XII.Dat was de dèrde die van toegeven sprak, de derde die ’r ’t beetje moed wou uit trappen. Norsch en verkleumd luisterden de stakers. ’n Uur lang hadden ze in de bevroren modder op Dekker, die niet komen kon, gewacht. ’t Liep mis. Wéer ’n Sjabbes in harde ellende, wéer ’n week zonder vooruitzicht.Nu dicht saamgedrongen om de tent, de voeten doorweekt, de ruggen gebogen, de koppen in botte luistring, schenen zij eene benauwende wanhoop te ondergaan.Eleazar, bij Juda, Hes en Klaroen, balde heftig de vuisten. Wat zij voelden, leed-ie mee, dieper misschien. Hoe dikwijls had-ie de sentimenten van een massa, den haat van een massa, den wrok van een massa, de liefde van een massa, de hartstocht van een massa doorleefd. Hoe dikwijls had-ie getracht ’t juichen, grommen,razen, handelen van ’n massa te benaderen, zich moe-gedacht over haar kracht en geweld, haar slaafschheid, angsten en weiflingen. Toch telkens wanneer je zoo stond, schouder aan schouder, lichaam naast lichaam, eigen gedachten-bewegen naast dat van ’n ander, hoofden ontelbaar rondom, dee je niks meer afzonderlijk. Gelijk de adem uit die koppen in de vaal-grauwe winterlucht zoog, de harten klopten, de oogen staarden, de longen wiegden—werd je driftig met de andren, vroolijk met de andren, neerslagtig met de andren. ’n Massa kon moorden, verwoesten, aanbidden, vervloeken, martlen, vervolgen en je gaf jezelf over even volkomen als vroegere individuen ’t in vroegere massa’s hadden gedaan. Je gilde gezamenlijk als ’n kind te water lag, je krijschte als ’t dreigde te zinken—je schreeuwde mekaar toe als ’t gered werd.—Zoo ging ’t in alles. De massa fantaseerde ’n god, de massa leek onsterfelijk. De massa’s groepeerden zich, botsten, tyraniseerden, lieten zich knechten. De massa had ’n vreemde, groote, kinderlijke, eerlijke ziel en ’n kleine, hardvochtige. Ze was ’n onbereikbaar reuzenlichaam, dat eeuwenlang met ’n verschrompeld verstand tegen zichzelf hadgebeukt, lomp als ’n jonge hond, nu wakker scheen te geraken—schéén—’t duurde zoo sarrend, grùwelijk lang. In ’n massa voelde je je stem grover, je lichaam zwaarder, je spieren sterker, je wil veerkrachtiger, je hoofd ruimer. Maar ook kon ’n massa je laf maken, krankzinnig-bevreesd, melankoliek of wanhopig.Vandaag wàren ze desperaat. De egaalzwart-kille sneeuwlucht lei zwaar op de daken, zonder eenige bulting, zonder diepte van licht. Nergens zag je ’n wolkje—overal vlakte een roerloos vuil, dat naar de huizen-over-de-gracht tot klittend goor-bruin ver-dikte, alsof daar ’n keel stond te gurglen en ’n strottenhoofd angstwalmen hijgde. De gracht, met de vele modder-riolen, glaasde in strak-harden stilstand, staalgrauw weerkaatsend den hemel tusschen ’r steil-groeiende wanden—strekten de boomen hun zwarte, knuistige takken—werd je haast bang dat de grijze lawine zou storten en allereerst breken ’t dor-oude hout, de stug-brooze takken. Doch niet alleen dit drukte de massa. Gehokt om de tent, de plompe schoenen op de knobbels van doortrapte en weerbevroren modder, de voeten koud en in nat gezogen, de lichamen sluiprig-bekropen door de klam-weëe kilheid der lucht, die de huid onder de kleeren als met natte handen betastte, de naakte ruggen langs huiverde, de borsten met rillingen overgleed, de onderste nekhaartjes dee steken, zachtjens kwellend alsof ze haakten aan den plots hard-aanwrijvenden rand van het hemd—zoo ongeveer voelde Eleazar, kort en scherp, de lichamelijke sensatie der menigte—zoo móést ’t wel