XXVII.Vriendschap.Jim Carvelstrekte zijn hand uit en de grauw, die in Baree's strot was, stierf weg. De man stond op. Hij bleef staan kijken in de richting waarinMc Taggartverdwenen was en grinnikte op een eigenaardige, voldane wijze. Er klonk vriendelijkheid uit dat gegrinnik. Er was ook vriendelijkheid in zijn oogen en in de glinstering van zijn tanden toen hij weer naar Baree keek. Hij had iets opwekkends over zich, dat den grijzen dag scheen te verhelderen, dat de koude lucht scheen te verwarmen—een vreemde gloed ging er van hem uit, vroolijkheid en hoop en kameraadschap uitstralend, zooals een kachel warmte uitstraalt. Baree voelde dit. Voor de eerste maal sedert de twee mannen bij hem gekomen waren, verloor zijn door de klemmen gemarteld lijf iets van zijn gespannenheid; zijn rug boog door; zijn tanden klapperden toen hij rilde in zijn pijn. Aan dezen man verried hij zijn zwakheid. In zijn met bloed beloopen oogen was een hongerende blik toen hijJim Carvelgadesloeg—die evenals hij vogelvrij verklaard was—naar hij bekend had. EnJim Carvelhield opnieuw zijn hand uit—ditmaal veel dichterbij.„Arme bliksem,” zeide hij, terwijl de glimlach van zijn gelaat week. „Arme bliksem!”Deze woorden waren als een liefkoozing voor Baree—deeerste, die hij ondervond sedert het verlies van Nepeese enPierrot. Hij liet zijn kop vallen tot hij plat in de sneeuw lag.Carvelkon langzaam het bloed uit zijn bek zien droppelen.„Arme bliksem!” herhaalde hij.Er was geen vrees in de manier waarop hij zijn hand uitstrekte. Het gebeurde in het vertrouwen van groote oprechtheid en diep medelijden. Zij raakte Baree's kop aan en beklopte dien broederlijk en daarna ging zij—langzaam en wat behoedzamer—naar de klem, waarin Baree's voorpoot gevangen zat. In zijn halve verdoofdheid deed Baree zijn uiterste best, dit alles te begrijpen en de waarheid drong tot hem door toen hij de stalen kaken van de klem open voelde gaan en zijn verminkten poot er uit trok. Toen deed hij iets, wat hij nooit bij eenig schepsel buiten Nepeese gedaan had. Heel even schoot zijn heete tong uit en likteCarvel's hand. De man lachte. Met zijn krachtige handen opende hij de overige klemmen en Baree was vrij.Eenige oogenblikken bleef hij liggen zonder zich te bewegen en met zijn oogen op den man gevestigd.Carvelwas gaan zitten op een met sneeuw bedekten berkestam en stopte zijn pijp. Baree keek er naar, hoe hij deze aanstak; hij keek met een nieuwe belangstelling naar de eerste purperen rookwolk, dieCarvel's mond verliet. De man was niet meer dan twee vallenkettingen-lengten van hem verwijderd—en hij grinnikte tegen Baree.„Kom, flink wat, ouwe jongen,” moedigde hij hem aan. „Geen beenderen stuk. Alleen een beetje stijf. Misschien doen we maar beter—weg te gaan.”Jim wendde zijn gelaat in de richting vanLac Bain. Hij argwaande, datMc Taggartterug zou keeren. Misschien vermoedde Baree hetzelfde, want toenCarvelweer naar hem keek, was hij opgestaan, wat wankelend op zijn pooten om zijn evenwicht te bewaren. Het volgende oogenblik zwaaideCarvelzijn ransel van de schouders af en opende hem. Hij trok er een stuk rood, rauw vleesch uit.„Vanmorgen geschoten,” legde hij aan Baree uit. „Een éénjarige stier, zoo malsch als een patrijs—en dit is eenzwezerik, zoo lekker als zoo'n dier hem maar kan hebben. Proef maar eens!”Hij wierp het vleesch naar Baree toe. Er viel niet aan te twijfelen hoe deze het ontvangen zou. Baree was uitgehongerd—en het vleesch werd hem toegeworpen door een vriendenhand. Hij zette er zijn tanden in. Zijn kaken vermaalden het. Er kwam nieuw vuur in zijn bloed, terwijl hij zich te goed deed, maar geen oogenblik verlieten zijn roodgeworden oogen het gelaat van den ander.Carvelgespte den ransel weer op zijn rug. Hij stond op, nam zijn geweer op, gleed in zijn sneeuwschoenen en keek het noorden in.„Kom mee, jongen,” zeide hij, „we moeten er vandoor.”Het was een zakelijke uitnoodiging, alsof zij al langen tijd samen gereisd hadden. Het was misschien niet alleen een uitnoodiging, maar half een bevel. Baree begreep er niets van. Een halve minuut bleef hij onbeweeglijk staan en keek naarCarvel's rug, terwijl deze naar het noorden toeschreed.Carvelkeek niet om. Een plotselinge kramp trok door Baree heen; hij draaide zijn kop in de richting vanLac Bain, daarna keek hij weer naarCarvelen een gejank, nauwelijks boven zijn ademhaling uitkomend, rees uit zijn strot. De man was juist op het punt om in het dichte sparrenbosch te verdwijnen. Hij stond stil en keek om.„Kom je, jongen?”Zelfs op dezen afstand kon Baree hem vriendelijk zien grinniken; hij zag de uitgestrekte hand en de stem wekte nieuwe gewaarwordingen bij hem op. Zij was niet alsPierrot's stem. Hij had nooit vanPierrotgehouden. Ook was zij niet zacht en vriendelijk, zooals die van Nepeese. Hij had in zijn leven maar een paar menschen leeren kennen en hen allen met wantrouwen beschouwd. Maar deze stem ontwapende hem. Zij was verlokkend in haar vraag. Hij verlangde er op te antwoorden. Hij kreeg een groot verlangen, geheel onverwachts, om den vreemdeling op de hielen te volgen. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij naar de vriendschap van een man. Hij zette zich niet in bewegingvoorJim Carvelhet sparrenbosch binnenging. Toen begon hij te volgen.Dien nacht kampeerden zij in het dichte gewas van ceders en balsemstruiken, tien mijlen ten noorden vanMc Taggart's vallenlijn. Het had een paar uren gesneeuwd en hun voetspoor was bedolven. Het sneeuwde nog voortdurend, maar geen witte vlok drong het dichte baldakijn van takken door.Carvelhad zijn kleine zijden tent opgezet en een houtvuur gebouwd; hun avondmaal was afgeloopen en Baree lag op zijn buik, den vogelvrij verklaarde aan te kijken, bijna binnen het bereik van diens hand. Met zijn rug tegen een boom zatCarvelheerlijk te rooken. Hij had zijn muts en jas afgeworpen en in den warmen vuurgloed zag hij er bijna jongensachtig jeugdig uit. Maar zelfs in dezen gloed verloor zijn gelaat niets van zijn scherpe lijnen, noch zijn oogen van hun heldere levendigheid.„'t Lijkt wel eens prettig om met iemand te kunnen praten,” zeide hij tegen Baree. „Tegen iemand, die je begrijpt en toch zijn mond houdt. Heb jij wel eens verlangd om te huilen, terwijl je niet durfde? Nu, zoo is 't bij mij 't geval. Soms heb ik op het punt gestaan te barsten, omdat ik met iemand praten wou en niet durfde.”Hij wreef zijn handen en hield die toen bij het vuur. Baree keek naar elke beweging, die hij maakte en luisterde aandachtig naar ieder geluid, dat hij voortbracht. Zijn oogen verrieden nu een soort vereering, zijn blik verwarmdeCarvel's hart en deed hem de uitgestrekte eenzaamheid en ledigheid van den nacht vergeten. Baree had zich dichter naar de voeten van den man toegesleept en eensklaps boogCarvelover en klopte hem op den kop.„Ik ben slecht, ouwe jongen,” grinnikteCarvel. „Maar jij neemt het me niet kwalijk—geen sikkepit. Wil je weten wat er gebeurd is?” Hij wachtte een oogenblik en Baree staarde hem strak aan. Toen vervolgdeCarvel, alsof hij tegen een mensch sprak: „Laat eens zien—het is nu vijf jaar geleden, in December,juist tegen Kerstmis. Had een vader. Een knappe ouwe man, die vader van me. Geen moeder—alleen dien vader maar, en als je ons bij mekaar optelde, vormden we maar Eén. Begrepen? En toen kwam er een schoelje,Hardyheette hij, en heeft hem neergeschoten op een goeien dag, omdat Vader hem tegengewerkt had in de politiek. Niks meer of minder dan moord was 't. En zij hebben dien schoelje er niet voor opgehangen! Neen, m'n waarde, ze hebben hem niet opgehangen. Daarvoor had hij te veel geld en te veel vriendjes bij zijn politieke partij en ze hebben hem alleen maar twee jaar hechtenis gegeven. Maar hij is niet in de gevangenis terecht gekomen. Nee—waarachtig niet!”Carvelwrong zijn handen zoo hevig, dat de gewrichten kraakten. Een vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat en zijn oogen gingen weer naar het vuur. Baree slaakte een diepen zucht, puur toevallig, maar het oogenblik was er spannend genoeg voor.„Nee, hij is niet in de gevangenis terecht gekomen,” vervolgdeCarvel, Baree weer strak aankijkend. „Ondergeteekende wist wel, wat dat te beteekenen had, ouwe jongen. Hij zou binnen het jaar gratie gekregen hebben. En daar lag mijn vader, de grootste helft van mezelf, in zijn graf. Daarom ging ik op dien schoelje af, waar alle rechters en advocaten bij waren en al zijn dierbare familieleden en vrienden—en vermoordde hem! En toen ontsnapte ik. Was al uit 't raam gesprongen vóór ze bekomen waren van hun verbazing, maakte, dat ik de bosschen in kwam en heb sinds dien tijd geleefd van het wild, dat ik vangen kon. En ik denk zoo, dat God me goedgezind was, kerel. Want hij deed een merkwaardig ding om me te helpen, voorverleden zomer, juist toen de Beredene me op de hielen zat en 't er kwaad voor me uitzag. Een man werd verdronken gevonden in het Rendierland, juist op een plek waar ze dachten mij in 't nauw gedreven te hebben, en nu had de goede God het zóó beschikt, dat die man zooveel op mij leek, dat ze hem onder mijn naam begraven hebben. Dus daarom ben ik nu officieel dood, ouwe jongen. Ik hoef nergens meer bang voor te zijn, zoolang ik me niet te veelonder de menschen begeef, den eersten tijd, en nu heb ik zoo bij mezelf uitgemaakt, dat God nogal met me op heeft, omdat hij me op die manier uit de klem heeft geholpen. Wat denk jij er van, hè?”Hij boog zich voorover, als om een antwoord te ontvangen. Baree had naar hem geluisterd. Misschien had hij zelfs gedeeltelijk begrepen. Maar er was een ander geluid danCarvel's stem, dat hem nu in de ooren klonk. Met zijn kop dicht bij den grond hoorde hij het duidelijk. Hij jankte en het janken eindigde in een grauw, zoo zacht, datCarvelmaar heel even de waarschuwing er in opmerkte. Hij nam een strakkere houding aan. Toen stond hij op en keek het zuiden in. Baree stond naast hem, met gespannen pooten en alle haren op zijn rug overeind.Na een oogenblik van diepe stilte zeideCarvel:„Familie van jou, ouwe jongen. Wolven.”Hij ging de tent binnen om zijn geweer en patronen te halen.
