XX.

[Inhoud]XX.VERTROUWELIJKE MEDEDEELINGEN.Tranquille, die het verhaal van Carmela met gebogen hoofd en gefronste blikken had aangehoord, zag haar, toen zij er mede gedaan had, belangstellend aan.„Is dat alles?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde zij schuchter.„En Lanzi dan, mijn arme Lanzi,” riep hij, „hebt gij daar niets meer van vernomen?”„Niets,” zeide zij, „wij hebben slechts twee pistoolschoten gehoord, kort daarna een woedenden galop van verscheidene paarden, en het oorlogsgeschrei der Apachen, maar toen werd alles weder doodstil.”„Wat zou er van hem geworden zijn?” mompelde de Canadees treurig.„Hij is stoutmoedig en vlug en hij schijnt mij toe het leven der woestijn wel te kennen,” zeide Edelhart.„Ja,” riep Tranquille; „maar hij is alleen.”„Dat is zoo,” zei de jager; „een tegen vijftig misschien.”„O!” riep de Canadees, „ik zou tien jaren van mijn leven willen geven als ik tijding van hem had.”„Carai! compadre!” riep op eens eene vrolijke stem, „die kom ik u brengen, zoo versch mogelijk en zonder dat gij er iets voor behoeft te missen.”De aanwezigen ontroerden tegen wil en dank op het geluid van deze stem, en wendden zich schielijk naar den kant van waar zij kwam.De struiken weken uit elkander en een man verscheen.[156]Die man was Lanzi.De mesties scheen zoo kalm en bedaard alsof er niets bijzonders met hem was gebeurd; alleen zijn gezigt, anders altijd zoo strak en ernstig, had eene onbeschrijfelijk schalksche uitdrukking, zijne oogen tintelden van zelfvoldoening en op zijne lippen speelde een opgeruimde glimlach.„Pardi! beste vriend,” riep Tranquille, hem de hand toestekende, „ik heet u duizendmaal welkom! Wij waren grootelijks ongerust over u.”„Ik zeg u dank, compeer, maar gelukkig voor mij is het gevaar niet zoo groot geweest als ik dacht, en heb ik mij gemakkelijk genoeg van die verdoemde Apachen kunnen ontslaan.”„Des te beter, vriend, ongevraagd op welke wijs het u gelukt is hun te ontsnappen, nu gij er eenmaal ongedeerd af zijt gekomen, is alles naar wensch, en daar wij thans allen weder vereenigd zijn, mogen zij vrij komen zoo zij willen, wij zullen ze weten te ontvangen.”„Zij zullen het wel laten, denk ik; bovendien hebben zij op dit oogenblik wel iets anders te doen.”„Zoudt gij dat denken?”„Ik weet het zeker. Zij hebben een legerkamp ontdekt van Mexicaansche soldaten, die een geld-konvooi eskorteren, daar willen zij zich natuurlijk meester van maken en juist aan deze onvoorziene omstandigheid heb ik grootendeels mijn behoud te danken.”„Zoo! dat is gek genoeg voor de Mexicanen,” zei de Canadees onbezorgd, „ieder voor zich; zij moeten maar zien hoe zij het schikken, dat zijn zaken die ons niet aangaan.”„Zoo denk ik er ook over.”„Wij hebben nog drie uren van den nacht voor ons, laten wij ons die ten nutte maken om een weinig te rusten en gereed te zijn met zonsopgang naar de hacienda te vertrekken.”„Uw raad is goed, wij moeten dien opvolgen,” zei Lanzi, terwijl hij reeds dadelijk zijne voeten bij het vuur stak, zich in zijn mantel wikkelde en weldra insliep.Edelhart, die zonder twijfel van hetzelfde gevoelen was, volgde zijn voorbeeld.Wat Quoniam betreft, na eerst de tijgers en hunne jongen met zorg de huid te hebben afgestroopt, lag hij reeds sedert een paar uren bij het vuur uitgestrekt en in een diepen slaap gedompeld, met de onbekommerde gerustheid die het zwarte ras kenmerkt.Tranquille wendde zich thans tot Carmela. Het meisje zat eenige[157]passen van hem af; zij staarde peinzend in het vuur, terwijl haar nu en dan een traan langs de wangen biggelde.„Welnu, meisje,” zei de Canadees zacht. „Wat schort er aan? Gij zult wel doodaf zijn van vermoeijenis, waarom zoekt gij ook niet een poosje rust te nemen?”„Dat zou mij niet baten,” prevelde zij treurig.„Hoe zoo, niet baten?” vroeg de jagermetdrift, daar de droevige toon van het meisje hem trof; „het zou u nieuwe krachten geven.”„Laat mij waken, vader, ik zou niet kunnen slapen, hoe vermoeid ik ook ben, mijne oogen zouden den slaap niet vatten.”De Canadees keek haar een poos met innige belangstelling aan.„Wat heeft dat te beteekenen?” zeide hij, bezorgd het hoofd schuddende.„Och niets, vader,” antwoordde zij met een gedwongen glimlach.„Meisje, meisje!” mompelde de Canadees, „dat is mij niet helder; ik ben maar een arme jager, die weinig weet en van de wereldsche zaken geen begrip heeft, maar ik heb u lief, mijn kind, en mijn hart zegt mij dat gij lijdt.”„Ik!” riep zij met eene ontkennende beweging, maar op eens smolt zij weg in tranen en viel den trouwen jager om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijne borst verborg en met eene gesmoorde stem uitriep: „O! vader, vader! ik ben zoo ongelukkig.”Tranquille door dezen uitroep van bittere smart diep getroffen, sprong op alsof hem een adder gestoken had, zijn oog tintelde, hij keek het meisje aan met een blik vol vaderlijke teederheid en dwong haar om hem fiks in de oogen te zien.„Gij ongelukkig! Carmela?” riep hij met angst; „mijn God! wat is er dan gebeurd!”Met groote inspanning gelukte het Carmela hare kalmte te herwinnen, hare trekken hernamen hunne gewonebezadigdheid, zij wischte hare tranen af en glimlachte tegen den jager, die haar met innige bezorgdheid aanstaarde.„Vergeef mij, vader!” zeide zij op onnoozel uitwijkenden toon,„ik ben dwaas.”„Neen, neen!” antwoordde hij, twee- of driemaal het hoofd schuddend, „gij zijt niet dwaas, mijn kind, maar gij zoekt mij iets te verbergen.”„Vader!” riep zij, een kleur krijgende en de oogen verlegen nederslaande.„Wees opregt en openhartig met mij, meisje, ik ben immers uw beste vriend?”[158]„Dat is waar!” stotterde zij.„Heb ik ooit geweigerd uwe geringste luimen te voldoen?”„Nooit!”„Hebt gij mij ooit te streng voor u gevonden?”„O, neen!”„Welnu! waarom zoudt gij mij dan niet ronduit zeggen wat u kwelt?”„’t Is omdat.…” begon zij aarzelend.„Omdat?” herhaalde hij op vleijenden toon.„Ik durf niet.”„Is het dan zoo moeijelijk om te zeggen?”„Ja.”„Kom! ronduit, meisje; waar zoudt gij toegevender biechtvader vinden, dan mij?”„Nergens, dat weet ik.”„Spreek dan.”„Ik ben bang dat ik u boos zal maken.”„Gij zult mij veel boozer maken door uw stijfhoofdig stilzwijgen.”„Maar.…”„Hoor eens, Carmela, toen gij ons daar straks verteldet wat u heden in de Venta gebeurd is, hebt gij zelf gezegd dat gij mij nog dezen nacht zoeken zoudt, waar ik ook wezen mogt; is dat niet waar?”„Ja, vader.”„Welnu! thans hebt gij mij gevonden, en ik luister; buitendien zoo hetgeen gij mij te zeggen hadt zoo gewigtig is als ik veronderstellen moet, dan geloof ik dat gij wel zult doen u te haasten.”Het meisje sidderde; zij sloeg een blik naar den hemel, waar het licht der sterren reeds begon te verbleeken, en op eens liet zij hare besluiteloosheid varen.„Gij hebt gelijk, vader,” zeide zij met eene vaste stem, „ik moet u spreken over een zaak van het grootste gewigt, ik heb er misschien reeds te lang mede gewacht, want het geldt iemands leven of dood.”„Gij doet mij schrikken.”„Luister.”„Spreek vrij, kind, spreekzonder vrees, en vertrouw dat ik u liefheb.”„Daar vertrouw ik op, vader, ook zult gij alles weten.”„Goed.”DoñaCarmela scheen zich een oogenblik te bedenken, toen legde[159]zij haar kleine mollige hand in de grove, harde hand van haar vader; hare lange satijnen wimpers zonken als een zedige sluijer over haar heldere en sprekende oogen en zij begon met eene bedeesde stem, die echter weldra ferm en duidelijk werd:„Lanzi heeft u straks gezegd, dat het ontdekken van een konvooi geld in de nabijheid der plaats waar wij ons gelegerd hadden, hem geholpen had om aan de Roodhuiden te ontsnappen. Nu vader, dat konvooi heeft den vorigen nacht in de Venta doorgebragt, en de kapitein die het eskorte kommandeerde is een der meest geachte officieren van het Mexicaansche leger; ik heb u meermalen met grooten lof van hem hooren spreken, ik geloof zelfs dat gij hem persoonlijk kent: hij heet don Juan Melendez de Gongora.”