zijn. O, op een zomerschen dag, bij hel-fleurend groen en wolkjes met zilverkartlingen, op een lentedag-van-enkel-jeugd-siddering, zouen ze niet zwak en ontzenuwd hebben gestaan, zouen ze niet dulden ’t lange gepraat van een paar angstigen, misnoegden, moedeloozen. Sentimentaliteit weekte in ’m op. De pupillen van z’n oogen spanden in zenuw-opwinding. En voor ’t eerst van zijn leven, zonder nadenken, bizar gedreven door eene macht, een geweld, eene ontroering die z’n gelaat verbleekten, z’n stem schel deden klinken, vroeg hij het woord, terwijl ’t applaus nog na-rommelde, schoof door de wijkende stakers, beklom duizlig en lichtschuw de treedjes naar de tent. Zoo nerveus was zijn bewegendat-ie even struikelde, de knie pijnlijk stiet—klemden z’n handen ijskoud, gevoelloos, vreemdelijk-wringend om de opperste lat der balustrade, keek-ie doodsbleek, de oogen vaal-blauw omwald naar de geweldige, plotsling dierlijk-beangstigende koppenmenigte. Ben oogenblik meende hij te zullen stikken, hijgde hij bevend, persten z’n nagels in ’t hout. De hoeden, de gele koppen, de grijze takken, het hekwerk, de keien schimden door z’n bloedleeg hoofd. Schor-droog ademend zei hij: “Kameraden”..., stokte, pogend te slikken. Er ging een angstkramp in z’n hersenen, het zweet bebeet spichtig z’n slapen. Starend, zonder geheugen, de versteende handen om de balustrade, de versteende voeten in de wijder-lijkende schoenen, doorgierde hem de razende, rauw-krijschende angst dat-ie gèk werd. De tram ree door de bocht, nevelde dwazig voorbij. Hij hoorde de bel, de bel van geel-koper, de peervormige gèle bel met het zwabberend leer. Tegen een boom, den poot hoog-getrokken, pieste een groote roodharige hond. Dien zag-ie—hij zàg ’t ruige lijf, den gewipten poot, den staart, de witte ademhijgingen... Hij zàg de pies in de modder-aarde spetteren. Hij zàg—en een opgutsende, knarsend-gillende wanhoopbonsde in zijn leege hersenkas—dat-ie gèk werd—dat z’m gek zouen zièn worden—dat ze àllemaal wezenloos mee zouen kijken naar den piesenden hond, die zoo oneindig redeloos-lang pieste... Maar de stakers die ’m wit en onbeweeglijk-zwijgend zagen staan, meenden dat-ie wachtte op stilte. Er was een napratend gemompel en voeten beknarsten de bevroren modder.Juda, ongeduldig, ook met ’n wrok om ’t laffe geweifel nou Dekker ’r niet was, schreeuwde kwaadaardig, stem die domp knoerste: “Smoel houen!—Hou dan je bekken!”... en een magere, beenige jood àchter de tent, meenend dat Eleazar al sprak, riep nijdig: “Hààààrder!”...Het zwiepte ’m wakker. “Kameraden,” zei hij nog eens. De woorden stamelden z’n mond uit, kurkachtig-droog, z’n lippen trilden, z’n tong bewoog moeilijk, kromp stug naar de keel. Nou wist-ie dat-ie sprak, maar de zin was ’m vreemd.Allesknapte door z’n hersenen—toch praatte hij, verward, snel, onsamenhangend—dingen brauwend die hij niet had willen zeggen, phrases beginnend die hij niet te eindigen wist—zoekend naar ’n slot dat verglipte, kreeglig-verwriemeld in den veeldradigen angstdat-ie zou blijven steken. Zelf hoorde hij klànken—vage klanken, klanken die ratelden, knepperden, klanken die driftig wirwarden om zijn hoofd in ’n benauwenden nevel. Even zweeg-ie. Ze hadden bravo geroepen en geklapt. Klaroen zag-ie knikken en een langbaardige jood, kop als Poddy, schreeuwde: “Gelijk heit-ie”.... Wàt had-ie beweerd? Hij had ’t niet kùnnen herhalen. Maar nou ze bravo-riepen, verhelderde zonderling-vinnig z’n hoofd, zakte de afschuwelijke angst, week de