[Inhoud]XVI.POLITIEK OVERZIGT.Eer wij verder gaan, zullen wij met een paar woorden den staatkundigen toestand van Texas beschrijven, op het tijdstip waarmede ons verhaal begint. Gedurende al den tijd der Spaansche overheersching, hebben de Texanen hunne vrijheid gewapenderhand verdedigd; maar eindelijk, na met afwisselend succes gestreden te hebben, werden zij geheel ten onder gebragt in den slag van Medina, op den noodlottigen 13den Augustus 1813, door den kolonel Arredondo, kommandant van het regiment Estramadura, bij hetwelk zich de militie van den staat Cohahuila had gevoegd. Van dien noodlottigen dag tot aan de tweede Mexicaansche omwenteling, bleef Texas gebogen onder het ondragelijk juk eener soldaten-regering, en weerloos prijs gegeven aan de onophoudelijke invallen der Comanchen-Indianen.De Vereenigde Staten hadden reeds meermalen hunne aanspraken op dit gewest laten gelden, onder voorwendsel dat de natuurlijke grenzen tusschen Mexico en de bondgenootschappelijke Unie door de Rio-Bravo waren aangewezen. In 1819 evenwel zagen zij zich gedwongen hunne aanspraken op dien voet op te geven, en nu zochten zij naar andere, minder regtstreeksche middelen om dit rijke land meester te worden en met de staten der Unie te verbinden.Van toen af aan begonnen zij de listige en langzaam maar zeker werkende staatkunde te ontwikkelen, die hen eindelijk moest doen zegevieren.In 1821 verschenen de eerste Amerikaansche landverhuizers op de grenzen; hier en daar in de bosschen verstrooid, schroomvallig, ter sluik en bijna incognito, begonnen zij boomen te vellen, landerijen te ontginnen, en in stilte koloniën te stichten; zij breidden zich meer en meer uit, en werden binnen weinige jaren zoo magtig, dat zij in 1824 reeds eene massa van ongeveer[123]vijftig duizend zielen uitmaakten. De Mexicanen, onophoudelijk met elkander in strijd en in eindelooze burgeroorlogen gewikkeld, hadden weinig begrip van den aard en de strekking dezer Amerikaansche emigratie, die zij zelven in den beginne aanmoedigden.Naauwelijks acht jaren na de komst der eerste Amerikanen in Texas, maakten dezen bijna de geheele bevolking uit.Het kabinet van Washington hield nu zijne plannen niet langer verborgen en sprak reeds op hoogen toon om Mexico het grondgebied van Texas af te koopen, waar het Spaansch element schier geheel verdwenen was om voor den ondernemenden en stoutmoedigen koopmansgeest der Angel-Saksen plaats te maken.De Mexicaansche regering, eindelijk uit haar langen slaap wakker geschud, begreep het gevaar dat haar door den dubbelen inval der inwoners van Missouri en van Texas in den staat Santa-Fé bedreigde, en het wilde de Amerikaansche landverhuizing stuiten, maar het was te laat; de door het Congres te Mexico uitgevaardigde wet was onmagtig, en de kolonisatie hield niet op, ondanks de militaire posten die overal de Mexicaansche grenzen bezetten, en belast waren om de emigranten af te wijzen en tot den terugtogt te dwingen.Generaal Bustamente, de president der Republiek, begon in te zien dat hij weldra tegen de Amerikanen zou te kampen hebben, en bereidde zich in stilte tot den strijd. Onder bedekte termen rigtte hij van lieverlede naar de Roode rivier en de Sabine talrijke troepenkorpsen, die weldra het cijfer van twaalf duizend man bereikten.Intusschen bleef alles schijnbaar in rust en niemand had vooreerst den dag of het jaar kunnen bepalen wanneer de strijd beginnen zou, tot op eens eene trouweloosheid van den gouverneur der oostelijke provinciën dien deed uitbreken, op een oogenblik dat men er het minst op verdacht was.Zie hier de zaak:De kommandant Anahuac liet zonder voldoende redenen verscheidene Amerikaansche kolonisten arresteren en in de gevangenis werpen.De Texanen hadden tot dusver zonder morren de tallooze kwellingen verdragen die zij van tijd tot tijd van de zijde der Mexicaansche officieren moesten ondergaan, maar bij deze laatste magtsmisbruiking stonden zij in massa op, vertoonden zich gewapend bij den kommandant en eischten met dreigende oorlogskreten dat hunne medeburgersonmiddellijkzouden worden in vrijheid gesteld.[124]De kommandant, die zich te zwak gevoelde om openlijk weerstand te bieden, veinsde hun verzoek toe te staan, maar hield hun voor, dat hij twee dagen noodig had om zekere formaliteiten te volbrengen en zijne verantwoordelijkheid te dekken.De insurgenten bewilligden in dit uitstel, van hetwelk de officier heimelijk gebruik maakte om het garnizoen van Nacogdoches in allerijl tot zijne hulp op te roepen.Dit garnizoen rukte binnen op het oogenblik dat de insurgenten, op het woord van den gouverneur vertrouwende, rustig waren afgetrokken.Woedend over deze trouwelooze misleiding, keerden zij onmiddellijk terug en namen zulk eene indrukwekkende houding aan, dat de officier zich gelukkig rekende van hen af te komen, door de gevangenen in vrijheid te stellen.Onder deze bedrijven werd er in Mexico eenpronunciamento, of nieuwe regeering uitgeroepen, ten gunste van Santa-Anna, die de magt van generaal Bustamente omver wierp, onder den kreet van: „Leve het bondgenootschap!”In Texas vooral was men tegen het stelsel der centralisatie, dat hen nooit als afzonderlijken staat had willen erkennen; de Texanen verklaarden zich dus eenparig voor de bondgenootschappelijke regering.De kolonisten kwamen in massa in opstand, voegden zich bij de insurgenten van Anahuac, die nog altoos onder de wapenen waren, en trokken gezamentlijk naar het fort Velasco, dat zij belegerden.De leus hunner vereeniging was nog altoos: „Leve het bondgenootschap!” maar onder deze leus verborg zich de kreet van: „Leve de onafhankelijkheid!” dien de Texanen nog niet sterk genoeg waren om openlijk uit te spreken.Het fort Velasco werd verdedigd door een kleine Mexicaansche bezetting, onder kommando van een dapper officier met name Ugartechea.In dit zonderlinge beleg, waarbij de belegeraars het kanonvuur der vesting met karabijnschoten moesten beantwoorden, deden de Texanen en Mexicanen wonderen van dapperheid en legden beiden een ongewonen heldenmoed aan den dag.De kolonisten, meestal geoefende scherpschutters, achter verbazende verhakkingen en aardewerken verscholen, vuurden als naar de schijf en verpletterden de handen der Mexicaansche artilleristen zoo vaak deze zich vertoonden om hunne stukken te laden.Eindelijk kwamen de zaken zoo ver, dat de kommandant Ugartechea,[125]toen hij zijne dapperste manschappen telkens verminkt aan zijne zijde zag vallen, besloot liever zich zelven op te offeren en zelf de handen aan het werk sloeg. Door dezen trek van heldenmoed getroffen, hielden de Texanen, die den braven kommandant twintigmaal hadden kunnen dooden, met vuren op en Ugartechea gaf zich eindelijk over, afziende van eene verdediging, die hij zonder ontzet van buiten, bepaald onmogelijk keurde.Deze uitslag vervulde de kolonisten met vreugde, doch Santa-Anna liet zich aangaande de bedoeling der insurgenten niet misleiden; hij begreep dat onder de leus der confederatie eene duidelijk verklaarde revolutionnaire beweging verscholen lag, en wel verre van zich door de schijnbare medewerking der kolonisten te laten misleiden, zond hij, zoodra zijn gezag genoeg gevestigd was om met vrucht tegen hen te kunnen handelen, in allerijl kolonel Mexia met vierhonderd man naar Texas om er het zwaar geschokte gezag der Mexicanen te herstellen.Na veel aarzelingen en diplomatieke draaijerijen, die tusschen lieden welker voornaamste wapen in wederzijdsch wantrouwen bestond, onmogelijk tot iets goeds kon leiden, brak de oorlog eindelijk met vernieuwde woede uit; een comité van openbare veiligheid kwam te San-Felipe tot stand en riep het volk in massa op om zich te wapenen en aan den strijd deel te nemen.Intusschen, nog voor dat de burgerkrijg officieel was begonnen, verscheen de man, die het lot van Texas voor goed zou beslissen en wien de eer toekomt het te hebben vrijgemaakt, namelijk Samuel Houston.Van dit oogenblik af werd de bedeesde en tot niets leidende opstand in Texas eene volslagen omwenteling. Het Mexicaansche gouvernement bleef echter, in schijn, nog altijd de wettige regering des lands; de kolonisten werden natuurlijk opstandelingen genoemd, en wanneer zij den vijand in handen vielen, als zoodanig behandeld, dat is, zonder vorm van proces, gehangen, verdronken of doodgeschoten, al naar dat de plaats waar men hen gevangen kreeg, voor een dezer drieërlei wijzen van terdoodbrenging geschikt was.Op den dag waarmede ons verhaal begint, had de verbittering tegen de Mexicanen en de geestdrift voor zaak der vrijheid en onafhankelijkheid haar hoogste toppunt bereikt.Omtrent drie weken vroeger was er een ernstig gevecht geleverd tusschen het garnizoen van Bejar en een detachement vrijwilligers uit Texas, onder kommando van den moedigen Austin, een van[126]de meest beroemde opperhoofden der insurgenten. Ondanks hunne minderheid in getal en hunne onbedrevenheid in de militaire taktiek, hadden de kolonisten zoo dapper gestreden en met hun eenig stuk geschut zoo goed gemanoeuvreerd, dat de Mexicaansche troepen, na zware verliezen te hebben geleden, genoodzaakt waren het veld te ruimen en ijlings naar Bejar terug te trekken.Dit gevecht was het eerste dat in het westen van Texas na de verovering van het fort Velasco geleverd werd, en het besliste over de revolutionnaire beweging, die zich nu met de snelheid van een loopend vuur uitbreidde.Uit alle steden en dorpen kwamen er manschappen op om zich bij het bevrijdingsleger te voegen, de tegenstand organiseerde zich op uitgebreide schaal, en talrijke partijgangers, onder moedige chefs, liepen het land in alle rigtingen af, voerden den kleinen oorlog voor eigen rekening en dienden elk op zijne wijs