„Ja,” zeide Tranquille.Het meisje scheen geheel onthutst en zweeg een poos.„Ga voort,” riep de Canadees haar aanmoedigende.Carmela keek hem zijdelings aan, en toen zij zag dat de jager glimlachte, hervatte zij weder.„Reeds meermalen heeft het toeval kapitein Melendez naar de Venta gevoerd; het is een echt ridderlijk mensch, zachtzinnig, beschaafd, eerlijk, voorkomend, wij hebben ons nooit over hem te beklagen gehad: Lanzi kan het u verzekeren.”„Ik ben er van overtuigd, mijn kind, kapitein Melendez is juist zoo als gij hem beschrijft.”„Niet waar?” riep zij levendig.„Ja, ’t is een echt ridderlijk mensch, ’t is wel jammer dat er in het Mexicaansche leger maar weinig zulke officieren zijn als hij.”„Heden morgen is het konvooi vertrokken, onder geleide van den kapitein; twee of drie kerels met gemeene gezigten en van verdacht voorkomen waren in de Venta achtergebleven; met gluipende blikken zagen zij de soldaten vertrekken, daarop gingen zij aan de tafel zitten drinken, zochten een ongepast gesprek met mij aan te knoopen en begonnen mij woorden toe te voegen, die het een fatsoenlijk meisje niet past om aan te hooren; zelfs hebben zij mij durven bedreigen.”„Zoo!” viel Tranquille haar in de rede, en vervolgde met een donkeren blik: „Kent gij die kerels?”„Neen, vader, het waren van die grensloopers zooals er in deze streek maar al te veel rondzwerven, maar al heb ik hen meermalen gezien, hun naam weet ik niet.”„Dat is niets, ik zal ze wel vinden, wees daar maar gerust op.”[160]„O! vader, gij zoudt verkeerd doen met er u boos over te maken, doe dat toch niet.”„Goed, goed! dat is mijne zaak.”„Gelukkig voor mij, kwam er juist een ruiter op den aanslag, wiens tegenwoordigheid genoeg was om hen tot zwijgen te brengen en hen te noodzaken tot den gepasten eerbied en wellevendheid die zij mij schuldig waren.”„En die ruiter, die juist van pas kwam om u te helpen,” riep de Canadees lagchende, „was zeker een vriend van u?”„Niets meer dan een goede kennis, vader,” zeide zij met een ligt blosje.„Ha! zeer goed.”„Maar hij is een groot vriend van u, zoo veronderstel ik ten minste.”„Ei! en weet gij dan zijn naam ook, kindje?”„Welzeker!” riep zij levendig.„En hoe heet hij dan? als gij er niet te veel tegen hebt om het mij te zeggen.”„Volstrekt niet, hij heet de Jaguar.”„De Jaguar!” herhaalde Tranquille terwijl zijn gezigt merkbaar betrok, „wat had die op de Venta te doen?”„Dat weet ik niet, vader; maar hij fluisterde een paar woorden tegen de mannen daar ik u van sprak, waarop zij onmiddellijk van de tafel opstonden, hunne paarden bestegen en in galop wegreden zonder de minste aanmerking te maken.”„Dat is zonderling,” mompelde de Canadees.Er volgde een vrij lange poos stilte; Tranquille verzonk in diep nadenken; blijkbaar zocht hij vruchteloos naar de oplossing van een raadsel dat hij niet kon ontcijferen.Eindelijk hief hij het hoofd op.„Hebt gij mij niets meer te zeggen dan dat?” vroeg hij; „tot dus ver zie ik nog niets in al wat gij mij verteld hebt.”„Wacht,” riep zij.„Goed, het is dus nog niet uit?”„Nog niet.”„Zeer goed, ga voort.”„Ofschoon de Jaguar zacht met die kerels gesproken had, heb ik er toch onwillekeurig een paar woorden van verstaan, zonder opzet, vader, dat zweer ik u.…”„Daar ben ik van overtuigd, maar wat hebt gij uit die woorden opgemaakt?”[161]„Wat ik gemeend heb daaruit te moeten opmaken, bedoelt gij.”„Dat komt op hetzelfde neer, zeg op.”„Ik meende te verstaan, dat zij van het konvooi spraken.”„En vrij waarschijnlijk ook van kapitein Melendez, niet waar?”„Ik weet althans zeker dat ik zijn naam heb hooren noemen.”„Ah zoo! dat is het. Toen hebt gij gedacht dat de Jaguar voornemens was om het konvooi aan te vallen en misschien den kapitein te dooden, niet waar?”„Ik wil het niet zeker zeggen, vader,” stotterde het meisje meer en meer bedremmeld.„Neen, maar gij vreest het.”„Lieve God! vader,” hervatte zij op een toon van tegenstribbeling, „het is immers niet meer dan natuurlijk dat ik belang stel in het lot van een braaf officier, die.…”„Niets is natuurlijker dan dat, mijn kind, ik neem het u volstrekt niet kwalijk; wat meer zegt, ik geloof dat uwe vermoedens zeer nabij de waarheid komen, belg u dus maar niet.”„Zoudt gij dat denken, vader,” riep zij angstig de handen vouwende.„Het is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de Canadees kalm; „maar stel u gerust, mijn kind,” vervolgde hij goedhartig, „al hebt gij er mij een weinig laat over gesproken, geloof ik toch dat ik in staat zal zijn om het gevaar af te wenden van den man in wiens lot gij zooveel belang stelt.”„O! doe dat vader, ik bid er u om.”„Ik zal het ten minste beproeven, kind, ziedaar alles wat ik u voor het oogenblik beloven kan; maar gij, wat gaat gij doen?”„Ik?”„Ja, terwijl mijne kameraden en ik den kapitein zullen zien te redden?”„Ik ga met u, vader, als gij het mij vergunt.”„Dat zij zoo, te meer daar ik geloof dat het wel het voorzigtigst zijn zal; maar gij moet dien kapitein wel zeer genegen zijn, dat gij zoo vurig wenscht hem te redden.”„Ik, vader?” antwoordde zij met volkomen vrijmoedigheid; „in het minst niet, het komt mij alleen voor dat het verschrikkelijk zou zijn, om een braaf officier te laten vermoorden, als men hem redden kan.”„Gij haat dus zonder twijfel den Jaguar?”„In geenen deele, vader; ondanks zijn overdreven karakter geloof ik dat hij een edel hart heeft, bovendien acht gij zelf hem[162]hoog, hetgeen voor mij de sterkste reden is; maar het doet mij innig leed, twee mannen tegen elkander te zien opstaan, die ik weet, dat, als zij elkander kenden, weldra de beste vrienden zouden zijn; het is daarom mijn vurigste wensch dat er tusschen hen geen bloed vergoten worde.”Deze woorden werden door het jonge meisje met zooveel natuurlijke vrijmoedigheid uitgesproken, dat de Canadees een geruime poos verbaasd zat te kijken.Het weinigje licht dat hij zoo even in de zaak meende te erlangen, was hem weder geheel ontsnapt zonder dat hij wist hoe; hij begreep thans niets meer van het gedrag van Carmela, noch van de drijfveeren die haar deden handelen, te minder daar hij geen reden had om aan de geloofwaardigheid te twijfelen van al wat zij gezegd had.Na het meisje eenige oogenblikken met aandacht te hebben aangestaard, schudde hij twee- of driemaal het hoofd als iemand die het spoor geheel mis was, en zonder een woord te spreken stond hij op om zijne medegezellen te wekken.Tranquille was een der meest ervarene woudloopers van Noord-Amerika, al de geheimen der woestijn waren hem bekend; maar hij kende geen jota van die groote verborgenheid, die men het vrouwenhart noemt,—eene verborgenheid, des te moeijelijker te doorgronden, daar de vrouwen zelven haar bijna niet kennen, omdat zij gewoonlijk handelen onder den indruk van het oogenblik, of onder den drang des harten en zonder eenig voorbehoud of nadenken.Met weinige woorden bragt de Canadees zijne kameraden op de hoogte van zijn ontwerp; dezen, gelijk hij verwachtte, hadden er niets op aan te merken en maakten zich terstond gereed hem te volgen.Tien minuten later stegen zij te paard en verlieten het kamp, voorafgegaan door Lanzi, die hun tot gids diende.Op het oogenblik toen zij in het geboomte verdwenen, verhief de nachtuil zijn morgengeroep als aankondiger van het opgaan der zon.„Mijn God!” prevelde Carmela diep bezorgd, „als wij eens te laat kwamen!”[163]

