VIII.Eindelijk vrienden.Voortgedreven door het vreeselijke gillen van de Wilg en het gezicht vanPierrot, als een dolle op hem afstormend, terwijl hij het lijk van Wakayoo in den steek liet, bleef Baree doorrennen, tot hij volkomen ademloos was. Toen hij stilstond, was hij veilig de kloof uit en in de buurt van den bevervijver. Bijna een week lang was Baree niet bij den vijver geweest. Hij had Gebroken Tand en Umisk en de andere jonge bevertjes niet vergeten, maar Wakayoo en zijn dagelijksche vangst van versche visch was een te groote verleiding voor hem geweest. En nu was Wakayoo weg. Hij wist, dat de groote zwarte beer nooit meer zou visschen in de rustige poelen en schemerige draaikolken en dat er, waar vele dagen lang vrede en overvloed geheerscht hadden, nu groot gevaar dreigde en, zooals hij tevoren naar zijn oude hol zou gevlucht zijn om zich in veiligheid te brengen, zoo vluchtte hij nu in zijn wanhoop naar den bevervijver. Waarvoor hij zoo bang was, is moeilijk te zeggen, maar Nepeese was er zeker niet de oorzaak van. De Wilg had hem nagejaagd. Zij had zich op hem geworpen. Hij had den greep van haar handen gevoeld en het verstikkende gevoel van heur harenen toch was hij van haar niet bang! Als hij zoo nu en dan stil stond en omkeek, was het om te zien of Nepeese hem soms volgde. Hij zou niet hard weggeloopen zijn voor haar—alleen. Haar oogen, stem en handen hadden een ontroering in hem gewekt; hij was nu vervuld met een nog grooter verlangen en nog grooter eenzaamheid en dien nacht droomde hij benauwde droomen. Hij maakte zich een leger onder een sparrewortel dicht bij den bevervijver en dien heelen nacht lang was zijn slaap vervuld met onrustige droomen—droomen van zijn moeder, van Kazan, het oude hol onder de omgewaaide boomen, van Umisk—en Nepeese. Eens, toen hij wakker werd, dacht hij dat de sparrewortel Wolvin was en toen hij ontdekte, dat zij er niet was, zoudenPierroten deWilg hebben kunnen zeggen waarom hij begon te jammeren. Telkens en telkens had hij visioenen van de opwindende gebeurtenissen van dien dag. Hij zag de vlucht van Wakayoo over het weitje, hij zag hem weer sterven. Hij zag den glans van de oogen van de Wilg vlak bij de zijne, hoorde haar stem—zoo liefelijk en zacht, dat zij als vreemde muziek voor hem was—en hoorde opnieuw haar vreeselijk gegil.Hij was blij toen de dag aanbrak. Hij ging niet op zoek naar voedsel, maar daalde af naar den vijver. Zijn houding duidde op weinig hoop of verwachting. Hij herinnerde zich, dat Umisk en zijn speelmakkertjes, zoo duidelijk als dit in de dierentaal maar mogelijk was, hem aan zijn verstand hadden gebracht, dat zij niets met hem te maken wilden hebben. En toch nam het feit, dat zij daar waren, al iets van zijn eenzaamheid weg. Niets was erger dan eenzaamheid. De wolvenaard in hem was overheerscht door de hondennatuur. En in dergelijke oogenblikken, wanneer zijn instinkten van wild dier sluimerden, werd hij gedrukt door het groeiende, schoon nog niet geheel geopenbaarde bewustzijn, dat hij niet zuiver van dat wilde bloed was, maar een vluchteling temidden der roofdieren en aan alle kanten door onbekende gevaren bedreigd.Diep in de bosschen van het Noorden werkt en speelt de bever niet alleen in de duisternis, maar gebruikt den dag zelfs nog meer dan den nacht en verscheidene leden van Gebroken Tand's familie waren wakker, toen Baree lusteloos langs de oevers van den vijver begon te zoeken. De jonge bevertjes waren nog met hun moeders in de groote woningen, die er uitzagen als koepels van modder en stokken in het midden van het meer. Er waren drie van deze woningen en een er van was zeker wel twintig voet in doorsnee. Baree had eenige moeite, de zijde van den vijver te blijven volgen. Toen hij terugkeerde te midden van de wilgen, elzen en berken, kruisten dozijnen van kanalen zijn pad. Sommige van die kanalen waren een voet breed en andere drie of vier voet en alle waren vol water. Geen land ter wereld had ooit een beter verkeerssysteem dan dit bever-domein, waarlangszij hun werkmaterialen en voedsel naar de hoofdbewaarplaats, den vijver, brachten. In een van de grootste kanalen verraste Baree een bever, die een stuk berkebast meesleepte, wel vier voet lang en in die eene lading een dozijn maaltijden met zich meevoerde. De schors van den berkeboom zou men het brood en de aardappelen van het bevermenu kunnen noemen, terwijl de hooger aangeschreven basten van den wilg en den jongen els de plaats innemen van vleesch en pastei. Baree rook nieuwsgierig aan den berkebast, nadat de oude bever dien bij een haastigen aftocht in den steek gelaten had en ging toen verder. Hij deed een poging, zich te verbergen, ditmaal, en ten minste een half dozijn bevers konden hem op hun gemak bekijken, voor hij de plaats bereikte waar de vijver zich vernauwde, bijna een halve mijl van den dam af. Toen liep hij weer terug. Dien heelen morgen dwaalde hij rond den vijver, zich openlijk vertoonend.In hun groote vesting van modder en rijshout hielden de bevers krijgsraad. Zij wisten niet wat zij er van denken moesten. Er waren vier vijanden, die zij vreesden boven alle andere—de otter, die in den winter hun dammen vernielen kwam en hun den dood bezorgde door de koude en door hun waterstand zoo laag te maken, dat zij hun voedsel niet meer konden bereiken; de lynx, die loerde op allen, hetzij jong of oud, en de vos en de wolf, die uren lang in een hinderlaag konden liggen, om dan op de heel jonge bevers af te schieten, zooals Umisk en zijn speelmakkers. Wanneer Baree een van deze vier geweest was, zouden de slimme oude Gebroken Tand en zijn lotgenooten wel geweten hebben, wat hun te doen stond. Maar Baree was zeker geen otter en als hij een vos was, of een wolf, of een lynx, waren zijn handelingen tenminste zonderling te noemen. Een half dozijn malen had hij zijn prooi kunnen bespringen, als hij dat van plan was. Maar hij had in 't geheel geen voornemen getoond, hen kwaad te doen.Het kan zijn, dat de bevers den toestand lang en breed met elkander bespraken. Het is mogelijk, dat Umisk en zijn speelmakkertjes hun ouders vertelden van hun avontuur en dat Bareegeen beweging gemaakt had om hen