bleuheid van stillen, peinzenden jongen, die nog nooit zoo voor duizenden had gestaan. Bijna werd hij luciede. Z’n stem verscherpte, z’n grijze oogen glansden, z’n dunne bleeke lippen bewogen bits en met nadruk, z’n lichaam leek grooter. De menigte droeg ’m, had ’m te pakken, hitste ’m aan met honderden starende oogen, leefde mee met oneindige melkwitte ademen wier onstuimige damping in de winterlucht vloeide. Ouwe koppen en koppen met baarden, koppen gegroefd, en geelbleeke, ruwe koppen met grijzende snorren, koppen hard en verzieklijkt, waren in luistring, bogen, weken, zwartkantten, schemerden. Een sterke, massale, zware aandacht golfde op hem toe, omwikkelde hem,scheurde de woorden van hartstocht uit zijn keel, wond met machtigen drang de aandoening los, die hij niet meer te zoeken had noch te onderdrukken. En zoo innig was soms de wisselwerking tusschen hem en de massa, de massa van onbekende makkers, dat het hem sprekende toescheen of hij onmeetbaar-lang had gestaan, zij elk woord reeds vóordachten, voorvoelden—hij simpel uitte wat in hen allen gezamenlijk, zonder ééne afwijking of aarzeling omging. Bevende, kleine sneeuwvlokjes dwarrelden neer, stuivend als verschrikte pluisjes in vroeg-zomeravond. Op den rand van een hoed, op een schouder, op een gebogen rug donsden ze zacht, verlegen wittend en smeltend. Het was een teer, onhinderlijk gespeel, een schichtig dolen en wentlen, een timiede gedwaal tusschen de takken, over de hoofden, over het water. Een enkle grooter vlok, sneller en witter van val dreef langs de tent, zuigend op Eleazar’s gebarende hand.....“Toegeven doen we niet, morgen niet—toegeven doen we nòoit! Wat we vandaag willen, willen we morgen. Kameraden—we zijn pas an ’t begin—an ’n begin, an ’nléélijk begin. Kijk om je heen, over de hekken, van ’t Park, kijk over de gracht. We wonen as beesten, we hebben vreugden as beesten, we worden gebruikt as beesten en as beesten vermoord as we ons verzetten”...Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor wie ’m daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-gesloten jongen, sprak-ie in één roes voort: “...As beesten!—Néé, we géven niet toe!—Markus zeit dat ze bij ’m thuis hongerlijjen—dat wèten we, Markus—dat begrijpen we, Markus—we huilen ’r om, Markus—we zouen je willen helpen, Markus—: hebbenwij’t anders?—Krijgen we ’t bèter, as we uiteengaan, as we voortslaven op ’t ouwe loon, op de ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één kans om ’t in de eerste jàren op te halen?—Kameraden, luister niet naar Markus, Levi en Beem! Wààrom zouen we moedeloos zijn, zoolang we màcht hebben. Wìj hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders, wij alleen! Wij hebbende macht, as we staan schouder naast schouder, hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade, oog voor oog, tand om tand, omdat ’r voor òns geen genade is—geen genade, geen rècht!—Eeuwenlang zijn we ’n kudde geweest, ’n getrapte, mishandelde, weerlooze kudde—laten we ’t nou schreeuwen tot mekaar, schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wìj de macht hebben, wij hongerlijjers—as we wìllen”.Het applaus en geroep overdreunden z’n driftige woorden. Dichter drong de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.Van het grimmig luchtpantser naar de zwarte, stevige, harige koppen, plooiden, bewogen, spiraalden, verschoten-weer zacht-witte lijntjes van sneeuw. Het was geen wild dwarrlen noch jagen van vlokken—kinderangstig, spelend, soms