Jim Carvelstrekte zijn hand uit en de grauw, die in Baree's strot was, stierf weg. De man stond op. Hij bleef staan kijken in de richting waarinMc Taggartverdwenen was en grinnikte op een eigenaardige, voldane wijze. Er klonk vriendelijkheid uit dat gegrinnik. Er was ook vriendelijkheid in zijn oogen en in de glinstering van zijn tanden toen hij weer naar Baree keek. Hij had iets opwekkends over zich, dat den grijzen dag scheen te verhelderen, dat de koude lucht scheen te verwarmen—een vreemde gloed ging er van hem uit, vroolijkheid en hoop en kameraadschap uitstralend, zooals een kachel warmte uitstraalt. Baree voelde dit. Voor de eerste maal sedert de twee mannen bij hem gekomen waren, verloor zijn door de klemmen gemarteld lijf iets van zijn gespannenheid; zijn rug boog door; zijn tanden klapperden toen hij rilde in zijn pijn. Aan dezen man verried hij zijn zwakheid. In zijn met bloed beloopen oogen was een hongerende blik toen hijJim Carvelgadesloeg—die evenals hij vogelvrij verklaard was—naar hij bekend had. EnJim Carvelhield opnieuw zijn hand uit—ditmaal veel dichterbij.
„Arme bliksem,” zeide hij, terwijl de glimlach van zijn gelaat week. „Arme bliksem!”
Deze woorden waren als een liefkoozing voor Baree—deeerste, die hij ondervond sedert het verlies van Nepeese enPierrot. Hij liet zijn kop vallen tot hij plat in de sneeuw lag.Carvelkon langzaam het bloed uit zijn bek zien droppelen.
„Arme bliksem!” herhaalde hij.
Er was geen vrees in de manier waarop hij zijn hand uitstrekte. Het gebeurde in het vertrouwen van groote oprechtheid en diep medelijden. Zij raakte Baree's kop aan en beklopte dien broederlijk en daarna ging zij—langzaam en wat behoedzamer—naar de klem, waarin Baree's voorpoot gevangen zat. In zijn halve verdoofdheid deed Baree zijn uiterste best, dit alles te begrijpen en de waarheid drong tot hem door toen hij de stalen kaken van de klem open voelde gaan en zijn verminkten poot er uit trok. Toen deed hij iets, wat hij nooit bij eenig schepsel buiten Nepeese gedaan had. Heel even schoot zijn heete tong uit en likteCarvel's hand. De man lachte. Met zijn krachtige handen opende hij de overige klemmen en Baree was vrij.
Eenige oogenblikken bleef hij liggen zonder zich te bewegen en met zijn oogen op den man gevestigd.Carvelwas gaan zitten op een met sneeuw bedekten berkestam en stopte zijn pijp. Baree keek er naar, hoe hij deze aanstak; hij keek met een nieuwe belangstelling naar de eerste purperen rookwolk, dieCarvel's mond verliet. De man was niet meer dan twee vallenkettingen-lengten van hem verwijderd—en hij grinnikte tegen Baree.
„Kom, flink wat, ouwe jongen,” moedigde hij hem aan. „Geen beenderen stuk. Alleen een beetje stijf. Misschien doen we maar beter—weg te gaan.”
Jim wendde zijn gelaat in de richting vanLac Bain. Hij argwaande, datMc Taggartterug zou keeren. Misschien vermoedde Baree hetzelfde, want toenCarvelweer naar hem keek, was hij opgestaan, wat wankelend op zijn pooten om zijn evenwicht te bewaren. Het volgende oogenblik zwaaideCarvelzijn ransel van de schouders af en opende hem. Hij trok er een stuk rood, rauw vleesch uit.
„Vanmorgen geschoten,” legde hij aan Baree uit. „Een éénjarige stier, zoo malsch als een patrijs—en dit is eenzwezerik, zoo lekker als zoo'n dier hem maar kan hebben. Proef maar eens!”
Hij wierp het vleesch naar Baree toe. Er viel niet aan te twijfelen hoe deze het ontvangen zou. Baree was uitgehongerd—en het vleesch werd hem toegeworpen door een vriendenhand. Hij zette er zijn tanden in. Zijn kaken vermaalden het. Er kwam nieuw vuur in zijn bloed, terwijl hij zich te goed deed, maar geen oogenblik verlieten zijn roodgeworden oogen het gelaat van den ander.Carvelgespte den ransel weer op zijn rug. Hij stond op, nam zijn geweer op, gleed in zijn sneeuwschoenen en keek het noorden in.
„Kom mee, jongen,” zeide hij, „we moeten er vandoor.”
Het was een zakelijke uitnoodiging, alsof zij al langen tijd samen gereisd hadden. Het was misschien niet alleen een uitnoodiging, maar half een bevel. Baree begreep er niets van. Een halve minuut bleef hij onbeweeglijk staan en keek naarCarvel's rug, terwijl deze naar het noorden toeschreed.Carvelkeek niet om. Een plotselinge kramp trok door Baree heen; hij draaide zijn kop in de richting vanLac Bain, daarna keek hij weer naarCarvelen een gejank, nauwelijks boven zijn ademhaling uitkomend, rees uit zijn strot. De man was juist op het punt om in het dichte sparrenbosch te verdwijnen. Hij stond stil en keek om.
„Kom je, jongen?”
Zelfs op dezen afstand kon Baree hem vriendelijk zien grinniken; hij zag de uitgestrekte hand en de stem wekte nieuwe gewaarwordingen bij hem op. Zij was niet alsPierrot's stem. Hij had nooit vanPierrotgehouden. Ook was zij niet zacht en vriendelijk, zooals die van Nepeese. Hij had in zijn leven maar een paar menschen leeren kennen en hen allen met wantrouwen beschouwd. Maar deze stem ontwapende hem. Zij was verlokkend in haar vraag. Hij verlangde er op te antwoorden. Hij kreeg een groot verlangen, geheel onverwachts, om den vreemdeling op de hielen te volgen. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij naar de vriendschap van een man. Hij zette zich niet in bewegingvoorJim Carvelhet sparrenbosch binnenging. Toen begon hij te volgen.
Dien nacht kampeerden zij in het dichte gewas van ceders en balsemstruiken, tien mijlen ten noorden vanMc Taggart's vallenlijn. Het had een paar uren gesneeuwd en hun voetspoor was bedolven. Het sneeuwde nog voortdurend, maar geen witte vlok drong het dichte baldakijn van takken door.Carvelhad zijn kleine zijden tent opgezet en een houtvuur gebouwd; hun avondmaal was afgeloopen en Baree lag op zijn buik, den vogelvrij verklaarde aan te kijken, bijna binnen het bereik van diens hand. Met zijn rug tegen een boom zatCarvelheerlijk te rooken. Hij had zijn muts en jas afgeworpen en in den warmen vuurgloed zag hij er bijna jongensachtig jeugdig uit. Maar zelfs in dezen gloed verloor zijn gelaat niets van zijn scherpe lijnen, noch zijn oogen van hun heldere levendigheid.
„'t Lijkt wel eens prettig om met iemand te kunnen praten,” zeide hij tegen Baree. „Tegen iemand, die je begrijpt en toch zijn mond houdt. Heb jij wel eens verlangd om te huilen, terwijl je niet durfde? Nu, zoo is 't bij mij 't geval. Soms heb ik op het punt gestaan te barsten, omdat ik met iemand praten wou en niet durfde.”
Hij wreef zijn handen en hield die toen bij het vuur. Baree keek naar elke beweging, die hij maakte en luisterde aandachtig naar ieder geluid, dat hij voortbracht. Zijn oogen verrieden nu een soort vereering, zijn blik verwarmdeCarvel's hart en deed hem de uitgestrekte eenzaamheid en ledigheid van den nacht vergeten. Baree had zich dichter naar de voeten van den man toegesleept en eensklaps boogCarvelover en klopte hem op den kop.
„Ik ben slecht, ouwe jongen,” grinnikteCarvel. „Maar jij neemt het me niet kwalijk—geen sikkepit. Wil je weten wat er gebeurd is?” Hij wachtte een oogenblik en Baree staarde hem strak aan. Toen vervolgdeCarvel, alsof hij tegen een mensch sprak: „Laat eens zien—het is nu vijf jaar geleden, in December,juist tegen Kerstmis. Had een vader. Een knappe ouwe man, die vader van me. Geen moeder—alleen dien vader maar, en als je ons bij mekaar optelde, vormden we maar Eén. Begrepen? En toen kwam er een schoelje,Hardyheette hij, en heeft hem neergeschoten op een goeien dag, omdat Vader hem tegengewerkt had in de politiek. Niks meer of minder dan moord was 't. En zij hebben dien schoelje er niet voor opgehangen! Neen, m'n waarde, ze hebben hem niet opgehangen. Daarvoor had hij te veel geld en te veel vriendjes bij zijn politieke partij en ze hebben hem alleen maar twee jaar hechtenis gegeven. Maar hij is niet in de gevangenis terecht gekomen. Nee—waarachtig niet!”
Carvelwrong zijn handen zoo hevig, dat de gewrichten kraakten. Een vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat en zijn oogen gingen weer naar het vuur. Baree slaakte een diepen zucht, puur toevallig, maar het oogenblik was er spannend genoeg voor.
„Nee, hij is niet in de gevangenis terecht gekomen,” vervolgdeCarvel, Baree weer strak aankijkend. „Ondergeteekende wist wel, wat dat te beteekenen had, ouwe jongen. Hij zou binnen het jaar gratie gekregen hebben. En daar lag mijn vader, de grootste helft van mezelf, in zijn graf. Daarom ging ik op dien schoelje af, waar alle rechters en advocaten bij waren en al zijn dierbare familieleden en vrienden—en vermoordde hem! En toen ontsnapte ik. Was al uit 't raam gesprongen vóór ze bekomen waren van hun verbazing, maakte, dat ik de bosschen in kwam en heb sinds dien tijd geleefd van het wild, dat ik vangen kon. En ik denk zoo, dat God me goedgezind was, kerel. Want hij deed een merkwaardig ding om me te helpen, voorverleden zomer, juist toen de Beredene me op de hielen zat en 't er kwaad voor me uitzag. Een man werd verdronken gevonden in het Rendierland, juist op een plek waar ze dachten mij in 't nauw gedreven te hebben, en nu had de goede God het zóó beschikt, dat die man zooveel op mij leek, dat ze hem onder mijn naam begraven hebben. Dus daarom ben ik nu officieel dood, ouwe jongen. Ik hoef nergens meer bang voor te zijn, zoolang ik me niet te veelonder de menschen begeef, den eersten tijd, en nu heb ik zoo bij mezelf uitgemaakt, dat God nogal met me op heeft, omdat hij me op die manier uit de klem heeft geholpen. Wat denk jij er van, hè?”
Hij boog zich voorover, als om een antwoord te ontvangen. Baree had naar hem geluisterd. Misschien had hij zelfs gedeeltelijk begrepen. Maar er was een ander geluid danCarvel's stem, dat hem nu in de ooren klonk. Met zijn kop dicht bij den grond hoorde hij het duidelijk. Hij jankte en het janken eindigde in een grauw, zoo zacht, datCarvelmaar heel even de waarschuwing er in opmerkte. Hij nam een strakkere houding aan. Toen stond hij op en keek het zuiden in. Baree stond naast hem, met gespannen pooten en alle haren op zijn rug overeind.
Na een oogenblik van diepe stilte zeideCarvel:
„Familie van jou, ouwe jongen. Wolven.”
Hij ging de tent binnen om zijn geweer en patronen te halen.