kwaad te doen, terwijl hij hen toch gemakkelijk had kunnen vangen. Het is ook meer dan waarschijnlijk, dat de oudere bevers, die voor Baree op de vlucht gegaan waren, dien morgen een verslag uitbrachten van hun ondervindingen en den nadruk legden op het feit, dat de vreemdeling, hoewel hij hun grooten schrik aangejaagd had, geen neiging had vertoond, hen aan te vallen. Dit alles is zeer wel mogelijk, want als bevers een groot deel van de geschiedenis van het vasteland kunnen maken en ingenieurswerken aanleggen, alleen door dynamiet te verwoesten, is het redelijk, te veronderstellen, dat zij op de een of andere manier met elkaar praten.Hoe het ook zij, de dappere oude Gebroken Tand nam het op zich, de onzekerheid op te heffen.Het was vroeg in den namiddag, toen Baree voor de derde of vierde maal een wandelingetje ging maken op den dam. Deze dam had een lengte van ruim tweehonderd voet, maar op geen enkele plaats spoelde het water er overheen, daar het overtollige vocht een uitweg vinden kon door nauwe sluisjes. Een paar weken tevoren had Baree over dien dam den vijver kunnen oversteken, maar nu waren aan het andere einde Gebroken Tand en zijn ingenieurs bezig een nieuw stuk aan den dam toe te voegen, en om hun werk gemakkelijker te kunnen verrichten, hadden zij ruim vijftig meter van den grond, waarop zij bezig waren, doen onderloopen. Deze voornaamste dam had een groote aantrekkingskracht voor Baree. Hij droeg den bevergeur in sterke mate. De bovenkant er van was hoog en droog en er waren dozijnen kleine uithollingen in, waarin de bevers hun zonnebaden hadden genomen. In een van deze holten strekte Baree zich uit, met zijn oogen op den vijver gevestigd. Geen rimpeling verbrak zijn fluweelige oppervlakte. Geen geluid verstoorde de slaperige middagrust. De bevers hadden dood kunnen zijn of slapend, zoo weinig beweging maakten zij. En toch wisten zij, dat Baree op den dam was.Waar Baree lag, bescheen de zon hem met vollen gloed en hij voelde zich zoo lekker, dat het hem na een poosje moeite kostte, zijn oogen open te houden. Toen viel hij in slaap.Hoe Gebroken Tand dit merkte, is een raadsel. Vijf minuten later kwam hij bedaard, zonder eenig geluid of geplas, tot op vijftig meter afstands van Baree. Eenige oogenblikken bewoog hij zich ternauwernood in het water. Daarna zwom hij heel langzaam evenwijdig met den dam den vijver over. Aan den overkant klauterde hij aan wal en bleef een tijdje zitten, zoo onbeweeglijk als een steen, met zijn oogen gevestigd op dat gedeelte van den dam, waar Baree lag. Geen der andere bevers bewoog en het was al gauw klaarblijkelijk, dat Gebroken Tand maar één ding op het oog had—Baree eens van naderbij te bekijken. Toen hij het water weer inging, zwom hij vlak langs den dam voort. Tien voet beneden Baree begon hij aan land te klimmen. Hij deed dit uiterst langzaam en voorzichtig. Eindelijk bereikte hij den top van den dam.Een paar meter van hem af lag Baree, geheel in de holte verborgen. Gebroken Tand kon slechts een klein gedeelte van zijn glanzend, zwart lichaam ontdekken. Om beter te kunnen kijken, spreidde de oude bever zijn platten staart uit en verhief zich tot een zittende houding op zijn achterdeelen, terwijl hij zijn twee voorpooten over zijn borst liet hangen als een eekhoorn. In deze houding was hij ruim drie voet hoog. Hij woog waarschijnlijk veertig pond en hij deed denken aan een goedigen, ouden, weerzinwekkenden hond. Maar zijn brein werkte met verbazingwekkende snelheid. Plotseling gaf hij met zijn staart een enkelen klap op de modder van den dam—en Baree zat rechtop. Oogenblikkelijk zag hij Gebroken Tand en bleef hem aanstaren. Gebroken Tand keek hem ook strak aan. Een halve minuut lang bewoog geen van beiden zich ook maar een haarbreedte. Toen stond Baree op en kwispelstaartte.Dat was genoeg. Op zijn voorpooten neervallend, waggelde Gebroken Tand op zijn doode gemak naar den waterkant en liet er zich overheen glijden. Hij was nu niet voorzichtig meer en haastte zich ook niet.Hij maakte veel beweging in het water en zwom stoutmoedig onder Baree heen en weer. Toen hij dit verscheidene malen gedaanhad, ging hij regelrecht op de grootste van de drie woningen af enverdween. Vijf minuten na Gebroken Tand's heldendaad was het onder de kolonie algemeen verspreid: de vreemdeling—Baree—was geen lynx. Hij was geen vos. Hij was ook geen wolf. Daarbij kwam nog, dat hij heel jong was en onschadelijk. Het werk kon weer voortgezet worden. Ook het spel. Er dreigde geen gevaar. Zoo luidde Gebroken Tand's uitspraak. Als iemand deze feiten in de bevertaal met een roeper geschreeuwd had, had het antwoord niet sneller kunnen gegeven worden. Opeens leek het Baree, of de vijver stampvol bevers was. Hij had er nooit tevoren zooveel bij elkaar gezien. Zij kwamen aan alle kanten opduiken en sommige zwommen doodbedaard vlak onder hem heen en weer en keken nieuwsgierig naar hem op. Misschien vijf minuten lang schenen de bevers niets in 't bizonder van plan te zijn. Toen stevende Gebroken Tand op den dam af en klom naar boven. Anderen volgden hem. Een half dozijn van zijn werklieden begaven zich in het struikgewas van de wilgen en elzen. Verlangend keek Baree uit naar Umisk en zijn vriendjes. Eindelijk zag hij hen—zij kwamen uit een van de kleinere woningen zwemmen. Zij klommen weer op hun speelplaats van den vorigen dag. Baree kwispelstaartte zoo hard, dat zijn heele lijfje er van schudde, toen haastte hij zich langs den dam naar beneden.Toen hij op het vlakke gedeelte van den oever kwam, trof hij daar Umisk alleen aan; hij knabbelde aan zijn avondmaal, een versch afgeknaagd stuk wilgebast. De andere jonge bevers waren in de elzestruiken verdwenen.Ditmaal liep Umisk niet weg. Hij keek op. Baree hurkte neer, zich wringend op zijn allervriendelijkste manier. Eenige oogenblikken bleef Umisk hem aankijken. Er viel nu niets te vreezen. Wat dit ook voor een raar beest mocht wezen, het was jong en onschadelijk en scheen werkelijk graag goede maatjes te willen worden bovendien. Hij staarde Baree oplettend aan.Toen zette hij heel rustig zijn avondmaal voort.... En Baree wist, dat hij niet langer zonder vrienden was.