de zaak die zij met mannenmoed verdedigden.Kapitein don Juan Melendez, aan alle kanten door zulke geduchtevijandenomgeven, die des te gevaarlijker waren voor hem daar hij hunne getalsterkte zoo min als hunne bewegingen onmogelijk kon verkennen, zag zich derhalve tot dubbele waakzaamheid verpligt; bovendien belast met eene moeijelijke en gewigtige taak, terwijl hij bij iederen stap voelde dat hem verraad dreigde, zonder dat hij wist waar of wanneer of hoe het over hem zou losbarsten, moest hij de uiterste voorzorg inachtnemen en met buitengewone gestrengheid te werk gaan, zoo hij den kostbaren schat, die hem was toevertrouwd, in behouden haven wilde brengen; daarom ook had hij niet geaarzeld, in de ruwe kastijding van padre Antonio, een afschrikkend voorbeeld te stellen voor allen die hem zouden willen navolgen.Sedert lang reeds had de monnik, wiens dubbelzinnig gedrag zijne ongerustheid zeer had gaande gemaakt, bij hem onder zware verdenking gelegen, zoodat hij alle reden meende te hebben om zijne eerlijkheid te mistrouwen.Don Juan nam zich dus voor om bij de eerste de beste gelegenheid die zich aanbood zijn twijfel tot zekerheid te brengen. Wij hebben reeds gezien hoe het hem gelukte de vijandelijke mijn verkeerd te doen springen, toen hij den vermetelen spion door twee vermomde tegenspionnen, die slimmer waren dan hij, wist te bespieden en hem bijna op heeterdaad te betrappen.Intusschen moeten wij hier tot onpartijdige beoordeeling van den geldzuchtigen monnik bekennen, dat de staatkunde met diens gedrag[127]niets te maken had; zijne denkbeelden gingen zoo hoog niet, hij wist dat de kapitein met het overbrengen van eene conducta de plata belast was, en had hem alleen in den strik willen lokken om voor zich een goed aandeel in den buit te bekomen, en zoo in een enkelen slag zijn fortuin te maken, om ongestoord zijn vrolijk leven te kunnen voortzetten, dat hem tot hiertoe niet altijd even gemakkelijk viel; verder gingen zijne gedachten niet, de man was eenvoudig een dief of liever een straatroover, maar bemoeide zich niet, gelijk andere zijner ordebroeders, met politieke zaken.Wij zullen hem voor het tegenwoordige laten waar hij is, om ons bezig te houden met de twee jagers, aan wier tusschenkomst hij zijne ruwe kastijding te danken had en die terstond na de strafoefening het kamp verlaten hadden.Deze beide mannen gingen stil den heuvel af en verdiepten zich in een digt bosch, waar zij hunne paarden terugvonden, twee prachtige, halfwilde mustangs, met vurige oogen en fijn gevormde, lange beenen, die er onbezorgd liepen te grazen; zij waren gezadeld en gereed om bestegen te worden.Na hun de kluisters te hebben afgedaan, bragten de jagers hun gebit en teugel weder in orde, sprongen in den zadel, en reden spoorslags weg.Zoo renden zij een geruimen tijd voort, diep over den hals hunner paarden gebogen, dwars door de wildernis, zonder om te zien of zich te bekreunen om de hindernissen die zij op weg ontmoetten en waar zij met voorbeeldelooze vaardigheid over heen sprongen; eindelijk, na een rid van twee uren, en omtrent een uur voor het opgaan der zon hielden zij stil.Zij hadden thans den ingang van een vrij engen bergpas bereikt aan weerszijden door hooge boschrijke heuvels ingesloten, de eerste voorposten van het hemelhoog gebergte welks besneeuwde spitsen zoo nabij schenen dat zij over het vlakke land dreigden neer te storten.De jagers stegen af eer zij de bergengte intraden en na hunne paarden weder gekluisterd te hebben, die zij in een digt boschje van floripondios verborgen, begonnen zij den omtrek te doorzoeken, met al de zorg en schranderheid van Indiaansche krijgslieden die een spoor op het oorlogspad moesten ontdekken.Hun onderzoek bleef lang zonder vrucht, zooals wel te bemerken was aan de uitroepen van spijt en teleurstelling, die hun nu en dan dof over de lippen kwamen.Eindelijk, na meer dan een uur vergeefs gezocht te hebben,[128]ontdekten zij, dank zij de eerste stralen der zon, die helder over de vlakte opging en snel de duisternis verdreef, zekere, bijna onmerkbare, maar ontwijfelbare teekenen, die hen van vreugde deden opspringen.Thans, voorloopig van hunne meest knellende zorgen bevrijd keerden zij naar hunne paarden terug, strekten zich vergenoegd op den grond uit en grabbelden in hunnealforjac(ransels) en haalden er het noodige uit voor een sober dejeuner, daar zij weldra alle eer aan bewezen, met den gulzigen eetlust van lieden die den ganschen nacht in den zadel geweest en langs bergen en dalen gegaloppeerd hadden.Sinds hun vertrek uit het Mexicaansche kamp was er tusschen de beide jagers geen woord gewisseld, zij schenen te handelen onder den indruk eener voorgenomen taak, die hen geheel vervulde en alle gesprek onnoodig maakte.Overigens is deze stilzwijgendheid een merkwaardige trek van menschen die gewoon zijn in de woestijn te leven; zij brengen soms gansche dagen door zonder een woord te spreken, of doen het alleen bij hooge noodzakelijkheid en dan nog menigmaal vervangen door de gebarentaal, die op spreektaal dit onbetwisbaar voordeel bezit dat zij de tegenwoordigheid van hen die er zich van bedienen niet verraadt aan hun vaak onzigtbaren vijand, die welligt op korten afstand in de struiken verscholen gereed is om op de onvoorzigtigen af te schieten, als een roofvogel op zijn prooi.Toen de eerste honger der jagers eindelijk gestild was stopte de een, dien de kapitein John had genoemd, zijn korte pijpje, stak het in den hoek van zijn mond en reikte den tabakzak aan zijn kameraad over.„Wel, Sam,” begon hij half fluisterend, als vreesde hij door iemand gehoord te worden, „ik geloof dat wij goed geslaagd zijn, zeg?”„Ik ben van ’t zelfde gevoelen, John,” antwoordde Sam met een toestemmenden hoofdknik, „gij zijt verduiveld knap, vriend, dat moet ik zeggen.”„Bah!” riep de andere met minachting, „er steekt weinig verdienste in om die lompe Spanjaarden te foppen, zij zijn zoo stom als roode flamingo’s.”„Dat doet er niet toe, de kapitein is in de fuik, zoo mooi als ge ’t ooit gezien hebt.”„Nu! voor hem was ik het minste bang, want ik wist sedert lang hoe ik met hem om moest gaan; maar die vervloekte monnik.…”[129]„Ja, ja! als we niet juist in tijds waren gekomen, zou hij ons die schoone zaak waarschijnlijk afhandig hebben gemaakt.”„Ik geloof dat ge gelijk hebt, Sam; het deed mij duivels goed toen ik hem zag krimpen onder de chicote.”„’t Was inderdaad een heerlijk gezigt. Maar zoudt gij niet denken dat hij zich wreken zal? die monniken zijn verduiveld haatdragend.”„Loop! wat hebben wij van zoo’n ellendeling te vreezen? hij zal ons nooit weer durven aanzien.”„Dat doet er niet toe, ’t is altoos goed niet te veel op zijn geluk te vertrouwen. Ons vak is gevaarlijk, zooals gij weet, en het kon wel zijn dat die verwenschte schobbejak ons te avond of morgen een kwaden trek speelde.”„Kom, kom! houd op, wat wij gedaan hebben is zuiver spel. Wees verzekerd dat de monnik, onder gelijke omstandigheden, ons evenmin zou gespaard hebben.”„Dat is waar; dus mag hij voor mijn part naar den duivel loopen! des te meer daar de buit die wij bejagen ons nooit beter van pas kon komen. Ik zou het mij zelven nooit vergeven hebben, als ik dien had laten ontsnappen.”„Zullen wij hier op den uitkijk blijven zitten?”„Dat is het veiligste; het zal altoos tijd genoeg wezen om ons bij onze kameraden te voegen, als wij derecuamuilezels in de vlakte zien naderen; en buitendien, wij zijn hier immers afgesproken?”„Dat is waar, daar dacht ik niet meer om.”„En ziedaar! spreekt men van den wolf.… Daar komt onze man juist aan.”De jagers stonden haastig op, grepen hunne wapens en stelden zich achter een rotsblok op wacht, om op ieder avontuur gereed te zijn.De snelle galop van een paard deed zich in de verte hooren, en naderde van oogenblik tot oogenblik. Weldra kwam er uit den bergpas een ruiter te voorschijn, die zonder zijn paard een oogenblik te vertragen doorreed, tot hij naauwlijks twee passen van de jagers af, kalm en fier staan bleef.Laatstgenoemden kwamen terstond uit hun schuilhoek te voorschijn en snelden hem tegemoet, met den regterarm uitgestrekt en de handpalm open, ten teeken van vrede.De ruiter, een Indiaansch krijgsman in oorlogskostuum, beantwoordde deze vredelievende vertooning door het zwaaijen met zijn[130]bisonsmantel, vervolgens steeg hij af en kwam zonder verdere pligtpleging vriendschappelijk de handen drukken die de jagers hem toestaken.„Wees welkom, hoofdman,” zei John, „wij wachtten u met ongeduld.”„Zoo mijne blanke broeders op de zon willen letten,” antwoordde de Indiaan, „zullen zij zien dat de Blaauwe-Vos niet te laat kwam.”„Dat is waar, hoofdman, er valt niets op te zeggen; gij komt prompt op uw tijd.”„De tijd wacht op niemand; krijgslieden zijn geen vrouwen. De Blaauwe-Vos zou gaarne raad houden met zijne blanke broeders.”„Goed!” antwoordde John,„uwe aanmerking is zeer gepast, hoofdman, laten wij zamen spreken, ik had mij reeds lang met u willen verstaan.”De Indiaan maakte voor hem eene diepe buiging, hurkte bij het vuur neder, stak zijn calumet aan en begon met stille aandacht te rooken; de beide jagers gingen naast hem zitten, en bewaarden, even als hij, het diepste stilzwijgen, zoo lang er nog tabak in hunne pijpen brandde.Eindelijk schudde het opperhoofd de asch op den nagel van zijn duim uit, stak de calumet in zijn gordel en was gereed om het woord op te vatten.Maar op eens knalde er een geweerschot en op hetzelfde oogenblik floot er een kogel voorbij, die even boven hunne hoofden een tak verbrijzelde.De drie mannen sprongen terstond op de beenen, grepen hunne wapens en maakten zich gereed om den vijand te keer te gaan, die hen zoo onverhoeds durfde aanvallen.