XXVIII.De lokstem van het Zuiden.Baree stond, stokstijf, alsof hij uit steen gehouwen was, toenCarvelde tent weer uitkwam en eenige oogenblikken bleefCarvelzwijgend naast hem staan en sloeg hem nauwlettend gade. Zou de hond antwoorden op de stem van den troep? Hoorde hij er bij? Zou hij weggaan—nu? De wolven kwamen nader. Zij trokken niet in kringen voort, zooals een kariboe of hert dat gedaan zou hebben, maar recht vooruit—zij kwamen in een rechte lijn op hun kamp af. De beteekenis van dit feit was voorCarvelduidelijk genoeg. Dien heelen middag door hadden Baree's pooten een reuk van bloed in zijn spoor nagelaten en de wolven hadden dit spoor ontdekt in het diepst van het bosch, waar de sneeuw het niet bedekt had.Carvelontstelde niet. Meerdan eens had hij in die vijf jaren zwervens tusschen de Noordpool en den Kop van het Land, dit spelletje met de wolven te spelen gekregen. Eens had hij bijna verloren, maar dat was op de vlakte geweest, in het Onvruchtbare Land. Vannacht had hij een vuur en voor het geval hij geen hout genoeg had om het brandende te houden, waren er nog altijd boomen, waarin hij klimmen kon. Zijn bezorgdheid gold op het oogenblik voornamelijk: Baree. Als de hond wegliep, zou hij weer alleen achterblijven. Daarom zeide hij, zijn stem zoo gewoon mogelijk houdend:„Je gaat toch niet weg, zeg, ouwe jongen?”Baree gaf geen blijken, hem verstaan te hebben. MaarCarvel, die hem nog steeds nauwkeurig bekeek, zag, dat het haar op zijn rug borstelig opstond en toen hoorde hij—langzaam zwellend in Baree's strot—een grommen, waaruit woeste haat sprak. Het was een dergelijk gegrom als datgene, dat den agent vanLac Bainachteruit had doen gaan enCarvel, den grendel van zijn geweer openend, om te zien of alles in orde was, grinnikte blij. Misschien hoorde Baree dit. Het kan zijn, dat hij er een beteekenis aan gaf, want hij draaide plotseling zijn kop om en keek zijn metgezel aan; zijn ooren lagen plat op zijn kop.De wolven waren stil geworden.Carvelwist, wat dit beduidde en was op zijn hoede. In de stilte klikte de veiligheidsdop op zijn geweer met metaalachtige scherpte. Minutenlang hoorde hij niets dan het knapperen van het vuur. Plotseling schenen Baree's spieren te kraken. Hij sprong achteruit en bleef staan, gewend in de richting waarheenCarvel's rug gedraaid was; zijn kop ter hoogte van zijn schouders, zijn centimeterslange slagtanden glinsterden toen hij grauwde tegen de donkere spelonken van het bosch, juist achter den rand van het vuur.Carvelhad zich omgedraaid met de snelheid van een schot. Het was wel schrikaanjagend, wat hij te zien kreeg. Een paar oogen, brandend van groenachtig vuur, en toen nog een paar en daarna zooveel paren, dat hij ze niet had kunnen tellen. Hij hijgde naar adem. Zij geleken op kattenoogen, maar waren veel grooter. Sommige, door het licht van het vuur ten volle beschenen, waren rood als vurigekolen, andere vlamden blauw en groen op—levende voorwerpen, zonder bijbehoorend lichaam. Met een snellen blik keek hij den zwarten boschrand langs. Zij waren daar ook, maar op de plek waar hij ze het eerst gezien had, was hun aantal het grootst. In deze eerste oogenblikken was hij Baree vergeten en onder den indruk, aan verstomming grenzend, van deze monster-linie van oogen, den dood voorspellend, die hen omringde.Er waren zeker vijftig, misschien wel honderd wolven daarginds, nergens bang voor, behalve voor vuur. Zij waren genaderd zonder het geringste geluid van zachtgezoolde pooten of knappende twijgen. Als zij later gekomen waren en zij in slaap geweest waren en het vuur gedoofd—Hij huiverde en een oogenblik werkte dit denkbeeld op zijn zenuwen. Hij was niet van plan geweest te schieten, tenzij uit noodzaak, maar ineens was zijn geweer bij zijn schouder en zond hij een stroom van vuur op de plek waar de oogen het dichtst waren. Baree wist wat schieten beteekende en, bezeten door het razend verlangen, een van zijn vijanden naar de keel te springen, rende hij hun richting uit.Carvelgaf een schreeuw van schrik toen hij hem zag gaan. Hij zag Baree's lichaam vooruitschieten, zag het verdwijnen in de duisternis en hoorde op hetzelfde oogenblik het doodaanbrengend geklik van slagtanden en den schok van lijven op elkaar. Een wilde opwinding maakte zich van hem meester.De hond had den aanval in zijn eentje gewaagd en de wolven hadden hem afgewacht. Er was slechts één afloop mogelijk. Zijn viervoetige kameraad was regelrecht in de kaken van den dood geloopen!Hij kon het woedende dichtklappen van kaken hooren, daarginds in de duisternis. Het was griezelig. Zijn hand greep fluks de automatische revolver, die aan zijn gordel hing en wierp zijn afgeschoten geweer op de sneeuw. Met de groote revolver van 38 m.M. kaliber voor zijn oogen wierp hij zich de duisternis in en uit zijn mond kwam een geschreeuw, dat op een mijl afstands gehoord kon worden. Tegelijk met dit geschreeuw spatte eengestadige stroom van vuur te midden der vechtende dieren. Er zaten elf schoten op de revolver en niet voordat hij deze alle gebruikt had, hieldCarvelmet zijn geschreeuw op en trok zich weer terug in de bescherming van het vuur. Hij luisterde, diep ademend. Hij zag geen oogen meer in de duisternis en hoorde ook geen geluid meer van bewegende lijven. De onverwachtheid en woede van dezen aanval had de wolvenhorde op de vlucht gedreven. Maar de hond! Hij hield zijn adem in en keek zoo scherp mogelijk uit. Een schaduw sleepte zich in den lichtcirkel. Het was Baree.Carvelrende op hem toe, sloeg zijn armen onder de schouders om hem heen en bracht hem bij het vuur.Een tijdlang was er een vragend licht inCarvel's oogen. Hij herlaadde geweer en revolver, deed nieuwe brandstof op het vuur en haalde uit zijn bagagepak een stuk linnen voor den dag, waarmee hij drie of vier van de ergste kwetsuren in Baree's pooten verbond. En telkens vroeg hij op een peinzende manier:„Maar wat drommel, waarom deed je dat toch, ouwe jongen? Wat hebjijnu tegen de wolven?”En dien nacht sliep hij in 't geheel niet, maar hield de wacht.Hun ondervinding met de wolven verbrak het laatste restje onzekerheid, dat er tusschen man en hond bestaan kon hebben. Dagen er na, terwijl zij langzaam naar het noordwesten trokken, verpleegdeCarvelBaree, zooals hij het een ziek kind gedaan zou hebben. Ter wille van de kwetsuren van den hond, legden zij niet meer dan een paar mijlen per dag af. Baree begreep het en er groeide sterker en sterker een groote liefde in hem voor den man, wiens handen even zacht waren als die van de Wilg en wiens stem hem verwarmde met een onmetelijke vriendschap. Hij voelde geen vrees of achterdocht meer voor hem. EnCarvel, van zijn kant, deed waarnemingen. De uitgestrekte ledigheid van de wereld rondom hem gaf hem de gelegenheid, over onbelangrijke kleinigheden na te denken en iederen dag sloeg hij Baree nauwkeuriger gade. Hij deed ten slotte een ontdekking, die hem veel belang inboezemde. Altijd, wanneer zij stilstonden,bleef Baree naar het zuiden kijken; wanneer zij hun kamp opgeslagen hadden, snoof hij het veelvuldigst de lucht op uit het zuiden. Dit was heel natuurlijk, dachtCarvel, want zijn oude jachtterrein lag in die richting. Maar terwijl de dagen verstreken, begon hij nog andere dingen op te merken. Nu en dan jankte Baree zachtjes, kijkend in de richting vanwaar zij gekomen waren en zoo'n dag was hij vervuld met een groote onrust. Hij gaf er geen blijk van, dat hijCarvelwilde verlaten, maar meer en meer begonCarvelte begrijpen, dat de een of andere geheimzinnige aantrekkingskracht voor hem bestond, in het zuiden.Het was het voornemen van den zwerver, af te slaan naar de streek van den Grooten Slaaf, een goede achthonderd mijlen naar het noordwesten, vóór de natte sneeuwval kwam. Daar vandaan—het water ontdooide er in de lente—wilde hij per kano naar het westen trekken, naar deMackenzieen ten slotte naar de bergen van Britsch-Columbia. Zijn plannen veranderden echter in Februari. Zij werden aan de plaats geboeid door een grooten sneeuwstorm in Wholdaia-Meerland en juist toen de fortuin hun het ongunstigst toescheen, kwamCarvelaan een hut, midden in het dichte sparrenbosch en in die hut lag een doode man. Hij was blijkbaar al verscheidene dagen dood en stijf bevroren.Carvelhakte een gat in de aarde en begroef hem.Deze hut werd een schat voorCarvelen Baree, voornamelijk voor den man. Blijkbaar had zij geen anderen bewoner bezeten dan den man, die gestorven was; zij was vol gemakken en ruim van voorraad voorzien; en meer dan dat, haar eigenaar had een prachtigen buit aan pelterijen gemaakt, voor de vorst zijn longen aangreep en hij stierf.Carvelonderzocht het bont zorgvuldig en met groote blijdschap.Het was wel duizend dollar waard op elken handelspost en hij zag niet in, waarom dit alles nu voortaan niet aan hem zou toebehooren. Binnen een week had hij de door sneeuw bedolven vallenlijn van den doode weer duidelijk zichtbaar gemerkt en gebruikte die voor eigen jacht.Dit was tweehonderd mijlen ten noordwesten van den GrijzenFuut enCarvelmerkte al spoedig op, dat Baree niet recht naar het zuiden keek, in de oogenblikken, waarin de zonderlinge lokstem tot hem kwam, maar naar het zuidoosten. En nu, terwijl de zon iederen dag wat hooger rees, werd het al warmer in de lucht, de sneeuw werd weeker en de lente was in aantocht. Toen kwam het oude verlangen weer in Baree, het verlangen naar de eenzame graven, daarginds bij den Grijzen Fuut, naar het verlaten hutje in den omtrek van den poel—en naar Nepeese. In zijn slaap zag hij van dit alles visioenen. Hij hoorde weer haar zachte, lieve stem, voelde de aanraking van haar hand, was weer met haar aan het spelen tusschen de donkere schaduwen van het bosch—enCarvelzat naast hem en keek naar hem, terwijl hij de beteekenis trachtte te begrijpen van hetgeen hij zag en hoorde.In April brachtCarvelzijn verzameling pelswerk op zijn schouders naar den post van de Hudson-Baai Compagnie teLac la Biche, dat nog noordelijker lag. Baree ging tot halfweg met hem mee en toen—tegen zonsondergang—ging hij plotseling terug. Na een week keerdeCarvelnaar de hut terug en trof hem daar aan. Hij was zoo overvol van blijdschap, dat hij den kop van den hond in zijn armen nam en hem liefkoosde. Zij bleven in de hut wonen tot Mei. De knoppen begonnen toen te zwellen en de geur van groeiende planten steeg uit de aarde op.Carvelvond op zekeren dag de eerste vroege blauwe bloemen.Dien avond begon hij te pakken.„Het wordt onze tijd om verder te gaan reizen,” kondigde hij Baree aan. „En ik ben een beetje van plan veranderd. We gaan terug—dien kant uit.”En hij wees naar het zuiden.