[Inhoud]XX.VERTROUWELIJKE MEDEDEELINGEN.Tranquille, die het verhaal van Carmela met gebogen hoofd en gefronste blikken had aangehoord, zag haar, toen zij er mede gedaan had, belangstellend aan.„Is dat alles?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde zij schuchter.„En Lanzi dan, mijn arme Lanzi,” riep hij, „hebt gij daar niets meer van vernomen?”„Niets,” zeide zij, „wij hebben slechts twee pistoolschoten gehoord, kort daarna een woedenden galop van verscheidene paarden, en het oorlogsgeschrei der Apachen, maar toen werd alles weder doodstil.”„Wat zou er van hem geworden zijn?” mompelde de Canadees treurig.„Hij is stoutmoedig en vlug en hij schijnt mij toe het leven der woestijn wel te kennen,” zeide Edelhart.„Ja,” riep Tranquille; „maar hij is alleen.”„Dat is zoo,” zei de jager; „een tegen vijftig misschien.”„O!” riep de Canadees, „ik zou tien jaren van mijn leven willen geven als ik tijding van hem had.”„Carai! compadre!” riep op eens eene vrolijke stem, „die kom ik u brengen, zoo versch mogelijk en zonder dat gij er iets voor behoeft te missen.”De aanwezigen ontroerden tegen wil en dank op het geluid van deze stem, en wendden zich schielijk naar den kant van waar zij kwam.De struiken weken uit elkander en een man verscheen.[156]Die man was Lanzi.De mesties scheen zoo kalm en bedaard alsof er niets bijzonders met hem was gebeurd; alleen zijn gezigt, anders altijd zoo strak en ernstig, had eene onbeschrijfelijk schalksche uitdrukking, zijne oogen tintelden van zelfvoldoening en op zijne lippen speelde een opgeruimde glimlach.„Pardi! beste vriend,” riep Tranquille, hem de hand toestekende, „ik heet u duizendmaal welkom! Wij waren grootelijks ongerust over u.”„Ik zeg u dank, compeer, maar gelukkig voor mij is het gevaar niet zoo groot geweest als ik dacht, en heb ik mij gemakkelijk genoeg van die verdoemde Apachen kunnen ontslaan.”„Des te beter, vriend, ongevraagd op welke wijs het u gelukt is hun te ontsnappen, nu gij er eenmaal ongedeerd af zijt gekomen, is alles naar wensch, en daar wij thans allen weder vereenigd zijn, mogen zij vrij komen zoo zij willen, wij zullen ze weten te ontvangen.”„Zij zullen het wel laten, denk ik; bovendien hebben zij op dit oogenblik wel iets anders te doen.”„Zoudt gij dat denken?”„Ik weet het zeker. Zij hebben een legerkamp ontdekt van Mexicaansche soldaten, die een geld-konvooi eskorteren, daar willen zij zich natuurlijk meester van maken en juist aan deze onvoorziene omstandigheid heb ik grootendeels mijn behoud te danken.”„Zoo! dat is gek genoeg voor de Mexicanen,” zei de Canadees onbezorgd, „ieder voor zich; zij moeten maar zien hoe zij het schikken, dat zijn zaken die ons niet aangaan.”„Zoo denk ik er ook over.”„Wij hebben nog drie uren van den nacht voor ons, laten wij ons die ten nutte maken om een weinig te rusten en gereed te zijn met zonsopgang naar de hacienda te vertrekken.”„Uw raad is goed, wij moeten dien opvolgen,” zei Lanzi, terwijl hij reeds dadelijk zijne voeten bij het vuur stak, zich in zijn mantel wikkelde en weldra insliep.Edelhart, die zonder twijfel van hetzelfde gevoelen was, volgde zijn voorbeeld.Wat Quoniam betreft, na eerst de tijgers en hunne jongen met zorg de huid te hebben afgestroopt, lag hij reeds sedert een paar uren bij het vuur uitgestrekt en in een diepen slaap gedompeld, met de onbekommerde gerustheid die het zwarte ras kenmerkt.Tranquille wendde zich thans tot Carmela. Het meisje zat eenige[157]passen van hem af; zij staarde peinzend in het vuur, terwijl haar nu en dan een traan langs de wangen biggelde.„Welnu, meisje,” zei de Canadees zacht. „Wat schort er aan? Gij zult wel doodaf zijn van vermoeijenis, waarom zoekt gij ook niet een poosje rust te nemen?”„Dat zou mij niet baten,” prevelde zij treurig.„Hoe zoo, niet baten?” vroeg de jagermetdrift, daar de droevige toon van het meisje hem trof; „het zou u nieuwe krachten geven.”„Laat mij waken, vader, ik zou niet kunnen slapen, hoe vermoeid ik ook ben, mijne oogen zouden den slaap niet vatten.”De Canadees keek haar een poos met innige belangstelling aan.„Wat heeft dat te beteekenen?” zeide hij, bezorgd het hoofd schuddende.„Och niets, vader,” antwoordde zij met een gedwongen glimlach.„Meisje, meisje!” mompelde de Canadees, „dat is mij niet helder; ik ben maar een arme jager, die weinig weet en van de wereldsche zaken geen begrip heeft, maar ik heb u lief, mijn kind, en mijn hart zegt mij dat gij lijdt.”„Ik!” riep zij met eene ontkennende beweging, maar op eens smolt zij weg in tranen en viel den trouwen jager om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijne borst verborg en met eene gesmoorde stem uitriep: „O! vader, vader! ik ben zoo ongelukkig.”Tranquille door dezen uitroep van bittere smart diep getroffen, sprong op alsof hem een adder gestoken had, zijn oog tintelde, hij keek het meisje aan met een blik vol vaderlijke teederheid en dwong haar om hem fiks in de oogen te zien.„Gij ongelukkig! Carmela?” riep hij met angst; „mijn God! wat is er dan gebeurd!”Met groote inspanning gelukte het Carmela hare kalmte te herwinnen, hare trekken hernamen hunne gewonebezadigdheid, zij wischte hare tranen af en glimlachte tegen den jager, die haar met innige bezorgdheid aanstaarde.„Vergeef mij, vader!” zeide zij op onnoozel uitwijkenden toon,„ik ben dwaas.”„Neen, neen!” antwoordde hij, twee- of driemaal het hoofd schuddend, „gij zijt niet dwaas, mijn kind, maar gij zoekt mij iets te verbergen.”„Vader!” riep zij, een kleur krijgende en de oogen verlegen nederslaande.„Wees opregt en openhartig met mij, meisje, ik ben immers uw beste vriend?”[158]„Dat is waar!” stotterde zij.„Heb ik ooit geweigerd uwe geringste luimen te voldoen?”„Nooit!”„Hebt gij mij ooit te streng voor u gevonden?”„O, neen!”„Welnu! waarom zoudt gij mij dan niet ronduit zeggen wat u kwelt?”„’t Is omdat.…” begon zij aarzelend.„Omdat?” herhaalde hij op vleijenden toon.„Ik durf niet.”„Is het dan zoo moeijelijk om te zeggen?”„Ja.”„Kom! ronduit, meisje; waar zoudt gij toegevender biechtvader vinden, dan mij?”„Nergens, dat weet ik.”„Spreek dan.”„Ik ben bang dat ik u boos zal maken.”„Gij zult mij veel boozer maken door uw stijfhoofdig stilzwijgen.”„Maar.…”„Hoor eens, Carmela, toen gij ons daar straks verteldet wat u heden in de Venta gebeurd is, hebt gij zelf gezegd dat gij mij nog dezen nacht zoeken zoudt, waar ik ook wezen mogt; is dat niet waar?”„Ja, vader.”„Welnu! thans hebt gij mij gevonden, en ik luister; buitendien zoo hetgeen gij mij te zeggen hadt zoo gewigtig is als ik veronderstellen moet, dan geloof ik dat gij wel zult doen u te haasten.”Het meisje sidderde; zij sloeg een blik naar den hemel, waar het licht der sterren reeds begon te verbleeken, en op eens liet zij hare besluiteloosheid varen.„Gij hebt gelijk, vader,” zeide zij met eene vaste stem, „ik moet u spreken over een zaak van het grootste gewigt, ik heb er misschien reeds te lang mede gewacht, want het geldt iemands leven of dood.”„Gij doet mij schrikken.”„Luister.”„Spreek vrij, kind, spreekzonder vrees, en vertrouw dat ik u liefheb.”„Daar vertrouw ik op, vader, ook zult gij alles weten.”„Goed.”DoñaCarmela scheen zich een oogenblik te bedenken, toen legde[159]zij haar kleine mollige hand in de grove, harde hand van haar vader; hare lange satijnen wimpers zonken als een zedige sluijer over haar heldere en sprekende oogen en zij begon met eene bedeesde stem, die echter weldra ferm en duidelijk werd:„Lanzi heeft u straks gezegd, dat het ontdekken van een konvooi geld in de nabijheid der plaats waar wij ons gelegerd hadden, hem geholpen had om aan de Roodhuiden te ontsnappen. Nu vader, dat konvooi heeft den vorigen nacht in de Venta doorgebragt, en de kapitein die het eskorte kommandeerde is een der meest geachte officieren van het Mexicaansche leger; ik heb u meermalen met grooten lof van hem hooren spreken, ik geloof zelfs dat gij hem persoonlijk kent: hij heet don Juan Melendez de Gongora.”