IV.

[Inhoud]IV.DE MANADA.Het was een heerlijke nacht, de diepblaauwe hemel was met tallooze sterren bezaaid, die haar zacht en geheimzinnig schijnsel over het aardrijk uitspreidden.In de stilte der woestijn fluisterden geheimzinnige stemmen vol zoete melodie en bezielend leven; een zachte schemerglans[29]drong hier en daar door het lommer of huppelde als dwaallichtjes over het fijne en spichtige gras; op den tegenover liggenden oever der rivier verhieven zich eenige oude eiken, wier knoestige zwaar-bemoste stammen hunne magtige reuzenarmen opstaken als spoken in de duisternis, terwijl de nachtwind speelde met de woekerplanten die zich wortelden in hunne schors en met de welige lianenranken die om de halfverdorde takken slingerden; duizend onbestemde geluiden ritselden door het luchtruim; stemmen kwamen op uit de onzigtbare diepten der wouden; het half gesmoorde zuchten der middernachtskoelte suisde door de bladeren, het eentoonig gemurmel der kabbelende rivier bruischte over de keijen aan het oeverzand; in een woord, hier hoorde men dat geheimzinnig en onverklaarbaar geruisch, de scheppende adem der Almagt, de volle levensstroom, die uit God gevloeid, de statige eenzaamheid der Amerikaanschesavannenzoo indrukwekkend maakt.De jager voelde zich door dezen magtigen invloed der ongerepte natuur onwillekeurig overstelpen en wegslepen, hij werd er als ingedompeld, en dronk met volle teugen door alle aderen en poriën, den verkwikkenden stroom der nieuwe levenskracht; zijn gansche aanzijn smolt als zamen en vereenzelvigde zich met het verheven tooneel, waarvan hij de stomme getuige was en zelf deel uitmaakte; een zachte weemoed overmeesterde hem en van lieverlede zonk hij weg in ernstig zoete droomen; hier, zoo verre verwijderd van de menschelijke beschaving en de woelige maatschappij met hare bekrompen toestanden, gevoelde hij zich naderbij God en nam zijn eenvoudig geloof toe met de bewondering van de half onthulde geheimen der onbegrensde natuur die hij, om zoo te zeggen, als op de daad betrapte en in hare diepste schuilhoeken bespiedde.Inderdaad verruimt zich het hart, wordt de ziel grooter en breiden de denkbeelden zich uit in den omgang met dat zwervend nomadenleven, dat ons met elke minuut nieuwe wonderen en verrassingen aanbiedt en waar de mensch bij iederen voetstap den stempel van Gods scheppende hand op de woeste tooneelen der hem omringende wildernis onuitwischbaar ziet afgedrukt.Zelfs de gevaren en ontberingen, aan het zwervend nomadenleven onafscheidelijk verbonden, bezitten voor hen die ze eenmaal genoten eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, daar men later nog altijd om treurt en reikhalzend naar terug wenscht; want het is alleen in de woestijn dat de mensch zijn leven ten volle gevoelt en de maat zijner verholen krachten hem tot hare uiterste grenzen duidelijk kenbaar wordt.[30]Zoo snelden de uren voor den jager ongemerkt voorbij, zonder dat de slaap zijne oogleden sloot; de frissche morgenkoelte ruischte reeds door de hoogste toppen der boomen en deed de stille oppervlakte der rivier rimpelen, in wier zilveren wateren de schaduw der verbrokkelde oevers zich donker afspiegelde; aan den uitersten horizont verkondigde een smalle roode streep de naderende opkomst der zon; de nachtuil, onder het digte loof verscholen, had zich reeds tweemaal laten hooren en den aanbrekenden dag met zijn zwaarmoedig gehuil begroet; het was omtrent vier uren des morgens.Tranquille verliet den rustieken zetel waar hij tot op dat oogenblik volkomen onbewegelijk was blijven zitten; hij rekte zich uit als wilde hij de vadsigheid afschudden die hem overmeesterd had, en stapte eenige keeren heen en weder op het vochtige strand om den bloedsomloop in zijne stramme leden te herstellen.Als iemand, wij willen niet zeggen pas ontwaakt, want de goede Canadees had gedurende deze lange nachtwaak geen oogenblik geslapen, maar als hij de loomheid uitschudt, waarin de langdurige stilte, de duisternis en vooral de doordringende ochtendkoelte hem gedompeld hadden, dan duurt het eenige minuten eer het hem gelukt al zijne zinnen terug te bekomen en het evenwigt in zijn denkvermogen te herstellen; dit was ook met den jager het geval; intusschen, sedert jaren aan het leven der woestijn gewoon, had hij hiertoe minder tijd noodig dan een ander, en weldra vond hij zich weder in het bezit van zijn volle verstand, even krachtig, even helder van blik en scherp van gehoor als den avond te voren. Hij was gereed om zijn kameraad te wekken, die nog altoos sliep, dien gerusten en verkwikkenden slaap, welke op aarde slechts ten deel valt aan kinderen, of aan menschen wier geweten door geen booze gedachten of pijnigende zorgen bewaard is, toen hij op eens plotseling staan bleef en onrustig de ooren spitste.Uit de verste diepte der wouden die het kamp achter hem als met een digt gordijn hield afgesloten, hoorde de Canadees een onbegrijpelijk geluid opkomen, dat van oogenblik tot oogenblik sterker werd en weldra bij niets anders te vergelijken was dan bij het rollen van verre donderslagen.Dit geluid naderde al meer en meer; het waren korte dof dreunende schokken, gepaard met het kraken en kletteren van takken en boomstammen, en een dof loeijend gebulk, dat evenmin naar het gebrul van tijgers of leeuwen als naar iets menschelijks geleek, kortom een geluid daar hij geen naam voor wist: onbeschrijfelijk,[31]vreeselijk, en onheilspellend, dat onder het luisteren reeds merkbaar genaderd was, en door het bosch weergalmde als het diep en breed gebulder van een aanrollenden watervloed.Quoniam, door dit vreemdsoortig gedruisch plotseling ontwaakt, stond reeds overeind met het geweer in de hand, en de oogen op den jager gerigt, gereed om op het eerste teeken te handelen, zonder nogtans te weten wat hij deed of wat er omging, daar zijn geest, nog half door den slaap bedwelmd, ten prooi was aan dieinstinctmatigevrees, die ook den stoutsten mensch bevangt wanneer hij zich eensklaps door een onbekend gevaar bedreigd ziet.Zoo verliepen er eenige minuten.„Wat zullen wij doen?” mompelde Tranquille blijkbaar verlegen, terwijl zijn blik te vergeefs in het bosch poogde door te dringen om te ontdekken wat er omging.Op eens klonk er op korten afstand een doordringend gefluit.„Ha!” riep Tranquille met eene vrolijke beweging terwijl hij schielijk het hoofd ophief, „nu zal ik spoedig weten wat er van de zaak is.”Hij bragt de vingers aan de mond en bootste op eene bedriegelijke wijs het geschreeuw van den reiger na; bijna op hetzelfde oogenblik kwam er uit het bosch een man te voorschijn, en met twee sprongen als een tijger stond hij reeds naast den jager.„Ooah!”schreeuwde hij, „wat doet mijn broeder langer hier?”Deze man was het Zwarte-Hert.„Ik heb u hier gewacht, hoofdman,” antwoordde de Canadees.De Roodhuid was een man van zes- of zevenentwintig jaar, van middelbare lengte, maar krachtig en schoon gebouwd. Hij droeg het groote oorlogskostuum van zijn volk en was beschilderd en gewapend als voor een veldtogt; zijne trekken waren regelmatig, verstandig en vol majesteit, terwijl zijn openhartig gelaat evenveel dapperheid als goedheid teekende.Op dit oogenblik scheen hij aan eene geweldige ontroering ten prooi, die des te ongewoner moest voorkomen, daar de Roodhuiden er hunne eer in stellen om zich door niets, hoe verschrikkelijk ook, te laten ontzetten. Zijne oogen staarden bliksemend rond, zijne woorden waren kort en afgebroken en zijne stem had een schellen metaalklank.„Gaauw! haast u! haast u!” riep hij, „Wij hebben reeds te veel tijd verloren.”„Wat is er dan?” vroeg Tranquille.„De bisons komen!” antwoordde het opperhoofd.[32]„O wee!” riep de jager met schrik.Nu begreep hij het; dat geluid, dat hij reeds een poos gehoord had, werd door eenmanada(troep) bisons veroorzaakt, die uit het oosten kwamen opzetten en zich waarschijnlijk naar de hoogeprairiënin het westen begaven.Wat de jager zoo spoedig geraden had, vereischt voor onze lezers eenige nadere opheldering om hen te doen begrijpen aan welk vreesselijk gevaar onze personaadjen zich plotseling zagen blootgesteld.Manada, noemt men in de oude bezittingen der Spanjaarden eene verzameling van eenige duizenden wilde dieren, hetzij paarden, bisons, wolven enz.; de bisons, op hunne jaarlijksche uittogten gedurende denbronsttijd, vereenigen zich soms in manada’s van vijftien tot twintig duizend koppen, die in een digten troep gezamentlijk voorttrekken; deze dieren gaan steeds regtuit, in digt gesloten gelederen, alles omver loopende en door alles heenbrekende wat hun in den weg staat; wee den vermetele! die het wagen dorst hen tegen te houden of hun woedenden loop een andere rigting te willen geven, hij zou als een stroohalm verpletterd worden onder de hoeven dezer onbesuisde dieren, die alles onder den voet loopen zonder er naar om te zien of er zelf iets van op te merken.De toestand van onze drie vrienden was dus zeer kritiek, want zij bevonden zich juist voor het front der manada, die hen naderde met de snelheid van een spoortrein.Iedere uitkomst scheen onmogelijk, aan vlugten was niet te denken, en wederstand bieden was nog