Baree stond, stokstijf, alsof hij uit steen gehouwen was, toenCarvelde tent weer uitkwam en eenige oogenblikken bleefCarvelzwijgend naast hem staan en sloeg hem nauwlettend gade. Zou de hond antwoorden op de stem van den troep? Hoorde hij er bij? Zou hij weggaan—nu? De wolven kwamen nader. Zij trokken niet in kringen voort, zooals een kariboe of hert dat gedaan zou hebben, maar recht vooruit—zij kwamen in een rechte lijn op hun kamp af. De beteekenis van dit feit was voorCarvelduidelijk genoeg. Dien heelen middag door hadden Baree's pooten een reuk van bloed in zijn spoor nagelaten en de wolven hadden dit spoor ontdekt in het diepst van het bosch, waar de sneeuw het niet bedekt had.Carvelontstelde niet. Meerdan eens had hij in die vijf jaren zwervens tusschen de Noordpool en den Kop van het Land, dit spelletje met de wolven te spelen gekregen. Eens had hij bijna verloren, maar dat was op de vlakte geweest, in het Onvruchtbare Land. Vannacht had hij een vuur en voor het geval hij geen hout genoeg had om het brandende te houden, waren er nog altijd boomen, waarin hij klimmen kon. Zijn bezorgdheid gold op het oogenblik voornamelijk: Baree. Als de hond wegliep, zou hij weer alleen achterblijven. Daarom zeide hij, zijn stem zoo gewoon mogelijk houdend:
„Je gaat toch niet weg, zeg, ouwe jongen?”
Baree gaf geen blijken, hem verstaan te hebben. MaarCarvel, die hem nog steeds nauwkeurig bekeek, zag, dat het haar op zijn rug borstelig opstond en toen hoorde hij—langzaam zwellend in Baree's strot—een grommen, waaruit woeste haat sprak. Het was een dergelijk gegrom als datgene, dat den agent vanLac Bainachteruit had doen gaan enCarvel, den grendel van zijn geweer openend, om te zien of alles in orde was, grinnikte blij. Misschien hoorde Baree dit. Het kan zijn, dat hij er een beteekenis aan gaf, want hij draaide plotseling zijn kop om en keek zijn metgezel aan; zijn ooren lagen plat op zijn kop.
De wolven waren stil geworden.Carvelwist, wat dit beduidde en was op zijn hoede. In de stilte klikte de veiligheidsdop op zijn geweer met metaalachtige scherpte. Minutenlang hoorde hij niets dan het knapperen van het vuur. Plotseling schenen Baree's spieren te kraken. Hij sprong achteruit en bleef staan, gewend in de richting waarheenCarvel's rug gedraaid was; zijn kop ter hoogte van zijn schouders, zijn centimeterslange slagtanden glinsterden toen hij grauwde tegen de donkere spelonken van het bosch, juist achter den rand van het vuur.Carvelhad zich omgedraaid met de snelheid van een schot. Het was wel schrikaanjagend, wat hij te zien kreeg. Een paar oogen, brandend van groenachtig vuur, en toen nog een paar en daarna zooveel paren, dat hij ze niet had kunnen tellen. Hij hijgde naar adem. Zij geleken op kattenoogen, maar waren veel grooter. Sommige, door het licht van het vuur ten volle beschenen, waren rood als vurigekolen, andere vlamden blauw en groen op—levende voorwerpen, zonder bijbehoorend lichaam. Met een snellen blik keek hij den zwarten boschrand langs. Zij waren daar ook, maar op de plek waar hij ze het eerst gezien had, was hun aantal het grootst. In deze eerste oogenblikken was hij Baree vergeten en onder den indruk, aan verstomming grenzend, van deze monster-linie van oogen, den dood voorspellend, die hen omringde.
Er waren zeker vijftig, misschien wel honderd wolven daarginds, nergens bang voor, behalve voor vuur. Zij waren genaderd zonder het geringste geluid van zachtgezoolde pooten of knappende twijgen. Als zij later gekomen waren en zij in slaap geweest waren en het vuur gedoofd—
Hij huiverde en een oogenblik werkte dit denkbeeld op zijn zenuwen. Hij was niet van plan geweest te schieten, tenzij uit noodzaak, maar ineens was zijn geweer bij zijn schouder en zond hij een stroom van vuur op de plek waar de oogen het dichtst waren. Baree wist wat schieten beteekende en, bezeten door het razend verlangen, een van zijn vijanden naar de keel te springen, rende hij hun richting uit.Carvelgaf een schreeuw van schrik toen hij hem zag gaan. Hij zag Baree's lichaam vooruitschieten, zag het verdwijnen in de duisternis en hoorde op hetzelfde oogenblik het doodaanbrengend geklik van slagtanden en den schok van lijven op elkaar. Een wilde opwinding maakte zich van hem meester.
De hond had den aanval in zijn eentje gewaagd en de wolven hadden hem afgewacht. Er was slechts één afloop mogelijk. Zijn viervoetige kameraad was regelrecht in de kaken van den dood geloopen!
Hij kon het woedende dichtklappen van kaken hooren, daarginds in de duisternis. Het was griezelig. Zijn hand greep fluks de automatische revolver, die aan zijn gordel hing en wierp zijn afgeschoten geweer op de sneeuw. Met de groote revolver van 38 m.M. kaliber voor zijn oogen wierp hij zich de duisternis in en uit zijn mond kwam een geschreeuw, dat op een mijl afstands gehoord kon worden. Tegelijk met dit geschreeuw spatte eengestadige stroom van vuur te midden der vechtende dieren. Er zaten elf schoten op de revolver en niet voordat hij deze alle gebruikt had, hieldCarvelmet zijn geschreeuw op en trok zich weer terug in de bescherming van het vuur. Hij luisterde, diep ademend. Hij zag geen oogen meer in de duisternis en hoorde ook geen geluid meer van bewegende lijven. De onverwachtheid en woede van dezen aanval had de wolvenhorde op de vlucht gedreven. Maar de hond! Hij hield zijn adem in en keek zoo scherp mogelijk uit. Een schaduw sleepte zich in den lichtcirkel. Het was Baree.Carvelrende op hem toe, sloeg zijn armen onder de schouders om hem heen en bracht hem bij het vuur.
Een tijdlang was er een vragend licht inCarvel's oogen. Hij herlaadde geweer en revolver, deed nieuwe brandstof op het vuur en haalde uit zijn bagagepak een stuk linnen voor den dag, waarmee hij drie of vier van de ergste kwetsuren in Baree's pooten verbond. En telkens vroeg hij op een peinzende manier:
„Maar wat drommel, waarom deed je dat toch, ouwe jongen? Wat hebjijnu tegen de wolven?”
En dien nacht sliep hij in 't geheel niet, maar hield de wacht.
Hun ondervinding met de wolven verbrak het laatste restje onzekerheid, dat er tusschen man en hond bestaan kon hebben. Dagen er na, terwijl zij langzaam naar het noordwesten trokken, verpleegdeCarvelBaree, zooals hij het een ziek kind gedaan zou hebben. Ter wille van de kwetsuren van den hond, legden zij niet meer dan een paar mijlen per dag af. Baree begreep het en er groeide sterker en sterker een groote liefde in hem voor den man, wiens handen even zacht waren als die van de Wilg en wiens stem hem verwarmde met een onmetelijke vriendschap. Hij voelde geen vrees of achterdocht meer voor hem. EnCarvel, van zijn kant, deed waarnemingen. De uitgestrekte ledigheid van de wereld rondom hem gaf hem de gelegenheid, over onbelangrijke kleinigheden na te denken en iederen dag sloeg hij Baree nauwkeuriger gade. Hij deed ten slotte een ontdekking, die hem veel belang inboezemde. Altijd, wanneer zij stilstonden,bleef Baree naar het zuiden kijken; wanneer zij hun kamp opgeslagen hadden, snoof hij het veelvuldigst de lucht op uit het zuiden. Dit was heel natuurlijk, dachtCarvel, want zijn oude jachtterrein lag in die richting. Maar terwijl de dagen verstreken, begon hij nog andere dingen op te merken. Nu en dan jankte Baree zachtjes, kijkend in de richting vanwaar zij gekomen waren en zoo'n dag was hij vervuld met een groote onrust. Hij gaf er geen blijk van, dat hijCarvelwilde verlaten, maar meer en meer begonCarvelte begrijpen, dat de een of andere geheimzinnige aantrekkingskracht voor hem bestond, in het zuiden.
Het was het voornemen van den zwerver, af te slaan naar de streek van den Grooten Slaaf, een goede achthonderd mijlen naar het noordwesten, vóór de natte sneeuwval kwam. Daar vandaan—het water ontdooide er in de lente—wilde hij per kano naar het westen trekken, naar deMackenzieen ten slotte naar de bergen van Britsch-Columbia. Zijn plannen veranderden echter in Februari. Zij werden aan de plaats geboeid door een grooten sneeuwstorm in Wholdaia-Meerland en juist toen de fortuin hun het ongunstigst toescheen, kwamCarvelaan een hut, midden in het dichte sparrenbosch en in die hut lag een doode man. Hij was blijkbaar al verscheidene dagen dood en stijf bevroren.Carvelhakte een gat in de aarde en begroef hem.
Deze hut werd een schat voorCarvelen Baree, voornamelijk voor den man. Blijkbaar had zij geen anderen bewoner bezeten dan den man, die gestorven was; zij was vol gemakken en ruim van voorraad voorzien; en meer dan dat, haar eigenaar had een prachtigen buit aan pelterijen gemaakt, voor de vorst zijn longen aangreep en hij stierf.Carvelonderzocht het bont zorgvuldig en met groote blijdschap.
Het was wel duizend dollar waard op elken handelspost en hij zag niet in, waarom dit alles nu voortaan niet aan hem zou toebehooren. Binnen een week had hij de door sneeuw bedolven vallenlijn van den doode weer duidelijk zichtbaar gemerkt en gebruikte die voor eigen jacht.
Dit was tweehonderd mijlen ten noordwesten van den GrijzenFuut enCarvelmerkte al spoedig op, dat Baree niet recht naar het zuiden keek, in de oogenblikken, waarin de zonderlinge lokstem tot hem kwam, maar naar het zuidoosten. En nu, terwijl de zon iederen dag wat hooger rees, werd het al warmer in de lucht, de sneeuw werd weeker en de lente was in aantocht. Toen kwam het oude verlangen weer in Baree, het verlangen naar de eenzame graven, daarginds bij den Grijzen Fuut, naar het verlaten hutje in den omtrek van den poel—en naar Nepeese. In zijn slaap zag hij van dit alles visioenen. Hij hoorde weer haar zachte, lieve stem, voelde de aanraking van haar hand, was weer met haar aan het spelen tusschen de donkere schaduwen van het bosch—enCarvelzat naast hem en keek naar hem, terwijl hij de beteekenis trachtte te begrijpen van hetgeen hij zag en hoorde.
In April brachtCarvelzijn verzameling pelswerk op zijn schouders naar den post van de Hudson-Baai Compagnie teLac la Biche, dat nog noordelijker lag. Baree ging tot halfweg met hem mee en toen—tegen zonsondergang—ging hij plotseling terug. Na een week keerdeCarvelnaar de hut terug en trof hem daar aan. Hij was zoo overvol van blijdschap, dat hij den kop van den hond in zijn armen nam en hem liefkoosde. Zij bleven in de hut wonen tot Mei. De knoppen begonnen toen te zwellen en de geur van groeiende planten steeg uit de aarde op.
Carvelvond op zekeren dag de eerste vroege blauwe bloemen.
Dien avond begon hij te pakken.
„Het wordt onze tijd om verder te gaan reizen,” kondigde hij Baree aan. „En ik ben een beetje van plan veranderd. We gaan terug—dien kant uit.”
En hij wees naar het zuiden.