„Ja,” zeide Tranquille.Het meisje scheen geheel onthutst en zweeg een poos.„Ga voort,” riep de Canadees haar aanmoedigende.Carmela keek hem zijdelings aan, en toen zij zag dat de jager glimlachte, hervatte zij weder.„Reeds meermalen heeft het toeval kapitein Melendez naar de Venta gevoerd; het is een echt ridderlijk mensch, zachtzinnig, beschaafd, eerlijk, voorkomend, wij hebben ons nooit over hem te beklagen gehad: Lanzi kan het u verzekeren.”„Ik ben er van overtuigd, mijn kind, kapitein Melendez is juist zoo als gij hem beschrijft.”„Niet waar?” riep zij levendig.„Ja, ’t is een echt ridderlijk mensch, ’t is wel jammer dat er in het Mexicaansche leger maar weinig zulke officieren zijn als hij.”„Heden morgen is het konvooi vertrokken, onder geleide van den kapitein; twee of drie kerels met gemeene gezigten en van verdacht voorkomen waren in de Venta achtergebleven; met gluipende blikken zagen zij de soldaten vertrekken, daarop gingen zij aan de tafel zitten drinken, zochten een ongepast gesprek met mij aan te knoopen en begonnen mij woorden toe te voegen, die het een fatsoenlijk meisje niet past om aan te hooren; zelfs hebben zij mij durven bedreigen.”„Zoo!” viel Tranquille haar in de rede, en vervolgde met een donkeren blik: „Kent gij die kerels?”„Neen, vader, het waren van die grensloopers zooals er in deze streek maar al te veel rondzwerven, maar al heb ik hen meermalen gezien, hun naam weet ik niet.”„Dat is niets, ik zal ze wel vinden, wees daar maar gerust op.”[160]„O! vader, gij zoudt verkeerd doen met er u boos over te maken, doe dat toch niet.”„Goed, goed! dat is mijne zaak.”„Gelukkig voor mij, kwam er juist een ruiter op den aanslag, wiens tegenwoordigheid genoeg was om hen tot zwijgen te brengen en hen te noodzaken tot den gepasten eerbied en wellevendheid die zij mij schuldig waren.”„En die ruiter, die juist van pas kwam om u te helpen,” riep de Canadees lagchende, „was zeker een vriend van u?”„Niets meer dan een goede kennis, vader,” zeide zij met een ligt blosje.„Ha! zeer goed.”„Maar hij is een groot vriend van u, zoo veronderstel ik ten minste.”„Ei! en weet gij dan zijn naam ook, kindje?”„Welzeker!” riep zij levendig.„En hoe heet hij dan? als gij er niet te veel tegen hebt om het mij te zeggen.”„Volstrekt niet, hij heet de Jaguar.”„De Jaguar!” herhaalde Tranquille terwijl zijn gezigt merkbaar betrok, „wat had die op de Venta te doen?”„Dat weet ik niet, vader; maar hij fluisterde een paar woorden tegen de mannen daar ik u van sprak, waarop zij onmiddellijk van de tafel opstonden, hunne paarden bestegen en in galop wegreden zonder de minste aanmerking te maken.”„Dat is zonderling,” mompelde de Canadees.Er volgde een vrij lange poos stilte; Tranquille verzonk in diep nadenken; blijkbaar zocht hij vruchteloos naar de oplossing van een raadsel dat hij niet kon ontcijferen.Eindelijk hief hij het hoofd op.„Hebt gij mij niets meer te zeggen dan dat?” vroeg hij; „tot dus ver zie ik nog niets in al wat gij mij verteld hebt.”„Wacht,” riep zij.„Goed, het is dus nog niet uit?”„Nog niet.”„Zeer goed, ga voort.”„Ofschoon de Jaguar zacht met die kerels gesproken had, heb ik er toch onwillekeurig een paar woorden van verstaan, zonder opzet, vader, dat zweer ik u.…”„Daar ben ik van overtuigd, maar wat hebt gij uit die woorden opgemaakt?”[161]„Wat ik gemeend heb daaruit te moeten opmaken, bedoelt gij.”„Dat komt op hetzelfde neer, zeg op.”„Ik meende te verstaan, dat zij van het konvooi spraken.”„En vrij waarschijnlijk ook van kapitein Melendez, niet waar?”„Ik weet althans zeker dat ik zijn naam heb hooren noemen.”„Ah zoo! dat is het. Toen hebt gij gedacht dat de Jaguar voornemens was om het konvooi aan te vallen en misschien den kapitein te dooden, niet waar?”„Ik wil het niet zeker zeggen, vader,” stotterde het meisje meer en meer bedremmeld.„Neen, maar gij vreest het.”„Lieve God! vader,” hervatte zij op een toon van tegenstribbeling, „het is immers niet meer dan natuurlijk dat ik belang stel in het lot van een braaf officier, die.…”„Niets is natuurlijker dan dat, mijn kind, ik neem het u volstrekt niet kwalijk; wat meer zegt, ik geloof dat uwe vermoedens zeer nabij de waarheid komen, belg u dus maar niet.”„Zoudt gij dat denken, vader,” riep zij angstig de handen vouwende.„Het is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de Canadees kalm; „maar stel u gerust, mijn kind,” vervolgde hij goedhartig, „al hebt gij er mij een weinig laat over gesproken, geloof ik toch dat ik in staat zal zijn om het gevaar af te wenden van den man in wiens lot gij zooveel belang stelt.”„O! doe dat vader, ik bid er u om.”„Ik zal het ten minste beproeven, kind, ziedaar alles wat ik u voor het oogenblik beloven kan; maar gij, wat gaat gij doen?”„Ik?”„Ja, terwijl mijne kameraden en ik den kapitein zullen zien te redden?”„Ik ga met u, vader, als gij het mij vergunt.”„Dat zij zoo, te meer daar ik geloof dat het wel het voorzigtigst zijn zal; maar gij moet dien kapitein wel zeer genegen zijn, dat gij zoo vurig wenscht hem te redden.”„Ik, vader?” antwoordde zij met volkomen vrijmoedigheid; „in het minst niet, het komt mij alleen voor dat het verschrikkelijk zou zijn, om een braaf officier te laten vermoorden, als men hem redden kan.”„Gij haat dus zonder twijfel den Jaguar?”„In geenen deele, vader; ondanks zijn overdreven karakter geloof ik dat hij een edel hart heeft, bovendien acht gij zelf hem[162]hoog, hetgeen voor mij de sterkste reden is; maar het doet mij innig leed, twee mannen tegen elkander te zien opstaan, die ik weet, dat, als zij elkander kenden, weldra de beste vrienden zouden zijn; het is daarom mijn vurigste wensch dat er tusschen hen geen bloed vergoten worde.”Deze woorden werden door het jonge meisje met zooveel natuurlijke vrijmoedigheid uitgesproken, dat de Canadees een geruime poos verbaasd zat te kijken.Het weinigje licht dat hij zoo even in de zaak meende te erlangen, was hem weder geheel ontsnapt zonder dat hij wist hoe; hij begreep thans niets meer van het gedrag van Carmela, noch van de drijfveeren die haar deden handelen, te minder daar hij geen reden had om aan de geloofwaardigheid te twijfelen van al wat zij gezegd had.Na het meisje eenige oogenblikken met aandacht te hebben aangestaard, schudde hij twee- of driemaal het hoofd als iemand die het spoor geheel mis was, en zonder een woord te spreken stond hij op om zijne medegezellen te wekken.Tranquille was een der meest ervarene woudloopers van Noord-Amerika, al de geheimen der woestijn waren hem bekend; maar hij kende geen jota van die groote verborgenheid, die men het vrouwenhart noemt,—eene verborgenheid, des te moeijelijker te doorgronden, daar de vrouwen zelven haar bijna niet kennen, omdat zij gewoonlijk handelen onder den indruk van het oogenblik, of onder den drang des harten en zonder eenig voorbehoud of nadenken.Met weinige woorden bragt de Canadees zijne kameraden op de hoogte van zijn ontwerp; dezen, gelijk hij verwachtte, hadden er niets op aan te merken en maakten zich terstond gereed hem te volgen.Tien minuten later stegen zij te paard en verlieten het kamp, voorafgegaan door Lanzi, die hun tot gids diende.Op het oogenblik toen zij in het geboomte verdwenen, verhief de nachtuil zijn morgengeroep als aankondiger van het opgaan der zon.„Mijn God!” prevelde Carmela diep bezorgd, „als wij eens te laat kwamen!”[163]