Voortgedreven door het vreeselijke gillen van de Wilg en het gezicht vanPierrot, als een dolle op hem afstormend, terwijl hij het lijk van Wakayoo in den steek liet, bleef Baree doorrennen, tot hij volkomen ademloos was. Toen hij stilstond, was hij veilig de kloof uit en in de buurt van den bevervijver. Bijna een week lang was Baree niet bij den vijver geweest. Hij had Gebroken Tand en Umisk en de andere jonge bevertjes niet vergeten, maar Wakayoo en zijn dagelijksche vangst van versche visch was een te groote verleiding voor hem geweest. En nu was Wakayoo weg. Hij wist, dat de groote zwarte beer nooit meer zou visschen in de rustige poelen en schemerige draaikolken en dat er, waar vele dagen lang vrede en overvloed geheerscht hadden, nu groot gevaar dreigde en, zooals hij tevoren naar zijn oude hol zou gevlucht zijn om zich in veiligheid te brengen, zoo vluchtte hij nu in zijn wanhoop naar den bevervijver. Waarvoor hij zoo bang was, is moeilijk te zeggen, maar Nepeese was er zeker niet de oorzaak van. De Wilg had hem nagejaagd. Zij had zich op hem geworpen. Hij had den greep van haar handen gevoeld en het verstikkende gevoel van heur harenen toch was hij van haar niet bang! Als hij zoo nu en dan stil stond en omkeek, was het om te zien of Nepeese hem soms volgde. Hij zou niet hard weggeloopen zijn voor haar—alleen. Haar oogen, stem en handen hadden een ontroering in hem gewekt; hij was nu vervuld met een nog grooter verlangen en nog grooter eenzaamheid en dien nacht droomde hij benauwde droomen. Hij maakte zich een leger onder een sparrewortel dicht bij den bevervijver en dien heelen nacht lang was zijn slaap vervuld met onrustige droomen—droomen van zijn moeder, van Kazan, het oude hol onder de omgewaaide boomen, van Umisk—en Nepeese. Eens, toen hij wakker werd, dacht hij dat de sparrewortel Wolvin was en toen hij ontdekte, dat zij er niet was, zoudenPierroten deWilg hebben kunnen zeggen waarom hij begon te jammeren. Telkens en telkens had hij visioenen van de opwindende gebeurtenissen van dien dag. Hij zag de vlucht van Wakayoo over het weitje, hij zag hem weer sterven. Hij zag den glans van de oogen van de Wilg vlak bij de zijne, hoorde haar stem—zoo liefelijk en zacht, dat zij als vreemde muziek voor hem was—en hoorde opnieuw haar vreeselijk gegil.
Hij was blij toen de dag aanbrak. Hij ging niet op zoek naar voedsel, maar daalde af naar den vijver. Zijn houding duidde op weinig hoop of verwachting. Hij herinnerde zich, dat Umisk en zijn speelmakkertjes, zoo duidelijk als dit in de dierentaal maar mogelijk was, hem aan zijn verstand hadden gebracht, dat zij niets met hem te maken wilden hebben. En toch nam het feit, dat zij daar waren, al iets van zijn eenzaamheid weg. Niets was erger dan eenzaamheid. De wolvenaard in hem was overheerscht door de hondennatuur. En in dergelijke oogenblikken, wanneer zijn instinkten van wild dier sluimerden, werd hij gedrukt door het groeiende, schoon nog niet geheel geopenbaarde bewustzijn, dat hij niet zuiver van dat wilde bloed was, maar een vluchteling temidden der roofdieren en aan alle kanten door onbekende gevaren bedreigd.
Diep in de bosschen van het Noorden werkt en speelt de bever niet alleen in de duisternis, maar gebruikt den dag zelfs nog meer dan den nacht en verscheidene leden van Gebroken Tand's familie waren wakker, toen Baree lusteloos langs de oevers van den vijver begon te zoeken. De jonge bevertjes waren nog met hun moeders in de groote woningen, die er uitzagen als koepels van modder en stokken in het midden van het meer. Er waren drie van deze woningen en een er van was zeker wel twintig voet in doorsnee. Baree had eenige moeite, de zijde van den vijver te blijven volgen. Toen hij terugkeerde te midden van de wilgen, elzen en berken, kruisten dozijnen van kanalen zijn pad. Sommige van die kanalen waren een voet breed en andere drie of vier voet en alle waren vol water. Geen land ter wereld had ooit een beter verkeerssysteem dan dit bever-domein, waarlangszij hun werkmaterialen en voedsel naar de hoofdbewaarplaats, den vijver, brachten. In een van de grootste kanalen verraste Baree een bever, die een stuk berkebast meesleepte, wel vier voet lang en in die eene lading een dozijn maaltijden met zich meevoerde. De schors van den berkeboom zou men het brood en de aardappelen van het bevermenu kunnen noemen, terwijl de hooger aangeschreven basten van den wilg en den jongen els de plaats innemen van vleesch en pastei. Baree rook nieuwsgierig aan den berkebast, nadat de oude bever dien bij een haastigen aftocht in den steek gelaten had en ging toen verder. Hij deed een poging, zich te verbergen, ditmaal, en ten minste een half dozijn bevers konden hem op hun gemak bekijken, voor hij de plaats bereikte waar de vijver zich vernauwde, bijna een halve mijl van den dam af. Toen liep hij weer terug. Dien heelen morgen dwaalde hij rond den vijver, zich openlijk vertoonend.
In hun groote vesting van modder en rijshout hielden de bevers krijgsraad. Zij wisten niet wat zij er van denken moesten. Er waren vier vijanden, die zij vreesden boven alle andere—de otter, die in den winter hun dammen vernielen kwam en hun den dood bezorgde door de koude en door hun waterstand zoo laag te maken, dat zij hun voedsel niet meer konden bereiken; de lynx, die loerde op allen, hetzij jong of oud, en de vos en de wolf, die uren lang in een hinderlaag konden liggen, om dan op de heel jonge bevers af te schieten, zooals Umisk en zijn speelmakkers. Wanneer Baree een van deze vier geweest was, zouden de slimme oude Gebroken Tand en zijn lotgenooten wel geweten hebben, wat hun te doen stond. Maar Baree was zeker geen otter en als hij een vos was, of een wolf, of een lynx, waren zijn handelingen tenminste zonderling te noemen. Een half dozijn malen had hij zijn prooi kunnen bespringen, als hij dat van plan was. Maar hij had in 't geheel geen voornemen getoond, hen kwaad te doen.