XXIX.Het einde van den zoektocht.Een vreemde gril had zich meester gemaakt vanCarvel, toen hij zijn reis naar het zuiden begon. Hij geloofde niet in voorteekens, goede noch kwade. Het bijgeloof had een kleine rol in zijn leven gespeeld, maar hij bezat nieuwsgierigheid en lust in het avontuurlijke en de jaren van eenzaam zwerven hadden hem een merkwaardig heldere visie gegeven in sommige gevallen, wat men een zeer werkzame verbeeldingskracht zou kunnen noemen. Hij wist, dat de een of andere onweerstaanbare kracht Baree naar het zuiden trok—dat hij erheen getrokken werd, niet alleen langs een zekere streek van het kompas, maar naar een bepaald punt ervan. Om geen reden in het bijzonder begon het geval hem meer en meer belang in te boezemen en daar zijn tijd waardeloos was en hij geen vaste bestemming voor oogen had, begon hij zijn proef te nemen.De eerstvolgende paar dagen gaf hij de leiding aan Baree over, en gedurende dien tijd registreerde hij de richting, die de hond nam, volgens het kompas. Zij gingen recht het zuidoosten in. Den derden morgen sloegCarvelmet opzet scherp af naar het westen. Hij merkte snel de verandering in Baree op—zijn onrust in den beginne en daarna de terneergeslagen houding, waarin hij hem op de hielen volgde. Tegen den middag veranderde hij zijn richting weer naar het zuidoosten en bijna oogenblikkelijk herkreeg Baree zijn oude opgewektheid en rende voor zijn meester uit.Daarna, dag in, dag uit, volgdeCarvelden hond.„Ik lijk eigenlijk wel gek, ouwe jongen,” verdedigde hij zich op zekeren avond. „Maar 't is toch nogal grappig—en ik moet in de buurt van de spoorlijn komen, voor ik de bergen over kan. Dus wat doet het er toe? Ik ben tot je beschikking—zoolang je me niet terugbrengt naar dien kerel vanLac Bain. Maar—watduivel! Wil je naar de vallenlijn om af te rekenen? Als dat zoo is—”.Hij blies een rookwolk uit zijn pijp, terwijl hij Baree aankeek en Baree, met zijn kop tusschen zijn voorpooten, keek hem eveneens aan.Een week later antwoordde Baree opCarvel's vraag door naar het westen af te slaan en daardoor een heel eind uit de buurt vanLac Bainte blijven. De middag was al half verstreken, toen zij het pad overstaken, waarlangsBush Mc Taggartzijn klemmen en vallen uitgezet had. Baree bleef zelfs geen oogenblik stil staan. Hij trok voortdurend naar het zuiden en wel zoo snel, datCarvelhem soms uit het gezicht verloor. Een onderdrukte maar hevige opwinding maakte zich van hem meester en hij begon te janken, zoodraCarvelmaar even stil bleef staan om te rusten—altijd de lucht opsnuivend in zuidelijke richting. Het voorjaar, de zoete geuren in de lucht brachten hem dat groote Gisteren weer terug, toen hij aan Nepeese behoord had. In zijn onberedeneerd brein bestond de winter niet meer. De lange maanden van koude en honger waren voorbij, waren vergeten, nu nieuwe droomen hem vervulden. De vogels en de bloemen en de blauwe luchten waren teruggekomen en tegelijk hiermee moest de Wilg stellig ook teruggekeerd zijn en zij zou op hem wachten, daarginds, vlak achter den zoom van dat groene bosch.Er begon zich iets vanCarvelmeester te maken, belangrijker dan eenvoudige nieuwsgierigheid. De gril van een oogenblik werd tot een vaste en diepere gedachte vervormd en wekte ten slotte een verwachting, die met onderdrukte opwinding vergezeld ging. Toen zij den ouden bevervijver bereikten, had het mysterie van dit zonderlinge avontuur ook vat op hem gekregen. Na Gebroken Tand's kolonie bezocht te hebben, leidde Baree hem naar de kreek, waarlangs Wakayoo, de groote zwarte beer, gevischt had en vandaar regelrecht naar den Grijzen Fuut.Het was in den vroegen namiddag en prachtig weer. Het was zoo stil rondom, dat het kabbelende water der lente, zingend in duizend beekjes en stroompjes, de bosschen vervulde met eengonzende muziek. In de warme zon gloeide bloedrood de bakneesh. Op de open plekken geurden blauwe bloemen. In de boomen en struiken bouwden de vogelpaartjes hun nestje. Na den langen winterslaap arbeidde de Natuur weer in al haar glorie. Het wasUnekepesim—paarmaand—en Baree ging naar huis terug. Enkel en alleen maar om Nepeese te vinden. Hij wist, dat zij daar nu was, misschien vlak aan den rand van den afgrond, waar hij haar het laatst gezien had. Zij zouden samen gaan spelen, zooals zij gisteren gespeeld hadden en eergisteren en vooreergisteren en in zijn blijdschap blafte hij naarCarvelop enzettehem aan tot grooter spoed. Toen kwamen zij aan de open plek en weer stond Baree zoo onbewegelijk als een rots.Carvelzag de verkoolde overblijfselen van de verbrande hut en even later de twee graven, onder de hooge sparren. Hij begon te begrijpen en zijn oogen gingen langzaam naar den hond, luisterend in afwachtende houding. Er zwol aandoening in zijn keel en na eenige oogenblikken zeide hij zacht en met moeite:„Jongen, ik geloof, dat je hier thuis bent.”Baree hoorde hem niet. Met opgeheven kop en zijn neus in de lucht stond hij te snuiven. Wat was er toch, dat hem zoo aandeed in de geuren van bosch en weide? Waarom beefde hij zoo, terwijl hij daar stond? Wat zat er dan in de lucht? Dit vroegCarvelzich af en zijn onderzoekende blik trachtte deze vragen te beantwoorden. Niets. Hier heerschte de dood—dood en verlatenheid, dat was al. En toen, geheel onverwacht, gaf Baree een schreeuw—bijna menschelijk in zijn uiting—en ging er vandoor als de wind.Carvelhad het pak van zijn schouders afgeworpen. Hij wierp er nu ook zijn geweer naast en volgde Baree. Hij rende. Recht over de open plek, tusschen de dwerg-balsemstruiken en over het pad, eens uitgesleten door de vele voetsporen, waar nu gras tierde. Hij rende tot hij naar adem hijgde en bleef toen stilstaan om te luisteren. Hij kon geen gerucht van Baree hooren. Maardat verwaarloosde pad liep door onder de boomen van het bosch en hij volgde het.Dicht bij den diepen, donkeren poel, waarin de Wilg en hij zich zoo dikwijls vermaakt hadden, was Baree blijven staan. Hij kon het kabbelen van het water hooren en zijn oogen schitterden, terwijl hij uitkeek naar Nepeese. Hij verwachtte haar daar te zien, haar slank, blank lichaam te zien glanzen in de schaduw van de overhangende sparretakken, of te zien blinken, wit als sneeuw, in de warme zonlichtplekken. Zijn oogen zochten haar op hun oude schuilplaatsen; de groote gespleten rots aan den overkant, de glooiende zandbank vanwaar zij als otters naar beneden plachten te duiken, de sparretakken, die zich voorover bogen tot zij het wateroppervlak raakten en waartusschen de Wilg haar naakt lichaam zoo gaarne placht te verstoppen, terwijl hij den poel afzocht om haar te ontdekken. En eindelijk drong het tot hem door, dat zij hier niet was, dat hij nog verder zou moeten gaan.Hij ging verder, naar het hutje toe. De kleine open plek, waar hun verborgen tepee stond, was overstroomd met zonneschijn, brekend door een open plek van het bosch. Het hutje was er nog. Het scheen voor Baree niet veel veranderd. En opstijgend van den grond, vlak vóór het hutje, zag hij, wat hij al flauwtjes geroken had in de stille lucht—den rook van een klein vuur. Er boog zich iemand over dit vuur en het kwam Baree heelemaal niet verwonderlijk of onverwacht voor, dat die iemand twee glanzende vlechten op haar rug droeg. Hij jankte en bij dit janken van hem scheen zij plotseling te verstijven en draaide zij zich langzaam om.Zelfs toen leek het hem de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij Nepeese bleek te zijn en niemand anders. Hij had haar pas gisteren verloren. Vandaag vond hij haar terug. En in antwoord op zijn gejank welde een snik regelrecht uit de ziel van de Wilg.Carvelvond hen daar, eenige minuten later; de Wilg had den kop van den hond tegen haar borst geklemd en schreide—schreideals een klein kind, haar gezicht afgewend van hem op Baree's nek. Hij stoorde hen niet, maar wachtte; en terwijl hij stond te wachten scheen een zeker iets in haar snikken en in de stilte van het bosch rondom hem een gedeelte der geschiedenis toe te fluisteren van de verbrande hut en de beide graven en de beteekenis van de Roepstem, die tot Baree gekomen was, uit het zuiden.
Een vreemde gril had zich meester gemaakt vanCarvel, toen hij zijn reis naar het zuiden begon. Hij geloofde niet in voorteekens, goede noch kwade. Het bijgeloof had een kleine rol in zijn leven gespeeld, maar hij bezat nieuwsgierigheid en lust in het avontuurlijke en de jaren van eenzaam zwerven hadden hem een merkwaardig heldere visie gegeven in sommige gevallen, wat men een zeer werkzame verbeeldingskracht zou kunnen noemen. Hij wist, dat de een of andere onweerstaanbare kracht Baree naar het zuiden trok—dat hij erheen getrokken werd, niet alleen langs een zekere streek van het kompas, maar naar een bepaald punt ervan. Om geen reden in het bijzonder begon het geval hem meer en meer belang in te boezemen en daar zijn tijd waardeloos was en hij geen vaste bestemming voor oogen had, begon hij zijn proef te nemen.
De eerstvolgende paar dagen gaf hij de leiding aan Baree over, en gedurende dien tijd registreerde hij de richting, die de hond nam, volgens het kompas. Zij gingen recht het zuidoosten in. Den derden morgen sloegCarvelmet opzet scherp af naar het westen. Hij merkte snel de verandering in Baree op—zijn onrust in den beginne en daarna de terneergeslagen houding, waarin hij hem op de hielen volgde. Tegen den middag veranderde hij zijn richting weer naar het zuidoosten en bijna oogenblikkelijk herkreeg Baree zijn oude opgewektheid en rende voor zijn meester uit.
Daarna, dag in, dag uit, volgdeCarvelden hond.
„Ik lijk eigenlijk wel gek, ouwe jongen,” verdedigde hij zich op zekeren avond. „Maar 't is toch nogal grappig—en ik moet in de buurt van de spoorlijn komen, voor ik de bergen over kan. Dus wat doet het er toe? Ik ben tot je beschikking—zoolang je me niet terugbrengt naar dien kerel vanLac Bain. Maar—watduivel! Wil je naar de vallenlijn om af te rekenen? Als dat zoo is—”.
Hij blies een rookwolk uit zijn pijp, terwijl hij Baree aankeek en Baree, met zijn kop tusschen zijn voorpooten, keek hem eveneens aan.
Een week later antwoordde Baree opCarvel's vraag door naar het westen af te slaan en daardoor een heel eind uit de buurt vanLac Bainte blijven. De middag was al half verstreken, toen zij het pad overstaken, waarlangsBush Mc Taggartzijn klemmen en vallen uitgezet had. Baree bleef zelfs geen oogenblik stil staan. Hij trok voortdurend naar het zuiden en wel zoo snel, datCarvelhem soms uit het gezicht verloor. Een onderdrukte maar hevige opwinding maakte zich van hem meester en hij begon te janken, zoodraCarvelmaar even stil bleef staan om te rusten—altijd de lucht opsnuivend in zuidelijke richting. Het voorjaar, de zoete geuren in de lucht brachten hem dat groote Gisteren weer terug, toen hij aan Nepeese behoord had. In zijn onberedeneerd brein bestond de winter niet meer. De lange maanden van koude en honger waren voorbij, waren vergeten, nu nieuwe droomen hem vervulden. De vogels en de bloemen en de blauwe luchten waren teruggekomen en tegelijk hiermee moest de Wilg stellig ook teruggekeerd zijn en zij zou op hem wachten, daarginds, vlak achter den zoom van dat groene bosch.