[Inhoud]XVI.POLITIEK OVERZIGT.Eer wij verder gaan, zullen wij met een paar woorden den staatkundigen toestand van Texas beschrijven, op het tijdstip waarmede ons verhaal begint. Gedurende al den tijd der Spaansche overheersching, hebben de Texanen hunne vrijheid gewapenderhand verdedigd; maar eindelijk, na met afwisselend succes gestreden te hebben, werden zij geheel ten onder gebragt in den slag van Medina, op den noodlottigen 13den Augustus 1813, door den kolonel Arredondo, kommandant van het regiment Estramadura, bij hetwelk zich de militie van den staat Cohahuila had gevoegd. Van dien noodlottigen dag tot aan de tweede Mexicaansche omwenteling, bleef Texas gebogen onder het ondragelijk juk eener soldaten-regering, en weerloos prijs gegeven aan de onophoudelijke invallen der Comanchen-Indianen.De Vereenigde Staten hadden reeds meermalen hunne aanspraken op dit gewest laten gelden, onder voorwendsel dat de natuurlijke grenzen tusschen Mexico en de bondgenootschappelijke Unie door de Rio-Bravo waren aangewezen. In 1819 evenwel zagen zij zich gedwongen hunne aanspraken op dien voet op te geven, en nu zochten zij naar andere, minder regtstreeksche middelen om dit rijke land meester te worden en met de staten der Unie te verbinden.Van toen af aan begonnen zij de listige en langzaam maar zeker werkende staatkunde te ontwikkelen, die hen eindelijk moest doen zegevieren.In 1821 verschenen de eerste Amerikaansche landverhuizers op de grenzen; hier en daar in de bosschen verstrooid, schroomvallig, ter sluik en bijna incognito, begonnen zij boomen te vellen, landerijen te ontginnen, en in stilte koloniën te stichten; zij breidden zich meer en meer uit, en werden binnen weinige jaren zoo magtig, dat zij in 1824 reeds eene massa van ongeveer[123]vijftig duizend zielen uitmaakten. De Mexicanen, onophoudelijk met elkander in strijd en in eindelooze burgeroorlogen gewikkeld, hadden weinig begrip van den aard en de strekking dezer Amerikaansche emigratie, die zij zelven in den beginne aanmoedigden.Naauwelijks acht jaren na de komst der eerste Amerikanen in Texas, maakten dezen bijna de geheele bevolking uit.Het kabinet van Washington hield nu zijne plannen niet langer verborgen en sprak reeds op hoogen toon om Mexico het grondgebied van Texas af te koopen, waar het Spaansch element schier geheel verdwenen was om voor den ondernemenden en stoutmoedigen koopmansgeest der Angel-Saksen plaats te maken.De Mexicaansche regering, eindelijk uit haar langen slaap wakker geschud, begreep het gevaar dat haar door den dubbelen inval der inwoners van Missouri en van Texas in den staat Santa-Fé bedreigde, en het wilde de Amerikaansche landverhuizing stuiten, maar het was te laat; de door het Congres te Mexico uitgevaardigde wet was onmagtig, en de kolonisatie hield niet op, ondanks de militaire posten die overal de Mexicaansche grenzen bezetten, en belast waren om de emigranten af te wijzen en tot den terugtogt te dwingen.Generaal Bustamente, de president der Republiek, begon in te zien dat hij weldra tegen de Amerikanen zou te kampen hebben, en bereidde zich in stilte tot den strijd. Onder bedekte termen rigtte hij van lieverlede naar de Roode rivier en de Sabine talrijke troepenkorpsen, die weldra het cijfer van twaalf duizend man bereikten.Intusschen bleef alles schijnbaar in rust en niemand had vooreerst den dag of het jaar kunnen bepalen wanneer de strijd beginnen zou, tot op eens eene trouweloosheid van den gouverneur der oostelijke provinciën dien deed uitbreken, op een oogenblik dat men er het minst op verdacht was.Zie hier de zaak:De kommandant Anahuac liet zonder voldoende redenen verscheidene Amerikaansche kolonisten arresteren en in de gevangenis werpen.De Texanen hadden tot dusver zonder morren de tallooze kwellingen verdragen die zij van tijd tot tijd van de zijde der Mexicaansche officieren moesten ondergaan, maar bij deze laatste magtsmisbruiking stonden zij in massa op, vertoonden zich gewapend bij den kommandant en eischten met dreigende oorlogskreten dat hunne medeburgersonmiddellijkzouden worden in vrijheid gesteld.[124]De kommandant, die zich te zwak gevoelde om openlijk weerstand te bieden, veinsde hun verzoek toe te staan, maar hield hun voor, dat hij twee dagen noodig had om zekere formaliteiten te volbrengen en zijne verantwoordelijkheid te dekken.De insurgenten bewilligden in dit uitstel, van hetwelk de officier heimelijk gebruik maakte om het garnizoen van Nacogdoches in allerijl tot zijne hulp op te roepen.Dit garnizoen rukte binnen op het oogenblik dat de insurgenten, op het woord van den gouverneur vertrouwende, rustig waren afgetrokken.Woedend over deze trouwelooze misleiding, keerden zij onmiddellijk terug en namen zulk eene indrukwekkende houding aan, dat de officier zich gelukkig rekende van hen af te komen, door de gevangenen in vrijheid te stellen.Onder deze bedrijven werd er in Mexico eenpronunciamento, of nieuwe regeering uitgeroepen, ten gunste van Santa-Anna, die de magt van generaal Bustamente omver wierp, onder den kreet van: „Leve het bondgenootschap!”In Texas vooral was men tegen het stelsel der centralisatie, dat hen nooit als afzonderlijken staat had willen erkennen; de Texanen verklaarden zich dus eenparig voor de bondgenootschappelijke regering.De kolonisten kwamen in massa in opstand, voegden zich bij de insurgenten van Anahuac, die nog altoos onder de wapenen waren, en trokken gezamentlijk naar het fort Velasco, dat zij belegerden.De leus hunner vereeniging was nog altoos: „Leve het bondgenootschap!” maar onder deze leus verborg zich de kreet van: „Leve de onafhankelijkheid!” dien de Texanen nog niet sterk genoeg waren om openlijk uit te spreken.Het fort Velasco werd verdedigd door een kleine Mexicaansche bezetting, onder kommando van een dapper officier met name Ugartechea.In dit zonderlinge beleg, waarbij de belegeraars het kanonvuur der vesting met karabijnschoten moesten beantwoorden, deden de Texanen en Mexicanen wonderen van dapperheid en legden beiden een ongewonen heldenmoed aan den dag.De kolonisten, meestal geoefende scherpschutters, achter verbazende verhakkingen en aardewerken verscholen, vuurden als naar de schijf en verpletterden de handen der Mexicaansche artilleristen zoo vaak deze zich vertoonden om hunne stukken te laden.Eindelijk kwamen de zaken zoo ver, dat de kommandant Ugartechea,[125]toen hij zijne dapperste manschappen telkens verminkt aan zijne zijde zag vallen, besloot liever zich zelven op te offeren en zelf de handen aan het werk sloeg. Door dezen trek van heldenmoed getroffen, hielden de Texanen, die den braven kommandant twintigmaal hadden kunnen dooden, met vuren op en Ugartechea gaf zich eindelijk over, afziende van eene verdediging, die hij zonder ontzet van buiten, bepaald onmogelijk keurde.Deze uitslag vervulde de kolonisten met vreugde, doch Santa-Anna liet zich aangaande de bedoeling der insurgenten niet misleiden; hij begreep dat onder de leus der confederatie eene duidelijk verklaarde revolutionnaire beweging verscholen lag, en wel verre van zich door de schijnbare medewerking der kolonisten te laten misleiden, zond hij, zoodra zijn gezag genoeg gevestigd was om met vrucht tegen hen te kunnen handelen, in allerijl kolonel Mexia met vierhonderd man naar Texas om er het zwaar geschokte gezag der Mexicanen te herstellen.Na veel aarzelingen en diplomatieke draaijerijen, die tusschen lieden welker voornaamste wapen in wederzijdsch wantrouwen bestond, onmogelijk tot iets goeds kon leiden, brak de oorlog eindelijk met vernieuwde woede uit; een comité van openbare veiligheid kwam te San-Felipe tot stand en riep het volk in massa op om zich te wapenen en aan den strijd deel te nemen.Intusschen, nog voor dat de burgerkrijg officieel was begonnen, verscheen de man, die het lot van Texas voor goed zou beslissen en wien de eer toekomt het te hebben vrijgemaakt, namelijk Samuel Houston.Van dit oogenblik af werd de bedeesde en tot niets leidende opstand in Texas eene volslagen omwenteling. Het Mexicaansche gouvernement bleef echter, in schijn, nog altijd de wettige regering des lands; de kolonisten werden natuurlijk opstandelingen genoemd, en wanneer zij den vijand in handen vielen, als zoodanig behandeld, dat is, zonder vorm van proces, gehangen, verdronken of doodgeschoten, al naar dat de plaats waar men hen gevangen kreeg, voor een dezer drieërlei wijzen van terdoodbrenging geschikt was.Op den dag waarmede ons verhaal begint, had de verbittering tegen de Mexicanen en de geestdrift voor zaak der vrijheid en onafhankelijkheid haar hoogste toppunt bereikt.Omtrent drie weken vroeger was er een ernstig gevecht geleverd tusschen het garnizoen van Bejar en een detachement vrijwilligers uit Texas, onder kommando van den moedigen Austin, een van[126]de meest beroemde opperhoofden der insurgenten. Ondanks hunne minderheid in getal en hunne onbedrevenheid in de militaire taktiek, hadden de kolonisten zoo dapper gestreden en met hun eenig stuk geschut zoo goed gemanoeuvreerd, dat de Mexicaansche troepen, na zware verliezen te hebben geleden, genoodzaakt waren het veld te ruimen en ijlings naar Bejar terug te trekken.Dit gevecht was het eerste dat in het westen van Texas na de verovering van het fort Velasco geleverd werd, en het besliste over de revolutionnaire beweging, die zich nu met de snelheid van een loopend vuur uitbreidde.Uit alle steden en dorpen kwamen er manschappen op om zich bij het bevrijdingsleger te voegen, de tegenstand organiseerde zich op uitgebreide schaal, en talrijke partijgangers, onder moedige chefs, liepen het land in alle rigtingen af, voerden den kleinen oorlog voor eigen rekening en dienden elk op zijne wijs de zaak