tot den pandit, “ge zijt een pandit uit de stad, wijs en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt.” Die vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita’s.

Altaar in den tempel te Voetanar.Altaar in den tempel te Voetanar.

Altaar in den tempel te Voetanar.

Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.

De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven, dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield, dat zoo’n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard, maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den gezegenden naam moest herhalen van “Ram! Ram!” waarna hij, gereinigd door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.

Pandjari en het kamp der pelgrims tegenover den MahagoenaspasPandjari en het kamp der pelgrims tegenover den Mahagoenaspas

Pandjari en het kamp der pelgrims tegenover den Mahagoenaspas

Vijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam, oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen, die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.

De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans en zijn brood gevonden.

Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken en nog een paar andere; bijde lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit, en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken van een mohammedaanschen heilige vereert.

Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen, dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek uiterlijk hebben, elkander risji’s noemen met een titel uit de oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.

IV.De bedevaart van Amarnath.—Het dal van de Lidar.—De pelgrims uit Indië.—Naar de toppen.—De heilige grot.—In de dholi.—De goedhars of buffelherders.Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige, vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen, sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat; er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes van menschelijkheid wenscht te zien.Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen, terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de “gouden weide” en zelfs boven “het dal der rozen”.Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding, waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts brengt.In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn, hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat, dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren, melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had, hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad rijst nog vermeerderen. Door de parvana’s of orderbrieven, die we te Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig, maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en den stroom.Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het bestaat uit twee huizen voor de poerohita’s en enkele planken hutten voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god, waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen, door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat is Ganesj!Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj en sprak: “Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar; die rood zal wezen.” Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en Islamabad of Srinagar.Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote, met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren, dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen, die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes, die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met het vaandel begeeft zich op weg naarAmarnath, waarna alle anderen volgen.Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van Pendsjab.Tannin, 18 Aug.Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om uit te blazen en te dineeren.Van Palgam is dit een zware tocht. Wij zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten gras, en eenige kangri’s, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen en een kangri kosten drie anna’s of dertig centimes.Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze ’s avonds zouden gebruiken.Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan dien weg, en waar niets was te krijgen.Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever, naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar beneden.Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal, een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken, sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide, die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de hoogten slechts bloeiend voor God.Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen, die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers; we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen, een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.Cecha-Nag, 20 Aug.Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar niet minder moeilijk. Zooklimmen wij met een marschdag telkens een stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen, die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten; toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang, terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten, en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof, waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten, hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen, als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is, of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.Kel-Nar, 21 Aug.Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee, en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, dieinderdaad veel steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen, zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke gletschers boven ons lagen.Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het wilden, aan de naga’s van de streek ten offer gebracht.Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen; de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de maliks van Bhatkote dan later inzamelen.Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas, tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind, die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal, dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren, namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.Pandjtarni, 22 Aug.Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen, is doodgegaan.De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten, gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.Kort daarna komt men te Pandjtarni. De “vijf stroomen” vloeien in een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof, die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en rood door de poerohita’s, die van twee uur in den namiddag af op hen wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels, pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar komen ze terug met bundels jeneverbeshout.Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.Amarnath, 23 Aug.Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken, dat de beschaving vorderingen maakt!Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen, die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen, en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt, als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.Bad der pelgrims te Amarnath.Bad der pelgrims te Amarnath.Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer der Onsterfelijken.Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus, vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten den kreet: “Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!” Met dien uitroep stormen ze naar de grot.Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd, om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel der pelgrims is geen schaduwvan twijfel. Met welk een devotie drukken ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij, gewijd door een rhythme van handgeklap.Onnoodig te zeggen, dat de poerohita’s van de party zijn, zij hebben de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen, die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden, als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita’s een onnoodige drukte en duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs, die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme, oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is voor de poerohita’s van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal, een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben, en het laatste voor de maliks van Bhatkote.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt, en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden is aan de Mohammedanen.Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.Zoo’n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen, waarop ze bij hen zouden wezen.Mohammedaansche bedelaar.Mohammedaansche bedelaar.Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van Amarnath terug in stilte en verlatenheid.Den 24sten Aug., ’s morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte, die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes, en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen, dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt van Astan Marg.Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel, waarin gesmolten boter wordt bewaarden de aarden of bronzen potten, waarin ze wordt gesmolten.In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde eenvoudigheid van de herderinnetjes.Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer.Vandaagheb ik nog alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van den Haramoek te doen.