Er begon zich iets vanCarvelmeester te maken, belangrijker dan eenvoudige nieuwsgierigheid. De gril van een oogenblik werd tot een vaste en diepere gedachte vervormd en wekte ten slotte een verwachting, die met onderdrukte opwinding vergezeld ging. Toen zij den ouden bevervijver bereikten, had het mysterie van dit zonderlinge avontuur ook vat op hem gekregen. Na Gebroken Tand's kolonie bezocht te hebben, leidde Baree hem naar de kreek, waarlangs Wakayoo, de groote zwarte beer, gevischt had en vandaar regelrecht naar den Grijzen Fuut.
Het was in den vroegen namiddag en prachtig weer. Het was zoo stil rondom, dat het kabbelende water der lente, zingend in duizend beekjes en stroompjes, de bosschen vervulde met eengonzende muziek. In de warme zon gloeide bloedrood de bakneesh. Op de open plekken geurden blauwe bloemen. In de boomen en struiken bouwden de vogelpaartjes hun nestje. Na den langen winterslaap arbeidde de Natuur weer in al haar glorie. Het wasUnekepesim—paarmaand—en Baree ging naar huis terug. Enkel en alleen maar om Nepeese te vinden. Hij wist, dat zij daar nu was, misschien vlak aan den rand van den afgrond, waar hij haar het laatst gezien had. Zij zouden samen gaan spelen, zooals zij gisteren gespeeld hadden en eergisteren en vooreergisteren en in zijn blijdschap blafte hij naarCarvelop enzettehem aan tot grooter spoed. Toen kwamen zij aan de open plek en weer stond Baree zoo onbewegelijk als een rots.Carvelzag de verkoolde overblijfselen van de verbrande hut en even later de twee graven, onder de hooge sparren. Hij begon te begrijpen en zijn oogen gingen langzaam naar den hond, luisterend in afwachtende houding. Er zwol aandoening in zijn keel en na eenige oogenblikken zeide hij zacht en met moeite:
„Jongen, ik geloof, dat je hier thuis bent.”
Baree hoorde hem niet. Met opgeheven kop en zijn neus in de lucht stond hij te snuiven. Wat was er toch, dat hem zoo aandeed in de geuren van bosch en weide? Waarom beefde hij zoo, terwijl hij daar stond? Wat zat er dan in de lucht? Dit vroegCarvelzich af en zijn onderzoekende blik trachtte deze vragen te beantwoorden. Niets. Hier heerschte de dood—dood en verlatenheid, dat was al. En toen, geheel onverwacht, gaf Baree een schreeuw—bijna menschelijk in zijn uiting—en ging er vandoor als de wind.
Carvelhad het pak van zijn schouders afgeworpen. Hij wierp er nu ook zijn geweer naast en volgde Baree. Hij rende. Recht over de open plek, tusschen de dwerg-balsemstruiken en over het pad, eens uitgesleten door de vele voetsporen, waar nu gras tierde. Hij rende tot hij naar adem hijgde en bleef toen stilstaan om te luisteren. Hij kon geen gerucht van Baree hooren. Maardat verwaarloosde pad liep door onder de boomen van het bosch en hij volgde het.
Dicht bij den diepen, donkeren poel, waarin de Wilg en hij zich zoo dikwijls vermaakt hadden, was Baree blijven staan. Hij kon het kabbelen van het water hooren en zijn oogen schitterden, terwijl hij uitkeek naar Nepeese. Hij verwachtte haar daar te zien, haar slank, blank lichaam te zien glanzen in de schaduw van de overhangende sparretakken, of te zien blinken, wit als sneeuw, in de warme zonlichtplekken. Zijn oogen zochten haar op hun oude schuilplaatsen; de groote gespleten rots aan den overkant, de glooiende zandbank vanwaar zij als otters naar beneden plachten te duiken, de sparretakken, die zich voorover bogen tot zij het wateroppervlak raakten en waartusschen de Wilg haar naakt lichaam zoo gaarne placht te verstoppen, terwijl hij den poel afzocht om haar te ontdekken. En eindelijk drong het tot hem door, dat zij hier niet was, dat hij nog verder zou moeten gaan.
Hij ging verder, naar het hutje toe. De kleine open plek, waar hun verborgen tepee stond, was overstroomd met zonneschijn, brekend door een open plek van het bosch. Het hutje was er nog. Het scheen voor Baree niet veel veranderd. En opstijgend van den grond, vlak vóór het hutje, zag hij, wat hij al flauwtjes geroken had in de stille lucht—den rook van een klein vuur. Er boog zich iemand over dit vuur en het kwam Baree heelemaal niet verwonderlijk of onverwacht voor, dat die iemand twee glanzende vlechten op haar rug droeg. Hij jankte en bij dit janken van hem scheen zij plotseling te verstijven en draaide zij zich langzaam om.
Zelfs toen leek het hem de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij Nepeese bleek te zijn en niemand anders. Hij had haar pas gisteren verloren. Vandaag vond hij haar terug. En in antwoord op zijn gejank welde een snik regelrecht uit de ziel van de Wilg.
Carvelvond hen daar, eenige minuten later; de Wilg had den kop van den hond tegen haar borst geklemd en schreide—schreideals een klein kind, haar gezicht afgewend van hem op Baree's nek. Hij stoorde hen niet, maar wachtte; en terwijl hij stond te wachten scheen een zeker iets in haar snikken en in de stilte van het bosch rondom hem een gedeelte der geschiedenis toe te fluisteren van de verbrande hut en de beide graven en de beteekenis van de Roepstem, die tot Baree gekomen was, uit het zuiden.
XXX.De rekening wordt vereffend.Dien nacht brandde er een nieuw kampvuur op de open plek. Het was geen klein vuur, opgebouwd in de vrees dat anderen het zouden zien, maar een vuur, dat zijn vlammen hoog de lucht inzond. In den gloed er van stondCarvel. En zooals het vuur deze verandering had ondergaan van een kleine vlammenmassa, waarboven de Wilg haar middagmaal gekookt had, zoo was ookCarvel, de officieel dood verklaarde balling, veranderd. Hij droeg geen baard meer; hij had zijn kariboeleeren jas afgeworpen; zijn mouwen waren tot aan de ellebogen opgestroopt en er lag een gloed op zijn gelaat, een blos, die niet alleen aan de inwerking van weer en wind moest toegeschreven worden en een glans in zijn oogen, die er in vijf jaren niet in geweest was en misschien wel nooit tevoren. Zijn oogen waren op Nepeese gevestigd. Zij zat dicht bij het vuur, een weinig voorover leunend, haar prachtig haar glanzend in den gloed.Carvelbewoog zich niet, zoolang zij in deze houding bleef. Hij scheen nauwelijks te ademen. De glans in zijn oogen werd dieper—de vereering van een man voor een vrouw. Plotseling keerde Nepeese zich om en zag hem aan, voor hij den blik af kon wenden. In haar eigen oogen lag evenmin iets om te verbergen. Er sprak, gelijk uit haar gezicht, hoop en hernieuwde blijdschap uit.Carvelging naast haar zitten op den berkestam en nam een der dikke vlechten in zijn hand en liefkoosdedie onder het praten. Aan hun voeten lag Baree en keek naar hen.„Morgen of overmorgen ga ik terug naarLac Bain,” zeide hij, met een ondertoon van bitterheid in zijn stem van halve vereering. „En ik kom niet terug voor ik hem gedood heb.”De Wilg keek strak in het vuur. Een tijdlang werd de stilte alleen verbroken door het knapperen van de vlammen en in die stilte weefdenCarvel's vingers de zijden haarstrengen van de Wilg dooreen. Zijn gedachten gingen terug. Wat een prachtige kans was hij misgeloopen, dien dag opMc Taggart's vallenlijn—als hij het toen maar geweten had! Zijn kaken werden op elkander geklemd, toen hij, in het roodgloeiende hart van het vuur turend, zich de gebeurtenissen van den dag te binnen bracht, waarop de agent vanLac Bain Pierrotgedood had. Zij had hem de heele geschiedenis verteld. Haar vlucht. Haar sprong in het ijskoude water van den afgrond, waarin zij zoo zeker gedacht had, den dood te zullen vinden. Hoe zij zich, wonderbaarlijk genoeg, had weten te redden—en hoe zij gevonden was, bijna dood, door Tuboa, den tandeloozen ouden Cree, wienPierrotuit medelijden toegestaan had, in een gedeelte van zijn gebied te jagen.Hij voelde scherp de wanhoop en schrik van dit ééne uur, waarin de zon voorgoed was ondergegaan in de wereld van de Wilg, en in de vlammen kon hij den trouwen ouden Tuboa zien, die zijn laatste krachten had ingespannen om Nepeese te dragen, al die lange mijlen, die tusschen den afgrond en zijn hut lagen; hij zag de weken van honger en nijpende koude voor zich, die hierop gevolgd waren, waarin het leven van de Wilg aan een zijden draad gehangen had. En ten laatste, toen de sneeuw het hoogst lag, was Tuboa gestorven.Carvel's vingers klemden Nepeese's vlecht steviger. Een diepe zucht rees uit zijn borst en hij zeide, nog steeds in het vuur starend:„Ik ga morgen naarLac Bain.”Een oogenblik bleef Nepeese nog zwijgen. Zij keek eveneens in de vlammen. Toen zeide zij:„Tuboa was van plan, hem te dooden, zoodra de lente kwamen hij zou kunnen reizen. Toen Tuboa stierf wist ik, dat ik hem nu zelf zou moeten dooden. Daarom ben ik hier gekomen, met Tuboa's geweer. Het is opnieuw geladen, gisteren. En—M'sieuJeem.—Zij keek naar hem op, een glans van triomf in de oogen, terwijl zij er bij voegde, bijna fluisterend: „Je moet niet naarLac Baingaan.Ik heb een boodschapper gestuurd.””„Een boodschapper.”„Ja, Ookimow Jeem—een boodschapper. Twee dagen geleden. Ik heb laten weten, dat ik niet dood was, maar hier—en op hem wachtte—en dat ikiskwaowilde zijn, zijn vrouw. O—o—hij zal komen, Ookimow Jeem—zoo gauw hij kan. En je moet hem niet vermoorden.Non!” Zij glimlachte tegen hem enCarvel's hart klopte als met hamerslagen. „Het geweer is geladen,” zeide zij zacht. „Ikzal schieten.”„Twee dagen geleden,” zeideCarvel. „En vanLac Bainis het—”„Hij zal morgen hier zijn,” antwoordde Nepeese hem. „Morgen, als de zon ondergaat, zal hij de vlakte oversteken, daarginds. Ik weet het. Mijn bloed heeft het den heelen dag gezongen. Morgen—morgen—want hij zal zich haasten, Ookimow Jeem. Ja, hij zal spoedig komen.”Carvelhad het hoofd gebogen. De zachte vlechten tusschen zijn vingers werden aan zijn lippen gebracht. De Wilg, die weer in het vuur staarde, zag dit niet. Maar zijvoeldehet—en haar ziel fladderde, als door vogelwieken bewogen.