Het kan zijn, dat de bevers den toestand lang en breed met elkander bespraken. Het is mogelijk, dat Umisk en zijn speelmakkertjes hun ouders vertelden van hun avontuur en dat Bareegeen beweging gemaakt had om hen kwaad te doen, terwijl hij hen toch gemakkelijk had kunnen vangen. Het is ook meer dan waarschijnlijk, dat de oudere bevers, die voor Baree op de vlucht gegaan waren, dien morgen een verslag uitbrachten van hun ondervindingen en den nadruk legden op het feit, dat de vreemdeling, hoewel hij hun grooten schrik aangejaagd had, geen neiging had vertoond, hen aan te vallen. Dit alles is zeer wel mogelijk, want als bevers een groot deel van de geschiedenis van het vasteland kunnen maken en ingenieurswerken aanleggen, alleen door dynamiet te verwoesten, is het redelijk, te veronderstellen, dat zij op de een of andere manier met elkaar praten.
Hoe het ook zij, de dappere oude Gebroken Tand nam het op zich, de onzekerheid op te heffen.
Het was vroeg in den namiddag, toen Baree voor de derde of vierde maal een wandelingetje ging maken op den dam. Deze dam had een lengte van ruim tweehonderd voet, maar op geen enkele plaats spoelde het water er overheen, daar het overtollige vocht een uitweg vinden kon door nauwe sluisjes. Een paar weken tevoren had Baree over dien dam den vijver kunnen oversteken, maar nu waren aan het andere einde Gebroken Tand en zijn ingenieurs bezig een nieuw stuk aan den dam toe te voegen, en om hun werk gemakkelijker te kunnen verrichten, hadden zij ruim vijftig meter van den grond, waarop zij bezig waren, doen onderloopen. Deze voornaamste dam had een groote aantrekkingskracht voor Baree. Hij droeg den bevergeur in sterke mate. De bovenkant er van was hoog en droog en er waren dozijnen kleine uithollingen in, waarin de bevers hun zonnebaden hadden genomen. In een van deze holten strekte Baree zich uit, met zijn oogen op den vijver gevestigd. Geen rimpeling verbrak zijn fluweelige oppervlakte. Geen geluid verstoorde de slaperige middagrust. De bevers hadden dood kunnen zijn of slapend, zoo weinig beweging maakten zij. En toch wisten zij, dat Baree op den dam was.
Waar Baree lag, bescheen de zon hem met vollen gloed en hij voelde zich zoo lekker, dat het hem na een poosje moeite kostte, zijn oogen open te houden. Toen viel hij in slaap.
Hoe Gebroken Tand dit merkte, is een raadsel. Vijf minuten later kwam hij bedaard, zonder eenig geluid of geplas, tot op vijftig meter afstands van Baree. Eenige oogenblikken bewoog hij zich ternauwernood in het water. Daarna zwom hij heel langzaam evenwijdig met den dam den vijver over. Aan den overkant klauterde hij aan wal en bleef een tijdje zitten, zoo onbeweeglijk als een steen, met zijn oogen gevestigd op dat gedeelte van den dam, waar Baree lag. Geen der andere bevers bewoog en het was al gauw klaarblijkelijk, dat Gebroken Tand maar één ding op het oog had—Baree eens van naderbij te bekijken. Toen hij het water weer inging, zwom hij vlak langs den dam voort. Tien voet beneden Baree begon hij aan land te klimmen. Hij deed dit uiterst langzaam en voorzichtig. Eindelijk bereikte hij den top van den dam.
Een paar meter van hem af lag Baree, geheel in de holte verborgen. Gebroken Tand kon slechts een klein gedeelte van zijn glanzend, zwart lichaam ontdekken. Om beter te kunnen kijken, spreidde de oude bever zijn platten staart uit en verhief zich tot een zittende houding op zijn achterdeelen, terwijl hij zijn twee voorpooten over zijn borst liet hangen als een eekhoorn. In deze houding was hij ruim drie voet hoog. Hij woog waarschijnlijk veertig pond en hij deed denken aan een goedigen, ouden, weerzinwekkenden hond. Maar zijn brein werkte met verbazingwekkende snelheid. Plotseling gaf hij met zijn staart een enkelen klap op de modder van den dam—en Baree zat rechtop. Oogenblikkelijk zag hij Gebroken Tand en bleef hem aanstaren. Gebroken Tand keek hem ook strak aan. Een halve minuut lang bewoog geen van beiden zich ook maar een haarbreedte. Toen stond Baree op en kwispelstaartte.
Dat was genoeg. Op zijn voorpooten neervallend, waggelde Gebroken Tand op zijn doode gemak naar den waterkant en liet er zich overheen glijden. Hij was nu niet voorzichtig meer en haastte zich ook niet.
Hij maakte veel beweging in het water en zwom stoutmoedig onder Baree heen en weer. Toen hij dit verscheidene malen gedaanhad, ging hij regelrecht op de grootste van de drie woningen af enverdween. Vijf minuten na Gebroken Tand's heldendaad was het onder de kolonie algemeen verspreid: de vreemdeling—Baree—was geen lynx. Hij was geen vos. Hij was ook geen wolf. Daarbij kwam nog, dat hij heel jong was en onschadelijk. Het werk kon weer voortgezet worden. Ook het spel. Er dreigde geen gevaar. Zoo luidde Gebroken Tand's uitspraak. Als iemand deze feiten in de bevertaal met een roeper geschreeuwd had, had het antwoord niet sneller kunnen gegeven worden. Opeens leek het Baree, of de vijver stampvol bevers was. Hij had er nooit tevoren zooveel bij elkaar gezien. Zij kwamen aan alle kanten opduiken en sommige zwommen doodbedaard vlak onder hem heen en weer en keken nieuwsgierig naar hem op. Misschien vijf minuten lang schenen de bevers niets in 't bizonder van plan te zijn. Toen stevende Gebroken Tand op den dam af en klom naar boven. Anderen volgden hem. Een half dozijn van zijn werklieden begaven zich in het struikgewas van de wilgen en elzen. Verlangend keek Baree uit naar Umisk en zijn vriendjes. Eindelijk zag hij hen—zij kwamen uit een van de kleinere woningen zwemmen. Zij klommen weer op hun speelplaats van den vorigen dag. Baree kwispelstaartte zoo hard, dat zijn heele lijfje er van schudde, toen haastte hij zich langs den dam naar beneden.
Toen hij op het vlakke gedeelte van den oever kwam, trof hij daar Umisk alleen aan; hij knabbelde aan zijn avondmaal, een versch afgeknaagd stuk wilgebast. De andere jonge bevers waren in de elzestruiken verdwenen.