De bedevaart van Amarnath.—Het dal van de Lidar.—De pelgrims uit Indië.—Naar de toppen.—De heilige grot.—In de dholi.—De goedhars of buffelherders.

De bedevaart van Amarnath.—Het dal van de Lidar.—De pelgrims uit Indië.—Naar de toppen.—De heilige grot.—In de dholi.—De goedhars of buffelherders.

Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige, vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.

Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen, sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat; er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes van menschelijkheid wenscht te zien.

Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen, terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de “gouden weide” en zelfs boven “het dal der rozen”.

Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding, waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.

Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts brengt.

In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn, hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat, dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.

Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren, melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had, hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.

Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad rijst nog vermeerderen. Door de parvana’s of orderbrieven, die we te Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig, maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.

Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en den stroom.

Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het bestaat uit twee huizen voor de poerohita’s en enkele planken hutten voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god, waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen, door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat is Ganesj!

Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj en sprak: “Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar; die rood zal wezen.” Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.

Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en Islamabad of Srinagar.

Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote, met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.

Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren, dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.

Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen, die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes, die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met het vaandel begeeft zich op weg naarAmarnath, waarna alle anderen volgen.

Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van Pendsjab.

Tannin, 18 Aug.

Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om uit te blazen en te dineeren.Van Palgam is dit een zware tocht. Wij zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten gras, en eenige kangri’s, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen en een kangri kosten drie anna’s of dertig centimes.

Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze ’s avonds zouden gebruiken.

Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan dien weg, en waar niets was te krijgen.

Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever, naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.

Het Amarnathdal, uit de grot gezien.Het Amarnathdal, uit de grot gezien.

Het Amarnathdal, uit de grot gezien.

Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar beneden.

Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal, een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken, sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.

Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide, die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de hoogten slechts bloeiend voor God.

Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen, die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.

Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers; we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen, een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.

Cecha-Nag, 20 Aug.

Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar niet minder moeilijk. Zooklimmen wij met een marschdag telkens een stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.

Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen, die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.

De Koh-i-Noer en zijn gletschers.De Koh-i-Noer en zijn gletschers.

De Koh-i-Noer en zijn gletschers.

Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten; toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang, terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten, en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof, waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten, hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen, als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is, of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.

Kel-Nar, 21 Aug.

Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee, en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.

Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, dieinderdaad veel steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen, zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke gletschers boven ons lagen.

Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het wilden, aan de naga’s van de streek ten offer gebracht.

Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen; de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de maliks van Bhatkote dan later inzamelen.

Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas, tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind, die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal, dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.

De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren, namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.

Pandjtarni, 22 Aug.

Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen, is doodgegaan.

De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten, gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.

Kort daarna komt men te Pandjtarni. De “vijf stroomen” vloeien in een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof, die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.

Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en rood door de poerohita’s, die van twee uur in den namiddag af op hen wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels, pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar komen ze terug met bundels jeneverbeshout.

Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.

Amarnath, 23 Aug.

Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken, dat de beschaving vorderingen maakt!

Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen, die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen, en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt, als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.

Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.

Bad der pelgrims te Amarnath.Bad der pelgrims te Amarnath.

Bad der pelgrims te Amarnath.

Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer der Onsterfelijken.

Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus, vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten den kreet: “Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!” Met dien uitroep stormen ze naar de grot.

Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd, om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.

Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel der pelgrims is geen schaduwvan twijfel. Met welk een devotie drukken ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij, gewijd door een rhythme van handgeklap.

Onnoodig te zeggen, dat de poerohita’s van de party zijn, zij hebben de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen, die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden, als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.

Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita’s een onnoodige drukte en duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs, die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme, oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is voor de poerohita’s van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal, een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben, en het laatste voor de maliks van Bhatkote.

De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.

De sadhoe of bedelaar van Patiala en eenige pelgrims.

Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt, en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden is aan de Mohammedanen.

Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.

Zoo’n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.

Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.

De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.

De moskee van Sjah Hamadan te Srinagar.

Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen, waarop ze bij hen zouden wezen.

Mohammedaansche bedelaar.Mohammedaansche bedelaar.

Mohammedaansche bedelaar.

Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van Amarnath terug in stilte en verlatenheid.

Den 24sten Aug., ’s morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte, die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes, en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.

Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen, dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt van Astan Marg.

Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel, waarin gesmolten boter wordt bewaarden de aarden of bronzen potten, waarin ze wordt gesmolten.

In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde eenvoudigheid van de herderinnetjes.

Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer.Vandaagheb ik nog alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van den Haramoek te doen.


Back to IndexNext