XX.VERTROUWELIJKE MEDEDEELINGEN.

Tranquille, die het verhaal van Carmela met gebogen hoofd en gefronste blikken had aangehoord, zag haar, toen zij er mede gedaan had, belangstellend aan.„Is dat alles?” vroeg hij.„Ja,” antwoordde zij schuchter.„En Lanzi dan, mijn arme Lanzi,” riep hij, „hebt gij daar niets meer van vernomen?”„Niets,” zeide zij, „wij hebben slechts twee pistoolschoten gehoord, kort daarna een woedenden galop van verscheidene paarden, en het oorlogsgeschrei der Apachen, maar toen werd alles weder doodstil.”„Wat zou er van hem geworden zijn?” mompelde de Canadees treurig.„Hij is stoutmoedig en vlug en hij schijnt mij toe het leven der woestijn wel te kennen,” zeide Edelhart.„Ja,” riep Tranquille; „maar hij is alleen.”„Dat is zoo,” zei de jager; „een tegen vijftig misschien.”„O!” riep de Canadees, „ik zou tien jaren van mijn leven willen geven als ik tijding van hem had.”„Carai! compadre!” riep op eens eene vrolijke stem, „die kom ik u brengen, zoo versch mogelijk en zonder dat gij er iets voor behoeft te missen.”De aanwezigen ontroerden tegen wil en dank op het geluid van deze stem, en wendden zich schielijk naar den kant van waar zij kwam.De struiken weken uit elkander en een man verscheen.[156]Die man was Lanzi.De mesties scheen zoo kalm en bedaard alsof er niets bijzonders met hem was gebeurd; alleen zijn gezigt, anders altijd zoo strak en ernstig, had eene onbeschrijfelijk schalksche uitdrukking, zijne oogen tintelden van zelfvoldoening en op zijne lippen speelde een opgeruimde glimlach.„Pardi! beste vriend,” riep Tranquille, hem de hand toestekende, „ik heet u duizendmaal welkom! Wij waren grootelijks ongerust over u.”„Ik zeg u dank, compeer, maar gelukkig voor mij is het gevaar niet zoo groot geweest als ik dacht, en heb ik mij gemakkelijk genoeg van die verdoemde Apachen kunnen ontslaan.”„Des te beter, vriend, ongevraagd op welke wijs het u gelukt is hun te ontsnappen, nu gij er eenmaal ongedeerd af zijt gekomen, is alles naar wensch, en daar wij thans allen weder vereenigd zijn, mogen zij vrij komen zoo zij willen, wij zullen ze weten te ontvangen.”„Zij zullen het wel laten, denk ik; bovendien hebben zij op dit oogenblik wel iets anders te doen.”„Zoudt gij dat denken?”„Ik weet het zeker. Zij hebben een legerkamp ontdekt van Mexicaansche soldaten, die een geld-konvooi eskorteren, daar willen zij zich natuurlijk meester van maken en juist aan deze onvoorziene omstandigheid heb ik grootendeels mijn behoud te danken.”„Zoo! dat is gek genoeg voor de Mexicanen,” zei de Canadees onbezorgd, „ieder voor zich; zij moeten maar zien hoe zij het schikken, dat zijn zaken die ons niet aangaan.”„Zoo denk ik er ook over.”„Wij hebben nog drie uren van den nacht voor ons, laten wij ons die ten nutte maken om een weinig te rusten en gereed te zijn met zonsopgang naar de hacienda te vertrekken.”„Uw raad is goed, wij moeten dien opvolgen,” zei Lanzi, terwijl hij reeds dadelijk zijne voeten bij het vuur stak, zich in zijn mantel wikkelde en weldra insliep.Edelhart, die zonder twijfel van hetzelfde gevoelen was, volgde zijn voorbeeld.Wat Quoniam betreft, na eerst de tijgers en hunne jongen met zorg de huid te hebben afgestroopt, lag hij reeds sedert een paar uren bij het vuur uitgestrekt en in een diepen slaap gedompeld, met de onbekommerde gerustheid die het zwarte ras kenmerkt.Tranquille wendde zich thans tot Carmela. Het meisje zat eenige[157]passen van hem af; zij staarde peinzend in het vuur, terwijl haar nu en dan een traan langs de wangen biggelde.„Welnu, meisje,” zei de Canadees zacht. „Wat schort er aan? Gij zult wel doodaf zijn van vermoeijenis, waarom zoekt gij ook niet een poosje rust te nemen?”„Dat zou mij niet baten,” prevelde zij treurig.„Hoe zoo, niet baten?” vroeg de jagermetdrift, daar de droevige toon van het meisje hem trof; „het zou u nieuwe krachten geven.”„Laat mij waken, vader, ik zou niet kunnen slapen, hoe vermoeid ik ook ben, mijne oogen zouden den slaap niet vatten.”De Canadees keek haar een poos met innige belangstelling aan.„Wat heeft dat te beteekenen?” zeide hij, bezorgd het hoofd schuddende.„Och niets, vader,” antwoordde zij met een gedwongen glimlach.„Meisje, meisje!” mompelde de Canadees, „dat is mij niet helder; ik ben maar een arme jager, die weinig weet en van de wereldsche zaken geen begrip heeft, maar ik heb u lief, mijn kind, en mijn hart zegt mij dat gij lijdt.”„Ik!” riep zij met eene ontkennende beweging, maar op eens smolt zij weg in tranen en viel den trouwen jager om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijne borst verborg en met eene gesmoorde stem uitriep: „O! vader, vader! ik ben zoo ongelukkig.”Tranquille door dezen uitroep van bittere smart diep getroffen, sprong op alsof hem een adder gestoken had, zijn oog tintelde, hij keek het meisje aan met een blik vol vaderlijke teederheid en dwong haar om hem fiks in de oogen te zien.„Gij ongelukkig! Carmela?” riep hij met angst; „mijn God! wat is er dan gebeurd!”Met groote inspanning gelukte het Carmela hare kalmte te herwinnen, hare trekken hernamen hunne gewonebezadigdheid, zij wischte hare tranen af en glimlachte tegen den jager, die haar met innige bezorgdheid aanstaarde.„Vergeef mij, vader!” zeide zij op onnoozel uitwijkenden toon,„ik ben dwaas.”„Neen, neen!” antwoordde hij, twee- of driemaal het hoofd schuddend, „gij zijt niet dwaas, mijn kind, maar gij zoekt mij iets te verbergen.”„Vader!” riep zij, een kleur krijgende en de oogen verlegen nederslaande.„Wees opregt en openhartig met mij, meisje, ik ben immers uw beste vriend?”[158]„Dat is waar!” stotterde zij.„Heb ik ooit geweigerd uwe geringste luimen te voldoen?”„Nooit!”„Hebt gij mij ooit te streng voor u gevonden?”„O, neen!”„Welnu! waarom zoudt gij mij dan niet ronduit zeggen wat u kwelt?”„’t Is omdat.…” begon zij aarzelend.„Omdat?” herhaalde hij op vleijenden toon.„Ik durf niet.”„Is het dan zoo moeijelijk om te zeggen?”„Ja.”„Kom! ronduit, meisje; waar zoudt gij toegevender biechtvader vinden, dan mij?”„Nergens, dat weet ik.”„Spreek dan.”„Ik ben bang dat ik u boos zal maken.”„Gij zult mij veel boozer maken door uw stijfhoofdig stilzwijgen.”„Maar.…”„Hoor eens, Carmela, toen gij ons daar straks verteldet wat u heden in de Venta gebeurd is, hebt gij zelf gezegd dat gij mij nog dezen nacht zoeken zoudt, waar ik ook wezen mogt; is dat niet waar?”„Ja, vader.”„Welnu! thans hebt gij mij gevonden, en ik luister; buitendien zoo hetgeen gij mij te zeggen hadt zoo gewigtig is als ik veronderstellen moet, dan geloof ik dat gij wel zult doen u te haasten.”Het meisje sidderde; zij sloeg een blik naar den hemel, waar het licht der sterren reeds begon te verbleeken, en op eens liet zij hare besluiteloosheid varen.„Gij hebt gelijk, vader,” zeide zij met eene vaste stem, „ik moet u spreken over een zaak van het grootste gewigt, ik heb er misschien reeds te lang mede gewacht, want het geldt iemands leven of dood.”„Gij doet mij schrikken.”„Luister.”„Spreek vrij, kind, spreekzonder vrees, en vertrouw dat ik u liefheb.”„Daar vertrouw ik op, vader, ook zult gij alles weten.”„Goed.”DoñaCarmela scheen zich een oogenblik te bedenken, toen legde[159]zij haar kleine mollige hand in de grove, harde hand van haar vader; hare lange satijnen wimpers zonken als een zedige sluijer over haar heldere en sprekende oogen en zij begon met eene bedeesde stem, die echter weldra ferm en duidelijk werd:„Lanzi heeft u straks gezegd, dat het ontdekken van een konvooi geld in de nabijheid der plaats waar wij ons gelegerd hadden, hem geholpen had om aan de Roodhuiden te ontsnappen. Nu vader, dat konvooi heeft den vorigen nacht in de Venta doorgebragt, en de kapitein die het eskorte kommandeerde is een der meest geachte officieren van het Mexicaansche leger; ik heb u meermalen met grooten lof van hem hooren spreken, ik geloof zelfs dat gij hem persoonlijk kent: hij heet don Juan Melendez de Gongora.”