Ditmaal liep Umisk niet weg. Hij keek op. Baree hurkte neer, zich wringend op zijn allervriendelijkste manier. Eenige oogenblikken bleef Umisk hem aankijken. Er viel nu niets te vreezen. Wat dit ook voor een raar beest mocht wezen, het was jong en onschadelijk en scheen werkelijk graag goede maatjes te willen worden bovendien. Hij staarde Baree oplettend aan.
Toen zette hij heel rustig zijn avondmaal voort.... En Baree wist, dat hij niet langer zonder vrienden was.
IX.De redding van Umisk.Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek, gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahisâ€, zooals NepeesePierrothet genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig; hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn kameraadjes, en daar geslapen hebben.Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop, waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag. Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast. Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wektezijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was, nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader, of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen, hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken, met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt, ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan eens zijntanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt. Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was, omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad. Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige oogenblikken buitensporig in het rond envertelde Umisk, hoeveel hij van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet zoo gelukkig gevoeld.Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd. Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje; hij hoorde het waanzinnigeflap, flap, flapvan vele staarten en zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met een grauw, dienPierrotaan den anderen kant van den vijver had kunnen hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg, bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet achterna. Hij ging naar Umisk toe, die halfin de modder lag en op een zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig spektakel maakten in het water bij den oever.Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.
Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek, gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahisâ€, zooals NepeesePierrothet genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig; hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn kameraadjes, en daar geslapen hebben.
Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop, waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag. Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast. Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wektezijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was, nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader, of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.
Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen, hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken, met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt, ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan eens zijntanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.
Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt. Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was, omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad. Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige oogenblikken buitensporig in het rond envertelde Umisk, hoeveel hij van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet zoo gelukkig gevoeld.
Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.
Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd. Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje; hij hoorde het waanzinnigeflap, flap, flapvan vele staarten en zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met een grauw, dienPierrotaan den anderen kant van den vijver had kunnen hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg, bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet achterna. Hij ging naar Umisk toe, die halfin de modder lag en op een zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig spektakel maakten in het water bij den oever.
Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.
X.Gepakt!Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den bevervijver enPierroten Nepeese aan den anderen kant er van allerlei bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeeddeBush Mc Taggartzijn eigen plannetje, daarginds op den post teLac Bain, ongeveer veertig mijlen naar het noordwesten.Mc Taggartwas al zeven jaar lang agent opLac Baingeweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.†De Indianen wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikooâ€â€”den „mensch-duivelâ€. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs de wind het niet tot aanMc Taggart's ooren had kunnen overwaaien. Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind, door honger en ziekten en hoe vasterMc Taggarthen in zijn ijzeren greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen. De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er één.Gregsonzou uit de school hebben kunnen klappen.Gregsonwas de controleur van het distrikt, dieMc Taggarteens op een jaar bezocht. Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de IndianenMc Taggart„Napao Wetikoo†noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op den post bij zich had. MaarGregsonwas te veel gesteld op dat bezoek aanLac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een schat van bont, hem op een achterbaksche manier doorMc Taggartin handen gespeeld.Op zekeren avond zatMc Taggartbij het schijnsel van een olielamp in zijn „magazijnâ€. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen. Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was juist zes weken geleden datPierrotNepeese voor de eerste maal mee had genomen bij zijn bezoek aanLac Bain, voor het eerst sedertMc Taggartdaar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders meerkunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer naarPierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan.Marie, het slanke Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist zooals, vóórMarie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren. Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo volmaakt mooi alsPierrot's dochter.Hardop schold hijPierrotuit, terwijl hij naar een vel papier onder zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. DiePierrotstond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen wasPierrot's vader een volbloed Franschman geweest. Dus wasPierrotnog half Fransch en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak. Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek in zijn hut genomen hebben, zooalsMariehet zes maanden geleden gedaan had. Maar die vervloekte Fransche afkomst!Pierroten Nepeese waren niet als die anderen. En toch—Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn macht niet toereikend? Zou zelfsPierrothem durven weerstreven? AlsPierrottegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij familiebezit geweest. Hij zou een zwerver vanPierrotmaken en een banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit meer aanPierrotverkoopen of van hem koopen, alsla bête—het zwarte kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een geweldige macht—ten kwade. Zij hadhemMariebezorgd, het slanke, zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat, „zijn huishouden deedâ€. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een huishoudster!Bush Mc Taggartkeek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel papier gemaakt had.Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis, bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van pelzen, wantMc Taggarthad er niet in kunnen slagen,Pierrotzoo af te zetten als de Indianen.Duizend dollars per jaar!Pierrotzou zich nog wel tweemaal bedenken, voor hij dat opofferde.Mc Taggartgrinnikte, terwijl hij het papier in zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien. Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo†bezorgd had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde haar bezitten, ten koste desnoods van—Pierrot's leven. Enwaarom niet? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou gissen waarPierrotgebleven was? En het zou allemaalPierrot's eigen schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeesetrouwen. Ja, dà t wilde hij zelfs doen. Hij had hetPierrotvoorgesteld. Hij hadPierrotook gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. EnPierrothad hem verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door den slag van een knuppel.En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het allemaalPierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zouPierrothem zijn antwoord geven.Bush Mc Taggartgrinnikte opnieuw, toen hij naar bed ging. Dit deedMariehuiveren.Mc Taggartvoelde—in den grond van zijn hart—datPierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den langen duur—voorPierrot.Tot op één na den laatsten dag zeidePierrotaan Nepeese niets van wat er tusschen hemzelf en den agent vanLac Bainverhandeld was. Toen vertelde hij het haar.„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,†zeide hij, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar, dood—†en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de prinses, begraven lag.Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooalsPierroter nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een volwassen vrouw geleken enPierrot's oogen werden verduisterd door vrees en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar het Noordwesten—naarLac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid beangstigde hem. Hij had den blik inMc Taggart's oogen gezien. Hij had de opwinding inMc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte en den dierlijken lust opMc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten.Pierrotlegde een van zijn harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag.Hij vond het heerlijk, de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn vingers.„Hij komt morgen,ma chérieâ€, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?â€De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek niet op naar haar vader.„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.â€Pierrotboog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.VanLac BaintotPierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waarPierrotverblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor Baree visch had gevangen, sloegBush Mc Taggartzijn kamp op voor den nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden worden enMc Taggarthet laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn strikken had uitgezet, plaatsteMc Taggarteen pannetje met spek boven het vuur en begon zijn koffie te koken.Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kande vos hem op een mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd. Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid, in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was.Mc Taggartwas klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden dag.Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de Chippeway's.Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem teontsnappen. Hij achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bijMc Taggart's kamp en wat hij gehoord had, was een konijn, dat in een vanMc Taggart's strikken geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos, het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.Bush Mc Taggarthad geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd. Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom,zijnzwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en het goudenmaanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee, maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het moeten knappen, maarMc Taggarthoorde hem! De agent greep zijn deken en wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den knuppel boven zijn hoofd hief, zagMc Taggartnog net bijtijds de witte ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's huid.Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.
Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den bevervijver enPierroten Nepeese aan den anderen kant er van allerlei bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeeddeBush Mc Taggartzijn eigen plannetje, daarginds op den post teLac Bain, ongeveer veertig mijlen naar het noordwesten.Mc Taggartwas al zeven jaar lang agent opLac Baingeweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.†De Indianen wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikooâ€â€”den „mensch-duivelâ€. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs de wind het niet tot aanMc Taggart's ooren had kunnen overwaaien. Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind, door honger en ziekten en hoe vasterMc Taggarthen in zijn ijzeren greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen. De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er één.
Gregsonzou uit de school hebben kunnen klappen.Gregsonwas de controleur van het distrikt, dieMc Taggarteens op een jaar bezocht. Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de IndianenMc Taggart„Napao Wetikoo†noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op den post bij zich had. MaarGregsonwas te veel gesteld op dat bezoek aanLac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een schat van bont, hem op een achterbaksche manier doorMc Taggartin handen gespeeld.
Op zekeren avond zatMc Taggartbij het schijnsel van een olielamp in zijn „magazijnâ€. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen. Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was juist zes weken geleden datPierrotNepeese voor de eerste maal mee had genomen bij zijn bezoek aanLac Bain, voor het eerst sedertMc Taggartdaar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders meerkunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer naarPierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan.Marie, het slanke Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist zooals, vóórMarie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren. Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo volmaakt mooi alsPierrot's dochter.
Hardop schold hijPierrotuit, terwijl hij naar een vel papier onder zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. DiePierrotstond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen wasPierrot's vader een volbloed Franschman geweest. Dus wasPierrotnog half Fransch en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak. Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek in zijn hut genomen hebben, zooalsMariehet zes maanden geleden gedaan had. Maar die vervloekte Fransche afkomst!Pierroten Nepeese waren niet als die anderen. En toch—
Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn macht niet toereikend? Zou zelfsPierrothem durven weerstreven? AlsPierrottegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij familiebezit geweest. Hij zou een zwerver vanPierrotmaken en een banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit meer aanPierrotverkoopen of van hem koopen, alsla bête—het zwarte kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een geweldige macht—ten kwade. Zij hadhemMariebezorgd, het slanke, zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat, „zijn huishouden deedâ€. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een huishoudster!
Bush Mc Taggartkeek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel papier gemaakt had.
Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis, bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van pelzen, wantMc Taggarthad er niet in kunnen slagen,Pierrotzoo af te zetten als de Indianen.
Duizend dollars per jaar!Pierrotzou zich nog wel tweemaal bedenken, voor hij dat opofferde.Mc Taggartgrinnikte, terwijl hij het papier in zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien. Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo†bezorgd had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde haar bezitten, ten koste desnoods van—Pierrot's leven. Enwaarom niet? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou gissen waarPierrotgebleven was? En het zou allemaalPierrot's eigen schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeesetrouwen. Ja, dà t wilde hij zelfs doen. Hij had hetPierrotvoorgesteld. Hij hadPierrotook gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. EnPierrothad hem verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door den slag van een knuppel.
En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het allemaalPierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zouPierrothem zijn antwoord geven.Bush Mc Taggartgrinnikte opnieuw, toen hij naar bed ging. Dit deedMariehuiveren.Mc Taggartvoelde—in den grond van zijn hart—datPierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den langen duur—voorPierrot.
Tot op één na den laatsten dag zeidePierrotaan Nepeese niets van wat er tusschen hemzelf en den agent vanLac Bainverhandeld was. Toen vertelde hij het haar.
„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,†zeide hij, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar, dood—†en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de prinses, begraven lag.
Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooalsPierroter nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een volwassen vrouw geleken enPierrot's oogen werden verduisterd door vrees en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar het Noordwesten—naarLac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid beangstigde hem. Hij had den blik inMc Taggart's oogen gezien. Hij had de opwinding inMc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte en den dierlijken lust opMc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten.Pierrotlegde een van zijn harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag.Hij vond het heerlijk, de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn vingers.
„Hij komt morgen,ma chérieâ€, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?â€
De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek niet op naar haar vader.
„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.â€
Pierrotboog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.
VanLac BaintotPierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waarPierrotverblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor Baree visch had gevangen, sloegBush Mc Taggartzijn kamp op voor den nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden worden enMc Taggarthet laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn strikken had uitgezet, plaatsteMc Taggarteen pannetje met spek boven het vuur en begon zijn koffie te koken.
Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kande vos hem op een mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd. Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid, in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was.Mc Taggartwas klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.
Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden dag.
Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de Chippeway's.
Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem teontsnappen. Hij achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bijMc Taggart's kamp en wat hij gehoord had, was een konijn, dat in een vanMc Taggart's strikken geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos, het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.
Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.
Bush Mc Taggarthad geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd. Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom,zijnzwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en het goudenmaanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee, maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het moeten knappen, maarMc Taggarthoorde hem! De agent greep zijn deken en wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—
Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den knuppel boven zijn hoofd hief, zagMc Taggartnog net bijtijds de witte ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's huid.
Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.