onmogelijker. Het gedruisch naderde met schrikbarende snelheid; reeds kon men in de verte het loeijen der wilde bisons duidelijk onderscheiden van het keffen der roode wolven en het huilen der jaguars, die aan de beide flanken der manada liepen om op de achterblijvenden jagt te maken of op enkelen die onvoorziens links of regts afzwierven.Nog eenige minuten en het was gedaan met hen; de ontzettende legerdrom scheen op zijn doortogt alles schoon te vegen, met de ijzingwekkende dommekracht van een vallenden berg dien niets kan wederstaan. Wij zeggen nog eens, de toestand der beide mannen was hagchelijk. Het Zwarte-Hert was dien morgen op reis gegaan naar het oord dat hij den Canadeeschen jager zelf had aangewezen. Naauwelijks drie mijlen meer van de plek verwijderd waar hij zijn vriend dacht te ontmoeten, hoorde zijn geoefend oor voor de eerste maal op verren afstand het gedruisch van het naderende bisonsleger. Vijf minuten waren toereikend om de rigting[33]van hun woedenden loop te berekenen en het gevaar te begrijpen dat den jager bedreigde. Met al de snelheid van beraad die de Roodhuiden in dergelijke gevallen kenschetst, had hij besloten hem te gaan waarschuwen, en hem te redden of met hem om te komen. Nu ijlde hij voorwaarts, in bedwelmende vaart, en doorliep in ongelooflijk korten tijd den afstand die hem van het kamp zijns vriends verwijderde; slechts eene gedachte bezielde hem, namelijk om de manada zooveel vooruit te komen dat hij den jager kon redden; maar helaas! hoe snel hij ook loopen mogt, en de Indianen zijn wegens hunne fabuleuse vlugheid vermaard, kon hij toch het bepaalde punt niet tijdig genoeg bereiken om zijn vriend in veiligheid te stellen.Toen dus het opperhoofd, na den jager gewaarschuwd te hebben, de nutteloosheid van zijne pogingen had ingezien, greep er bij hem eene plotselinge verandering plaats, zijne trekken, zoo even nog door bezorgdheid opgewonden, hernamen hunne gewone kalmte en gestrengheid, een weemoedige glimlach speelde om zijne fiere lippen, hij vlijde zich op den grond neder en prevelde met eene sombere stem:„De Wacondah heeft het niet gewild!”Tranquille was echter niet gezind om zijn toestand met dezelfde noodlottige gelatenheid te aanvaarden; de jager behoorde tot dat krachtvolle, werkdadige menschenras, wier onverzettelijk karakter zich nimmer laat neerslaan en die strijden zullen tot hun laatsten ademtogt.Toen hij zag dat de Roodhuid met het blinde noodlotsgeloof dat zijn geslacht eigen is, het had opgegeven, besloot hij eenelaatstepoging te wagen, al zou hij ook het onmogelijke beproeven.Op twintig passen afstand van de plaats waar de jager zijn kamp had opgeslagen, lagen een aantal eikenstammen, van ouderdom gestorven of door vroegere stormen omvergewaaid en over elkander geworpen; een weinig achter dit natuurlijk bolwerk, stond een boschje van vijf of zes eikenboomen, afzonderlijk, en vormde een soort van oasis te midden van het overigens vrij kale rivierstrand.„Geef acht! Quoniam,” riep de jager, „verzamel zooveel dood hout als gij vinden kunt en breng het hier, en gij hoofdman, doe desgelijks.”De twee mannen gehoorzaamden oogenblikkelijk, zonder te begrijpen waarom, maar volkomen gerust door de koelbloedigheid van hun medgezel, en binnen weinige minuten lag er een aanzienlijke[34]hoop droog hout tegen en boven de omgeworpen eikenstammen opgetast.„Goed!” riep de jager, „God helpe ons! alles is nog niet verloren, schep moed!”Thans de overblijfsels van het kampvuur, dat hij gedurende den nacht gebrand had om de koude af te weren, naar den houtstapel overbrengende, stookte hij het vuur aan, voedde het gedurig met dorre takken en harsachtige stoffen, en binnen vijf minuten steeg er eene dikke vuurzuil ten hemel, die snel toenam en weldra een gordijn vormde van meer dan tien meters lengte en breedte.„Terug! terug! mannen!” schreeuwde de jager, „volgt mij.”Het Zwarte-Hert en Quoniam liepen hem na.De Canadees ging echter niet ver; toen hij het straks door ons genoemde boschje bereikt had, klauterde hij in den eersten boom den besten met eene vlugheid en vaardigheid zonder weerga, en werd oogenblikkelijk door zijne kameraden gevolgd, zoodat zij weldra vijftig voeten hoog boven den grond, elk op een stevigen tak in veiligheid zaten en geheel achter de bladeren verscholen waren.„Ziedaar!” riep de Canadees met de meest koelzinnige bedaardheid, „dit is onze laatstetoevlugt, zoodra de manada verschijnt, schieten wij op de voorposten; als bovendien de gloed der vlammen de bisons afschrikt zijn wij behouden, zoo niet, dan hebben wij slechts te sterven. Maar wij kunnen nu ten minste zeggen dat wij al het mogelijke gedaan hebben om ons leven te redden.”Het vuur door den jager ontstoken, was inmiddels zeer in omvang toegenomen; het had zich reeds buiten den houtstapel uitgebreid en al de struiken en kreupelbosschen in vlam gezet, en ofschoon het hooge bosch te ver af lag om vuur te vatten, vormde zich weldra een gordijn van vlammen van bijna een kwartmijl in ’t rond, wier roode gloed den morgendamp kleurde, en aan het nog half schemerend landschap een treffenden indruk van woeste grootschheid verleende. Uit den boom waar de vlugtelingen gezeten waren hadden zij het volle gezigt op deze zee van vlammen, die hen gelukkig niet kon bereiken, terwijl zij tevens den geheelen omtrek konden overzien.Op eens deed zich een vreesselijk gekraak hooren en verscheen de voorhoede der manada aan den uitersten rand van het bosch.„Geef acht!” riep de jager zijn geweer aanleggende.De bisons, verschrikt door den onverwachten vuurdamp dien zij op eens voor zich hadden, en verblind door den laaijen gloed zoowel[35]als gezengd door de geweldige hitte, bleven een oogenblik staan, als wilden zij zich beraden, maar stoven toen weder voorwaarts in blinde woede en loeijende van gramschap.Er knalden drie geweerschoten.De drie voorste bisons vielen en rolden over den grond in hunne laatste doodstuipen.„Het baat ons niet,” riep de Canadees koelbloedig, „wij zijn verloren.”De bisons rukten steeds voort.Spoedig echter werd hun de hitte ondragelijk; de rook, door den wind juist in de rigting der manada gevoerd; maakte hen blind; er kwam een oogenblik van stilstand, dat weldra door eene achterwaartsche beweging werd gevolgd.De jagers zaten met hijgende borst en gespannen blikken te staren naar de bijzonderheden van dit ontzettend tooneel. Het was voor hen eene vraag van leven of dood, een enkel oogenblik kon het beslissen, hun leven hing als aan een zijden draad.Intusschen drong de manada nog altijd voorwaarts.De voorste bisons, die den troep aanvoerden, konden den schok der volgenden niet weerstaan; zij werden omgeworpen en vertrapt door degenen die achter hen kwamen; maar dezen, op hunne beurt door de hitte verschrikt, wilden almede terugkeeren; in dezen uitersten nood begonnen eenige bisons links en regts af te zwerven; dit was voldoende; zij werden door meer anderen gevolgd, en nu ontstonden er twee stroomen, de eene regts en de andere links van het vuur, zoodat de manada in tweeën verdeeld, als een hooggezwollen vloed die zijne dijken en dammen verbreekt, andermaal in dolle vaart voortstuwde, om zich aan den oever der rivier te vereenigen en in een gesloten kolom naar den overkant te trekken.Het was een ontzettend schouwspel, deze verschrikte manada te zien vlugten, onder vreeselijk geloei en in de grootste verwarring, door verscheurende dieren vervolgd en met het brandende pijnbosch in hun midden, als een onheilspellende vuurbaak die hun pad moest verlichten.De voorste bisons gingen reeds te water, anderen volgden, en de gansche manada begon de rivier in een regte lijn over te zwemmen; weldra zag men de lange donkere massa tegen den anderen oever opklauteren en zich als een reuzenslang over de prairie verspreiden, waar de voorste gelederen spoedig achter het geboomte verdwenen.[36]De drie vlugtelingen waren gered, dank zij de tegenwoordigheid van geest en de koelbloedigheid van den Canadees; evenwel moesten zij nog twee uren zitten wachten en zich tusschen de takken schuilhouden eer de gansche manada, die uit vele duizenden bestond, de rivier was overgetrokken.De bisons vervolgden hun koers ter regter- en linkerzijde van het vuur, dat eindelijk bij gebrek aan brandstof begon uit te gaan, maar de rigting was nu eenmaal gegeven en zoodra zij aan den uitgedoofden vuurhaard kwamen, die thans niets meer was dan een aschhoop, scheidde de manada zich in twee kolonnen en stormde ongehinderd voort tot aan de rivier. Eindelijk verscheen de achterhoede, vergezeld en geteisterd door jaguars en wolven, die aan de beide flanken rondsprongen of de manada van achteren bestookten en insloten; en weldra was alles voorbij.De woestijn, welker stilte voor een poos gestoord was geworden, keerde tot hare gewone kalmte terug, alleen bleef er een breed spoor over, midden door het bosch getrokken en met verpletterde boomen bezaaid, als eenig maar ontzettend bewijs welk eene woeste en ongeregelde troep er was doorgegaan.De jagers haalden weder vrij adem; thans konden zij zonder gevaar uit hun luchtkasteel afklimmen en veilig op den grond nederdalen.