„Ja,” zeide Tranquille.Het meisje scheen geheel onthutst en zweeg een poos.„Ga voort,” riep de Canadees haar aanmoedigende.Carmela keek hem zijdelings aan, en toen zij zag dat de jager glimlachte, hervatte zij weder.„Reeds meermalen heeft het toeval kapitein Melendez naar de Venta gevoerd; het is een echt ridderlijk mensch, zachtzinnig, beschaafd, eerlijk, voorkomend, wij hebben ons nooit over hem te beklagen gehad: Lanzi kan het u verzekeren.”„Ik ben er van overtuigd, mijn kind, kapitein Melendez is juist zoo als gij hem beschrijft.”„Niet waar?” riep zij levendig.„Ja, ’t is een echt ridderlijk mensch, ’t is wel jammer dat er in het Mexicaansche leger maar weinig zulke officieren zijn als hij.”„Heden morgen is het konvooi vertrokken, onder geleide van den kapitein; twee of drie kerels met gemeene gezigten en van verdacht voorkomen waren in de Venta achtergebleven; met gluipende blikken zagen zij de soldaten vertrekken, daarop gingen zij aan de tafel zitten drinken, zochten een ongepast gesprek met mij aan te knoopen en begonnen mij woorden toe te voegen, die het een fatsoenlijk meisje niet past om aan te hooren; zelfs hebben zij mij durven bedreigen.”„Zoo!” viel Tranquille haar in de rede, en vervolgde met een donkeren blik: „Kent gij die kerels?”„Neen, vader, het waren van die grensloopers zooals er in deze streek maar al te veel rondzwerven, maar al heb ik hen meermalen gezien, hun naam weet ik niet.”„Dat is niets, ik zal ze wel vinden, wees daar maar gerust op.”[160]„O! vader, gij zoudt verkeerd doen met er u boos over te maken, doe dat toch niet.”„Goed, goed! dat is mijne zaak.”„Gelukkig voor mij, kwam er juist een ruiter op den aanslag, wiens tegenwoordigheid genoeg was om hen tot zwijgen te brengen en hen te noodzaken tot den gepasten eerbied en wellevendheid die zij mij schuldig waren.”„En die ruiter, die juist van pas kwam om u te helpen,” riep de Canadees lagchende, „was zeker een vriend van u?”„Niets meer dan een goede kennis, vader,” zeide zij met een ligt blosje.„Ha! zeer goed.”„Maar hij is een groot vriend van u, zoo veronderstel ik ten minste.”„Ei! en weet gij dan zijn naam ook, kindje?”„Welzeker!” riep zij levendig.„En hoe heet hij dan? als gij er niet te veel tegen hebt om het mij te zeggen.”„Volstrekt niet, hij heet de Jaguar.”„De Jaguar!” herhaalde Tranquille terwijl zijn gezigt merkbaar betrok, „wat had die op de Venta te doen?”„Dat weet ik niet, vader; maar hij fluisterde een paar woorden tegen de mannen daar ik u van sprak, waarop zij onmiddellijk van de tafel opstonden, hunne paarden bestegen en in galop wegreden zonder de minste aanmerking te maken.”„Dat is zonderling,” mompelde de Canadees.Er volgde een vrij lange poos stilte; Tranquille verzonk in diep nadenken; blijkbaar zocht hij vruchteloos naar de oplossing van een raadsel dat hij niet kon ontcijferen.Eindelijk hief hij het hoofd op.„Hebt gij mij niets meer te zeggen dan dat?” vroeg hij; „tot dus ver zie ik nog niets in al wat gij mij verteld hebt.”„Wacht,” riep zij.„Goed, het is dus nog niet uit?”„Nog niet.”„Zeer goed, ga voort.”„Ofschoon de Jaguar zacht met die kerels gesproken had, heb ik er toch onwillekeurig een paar woorden van verstaan, zonder opzet, vader, dat zweer ik u.…”„Daar ben ik van overtuigd, maar wat hebt gij uit die woorden opgemaakt?”[161]„Wat ik gemeend heb daaruit te moeten opmaken, bedoelt gij.”„Dat komt op hetzelfde neer, zeg op.”„Ik meende te verstaan, dat zij van het konvooi spraken.”„En vrij waarschijnlijk ook van kapitein Melendez, niet waar?”„Ik weet althans zeker dat ik zijn naam heb hooren noemen.”„Ah zoo! dat is het. Toen hebt gij gedacht dat de Jaguar voornemens was om het konvooi aan te vallen en misschien den kapitein te dooden, niet waar?”„Ik wil het niet zeker zeggen, vader,” stotterde het meisje meer en meer bedremmeld.„Neen, maar gij vreest het.”„Lieve God! vader,” hervatte zij op een toon van tegenstribbeling, „het is immers niet meer dan natuurlijk dat ik belang stel in het lot van een braaf officier, die.…”„Niets is natuurlijker dan dat, mijn kind, ik neem het u volstrekt niet kwalijk; wat meer zegt, ik geloof dat uwe vermoedens zeer nabij de waarheid komen, belg u dus maar niet.”„Zoudt gij dat denken, vader,” riep zij angstig de handen vouwende.„Het is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de Canadees kalm; „maar stel u gerust, mijn kind,” vervolgde hij goedhartig, „al hebt gij er mij een weinig laat over gesproken, geloof ik toch dat ik in staat zal zijn om het gevaar af te wenden van den man in wiens lot gij zooveel belang stelt.”„O! doe dat vader, ik bid er u om.”„Ik zal het ten minste beproeven, kind, ziedaar alles wat ik u voor het oogenblik beloven kan; maar gij, wat gaat gij doen?”„Ik?”„Ja, terwijl mijne kameraden en ik den kapitein zullen zien te redden?”„Ik ga met u, vader, als gij het mij vergunt.”„Dat zij zoo, te meer daar ik geloof dat het wel het voorzigtigst zijn zal; maar gij moet dien kapitein wel zeer genegen zijn, dat gij zoo vurig wenscht hem te redden.”„Ik, vader?” antwoordde zij met volkomen vrijmoedigheid; „in het minst niet, het komt mij alleen voor dat het verschrikkelijk zou zijn, om een braaf officier te laten vermoorden, als men hem redden kan.”„Gij haat dus zonder twijfel den Jaguar?”„In geenen deele, vader; ondanks zijn overdreven karakter geloof ik dat hij een edel hart heeft, bovendien acht gij zelf hem[162]hoog, hetgeen voor mij de sterkste reden is; maar het doet mij innig leed, twee mannen tegen elkander te zien opstaan, die ik weet, dat, als zij elkander kenden, weldra de beste vrienden zouden zijn; het is daarom mijn vurigste wensch dat er tusschen hen geen bloed vergoten worde.”Deze woorden werden door het jonge meisje met zooveel natuurlijke vrijmoedigheid uitgesproken, dat de Canadees een geruime poos verbaasd zat te kijken.Het weinigje licht dat hij zoo even in de zaak meende te erlangen, was hem weder geheel ontsnapt zonder dat hij wist hoe; hij begreep thans niets meer van het gedrag van Carmela, noch van de drijfveeren die haar deden handelen, te minder daar hij geen reden had om aan de geloofwaardigheid te twijfelen van al wat zij gezegd had.Na het meisje eenige oogenblikken met aandacht te hebben aangestaard, schudde hij twee- of driemaal het hoofd als iemand die het spoor geheel mis was, en zonder een woord te spreken stond hij op om zijne medegezellen te wekken.Tranquille was een der meest ervarene woudloopers van Noord-Amerika, al de geheimen der woestijn waren hem bekend; maar hij kende geen jota van die groote verborgenheid, die men het vrouwenhart noemt,—eene verborgenheid, des te moeijelijker te doorgronden, daar de vrouwen zelven haar bijna niet kennen, omdat zij gewoonlijk handelen onder den indruk van het oogenblik, of onder den drang des harten en zonder eenig voorbehoud of nadenken.Met weinige woorden bragt de Canadees zijne kameraden op de hoogte van zijn ontwerp; dezen, gelijk hij verwachtte, hadden er niets op aan te merken en maakten zich terstond gereed hem te volgen.Tien minuten later stegen zij te paard en verlieten het kamp, voorafgegaan door Lanzi, die hun tot gids diende.Op het oogenblik toen zij in het geboomte verdwenen, verhief de nachtuil zijn morgengeroep als aankondiger van het opgaan der zon.„Mijn God!” prevelde Carmela diep bezorgd, „als wij eens te laat kwamen!”[163]

Tranquille, die het verhaal van Carmela met gebogen hoofd en gefronste blikken had aangehoord, zag haar, toen zij er mede gedaan had, belangstellend aan.

„Is dat alles?” vroeg hij.

„Ja,” antwoordde zij schuchter.

„En Lanzi dan, mijn arme Lanzi,” riep hij, „hebt gij daar niets meer van vernomen?”

„Niets,” zeide zij, „wij hebben slechts twee pistoolschoten gehoord, kort daarna een woedenden galop van verscheidene paarden, en het oorlogsgeschrei der Apachen, maar toen werd alles weder doodstil.”

„Wat zou er van hem geworden zijn?” mompelde de Canadees treurig.

„Hij is stoutmoedig en vlug en hij schijnt mij toe het leven der woestijn wel te kennen,” zeide Edelhart.

„Ja,” riep Tranquille; „maar hij is alleen.”

„Dat is zoo,” zei de jager; „een tegen vijftig misschien.”

„O!” riep de Canadees, „ik zou tien jaren van mijn leven willen geven als ik tijding van hem had.”

„Carai! compadre!” riep op eens eene vrolijke stem, „die kom ik u brengen, zoo versch mogelijk en zonder dat gij er iets voor behoeft te missen.”

De aanwezigen ontroerden tegen wil en dank op het geluid van deze stem, en wendden zich schielijk naar den kant van waar zij kwam.

De struiken weken uit elkander en een man verscheen.[156]

Die man was Lanzi.

De mesties scheen zoo kalm en bedaard alsof er niets bijzonders met hem was gebeurd; alleen zijn gezigt, anders altijd zoo strak en ernstig, had eene onbeschrijfelijk schalksche uitdrukking, zijne oogen tintelden van zelfvoldoening en op zijne lippen speelde een opgeruimde glimlach.

„Pardi! beste vriend,” riep Tranquille, hem de hand toestekende, „ik heet u duizendmaal welkom! Wij waren grootelijks ongerust over u.”

„Ik zeg u dank, compeer, maar gelukkig voor mij is het gevaar niet zoo groot geweest als ik dacht, en heb ik mij gemakkelijk genoeg van die verdoemde Apachen kunnen ontslaan.”

„Des te beter, vriend, ongevraagd op welke wijs het u gelukt is hun te ontsnappen, nu gij er eenmaal ongedeerd af zijt gekomen, is alles naar wensch, en daar wij thans allen weder vereenigd zijn, mogen zij vrij komen zoo zij willen, wij zullen ze weten te ontvangen.”

„Zij zullen het wel laten, denk ik; bovendien hebben zij op dit oogenblik wel iets anders te doen.”

„Zoudt gij dat denken?”

„Ik weet het zeker. Zij hebben een legerkamp ontdekt van Mexicaansche soldaten, die een geld-konvooi eskorteren, daar willen zij zich natuurlijk meester van maken en juist aan deze onvoorziene omstandigheid heb ik grootendeels mijn behoud te danken.”

„Zoo! dat is gek genoeg voor de Mexicanen,” zei de Canadees onbezorgd, „ieder voor zich; zij moeten maar zien hoe zij het schikken, dat zijn zaken die ons niet aangaan.”

„Zoo denk ik er ook over.”

„Wij hebben nog drie uren van den nacht voor ons, laten wij ons die ten nutte maken om een weinig te rusten en gereed te zijn met zonsopgang naar de hacienda te vertrekken.”

„Uw raad is goed, wij moeten dien opvolgen,” zei Lanzi, terwijl hij reeds dadelijk zijne voeten bij het vuur stak, zich in zijn mantel wikkelde en weldra insliep.

Edelhart, die zonder twijfel van hetzelfde gevoelen was, volgde zijn voorbeeld.

Wat Quoniam betreft, na eerst de tijgers en hunne jongen met zorg de huid te hebben afgestroopt, lag hij reeds sedert een paar uren bij het vuur uitgestrekt en in een diepen slaap gedompeld, met de onbekommerde gerustheid die het zwarte ras kenmerkt.

Tranquille wendde zich thans tot Carmela. Het meisje zat eenige[157]passen van hem af; zij staarde peinzend in het vuur, terwijl haar nu en dan een traan langs de wangen biggelde.

„Welnu, meisje,” zei de Canadees zacht. „Wat schort er aan? Gij zult wel doodaf zijn van vermoeijenis, waarom zoekt gij ook niet een poosje rust te nemen?”

„Dat zou mij niet baten,” prevelde zij treurig.

„Hoe zoo, niet baten?” vroeg de jagermetdrift, daar de droevige toon van het meisje hem trof; „het zou u nieuwe krachten geven.”

„Laat mij waken, vader, ik zou niet kunnen slapen, hoe vermoeid ik ook ben, mijne oogen zouden den slaap niet vatten.”

De Canadees keek haar een poos met innige belangstelling aan.

„Wat heeft dat te beteekenen?” zeide hij, bezorgd het hoofd schuddende.

„Och niets, vader,” antwoordde zij met een gedwongen glimlach.

„Meisje, meisje!” mompelde de Canadees, „dat is mij niet helder; ik ben maar een arme jager, die weinig weet en van de wereldsche zaken geen begrip heeft, maar ik heb u lief, mijn kind, en mijn hart zegt mij dat gij lijdt.”

„Ik!” riep zij met eene ontkennende beweging, maar op eens smolt zij weg in tranen en viel den trouwen jager om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijne borst verborg en met eene gesmoorde stem uitriep: „O! vader, vader! ik ben zoo ongelukkig.”

Tranquille door dezen uitroep van bittere smart diep getroffen, sprong op alsof hem een adder gestoken had, zijn oog tintelde, hij keek het meisje aan met een blik vol vaderlijke teederheid en dwong haar om hem fiks in de oogen te zien.

„Gij ongelukkig! Carmela?” riep hij met angst; „mijn God! wat is er dan gebeurd!”

Met groote inspanning gelukte het Carmela hare kalmte te herwinnen, hare trekken hernamen hunne gewonebezadigdheid, zij wischte hare tranen af en glimlachte tegen den jager, die haar met innige bezorgdheid aanstaarde.

„Vergeef mij, vader!” zeide zij op onnoozel uitwijkenden toon,„ik ben dwaas.”

„Neen, neen!” antwoordde hij, twee- of driemaal het hoofd schuddend, „gij zijt niet dwaas, mijn kind, maar gij zoekt mij iets te verbergen.”

„Vader!” riep zij, een kleur krijgende en de oogen verlegen nederslaande.

„Wees opregt en openhartig met mij, meisje, ik ben immers uw beste vriend?”[158]

„Dat is waar!” stotterde zij.

„Heb ik ooit geweigerd uwe geringste luimen te voldoen?”

„Nooit!”

„Hebt gij mij ooit te streng voor u gevonden?”

„O, neen!”

„Welnu! waarom zoudt gij mij dan niet ronduit zeggen wat u kwelt?”

„’t Is omdat.…” begon zij aarzelend.

„Omdat?” herhaalde hij op vleijenden toon.

„Ik durf niet.”

„Is het dan zoo moeijelijk om te zeggen?”

„Ja.”

„Kom! ronduit, meisje; waar zoudt gij toegevender biechtvader vinden, dan mij?”

„Nergens, dat weet ik.”

„Spreek dan.”

„Ik ben bang dat ik u boos zal maken.”

„Gij zult mij veel boozer maken door uw stijfhoofdig stilzwijgen.”

„Maar.…”

„Hoor eens, Carmela, toen gij ons daar straks verteldet wat u heden in de Venta gebeurd is, hebt gij zelf gezegd dat gij mij nog dezen nacht zoeken zoudt, waar ik ook wezen mogt; is dat niet waar?”

„Ja, vader.”

„Welnu! thans hebt gij mij gevonden, en ik luister; buitendien zoo hetgeen gij mij te zeggen hadt zoo gewigtig is als ik veronderstellen moet, dan geloof ik dat gij wel zult doen u te haasten.”

Het meisje sidderde; zij sloeg een blik naar den hemel, waar het licht der sterren reeds begon te verbleeken, en op eens liet zij hare besluiteloosheid varen.

„Gij hebt gelijk, vader,” zeide zij met eene vaste stem, „ik moet u spreken over een zaak van het grootste gewigt, ik heb er misschien reeds te lang mede gewacht, want het geldt iemands leven of dood.”

„Gij doet mij schrikken.”

„Luister.”

„Spreek vrij, kind, spreekzonder vrees, en vertrouw dat ik u liefheb.”

„Daar vertrouw ik op, vader, ook zult gij alles weten.”

„Goed.”

DoñaCarmela scheen zich een oogenblik te bedenken, toen legde[159]zij haar kleine mollige hand in de grove, harde hand van haar vader; hare lange satijnen wimpers zonken als een zedige sluijer over haar heldere en sprekende oogen en zij begon met eene bedeesde stem, die echter weldra ferm en duidelijk werd:

„Lanzi heeft u straks gezegd, dat het ontdekken van een konvooi geld in de nabijheid der plaats waar wij ons gelegerd hadden, hem geholpen had om aan de Roodhuiden te ontsnappen. Nu vader, dat konvooi heeft den vorigen nacht in de Venta doorgebragt, en de kapitein die het eskorte kommandeerde is een der meest geachte officieren van het Mexicaansche leger; ik heb u meermalen met grooten lof van hem hooren spreken, ik geloof zelfs dat gij hem persoonlijk kent: hij heet don Juan Melendez de Gongora.”