die zij met mannenmoed verdedigden.Kapitein don Juan Melendez, aan alle kanten door zulke geduchtevijandenomgeven, die des te gevaarlijker waren voor hem daar hij hunne getalsterkte zoo min als hunne bewegingen onmogelijk kon verkennen, zag zich derhalve tot dubbele waakzaamheid verpligt; bovendien belast met eene moeijelijke en gewigtige taak, terwijl hij bij iederen stap voelde dat hem verraad dreigde, zonder dat hij wist waar of wanneer of hoe het over hem zou losbarsten, moest hij de uiterste voorzorg inachtnemen en met buitengewone gestrengheid te werk gaan, zoo hij den kostbaren schat, die hem was toevertrouwd, in behouden haven wilde brengen; daarom ook had hij niet geaarzeld, in de ruwe kastijding van padre Antonio, een afschrikkend voorbeeld te stellen voor allen die hem zouden willen navolgen.Sedert lang reeds had de monnik, wiens dubbelzinnig gedrag zijne ongerustheid zeer had gaande gemaakt, bij hem onder zware verdenking gelegen, zoodat hij alle reden meende te hebben om zijne eerlijkheid te mistrouwen.Don Juan nam zich dus voor om bij de eerste de beste gelegenheid die zich aanbood zijn twijfel tot zekerheid te brengen. Wij hebben reeds gezien hoe het hem gelukte de vijandelijke mijn verkeerd te doen springen, toen hij den vermetelen spion door twee vermomde tegenspionnen, die slimmer waren dan hij, wist te bespieden en hem bijna op heeterdaad te betrappen.Intusschen moeten wij hier tot onpartijdige beoordeeling van den geldzuchtigen monnik bekennen, dat de staatkunde met diens gedrag[127]niets te maken had; zijne denkbeelden gingen zoo hoog niet, hij wist dat de kapitein met het overbrengen van eene conducta de plata belast was, en had hem alleen in den strik willen lokken om voor zich een goed aandeel in den buit te bekomen, en zoo in een enkelen slag zijn fortuin te maken, om ongestoord zijn vrolijk leven te kunnen voortzetten, dat hem tot hiertoe niet altijd even gemakkelijk viel; verder gingen zijne gedachten niet, de man was eenvoudig een dief of liever een straatroover, maar bemoeide zich niet, gelijk andere zijner ordebroeders, met politieke zaken.Wij zullen hem voor het tegenwoordige laten waar hij is, om ons bezig te houden met de twee jagers, aan wier tusschenkomst hij zijne ruwe kastijding te danken had en die terstond na de strafoefening het kamp verlaten hadden.Deze beide mannen gingen stil den heuvel af en verdiepten zich in een digt bosch, waar zij hunne paarden terugvonden, twee prachtige, halfwilde mustangs, met vurige oogen en fijn gevormde, lange beenen, die er onbezorgd liepen te grazen; zij waren gezadeld en gereed om bestegen te worden.Na hun de kluisters te hebben afgedaan, bragten de jagers hun gebit en teugel weder in orde, sprongen in den zadel, en reden spoorslags weg.Zoo renden zij een geruimen tijd voort, diep over den hals hunner paarden gebogen, dwars door de wildernis, zonder om te zien of zich te bekreunen om de hindernissen die zij op weg ontmoetten en waar zij met voorbeeldelooze vaardigheid over heen sprongen; eindelijk, na een rid van twee uren, en omtrent een uur voor het opgaan der zon hielden zij stil.Zij hadden thans den ingang van een vrij engen bergpas bereikt aan weerszijden door hooge boschrijke heuvels ingesloten, de eerste voorposten van het hemelhoog gebergte welks besneeuwde spitsen zoo nabij schenen dat zij over het vlakke land dreigden neer te storten.De jagers stegen af eer zij de bergengte intraden en na hunne paarden weder gekluisterd te hebben, die zij in een digt boschje van floripondios verborgen, begonnen zij den omtrek te doorzoeken, met al de zorg en schranderheid van Indiaansche krijgslieden die een spoor op het oorlogspad moesten ontdekken.Hun onderzoek bleef lang zonder vrucht, zooals wel te bemerken was aan de uitroepen van spijt en teleurstelling, die hun nu en dan dof over de lippen kwamen.Eindelijk, na meer dan een uur vergeefs gezocht te hebben,[128]ontdekten zij, dank zij de eerste stralen der zon, die helder over de vlakte opging en snel de duisternis verdreef, zekere, bijna onmerkbare, maar ontwijfelbare teekenen, die hen van vreugde deden opspringen.Thans, voorloopig van hunne meest knellende zorgen bevrijd keerden zij naar hunne paarden terug, strekten zich vergenoegd op den grond uit en grabbelden in hunnealforjac(ransels) en haalden er het noodige uit voor een sober dejeuner, daar zij weldra alle eer aan bewezen, met den gulzigen eetlust van lieden die den ganschen nacht in den zadel geweest en langs bergen en dalen gegaloppeerd hadden.Sinds hun vertrek uit het Mexicaansche kamp was er tusschen de beide jagers geen woord gewisseld, zij schenen te handelen onder den indruk eener voorgenomen taak, die hen geheel vervulde en alle gesprek onnoodig maakte.Overigens is deze stilzwijgendheid een merkwaardige trek van menschen die gewoon zijn in de woestijn te leven; zij brengen soms gansche dagen door zonder een woord te spreken, of doen het alleen bij hooge noodzakelijkheid en dan nog menigmaal vervangen door de gebarentaal, die op spreektaal dit onbetwisbaar voordeel bezit dat zij de tegenwoordigheid van hen die er zich van bedienen niet verraadt aan hun vaak onzigtbaren vijand, die welligt op korten afstand in de struiken verscholen gereed is om op de onvoorzigtigen af te schieten, als een roofvogel op zijn prooi.Toen de eerste honger der jagers eindelijk gestild was stopte de een, dien de kapitein John had genoemd, zijn korte pijpje, stak het in den hoek van zijn mond en reikte den tabakzak aan zijn kameraad over.„Wel, Sam,” begon hij half fluisterend, als vreesde hij door iemand gehoord te worden, „ik geloof dat wij goed geslaagd zijn, zeg?”„Ik ben van ’t zelfde gevoelen, John,” antwoordde Sam met een toestemmenden hoofdknik, „gij zijt verduiveld knap, vriend, dat moet ik zeggen.”„Bah!” riep de andere met minachting, „er steekt weinig verdienste in om die lompe Spanjaarden te foppen, zij zijn zoo stom als roode flamingo’s.”„Dat doet er niet toe, de kapitein is in de fuik, zoo mooi als ge ’t ooit gezien hebt.”„Nu! voor hem was ik het minste bang, want ik wist sedert lang hoe ik met hem om moest gaan; maar die vervloekte monnik.…”[129]„Ja, ja! als we niet juist in tijds waren gekomen, zou hij ons die schoone zaak waarschijnlijk afhandig hebben gemaakt.”„Ik geloof dat ge gelijk hebt, Sam; het deed mij duivels goed toen ik hem zag krimpen onder de chicote.”„’t Was inderdaad een heerlijk gezigt. Maar zoudt gij niet denken dat hij zich wreken zal? die monniken zijn verduiveld haatdragend.”„Loop! wat hebben wij van zoo’n ellendeling te vreezen? hij zal ons nooit weer durven aanzien.”„Dat doet er niet toe, ’t is altoos goed niet te veel op zijn geluk te vertrouwen. Ons vak is gevaarlijk, zooals gij weet, en het kon wel zijn dat die verwenschte schobbejak ons te avond of morgen een kwaden trek speelde.”„Kom, kom! houd op, wat wij gedaan hebben is zuiver spel. Wees verzekerd dat de monnik, onder gelijke omstandigheden, ons evenmin zou gespaard hebben.”„Dat is waar; dus mag hij voor mijn part naar den duivel loopen! des te meer daar de buit die wij bejagen ons nooit beter van pas kon komen. Ik zou het mij zelven nooit vergeven hebben, als ik dien had laten ontsnappen.”„Zullen wij hier op den uitkijk blijven zitten?”„Dat is het veiligste; het zal altoos tijd genoeg wezen om ons bij onze kameraden te voegen, als wij derecuamuilezels in de vlakte zien naderen; en buitendien, wij zijn hier immers afgesproken?”„Dat is waar, daar dacht ik niet meer om.”„En ziedaar! spreekt men van den wolf.… Daar komt onze man juist aan.”De jagers stonden haastig op, grepen hunne wapens en stelden zich achter een rotsblok op wacht, om op ieder avontuur gereed te zijn.De snelle galop van een paard deed zich in de verte hooren, en naderde van oogenblik tot oogenblik. Weldra kwam er uit den bergpas een ruiter te voorschijn, die zonder zijn paard een oogenblik te vertragen doorreed, tot hij naauwlijks twee passen van de jagers af, kalm en fier staan bleef.Laatstgenoemden kwamen terstond uit hun schuilhoek te voorschijn en snelden hem tegemoet, met den regterarm uitgestrekt en de handpalm open, ten teeken van vrede.De ruiter, een Indiaansch krijgsman in oorlogskostuum, beantwoordde deze vredelievende vertooning door het zwaaijen met zijn[130]bisonsmantel, vervolgens steeg hij af en kwam zonder verdere pligtpleging vriendschappelijk de handen drukken die de jagers hem toestaken.„Wees welkom, hoofdman,” zei John, „wij wachtten u met ongeduld.”„Zoo mijne blanke broeders op de zon willen letten,” antwoordde de Indiaan, „zullen zij zien dat de Blaauwe-Vos niet te laat kwam.”„Dat is waar, hoofdman, er valt niets op te zeggen; gij komt prompt op uw tijd.”„De tijd wacht op niemand; krijgslieden zijn geen vrouwen. De Blaauwe-Vos zou gaarne raad houden met zijne blanke broeders.”„Goed!” antwoordde John,„uwe aanmerking is zeer gepast, hoofdman, laten wij zamen spreken, ik had mij reeds lang met u willen verstaan.”De Indiaan maakte voor hem eene diepe buiging, hurkte bij het vuur neder, stak zijn calumet aan en begon met stille aandacht te rooken; de beide jagers gingen naast hem zitten, en bewaarden, even als hij, het diepste stilzwijgen, zoo lang er nog tabak in hunne pijpen brandde.Eindelijk schudde het opperhoofd de asch op den nagel van zijn duim uit, stak de calumet in zijn gordel en was gereed om het woord op te vatten.Maar op eens knalde er een geweerschot en op hetzelfde oogenblik floot er een kogel voorbij, die even boven hunne hoofden een tak verbrijzelde.De drie mannen sprongen terstond op de beenen, grepen hunne wapens en maakten zich gereed om den vijand te keer te gaan, die hen zoo onverhoeds durfde aanvallen.
XVI.POLITIEK OVERZIGT.