XI.Gekastijd, maar niet onderworpen.Een half uur later vlamdeBush Mc Taggart's vuur weer helder op. In den gloed er van lag Baree, ingepakt als een Indiaansche papoes1), tot een ballonvormigen bal gebonden met een leeren riem, zijn kop alleen stekend door een gat, dat zijn overweldiger voor hem in de deken gemaakt had. Hij was een hopelooze gevangene, zoo stijf gebonden, dat hij ternauwernood een spier kon bewegen. Eenige passen van hem verwijderd wasMc Taggartbezig, een bloedende hand te baden in een kom water. Er liep ook een straaltje rood opzij vanMc Taggart's stierennek.„Jou kleine duivel!†snauwde hij tegen Baree. „Jou kleine duivel!â€Hij boog zich voorover en gaf Baree's kop een hevigen slag met zijn zware hand.„Ik moest eigenlijk je kop kapot ranselen en ik geloof dat ik het doen ga ook!â€Baree keek naar hem, terwijl hij een stuk hout naast zich opraapte—een stuk brandhout.Pierrothad jacht op hem gemaakt, maar voor het eerst was hij dicht genoeg bij het man-monster, om den rooden gloed in zijn oogen te zien. Zij waren niet als de oogen van dat mooie wezentje, dat hem bijna in den sluier van heur haren gevangen had en dat hem onder het rotsblok achterna was gekropen. Het waren de oogen van een beest. Zij maakten, dat hij in elkaar kromp en trachtte zijn kop onder de bescherming van de deken te trekken, toen de stok opgeheven werd. Maar tegelijkertijd gromde hij. Zijn witte slagtanden glinsterden bij het vuurlicht. Zijn ooren lagen plat op zijn kop. Hij verlangde zijn tanden in die roode keel te zetten, waaruit hij al bloed had laten sijpelen.De stok kwam neer en nog eens en nog eens en toenMc Taggartophield, lag Baree half versuft; zijn oogen waren gedeeltelijk gesloten door de slagen en er liep bloed uit zijn bek.„Dat is de goede manier om den duivel uit een wilden hond te krijgen,†grauwdeMc Taggart. „Ik denk, dat je dat bijt-kunstje nu wel niet meer zoo gauw probeeren zult, hè, baasje? Alle duivels—het scheelde maar weinig, of je had tot op het been van mijn hand doorgebeten!â€Hij begon de wond opnieuw uit te wasschen. Baree's tanden waren diep doorgedrongen en de agent keek bezorgd. Het was Juli. Een kwade maand voor beten. Uit zijn reismand haalde hij een kleine kruik met whisky voor den dag en droppelde wat van dezen sterken drank op de wond, op Baree vloekende, toen hij in zijn vleesch brandde. Baree's halfgesloten oogen bleven strak op hem gevestigd. Hij wist, dat hij nu eindelijk zijn doodsvijand ontmoet had. En toch was hij niet bang. De knuppel inBush Mc Taggart's hand had zijn temperament niet gedood. Hij had zijn vrees gedood. Hij had een haat in hem gewekt, zoo heftig als hij nog niet gekend had—zelfs niet toen hij met Oohoomisew, den uilenvrijbuiter, vocht. De wraakgierige kracht van den wolf brandde nu in hem, vereenigd met den woesten moed van den hond. Hij deinsde niet terug, toenMc Taggarthem opnieuw naderde. Hij probeerde op te staan, om dat man-monster aan te vliegen. Bij deze poging rolde hij om, ingewikkeld als hij was in de deken en lag daar nu als een lachwekkend bundeltje. De aanblik hiervan werkte opMc Taggart's lachspieren en hij lachte. Hij ging weer zitten met zijn rug tegen den boom en stopte zijn pijp.Baree hield geen oog van hem af terwijl hij rookte. Hij keek naar hem, toen hij zich op den kalen grond uitstrekte en ging slapen. Hij luisterde nog later naar het afschuwelijke gesnork, dat het monster voortbracht. Telkens opnieuw gedurende dien langen nacht trachtte hij zich vrij te maken. Hij zou dien nacht nooit meer vergeten. Het was afschuwelijk. In de dikke, warme plooien van de deken werden zijn ledematen zoo verstikt, dat hetbloed hem haast stilstond in de aderen. Toch jankte hij niet. Maar toen de morgen aanbrak, lag zijn kop plat op den grond.Mc Taggartmerkte dit feit met voldoening op.„Ik denk, dat je ons nu wel geen moeite meer geven zult op weg naarPierrot,†bromde hij.Zij begonnen te reizen, nog vóór zonsopgang, want al stond Baree's bloed bijna stil, dat vanMc Taggartstroomde wild van begeerte en verwachting. Hij maakte zijn laatste plannen, terwijl hij vlug door het bosch liep, met Baree onder den arm. Hij zouPierrotdadelijk naar VaderGrotinsturen in het Zendelingenstation, zeventig mijlen naar het Westen. Hij wilde Nepeese trouwen. Dat zouPierrotstreelen. En hij zoualleenzijn met Nepeese, terwijlPierrotop weg was naar den zendeling. Deze gedachte deed zijn bloed branden als heete whisky. In zijn verhit,onredelijkbrein kwam geen oogenblik de gedachte op, aan wat Nepeese er van zeggen mocht, of wat zij er van denken zou. Hij bekommerde zich niet om haar ziel. Het was haar vleesch en haar bloed, dat hij verlangde, haar prachtig lichaam, hare schoonheid, die zijn grove ziel vervuld hadden met razernij. Zijn vuist balde zich en hij lachte wreed, toen even het denkbeeld bij hem opkwam, datPierrothaar misschien niet zou willen afstaan.Pierrot! Bah! Het zou niet de eerste maal zijn, dat hij een man uit den weg ruimde. De tweede ook niet. Een moord was zoo moeilijk niet, als men het maar goed aanlegde. Niemand zou het weten. Het zou eenvoudig een verdwijning zijn—hij zou op zekeren dag zijn hut verlaten en er nooit weer in terugkeeren. Hij lachte opnieuw en stapte nog vlugger door. Er bestond geen kans dat hij verliezen zou—geen kans voor Nepeese om van hem af te komen. Hij—Bush Mc Taggart—was heer van deze wildernis, meester van zijn bewoners, heerscher over hun lot. Hij verpersoonlijkte de Macht—en de Wet. En Nepeese zou met hem teruggaan naarLac Bain, al zou hij er ookPierrot's graf voor moeten delven.De zon stond al een heel eind aan denhemel, toenPierrot, voor de deur van zijn hut staande met Nepeese, naar een hellingvan het voetpad wees, een vierhonderd meter weg, waarBush Mc Taggartjuist verscheen.„Daar komt hij—â€Hij keek naar Nepeese, zijn gelaat scheen in dezen nacht verouderd te zijn. Weer zag hij den donkeren glans in haar oogen en het diepere rood op haar lippen en zijn hart deed hem pijn van vrees. Was het mogelijk—Zij wendde zich naar hem toe met schitterende oogen en trillende stem.„Denk er aan, Nootawe—u moet hem naar mij toesturen voor zijn antwoord,†riep zij snel en verdween in de hut.Met een koud, grauwbleek gelaat stondPierrottegenoverBush Mc Taggart.1)Zuigeling.
Een half uur later vlamdeBush Mc Taggart's vuur weer helder op. In den gloed er van lag Baree, ingepakt als een Indiaansche papoes1), tot een ballonvormigen bal gebonden met een leeren riem, zijn kop alleen stekend door een gat, dat zijn overweldiger voor hem in de deken gemaakt had. Hij was een hopelooze gevangene, zoo stijf gebonden, dat hij ternauwernood een spier kon bewegen. Eenige passen van hem verwijderd wasMc Taggartbezig, een bloedende hand te baden in een kom water. Er liep ook een straaltje rood opzij vanMc Taggart's stierennek.