„Ookimow Jeem,” fluisterde zij—het was een zuchtje, een beweging der lippen, zoo zacht, datCarvelgeen geluid hoorde.Als de oude Tuboa er dien nacht geweest was, had hij misschien vreemde waarschuwingen gehoord in den wind, die nu en dan in de boomtoppen fluisterde. Want het was zulk een nacht; een nacht, waarin de Roode Goden zacht onder elkander fluisteren, een carnaval van heerlijkheid, waarin zelfs de schaduwen en de hooge sterren schijnen te huiveren van leven in hun machtige taal. Het is heel waarschijnlijk, dat de oude Tuboa,met zijn negentig jaren achter zich, iets zou begrepen hebben, of ten minste vermoed, van hetgeenCarvelin zijn jeugd en goed vertrouwen niet zag. Morgen—hij zal morgen komen! De Wilg in haar blijdschap, had dit gezegd. Maar aan ouden Tuboa zouden de boomen toegefluisterd hebben,waarom niet vannacht?Het was middernacht toen de volle maan boven de open plek in het bosch stond. In het hutje sliep de Wilg. In de schaduw van balsemstruiken achter het vuur sliep Baree en nog verder weg, bij een sparrenboschje, lagCarvel. Hond en man waren vermoeid. Zij hadden dien dag veel en hard geloopen en geen geluid drong tot hen door.Maar zij hadden niet zooveel, noch zoo hard geloopen alsMc Taggart. Tusschen zonsopgang en middernacht had hij veertig mijlen afgelegd, toen hij de kleine vlakte naderde, waarPierrot's hutje gestaan had. Aan den zoom van het bosch had hij tweemaal geroepen en nu, daar hij geen antwoord kreeg, bleef hij stilstaan en luisterde, in het maanlicht. Nepeese had gezegd, hier op hem te zullen wachten. Hij was vermoeid, maar de uitputting vermocht niet het vuur te dooven, dat in zijn bloed brandde. Den heelen dag had het opgevlamd en nu—zoo dicht bij de verwezenlijking van zijn wensch en zijn triomf—golfde de oude hartstocht als bedwelmende wijn in zijn aderen. Op de een of andere plek, dicht in de buurt waar hij nu stond,wachtte Nepeese op hem. Opnieuw riep hij en zijn hart klopte van heftige verwachting terwijl hij luisterde. Er volgde geen antwoord. Hij hield een oogenblik den adem in. Hij snoof de lucht op—en flauwtjes kwam de rook van een vuur in zijn neusgaten.Met het instinkt van den man, die in de wildernis leeft, zocht hij de windrichting op. Hij riep niet meer, maar haastte zich de open plek over. Nepeese moest daarginds zijn—slapend naast haar vuur en een zachte kreet rees er bij hem op, vol blijdschap. Hij bereikte den zoom van het bosch; het toeval deed hem zijn schreden richten naar het begroeide pad, hij volgde het en de rooklucht drong sterker tot hem door.Het was weer het instinkt van den man der wildernis, dat hem behoedzaam deed naderen. Voorzichtig, in de doodsche stilte van den nacht. Er knapten geen takken onder zijn voeten. Hij werkte zich zoo handig door het struikgewas, dat geen geluid hem verraadde. Toen hij eindelijk de open plek bereikte, waarCarvel's vuur nog steeds een spiraal, naar sparren geurenden, rook de lucht inzond, deed hij dit zoo zacht sluipend, dat zelfs Baree er niet door gewekt werd. Misschien sluimerde er nog iets van den ouden achterdocht in hem; misschien deed hij het, omdat hij haar wilde naderen terwijl zij sliep. Het gezicht van het hutje deed zijn hart sneller kloppen. Het was bijna zoo licht als overdag, toen hij daar in het maanlicht stond en hij zag eenige vrouwenkleeren buiten hangen. Hij naderde, zachtvoetig als een vos en stond een oogenblik later aan den ingang der hut, met gebogen hoofd luisterend of hij ook maar het geringste geluidje op kon vangen. Hij kon haar ademhaling hooren. Even wendde hij zijn gelaat zóó, dat het door het maanlicht beschenen werd. Er blonk een vuur van razernij in zijn oogen. Toen, heel zacht, sloeg hij den voorhang bij de deur weg.Het kon geen gerucht geweest zijn, dat Baree wekte, zooals hij verborgen lag in de schaduw der struiken, een twaalftal passen van de deur der hut. Misschien was het de reuk. Zijn neusgaten bewogen zich eerst, toen ontwaakte hij. Een paar sekonden bleven zijn oogen rusten op de gebogen figuur aan den ingang der hut. Hij wist, dat hetCarvelniet was. De oude reuk—de reuk van hetmensch-beestvulde zijn neusgaten als een gehaat vergif. Hij sprong op en bleef staan, zijn vier pooten stevig geplant en zijn lippen langzaam wegtrekkend van zijn lange slagtanden.Mc Taggartwas verdwenen. Maar binnen in de hut klonk een geluid; een plotseling bewegen van lichamen; de verschrikte uitroep van iemand, die uit den slaap ontwaakte—en daarna een kreet, een half gesmoorde verschrikte kreet, en in antwoord hierop schoot Baree onder de balsemstruiken uit, met een geluid in zijn strot, dat den dood voorspelde.Aan den rand van het sparrenbosch roldeCarvelzich onrustig in zijn slaap heen en weer. Vreemde geluiden deden hem ontwaken, die in zijn oververmoeidheid tot hem kwamen als in een droom. Ten slotte ging hij overeind zitten en in plotselinge ontzetting sprong hij op en rende naar het huisje toe. Nepeese stond buiten en riep den naam, dien zij hem gegeven had—„Ookimow Jeem—Ookimow Jeem—Ookimow Jeem!” Zij stond daar, blank en tenger, haar oogen hadden den glans der sterren en toen zijCarvelzag, strekte zij de armen uit, nog steeds roepend:„Ookimow Jeem—O—o,—Ookimow Jeem—”In het hutje hoorde hij het razen van een dier en gekreun van een mensch. Hij vergat, dat hij pas den avond te voren gekomen was en met een kreet trok hij de Wilg aan zijn borst en de armen van de Wilg klemden zich om zijn hals, terwijl zij kreunde:„Ookimow Jeem—het is het mensch-beest, daarbinnen! Het mensch-beest vanLac Bain—en Baree—”De waarheid schoot doorCarvel's brein en hij nam Nepeese in zijn armen op en liep met haar buiten het gehoor van de geluiden, die afschuwelijk werden. In het sparrenboschje zette hij haar neer. Haar armen waren nog stijf om zijn hals geklemd; hij voelde de ontzetting rillen in haar lichaam, haar adem kwam snikkend en haar oogen hingen aan zijn gelaat, en plotseling drukte hij haar gelaat tegen het zijne en voelde een oogenblik haar warme lippen tegen de zijne. En hij hoorde haar fluisteren met zachte, trillende stem:„O—o,Ookimow Jeem—”ToenCarvelnaar de hut terugkeerde, alleen, met zijn revolver in de hand, stond Baree er voor en wachtte hem op.Carvelraapte een stuk brandend hout op en trad het hutje binnen. Toen hij weer buiten kwam, was zijn gezicht wit als een doek. Hij wierp het stuk hout in het vuur en ging naar Nepeese terug. Hij had haar in zijn dekens gewikkeld, en nu knielde hij naast haar neer en sloeg zijn armen om haar heen.„Hij is dood, Nepeese.”„Dood, Ookimow Jeem?”„Ja, Baree heeft hem gedood.”Hij voelde haar adem bijna niet meer gaan. Zachtjes, met zijn lippen in heur haar, fluisterdeCarvelhaar zijn plannen in voor hun toekomstig paradijs.„Niemand zal het weten, mijn lieveling. Vannacht zal ik hem begraven en het hutje verbranden. Morgen gaan wij naarNelson House, waar een zendeling is. En daarna—zullen wij terugkomen—en ik zal een nieuwe hut bouwen, op de plek waar de oude is afgebrand.Heb je me lief, Ka Sakahet?”„Oui—ja—Ookimow Jeem—ik heb je lief—”Plotseling werden zij gestoord. Baree slaakte eindelijk en ten laatste zijn triomfkreet. Die kreet rees naar de sterren; galmde over het bladerdak uit en den stillen nachthemel in—een wolfachtig gehuil van uitbundige blijdschap, van triomf, van wraak, die volbracht was. De echo er van stierf langzaam weg en er heerschte opnieuw stilte. Een groote vredigheid fluisterde in den zachten adem van de kruinen der boomen. In het noorden klonk de paringskreet van een fuut. De armen van de Wilg klemden zich vaster omCarvel's hals. EnCarveldankte God uit den grond van zijn hart.
Dien nacht brandde er een nieuw kampvuur op de open plek. Het was geen klein vuur, opgebouwd in de vrees dat anderen het zouden zien, maar een vuur, dat zijn vlammen hoog de lucht inzond. In den gloed er van stondCarvel. En zooals het vuur deze verandering had ondergaan van een kleine vlammenmassa, waarboven de Wilg haar middagmaal gekookt had, zoo was ookCarvel, de officieel dood verklaarde balling, veranderd. Hij droeg geen baard meer; hij had zijn kariboeleeren jas afgeworpen; zijn mouwen waren tot aan de ellebogen opgestroopt en er lag een gloed op zijn gelaat, een blos, die niet alleen aan de inwerking van weer en wind moest toegeschreven worden en een glans in zijn oogen, die er in vijf jaren niet in geweest was en misschien wel nooit tevoren. Zijn oogen waren op Nepeese gevestigd. Zij zat dicht bij het vuur, een weinig voorover leunend, haar prachtig haar glanzend in den gloed.Carvelbewoog zich niet, zoolang zij in deze houding bleef. Hij scheen nauwelijks te ademen. De glans in zijn oogen werd dieper—de vereering van een man voor een vrouw. Plotseling keerde Nepeese zich om en zag hem aan, voor hij den blik af kon wenden. In haar eigen oogen lag evenmin iets om te verbergen. Er sprak, gelijk uit haar gezicht, hoop en hernieuwde blijdschap uit.Carvelging naast haar zitten op den berkestam en nam een der dikke vlechten in zijn hand en liefkoosdedie onder het praten. Aan hun voeten lag Baree en keek naar hen.
„Morgen of overmorgen ga ik terug naarLac Bain,” zeide hij, met een ondertoon van bitterheid in zijn stem van halve vereering. „En ik kom niet terug voor ik hem gedood heb.”
De Wilg keek strak in het vuur. Een tijdlang werd de stilte alleen verbroken door het knapperen van de vlammen en in die stilte weefdenCarvel's vingers de zijden haarstrengen van de Wilg dooreen. Zijn gedachten gingen terug. Wat een prachtige kans was hij misgeloopen, dien dag opMc Taggart's vallenlijn—als hij het toen maar geweten had! Zijn kaken werden op elkander geklemd, toen hij, in het roodgloeiende hart van het vuur turend, zich de gebeurtenissen van den dag te binnen bracht, waarop de agent vanLac Bain Pierrotgedood had. Zij had hem de heele geschiedenis verteld. Haar vlucht. Haar sprong in het ijskoude water van den afgrond, waarin zij zoo zeker gedacht had, den dood te zullen vinden. Hoe zij zich, wonderbaarlijk genoeg, had weten te redden—en hoe zij gevonden was, bijna dood, door Tuboa, den tandeloozen ouden Cree, wienPierrotuit medelijden toegestaan had, in een gedeelte van zijn gebied te jagen.
Hij voelde scherp de wanhoop en schrik van dit ééne uur, waarin de zon voorgoed was ondergegaan in de wereld van de Wilg, en in de vlammen kon hij den trouwen ouden Tuboa zien, die zijn laatste krachten had ingespannen om Nepeese te dragen, al die lange mijlen, die tusschen den afgrond en zijn hut lagen; hij zag de weken van honger en nijpende koude voor zich, die hierop gevolgd waren, waarin het leven van de Wilg aan een zijden draad gehangen had. En ten laatste, toen de sneeuw het hoogst lag, was Tuboa gestorven.Carvel's vingers klemden Nepeese's vlecht steviger. Een diepe zucht rees uit zijn borst en hij zeide, nog steeds in het vuur starend:
„Ik ga morgen naarLac Bain.”