Eer wij verder gaan, zullen wij met een paar woorden den staatkundigen toestand van Texas beschrijven, op het tijdstip waarmede ons verhaal begint. Gedurende al den tijd der Spaansche overheersching, hebben de Texanen hunne vrijheid gewapenderhand verdedigd; maar eindelijk, na met afwisselend succes gestreden te hebben, werden zij geheel ten onder gebragt in den slag van Medina, op den noodlottigen 13den Augustus 1813, door den kolonel Arredondo, kommandant van het regiment Estramadura, bij hetwelk zich de militie van den staat Cohahuila had gevoegd. Van dien noodlottigen dag tot aan de tweede Mexicaansche omwenteling, bleef Texas gebogen onder het ondragelijk juk eener soldaten-regering, en weerloos prijs gegeven aan de onophoudelijke invallen der Comanchen-Indianen.De Vereenigde Staten hadden reeds meermalen hunne aanspraken op dit gewest laten gelden, onder voorwendsel dat de natuurlijke grenzen tusschen Mexico en de bondgenootschappelijke Unie door de Rio-Bravo waren aangewezen. In 1819 evenwel zagen zij zich gedwongen hunne aanspraken op dien voet op te geven, en nu zochten zij naar andere, minder regtstreeksche middelen om dit rijke land meester te worden en met de staten der Unie te verbinden.Van toen af aan begonnen zij de listige en langzaam maar zeker werkende staatkunde te ontwikkelen, die hen eindelijk moest doen zegevieren.In 1821 verschenen de eerste Amerikaansche landverhuizers op de grenzen; hier en daar in de bosschen verstrooid, schroomvallig, ter sluik en bijna incognito, begonnen zij boomen te vellen, landerijen te ontginnen, en in stilte koloniën te stichten; zij breidden zich meer en meer uit, en werden binnen weinige jaren zoo magtig, dat zij in 1824 reeds eene massa van ongeveer[123]vijftig duizend zielen uitmaakten. De Mexicanen, onophoudelijk met elkander in strijd en in eindelooze burgeroorlogen gewikkeld, hadden weinig begrip van den aard en de strekking dezer Amerikaansche emigratie, die zij zelven in den beginne aanmoedigden.Naauwelijks acht jaren na de komst der eerste Amerikanen in Texas, maakten dezen bijna de geheele bevolking uit.Het kabinet van Washington hield nu zijne plannen niet langer verborgen en sprak reeds op hoogen toon om Mexico het grondgebied van Texas af te koopen, waar het Spaansch element schier geheel verdwenen was om voor den ondernemenden en stoutmoedigen koopmansgeest der Angel-Saksen plaats te maken.De Mexicaansche regering, eindelijk uit haar langen slaap wakker geschud, begreep het gevaar dat haar door den dubbelen inval der inwoners van Missouri en van Texas in den staat Santa-Fé bedreigde, en het wilde de Amerikaansche landverhuizing stuiten, maar het was te laat; de door het Congres te Mexico uitgevaardigde wet was onmagtig, en de kolonisatie hield niet op, ondanks de militaire posten die overal de Mexicaansche grenzen bezetten, en belast waren om de emigranten af te wijzen en tot den terugtogt te dwingen.Generaal Bustamente, de president der Republiek, begon in te zien dat hij weldra tegen de Amerikanen zou te kampen hebben, en bereidde zich in stilte tot den strijd. Onder bedekte termen rigtte hij van lieverlede naar de Roode rivier en de Sabine talrijke troepenkorpsen, die weldra het cijfer van twaalf duizend man bereikten.Intusschen bleef alles schijnbaar in rust en niemand had vooreerst den dag of het jaar kunnen bepalen wanneer de strijd beginnen zou, tot op eens eene trouweloosheid van den gouverneur der oostelijke provinciën dien deed uitbreken, op een oogenblik dat men er het minst op verdacht was.Zie hier de zaak:De kommandant Anahuac liet zonder voldoende redenen verscheidene Amerikaansche kolonisten arresteren en in de gevangenis werpen.De Texanen hadden tot dusver zonder morren de tallooze kwellingen verdragen die zij van tijd tot tijd van de zijde der Mexicaansche officieren moesten ondergaan, maar bij deze laatste magtsmisbruiking stonden zij in massa op, vertoonden zich gewapend bij den kommandant en eischten met dreigende oorlogskreten dat hunne medeburgersonmiddellijkzouden worden in vrijheid gesteld.[124]De kommandant, die zich te zwak gevoelde om openlijk weerstand te bieden, veinsde hun verzoek toe te staan, maar hield hun voor, dat hij twee dagen noodig had om zekere formaliteiten te volbrengen en zijne verantwoordelijkheid te dekken.De insurgenten bewilligden in dit uitstel, van hetwelk de officier heimelijk gebruik maakte om het garnizoen van Nacogdoches in allerijl tot zijne hulp op te roepen.Dit garnizoen rukte binnen op het oogenblik dat de insurgenten, op het woord van den gouverneur vertrouwende, rustig waren afgetrokken.Woedend over deze trouwelooze misleiding, keerden zij onmiddellijk terug en namen zulk eene indrukwekkende houding aan, dat de officier zich gelukkig rekende van hen af te komen, door de gevangenen in vrijheid te stellen.Onder deze bedrijven werd er in Mexico eenpronunciamento, of nieuwe regeering uitgeroepen, ten gunste van Santa-Anna, die de magt van generaal Bustamente omver wierp, onder den kreet van: „Leve het bondgenootschap!”In Texas vooral was men tegen het stelsel der centralisatie, dat hen nooit als afzonderlijken staat had willen erkennen; de Texanen verklaarden zich dus eenparig voor de bondgenootschappelijke regering.De kolonisten kwamen in massa in opstand, voegden zich bij de insurgenten van Anahuac, die nog altoos onder de wapenen waren, en trokken gezamentlijk naar het fort Velasco, dat zij belegerden.De leus hunner vereeniging was nog altoos: „Leve het bondgenootschap!” maar onder deze leus verborg zich de kreet van: „Leve de onafhankelijkheid!” dien de Texanen nog niet sterk genoeg waren om openlijk uit te spreken.Het fort Velasco werd verdedigd door een kleine Mexicaansche bezetting, onder kommando van een dapper officier met name Ugartechea.In dit zonderlinge beleg, waarbij de belegeraars het kanonvuur der vesting met karabijnschoten moesten beantwoorden, deden de Texanen en Mexicanen wonderen van dapperheid en legden beiden een ongewonen heldenmoed aan den dag.De kolonisten, meestal geoefende scherpschutters, achter verbazende verhakkingen en aardewerken verscholen, vuurden als naar de schijf en verpletterden de handen der Mexicaansche artilleristen zoo vaak deze zich vertoonden om hunne stukken te laden.Eindelijk kwamen de zaken zoo ver, dat de kommandant Ugartechea,[125]toen hij zijne dapperste manschappen telkens verminkt aan zijne zijde zag vallen, besloot liever zich zelven op te offeren en zelf de handen aan het werk sloeg. Door dezen trek van heldenmoed getroffen, hielden de Texanen, die den braven kommandant twintigmaal hadden kunnen dooden, met vuren op en Ugartechea gaf zich eindelijk over, afziende van eene verdediging, die hij zonder ontzet van buiten, bepaald onmogelijk keurde.Deze uitslag vervulde de kolonisten met vreugde, doch Santa-Anna liet zich aangaande de bedoeling der insurgenten niet misleiden; hij begreep dat onder de leus der confederatie eene duidelijk verklaarde revolutionnaire beweging verscholen lag, en wel verre van zich door de schijnbare medewerking der kolonisten te laten misleiden, zond hij, zoodra zijn gezag genoeg gevestigd was om met vrucht tegen hen te kunnen handelen, in allerijl kolonel Mexia met vierhonderd man naar Texas om er het zwaar geschokte gezag der Mexicanen te herstellen.Na veel aarzelingen en diplomatieke draaijerijen, die tusschen lieden welker voornaamste wapen in wederzijdsch wantrouwen bestond, onmogelijk tot iets goeds kon leiden, brak de oorlog eindelijk met vernieuwde woede uit; een comité van openbare veiligheid kwam te San-Felipe tot stand en riep het volk in massa op om zich te wapenen en aan den strijd deel te nemen.Intusschen, nog voor dat de burgerkrijg officieel was begonnen, verscheen de man, die het lot van Texas voor goed zou beslissen en wien de eer toekomt het te hebben vrijgemaakt, namelijk Samuel Houston.Van dit oogenblik af werd de bedeesde en tot niets leidende opstand in Texas eene volslagen omwenteling. Het Mexicaansche gouvernement bleef echter, in schijn, nog altijd de wettige regering des lands; de kolonisten werden natuurlijk opstandelingen genoemd, en wanneer zij den vijand in handen vielen, als zoodanig behandeld, dat is, zonder vorm van proces, gehangen, verdronken of doodgeschoten, al naar dat de plaats waar men hen gevangen kreeg, voor een dezer drieërlei wijzen van terdoodbrenging geschikt was.Op den dag waarmede ons verhaal begint, had de verbittering tegen de Mexicanen en de geestdrift voor zaak der vrijheid en onafhankelijkheid haar hoogste toppunt bereikt.Omtrent drie weken vroeger was er een ernstig gevecht geleverd tusschen het garnizoen van Bejar en een detachement vrijwilligers uit Texas, onder kommando van den moedigen Austin, een van[126]de meest beroemde opperhoofden der insurgenten. Ondanks hunne minderheid in getal en hunne onbedrevenheid in de militaire taktiek, hadden de kolonisten zoo dapper gestreden en met hun eenig stuk geschut zoo goed gemanoeuvreerd, dat de Mexicaansche troepen, na zware verliezen te hebben geleden, genoodzaakt waren het veld te ruimen en ijlings naar Bejar terug te trekken.Dit gevecht was het eerste dat in het westen van Texas na de verovering van het fort Velasco geleverd werd, en het besliste over de revolutionnaire beweging, die zich nu met de snelheid van een loopend vuur uitbreidde.Uit alle steden en dorpen kwamen er manschappen op om zich bij het bevrijdingsleger te voegen, de tegenstand organiseerde zich op uitgebreide schaal, en talrijke partijgangers, onder moedige chefs, liepen het land in alle rigtingen af, voerden den kleinen oorlog voor eigen rekening en dienden elk op zijne wijs de zaak die