„Jou kleine duivel!†snauwde hij tegen Baree. „Jou kleine duivel!â€
Hij boog zich voorover en gaf Baree's kop een hevigen slag met zijn zware hand.
„Ik moest eigenlijk je kop kapot ranselen en ik geloof dat ik het doen ga ook!â€
Baree keek naar hem, terwijl hij een stuk hout naast zich opraapte—een stuk brandhout.Pierrothad jacht op hem gemaakt, maar voor het eerst was hij dicht genoeg bij het man-monster, om den rooden gloed in zijn oogen te zien. Zij waren niet als de oogen van dat mooie wezentje, dat hem bijna in den sluier van heur haren gevangen had en dat hem onder het rotsblok achterna was gekropen. Het waren de oogen van een beest. Zij maakten, dat hij in elkaar kromp en trachtte zijn kop onder de bescherming van de deken te trekken, toen de stok opgeheven werd. Maar tegelijkertijd gromde hij. Zijn witte slagtanden glinsterden bij het vuurlicht. Zijn ooren lagen plat op zijn kop. Hij verlangde zijn tanden in die roode keel te zetten, waaruit hij al bloed had laten sijpelen.
De stok kwam neer en nog eens en nog eens en toenMc Taggartophield, lag Baree half versuft; zijn oogen waren gedeeltelijk gesloten door de slagen en er liep bloed uit zijn bek.
„Dat is de goede manier om den duivel uit een wilden hond te krijgen,†grauwdeMc Taggart. „Ik denk, dat je dat bijt-kunstje nu wel niet meer zoo gauw probeeren zult, hè, baasje? Alle duivels—het scheelde maar weinig, of je had tot op het been van mijn hand doorgebeten!â€
Hij begon de wond opnieuw uit te wasschen. Baree's tanden waren diep doorgedrongen en de agent keek bezorgd. Het was Juli. Een kwade maand voor beten. Uit zijn reismand haalde hij een kleine kruik met whisky voor den dag en droppelde wat van dezen sterken drank op de wond, op Baree vloekende, toen hij in zijn vleesch brandde. Baree's halfgesloten oogen bleven strak op hem gevestigd. Hij wist, dat hij nu eindelijk zijn doodsvijand ontmoet had. En toch was hij niet bang. De knuppel inBush Mc Taggart's hand had zijn temperament niet gedood. Hij had zijn vrees gedood. Hij had een haat in hem gewekt, zoo heftig als hij nog niet gekend had—zelfs niet toen hij met Oohoomisew, den uilenvrijbuiter, vocht. De wraakgierige kracht van den wolf brandde nu in hem, vereenigd met den woesten moed van den hond. Hij deinsde niet terug, toenMc Taggarthem opnieuw naderde. Hij probeerde op te staan, om dat man-monster aan te vliegen. Bij deze poging rolde hij om, ingewikkeld als hij was in de deken en lag daar nu als een lachwekkend bundeltje. De aanblik hiervan werkte opMc Taggart's lachspieren en hij lachte. Hij ging weer zitten met zijn rug tegen den boom en stopte zijn pijp.
Baree hield geen oog van hem af terwijl hij rookte. Hij keek naar hem, toen hij zich op den kalen grond uitstrekte en ging slapen. Hij luisterde nog later naar het afschuwelijke gesnork, dat het monster voortbracht. Telkens opnieuw gedurende dien langen nacht trachtte hij zich vrij te maken. Hij zou dien nacht nooit meer vergeten. Het was afschuwelijk. In de dikke, warme plooien van de deken werden zijn ledematen zoo verstikt, dat hetbloed hem haast stilstond in de aderen. Toch jankte hij niet. Maar toen de morgen aanbrak, lag zijn kop plat op den grond.Mc Taggartmerkte dit feit met voldoening op.
„Ik denk, dat je ons nu wel geen moeite meer geven zult op weg naarPierrot,†bromde hij.
Zij begonnen te reizen, nog vóór zonsopgang, want al stond Baree's bloed bijna stil, dat vanMc Taggartstroomde wild van begeerte en verwachting. Hij maakte zijn laatste plannen, terwijl hij vlug door het bosch liep, met Baree onder den arm. Hij zouPierrotdadelijk naar VaderGrotinsturen in het Zendelingenstation, zeventig mijlen naar het Westen. Hij wilde Nepeese trouwen. Dat zouPierrotstreelen. En hij zoualleenzijn met Nepeese, terwijlPierrotop weg was naar den zendeling. Deze gedachte deed zijn bloed branden als heete whisky. In zijn verhit,onredelijkbrein kwam geen oogenblik de gedachte op, aan wat Nepeese er van zeggen mocht, of wat zij er van denken zou. Hij bekommerde zich niet om haar ziel. Het was haar vleesch en haar bloed, dat hij verlangde, haar prachtig lichaam, hare schoonheid, die zijn grove ziel vervuld hadden met razernij. Zijn vuist balde zich en hij lachte wreed, toen even het denkbeeld bij hem opkwam, datPierrothaar misschien niet zou willen afstaan.Pierrot! Bah! Het zou niet de eerste maal zijn, dat hij een man uit den weg ruimde. De tweede ook niet. Een moord was zoo moeilijk niet, als men het maar goed aanlegde. Niemand zou het weten. Het zou eenvoudig een verdwijning zijn—hij zou op zekeren dag zijn hut verlaten en er nooit weer in terugkeeren. Hij lachte opnieuw en stapte nog vlugger door. Er bestond geen kans dat hij verliezen zou—geen kans voor Nepeese om van hem af te komen. Hij—Bush Mc Taggart—was heer van deze wildernis, meester van zijn bewoners, heerscher over hun lot. Hij verpersoonlijkte de Macht—en de Wet. En Nepeese zou met hem teruggaan naarLac Bain, al zou hij er ookPierrot's graf voor moeten delven.
De zon stond al een heel eind aan denhemel, toenPierrot, voor de deur van zijn hut staande met Nepeese, naar een hellingvan het voetpad wees, een vierhonderd meter weg, waarBush Mc Taggartjuist verscheen.
„Daar komt hij—â€
Hij keek naar Nepeese, zijn gelaat scheen in dezen nacht verouderd te zijn. Weer zag hij den donkeren glans in haar oogen en het diepere rood op haar lippen en zijn hart deed hem pijn van vrees. Was het mogelijk—
Zij wendde zich naar hem toe met schitterende oogen en trillende stem.
„Denk er aan, Nootawe—u moet hem naar mij toesturen voor zijn antwoord,†riep zij snel en verdween in de hut.
Met een koud, grauwbleek gelaat stondPierrottegenoverBush Mc Taggart.
1)Zuigeling.
1)Zuigeling.