schijnbaar stijgend-terug, waaitrilden de stuifjes en pluisjes, even-glanzend in een bruinen volbaard, luw-prikkend stervend op dewarmte van ’n huid, droomrig-meetrillend op het knippend beweeg van een wimper. Eleazar wachtte ontroerd tot ze zwegen, hernam toen met kalmer gebaar, straf-kijkend in het warren der zwarte takken:.... “We zullen lééren te willen, kameraden, leeren te volharden, leeren éénsgezind te blijven. Waarom wonen onze ouders, broers, zusters in krotten waar geen zon schijnt, waar geen plant kan leven? Waarom sterven we zonder licht, lucht, vreugde? Waarom zien onze kinderen ’r ziekelijk uit, worden ze geboren misvormd en mismaakt? Waarom groeien we van onze jeugd tot in ’t graf—in ellenden, ontbering, wanhoop, leed? Waarom staan we hier in de sneeuw te bédelen met schuwe gezichten en benepen harten om ’n verhooging van lóón? Waarom blijven we vervolgden, verschopten, gevloekten, wij die àlles voortbrengen, bewerken?—Kameraden, we zijn gedoemd zoolang we verdeeld zijn, zóodra we verdeeld raken!—We geven nièt toe—Verliezen we ’n éérste staking, dan beginnen we in jaren geen tweede—we móéten! We moeten vooruit, vooruit, vooruit! We willen òns deel van den strijd, dien onze makkers over de hééle wereld met vreugde en opgewektheid strijden—we moeten òns deel van die taak begrijpen, ’r voor vechten, ’r voor aanhouden al striemt ’t bloed van ons lichaam. Wat we vandaag vragen, èischen—is waarachtig geen vraag-van-beteekenis, geen eisch die ’n eind maakt aan den jammer, ’t onrecht, de verdrukking. Dat weten en voelen we. Maar èlke stap is er een, elk voorposten-gevecht telt mee, elke kleine overwinning leert voor de toekomst. Kameraden—denk een voor een an je eigen thuis—an ’t thuis, ’t verdriet, de armoe, ’t ongeluk van je buurman—denk an je eigen wéerloosheid—denk an de mácht van ons allen-tezamen, an de màcht die overwint”...Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend gegrom en geklap op ’m toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend, met armen die plots lomp-willoos slingerden, ’n lichaam ganschelijk onbeholpen van verlegen dronkenschap, ’n gelaat dat zenuwtrok, niet tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige wils-verdwaasdheid ’n plekje om ònopgemerkt te schuilen. Het was of de koortsige bewustheid ’m sullig uit de hersens droop, of-ie gruwelijk-ingespannen’n boek had zitten lezen, zonder overgang in schril morgenlicht keek. De achterhoofd-hoeken tintelden pijnlijk—klopte een kramp-strooming van z’n nek over de steile nekhaartjes—zoog z’n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes dat-ie slècht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an ’t doorslaan was geweest—dat-ie geen woord meer wist—geen wóord.—’n Ander sprak, de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z’n hoofd stond te luistren, bleek en oud, z’n hoofd dat als ’n gedrongen ding, zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde—zag-ie alleen de haren van z’n snor die barstig onder den witten neus wipten.Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrijnde ’n heet-klamme ontevredenheid in ’m op, begonnen z’n handen kleverig te branden, prikkelde ’t vreemd-dor in z’n tong bij ’t denken aan ’t éérst moment van z’n spreken—de hersenleegheid—de volslagen wilde afwezigheid—de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig, drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z’n woorden-van-strakste hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel—waarom kon-ie dan nou niet den eenvoudigen zin van z’n stortvloed formuleeren? Waarom trilde je na? Waarom sprak je tot Juda of Hes of Klaroen géwóon, bedacht, rustig, en kwam ’r als je tot ’n màssa lang-geweten dingen wou zeggen, ’n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in ’n róés... Waarom was je ’t praten tot ’n menigte verleerd, ’t simpel gevoelig praten over absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar kón maken als je stond door allen bekeken? Waarom zei je dan grove, onrustige, plotsling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf, romanphrase-achtig? Toch móést hij er door, voor nu en voor later, als-ie ’n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had... Opgeruimder schudde hij de sneeuwvlokjes van z’n jas. ’t Dee ’r niet toe hóé-die ’t gedaan had. Ongeveer was ’t bereikt. Ja, ’t was ’n verluchting dat-ie ’t dùrfde, dat-ie de dompe,vervalende sfeer van ’t krot waarin-ie leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in ’t volle licht had gestaan om z’n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o, díé schuimende heerlijkheid had-ie bedreven—ze hadden gejuicht—ze hadden begrepen—ze hadden in de handen geklapt om één van d’r ellende-genooten, om één die plóts voor ze was komen te staan. O, o, ’t geluk dat je nou overal, òveral, uit àlle menigten, schuwe mannen zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf ’t pad vonden om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden.... De oude peinzer was in ’m wakker geworden en een zachte blijheid, ’n lieve warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tusschen de menigte liep. Den grauwen hemel zag je niet door ’t wijde gestraal, ’t druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders, sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen, sneeuw om de hoofden.Over de kozijnen, over de goten, over de daken waaide het witte gestuif, klittend tot wallen en rondingen. De huizen schenen te molmen, weg te deinzen zonder omtrek, zonder harde muren, zonder gevels en pijpen. Door de zwarte, mat-starrende ruiten sneden witte sponnen, zacht-soepel wit dat vloeide in ’t geel der kozijnen en spinten. Een enkel spion stak verschrikt ’n veldje van sneeuw in het schuine, gestadig gewirrel en op den hoek van de straat kroop een wigje met spichtige punt langs een raambouw omhoog. Vol leien de tramrails en roosters, week overboog de weg, felwit en breed naar de brug met ’r witzware leuning. Het was een duwend dringen van sneeuw, een vallen, warrlen, bewegen dat de lucht verschemerde, doorduizelde. In het stilwit plantsoen, waar de boomen scherp rezen, diepzwart van stam, de takken omhoog veerden als stalactieten in kalklicht, stoeiden luidschreeuwende kindren. Sneeuwballen ploften en braken, tolden met schimmigen zwaai, patsten dan week in berstende stuiving. Angstig holde een meid, de handen stijf langs ’r hoofd—suisden de ballen haar na, smakkend op ’t roodbruine doekje, deukend in ’t rokkengeraas, bepoedrend denwrong van ’t haar. Greep haar een stevige sjouwer om ’t lijf, smeerde z’n sneeuwprop tot diep in ’r nek, bukte opnieuw en wrong in den gillenden mond ’n klodder die huilend en spuwend ze spoog. Daalde dikker de sneeuw, haastig en smijdig. Onder de voeten nakraakte ze dof, schurend met wrang-zachte wrijving. De koffen in de gracht werden strakwit van dek en tuigage—’t spiegelbeeld klom uit het water in bleekig vlokkengedraaf.Juda, den kraag om de ooren, stapte zwijgend en norsch. Eleazar liep vlug en veerkrachtig. Het stugge geschuier der sneeuw gaf ’m lust om te spreken. De synagoge ging aan. Op de stoep, onder één parapluie stonden Davy en Berlijn van Laboen.