zij met mannenmoed verdedigden.Kapitein don Juan Melendez, aan alle kanten door zulke geduchtevijandenomgeven, die des te gevaarlijker waren voor hem daar hij hunne getalsterkte zoo min als hunne bewegingen onmogelijk kon verkennen, zag zich derhalve tot dubbele waakzaamheid verpligt; bovendien belast met eene moeijelijke en gewigtige taak, terwijl hij bij iederen stap voelde dat hem verraad dreigde, zonder dat hij wist waar of wanneer of hoe het over hem zou losbarsten, moest hij de uiterste voorzorg inachtnemen en met buitengewone gestrengheid te werk gaan, zoo hij den kostbaren schat, die hem was toevertrouwd, in behouden haven wilde brengen; daarom ook had hij niet geaarzeld, in de ruwe kastijding van padre Antonio, een afschrikkend voorbeeld te stellen voor allen die hem zouden willen navolgen.Sedert lang reeds had de monnik, wiens dubbelzinnig gedrag zijne ongerustheid zeer had gaande gemaakt, bij hem onder zware verdenking gelegen, zoodat hij alle reden meende te hebben om zijne eerlijkheid te mistrouwen.Don Juan nam zich dus voor om bij de eerste de beste gelegenheid die zich aanbood zijn twijfel tot zekerheid te brengen. Wij hebben reeds gezien hoe het hem gelukte de vijandelijke mijn verkeerd te doen springen, toen hij den vermetelen spion door twee vermomde tegenspionnen, die slimmer waren dan hij, wist te bespieden en hem bijna op heeterdaad te betrappen.Intusschen moeten wij hier tot onpartijdige beoordeeling van den geldzuchtigen monnik bekennen, dat de staatkunde met diens gedrag[127]niets te maken had; zijne denkbeelden gingen zoo hoog niet, hij wist dat de kapitein met het overbrengen van eene conducta de plata belast was, en had hem alleen in den strik willen lokken om voor zich een goed aandeel in den buit te bekomen, en zoo in een enkelen slag zijn fortuin te maken, om ongestoord zijn vrolijk leven te kunnen voortzetten, dat hem tot hiertoe niet altijd even gemakkelijk viel; verder gingen zijne gedachten niet, de man was eenvoudig een dief of liever een straatroover, maar bemoeide zich niet, gelijk andere zijner ordebroeders, met politieke zaken.Wij zullen hem voor het tegenwoordige laten waar hij is, om ons bezig te houden met de twee jagers, aan wier tusschenkomst hij zijne ruwe kastijding te danken had en die terstond na de strafoefening het kamp verlaten hadden.Deze beide mannen gingen stil den heuvel af en verdiepten zich in een digt bosch, waar zij hunne paarden terugvonden, twee prachtige, halfwilde mustangs, met vurige oogen en fijn gevormde, lange beenen, die er onbezorgd liepen te grazen; zij waren gezadeld en gereed om bestegen te worden.Na hun de kluisters te hebben afgedaan, bragten de jagers hun gebit en teugel weder in orde, sprongen in den zadel, en reden spoorslags weg.Zoo renden zij een geruimen tijd voort, diep over den hals hunner paarden gebogen, dwars door de wildernis, zonder om te zien of zich te bekreunen om de hindernissen die zij op weg ontmoetten en waar zij met voorbeeldelooze vaardigheid over heen sprongen; eindelijk, na een rid van twee uren, en omtrent een uur voor het opgaan der zon hielden zij stil.Zij hadden thans den ingang van een vrij engen bergpas bereikt aan weerszijden door hooge boschrijke heuvels ingesloten, de eerste voorposten van het hemelhoog gebergte welks besneeuwde spitsen zoo nabij schenen dat zij over het vlakke land dreigden neer te storten.De jagers stegen af eer zij de bergengte intraden en na hunne paarden weder gekluisterd te hebben, die zij in een digt boschje van floripondios verborgen, begonnen zij den omtrek te doorzoeken, met al de zorg en schranderheid van Indiaansche krijgslieden die een spoor op het oorlogspad moesten ontdekken.Hun onderzoek bleef lang zonder vrucht, zooals wel te bemerken was aan de uitroepen van spijt en teleurstelling, die hun nu en dan dof over de lippen kwamen.Eindelijk, na meer dan een uur vergeefs gezocht te hebben,[128]ontdekten zij, dank zij de eerste stralen der zon, die helder over de vlakte opging en snel de duisternis verdreef, zekere, bijna onmerkbare, maar ontwijfelbare teekenen, die hen van vreugde deden opspringen.Thans, voorloopig van hunne meest knellende zorgen bevrijd keerden zij naar hunne paarden terug, strekten zich vergenoegd op den grond uit en grabbelden in hunnealforjac(ransels) en haalden er het noodige uit voor een sober dejeuner, daar zij weldra alle eer aan bewezen, met den gulzigen eetlust van lieden die den ganschen nacht in den zadel geweest en langs bergen en dalen gegaloppeerd hadden.Sinds hun vertrek uit het Mexicaansche kamp was er tusschen de beide jagers geen woord gewisseld, zij schenen te handelen onder den indruk eener voorgenomen taak, die hen geheel vervulde en alle gesprek onnoodig maakte.Overigens is deze stilzwijgendheid een merkwaardige trek van menschen die gewoon zijn in de woestijn te leven; zij brengen soms gansche dagen door zonder een woord te spreken, of doen het alleen bij hooge noodzakelijkheid en dan nog menigmaal vervangen door de gebarentaal, die op spreektaal dit onbetwisbaar voordeel bezit dat zij de tegenwoordigheid van hen die er zich van bedienen niet verraadt aan hun vaak onzigtbaren vijand, die welligt op korten afstand in de struiken verscholen gereed is om op de onvoorzigtigen af te schieten, als een roofvogel op zijn prooi.Toen de eerste honger der jagers eindelijk gestild was stopte de een, dien de kapitein John had genoemd, zijn korte pijpje, stak het in den hoek van zijn mond en reikte den tabakzak aan zijn kameraad over.„Wel, Sam,” begon hij half fluisterend, als vreesde hij door iemand gehoord te worden, „ik geloof dat wij goed geslaagd zijn, zeg?”„Ik ben van ’t zelfde gevoelen, John,” antwoordde Sam met een toestemmenden hoofdknik, „gij zijt verduiveld knap, vriend, dat moet ik zeggen.”„Bah!” riep de andere met minachting, „er steekt weinig verdienste in om die lompe Spanjaarden te foppen, zij zijn zoo stom als roode flamingo’s.”„Dat doet er niet toe, de kapitein is in de fuik, zoo mooi als ge ’t ooit gezien hebt.”„Nu! voor hem was ik het minste bang, want ik wist sedert lang hoe ik met hem om moest gaan; maar die vervloekte monnik.…”[129]„Ja, ja! als we niet juist in tijds waren gekomen, zou hij ons die schoone zaak waarschijnlijk afhandig hebben gemaakt.”„Ik geloof dat ge gelijk hebt, Sam; het deed mij duivels goed toen ik hem zag krimpen onder de chicote.”„’t Was inderdaad een heerlijk gezigt. Maar zoudt gij niet denken dat hij zich wreken zal? die monniken zijn verduiveld haatdragend.”„Loop! wat hebben wij van zoo’n ellendeling te vreezen? hij zal ons nooit weer durven aanzien.”„Dat doet er niet toe, ’t is altoos goed niet te veel op zijn geluk te vertrouwen. Ons vak is gevaarlijk, zooals gij weet, en het kon wel zijn dat die verwenschte schobbejak ons te avond of morgen een kwaden trek speelde.”„Kom, kom! houd op, wat wij gedaan hebben is zuiver spel. Wees verzekerd dat de monnik, onder gelijke omstandigheden, ons evenmin zou gespaard hebben.”„Dat is waar; dus mag hij voor mijn part naar den duivel loopen! des te meer daar de buit die wij bejagen ons nooit beter van pas kon komen. Ik zou het mij zelven nooit vergeven hebben, als ik dien had laten ontsnappen.”„Zullen wij hier op den uitkijk blijven zitten?”„Dat is het veiligste; het zal altoos tijd genoeg wezen om ons bij onze kameraden te voegen, als wij derecuamuilezels in de vlakte zien naderen; en buitendien, wij zijn hier immers afgesproken?”„Dat is waar, daar dacht ik niet meer om.”„En ziedaar! spreekt men van den wolf.… Daar komt onze man juist aan.”De jagers stonden haastig op, grepen hunne wapens en stelden zich achter een rotsblok op wacht, om op ieder avontuur gereed te zijn.De snelle galop van een paard deed zich in de verte hooren, en naderde van oogenblik tot oogenblik. Weldra kwam er uit den bergpas een ruiter te voorschijn, die zonder zijn paard een oogenblik te vertragen doorreed, tot hij naauwlijks twee passen van de jagers af, kalm en fier staan bleef.Laatstgenoemden kwamen terstond uit hun schuilhoek te voorschijn en snelden hem tegemoet, met den regterarm uitgestrekt en de handpalm open, ten teeken van vrede.De ruiter, een Indiaansch krijgsman in oorlogskostuum, beantwoordde deze vredelievende vertooning door het zwaaijen met zijn[130]bisonsmantel, vervolgens steeg hij af en kwam zonder verdere pligtpleging vriendschappelijk de handen drukken die de jagers hem toestaken.„Wees welkom, hoofdman,” zei John, „wij wachtten u met ongeduld.”„Zoo mijne blanke broeders op de zon willen letten,” antwoordde de Indiaan, „zullen zij zien dat de Blaauwe-Vos niet te laat kwam.”„Dat is waar, hoofdman, er valt niets op te zeggen; gij komt prompt op uw tijd.”„De tijd wacht op niemand; krijgslieden zijn geen vrouwen. De Blaauwe-Vos zou gaarne raad houden met zijne blanke broeders.”„Goed!” antwoordde John,„uwe aanmerking is zeer gepast, hoofdman, laten wij zamen spreken, ik had mij reeds lang met u willen verstaan.”De Indiaan maakte voor hem eene diepe buiging, hurkte bij het vuur neder, stak zijn calumet aan en begon met stille aandacht te rooken; de beide jagers gingen naast hem zitten, en bewaarden, even als hij, het diepste stilzwijgen, zoo lang er nog tabak in hunne pijpen brandde.Eindelijk schudde het opperhoofd de asch op den nagel van zijn duim uit, stak de calumet in zijn gordel en was gereed om het woord op te vatten.Maar op eens knalde er een geweerschot en op hetzelfde oogenblik floot er een kogel voorbij, die even boven hunne hoofden een tak verbrijzelde.De drie mannen sprongen terstond op de beenen, grepen hunne wapens en maakten zich gereed om den vijand te keer te gaan, die hen zoo onverhoeds durfde aanvallen.