[Inhoud]IV.DE MANADA.Het was een heerlijke nacht, de diepblaauwe hemel was met tallooze sterren bezaaid, die haar zacht en geheimzinnig schijnsel over het aardrijk uitspreidden.In de stilte der woestijn fluisterden geheimzinnige stemmen vol zoete melodie en bezielend leven; een zachte schemerglans[29]drong hier en daar door het lommer of huppelde als dwaallichtjes over het fijne en spichtige gras; op den tegenover liggenden oever der rivier verhieven zich eenige oude eiken, wier knoestige zwaar-bemoste stammen hunne magtige reuzenarmen opstaken als spoken in de duisternis, terwijl de nachtwind speelde met de woekerplanten die zich wortelden in hunne schors en met de welige lianenranken die om de halfverdorde takken slingerden; duizend onbestemde geluiden ritselden door het luchtruim; stemmen kwamen op uit de onzigtbare diepten der wouden; het half gesmoorde zuchten der middernachtskoelte suisde door de bladeren, het eentoonig gemurmel der kabbelende rivier bruischte over de keijen aan het oeverzand; in een woord, hier hoorde men dat geheimzinnig en onverklaarbaar geruisch, de scheppende adem der Almagt, de volle levensstroom, die uit God gevloeid, de statige eenzaamheid der Amerikaanschesavannenzoo indrukwekkend maakt.De jager voelde zich door dezen magtigen invloed der ongerepte natuur onwillekeurig overstelpen en wegslepen, hij werd er als ingedompeld, en dronk met volle teugen door alle aderen en poriën, den verkwikkenden stroom der nieuwe levenskracht; zijn gansche aanzijn smolt als zamen en vereenzelvigde zich met het verheven tooneel, waarvan hij de stomme getuige was en zelf deel uitmaakte; een zachte weemoed overmeesterde hem en van lieverlede zonk hij weg in ernstig zoete droomen; hier, zoo verre verwijderd van de menschelijke beschaving en de woelige maatschappij met hare bekrompen toestanden, gevoelde hij zich naderbij God en nam zijn eenvoudig geloof toe met de bewondering van de half onthulde geheimen der onbegrensde natuur die hij, om zoo te zeggen, als op de daad betrapte en in hare diepste schuilhoeken bespiedde.Inderdaad verruimt zich het hart, wordt de ziel grooter en breiden de denkbeelden zich uit in den omgang met dat zwervend nomadenleven, dat ons met elke minuut nieuwe wonderen en verrassingen aanbiedt en waar de mensch bij iederen voetstap den stempel van Gods scheppende hand op de woeste tooneelen der hem omringende wildernis onuitwischbaar ziet afgedrukt.Zelfs de gevaren en ontberingen, aan het zwervend nomadenleven onafscheidelijk verbonden, bezitten voor hen die ze eenmaal genoten eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, daar men later nog altijd om treurt en reikhalzend naar terug wenscht; want het is alleen in de woestijn dat de mensch zijn leven ten volle gevoelt en de maat zijner verholen krachten hem tot hare uiterste grenzen duidelijk kenbaar wordt.[30]Zoo snelden de uren voor den jager ongemerkt voorbij, zonder dat de slaap zijne oogleden sloot; de frissche morgenkoelte ruischte reeds door de hoogste toppen der boomen en deed de stille oppervlakte der rivier rimpelen, in wier zilveren wateren de schaduw der verbrokkelde oevers zich donker afspiegelde; aan den uitersten horizont verkondigde een smalle roode streep de naderende opkomst der zon; de nachtuil, onder het digte loof verscholen, had zich reeds tweemaal laten hooren en den aanbrekenden dag met zijn zwaarmoedig gehuil begroet; het was omtrent vier uren des morgens.Tranquille verliet den rustieken zetel waar hij tot op dat oogenblik volkomen onbewegelijk was blijven zitten; hij rekte zich uit als wilde hij de vadsigheid afschudden die hem overmeesterd had, en stapte eenige keeren heen en weder op het vochtige strand om den bloedsomloop in zijne stramme leden te herstellen.Als iemand, wij willen niet zeggen pas ontwaakt, want de goede Canadees had gedurende deze lange nachtwaak geen oogenblik geslapen, maar als hij de loomheid uitschudt, waarin de langdurige stilte, de duisternis en vooral de doordringende ochtendkoelte hem gedompeld hadden, dan duurt het eenige minuten eer het hem gelukt al zijne zinnen terug te bekomen en het evenwigt in zijn denkvermogen te herstellen; dit was ook met den jager het geval; intusschen, sedert jaren aan het leven der woestijn gewoon, had hij hiertoe minder tijd noodig dan een ander, en weldra vond hij zich weder in het bezit van zijn volle verstand, even krachtig, even helder van blik en scherp van gehoor als den avond te voren. Hij was gereed om zijn kameraad te wekken, die nog altoos sliep, dien gerusten en verkwikkenden slaap, welke op aarde slechts ten deel valt aan kinderen, of aan menschen wier geweten door geen booze gedachten of pijnigende zorgen bewaard is, toen hij op eens plotseling staan bleef en onrustig de ooren spitste.Uit de verste diepte der wouden die het kamp achter hem als met een digt gordijn hield afgesloten, hoorde de Canadees een onbegrijpelijk geluid opkomen, dat van oogenblik tot oogenblik sterker werd en weldra bij niets anders te vergelijken was dan bij het rollen van verre donderslagen.Dit geluid naderde al meer en meer; het waren korte dof dreunende schokken, gepaard met het kraken en kletteren van takken en boomstammen, en een dof loeijend gebulk, dat evenmin naar het gebrul van tijgers of leeuwen als naar iets menschelijks geleek, kortom een geluid daar hij geen naam voor wist: onbeschrijfelijk,[31]vreeselijk, en onheilspellend, dat onder het luisteren reeds merkbaar genaderd was, en door het bosch weergalmde als het diep en breed gebulder van een aanrollenden watervloed.Quoniam, door dit vreemdsoortig gedruisch plotseling ontwaakt, stond reeds overeind met het geweer in de hand, en de oogen op den jager gerigt, gereed om op het eerste teeken te handelen, zonder nogtans te weten wat hij deed of wat er omging, daar zijn geest, nog half door den slaap bedwelmd, ten prooi was aan dieinstinctmatigevrees, die ook den stoutsten mensch bevangt wanneer hij zich eensklaps door een onbekend gevaar bedreigd ziet.Zoo verliepen er eenige minuten.„Wat zullen wij doen?” mompelde Tranquille blijkbaar verlegen, terwijl zijn blik te vergeefs in het bosch poogde door te dringen om te ontdekken wat er omging.Op eens klonk er op korten afstand een doordringend gefluit.„Ha!” riep Tranquille met eene vrolijke beweging terwijl hij schielijk het hoofd ophief, „nu zal ik spoedig weten wat er van de zaak is.”Hij bragt de vingers aan de mond en bootste op eene bedriegelijke wijs het geschreeuw van den reiger na; bijna op hetzelfde oogenblik kwam er uit het bosch een man te voorschijn, en met twee sprongen als een tijger stond hij reeds naast den jager.„Ooah!”schreeuwde hij, „wat doet mijn broeder langer hier?”Deze man was het Zwarte-Hert.„Ik heb u hier gewacht, hoofdman,” antwoordde de Canadees.De Roodhuid was een man van zes- of zevenentwintig jaar, van middelbare lengte, maar krachtig en schoon gebouwd. Hij droeg het groote oorlogskostuum van zijn volk en was beschilderd en gewapend als voor een veldtogt; zijne trekken waren regelmatig, verstandig en vol majesteit, terwijl zijn openhartig gelaat evenveel dapperheid als goedheid teekende.Op dit oogenblik scheen hij aan eene geweldige ontroering ten prooi, die des te ongewoner moest voorkomen, daar de Roodhuiden er hunne eer in stellen om zich door niets, hoe verschrikkelijk ook, te laten ontzetten. Zijne oogen staarden bliksemend rond, zijne woorden waren kort en afgebroken en zijne stem had een schellen metaalklank.„Gaauw! haast u! haast u!” riep hij, „Wij hebben reeds te veel tijd verloren.”„Wat is er dan?” vroeg Tranquille.„De bisons komen!” antwoordde het opperhoofd.[32]„O wee!” riep de jager met schrik.Nu begreep hij het; dat geluid, dat hij reeds een poos gehoord had, werd door eenmanada(troep) bisons veroorzaakt, die uit het oosten kwamen opzetten en zich waarschijnlijk naar de hoogeprairiënin het westen begaven.Wat de jager zoo spoedig geraden had, vereischt voor onze lezers eenige nadere opheldering om hen te doen begrijpen aan welk vreesselijk gevaar onze personaadjen zich plotseling zagen blootgesteld.Manada, noemt men in de oude bezittingen der Spanjaarden eene verzameling van eenige duizenden wilde dieren, hetzij paarden, bisons, wolven enz.; de bisons, op hunne jaarlijksche uittogten gedurende denbronsttijd, vereenigen zich soms in manada’s van vijftien tot twintig duizend koppen, die in een digten troep gezamentlijk voorttrekken; deze dieren gaan steeds regtuit, in digt gesloten gelederen, alles omver loopende en door alles heenbrekende wat hun in den weg staat; wee den vermetele! die het wagen dorst hen tegen te houden of hun woedenden loop een andere rigting te willen geven, hij zou als een stroohalm verpletterd worden onder de hoeven dezer onbesuisde dieren, die alles onder den voet loopen zonder er naar om te zien of er zelf iets van op te merken.De toestand van onze drie vrienden was dus zeer kritiek, want zij bevonden zich juist voor het front der manada, die hen naderde met de snelheid van een spoortrein.Iedere uitkomst scheen onmogelijk, aan vlugten was niet te denken, en wederstand bieden was nog onmogelijker. Het gedruisch naderde met schrikbarende snelheid; reeds kon men in de verte het loeijen der wilde bisons duidelijk onderscheiden van het keffen der roode wolven en het huilen der jaguars, die aan de beide flanken der manada liepen om op de achterblijvenden jagt te maken of op enkelen die onvoorziens links of regts afzwierven.Nog eenige minuten en het was gedaan met hen; de ontzettende legerdrom scheen op zijn doortogt alles schoon te vegen, met de ijzingwekkende dommekracht van een vallenden berg dien niets kan wederstaan. Wij zeggen nog eens, de toestand der beide mannen was hagchelijk. Het Zwarte-Hert was dien morgen op reis gegaan naar het oord dat hij den Canadeeschen jager zelf had aangewezen. Naauwelijks drie mijlen meer van de plek verwijderd waar hij zijn vriend dacht te ontmoeten, hoorde zijn geoefend oor voor de eerste maal op verren afstand het gedruisch van het naderende bisonsleger. Vijf minuten waren toereikend om de rigting[33]van hun woedenden loop te berekenen en het gevaar te begrijpen dat den jager bedreigde. Met al de snelheid van beraad die de Roodhuiden in dergelijke gevallen kenschetst, had hij besloten hem te gaan waarschuwen, en hem te redden of met hem om te komen. Nu ijlde hij voorwaarts, in bedwelmende vaart, en doorliep in ongelooflijk korten tijd den afstand die hem van het kamp zijns vriends verwijderde; slechts eene gedachte bezielde hem, namelijk om de manada zooveel vooruit te komen dat hij den jager kon redden; maar helaas! hoe snel hij ook loopen mogt, en de Indianen zijn wegens hunne fabuleuse vlugheid vermaard, kon hij toch het bepaalde punt niet tijdig genoeg bereiken om zijn vriend in veiligheid te stellen.Toen dus het opperhoofd, na den jager gewaarschuwd te hebben, de nutteloosheid van zijne pogingen had ingezien, greep er bij hem eene plotselinge verandering plaats, zijne trekken, zoo even nog door bezorgdheid opgewonden, hernamen hunne gewone kalmte en gestrengheid, een weemoedige glimlach speelde om zijne fiere lippen, hij vlijde zich op den grond neder en prevelde met eene sombere stem:„De Wacondah heeft het niet gewild!”Tranquille was echter niet gezind om zijn toestand met dezelfde noodlottige gelatenheid te aanvaarden; de jager behoorde tot dat krachtvolle, werkdadige menschenras, wier onverzettelijk karakter zich nimmer laat neerslaan en die strijden zullen tot hun laatsten ademtogt.Toen hij zag dat de Roodhuid met het blinde noodlotsgeloof dat zijn geslacht eigen is, het had opgegeven, besloot hij eenelaatstepoging te wagen, al zou hij ook het onmogelijke beproeven.Op twintig passen afstand van de plaats waar de jager zijn kamp had opgeslagen, lagen een aantal eikenstammen, van ouderdom gestorven of door vroegere stormen omvergewaaid en over elkander geworpen; een weinig achter dit natuurlijk bolwerk, stond een boschje van vijf of zes eikenboomen, afzonderlijk, en vormde een soort van oasis te midden van het overigens vrij kale rivierstrand.„Geef acht! Quoniam,” riep de jager, „verzamel zooveel dood hout als gij vinden kunt en breng het hier, en gij hoofdman, doe desgelijks.”De twee mannen gehoorzaamden oogenblikkelijk, zonder te begrijpen waarom, maar volkomen gerust door de koelbloedigheid van hun medgezel, en binnen weinige minuten lag er een aanzienlijke[34]hoop droog hout tegen en boven de omgeworpen eikenstammen opgetast.„Goed!” riep de jager, „God helpe ons! alles is nog niet verloren, schep moed!”Thans de overblijfsels van het kampvuur, dat hij gedurende den nacht gebrand had om de koude af te weren, naar den houtstapel overbrengende, stookte hij het vuur aan, voedde het gedurig met dorre takken en harsachtige stoffen, en binnen vijf minuten steeg er eene dikke vuurzuil ten hemel, die snel toenam en weldra een gordijn vormde van meer dan tien meters lengte en breedte.„Terug! terug! mannen!” schreeuwde de jager, „volgt mij.”Het Zwarte-Hert en Quoniam liepen hem na.De Canadees ging echter niet ver; toen hij het straks door ons genoemde boschje bereikt had, klauterde hij in den eersten boom den besten met eene vlugheid en vaardigheid zonder weerga, en werd oogenblikkelijk door zijne kameraden gevolgd, zoodat zij weldra vijftig voeten hoog boven den grond, elk op een stevigen tak in veiligheid zaten en geheel achter de bladeren verscholen waren.„Ziedaar!” riep de Canadees met de meest koelzinnige bedaardheid, „dit is onze laatstetoevlugt, zoodra de manada verschijnt, schieten wij op de voorposten; als bovendien de gloed der vlammen de bisons afschrikt zijn wij behouden, zoo niet, dan hebben wij slechts te sterven. Maar wij kunnen nu ten minste zeggen dat wij al het mogelijke gedaan hebben om ons leven te redden.”Het vuur door den jager ontstoken, was inmiddels zeer in omvang toegenomen; het had zich reeds buiten den houtstapel uitgebreid en al de struiken en kreupelbosschen in vlam gezet, en ofschoon het hooge bosch te ver af lag om vuur te vatten, vormde zich weldra een gordijn van vlammen van bijna een kwartmijl in ’t rond, wier roode gloed den morgendamp kleurde, en aan het nog half schemerend landschap een treffenden indruk van woeste grootschheid verleende. Uit den boom waar de vlugtelingen gezeten waren hadden zij het volle gezigt op deze zee van vlammen, die hen gelukkig niet kon bereiken, terwijl zij tevens den geheelen omtrek konden overzien.Op eens deed zich een vreesselijk gekraak hooren en verscheen de voorhoede der manada aan den uitersten rand van het bosch.„Geef acht!” riep de jager zijn geweer aanleggende.De bisons, verschrikt door den onverwachten vuurdamp dien zij op eens voor zich hadden, en verblind door den laaijen gloed zoowel[35]als gezengd door de geweldige hitte, bleven een oogenblik staan, als wilden zij zich beraden, maar stoven toen weder voorwaarts in blinde woede en loeijende van gramschap.Er knalden drie geweerschoten.De drie voorste bisons vielen en rolden over den grond in hunne laatste doodstuipen.„Het baat ons niet,” riep de Canadees koelbloedig, „wij zijn verloren.”De bisons rukten steeds voort.Spoedig echter werd hun de hitte ondragelijk; de rook, door den wind juist in de rigting der manada gevoerd; maakte hen blind; er kwam een oogenblik van stilstand, dat weldra door eene achterwaartsche beweging werd gevolgd.De jagers zaten met hijgende borst en gespannen blikken te staren naar de bijzonderheden van dit ontzettend tooneel. Het was voor hen eene vraag van leven of dood, een enkel oogenblik kon het beslissen, hun leven hing als aan een zijden draad.Intusschen drong de manada nog altijd voorwaarts.De voorste bisons, die den troep aanvoerden, konden den schok der volgenden niet weerstaan; zij werden omgeworpen en vertrapt door degenen die achter hen kwamen; maar dezen, op hunne beurt door de hitte verschrikt, wilden almede terugkeeren; in dezen uitersten nood begonnen eenige bisons links en regts af te zwerven; dit was voldoende; zij werden door meer anderen gevolgd, en nu ontstonden er twee stroomen, de eene regts en de andere links van het vuur, zoodat de manada in tweeën verdeeld, als een hooggezwollen vloed die zijne dijken en dammen verbreekt, andermaal in dolle vaart voortstuwde, om zich aan den oever der rivier te vereenigen en in een gesloten kolom naar den overkant te trekken.Het was een ontzettend schouwspel, deze verschrikte manada te zien vlugten, onder vreeselijk geloei en in de grootste verwarring, door verscheurende dieren vervolgd en met het brandende pijnbosch in hun midden, als een onheilspellende vuurbaak die hun pad moest verlichten.De voorste bisons gingen reeds te water, anderen volgden, en de gansche manada begon de rivier in een regte lijn over te zwemmen; weldra zag men de lange donkere massa tegen den anderen oever opklauteren en zich als een reuzenslang over de prairie verspreiden, waar de voorste gelederen spoedig achter het geboomte verdwenen.[36]De drie vlugtelingen waren gered, dank zij de tegenwoordigheid van geest en de koelbloedigheid van den Canadees; evenwel moesten zij nog twee uren zitten wachten en zich tusschen de takken schuilhouden eer de gansche manada, die uit vele duizenden bestond, de rivier was overgetrokken.De bisons vervolgden hun koers ter regter- en linkerzijde van het vuur, dat eindelijk bij gebrek aan brandstof begon uit te gaan, maar de rigting was nu eenmaal gegeven en zoodra zij aan den uitgedoofden vuurhaard kwamen, die thans niets meer was dan een aschhoop, scheidde de manada zich in twee kolonnen en stormde ongehinderd voort tot aan de rivier. Eindelijk verscheen de achterhoede, vergezeld en geteisterd door jaguars en wolven, die aan de beide flanken rondsprongen of de manada van achteren bestookten en insloten; en weldra was alles voorbij.De woestijn, welker stilte voor een poos gestoord was geworden, keerde tot hare gewone kalmte terug, alleen bleef er een breed spoor over, midden door het bosch getrokken en met verpletterde boomen bezaaid, als eenig maar ontzettend bewijs welk eene woeste en ongeregelde troep er was doorgegaan.De jagers haalden weder vrij adem; thans konden zij zonder gevaar uit hun luchtkasteel afklimmen en veilig op den grond nederdalen.

IV.DE MANADA.

Het was een heerlijke nacht, de diepblaauwe hemel was met tallooze sterren bezaaid, die haar zacht en geheimzinnig schijnsel over het aardrijk uitspreidden.In de stilte der woestijn fluisterden geheimzinnige stemmen vol zoete melodie en bezielend leven; een zachte schemerglans[29]drong hier en daar door het lommer of huppelde als dwaallichtjes over het fijne en spichtige gras; op den tegenover liggenden oever der rivier verhieven zich eenige oude eiken, wier knoestige zwaar-bemoste stammen hunne magtige reuzenarmen opstaken als spoken in de duisternis, terwijl de nachtwind speelde met de woekerplanten die zich wortelden in hunne schors en met de welige lianenranken die om de halfverdorde takken slingerden; duizend onbestemde geluiden ritselden door het luchtruim; stemmen kwamen op uit de onzigtbare diepten der wouden; het half gesmoorde zuchten der middernachtskoelte suisde door de bladeren, het eentoonig gemurmel der kabbelende rivier bruischte over de keijen aan het oeverzand; in een woord, hier hoorde men dat geheimzinnig en onverklaarbaar geruisch, de scheppende adem der Almagt, de volle levensstroom, die uit God gevloeid, de statige eenzaamheid der Amerikaanschesavannenzoo indrukwekkend maakt.De jager voelde zich door dezen magtigen invloed der ongerepte natuur onwillekeurig overstelpen en wegslepen, hij werd er als ingedompeld, en dronk met volle teugen door alle aderen en poriën, den verkwikkenden stroom der nieuwe levenskracht; zijn gansche aanzijn smolt als zamen en vereenzelvigde zich met het verheven tooneel, waarvan hij de stomme getuige was en zelf deel uitmaakte; een zachte weemoed overmeesterde hem en van lieverlede zonk hij weg in ernstig zoete droomen; hier, zoo verre verwijderd van de menschelijke beschaving en de woelige maatschappij met hare bekrompen toestanden, gevoelde hij zich naderbij God en nam zijn eenvoudig geloof toe met de bewondering van de half onthulde geheimen der onbegrensde natuur die hij, om zoo te zeggen, als op de daad betrapte en in hare diepste schuilhoeken bespiedde.Inderdaad verruimt zich het hart, wordt de ziel grooter en breiden de denkbeelden zich uit in den omgang met dat zwervend nomadenleven, dat ons met elke minuut nieuwe wonderen en verrassingen aanbiedt en waar de mensch bij iederen voetstap den stempel van Gods scheppende hand op de woeste tooneelen der hem omringende wildernis onuitwischbaar ziet afgedrukt.Zelfs de gevaren en ontberingen, aan het zwervend nomadenleven onafscheidelijk verbonden, bezitten voor hen die ze eenmaal genoten eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, daar men later nog altijd om treurt en reikhalzend naar terug wenscht; want het is alleen in de woestijn dat de mensch zijn leven ten volle gevoelt en de maat zijner verholen krachten hem tot hare uiterste grenzen duidelijk kenbaar wordt.[30]Zoo snelden de uren voor den jager ongemerkt voorbij, zonder dat de slaap zijne oogleden sloot; de frissche morgenkoelte ruischte reeds door de hoogste toppen der boomen en deed de stille oppervlakte der rivier rimpelen, in wier zilveren wateren de schaduw der verbrokkelde oevers zich donker afspiegelde; aan den uitersten horizont verkondigde een smalle roode streep de naderende opkomst der zon; de nachtuil, onder het digte loof verscholen, had zich reeds tweemaal laten hooren en den aanbrekenden dag met zijn zwaarmoedig gehuil begroet; het was omtrent vier uren des morgens.Tranquille verliet den rustieken zetel waar hij tot op dat oogenblik volkomen onbewegelijk was blijven zitten; hij rekte zich uit als wilde hij de vadsigheid afschudden die hem overmeesterd had, en stapte eenige keeren heen en weder op het vochtige strand om den bloedsomloop in zijne stramme leden te herstellen.Als iemand, wij willen niet zeggen pas ontwaakt, want de goede Canadees had gedurende deze lange nachtwaak geen oogenblik geslapen, maar als hij de loomheid uitschudt, waarin de langdurige stilte, de duisternis en vooral de doordringende ochtendkoelte hem gedompeld hadden, dan duurt het eenige minuten eer het hem gelukt al zijne zinnen terug te bekomen en het evenwigt in zijn denkvermogen te herstellen; dit was ook met den jager het geval; intusschen, sedert jaren aan het leven der woestijn gewoon, had hij hiertoe minder tijd noodig dan een ander, en weldra vond hij zich weder in het bezit van zijn volle verstand, even krachtig, even helder van blik en scherp van gehoor als den avond te voren. Hij was gereed om zijn kameraad te wekken, die nog altoos sliep, dien gerusten en verkwikkenden slaap, welke op aarde slechts ten deel valt aan kinderen, of aan menschen wier geweten door geen booze gedachten of pijnigende zorgen bewaard is, toen hij op eens plotseling staan bleef en onrustig de ooren spitste.Uit de verste diepte der wouden die het kamp achter hem als met een digt gordijn hield afgesloten, hoorde de Canadees een onbegrijpelijk geluid opkomen, dat van oogenblik tot oogenblik sterker werd en weldra bij niets anders te vergelijken was dan bij het rollen van verre donderslagen.Dit geluid naderde al meer en meer; het waren korte dof dreunende schokken, gepaard met het kraken en kletteren van takken en boomstammen, en een dof loeijend gebulk, dat evenmin naar het gebrul van tijgers of leeuwen als naar iets menschelijks geleek, kortom een geluid daar hij geen naam voor wist: onbeschrijfelijk,[31]vreeselijk, en onheilspellend, dat onder het luisteren reeds merkbaar genaderd was, en door het bosch weergalmde als het diep en breed gebulder van een aanrollenden watervloed.Quoniam, door dit vreemdsoortig gedruisch plotseling ontwaakt, stond reeds overeind met het geweer in de hand, en de oogen op den jager gerigt, gereed om op het eerste teeken te handelen, zonder nogtans te weten wat hij deed of wat er omging, daar zijn geest, nog half door den slaap bedwelmd, ten prooi was aan dieinstinctmatigevrees, die ook den stoutsten mensch bevangt wanneer hij zich eensklaps door een onbekend gevaar bedreigd ziet.Zoo verliepen er eenige minuten.„Wat zullen wij doen?” mompelde Tranquille blijkbaar verlegen, terwijl zijn blik te vergeefs in het bosch poogde door te dringen om te ontdekken wat er omging.Op eens klonk er op korten afstand een doordringend gefluit.„Ha!” riep Tranquille met eene vrolijke beweging terwijl hij schielijk het hoofd ophief, „nu zal ik spoedig weten wat er van de zaak is.”Hij bragt de vingers aan de mond en bootste op eene bedriegelijke wijs het geschreeuw van den reiger na; bijna op hetzelfde oogenblik kwam er uit het bosch een man te voorschijn, en met twee sprongen als een tijger stond hij reeds naast den jager.„Ooah!”schreeuwde hij, „wat doet mijn broeder langer hier?”Deze man was het Zwarte-Hert.„Ik heb u hier gewacht, hoofdman,” antwoordde de Canadees.De Roodhuid was een man van zes- of zevenentwintig jaar, van middelbare lengte, maar krachtig en schoon gebouwd. Hij droeg het groote oorlogskostuum van zijn volk en was beschilderd en gewapend als voor een veldtogt; zijne trekken waren regelmatig, verstandig en vol majesteit, terwijl zijn openhartig gelaat evenveel dapperheid als goedheid teekende.Op dit oogenblik scheen hij aan eene geweldige ontroering ten prooi, die des te ongewoner moest voorkomen, daar de Roodhuiden er hunne eer in stellen om zich door niets, hoe verschrikkelijk ook, te laten ontzetten. Zijne oogen staarden bliksemend rond, zijne woorden waren kort en afgebroken en zijne stem had een schellen metaalklank.„Gaauw! haast u! haast u!” riep hij, „Wij hebben reeds te veel tijd verloren.”„Wat is er dan?” vroeg Tranquille.„De bisons komen!” antwoordde het opperhoofd.[32]„O wee!” riep de jager met schrik.Nu begreep hij het; dat geluid, dat hij reeds een poos gehoord had, werd door eenmanada(troep) bisons veroorzaakt, die uit het oosten kwamen opzetten en zich waarschijnlijk naar de hoogeprairiënin het westen begaven.Wat de jager zoo spoedig geraden had, vereischt voor onze lezers eenige nadere opheldering om hen te doen begrijpen aan welk vreesselijk gevaar onze personaadjen zich plotseling zagen blootgesteld.Manada, noemt men in de oude bezittingen der Spanjaarden eene verzameling van eenige duizenden wilde dieren, hetzij paarden, bisons, wolven enz.; de bisons, op hunne jaarlijksche uittogten gedurende denbronsttijd, vereenigen zich soms in manada’s van vijftien tot twintig duizend koppen, die in een digten troep gezamentlijk voorttrekken; deze dieren gaan steeds regtuit, in digt gesloten gelederen, alles omver loopende en door alles heenbrekende wat hun in den weg staat; wee den vermetele! die het wagen dorst hen tegen te houden of hun woedenden loop een andere rigting te willen geven, hij zou als een stroohalm verpletterd worden onder de hoeven dezer onbesuisde dieren, die alles onder den voet loopen zonder er naar om te zien of er zelf iets van op te merken.De toestand van onze drie vrienden was dus zeer kritiek, want zij bevonden zich juist voor het front der manada, die hen naderde met de snelheid van een spoortrein.Iedere uitkomst scheen onmogelijk, aan vlugten was niet te denken, en wederstand bieden was nog onmogelijker. Het gedruisch naderde met schrikbarende snelheid; reeds kon men in de verte het loeijen der wilde bisons duidelijk onderscheiden van het keffen der roode wolven en het huilen der jaguars, die aan de beide flanken der manada liepen om op de achterblijvenden jagt te maken of op enkelen die onvoorziens links of regts afzwierven.Nog eenige minuten en het was gedaan met hen; de ontzettende legerdrom scheen op zijn doortogt alles schoon te vegen, met de ijzingwekkende dommekracht van een vallenden berg dien niets kan wederstaan. Wij zeggen nog eens, de toestand der beide mannen was hagchelijk. Het Zwarte-Hert was dien morgen op reis gegaan naar het oord dat hij den Canadeeschen jager zelf had aangewezen. Naauwelijks drie mijlen meer van de plek verwijderd waar hij zijn vriend dacht te ontmoeten, hoorde zijn geoefend oor voor de eerste maal op verren afstand het gedruisch van het naderende bisonsleger. Vijf minuten waren toereikend om de rigting[33]van hun woedenden loop te berekenen en het gevaar te begrijpen dat den jager bedreigde. Met al de snelheid van beraad die de Roodhuiden in dergelijke gevallen kenschetst, had hij besloten hem te gaan waarschuwen, en hem te redden of met hem om te komen. Nu ijlde hij voorwaarts, in bedwelmende vaart, en doorliep in ongelooflijk korten tijd den afstand die hem van het kamp zijns vriends verwijderde; slechts eene gedachte bezielde hem, namelijk om de manada zooveel vooruit te komen dat hij den jager kon redden; maar helaas! hoe snel hij ook loopen mogt, en de Indianen zijn wegens hunne fabuleuse vlugheid vermaard, kon hij toch het bepaalde punt niet tijdig genoeg bereiken om zijn vriend in veiligheid te stellen.Toen dus het opperhoofd, na den jager gewaarschuwd te hebben, de nutteloosheid van zijne pogingen had ingezien, greep er bij hem eene plotselinge verandering plaats, zijne trekken, zoo even nog door bezorgdheid opgewonden, hernamen hunne gewone kalmte en gestrengheid, een weemoedige glimlach speelde om zijne fiere lippen, hij vlijde zich op den grond neder en prevelde met eene sombere stem:„De Wacondah heeft het niet gewild!”Tranquille was echter niet gezind om zijn toestand met dezelfde noodlottige gelatenheid te aanvaarden; de jager behoorde tot dat krachtvolle, werkdadige menschenras, wier onverzettelijk karakter zich nimmer laat neerslaan en die strijden zullen tot hun laatsten ademtogt.Toen hij zag dat de Roodhuid met het blinde noodlotsgeloof dat zijn geslacht eigen is, het had opgegeven, besloot hij eenelaatstepoging te wagen, al zou hij ook het onmogelijke beproeven.Op twintig passen afstand van de plaats waar de jager zijn kamp had opgeslagen, lagen een aantal eikenstammen, van ouderdom gestorven of door vroegere stormen omvergewaaid en over elkander geworpen; een weinig achter dit natuurlijk bolwerk, stond een boschje van vijf of zes eikenboomen, afzonderlijk, en vormde een soort van oasis te midden van het overigens vrij kale rivierstrand.„Geef acht! Quoniam,” riep de jager, „verzamel zooveel dood hout als gij vinden kunt en breng het hier, en gij hoofdman, doe desgelijks.”De twee mannen gehoorzaamden oogenblikkelijk, zonder te begrijpen waarom, maar volkomen gerust door de koelbloedigheid van hun medgezel, en binnen weinige minuten lag er een aanzienlijke[34]hoop droog hout tegen en boven de omgeworpen eikenstammen opgetast.„Goed!” riep de jager, „God helpe ons! alles is nog niet verloren, schep moed!”Thans de overblijfsels van het kampvuur, dat hij gedurende den nacht gebrand had om de koude af te weren, naar den houtstapel overbrengende, stookte hij het vuur aan, voedde het gedurig met dorre takken en harsachtige stoffen, en binnen vijf minuten steeg er eene dikke vuurzuil ten hemel, die snel toenam en weldra een gordijn vormde van meer dan tien meters lengte en breedte.„Terug! terug! mannen!” schreeuwde de jager, „volgt mij.”Het Zwarte-Hert en Quoniam liepen hem na.De Canadees ging echter niet ver; toen hij het straks door ons genoemde boschje bereikt had, klauterde hij in den eersten boom den besten met eene vlugheid en vaardigheid zonder weerga, en werd oogenblikkelijk door zijne kameraden gevolgd, zoodat zij weldra vijftig voeten hoog boven den grond, elk op een stevigen tak in veiligheid zaten en geheel achter de bladeren verscholen waren.„Ziedaar!” riep de Canadees met de meest koelzinnige bedaardheid, „dit is onze laatstetoevlugt, zoodra de manada verschijnt, schieten wij op de voorposten; als bovendien de gloed der vlammen de bisons afschrikt zijn wij behouden, zoo niet, dan hebben wij slechts te sterven. Maar wij kunnen nu ten minste zeggen dat wij al het mogelijke gedaan hebben om ons leven te redden.”Het vuur door den jager ontstoken, was inmiddels zeer in omvang toegenomen; het had zich reeds buiten den houtstapel uitgebreid en al de struiken en kreupelbosschen in vlam gezet, en ofschoon het hooge bosch te ver af lag om vuur te vatten, vormde zich weldra een gordijn van vlammen van bijna een kwartmijl in ’t rond, wier roode gloed den morgendamp kleurde, en aan het nog half schemerend landschap een treffenden indruk van woeste grootschheid verleende. Uit den boom waar de vlugtelingen gezeten waren hadden zij het volle gezigt op deze zee van vlammen, die hen gelukkig niet kon bereiken, terwijl zij tevens den geheelen omtrek konden overzien.Op eens deed zich een vreesselijk gekraak hooren en verscheen de voorhoede der manada aan den uitersten rand van het bosch.„Geef acht!” riep de jager zijn geweer aanleggende.De bisons, verschrikt door den onverwachten vuurdamp dien zij op eens voor zich hadden, en verblind door den laaijen gloed zoowel[35]als gezengd door de geweldige hitte, bleven een oogenblik staan, als wilden zij zich beraden, maar stoven toen weder voorwaarts in blinde woede en loeijende van gramschap.Er knalden drie geweerschoten.De drie voorste bisons vielen en rolden over den grond in hunne laatste doodstuipen.„Het baat ons niet,” riep de Canadees koelbloedig, „wij zijn verloren.”De bisons rukten steeds voort.Spoedig echter werd hun de hitte ondragelijk; de rook, door den wind juist in de rigting der manada gevoerd; maakte hen blind; er kwam een oogenblik van stilstand, dat weldra door eene achterwaartsche beweging werd gevolgd.De jagers zaten met hijgende borst en gespannen blikken te staren naar de bijzonderheden van dit ontzettend tooneel. Het was voor hen eene vraag van leven of dood, een enkel oogenblik kon het beslissen, hun leven hing als aan een zijden draad.Intusschen drong de manada nog altijd voorwaarts.De voorste bisons, die den troep aanvoerden, konden den schok der volgenden niet weerstaan; zij werden omgeworpen en vertrapt door degenen die achter hen kwamen; maar dezen, op hunne beurt door de hitte verschrikt, wilden almede terugkeeren; in dezen uitersten nood begonnen eenige bisons links en regts af te zwerven; dit was voldoende; zij werden door meer anderen gevolgd, en nu ontstonden er twee stroomen, de eene regts en de andere links van het vuur, zoodat de manada in tweeën verdeeld, als een hooggezwollen vloed die zijne dijken en dammen verbreekt, andermaal in dolle vaart voortstuwde, om zich aan den oever der rivier te vereenigen en in een gesloten kolom naar den overkant te trekken.Het was een ontzettend schouwspel, deze verschrikte manada te zien vlugten, onder vreeselijk geloei en in de grootste verwarring, door verscheurende dieren vervolgd en met het brandende pijnbosch in hun midden, als een onheilspellende vuurbaak die hun pad moest verlichten.De voorste bisons gingen reeds te water, anderen volgden, en de gansche manada begon de rivier in een regte lijn over te zwemmen; weldra zag men de lange donkere massa tegen den anderen oever opklauteren en zich als een reuzenslang over de prairie verspreiden, waar de voorste gelederen spoedig achter het geboomte verdwenen.[36]De drie vlugtelingen waren gered, dank zij de tegenwoordigheid van geest en de koelbloedigheid van den Canadees; evenwel moesten zij nog twee uren zitten wachten en zich tusschen de takken schuilhouden eer de gansche manada, die uit vele duizenden bestond, de rivier was overgetrokken.De bisons vervolgden hun koers ter regter- en linkerzijde van het vuur, dat eindelijk bij gebrek aan brandstof begon uit te gaan, maar de rigting was nu eenmaal gegeven en zoodra zij aan den uitgedoofden vuurhaard kwamen, die thans niets meer was dan een aschhoop, scheidde de manada zich in twee kolonnen en stormde ongehinderd voort tot aan de rivier. Eindelijk verscheen de achterhoede, vergezeld en geteisterd door jaguars en wolven, die aan de beide flanken rondsprongen of de manada van achteren bestookten en insloten; en weldra was alles voorbij.De woestijn, welker stilte voor een poos gestoord was geworden, keerde tot hare gewone kalmte terug, alleen bleef er een breed spoor over, midden door het bosch getrokken en met verpletterde boomen bezaaid, als eenig maar ontzettend bewijs welk eene woeste en ongeregelde troep er was doorgegaan.De jagers haalden weder vrij adem; thans konden zij zonder gevaar uit hun luchtkasteel afklimmen en veilig op den grond nederdalen.

Het was een heerlijke nacht, de diepblaauwe hemel was met tallooze sterren bezaaid, die haar zacht en geheimzinnig schijnsel over het aardrijk uitspreidden.

In de stilte der woestijn fluisterden geheimzinnige stemmen vol zoete melodie en bezielend leven; een zachte schemerglans[29]drong hier en daar door het lommer of huppelde als dwaallichtjes over het fijne en spichtige gras; op den tegenover liggenden oever der rivier verhieven zich eenige oude eiken, wier knoestige zwaar-bemoste stammen hunne magtige reuzenarmen opstaken als spoken in de duisternis, terwijl de nachtwind speelde met de woekerplanten die zich wortelden in hunne schors en met de welige lianenranken die om de halfverdorde takken slingerden; duizend onbestemde geluiden ritselden door het luchtruim; stemmen kwamen op uit de onzigtbare diepten der wouden; het half gesmoorde zuchten der middernachtskoelte suisde door de bladeren, het eentoonig gemurmel der kabbelende rivier bruischte over de keijen aan het oeverzand; in een woord, hier hoorde men dat geheimzinnig en onverklaarbaar geruisch, de scheppende adem der Almagt, de volle levensstroom, die uit God gevloeid, de statige eenzaamheid der Amerikaanschesavannenzoo indrukwekkend maakt.

De jager voelde zich door dezen magtigen invloed der ongerepte natuur onwillekeurig overstelpen en wegslepen, hij werd er als ingedompeld, en dronk met volle teugen door alle aderen en poriën, den verkwikkenden stroom der nieuwe levenskracht; zijn gansche aanzijn smolt als zamen en vereenzelvigde zich met het verheven tooneel, waarvan hij de stomme getuige was en zelf deel uitmaakte; een zachte weemoed overmeesterde hem en van lieverlede zonk hij weg in ernstig zoete droomen; hier, zoo verre verwijderd van de menschelijke beschaving en de woelige maatschappij met hare bekrompen toestanden, gevoelde hij zich naderbij God en nam zijn eenvoudig geloof toe met de bewondering van de half onthulde geheimen der onbegrensde natuur die hij, om zoo te zeggen, als op de daad betrapte en in hare diepste schuilhoeken bespiedde.

Inderdaad verruimt zich het hart, wordt de ziel grooter en breiden de denkbeelden zich uit in den omgang met dat zwervend nomadenleven, dat ons met elke minuut nieuwe wonderen en verrassingen aanbiedt en waar de mensch bij iederen voetstap den stempel van Gods scheppende hand op de woeste tooneelen der hem omringende wildernis onuitwischbaar ziet afgedrukt.

Zelfs de gevaren en ontberingen, aan het zwervend nomadenleven onafscheidelijk verbonden, bezitten voor hen die ze eenmaal genoten eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, daar men later nog altijd om treurt en reikhalzend naar terug wenscht; want het is alleen in de woestijn dat de mensch zijn leven ten volle gevoelt en de maat zijner verholen krachten hem tot hare uiterste grenzen duidelijk kenbaar wordt.[30]

Zoo snelden de uren voor den jager ongemerkt voorbij, zonder dat de slaap zijne oogleden sloot; de frissche morgenkoelte ruischte reeds door de hoogste toppen der boomen en deed de stille oppervlakte der rivier rimpelen, in wier zilveren wateren de schaduw der verbrokkelde oevers zich donker afspiegelde; aan den uitersten horizont verkondigde een smalle roode streep de naderende opkomst der zon; de nachtuil, onder het digte loof verscholen, had zich reeds tweemaal laten hooren en den aanbrekenden dag met zijn zwaarmoedig gehuil begroet; het was omtrent vier uren des morgens.

Tranquille verliet den rustieken zetel waar hij tot op dat oogenblik volkomen onbewegelijk was blijven zitten; hij rekte zich uit als wilde hij de vadsigheid afschudden die hem overmeesterd had, en stapte eenige keeren heen en weder op het vochtige strand om den bloedsomloop in zijne stramme leden te herstellen.

Als iemand, wij willen niet zeggen pas ontwaakt, want de goede Canadees had gedurende deze lange nachtwaak geen oogenblik geslapen, maar als hij de loomheid uitschudt, waarin de langdurige stilte, de duisternis en vooral de doordringende ochtendkoelte hem gedompeld hadden, dan duurt het eenige minuten eer het hem gelukt al zijne zinnen terug te bekomen en het evenwigt in zijn denkvermogen te herstellen; dit was ook met den jager het geval; intusschen, sedert jaren aan het leven der woestijn gewoon, had hij hiertoe minder tijd noodig dan een ander, en weldra vond hij zich weder in het bezit van zijn volle verstand, even krachtig, even helder van blik en scherp van gehoor als den avond te voren. Hij was gereed om zijn kameraad te wekken, die nog altoos sliep, dien gerusten en verkwikkenden slaap, welke op aarde slechts ten deel valt aan kinderen, of aan menschen wier geweten door geen booze gedachten of pijnigende zorgen bewaard is, toen hij op eens plotseling staan bleef en onrustig de ooren spitste.

Uit de verste diepte der wouden die het kamp achter hem als met een digt gordijn hield afgesloten, hoorde de Canadees een onbegrijpelijk geluid opkomen, dat van oogenblik tot oogenblik sterker werd en weldra bij niets anders te vergelijken was dan bij het rollen van verre donderslagen.

Dit geluid naderde al meer en meer; het waren korte dof dreunende schokken, gepaard met het kraken en kletteren van takken en boomstammen, en een dof loeijend gebulk, dat evenmin naar het gebrul van tijgers of leeuwen als naar iets menschelijks geleek, kortom een geluid daar hij geen naam voor wist: onbeschrijfelijk,[31]vreeselijk, en onheilspellend, dat onder het luisteren reeds merkbaar genaderd was, en door het bosch weergalmde als het diep en breed gebulder van een aanrollenden watervloed.

Quoniam, door dit vreemdsoortig gedruisch plotseling ontwaakt, stond reeds overeind met het geweer in de hand, en de oogen op den jager gerigt, gereed om op het eerste teeken te handelen, zonder nogtans te weten wat hij deed of wat er omging, daar zijn geest, nog half door den slaap bedwelmd, ten prooi was aan dieinstinctmatigevrees, die ook den stoutsten mensch bevangt wanneer hij zich eensklaps door een onbekend gevaar bedreigd ziet.

Zoo verliepen er eenige minuten.

„Wat zullen wij doen?” mompelde Tranquille blijkbaar verlegen, terwijl zijn blik te vergeefs in het bosch poogde door te dringen om te ontdekken wat er omging.

Op eens klonk er op korten afstand een doordringend gefluit.

„Ha!” riep Tranquille met eene vrolijke beweging terwijl hij schielijk het hoofd ophief, „nu zal ik spoedig weten wat er van de zaak is.”

Hij bragt de vingers aan de mond en bootste op eene bedriegelijke wijs het geschreeuw van den reiger na; bijna op hetzelfde oogenblik kwam er uit het bosch een man te voorschijn, en met twee sprongen als een tijger stond hij reeds naast den jager.

„Ooah!”schreeuwde hij, „wat doet mijn broeder langer hier?”

Deze man was het Zwarte-Hert.

„Ik heb u hier gewacht, hoofdman,” antwoordde de Canadees.

De Roodhuid was een man van zes- of zevenentwintig jaar, van middelbare lengte, maar krachtig en schoon gebouwd. Hij droeg het groote oorlogskostuum van zijn volk en was beschilderd en gewapend als voor een veldtogt; zijne trekken waren regelmatig, verstandig en vol majesteit, terwijl zijn openhartig gelaat evenveel dapperheid als goedheid teekende.

Op dit oogenblik scheen hij aan eene geweldige ontroering ten prooi, die des te ongewoner moest voorkomen, daar de Roodhuiden er hunne eer in stellen om zich door niets, hoe verschrikkelijk ook, te laten ontzetten. Zijne oogen staarden bliksemend rond, zijne woorden waren kort en afgebroken en zijne stem had een schellen metaalklank.

„Gaauw! haast u! haast u!” riep hij, „Wij hebben reeds te veel tijd verloren.”

„Wat is er dan?” vroeg Tranquille.

„De bisons komen!” antwoordde het opperhoofd.[32]

„O wee!” riep de jager met schrik.

Nu begreep hij het; dat geluid, dat hij reeds een poos gehoord had, werd door eenmanada(troep) bisons veroorzaakt, die uit het oosten kwamen opzetten en zich waarschijnlijk naar de hoogeprairiënin het westen begaven.

Wat de jager zoo spoedig geraden had, vereischt voor onze lezers eenige nadere opheldering om hen te doen begrijpen aan welk vreesselijk gevaar onze personaadjen zich plotseling zagen blootgesteld.

Manada, noemt men in de oude bezittingen der Spanjaarden eene verzameling van eenige duizenden wilde dieren, hetzij paarden, bisons, wolven enz.; de bisons, op hunne jaarlijksche uittogten gedurende denbronsttijd, vereenigen zich soms in manada’s van vijftien tot twintig duizend koppen, die in een digten troep gezamentlijk voorttrekken; deze dieren gaan steeds regtuit, in digt gesloten gelederen, alles omver loopende en door alles heenbrekende wat hun in den weg staat; wee den vermetele! die het wagen dorst hen tegen te houden of hun woedenden loop een andere rigting te willen geven, hij zou als een stroohalm verpletterd worden onder de hoeven dezer onbesuisde dieren, die alles onder den voet loopen zonder er naar om te zien of er zelf iets van op te merken.

De toestand van onze drie vrienden was dus zeer kritiek, want zij bevonden zich juist voor het front der manada, die hen naderde met de snelheid van een spoortrein.

Iedere uitkomst scheen onmogelijk, aan vlugten was niet te denken, en wederstand bieden was nog onmogelijker. Het gedruisch naderde met schrikbarende snelheid; reeds kon men in de verte het loeijen der wilde bisons duidelijk onderscheiden van het keffen der roode wolven en het huilen der jaguars, die aan de beide flanken der manada liepen om op de achterblijvenden jagt te maken of op enkelen die onvoorziens links of regts afzwierven.

Nog eenige minuten en het was gedaan met hen; de ontzettende legerdrom scheen op zijn doortogt alles schoon te vegen, met de ijzingwekkende dommekracht van een vallenden berg dien niets kan wederstaan. Wij zeggen nog eens, de toestand der beide mannen was hagchelijk. Het Zwarte-Hert was dien morgen op reis gegaan naar het oord dat hij den Canadeeschen jager zelf had aangewezen. Naauwelijks drie mijlen meer van de plek verwijderd waar hij zijn vriend dacht te ontmoeten, hoorde zijn geoefend oor voor de eerste maal op verren afstand het gedruisch van het naderende bisonsleger. Vijf minuten waren toereikend om de rigting[33]van hun woedenden loop te berekenen en het gevaar te begrijpen dat den jager bedreigde. Met al de snelheid van beraad die de Roodhuiden in dergelijke gevallen kenschetst, had hij besloten hem te gaan waarschuwen, en hem te redden of met hem om te komen. Nu ijlde hij voorwaarts, in bedwelmende vaart, en doorliep in ongelooflijk korten tijd den afstand die hem van het kamp zijns vriends verwijderde; slechts eene gedachte bezielde hem, namelijk om de manada zooveel vooruit te komen dat hij den jager kon redden; maar helaas! hoe snel hij ook loopen mogt, en de Indianen zijn wegens hunne fabuleuse vlugheid vermaard, kon hij toch het bepaalde punt niet tijdig genoeg bereiken om zijn vriend in veiligheid te stellen.

Toen dus het opperhoofd, na den jager gewaarschuwd te hebben, de nutteloosheid van zijne pogingen had ingezien, greep er bij hem eene plotselinge verandering plaats, zijne trekken, zoo even nog door bezorgdheid opgewonden, hernamen hunne gewone kalmte en gestrengheid, een weemoedige glimlach speelde om zijne fiere lippen, hij vlijde zich op den grond neder en prevelde met eene sombere stem:

„De Wacondah heeft het niet gewild!”

Tranquille was echter niet gezind om zijn toestand met dezelfde noodlottige gelatenheid te aanvaarden; de jager behoorde tot dat krachtvolle, werkdadige menschenras, wier onverzettelijk karakter zich nimmer laat neerslaan en die strijden zullen tot hun laatsten ademtogt.

Toen hij zag dat de Roodhuid met het blinde noodlotsgeloof dat zijn geslacht eigen is, het had opgegeven, besloot hij eenelaatstepoging te wagen, al zou hij ook het onmogelijke beproeven.

Op twintig passen afstand van de plaats waar de jager zijn kamp had opgeslagen, lagen een aantal eikenstammen, van ouderdom gestorven of door vroegere stormen omvergewaaid en over elkander geworpen; een weinig achter dit natuurlijk bolwerk, stond een boschje van vijf of zes eikenboomen, afzonderlijk, en vormde een soort van oasis te midden van het overigens vrij kale rivierstrand.

„Geef acht! Quoniam,” riep de jager, „verzamel zooveel dood hout als gij vinden kunt en breng het hier, en gij hoofdman, doe desgelijks.”

De twee mannen gehoorzaamden oogenblikkelijk, zonder te begrijpen waarom, maar volkomen gerust door de koelbloedigheid van hun medgezel, en binnen weinige minuten lag er een aanzienlijke[34]hoop droog hout tegen en boven de omgeworpen eikenstammen opgetast.

„Goed!” riep de jager, „God helpe ons! alles is nog niet verloren, schep moed!”

Thans de overblijfsels van het kampvuur, dat hij gedurende den nacht gebrand had om de koude af te weren, naar den houtstapel overbrengende, stookte hij het vuur aan, voedde het gedurig met dorre takken en harsachtige stoffen, en binnen vijf minuten steeg er eene dikke vuurzuil ten hemel, die snel toenam en weldra een gordijn vormde van meer dan tien meters lengte en breedte.

„Terug! terug! mannen!” schreeuwde de jager, „volgt mij.”

Het Zwarte-Hert en Quoniam liepen hem na.

De Canadees ging echter niet ver; toen hij het straks door ons genoemde boschje bereikt had, klauterde hij in den eersten boom den besten met eene vlugheid en vaardigheid zonder weerga, en werd oogenblikkelijk door zijne kameraden gevolgd, zoodat zij weldra vijftig voeten hoog boven den grond, elk op een stevigen tak in veiligheid zaten en geheel achter de bladeren verscholen waren.

„Ziedaar!” riep de Canadees met de meest koelzinnige bedaardheid, „dit is onze laatstetoevlugt, zoodra de manada verschijnt, schieten wij op de voorposten; als bovendien de gloed der vlammen de bisons afschrikt zijn wij behouden, zoo niet, dan hebben wij slechts te sterven. Maar wij kunnen nu ten minste zeggen dat wij al het mogelijke gedaan hebben om ons leven te redden.”

Het vuur door den jager ontstoken, was inmiddels zeer in omvang toegenomen; het had zich reeds buiten den houtstapel uitgebreid en al de struiken en kreupelbosschen in vlam gezet, en ofschoon het hooge bosch te ver af lag om vuur te vatten, vormde zich weldra een gordijn van vlammen van bijna een kwartmijl in ’t rond, wier roode gloed den morgendamp kleurde, en aan het nog half schemerend landschap een treffenden indruk van woeste grootschheid verleende. Uit den boom waar de vlugtelingen gezeten waren hadden zij het volle gezigt op deze zee van vlammen, die hen gelukkig niet kon bereiken, terwijl zij tevens den geheelen omtrek konden overzien.

Op eens deed zich een vreesselijk gekraak hooren en verscheen de voorhoede der manada aan den uitersten rand van het bosch.

„Geef acht!” riep de jager zijn geweer aanleggende.

De bisons, verschrikt door den onverwachten vuurdamp dien zij op eens voor zich hadden, en verblind door den laaijen gloed zoowel[35]als gezengd door de geweldige hitte, bleven een oogenblik staan, als wilden zij zich beraden, maar stoven toen weder voorwaarts in blinde woede en loeijende van gramschap.

Er knalden drie geweerschoten.

De drie voorste bisons vielen en rolden over den grond in hunne laatste doodstuipen.

„Het baat ons niet,” riep de Canadees koelbloedig, „wij zijn verloren.”

De bisons rukten steeds voort.

Spoedig echter werd hun de hitte ondragelijk; de rook, door den wind juist in de rigting der manada gevoerd; maakte hen blind; er kwam een oogenblik van stilstand, dat weldra door eene achterwaartsche beweging werd gevolgd.

De jagers zaten met hijgende borst en gespannen blikken te staren naar de bijzonderheden van dit ontzettend tooneel. Het was voor hen eene vraag van leven of dood, een enkel oogenblik kon het beslissen, hun leven hing als aan een zijden draad.

Intusschen drong de manada nog altijd voorwaarts.

De voorste bisons, die den troep aanvoerden, konden den schok der volgenden niet weerstaan; zij werden omgeworpen en vertrapt door degenen die achter hen kwamen; maar dezen, op hunne beurt door de hitte verschrikt, wilden almede terugkeeren; in dezen uitersten nood begonnen eenige bisons links en regts af te zwerven; dit was voldoende; zij werden door meer anderen gevolgd, en nu ontstonden er twee stroomen, de eene regts en de andere links van het vuur, zoodat de manada in tweeën verdeeld, als een hooggezwollen vloed die zijne dijken en dammen verbreekt, andermaal in dolle vaart voortstuwde, om zich aan den oever der rivier te vereenigen en in een gesloten kolom naar den overkant te trekken.

Het was een ontzettend schouwspel, deze verschrikte manada te zien vlugten, onder vreeselijk geloei en in de grootste verwarring, door verscheurende dieren vervolgd en met het brandende pijnbosch in hun midden, als een onheilspellende vuurbaak die hun pad moest verlichten.

De voorste bisons gingen reeds te water, anderen volgden, en de gansche manada begon de rivier in een regte lijn over te zwemmen; weldra zag men de lange donkere massa tegen den anderen oever opklauteren en zich als een reuzenslang over de prairie verspreiden, waar de voorste gelederen spoedig achter het geboomte verdwenen.[36]

De drie vlugtelingen waren gered, dank zij de tegenwoordigheid van geest en de koelbloedigheid van den Canadees; evenwel moesten zij nog twee uren zitten wachten en zich tusschen de takken schuilhouden eer de gansche manada, die uit vele duizenden bestond, de rivier was overgetrokken.

De bisons vervolgden hun koers ter regter- en linkerzijde van het vuur, dat eindelijk bij gebrek aan brandstof begon uit te gaan, maar de rigting was nu eenmaal gegeven en zoodra zij aan den uitgedoofden vuurhaard kwamen, die thans niets meer was dan een aschhoop, scheidde de manada zich in twee kolonnen en stormde ongehinderd voort tot aan de rivier. Eindelijk verscheen de achterhoede, vergezeld en geteisterd door jaguars en wolven, die aan de beide flanken rondsprongen of de manada van achteren bestookten en insloten; en weldra was alles voorbij.

De woestijn, welker stilte voor een poos gestoord was geworden, keerde tot hare gewone kalmte terug, alleen bleef er een breed spoor over, midden door het bosch getrokken en met verpletterde boomen bezaaid, als eenig maar ontzettend bewijs welk eene woeste en ongeregelde troep er was doorgegaan.

De jagers haalden weder vrij adem; thans konden zij zonder gevaar uit hun luchtkasteel afklimmen en veilig op den grond nederdalen.


Back to IndexNext