“Kijk”, zei Eleazar, minachtend.Berlijn had ’m herkend, trok Davy snel mee. De deur flapte open, doorliet den schijn van veel lichten—de deur flapte dicht.“Was dat nie Davy?”—, vroeg dof-grommend Juda.“Ja”, sprak Eleazar driftig, denkend aan den middag toen de juwelier in ’n wal van agenten vanGolcondanaarAdamaswas geleid.De sneeuw bejoeg met striemende stralen de ruiten der kerk, overheuvelde schuin de kozijnen. Geluwe lampwasem lichtte in ’t groenketsend glas, bleef in stroeve, vervreemde stollingen hangen, bijna teruggeslagen door ’t bleeke, grijs-grauwe druilen van den heengaanden dag. Meerdere joden kwamen ter kerk. Telkens piepte de deur, gaapte de kerkruimte open—geel-wreede lichten en banken-gepuil—knoerste de deur in morrig gesteun van ’r veeren. Herkende Eleazar, Druif, den onderrabijn, dien-ie had zien sjaggeren, broeiend-begeerig, in hetCasino, sjaggeren in blauw-flonkrende diamanten, sjaggeren met dorre grijpvingers, sjàggeren, ’t week-zinlijk gelaat met den ringbaard en den krachtloozen neus achter de vensters.“Druif!”, zei tegelijk Juda en grimmig den jood nakijkend, die in het deurgat verdween, snauwde hij: “die bìdde as wij verrekke—die dùrve bidde!—Dat ’r de bliksem in sloeg!—Wij haast geen vrète door de staking—zij in ’n warreme Schoel—bah! bah!”...“Waarom zoue ze vandaag minder bidde as anders”, antwoordde Eleazar, voortstappend in de sneeuw naar de jodenwijk: “waarom zoueze jùist vandaag méér geweten toone? Geen stàking, wel ’n staking—wie in onze tijd in ’n kerk bidt, bidden kan, slaapt of huichelt. En omdat je d’r goeie trouw wil geloove—ze liege niet allemaal—mot je ze met geduld probeere wàkker te porre. Strakkies, toen ’k in de tent stond en voor ’t éérst van me leven spràk, heb ’k hardop gebeden. ’n Ander gebed ken ’k niemeer”...“Weet jij wàd-’n kerk is”, viel Juda hem in de rede: “’n kerk dat is—dat is ’n drie-dubbel vretende kanker—’n kanker met duizend gezwellen!—Hoe kén ’t bestaan dat onder één dak de dief zit te bidde naast de man die-die daaglijks begapt en beschwindelt?—Hoe ken ’n gód bestaan voor mijn én voor Davy én voor Berlijn én voor Druif?—As Mozes vedaag diamantschlijper was, zoue ze ’m nèt zoo hard uitzuige, kon die zich krom legge met ’n vrouw, ’n zieke dochter en twee kindere as ik!—Nòg, ’n kerk da’s om je d’r onder te hóúen—Waarom speelt zoo’n frotte rebbe geen godverdomme tegen Davy en de andren? ’k Wou dad-’k de poote van Simson had—dan trok ’k ze na de verdommenis”...Hij had zich opgewonden, spuwde giftig in den sneeuwgrond.“Gàmmer”, zei Eleazar: “wìj, onder mekander zalle in ’t gróót doen, wat Simson dee. Wij zijne óok ’n reus met uitgeboorde oogen—en nog niet genóég gesard. Let op: ònze tijd komt. De kerk is ’n onderdeel, de staking ’n onderdeel. De hoofdzaak is—is”—geheimzinnig-kinderlijk lachte hij: “dat de werachtige messias op is gestaan die ons zal verlosse en na Jeruzalem voere”...“Ja”, zei Juda simpel, zonder eenige verklaring te vragen—volkomen begrijpend wàt Eleazar bedoelde—: “hij is ’r—in àl de lande—in àl de lande—’k ben blij dad-k ’r ’n pietsie van beleef”...