Eer wij verder gaan, zullen wij met een paar woorden den staatkundigen toestand van Texas beschrijven, op het tijdstip waarmede ons verhaal begint. Gedurende al den tijd der Spaansche overheersching, hebben de Texanen hunne vrijheid gewapenderhand verdedigd; maar eindelijk, na met afwisselend succes gestreden te hebben, werden zij geheel ten onder gebragt in den slag van Medina, op den noodlottigen 13den Augustus 1813, door den kolonel Arredondo, kommandant van het regiment Estramadura, bij hetwelk zich de militie van den staat Cohahuila had gevoegd. Van dien noodlottigen dag tot aan de tweede Mexicaansche omwenteling, bleef Texas gebogen onder het ondragelijk juk eener soldaten-regering, en weerloos prijs gegeven aan de onophoudelijke invallen der Comanchen-Indianen.
De Vereenigde Staten hadden reeds meermalen hunne aanspraken op dit gewest laten gelden, onder voorwendsel dat de natuurlijke grenzen tusschen Mexico en de bondgenootschappelijke Unie door de Rio-Bravo waren aangewezen. In 1819 evenwel zagen zij zich gedwongen hunne aanspraken op dien voet op te geven, en nu zochten zij naar andere, minder regtstreeksche middelen om dit rijke land meester te worden en met de staten der Unie te verbinden.
Van toen af aan begonnen zij de listige en langzaam maar zeker werkende staatkunde te ontwikkelen, die hen eindelijk moest doen zegevieren.
In 1821 verschenen de eerste Amerikaansche landverhuizers op de grenzen; hier en daar in de bosschen verstrooid, schroomvallig, ter sluik en bijna incognito, begonnen zij boomen te vellen, landerijen te ontginnen, en in stilte koloniën te stichten; zij breidden zich meer en meer uit, en werden binnen weinige jaren zoo magtig, dat zij in 1824 reeds eene massa van ongeveer[123]vijftig duizend zielen uitmaakten. De Mexicanen, onophoudelijk met elkander in strijd en in eindelooze burgeroorlogen gewikkeld, hadden weinig begrip van den aard en de strekking dezer Amerikaansche emigratie, die zij zelven in den beginne aanmoedigden.
Naauwelijks acht jaren na de komst der eerste Amerikanen in Texas, maakten dezen bijna de geheele bevolking uit.
Het kabinet van Washington hield nu zijne plannen niet langer verborgen en sprak reeds op hoogen toon om Mexico het grondgebied van Texas af te koopen, waar het Spaansch element schier geheel verdwenen was om voor den ondernemenden en stoutmoedigen koopmansgeest der Angel-Saksen plaats te maken.
De Mexicaansche regering, eindelijk uit haar langen slaap wakker geschud, begreep het gevaar dat haar door den dubbelen inval der inwoners van Missouri en van Texas in den staat Santa-Fé bedreigde, en het wilde de Amerikaansche landverhuizing stuiten, maar het was te laat; de door het Congres te Mexico uitgevaardigde wet was onmagtig, en de kolonisatie hield niet op, ondanks de militaire posten die overal de Mexicaansche grenzen bezetten, en belast waren om de emigranten af te wijzen en tot den terugtogt te dwingen.
Generaal Bustamente, de president der Republiek, begon in te zien dat hij weldra tegen de Amerikanen zou te kampen hebben, en bereidde zich in stilte tot den strijd. Onder bedekte termen rigtte hij van lieverlede naar de Roode rivier en de Sabine talrijke troepenkorpsen, die weldra het cijfer van twaalf duizend man bereikten.
Intusschen bleef alles schijnbaar in rust en niemand had vooreerst den dag of het jaar kunnen bepalen wanneer de strijd beginnen zou, tot op eens eene trouweloosheid van den gouverneur der oostelijke provinciën dien deed uitbreken, op een oogenblik dat men er het minst op verdacht was.
Zie hier de zaak:
De kommandant Anahuac liet zonder voldoende redenen verscheidene Amerikaansche kolonisten arresteren en in de gevangenis werpen.
De Texanen hadden tot dusver zonder morren de tallooze kwellingen verdragen die zij van tijd tot tijd van de zijde der Mexicaansche officieren moesten ondergaan, maar bij deze laatste magtsmisbruiking stonden zij in massa op, vertoonden zich gewapend bij den kommandant en eischten met dreigende oorlogskreten dat hunne medeburgersonmiddellijkzouden worden in vrijheid gesteld.[124]
De kommandant, die zich te zwak gevoelde om openlijk weerstand te bieden, veinsde hun verzoek toe te staan, maar hield hun voor, dat hij twee dagen noodig had om zekere formaliteiten te volbrengen en zijne verantwoordelijkheid te dekken.
De insurgenten bewilligden in dit uitstel, van hetwelk de officier heimelijk gebruik maakte om het garnizoen van Nacogdoches in allerijl tot zijne hulp op te roepen.
Dit garnizoen rukte binnen op het oogenblik dat de insurgenten, op het woord van den gouverneur vertrouwende, rustig waren afgetrokken.
Woedend over deze trouwelooze misleiding, keerden zij onmiddellijk terug en namen zulk eene indrukwekkende houding aan, dat de officier zich gelukkig rekende van hen af te komen, door de gevangenen in vrijheid te stellen.
Onder deze bedrijven werd er in Mexico eenpronunciamento, of nieuwe regeering uitgeroepen, ten gunste van Santa-Anna, die de magt van generaal Bustamente omver wierp, onder den kreet van: „Leve het bondgenootschap!”
In Texas vooral was men tegen het stelsel der centralisatie, dat hen nooit als afzonderlijken staat had willen erkennen; de Texanen verklaarden zich dus eenparig voor de bondgenootschappelijke regering.
De kolonisten kwamen in massa in opstand, voegden zich bij de insurgenten van Anahuac, die nog altoos onder de wapenen waren, en trokken gezamentlijk naar het fort Velasco, dat zij belegerden.
De leus hunner vereeniging was nog altoos: „Leve het bondgenootschap!” maar onder deze leus verborg zich de kreet van: „Leve de onafhankelijkheid!” dien de Texanen nog niet sterk genoeg waren om openlijk uit te spreken.
Het fort Velasco werd verdedigd door een kleine Mexicaansche bezetting, onder kommando van een dapper officier met name Ugartechea.
In dit zonderlinge beleg, waarbij de belegeraars het kanonvuur der vesting met karabijnschoten moesten beantwoorden, deden de Texanen en Mexicanen wonderen van dapperheid en legden beiden een ongewonen heldenmoed aan den dag.
De kolonisten, meestal geoefende scherpschutters, achter verbazende verhakkingen en aardewerken verscholen, vuurden als naar de schijf en verpletterden de handen der Mexicaansche artilleristen zoo vaak deze zich vertoonden om hunne stukken te laden.
Eindelijk kwamen de zaken zoo ver, dat de kommandant Ugartechea,[125]toen hij zijne dapperste manschappen telkens verminkt aan zijne zijde zag vallen, besloot liever zich zelven op te offeren en zelf de handen aan het werk sloeg. Door dezen trek van heldenmoed getroffen, hielden de Texanen, die den braven kommandant twintigmaal hadden kunnen dooden, met vuren op en Ugartechea gaf zich eindelijk over, afziende van eene verdediging, die hij zonder ontzet van buiten, bepaald onmogelijk keurde.
Deze uitslag vervulde de kolonisten met vreugde, doch Santa-Anna liet zich aangaande de bedoeling der insurgenten niet misleiden; hij begreep dat onder de leus der confederatie eene duidelijk verklaarde revolutionnaire beweging verscholen lag, en wel verre van zich door de schijnbare medewerking der kolonisten te laten misleiden, zond hij, zoodra zijn gezag genoeg gevestigd was om met vrucht tegen hen te kunnen handelen, in allerijl kolonel Mexia met vierhonderd man naar Texas om er het zwaar geschokte gezag der Mexicanen te herstellen.
Na veel aarzelingen en diplomatieke draaijerijen, die tusschen lieden welker voornaamste wapen in wederzijdsch wantrouwen bestond, onmogelijk tot iets goeds kon leiden, brak de oorlog eindelijk met vernieuwde woede uit; een comité van openbare veiligheid kwam te San-Felipe tot stand en riep het volk in massa op om zich te wapenen en aan den strijd deel te nemen.
Intusschen, nog voor dat de burgerkrijg officieel was begonnen, verscheen de man, die het lot van Texas voor goed zou beslissen en wien de eer toekomt het te hebben vrijgemaakt, namelijk Samuel Houston.
Van dit oogenblik af werd de bedeesde en tot niets leidende opstand in Texas eene volslagen omwenteling. Het Mexicaansche gouvernement bleef echter, in schijn, nog altijd de wettige regering des lands; de kolonisten werden natuurlijk opstandelingen genoemd, en wanneer zij den vijand in handen vielen, als zoodanig behandeld, dat is, zonder vorm van proces, gehangen, verdronken of doodgeschoten, al naar dat de plaats waar men hen gevangen kreeg, voor een dezer drieërlei wijzen van terdoodbrenging geschikt was.
Op den dag waarmede ons verhaal begint, had de verbittering tegen de Mexicanen en de geestdrift voor zaak der vrijheid en onafhankelijkheid haar hoogste toppunt bereikt.
Omtrent drie weken vroeger was er een ernstig gevecht geleverd tusschen het garnizoen van Bejar en een detachement vrijwilligers uit Texas, onder kommando van den moedigen Austin, een van[126]de meest beroemde opperhoofden der insurgenten. Ondanks hunne minderheid in getal en hunne onbedrevenheid in de militaire taktiek, hadden de kolonisten zoo dapper gestreden en met hun eenig stuk geschut zoo goed gemanoeuvreerd, dat de Mexicaansche troepen, na zware verliezen te hebben geleden, genoodzaakt waren het veld te ruimen en ijlings naar Bejar terug te trekken.
Dit gevecht was het eerste dat in het westen van Texas na de verovering van het fort Velasco geleverd werd, en het besliste over de revolutionnaire beweging, die zich nu met de snelheid van een loopend vuur uitbreidde.
Uit alle steden en dorpen kwamen er manschappen op om zich bij het bevrijdingsleger te voegen, de tegenstand organiseerde zich op uitgebreide schaal, en talrijke partijgangers, onder moedige chefs, liepen het land in alle rigtingen af, voerden den kleinen oorlog voor eigen rekening en dienden elk op zijne wijs de zaak die zij met mannenmoed verdedigden.