Een oogenblik bleef Nepeese nog zwijgen. Zij keek eveneens in de vlammen. Toen zeide zij:
„Tuboa was van plan, hem te dooden, zoodra de lente kwamen hij zou kunnen reizen. Toen Tuboa stierf wist ik, dat ik hem nu zelf zou moeten dooden. Daarom ben ik hier gekomen, met Tuboa's geweer. Het is opnieuw geladen, gisteren. En—M'sieuJeem.—Zij keek naar hem op, een glans van triomf in de oogen, terwijl zij er bij voegde, bijna fluisterend: „Je moet niet naarLac Baingaan.Ik heb een boodschapper gestuurd.””
„Een boodschapper.”
„Ja, Ookimow Jeem—een boodschapper. Twee dagen geleden. Ik heb laten weten, dat ik niet dood was, maar hier—en op hem wachtte—en dat ikiskwaowilde zijn, zijn vrouw. O—o—hij zal komen, Ookimow Jeem—zoo gauw hij kan. En je moet hem niet vermoorden.Non!” Zij glimlachte tegen hem enCarvel's hart klopte als met hamerslagen. „Het geweer is geladen,” zeide zij zacht. „Ikzal schieten.”
„Twee dagen geleden,” zeideCarvel. „En vanLac Bainis het—”
„Hij zal morgen hier zijn,” antwoordde Nepeese hem. „Morgen, als de zon ondergaat, zal hij de vlakte oversteken, daarginds. Ik weet het. Mijn bloed heeft het den heelen dag gezongen. Morgen—morgen—want hij zal zich haasten, Ookimow Jeem. Ja, hij zal spoedig komen.”
Carvelhad het hoofd gebogen. De zachte vlechten tusschen zijn vingers werden aan zijn lippen gebracht. De Wilg, die weer in het vuur staarde, zag dit niet. Maar zijvoeldehet—en haar ziel fladderde, als door vogelwieken bewogen.
„Ookimow Jeem,” fluisterde zij—het was een zuchtje, een beweging der lippen, zoo zacht, datCarvelgeen geluid hoorde.
Als de oude Tuboa er dien nacht geweest was, had hij misschien vreemde waarschuwingen gehoord in den wind, die nu en dan in de boomtoppen fluisterde. Want het was zulk een nacht; een nacht, waarin de Roode Goden zacht onder elkander fluisteren, een carnaval van heerlijkheid, waarin zelfs de schaduwen en de hooge sterren schijnen te huiveren van leven in hun machtige taal. Het is heel waarschijnlijk, dat de oude Tuboa,met zijn negentig jaren achter zich, iets zou begrepen hebben, of ten minste vermoed, van hetgeenCarvelin zijn jeugd en goed vertrouwen niet zag. Morgen—hij zal morgen komen! De Wilg in haar blijdschap, had dit gezegd. Maar aan ouden Tuboa zouden de boomen toegefluisterd hebben,waarom niet vannacht?
Het was middernacht toen de volle maan boven de open plek in het bosch stond. In het hutje sliep de Wilg. In de schaduw van balsemstruiken achter het vuur sliep Baree en nog verder weg, bij een sparrenboschje, lagCarvel. Hond en man waren vermoeid. Zij hadden dien dag veel en hard geloopen en geen geluid drong tot hen door.
Maar zij hadden niet zooveel, noch zoo hard geloopen alsMc Taggart. Tusschen zonsopgang en middernacht had hij veertig mijlen afgelegd, toen hij de kleine vlakte naderde, waarPierrot's hutje gestaan had. Aan den zoom van het bosch had hij tweemaal geroepen en nu, daar hij geen antwoord kreeg, bleef hij stilstaan en luisterde, in het maanlicht. Nepeese had gezegd, hier op hem te zullen wachten. Hij was vermoeid, maar de uitputting vermocht niet het vuur te dooven, dat in zijn bloed brandde. Den heelen dag had het opgevlamd en nu—zoo dicht bij de verwezenlijking van zijn wensch en zijn triomf—golfde de oude hartstocht als bedwelmende wijn in zijn aderen. Op de een of andere plek, dicht in de buurt waar hij nu stond,wachtte Nepeese op hem. Opnieuw riep hij en zijn hart klopte van heftige verwachting terwijl hij luisterde. Er volgde geen antwoord. Hij hield een oogenblik den adem in. Hij snoof de lucht op—en flauwtjes kwam de rook van een vuur in zijn neusgaten.
Met het instinkt van den man, die in de wildernis leeft, zocht hij de windrichting op. Hij riep niet meer, maar haastte zich de open plek over. Nepeese moest daarginds zijn—slapend naast haar vuur en een zachte kreet rees er bij hem op, vol blijdschap. Hij bereikte den zoom van het bosch; het toeval deed hem zijn schreden richten naar het begroeide pad, hij volgde het en de rooklucht drong sterker tot hem door.
Het was weer het instinkt van den man der wildernis, dat hem behoedzaam deed naderen. Voorzichtig, in de doodsche stilte van den nacht. Er knapten geen takken onder zijn voeten. Hij werkte zich zoo handig door het struikgewas, dat geen geluid hem verraadde. Toen hij eindelijk de open plek bereikte, waarCarvel's vuur nog steeds een spiraal, naar sparren geurenden, rook de lucht inzond, deed hij dit zoo zacht sluipend, dat zelfs Baree er niet door gewekt werd. Misschien sluimerde er nog iets van den ouden achterdocht in hem; misschien deed hij het, omdat hij haar wilde naderen terwijl zij sliep. Het gezicht van het hutje deed zijn hart sneller kloppen. Het was bijna zoo licht als overdag, toen hij daar in het maanlicht stond en hij zag eenige vrouwenkleeren buiten hangen. Hij naderde, zachtvoetig als een vos en stond een oogenblik later aan den ingang der hut, met gebogen hoofd luisterend of hij ook maar het geringste geluidje op kon vangen. Hij kon haar ademhaling hooren. Even wendde hij zijn gelaat zóó, dat het door het maanlicht beschenen werd. Er blonk een vuur van razernij in zijn oogen. Toen, heel zacht, sloeg hij den voorhang bij de deur weg.
Het kon geen gerucht geweest zijn, dat Baree wekte, zooals hij verborgen lag in de schaduw der struiken, een twaalftal passen van de deur der hut. Misschien was het de reuk. Zijn neusgaten bewogen zich eerst, toen ontwaakte hij. Een paar sekonden bleven zijn oogen rusten op de gebogen figuur aan den ingang der hut. Hij wist, dat hetCarvelniet was. De oude reuk—de reuk van hetmensch-beestvulde zijn neusgaten als een gehaat vergif. Hij sprong op en bleef staan, zijn vier pooten stevig geplant en zijn lippen langzaam wegtrekkend van zijn lange slagtanden.Mc Taggartwas verdwenen. Maar binnen in de hut klonk een geluid; een plotseling bewegen van lichamen; de verschrikte uitroep van iemand, die uit den slaap ontwaakte—en daarna een kreet, een half gesmoorde verschrikte kreet, en in antwoord hierop schoot Baree onder de balsemstruiken uit, met een geluid in zijn strot, dat den dood voorspelde.
Aan den rand van het sparrenbosch roldeCarvelzich onrustig in zijn slaap heen en weer. Vreemde geluiden deden hem ontwaken, die in zijn oververmoeidheid tot hem kwamen als in een droom. Ten slotte ging hij overeind zitten en in plotselinge ontzetting sprong hij op en rende naar het huisje toe. Nepeese stond buiten en riep den naam, dien zij hem gegeven had—„Ookimow Jeem—Ookimow Jeem—Ookimow Jeem!” Zij stond daar, blank en tenger, haar oogen hadden den glans der sterren en toen zijCarvelzag, strekte zij de armen uit, nog steeds roepend:
„Ookimow Jeem—O—o,—Ookimow Jeem—”
In het hutje hoorde hij het razen van een dier en gekreun van een mensch. Hij vergat, dat hij pas den avond te voren gekomen was en met een kreet trok hij de Wilg aan zijn borst en de armen van de Wilg klemden zich om zijn hals, terwijl zij kreunde:
„Ookimow Jeem—het is het mensch-beest, daarbinnen! Het mensch-beest vanLac Bain—en Baree—”
De waarheid schoot doorCarvel's brein en hij nam Nepeese in zijn armen op en liep met haar buiten het gehoor van de geluiden, die afschuwelijk werden. In het sparrenboschje zette hij haar neer. Haar armen waren nog stijf om zijn hals geklemd; hij voelde de ontzetting rillen in haar lichaam, haar adem kwam snikkend en haar oogen hingen aan zijn gelaat, en plotseling drukte hij haar gelaat tegen het zijne en voelde een oogenblik haar warme lippen tegen de zijne. En hij hoorde haar fluisteren met zachte, trillende stem:
„O—o,Ookimow Jeem—”
ToenCarvelnaar de hut terugkeerde, alleen, met zijn revolver in de hand, stond Baree er voor en wachtte hem op.Carvelraapte een stuk brandend hout op en trad het hutje binnen. Toen hij weer buiten kwam, was zijn gezicht wit als een doek. Hij wierp het stuk hout in het vuur en ging naar Nepeese terug. Hij had haar in zijn dekens gewikkeld, en nu knielde hij naast haar neer en sloeg zijn armen om haar heen.
„Hij is dood, Nepeese.”
„Dood, Ookimow Jeem?”
„Ja, Baree heeft hem gedood.”
Hij voelde haar adem bijna niet meer gaan. Zachtjes, met zijn lippen in heur haar, fluisterdeCarvelhaar zijn plannen in voor hun toekomstig paradijs.
„Niemand zal het weten, mijn lieveling. Vannacht zal ik hem begraven en het hutje verbranden. Morgen gaan wij naarNelson House, waar een zendeling is. En daarna—zullen wij terugkomen—en ik zal een nieuwe hut bouwen, op de plek waar de oude is afgebrand.Heb je me lief, Ka Sakahet?”
„Oui—ja—Ookimow Jeem—ik heb je lief—”
Plotseling werden zij gestoord. Baree slaakte eindelijk en ten laatste zijn triomfkreet. Die kreet rees naar de sterren; galmde over het bladerdak uit en den stillen nachthemel in—een wolfachtig gehuil van uitbundige blijdschap, van triomf, van wraak, die volbracht was. De echo er van stierf langzaam weg en er heerschte opnieuw stilte. Een groote vredigheid fluisterde in den zachten adem van de kruinen der boomen. In het noorden klonk de paringskreet van een fuut. De armen van de Wilg klemden zich vaster omCarvel's hals. EnCarveldankte God uit den grond van zijn hart.
Opmerkingen van de bewerkerAfgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.Variaties in spelling (met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 2[Niet in Bron.][Inhoudsopgave toegevoegd.]Blz. 9deeddedenBlz. 9konijneboutkonijnebontBlz. 47[Niet in Bron.]”Blz. 48[Niet in Bron.]”Blz. 50.,Blz. 57[Niet in Bron.].Blz. 63vedweenverdweenBlz. 75zijzijnBlz. 79onredeijkonredelijkBlz. 79hemellhemelBlz. 81[Niet in Bron.]„Blz. 83[Niet in Bron.].Blz. 88[Niet in Bron.]„Blz. 104Mc.McBlz. 104Mc.McBlz. 107[Niet in Bron.]„Blz. 125.,Blz. 148Pierrots'Pierrot'sBlz. 158[Niet in Bron.].Blz. 163geschiednisgeschiedenisBlz. 167[Niet in Bron.]”Blz. 170Mc.McBlz. 191zetezetteBlz. 195[Niet in Bron.]”
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.
Variaties in spelling (met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: