[Inhoud]XII.EEN GESPREK.Intusschen was de eerste schrik, waarmede de verschijning van den Jaguar de drie grensloopers naar den muur had gedrongen, allengs tot bedaren gekomen; zoodra zij gezien hadden dat de man dien zij sinds lang gewoon waren te vreezen, hen niet scheen te willen deeren, keerde, zoo al niet hun moed, dan toch hunne onbeschaamdheid terug.Ruperto, de vermetelste van de drie, was de eerste die zijne koelbloedigheid herkreeg, en toen hij zag dat de man die hem zooveel schrik had aangejaagd, maar alleen was, en dus de overmagt aan hunne zijde bleef, trad hij stout naar hem toe.„Rayo de dios!” begon hij op brutalen toon, „laat die feeks aan ons over, zij heeft niet alleen verdiend wat er reeds gebeurd is, maar wat meer zegt, de straf die wij onmiddellijk over haar zullen uitspreken.”De Jaguar sprong op alsof hem een slang gestoken had, en den spreker met een dreigenden blik over zijn schouder aanziende, zeide hij:„Zeg! is het tegen mij dat gij zoo spreekt?”„Tegen wien anders?” hernam de andere onbeschaamd, ofschoon hij inwendig reeds begon te beven over de manier waarop zijn uitval scheen te worden opgenomen.„Zoo!” antwoordde de Jaguar, en zonder er een woord meer bij te voegen, trad hij langzaam naar Ruperto, dien hij onder zijn blik als gekluisterd hield en die hem van oogenblik tot oogenblik met klimmenden angst zag naderen.[93]Op een el afstand van den gambusino bleef de jongman staan.Dit tooneel, hoe onbeduidend in schijn, had intusschen voor de omstanders eene vreesselijke beteekenis; aller borst hijgde, en aller voorhoofd was doodsbleek.De Jaguar, insgelijks zoo wit als een doode, met zaamgeknepen lippen, vlammende oogen en gefronste wenkbraauwen, hief den arm op om Ruperto aan te grijpen, die door schrik bevangen, geen lid kon verroeren om zich aan dien arm te onttrekken, ofschoon hij wist dat er zijn leven mede gemoeid was.Plotseling sprong Carmela als eene verschrikte hinde tusschen hen.„O!” riep zij uit, terwijl zij de handen biddend zamenvouwde, „ontferm u over hem; om ’s hemels wil! dood hem niet.”Het gelaat van den jongman veranderde oogenblikkelijk en nam eene uitdrukking van onmiskenbare zachtzinnigheid aan.„Het zij zoo!” zeide hij, „omdat gij het verlangt, zal hij niet sterven; maar hij heeft u beleedigd, Carmela, hij moet gestraft worden. Kniel! ellendeling,” vervolgde hij tegen Ruperto, hem de zware hand op den schouder drukkende: „Kniel neer! zeg ik, en vraag deze engel om vergeving.”Ruperto zakte in elkander meer dan hij knielde onder het gewigt van die ijzeren hand, hij viel voor de voeten van het meisje neer en prevelde met een bevende stem:„Vergeving! vergeving!”„Genoeg!” riep nu de Jaguar op denzelfden vreesselijken toon, „sta op en dank God, dat gij voor ditmaal aan mijne wraak ontsnapt zijt. Open de deur, Carmela!”Het meisje gehoorzaamde.„Te paard!” vervolgde de jongman, „wacht mij aan de Rio-Seco, en niemand van u verzette een voet voor dat ik kom, op straffe des doods; gaat!”De drie gambusinos bogen het hoofd en vertrokken zonder te antwoorden: eenige oogenblikken later hoorde men den doffen galop der paarden op den zandweg zich snel verwijderen.De twee jongelieden bleven in de Venta alleen.De Jaguar zat voor de tafel waar eenige oogenblikken vroeger de drie grensloopers nog zaten te drinken; hij verborg zijn hoofd met de beide handen en scheen in ernstige gedachten verzonken.Carmela beschouwde hem met eene mengeling van schroomvalligheid en vrees, zonder hem een woord te durven toespreken.Eindelijk, na verloop van vrij langen tijd, hief de jongman het hoofd op en zag om zich heen, als ontwaakte hij uit een diepen slaap.[94]„Zijt gij alleen hier gebleven?” vroeg hij haar.„Ja,” antwoordde zij zacht.„Ik dank u, Carmela, gij zijt goed, gij alleen houdt van mij, terwijl al de anderen mij haten.”„Heb ik geen gelijk?”De Jaguar glimlachte droevig, maar antwoordde niet op hare vraag dan door een wedervraag, de gewone taktiek van menschen die hunne gedachten niet willen opleggen.„Zeg mij nu eens ronduit, wat is er toch tusschen u en die armzalige kerels voorgevallen?”Het meisje aarzelde een poos, maar eindelijk nam zij een koen besluit en bekende dat zij den jongen officier had aanbevolen om op zijne hoede te zijn.„Gij deedt er verkeerd aan,” zeide de Jaguar gestreng, „uwe onvoorzigtigheid kan ernstige gevolgen na zich slepen; evenwel kan ik het u niet kwalijk nemen: gij zijt vrouw en weet derhalve van een aantal dingen niets af; maar zeg, zijt gij hier alleen?”„Gansch alleen.”„Welk eene onvoorzigtigheid! Is het mogelijk dat Tranquille u hier alleen kan laten?”„Zijn pligt roept hem op dit oogenblik naar de Mesquito, waar hij binnen weinige dagen eene groote jagt moet houden.”„Zoo! Maar Quoniam had ten minste bij u moeten blijven.”„Hij kon niet, Tranquille had zijne hulp noodig.”„’t Is of er de duivel onder speelt,” riep de Jaguar ontevreden, „men moet wel gek zijn om een jong meisje zoo weken achtereen alleen te laten in een Venta, te midden eener eenzame wildernis.”„Ik was niet alleen, ze hebben Lanzi bij mij gelaten.”„Ah! En waar is hij gebleven?”„Even voor zonsopgang heb ik hem uitgezonden, om eenig wild te schieten.”„O ja! alles heel mooi om te hooren; en zoo zijt gij hier alleen gebleven om ten doel te staan aan de grofheden of mishandelingen van den eersten gemeenen kerel den beste, die goedvindt om u te beleedigen.”„Ik dacht niet dat er eenig gevaar in stak.”„Nu hebt gij het beter leeren inzien, hoop ik?”„O!” riep zij met blijkbaren afschrik, „dat zal nooit meer gebeuren, daar zweer ik op.”„Goed; maar stil! ik geloof dat ik den stap van Lanzi hoor.”[95]Zij luisterde aan de deur.„Ja,” riep zij,„daar komt hij.”Werkelijk kwam de man de kamer binnen.Het was iemand van omtrent veertig jaar, kloek en schrander van uitzigt. Hij had een prachtig damhert om zijne schouders hangen, omtrent op dezelfde wijs als de Zwitsersche jagers een geschoten gems dragen; in zijneregterhandhield hij zijn geweer.Hij scheen min of meer teleurgesteld toen hij den jongen man zag, doch maakte eene ligte buiging en legde zijn wild op tafel.„O, ho!” riep de Jaguar op een toon van vrolijken scherts; „gij schijnt een schoone jagt te hebben gemaakt, Lanzi; zijn er veel damherten in de vallei?”„Ik heb een tijd gekend toen er wat meer waren,” antwoordde hij gemelijk; „maar kom nu eens,” vervolgde hij hoofdschuddend; „het is al wel, als een arme jager er een of twee op een dag schiet.”De jongman glimlachte.„Ze zullen wel eens wederkomen,” zeide hij.„Neen, neen,” riep Lanzi, „als damherten eens zijn afgeschrikt, komen ze niet meer terug naar de streek die zij verlaten hebben; waarom zouden zij zoo dwaas zijn.”„Dan moet gij het maar voor lief nemen, vriend, en u troosten.”„Wel dat doe ik immers al?” bromde hij, zich ontevreden omkeerende.Na deze woordenwisseling nam hij zijn vangst weder op zijne schouders en ging naar eene andere kamer.„Lanzi is van daag niet zeer beminnelijk,” merkte de jongman aan zoodra hij met Carmela alleen was.„Het valt hem tegen, dat hij u hier vindt.”De jongman fronste de wenkbraauwen.„Waarom dat?” vroeg hij.Carmela kreeg een blos en sloeg de oogen neer, zonder te antwoorden.„Ik begrijp het wel,” zeide hij eindelijk; „er is iemand die mij niet gaarne in deze herberg ziet, misschien is hij het wel.”„Waarom hij juist?” vroeg zij, „hij heeft hier immers niets te zeggen.”„Dat is zoo; nu, dan moet het uw vader zijn, raad ik het niet?”Het meisje knikte toestemmend.De Jaguar stond driftig op en trad met groote stappen de zaal der Venta op en neer, met het hoofd op de borst en de handen op den rug. Na deze exercitie, die Carmela met onrustigen blik[96]volgde, eenige minuten te hebben voortgezet, bleef hij plotseling voor haar staan, sloeg de oogen op en vroeg terwijl hij haar scherp in de oogen keek:„En u Carmela, mishaagt het u ook dat ik hier ben?”Het meisje zweeg.„Antwoord,” hervatte hij.„Dat heb ik nooit gezegd,” prevelde zij aarzelend.„Neen,”riep hij met een bitteren glimlach, „maar gij denkt het toch, Carmela, en het ontbreekt u alleen aan den moed om het in mijn aangezigt te zeggen.”Zij hief schielijk het hoofd op.„Gij zijt onregtvaardig jegens mij,” antwoordde zij met zenuwachtige drift, „onregtvaardig en onbillijk. Waarom zou ik u van hier wegwenschen? Nooit hebt gij mij kwaad gedaan, integendeel, ik heb u altijd gereed gevonden om mij te verdedigen; zelfs heden nog hebt gij niet geaarzeld mij voor de mishandelingen te beveiligen daar slechtaards mij mede dreigden.”„Ha! dat bekent gij dus?”„Waarom zou ik het niet bekennen, daar het waarheid is? Houdt gij mij voor ondankbaar?”„Neen, Carmela; maar gij zijt eene vrouw,” riep hij min of meer scherp.„Ik begrijp niet wat gij zeggen wilt, en ik wil het niet begrijpen. Ik alleen hier, als mijn vader, of Quoniam, of wie het ook wezen mag u beschuldigt, neem uwe verdediging op mij. Is het mijne schuld of kan ik het helpen, dat gij door uw karakter en door het geheimzinnig leven dat gij leidt, u buiten de gewone zamenleving sluit? Ben ik verantwoordelijk voor het stilzwijgen, dat gij zoo halstarrig bewaart omtrent alles wat u persoonlijk aangaat? Gij kent mijn vader, gij weet hoe goed, opregt en braaf hij is; menigmaal heeft hij u van ter zijde om eene ronde verklaring aangezocht, maar altijd hebt gij zijne vorderingen afgewezen. Wijt het dus alleen aan u zelven, als men u algemeen zoekt te ontwijken, en gij u zelven eene eenzaamheid schept, maar geenszins aan mij, de eenige persoon die u tot dusver tegen allen heeft durven verdedigen.”„’t Is waar,” antwoordde hij mismoedig, „ik ben een dwaas, ik beken mijn ongelijk jegens u, Carmela, want gij spreekt naar waarheid; onder zoo velen, zijt gij de eenige die altijd goed en zachtzinnig waart tegen den verstooteling die door den algemeenen haat vervolgd wordt.”[97]„Een haat even dom als onregtvaardig.”„En dien gij niet deelt, niet waar?” riep hij onverwachts.„Neen, ik deel dien niet, alleen hindert mij uwe stijfhoofdigheid; want ondanks alles wat men van u vertelt, geloof ik dat gij goed zijt.”„Ik zeg u dank, Carmela; ik wenschte wel u oogenblikkelijk te kunnen bewijzen dat gij gelijk hebt en dat de anderen, die mij lafhartig in mijne afwezigheid bekladden, terwijl zij in mijn bijzijn voor mij sidderen, ongelijk hebben; ongelukkigerwijs is dit voor het tegenwoordige onmogelijk, maar eenmaal hoop ik zal de dag komen, waarop het mij geoorloofd zal zijn mij te laten kennen voor hetgeen ik ben, en het masker af te werpen dat mij bezwaart; en dan.…”„Dan?” herhaalde zij, toen zij zag dat hij ophield.Hij aarzelde een poos.„Dan,” vervolgde hij met eene gesmoorde stem, „dan zou ik u eene vraag willen doen en een verzoek voorstellen.”Het meisje kreeg een ligten blos, maar zich terstond herstellende zag zij hem aan.„Gij zult mij bereid vinden om beiden te beantwoorden,” murmelde zij naauwelijks hoorbaar.„Zoudt gij dat inderdaad?” riep hij met vreugde.„Ik zweer het u.”Een glans van genoegen verhelderde het gelaat van den jongman.„Goed! Carmela,” zeide hij op hartelijken toon, „als het oogenblik daar is, zal ik u aan uwe belofte herinneren.”Zij boog het hoofd ten bewijze van stilzwijgende toestemming.Er volgde een poos stilte. Het meisje ging aan hare huiselijke bezigheid en behandelde die met de luchtigheid en jagende drift die aan de vrouwen bijzonder eigen is; de Jaguar wandelde in de kamer op en neer met een nadenkend gezigt; na eenige minuten opende hij de deur en keek naar buiten.„Ik moet vertrekken,” zeide hij.Zij wierp hem een uitvorschenden blik toe.„Ach!” riep zij.„Ja; o wees zoo goed en zeg aan Lanzi dat hij Santiago voor mij gereed maakt; als ik het hem zelf zeg zal hij het misschien minder graag doen; ik meen gezien te hebben dat ik bij hem uit de gratie ben.”„Ik zal gaan,” zeide zij met een lach.De jongman zag haar na terwijl zij heenging en smoorde een zucht.[98]„Wat zou het toch zijn dat ik gevoel?” mompelde hij zich de hand op het hart drukkende, alsof het hem daar plotseling pijn deed: „Zou het dat zijn wat men liefde noemt? Ik ben dwaas,” vervolgde hij een oogenblik later, „kan ik ooit beminnen, ik, de Jaguar? en zou er iemand zijn kunnen die den verstooteling bemint?”Een bittere grimlach plooide zich om zijne lippen, zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij mompelde norsch:„Ieder heeft zijne taak in de wereld, ik zal de mijne weten te volbrengen.”Carmela keerde terug.„Santiago zal oogenblikkelijk gereed zijn. Zie, daar zijn uwebotas vaqueras(koeherderslaarzen) die Lanzi mij verzocht u te geven.”„Ik dank u,” zeide hij.Hij begon zich nu deze twee lappen geribd leder om de beenen te binden, die in Mexico de plaats van slobkousen, of liever van sloblaarzen vervangen, en dienen moeten om den ruiter tegen het stooten der paarden te beveiligen.Terwijl hij met het eene been op de bank en in gebogen houding zijne botas vastmaakte, beschouwde Carmela hem met alle aandacht, maar tevens met zekere schroomvallige aarzeling.De Jaguar bemerkte het.„Wat schort u?” vroeg hij.„Niets,” stotterde zij.„Gij wilt mij foppen, Carmela, pas op, de tijd is kort, zeg mij de waarheid.”„Nu dan,” antwoordde zij met meer en meer blijkbare aarzeling, „dan wilde ik u iets verzoeken.”„Mij?”„Ja.”„Spreek op,Niña, gaauw, maar gij weet vooruit, dat ik het toesta, wat het ook zij.”„Zweert gij mij dat?”„Ik zweer het u.”„Welnu! wat er ook gebeuren mag, verzoek ik u, zoo gij den kapitein der dragonders ontmoet, die dezen morgen hier was, dat gij hem in uwe bescherming neemt.”De jongman rigtte zich op als een ontspannen veer.„Ha!” riep hij, „het is dus waar wat men mij gezegd heeft?”„Ik weet niet waar gij op doelt, maar ik herhaal u mijne vraag.”[99]„Ik ken den man niet, daar ik hier eerst aankwam toen hij reeds vertrokken was.”„Gij kent hem wel degelijk” hervatte zij ongedwongen. „Waarom zoekt gij een uitvlugt? Als gij de belofte wilt terugnemen die gij mij deedt, spreek dan liever ronduit.”„’t Is goed,” antwoordde hij met eene sombere stem en op een toon van bijtende ironie; „stel u gerust, Carmela, ik zal uw minnaar verdedigen.”En hiermede ijlde hij de zaal uit, aan de hevigste gramschap ten prooi.„O!” riep het meisje terwijl zij op een bank nederzonk en in tranen wegsmolt. „O! te regt noemt men dezen duivel de Jaguar, hij heeft het hart van een tijger.”Zij bedekte haar gelaat met beide handen en begon luid te snikken.Op het zelfde oogenblik hoorde men daar buiten den snellen galop van een paard dat zich verwijderde.
[Inhoud]XII.EEN GESPREK.Intusschen was de eerste schrik, waarmede de verschijning van den Jaguar de drie grensloopers naar den muur had gedrongen, allengs tot bedaren gekomen; zoodra zij gezien hadden dat de man dien zij sinds lang gewoon waren te vreezen, hen niet scheen te willen deeren, keerde, zoo al niet hun moed, dan toch hunne onbeschaamdheid terug.Ruperto, de vermetelste van de drie, was de eerste die zijne koelbloedigheid herkreeg, en toen hij zag dat de man die hem zooveel schrik had aangejaagd, maar alleen was, en dus de overmagt aan hunne zijde bleef, trad hij stout naar hem toe.„Rayo de dios!” begon hij op brutalen toon, „laat die feeks aan ons over, zij heeft niet alleen verdiend wat er reeds gebeurd is, maar wat meer zegt, de straf die wij onmiddellijk over haar zullen uitspreken.”De Jaguar sprong op alsof hem een slang gestoken had, en den spreker met een dreigenden blik over zijn schouder aanziende, zeide hij:„Zeg! is het tegen mij dat gij zoo spreekt?”„Tegen wien anders?” hernam de andere onbeschaamd, ofschoon hij inwendig reeds begon te beven over de manier waarop zijn uitval scheen te worden opgenomen.„Zoo!” antwoordde de Jaguar, en zonder er een woord meer bij te voegen, trad hij langzaam naar Ruperto, dien hij onder zijn blik als gekluisterd hield en die hem van oogenblik tot oogenblik met klimmenden angst zag naderen.[93]Op een el afstand van den gambusino bleef de jongman staan.Dit tooneel, hoe onbeduidend in schijn, had intusschen voor de omstanders eene vreesselijke beteekenis; aller borst hijgde, en aller voorhoofd was doodsbleek.De Jaguar, insgelijks zoo wit als een doode, met zaamgeknepen lippen, vlammende oogen en gefronste wenkbraauwen, hief den arm op om Ruperto aan te grijpen, die door schrik bevangen, geen lid kon verroeren om zich aan dien arm te onttrekken, ofschoon hij wist dat er zijn leven mede gemoeid was.Plotseling sprong Carmela als eene verschrikte hinde tusschen hen.„O!” riep zij uit, terwijl zij de handen biddend zamenvouwde, „ontferm u over hem; om ’s hemels wil! dood hem niet.”Het gelaat van den jongman veranderde oogenblikkelijk en nam eene uitdrukking van onmiskenbare zachtzinnigheid aan.„Het zij zoo!” zeide hij, „omdat gij het verlangt, zal hij niet sterven; maar hij heeft u beleedigd, Carmela, hij moet gestraft worden. Kniel! ellendeling,” vervolgde hij tegen Ruperto, hem de zware hand op den schouder drukkende: „Kniel neer! zeg ik, en vraag deze engel om vergeving.”Ruperto zakte in elkander meer dan hij knielde onder het gewigt van die ijzeren hand, hij viel voor de voeten van het meisje neer en prevelde met een bevende stem:„Vergeving! vergeving!”„Genoeg!” riep nu de Jaguar op denzelfden vreesselijken toon, „sta op en dank God, dat gij voor ditmaal aan mijne wraak ontsnapt zijt. Open de deur, Carmela!”Het meisje gehoorzaamde.„Te paard!” vervolgde de jongman, „wacht mij aan de Rio-Seco, en niemand van u verzette een voet voor dat ik kom, op straffe des doods; gaat!”De drie gambusinos bogen het hoofd en vertrokken zonder te antwoorden: eenige oogenblikken later hoorde men den doffen galop der paarden op den zandweg zich snel verwijderen.De twee jongelieden bleven in de Venta alleen.De Jaguar zat voor de tafel waar eenige oogenblikken vroeger de drie grensloopers nog zaten te drinken; hij verborg zijn hoofd met de beide handen en scheen in ernstige gedachten verzonken.Carmela beschouwde hem met eene mengeling van schroomvalligheid en vrees, zonder hem een woord te durven toespreken.Eindelijk, na verloop van vrij langen tijd, hief de jongman het hoofd op en zag om zich heen, als ontwaakte hij uit een diepen slaap.[94]„Zijt gij alleen hier gebleven?” vroeg hij haar.„Ja,” antwoordde zij zacht.„Ik dank u, Carmela, gij zijt goed, gij alleen houdt van mij, terwijl al de anderen mij haten.”„Heb ik geen gelijk?”De Jaguar glimlachte droevig, maar antwoordde niet op hare vraag dan door een wedervraag, de gewone taktiek van menschen die hunne gedachten niet willen opleggen.„Zeg mij nu eens ronduit, wat is er toch tusschen u en die armzalige kerels voorgevallen?”Het meisje aarzelde een poos, maar eindelijk nam zij een koen besluit en bekende dat zij den jongen officier had aanbevolen om op zijne hoede te zijn.„Gij deedt er verkeerd aan,” zeide de Jaguar gestreng, „uwe onvoorzigtigheid kan ernstige gevolgen na zich slepen; evenwel kan ik het u niet kwalijk nemen: gij zijt vrouw en weet derhalve van een aantal dingen niets af; maar zeg, zijt gij hier alleen?”„Gansch alleen.”„Welk eene onvoorzigtigheid! Is het mogelijk dat Tranquille u hier alleen kan laten?”„Zijn pligt roept hem op dit oogenblik naar de Mesquito, waar hij binnen weinige dagen eene groote jagt moet houden.”„Zoo! Maar Quoniam had ten minste bij u moeten blijven.”„Hij kon niet, Tranquille had zijne hulp noodig.”„’t Is of er de duivel onder speelt,” riep de Jaguar ontevreden, „men moet wel gek zijn om een jong meisje zoo weken achtereen alleen te laten in een Venta, te midden eener eenzame wildernis.”„Ik was niet alleen, ze hebben Lanzi bij mij gelaten.”„Ah! En waar is hij gebleven?”„Even voor zonsopgang heb ik hem uitgezonden, om eenig wild te schieten.”„O ja! alles heel mooi om te hooren; en zoo zijt gij hier alleen gebleven om ten doel te staan aan de grofheden of mishandelingen van den eersten gemeenen kerel den beste, die goedvindt om u te beleedigen.”„Ik dacht niet dat er eenig gevaar in stak.”„Nu hebt gij het beter leeren inzien, hoop ik?”„O!” riep zij met blijkbaren afschrik, „dat zal nooit meer gebeuren, daar zweer ik op.”„Goed; maar stil! ik geloof dat ik den stap van Lanzi hoor.”[95]Zij luisterde aan de deur.„Ja,” riep zij,„daar komt hij.”Werkelijk kwam de man de kamer binnen.Het was iemand van omtrent veertig jaar, kloek en schrander van uitzigt. Hij had een prachtig damhert om zijne schouders hangen, omtrent op dezelfde wijs als de Zwitsersche jagers een geschoten gems dragen; in zijneregterhandhield hij zijn geweer.Hij scheen min of meer teleurgesteld toen hij den jongen man zag, doch maakte eene ligte buiging en legde zijn wild op tafel.„O, ho!” riep de Jaguar op een toon van vrolijken scherts; „gij schijnt een schoone jagt te hebben gemaakt, Lanzi; zijn er veel damherten in de vallei?”„Ik heb een tijd gekend toen er wat meer waren,” antwoordde hij gemelijk; „maar kom nu eens,” vervolgde hij hoofdschuddend; „het is al wel, als een arme jager er een of twee op een dag schiet.”De jongman glimlachte.„Ze zullen wel eens wederkomen,” zeide hij.„Neen, neen,” riep Lanzi, „als damherten eens zijn afgeschrikt, komen ze niet meer terug naar de streek die zij verlaten hebben; waarom zouden zij zoo dwaas zijn.”„Dan moet gij het maar voor lief nemen, vriend, en u troosten.”„Wel dat doe ik immers al?” bromde hij, zich ontevreden omkeerende.Na deze woordenwisseling nam hij zijn vangst weder op zijne schouders en ging naar eene andere kamer.„Lanzi is van daag niet zeer beminnelijk,” merkte de jongman aan zoodra hij met Carmela alleen was.„Het valt hem tegen, dat hij u hier vindt.”De jongman fronste de wenkbraauwen.„Waarom dat?” vroeg hij.Carmela kreeg een blos en sloeg de oogen neer, zonder te antwoorden.„Ik begrijp het wel,” zeide hij eindelijk; „er is iemand die mij niet gaarne in deze herberg ziet, misschien is hij het wel.”„Waarom hij juist?” vroeg zij, „hij heeft hier immers niets te zeggen.”„Dat is zoo; nu, dan moet het uw vader zijn, raad ik het niet?”Het meisje knikte toestemmend.De Jaguar stond driftig op en trad met groote stappen de zaal der Venta op en neer, met het hoofd op de borst en de handen op den rug. Na deze exercitie, die Carmela met onrustigen blik[96]volgde, eenige minuten te hebben voortgezet, bleef hij plotseling voor haar staan, sloeg de oogen op en vroeg terwijl hij haar scherp in de oogen keek:„En u Carmela, mishaagt het u ook dat ik hier ben?”Het meisje zweeg.„Antwoord,” hervatte hij.„Dat heb ik nooit gezegd,” prevelde zij aarzelend.„Neen,”riep hij met een bitteren glimlach, „maar gij denkt het toch, Carmela, en het ontbreekt u alleen aan den moed om het in mijn aangezigt te zeggen.”Zij hief schielijk het hoofd op.„Gij zijt onregtvaardig jegens mij,” antwoordde zij met zenuwachtige drift, „onregtvaardig en onbillijk. Waarom zou ik u van hier wegwenschen? Nooit hebt gij mij kwaad gedaan, integendeel, ik heb u altijd gereed gevonden om mij te verdedigen; zelfs heden nog hebt gij niet geaarzeld mij voor de mishandelingen te beveiligen daar slechtaards mij mede dreigden.”„Ha! dat bekent gij dus?”„Waarom zou ik het niet bekennen, daar het waarheid is? Houdt gij mij voor ondankbaar?”„Neen, Carmela; maar gij zijt eene vrouw,” riep hij min of meer scherp.„Ik begrijp niet wat gij zeggen wilt, en ik wil het niet begrijpen. Ik alleen hier, als mijn vader, of Quoniam, of wie het ook wezen mag u beschuldigt, neem uwe verdediging op mij. Is het mijne schuld of kan ik het helpen, dat gij door uw karakter en door het geheimzinnig leven dat gij leidt, u buiten de gewone zamenleving sluit? Ben ik verantwoordelijk voor het stilzwijgen, dat gij zoo halstarrig bewaart omtrent alles wat u persoonlijk aangaat? Gij kent mijn vader, gij weet hoe goed, opregt en braaf hij is; menigmaal heeft hij u van ter zijde om eene ronde verklaring aangezocht, maar altijd hebt gij zijne vorderingen afgewezen. Wijt het dus alleen aan u zelven, als men u algemeen zoekt te ontwijken, en gij u zelven eene eenzaamheid schept, maar geenszins aan mij, de eenige persoon die u tot dusver tegen allen heeft durven verdedigen.”„’t Is waar,” antwoordde hij mismoedig, „ik ben een dwaas, ik beken mijn ongelijk jegens u, Carmela, want gij spreekt naar waarheid; onder zoo velen, zijt gij de eenige die altijd goed en zachtzinnig waart tegen den verstooteling die door den algemeenen haat vervolgd wordt.”[97]„Een haat even dom als onregtvaardig.”„En dien gij niet deelt, niet waar?” riep hij onverwachts.„Neen, ik deel dien niet, alleen hindert mij uwe stijfhoofdigheid; want ondanks alles wat men van u vertelt, geloof ik dat gij goed zijt.”„Ik zeg u dank, Carmela; ik wenschte wel u oogenblikkelijk te kunnen bewijzen dat gij gelijk hebt en dat de anderen, die mij lafhartig in mijne afwezigheid bekladden, terwijl zij in mijn bijzijn voor mij sidderen, ongelijk hebben; ongelukkigerwijs is dit voor het tegenwoordige onmogelijk, maar eenmaal hoop ik zal de dag komen, waarop het mij geoorloofd zal zijn mij te laten kennen voor hetgeen ik ben, en het masker af te werpen dat mij bezwaart; en dan.…”„Dan?” herhaalde zij, toen zij zag dat hij ophield.Hij aarzelde een poos.„Dan,” vervolgde hij met eene gesmoorde stem, „dan zou ik u eene vraag willen doen en een verzoek voorstellen.”Het meisje kreeg een ligten blos, maar zich terstond herstellende zag zij hem aan.„Gij zult mij bereid vinden om beiden te beantwoorden,” murmelde zij naauwelijks hoorbaar.„Zoudt gij dat inderdaad?” riep hij met vreugde.„Ik zweer het u.”Een glans van genoegen verhelderde het gelaat van den jongman.„Goed! Carmela,” zeide hij op hartelijken toon, „als het oogenblik daar is, zal ik u aan uwe belofte herinneren.”Zij boog het hoofd ten bewijze van stilzwijgende toestemming.Er volgde een poos stilte. Het meisje ging aan hare huiselijke bezigheid en behandelde die met de luchtigheid en jagende drift die aan de vrouwen bijzonder eigen is; de Jaguar wandelde in de kamer op en neer met een nadenkend gezigt; na eenige minuten opende hij de deur en keek naar buiten.„Ik moet vertrekken,” zeide hij.Zij wierp hem een uitvorschenden blik toe.„Ach!” riep zij.„Ja; o wees zoo goed en zeg aan Lanzi dat hij Santiago voor mij gereed maakt; als ik het hem zelf zeg zal hij het misschien minder graag doen; ik meen gezien te hebben dat ik bij hem uit de gratie ben.”„Ik zal gaan,” zeide zij met een lach.De jongman zag haar na terwijl zij heenging en smoorde een zucht.[98]„Wat zou het toch zijn dat ik gevoel?” mompelde hij zich de hand op het hart drukkende, alsof het hem daar plotseling pijn deed: „Zou het dat zijn wat men liefde noemt? Ik ben dwaas,” vervolgde hij een oogenblik later, „kan ik ooit beminnen, ik, de Jaguar? en zou er iemand zijn kunnen die den verstooteling bemint?”Een bittere grimlach plooide zich om zijne lippen, zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij mompelde norsch:„Ieder heeft zijne taak in de wereld, ik zal de mijne weten te volbrengen.”Carmela keerde terug.„Santiago zal oogenblikkelijk gereed zijn. Zie, daar zijn uwebotas vaqueras(koeherderslaarzen) die Lanzi mij verzocht u te geven.”„Ik dank u,” zeide hij.Hij begon zich nu deze twee lappen geribd leder om de beenen te binden, die in Mexico de plaats van slobkousen, of liever van sloblaarzen vervangen, en dienen moeten om den ruiter tegen het stooten der paarden te beveiligen.Terwijl hij met het eene been op de bank en in gebogen houding zijne botas vastmaakte, beschouwde Carmela hem met alle aandacht, maar tevens met zekere schroomvallige aarzeling.De Jaguar bemerkte het.„Wat schort u?” vroeg hij.„Niets,” stotterde zij.„Gij wilt mij foppen, Carmela, pas op, de tijd is kort, zeg mij de waarheid.”„Nu dan,” antwoordde zij met meer en meer blijkbare aarzeling, „dan wilde ik u iets verzoeken.”„Mij?”„Ja.”„Spreek op,Niña, gaauw, maar gij weet vooruit, dat ik het toesta, wat het ook zij.”„Zweert gij mij dat?”„Ik zweer het u.”„Welnu! wat er ook gebeuren mag, verzoek ik u, zoo gij den kapitein der dragonders ontmoet, die dezen morgen hier was, dat gij hem in uwe bescherming neemt.”De jongman rigtte zich op als een ontspannen veer.„Ha!” riep hij, „het is dus waar wat men mij gezegd heeft?”„Ik weet niet waar gij op doelt, maar ik herhaal u mijne vraag.”[99]„Ik ken den man niet, daar ik hier eerst aankwam toen hij reeds vertrokken was.”„Gij kent hem wel degelijk” hervatte zij ongedwongen. „Waarom zoekt gij een uitvlugt? Als gij de belofte wilt terugnemen die gij mij deedt, spreek dan liever ronduit.”„’t Is goed,” antwoordde hij met eene sombere stem en op een toon van bijtende ironie; „stel u gerust, Carmela, ik zal uw minnaar verdedigen.”En hiermede ijlde hij de zaal uit, aan de hevigste gramschap ten prooi.„O!” riep het meisje terwijl zij op een bank nederzonk en in tranen wegsmolt. „O! te regt noemt men dezen duivel de Jaguar, hij heeft het hart van een tijger.”Zij bedekte haar gelaat met beide handen en begon luid te snikken.Op het zelfde oogenblik hoorde men daar buiten den snellen galop van een paard dat zich verwijderde.
XII.EEN GESPREK.
Intusschen was de eerste schrik, waarmede de verschijning van den Jaguar de drie grensloopers naar den muur had gedrongen, allengs tot bedaren gekomen; zoodra zij gezien hadden dat de man dien zij sinds lang gewoon waren te vreezen, hen niet scheen te willen deeren, keerde, zoo al niet hun moed, dan toch hunne onbeschaamdheid terug.Ruperto, de vermetelste van de drie, was de eerste die zijne koelbloedigheid herkreeg, en toen hij zag dat de man die hem zooveel schrik had aangejaagd, maar alleen was, en dus de overmagt aan hunne zijde bleef, trad hij stout naar hem toe.„Rayo de dios!” begon hij op brutalen toon, „laat die feeks aan ons over, zij heeft niet alleen verdiend wat er reeds gebeurd is, maar wat meer zegt, de straf die wij onmiddellijk over haar zullen uitspreken.”De Jaguar sprong op alsof hem een slang gestoken had, en den spreker met een dreigenden blik over zijn schouder aanziende, zeide hij:„Zeg! is het tegen mij dat gij zoo spreekt?”„Tegen wien anders?” hernam de andere onbeschaamd, ofschoon hij inwendig reeds begon te beven over de manier waarop zijn uitval scheen te worden opgenomen.„Zoo!” antwoordde de Jaguar, en zonder er een woord meer bij te voegen, trad hij langzaam naar Ruperto, dien hij onder zijn blik als gekluisterd hield en die hem van oogenblik tot oogenblik met klimmenden angst zag naderen.[93]Op een el afstand van den gambusino bleef de jongman staan.Dit tooneel, hoe onbeduidend in schijn, had intusschen voor de omstanders eene vreesselijke beteekenis; aller borst hijgde, en aller voorhoofd was doodsbleek.De Jaguar, insgelijks zoo wit als een doode, met zaamgeknepen lippen, vlammende oogen en gefronste wenkbraauwen, hief den arm op om Ruperto aan te grijpen, die door schrik bevangen, geen lid kon verroeren om zich aan dien arm te onttrekken, ofschoon hij wist dat er zijn leven mede gemoeid was.Plotseling sprong Carmela als eene verschrikte hinde tusschen hen.„O!” riep zij uit, terwijl zij de handen biddend zamenvouwde, „ontferm u over hem; om ’s hemels wil! dood hem niet.”Het gelaat van den jongman veranderde oogenblikkelijk en nam eene uitdrukking van onmiskenbare zachtzinnigheid aan.„Het zij zoo!” zeide hij, „omdat gij het verlangt, zal hij niet sterven; maar hij heeft u beleedigd, Carmela, hij moet gestraft worden. Kniel! ellendeling,” vervolgde hij tegen Ruperto, hem de zware hand op den schouder drukkende: „Kniel neer! zeg ik, en vraag deze engel om vergeving.”Ruperto zakte in elkander meer dan hij knielde onder het gewigt van die ijzeren hand, hij viel voor de voeten van het meisje neer en prevelde met een bevende stem:„Vergeving! vergeving!”„Genoeg!” riep nu de Jaguar op denzelfden vreesselijken toon, „sta op en dank God, dat gij voor ditmaal aan mijne wraak ontsnapt zijt. Open de deur, Carmela!”Het meisje gehoorzaamde.„Te paard!” vervolgde de jongman, „wacht mij aan de Rio-Seco, en niemand van u verzette een voet voor dat ik kom, op straffe des doods; gaat!”De drie gambusinos bogen het hoofd en vertrokken zonder te antwoorden: eenige oogenblikken later hoorde men den doffen galop der paarden op den zandweg zich snel verwijderen.De twee jongelieden bleven in de Venta alleen.De Jaguar zat voor de tafel waar eenige oogenblikken vroeger de drie grensloopers nog zaten te drinken; hij verborg zijn hoofd met de beide handen en scheen in ernstige gedachten verzonken.Carmela beschouwde hem met eene mengeling van schroomvalligheid en vrees, zonder hem een woord te durven toespreken.Eindelijk, na verloop van vrij langen tijd, hief de jongman het hoofd op en zag om zich heen, als ontwaakte hij uit een diepen slaap.[94]„Zijt gij alleen hier gebleven?” vroeg hij haar.„Ja,” antwoordde zij zacht.„Ik dank u, Carmela, gij zijt goed, gij alleen houdt van mij, terwijl al de anderen mij haten.”„Heb ik geen gelijk?”De Jaguar glimlachte droevig, maar antwoordde niet op hare vraag dan door een wedervraag, de gewone taktiek van menschen die hunne gedachten niet willen opleggen.„Zeg mij nu eens ronduit, wat is er toch tusschen u en die armzalige kerels voorgevallen?”Het meisje aarzelde een poos, maar eindelijk nam zij een koen besluit en bekende dat zij den jongen officier had aanbevolen om op zijne hoede te zijn.„Gij deedt er verkeerd aan,” zeide de Jaguar gestreng, „uwe onvoorzigtigheid kan ernstige gevolgen na zich slepen; evenwel kan ik het u niet kwalijk nemen: gij zijt vrouw en weet derhalve van een aantal dingen niets af; maar zeg, zijt gij hier alleen?”„Gansch alleen.”„Welk eene onvoorzigtigheid! Is het mogelijk dat Tranquille u hier alleen kan laten?”„Zijn pligt roept hem op dit oogenblik naar de Mesquito, waar hij binnen weinige dagen eene groote jagt moet houden.”„Zoo! Maar Quoniam had ten minste bij u moeten blijven.”„Hij kon niet, Tranquille had zijne hulp noodig.”„’t Is of er de duivel onder speelt,” riep de Jaguar ontevreden, „men moet wel gek zijn om een jong meisje zoo weken achtereen alleen te laten in een Venta, te midden eener eenzame wildernis.”„Ik was niet alleen, ze hebben Lanzi bij mij gelaten.”„Ah! En waar is hij gebleven?”„Even voor zonsopgang heb ik hem uitgezonden, om eenig wild te schieten.”„O ja! alles heel mooi om te hooren; en zoo zijt gij hier alleen gebleven om ten doel te staan aan de grofheden of mishandelingen van den eersten gemeenen kerel den beste, die goedvindt om u te beleedigen.”„Ik dacht niet dat er eenig gevaar in stak.”„Nu hebt gij het beter leeren inzien, hoop ik?”„O!” riep zij met blijkbaren afschrik, „dat zal nooit meer gebeuren, daar zweer ik op.”„Goed; maar stil! ik geloof dat ik den stap van Lanzi hoor.”[95]Zij luisterde aan de deur.„Ja,” riep zij,„daar komt hij.”Werkelijk kwam de man de kamer binnen.Het was iemand van omtrent veertig jaar, kloek en schrander van uitzigt. Hij had een prachtig damhert om zijne schouders hangen, omtrent op dezelfde wijs als de Zwitsersche jagers een geschoten gems dragen; in zijneregterhandhield hij zijn geweer.Hij scheen min of meer teleurgesteld toen hij den jongen man zag, doch maakte eene ligte buiging en legde zijn wild op tafel.„O, ho!” riep de Jaguar op een toon van vrolijken scherts; „gij schijnt een schoone jagt te hebben gemaakt, Lanzi; zijn er veel damherten in de vallei?”„Ik heb een tijd gekend toen er wat meer waren,” antwoordde hij gemelijk; „maar kom nu eens,” vervolgde hij hoofdschuddend; „het is al wel, als een arme jager er een of twee op een dag schiet.”De jongman glimlachte.„Ze zullen wel eens wederkomen,” zeide hij.„Neen, neen,” riep Lanzi, „als damherten eens zijn afgeschrikt, komen ze niet meer terug naar de streek die zij verlaten hebben; waarom zouden zij zoo dwaas zijn.”„Dan moet gij het maar voor lief nemen, vriend, en u troosten.”„Wel dat doe ik immers al?” bromde hij, zich ontevreden omkeerende.Na deze woordenwisseling nam hij zijn vangst weder op zijne schouders en ging naar eene andere kamer.„Lanzi is van daag niet zeer beminnelijk,” merkte de jongman aan zoodra hij met Carmela alleen was.„Het valt hem tegen, dat hij u hier vindt.”De jongman fronste de wenkbraauwen.„Waarom dat?” vroeg hij.Carmela kreeg een blos en sloeg de oogen neer, zonder te antwoorden.„Ik begrijp het wel,” zeide hij eindelijk; „er is iemand die mij niet gaarne in deze herberg ziet, misschien is hij het wel.”„Waarom hij juist?” vroeg zij, „hij heeft hier immers niets te zeggen.”„Dat is zoo; nu, dan moet het uw vader zijn, raad ik het niet?”Het meisje knikte toestemmend.De Jaguar stond driftig op en trad met groote stappen de zaal der Venta op en neer, met het hoofd op de borst en de handen op den rug. Na deze exercitie, die Carmela met onrustigen blik[96]volgde, eenige minuten te hebben voortgezet, bleef hij plotseling voor haar staan, sloeg de oogen op en vroeg terwijl hij haar scherp in de oogen keek:„En u Carmela, mishaagt het u ook dat ik hier ben?”Het meisje zweeg.„Antwoord,” hervatte hij.„Dat heb ik nooit gezegd,” prevelde zij aarzelend.„Neen,”riep hij met een bitteren glimlach, „maar gij denkt het toch, Carmela, en het ontbreekt u alleen aan den moed om het in mijn aangezigt te zeggen.”Zij hief schielijk het hoofd op.„Gij zijt onregtvaardig jegens mij,” antwoordde zij met zenuwachtige drift, „onregtvaardig en onbillijk. Waarom zou ik u van hier wegwenschen? Nooit hebt gij mij kwaad gedaan, integendeel, ik heb u altijd gereed gevonden om mij te verdedigen; zelfs heden nog hebt gij niet geaarzeld mij voor de mishandelingen te beveiligen daar slechtaards mij mede dreigden.”„Ha! dat bekent gij dus?”„Waarom zou ik het niet bekennen, daar het waarheid is? Houdt gij mij voor ondankbaar?”„Neen, Carmela; maar gij zijt eene vrouw,” riep hij min of meer scherp.„Ik begrijp niet wat gij zeggen wilt, en ik wil het niet begrijpen. Ik alleen hier, als mijn vader, of Quoniam, of wie het ook wezen mag u beschuldigt, neem uwe verdediging op mij. Is het mijne schuld of kan ik het helpen, dat gij door uw karakter en door het geheimzinnig leven dat gij leidt, u buiten de gewone zamenleving sluit? Ben ik verantwoordelijk voor het stilzwijgen, dat gij zoo halstarrig bewaart omtrent alles wat u persoonlijk aangaat? Gij kent mijn vader, gij weet hoe goed, opregt en braaf hij is; menigmaal heeft hij u van ter zijde om eene ronde verklaring aangezocht, maar altijd hebt gij zijne vorderingen afgewezen. Wijt het dus alleen aan u zelven, als men u algemeen zoekt te ontwijken, en gij u zelven eene eenzaamheid schept, maar geenszins aan mij, de eenige persoon die u tot dusver tegen allen heeft durven verdedigen.”„’t Is waar,” antwoordde hij mismoedig, „ik ben een dwaas, ik beken mijn ongelijk jegens u, Carmela, want gij spreekt naar waarheid; onder zoo velen, zijt gij de eenige die altijd goed en zachtzinnig waart tegen den verstooteling die door den algemeenen haat vervolgd wordt.”[97]„Een haat even dom als onregtvaardig.”„En dien gij niet deelt, niet waar?” riep hij onverwachts.„Neen, ik deel dien niet, alleen hindert mij uwe stijfhoofdigheid; want ondanks alles wat men van u vertelt, geloof ik dat gij goed zijt.”„Ik zeg u dank, Carmela; ik wenschte wel u oogenblikkelijk te kunnen bewijzen dat gij gelijk hebt en dat de anderen, die mij lafhartig in mijne afwezigheid bekladden, terwijl zij in mijn bijzijn voor mij sidderen, ongelijk hebben; ongelukkigerwijs is dit voor het tegenwoordige onmogelijk, maar eenmaal hoop ik zal de dag komen, waarop het mij geoorloofd zal zijn mij te laten kennen voor hetgeen ik ben, en het masker af te werpen dat mij bezwaart; en dan.…”„Dan?” herhaalde zij, toen zij zag dat hij ophield.Hij aarzelde een poos.„Dan,” vervolgde hij met eene gesmoorde stem, „dan zou ik u eene vraag willen doen en een verzoek voorstellen.”Het meisje kreeg een ligten blos, maar zich terstond herstellende zag zij hem aan.„Gij zult mij bereid vinden om beiden te beantwoorden,” murmelde zij naauwelijks hoorbaar.„Zoudt gij dat inderdaad?” riep hij met vreugde.„Ik zweer het u.”Een glans van genoegen verhelderde het gelaat van den jongman.„Goed! Carmela,” zeide hij op hartelijken toon, „als het oogenblik daar is, zal ik u aan uwe belofte herinneren.”Zij boog het hoofd ten bewijze van stilzwijgende toestemming.Er volgde een poos stilte. Het meisje ging aan hare huiselijke bezigheid en behandelde die met de luchtigheid en jagende drift die aan de vrouwen bijzonder eigen is; de Jaguar wandelde in de kamer op en neer met een nadenkend gezigt; na eenige minuten opende hij de deur en keek naar buiten.„Ik moet vertrekken,” zeide hij.Zij wierp hem een uitvorschenden blik toe.„Ach!” riep zij.„Ja; o wees zoo goed en zeg aan Lanzi dat hij Santiago voor mij gereed maakt; als ik het hem zelf zeg zal hij het misschien minder graag doen; ik meen gezien te hebben dat ik bij hem uit de gratie ben.”„Ik zal gaan,” zeide zij met een lach.De jongman zag haar na terwijl zij heenging en smoorde een zucht.[98]„Wat zou het toch zijn dat ik gevoel?” mompelde hij zich de hand op het hart drukkende, alsof het hem daar plotseling pijn deed: „Zou het dat zijn wat men liefde noemt? Ik ben dwaas,” vervolgde hij een oogenblik later, „kan ik ooit beminnen, ik, de Jaguar? en zou er iemand zijn kunnen die den verstooteling bemint?”Een bittere grimlach plooide zich om zijne lippen, zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij mompelde norsch:„Ieder heeft zijne taak in de wereld, ik zal de mijne weten te volbrengen.”Carmela keerde terug.„Santiago zal oogenblikkelijk gereed zijn. Zie, daar zijn uwebotas vaqueras(koeherderslaarzen) die Lanzi mij verzocht u te geven.”„Ik dank u,” zeide hij.Hij begon zich nu deze twee lappen geribd leder om de beenen te binden, die in Mexico de plaats van slobkousen, of liever van sloblaarzen vervangen, en dienen moeten om den ruiter tegen het stooten der paarden te beveiligen.Terwijl hij met het eene been op de bank en in gebogen houding zijne botas vastmaakte, beschouwde Carmela hem met alle aandacht, maar tevens met zekere schroomvallige aarzeling.De Jaguar bemerkte het.„Wat schort u?” vroeg hij.„Niets,” stotterde zij.„Gij wilt mij foppen, Carmela, pas op, de tijd is kort, zeg mij de waarheid.”„Nu dan,” antwoordde zij met meer en meer blijkbare aarzeling, „dan wilde ik u iets verzoeken.”„Mij?”„Ja.”„Spreek op,Niña, gaauw, maar gij weet vooruit, dat ik het toesta, wat het ook zij.”„Zweert gij mij dat?”„Ik zweer het u.”„Welnu! wat er ook gebeuren mag, verzoek ik u, zoo gij den kapitein der dragonders ontmoet, die dezen morgen hier was, dat gij hem in uwe bescherming neemt.”De jongman rigtte zich op als een ontspannen veer.„Ha!” riep hij, „het is dus waar wat men mij gezegd heeft?”„Ik weet niet waar gij op doelt, maar ik herhaal u mijne vraag.”[99]„Ik ken den man niet, daar ik hier eerst aankwam toen hij reeds vertrokken was.”„Gij kent hem wel degelijk” hervatte zij ongedwongen. „Waarom zoekt gij een uitvlugt? Als gij de belofte wilt terugnemen die gij mij deedt, spreek dan liever ronduit.”„’t Is goed,” antwoordde hij met eene sombere stem en op een toon van bijtende ironie; „stel u gerust, Carmela, ik zal uw minnaar verdedigen.”En hiermede ijlde hij de zaal uit, aan de hevigste gramschap ten prooi.„O!” riep het meisje terwijl zij op een bank nederzonk en in tranen wegsmolt. „O! te regt noemt men dezen duivel de Jaguar, hij heeft het hart van een tijger.”Zij bedekte haar gelaat met beide handen en begon luid te snikken.Op het zelfde oogenblik hoorde men daar buiten den snellen galop van een paard dat zich verwijderde.
Intusschen was de eerste schrik, waarmede de verschijning van den Jaguar de drie grensloopers naar den muur had gedrongen, allengs tot bedaren gekomen; zoodra zij gezien hadden dat de man dien zij sinds lang gewoon waren te vreezen, hen niet scheen te willen deeren, keerde, zoo al niet hun moed, dan toch hunne onbeschaamdheid terug.
Ruperto, de vermetelste van de drie, was de eerste die zijne koelbloedigheid herkreeg, en toen hij zag dat de man die hem zooveel schrik had aangejaagd, maar alleen was, en dus de overmagt aan hunne zijde bleef, trad hij stout naar hem toe.
„Rayo de dios!” begon hij op brutalen toon, „laat die feeks aan ons over, zij heeft niet alleen verdiend wat er reeds gebeurd is, maar wat meer zegt, de straf die wij onmiddellijk over haar zullen uitspreken.”
De Jaguar sprong op alsof hem een slang gestoken had, en den spreker met een dreigenden blik over zijn schouder aanziende, zeide hij:
„Zeg! is het tegen mij dat gij zoo spreekt?”
„Tegen wien anders?” hernam de andere onbeschaamd, ofschoon hij inwendig reeds begon te beven over de manier waarop zijn uitval scheen te worden opgenomen.
„Zoo!” antwoordde de Jaguar, en zonder er een woord meer bij te voegen, trad hij langzaam naar Ruperto, dien hij onder zijn blik als gekluisterd hield en die hem van oogenblik tot oogenblik met klimmenden angst zag naderen.[93]
Op een el afstand van den gambusino bleef de jongman staan.
Dit tooneel, hoe onbeduidend in schijn, had intusschen voor de omstanders eene vreesselijke beteekenis; aller borst hijgde, en aller voorhoofd was doodsbleek.
De Jaguar, insgelijks zoo wit als een doode, met zaamgeknepen lippen, vlammende oogen en gefronste wenkbraauwen, hief den arm op om Ruperto aan te grijpen, die door schrik bevangen, geen lid kon verroeren om zich aan dien arm te onttrekken, ofschoon hij wist dat er zijn leven mede gemoeid was.
Plotseling sprong Carmela als eene verschrikte hinde tusschen hen.
„O!” riep zij uit, terwijl zij de handen biddend zamenvouwde, „ontferm u over hem; om ’s hemels wil! dood hem niet.”
Het gelaat van den jongman veranderde oogenblikkelijk en nam eene uitdrukking van onmiskenbare zachtzinnigheid aan.
„Het zij zoo!” zeide hij, „omdat gij het verlangt, zal hij niet sterven; maar hij heeft u beleedigd, Carmela, hij moet gestraft worden. Kniel! ellendeling,” vervolgde hij tegen Ruperto, hem de zware hand op den schouder drukkende: „Kniel neer! zeg ik, en vraag deze engel om vergeving.”
Ruperto zakte in elkander meer dan hij knielde onder het gewigt van die ijzeren hand, hij viel voor de voeten van het meisje neer en prevelde met een bevende stem:
„Vergeving! vergeving!”
„Genoeg!” riep nu de Jaguar op denzelfden vreesselijken toon, „sta op en dank God, dat gij voor ditmaal aan mijne wraak ontsnapt zijt. Open de deur, Carmela!”
Het meisje gehoorzaamde.
„Te paard!” vervolgde de jongman, „wacht mij aan de Rio-Seco, en niemand van u verzette een voet voor dat ik kom, op straffe des doods; gaat!”
De drie gambusinos bogen het hoofd en vertrokken zonder te antwoorden: eenige oogenblikken later hoorde men den doffen galop der paarden op den zandweg zich snel verwijderen.
De twee jongelieden bleven in de Venta alleen.
De Jaguar zat voor de tafel waar eenige oogenblikken vroeger de drie grensloopers nog zaten te drinken; hij verborg zijn hoofd met de beide handen en scheen in ernstige gedachten verzonken.
Carmela beschouwde hem met eene mengeling van schroomvalligheid en vrees, zonder hem een woord te durven toespreken.
Eindelijk, na verloop van vrij langen tijd, hief de jongman het hoofd op en zag om zich heen, als ontwaakte hij uit een diepen slaap.[94]
„Zijt gij alleen hier gebleven?” vroeg hij haar.
„Ja,” antwoordde zij zacht.
„Ik dank u, Carmela, gij zijt goed, gij alleen houdt van mij, terwijl al de anderen mij haten.”
„Heb ik geen gelijk?”
De Jaguar glimlachte droevig, maar antwoordde niet op hare vraag dan door een wedervraag, de gewone taktiek van menschen die hunne gedachten niet willen opleggen.
„Zeg mij nu eens ronduit, wat is er toch tusschen u en die armzalige kerels voorgevallen?”
Het meisje aarzelde een poos, maar eindelijk nam zij een koen besluit en bekende dat zij den jongen officier had aanbevolen om op zijne hoede te zijn.
„Gij deedt er verkeerd aan,” zeide de Jaguar gestreng, „uwe onvoorzigtigheid kan ernstige gevolgen na zich slepen; evenwel kan ik het u niet kwalijk nemen: gij zijt vrouw en weet derhalve van een aantal dingen niets af; maar zeg, zijt gij hier alleen?”
„Gansch alleen.”
„Welk eene onvoorzigtigheid! Is het mogelijk dat Tranquille u hier alleen kan laten?”
„Zijn pligt roept hem op dit oogenblik naar de Mesquito, waar hij binnen weinige dagen eene groote jagt moet houden.”
„Zoo! Maar Quoniam had ten minste bij u moeten blijven.”
„Hij kon niet, Tranquille had zijne hulp noodig.”
„’t Is of er de duivel onder speelt,” riep de Jaguar ontevreden, „men moet wel gek zijn om een jong meisje zoo weken achtereen alleen te laten in een Venta, te midden eener eenzame wildernis.”
„Ik was niet alleen, ze hebben Lanzi bij mij gelaten.”
„Ah! En waar is hij gebleven?”
„Even voor zonsopgang heb ik hem uitgezonden, om eenig wild te schieten.”
„O ja! alles heel mooi om te hooren; en zoo zijt gij hier alleen gebleven om ten doel te staan aan de grofheden of mishandelingen van den eersten gemeenen kerel den beste, die goedvindt om u te beleedigen.”
„Ik dacht niet dat er eenig gevaar in stak.”
„Nu hebt gij het beter leeren inzien, hoop ik?”
„O!” riep zij met blijkbaren afschrik, „dat zal nooit meer gebeuren, daar zweer ik op.”
„Goed; maar stil! ik geloof dat ik den stap van Lanzi hoor.”[95]
Zij luisterde aan de deur.
„Ja,” riep zij,„daar komt hij.”
Werkelijk kwam de man de kamer binnen.
Het was iemand van omtrent veertig jaar, kloek en schrander van uitzigt. Hij had een prachtig damhert om zijne schouders hangen, omtrent op dezelfde wijs als de Zwitsersche jagers een geschoten gems dragen; in zijneregterhandhield hij zijn geweer.
Hij scheen min of meer teleurgesteld toen hij den jongen man zag, doch maakte eene ligte buiging en legde zijn wild op tafel.
„O, ho!” riep de Jaguar op een toon van vrolijken scherts; „gij schijnt een schoone jagt te hebben gemaakt, Lanzi; zijn er veel damherten in de vallei?”
„Ik heb een tijd gekend toen er wat meer waren,” antwoordde hij gemelijk; „maar kom nu eens,” vervolgde hij hoofdschuddend; „het is al wel, als een arme jager er een of twee op een dag schiet.”
De jongman glimlachte.
„Ze zullen wel eens wederkomen,” zeide hij.
„Neen, neen,” riep Lanzi, „als damherten eens zijn afgeschrikt, komen ze niet meer terug naar de streek die zij verlaten hebben; waarom zouden zij zoo dwaas zijn.”
„Dan moet gij het maar voor lief nemen, vriend, en u troosten.”
„Wel dat doe ik immers al?” bromde hij, zich ontevreden omkeerende.
Na deze woordenwisseling nam hij zijn vangst weder op zijne schouders en ging naar eene andere kamer.
„Lanzi is van daag niet zeer beminnelijk,” merkte de jongman aan zoodra hij met Carmela alleen was.
„Het valt hem tegen, dat hij u hier vindt.”
De jongman fronste de wenkbraauwen.
„Waarom dat?” vroeg hij.
Carmela kreeg een blos en sloeg de oogen neer, zonder te antwoorden.
„Ik begrijp het wel,” zeide hij eindelijk; „er is iemand die mij niet gaarne in deze herberg ziet, misschien is hij het wel.”
„Waarom hij juist?” vroeg zij, „hij heeft hier immers niets te zeggen.”
„Dat is zoo; nu, dan moet het uw vader zijn, raad ik het niet?”
Het meisje knikte toestemmend.
De Jaguar stond driftig op en trad met groote stappen de zaal der Venta op en neer, met het hoofd op de borst en de handen op den rug. Na deze exercitie, die Carmela met onrustigen blik[96]volgde, eenige minuten te hebben voortgezet, bleef hij plotseling voor haar staan, sloeg de oogen op en vroeg terwijl hij haar scherp in de oogen keek:
„En u Carmela, mishaagt het u ook dat ik hier ben?”
Het meisje zweeg.
„Antwoord,” hervatte hij.
„Dat heb ik nooit gezegd,” prevelde zij aarzelend.
„Neen,”riep hij met een bitteren glimlach, „maar gij denkt het toch, Carmela, en het ontbreekt u alleen aan den moed om het in mijn aangezigt te zeggen.”
Zij hief schielijk het hoofd op.
„Gij zijt onregtvaardig jegens mij,” antwoordde zij met zenuwachtige drift, „onregtvaardig en onbillijk. Waarom zou ik u van hier wegwenschen? Nooit hebt gij mij kwaad gedaan, integendeel, ik heb u altijd gereed gevonden om mij te verdedigen; zelfs heden nog hebt gij niet geaarzeld mij voor de mishandelingen te beveiligen daar slechtaards mij mede dreigden.”
„Ha! dat bekent gij dus?”
„Waarom zou ik het niet bekennen, daar het waarheid is? Houdt gij mij voor ondankbaar?”
„Neen, Carmela; maar gij zijt eene vrouw,” riep hij min of meer scherp.
„Ik begrijp niet wat gij zeggen wilt, en ik wil het niet begrijpen. Ik alleen hier, als mijn vader, of Quoniam, of wie het ook wezen mag u beschuldigt, neem uwe verdediging op mij. Is het mijne schuld of kan ik het helpen, dat gij door uw karakter en door het geheimzinnig leven dat gij leidt, u buiten de gewone zamenleving sluit? Ben ik verantwoordelijk voor het stilzwijgen, dat gij zoo halstarrig bewaart omtrent alles wat u persoonlijk aangaat? Gij kent mijn vader, gij weet hoe goed, opregt en braaf hij is; menigmaal heeft hij u van ter zijde om eene ronde verklaring aangezocht, maar altijd hebt gij zijne vorderingen afgewezen. Wijt het dus alleen aan u zelven, als men u algemeen zoekt te ontwijken, en gij u zelven eene eenzaamheid schept, maar geenszins aan mij, de eenige persoon die u tot dusver tegen allen heeft durven verdedigen.”
„’t Is waar,” antwoordde hij mismoedig, „ik ben een dwaas, ik beken mijn ongelijk jegens u, Carmela, want gij spreekt naar waarheid; onder zoo velen, zijt gij de eenige die altijd goed en zachtzinnig waart tegen den verstooteling die door den algemeenen haat vervolgd wordt.”[97]
„Een haat even dom als onregtvaardig.”
„En dien gij niet deelt, niet waar?” riep hij onverwachts.
„Neen, ik deel dien niet, alleen hindert mij uwe stijfhoofdigheid; want ondanks alles wat men van u vertelt, geloof ik dat gij goed zijt.”
„Ik zeg u dank, Carmela; ik wenschte wel u oogenblikkelijk te kunnen bewijzen dat gij gelijk hebt en dat de anderen, die mij lafhartig in mijne afwezigheid bekladden, terwijl zij in mijn bijzijn voor mij sidderen, ongelijk hebben; ongelukkigerwijs is dit voor het tegenwoordige onmogelijk, maar eenmaal hoop ik zal de dag komen, waarop het mij geoorloofd zal zijn mij te laten kennen voor hetgeen ik ben, en het masker af te werpen dat mij bezwaart; en dan.…”
„Dan?” herhaalde zij, toen zij zag dat hij ophield.
Hij aarzelde een poos.
„Dan,” vervolgde hij met eene gesmoorde stem, „dan zou ik u eene vraag willen doen en een verzoek voorstellen.”
Het meisje kreeg een ligten blos, maar zich terstond herstellende zag zij hem aan.
„Gij zult mij bereid vinden om beiden te beantwoorden,” murmelde zij naauwelijks hoorbaar.
„Zoudt gij dat inderdaad?” riep hij met vreugde.
„Ik zweer het u.”
Een glans van genoegen verhelderde het gelaat van den jongman.
„Goed! Carmela,” zeide hij op hartelijken toon, „als het oogenblik daar is, zal ik u aan uwe belofte herinneren.”
Zij boog het hoofd ten bewijze van stilzwijgende toestemming.
Er volgde een poos stilte. Het meisje ging aan hare huiselijke bezigheid en behandelde die met de luchtigheid en jagende drift die aan de vrouwen bijzonder eigen is; de Jaguar wandelde in de kamer op en neer met een nadenkend gezigt; na eenige minuten opende hij de deur en keek naar buiten.
„Ik moet vertrekken,” zeide hij.
Zij wierp hem een uitvorschenden blik toe.
„Ach!” riep zij.
„Ja; o wees zoo goed en zeg aan Lanzi dat hij Santiago voor mij gereed maakt; als ik het hem zelf zeg zal hij het misschien minder graag doen; ik meen gezien te hebben dat ik bij hem uit de gratie ben.”
„Ik zal gaan,” zeide zij met een lach.
De jongman zag haar na terwijl zij heenging en smoorde een zucht.[98]
„Wat zou het toch zijn dat ik gevoel?” mompelde hij zich de hand op het hart drukkende, alsof het hem daar plotseling pijn deed: „Zou het dat zijn wat men liefde noemt? Ik ben dwaas,” vervolgde hij een oogenblik later, „kan ik ooit beminnen, ik, de Jaguar? en zou er iemand zijn kunnen die den verstooteling bemint?”
Een bittere grimlach plooide zich om zijne lippen, zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij mompelde norsch:
„Ieder heeft zijne taak in de wereld, ik zal de mijne weten te volbrengen.”
Carmela keerde terug.
„Santiago zal oogenblikkelijk gereed zijn. Zie, daar zijn uwebotas vaqueras(koeherderslaarzen) die Lanzi mij verzocht u te geven.”
„Ik dank u,” zeide hij.
Hij begon zich nu deze twee lappen geribd leder om de beenen te binden, die in Mexico de plaats van slobkousen, of liever van sloblaarzen vervangen, en dienen moeten om den ruiter tegen het stooten der paarden te beveiligen.
Terwijl hij met het eene been op de bank en in gebogen houding zijne botas vastmaakte, beschouwde Carmela hem met alle aandacht, maar tevens met zekere schroomvallige aarzeling.
De Jaguar bemerkte het.
„Wat schort u?” vroeg hij.
„Niets,” stotterde zij.
„Gij wilt mij foppen, Carmela, pas op, de tijd is kort, zeg mij de waarheid.”
„Nu dan,” antwoordde zij met meer en meer blijkbare aarzeling, „dan wilde ik u iets verzoeken.”
„Mij?”
„Ja.”
„Spreek op,Niña, gaauw, maar gij weet vooruit, dat ik het toesta, wat het ook zij.”
„Zweert gij mij dat?”
„Ik zweer het u.”
„Welnu! wat er ook gebeuren mag, verzoek ik u, zoo gij den kapitein der dragonders ontmoet, die dezen morgen hier was, dat gij hem in uwe bescherming neemt.”
De jongman rigtte zich op als een ontspannen veer.
„Ha!” riep hij, „het is dus waar wat men mij gezegd heeft?”
„Ik weet niet waar gij op doelt, maar ik herhaal u mijne vraag.”[99]
„Ik ken den man niet, daar ik hier eerst aankwam toen hij reeds vertrokken was.”
„Gij kent hem wel degelijk” hervatte zij ongedwongen. „Waarom zoekt gij een uitvlugt? Als gij de belofte wilt terugnemen die gij mij deedt, spreek dan liever ronduit.”
„’t Is goed,” antwoordde hij met eene sombere stem en op een toon van bijtende ironie; „stel u gerust, Carmela, ik zal uw minnaar verdedigen.”
En hiermede ijlde hij de zaal uit, aan de hevigste gramschap ten prooi.
„O!” riep het meisje terwijl zij op een bank nederzonk en in tranen wegsmolt. „O! te regt noemt men dezen duivel de Jaguar, hij heeft het hart van een tijger.”
Zij bedekte haar gelaat met beide handen en begon luid te snikken.
Op het zelfde oogenblik hoorde men daar buiten den snellen galop van een paard dat zich verwijderde.