Kapitein don Juan Melendez, aan alle kanten door zulke geduchtevijandenomgeven, die des te gevaarlijker waren voor hem daar hij hunne getalsterkte zoo min als hunne bewegingen onmogelijk kon verkennen, zag zich derhalve tot dubbele waakzaamheid verpligt; bovendien belast met eene moeijelijke en gewigtige taak, terwijl hij bij iederen stap voelde dat hem verraad dreigde, zonder dat hij wist waar of wanneer of hoe het over hem zou losbarsten, moest hij de uiterste voorzorg inachtnemen en met buitengewone gestrengheid te werk gaan, zoo hij den kostbaren schat, die hem was toevertrouwd, in behouden haven wilde brengen; daarom ook had hij niet geaarzeld, in de ruwe kastijding van padre Antonio, een afschrikkend voorbeeld te stellen voor allen die hem zouden willen navolgen.
Sedert lang reeds had de monnik, wiens dubbelzinnig gedrag zijne ongerustheid zeer had gaande gemaakt, bij hem onder zware verdenking gelegen, zoodat hij alle reden meende te hebben om zijne eerlijkheid te mistrouwen.
Don Juan nam zich dus voor om bij de eerste de beste gelegenheid die zich aanbood zijn twijfel tot zekerheid te brengen. Wij hebben reeds gezien hoe het hem gelukte de vijandelijke mijn verkeerd te doen springen, toen hij den vermetelen spion door twee vermomde tegenspionnen, die slimmer waren dan hij, wist te bespieden en hem bijna op heeterdaad te betrappen.
Intusschen moeten wij hier tot onpartijdige beoordeeling van den geldzuchtigen monnik bekennen, dat de staatkunde met diens gedrag[127]niets te maken had; zijne denkbeelden gingen zoo hoog niet, hij wist dat de kapitein met het overbrengen van eene conducta de plata belast was, en had hem alleen in den strik willen lokken om voor zich een goed aandeel in den buit te bekomen, en zoo in een enkelen slag zijn fortuin te maken, om ongestoord zijn vrolijk leven te kunnen voortzetten, dat hem tot hiertoe niet altijd even gemakkelijk viel; verder gingen zijne gedachten niet, de man was eenvoudig een dief of liever een straatroover, maar bemoeide zich niet, gelijk andere zijner ordebroeders, met politieke zaken.
Wij zullen hem voor het tegenwoordige laten waar hij is, om ons bezig te houden met de twee jagers, aan wier tusschenkomst hij zijne ruwe kastijding te danken had en die terstond na de strafoefening het kamp verlaten hadden.
Deze beide mannen gingen stil den heuvel af en verdiepten zich in een digt bosch, waar zij hunne paarden terugvonden, twee prachtige, halfwilde mustangs, met vurige oogen en fijn gevormde, lange beenen, die er onbezorgd liepen te grazen; zij waren gezadeld en gereed om bestegen te worden.
Na hun de kluisters te hebben afgedaan, bragten de jagers hun gebit en teugel weder in orde, sprongen in den zadel, en reden spoorslags weg.
Zoo renden zij een geruimen tijd voort, diep over den hals hunner paarden gebogen, dwars door de wildernis, zonder om te zien of zich te bekreunen om de hindernissen die zij op weg ontmoetten en waar zij met voorbeeldelooze vaardigheid over heen sprongen; eindelijk, na een rid van twee uren, en omtrent een uur voor het opgaan der zon hielden zij stil.
Zij hadden thans den ingang van een vrij engen bergpas bereikt aan weerszijden door hooge boschrijke heuvels ingesloten, de eerste voorposten van het hemelhoog gebergte welks besneeuwde spitsen zoo nabij schenen dat zij over het vlakke land dreigden neer te storten.
De jagers stegen af eer zij de bergengte intraden en na hunne paarden weder gekluisterd te hebben, die zij in een digt boschje van floripondios verborgen, begonnen zij den omtrek te doorzoeken, met al de zorg en schranderheid van Indiaansche krijgslieden die een spoor op het oorlogspad moesten ontdekken.
Hun onderzoek bleef lang zonder vrucht, zooals wel te bemerken was aan de uitroepen van spijt en teleurstelling, die hun nu en dan dof over de lippen kwamen.
Eindelijk, na meer dan een uur vergeefs gezocht te hebben,[128]ontdekten zij, dank zij de eerste stralen der zon, die helder over de vlakte opging en snel de duisternis verdreef, zekere, bijna onmerkbare, maar ontwijfelbare teekenen, die hen van vreugde deden opspringen.
Thans, voorloopig van hunne meest knellende zorgen bevrijd keerden zij naar hunne paarden terug, strekten zich vergenoegd op den grond uit en grabbelden in hunnealforjac(ransels) en haalden er het noodige uit voor een sober dejeuner, daar zij weldra alle eer aan bewezen, met den gulzigen eetlust van lieden die den ganschen nacht in den zadel geweest en langs bergen en dalen gegaloppeerd hadden.
Sinds hun vertrek uit het Mexicaansche kamp was er tusschen de beide jagers geen woord gewisseld, zij schenen te handelen onder den indruk eener voorgenomen taak, die hen geheel vervulde en alle gesprek onnoodig maakte.
Overigens is deze stilzwijgendheid een merkwaardige trek van menschen die gewoon zijn in de woestijn te leven; zij brengen soms gansche dagen door zonder een woord te spreken, of doen het alleen bij hooge noodzakelijkheid en dan nog menigmaal vervangen door de gebarentaal, die op spreektaal dit onbetwisbaar voordeel bezit dat zij de tegenwoordigheid van hen die er zich van bedienen niet verraadt aan hun vaak onzigtbaren vijand, die welligt op korten afstand in de struiken verscholen gereed is om op de onvoorzigtigen af te schieten, als een roofvogel op zijn prooi.
Toen de eerste honger der jagers eindelijk gestild was stopte de een, dien de kapitein John had genoemd, zijn korte pijpje, stak het in den hoek van zijn mond en reikte den tabakzak aan zijn kameraad over.
„Wel, Sam,” begon hij half fluisterend, als vreesde hij door iemand gehoord te worden, „ik geloof dat wij goed geslaagd zijn, zeg?”
„Ik ben van ’t zelfde gevoelen, John,” antwoordde Sam met een toestemmenden hoofdknik, „gij zijt verduiveld knap, vriend, dat moet ik zeggen.”
„Bah!” riep de andere met minachting, „er steekt weinig verdienste in om die lompe Spanjaarden te foppen, zij zijn zoo stom als roode flamingo’s.”
„Dat doet er niet toe, de kapitein is in de fuik, zoo mooi als ge ’t ooit gezien hebt.”
„Nu! voor hem was ik het minste bang, want ik wist sedert lang hoe ik met hem om moest gaan; maar die vervloekte monnik.…”[129]
„Ja, ja! als we niet juist in tijds waren gekomen, zou hij ons die schoone zaak waarschijnlijk afhandig hebben gemaakt.”
„Ik geloof dat ge gelijk hebt, Sam; het deed mij duivels goed toen ik hem zag krimpen onder de chicote.”
„’t Was inderdaad een heerlijk gezigt. Maar zoudt gij niet denken dat hij zich wreken zal? die monniken zijn verduiveld haatdragend.”
„Loop! wat hebben wij van zoo’n ellendeling te vreezen? hij zal ons nooit weer durven aanzien.”
„Dat doet er niet toe, ’t is altoos goed niet te veel op zijn geluk te vertrouwen. Ons vak is gevaarlijk, zooals gij weet, en het kon wel zijn dat die verwenschte schobbejak ons te avond of morgen een kwaden trek speelde.”
„Kom, kom! houd op, wat wij gedaan hebben is zuiver spel. Wees verzekerd dat de monnik, onder gelijke omstandigheden, ons evenmin zou gespaard hebben.”
„Dat is waar; dus mag hij voor mijn part naar den duivel loopen! des te meer daar de buit die wij bejagen ons nooit beter van pas kon komen. Ik zou het mij zelven nooit vergeven hebben, als ik dien had laten ontsnappen.”
„Zullen wij hier op den uitkijk blijven zitten?”
„Dat is het veiligste; het zal altoos tijd genoeg wezen om ons bij onze kameraden te voegen, als wij derecuamuilezels in de vlakte zien naderen; en buitendien, wij zijn hier immers afgesproken?”
„Dat is waar, daar dacht ik niet meer om.”
„En ziedaar! spreekt men van den wolf.… Daar komt onze man juist aan.”
De jagers stonden haastig op, grepen hunne wapens en stelden zich achter een rotsblok op wacht, om op ieder avontuur gereed te zijn.
De snelle galop van een paard deed zich in de verte hooren, en naderde van oogenblik tot oogenblik. Weldra kwam er uit den bergpas een ruiter te voorschijn, die zonder zijn paard een oogenblik te vertragen doorreed, tot hij naauwlijks twee passen van de jagers af, kalm en fier staan bleef.
Laatstgenoemden kwamen terstond uit hun schuilhoek te voorschijn en snelden hem tegemoet, met den regterarm uitgestrekt en de handpalm open, ten teeken van vrede.
De ruiter, een Indiaansch krijgsman in oorlogskostuum, beantwoordde deze vredelievende vertooning door het zwaaijen met zijn[130]bisonsmantel, vervolgens steeg hij af en kwam zonder verdere pligtpleging vriendschappelijk de handen drukken die de jagers hem toestaken.
„Wees welkom, hoofdman,” zei John, „wij wachtten u met ongeduld.”
„Zoo mijne blanke broeders op de zon willen letten,” antwoordde de Indiaan, „zullen zij zien dat de Blaauwe-Vos niet te laat kwam.”
„Dat is waar, hoofdman, er valt niets op te zeggen; gij komt prompt op uw tijd.”
„De tijd wacht op niemand; krijgslieden zijn geen vrouwen. De Blaauwe-Vos zou gaarne raad houden met zijne blanke broeders.”
„Goed!” antwoordde John,„uwe aanmerking is zeer gepast, hoofdman, laten wij zamen spreken, ik had mij reeds lang met u willen verstaan.”
De Indiaan maakte voor hem eene diepe buiging, hurkte bij het vuur neder, stak zijn calumet aan en begon met stille aandacht te rooken; de beide jagers gingen naast hem zitten, en bewaarden, even als hij, het diepste stilzwijgen, zoo lang er nog tabak in hunne pijpen brandde.
Eindelijk schudde het opperhoofd de asch op den nagel van zijn duim uit, stak de calumet in zijn gordel en was gereed om het woord op te vatten.
Maar op eens knalde er een geweerschot en op hetzelfde oogenblik floot er een kogel voorbij, die even boven hunne hoofden een tak verbrijzelde.
De drie mannen sprongen terstond op de beenen, grepen hunne wapens en maakten zich gereed om den vijand te keer te gaan, die hen zoo onverhoeds durfde aanvallen.