„Ja,” zeide Tranquille.

Het meisje scheen geheel onthutst en zweeg een poos.

„Ga voort,” riep de Canadees haar aanmoedigende.

Carmela keek hem zijdelings aan, en toen zij zag dat de jager glimlachte, hervatte zij weder.

„Reeds meermalen heeft het toeval kapitein Melendez naar de Venta gevoerd; het is een echt ridderlijk mensch, zachtzinnig, beschaafd, eerlijk, voorkomend, wij hebben ons nooit over hem te beklagen gehad: Lanzi kan het u verzekeren.”

„Ik ben er van overtuigd, mijn kind, kapitein Melendez is juist zoo als gij hem beschrijft.”

„Niet waar?” riep zij levendig.

„Ja, ’t is een echt ridderlijk mensch, ’t is wel jammer dat er in het Mexicaansche leger maar weinig zulke officieren zijn als hij.”

„Heden morgen is het konvooi vertrokken, onder geleide van den kapitein; twee of drie kerels met gemeene gezigten en van verdacht voorkomen waren in de Venta achtergebleven; met gluipende blikken zagen zij de soldaten vertrekken, daarop gingen zij aan de tafel zitten drinken, zochten een ongepast gesprek met mij aan te knoopen en begonnen mij woorden toe te voegen, die het een fatsoenlijk meisje niet past om aan te hooren; zelfs hebben zij mij durven bedreigen.”

„Zoo!” viel Tranquille haar in de rede, en vervolgde met een donkeren blik: „Kent gij die kerels?”

„Neen, vader, het waren van die grensloopers zooals er in deze streek maar al te veel rondzwerven, maar al heb ik hen meermalen gezien, hun naam weet ik niet.”

„Dat is niets, ik zal ze wel vinden, wees daar maar gerust op.”[160]

„O! vader, gij zoudt verkeerd doen met er u boos over te maken, doe dat toch niet.”

„Goed, goed! dat is mijne zaak.”

„Gelukkig voor mij, kwam er juist een ruiter op den aanslag, wiens tegenwoordigheid genoeg was om hen tot zwijgen te brengen en hen te noodzaken tot den gepasten eerbied en wellevendheid die zij mij schuldig waren.”

„En die ruiter, die juist van pas kwam om u te helpen,” riep de Canadees lagchende, „was zeker een vriend van u?”

„Niets meer dan een goede kennis, vader,” zeide zij met een ligt blosje.

„Ha! zeer goed.”

„Maar hij is een groot vriend van u, zoo veronderstel ik ten minste.”

„Ei! en weet gij dan zijn naam ook, kindje?”

„Welzeker!” riep zij levendig.

„En hoe heet hij dan? als gij er niet te veel tegen hebt om het mij te zeggen.”

„Volstrekt niet, hij heet de Jaguar.”

„De Jaguar!” herhaalde Tranquille terwijl zijn gezigt merkbaar betrok, „wat had die op de Venta te doen?”

„Dat weet ik niet, vader; maar hij fluisterde een paar woorden tegen de mannen daar ik u van sprak, waarop zij onmiddellijk van de tafel opstonden, hunne paarden bestegen en in galop wegreden zonder de minste aanmerking te maken.”

„Dat is zonderling,” mompelde de Canadees.

Er volgde een vrij lange poos stilte; Tranquille verzonk in diep nadenken; blijkbaar zocht hij vruchteloos naar de oplossing van een raadsel dat hij niet kon ontcijferen.

Eindelijk hief hij het hoofd op.

„Hebt gij mij niets meer te zeggen dan dat?” vroeg hij; „tot dus ver zie ik nog niets in al wat gij mij verteld hebt.”

„Wacht,” riep zij.

„Goed, het is dus nog niet uit?”

„Nog niet.”

„Zeer goed, ga voort.”

„Ofschoon de Jaguar zacht met die kerels gesproken had, heb ik er toch onwillekeurig een paar woorden van verstaan, zonder opzet, vader, dat zweer ik u.…”

„Daar ben ik van overtuigd, maar wat hebt gij uit die woorden opgemaakt?”[161]

„Wat ik gemeend heb daaruit te moeten opmaken, bedoelt gij.”

„Dat komt op hetzelfde neer, zeg op.”

„Ik meende te verstaan, dat zij van het konvooi spraken.”

„En vrij waarschijnlijk ook van kapitein Melendez, niet waar?”

„Ik weet althans zeker dat ik zijn naam heb hooren noemen.”

„Ah zoo! dat is het. Toen hebt gij gedacht dat de Jaguar voornemens was om het konvooi aan te vallen en misschien den kapitein te dooden, niet waar?”

„Ik wil het niet zeker zeggen, vader,” stotterde het meisje meer en meer bedremmeld.

„Neen, maar gij vreest het.”

„Lieve God! vader,” hervatte zij op een toon van tegenstribbeling, „het is immers niet meer dan natuurlijk dat ik belang stel in het lot van een braaf officier, die.…”

„Niets is natuurlijker dan dat, mijn kind, ik neem het u volstrekt niet kwalijk; wat meer zegt, ik geloof dat uwe vermoedens zeer nabij de waarheid komen, belg u dus maar niet.”

„Zoudt gij dat denken, vader,” riep zij angstig de handen vouwende.

„Het is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de Canadees kalm; „maar stel u gerust, mijn kind,” vervolgde hij goedhartig, „al hebt gij er mij een weinig laat over gesproken, geloof ik toch dat ik in staat zal zijn om het gevaar af te wenden van den man in wiens lot gij zooveel belang stelt.”

„O! doe dat vader, ik bid er u om.”

„Ik zal het ten minste beproeven, kind, ziedaar alles wat ik u voor het oogenblik beloven kan; maar gij, wat gaat gij doen?”

„Ik?”

„Ja, terwijl mijne kameraden en ik den kapitein zullen zien te redden?”

„Ik ga met u, vader, als gij het mij vergunt.”

„Dat zij zoo, te meer daar ik geloof dat het wel het voorzigtigst zijn zal; maar gij moet dien kapitein wel zeer genegen zijn, dat gij zoo vurig wenscht hem te redden.”

„Ik, vader?” antwoordde zij met volkomen vrijmoedigheid; „in het minst niet, het komt mij alleen voor dat het verschrikkelijk zou zijn, om een braaf officier te laten vermoorden, als men hem redden kan.”

„Gij haat dus zonder twijfel den Jaguar?”

„In geenen deele, vader; ondanks zijn overdreven karakter geloof ik dat hij een edel hart heeft, bovendien acht gij zelf hem[162]hoog, hetgeen voor mij de sterkste reden is; maar het doet mij innig leed, twee mannen tegen elkander te zien opstaan, die ik weet, dat, als zij elkander kenden, weldra de beste vrienden zouden zijn; het is daarom mijn vurigste wensch dat er tusschen hen geen bloed vergoten worde.”

Deze woorden werden door het jonge meisje met zooveel natuurlijke vrijmoedigheid uitgesproken, dat de Canadees een geruime poos verbaasd zat te kijken.

Het weinigje licht dat hij zoo even in de zaak meende te erlangen, was hem weder geheel ontsnapt zonder dat hij wist hoe; hij begreep thans niets meer van het gedrag van Carmela, noch van de drijfveeren die haar deden handelen, te minder daar hij geen reden had om aan de geloofwaardigheid te twijfelen van al wat zij gezegd had.

Na het meisje eenige oogenblikken met aandacht te hebben aangestaard, schudde hij twee- of driemaal het hoofd als iemand die het spoor geheel mis was, en zonder een woord te spreken stond hij op om zijne medegezellen te wekken.

Tranquille was een der meest ervarene woudloopers van Noord-Amerika, al de geheimen der woestijn waren hem bekend; maar hij kende geen jota van die groote verborgenheid, die men het vrouwenhart noemt,—eene verborgenheid, des te moeijelijker te doorgronden, daar de vrouwen zelven haar bijna niet kennen, omdat zij gewoonlijk handelen onder den indruk van het oogenblik, of onder den drang des harten en zonder eenig voorbehoud of nadenken.

Met weinige woorden bragt de Canadees zijne kameraden op de hoogte van zijn ontwerp; dezen, gelijk hij verwachtte, hadden er niets op aan te merken en maakten zich terstond gereed hem te volgen.

Tien minuten later stegen zij te paard en verlieten het kamp, voorafgegaan door Lanzi, die hun tot gids diende.

Op het oogenblik toen zij in het geboomte verdwenen, verhief de nachtuil zijn morgengeroep als aankondiger van het opgaan der zon.

„Mijn God!” prevelde Carmela diep bezorgd, „als wij eens te laat kwamen!”[163]


Back to IndexNext