“Ik ook”, zei Eleazar.Zwijgend, beiden met een bijna weemoedige vreugde dat ze bij allen tegenslag, in alle omstandigheden, verheugenis hervonden door de kracht eener samenwerking, die eenvoudiger, verheffender dan eenige godsdienst de wereld rondging, stapten zij in de sneeuw, de hoofden gebogen tegen het jagend gedwarrel.Als een eerwaardig gevaarte lag de jodenbuurt, indrukwekkend van witte kronkel-alleeën.Ze was nu geheel anders en statig van schoonheid. Straatjes, stegen, sloppen, daken vervloeiden tot ’n gedaantelooze sneeuwromp. Over de modderkeien effende zwaar de sneeuw—sneeuw lei op de karren, op de buigende huifjes. Al ’t gore, vuile, verweerde, verbrokkelde, school achter het wit verkoelend geraas. De ouwe poortjes en bogen stonden bleek en massiever, de kelder-uitbouwen waren als banken in krijtrots gebijteld. Wit, sponzig-wit, wijdden geulen en brokklende dijkjes. Je kon nauwlijks de ruïnen, de stegen en krotten herkennen.Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van-Suikerpeer en Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold, heen en weer, tot-ie ’n reus was geworden, vet en lomp met overal zwarte kinderhandjes er in.“Nou—wat ’n kànjer, sodemerakel!”, schreeuwde ’t manke jogje, pijnlijk de vingers beblazend.“Zou-die niet breke, oome?”, vroeg Saartje, ’t groezelgezichtje rood van het werk.“Ach, bè-je belazerd!”, riep schoenmakers-Jan: “je ken d’r op stáán!”...Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar ’t straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeuw, onder ’t steenen gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante Reggie, die in ’r stoel sliep, den mond hijgend open.XIII.Wrokkend liep-ie den Amstel langs, de tintel-kouwe vingers in de lauwte der broekzakken. De sneeuw klukte onder z’n voeten—z’n adem stoof in ploffend gedamp. ’t Was ’n belabberde nacht, ’n verbijsterende morgen geweest. Toen-ie Reggie wel-te-rusten wenschte, had-ie moeite niet in snikken uit te barsten. Ze zat in de onverwarmde kamer, bij de uitgaande lamp—had niks gegeten dan ’s mòrgens ’n homp brood, ’t laatste dat de bakker borgde—an alles kwam ’n end—nog meer poffe dee-die niet.“Wel te ruste”, had-ie benepen-hijgend gezegd.“Dag jònge—slaap lekker,” had ze geantwoord, de handen, vredig-van-wrijf in den schoot.Toen had-ie de deur achter zich gesloten,even op de binnenplaats staan zinnen, vinnig, triestig en mal. De terging, de vervloekenis, dat ’n blinde niet te vrèten had! Den knop hield-ie in de hand, alsof-ie iets beestigs beging met zóó heen te gaan. En over-gevoelig, gek, niet na-denkend—as je ’n heelen dag had gevast, kreeg je van die helle, waanzinnige oogenblikken, waarin je onstuimige dingen dee, dingen van plotslinge drift en zenuwspanning-op-huilen-af—had-ie de deur weer geopend, was hijgend op ’r toegestapt om ’r dorre handen nog eens en nòg eens te zoenen.“Wat is dat—wat is dat, Eli—nar van ’n jònge?”—, had ze gevraagd.De tanden had-ie in ’t lippenvleesch gegrimd, om ’t niet sentimenteel uit te gillen—toen had-ie hokkend, hoog-van-stem gezegd dat-ie dacht, dat ze—dat z’m geroepen had, nà-geroepen.“Nee”, zei ze, verwonderd-ongeloovig, niet begrijpend, waarom-ie dàt ineens had gedaan.“Mòrge zal ’k zorge dat ’r eten in huis is”, zei-ie onrustig, opgehitst door ’t verwijt van ’r zwijgen.“Da’s goed”, knikte ze: “en anders houe we maar jonkippoer, wàdde? Voor mijn is ’t ’tminste—maar de kindere—de kindere is ’n zòrreg”...“Ja”, had-ie gezegd, weer naar de deur gaand: “zal ’k de lamp uitblaze?”“Nee, nee, jònge. ’k Blijf op Dovid wachte—’k Begrijp nie waar Dovid zit, waar Dovid uithangt. Nou zie-je, nou zie je dad-ie rècht had, toen-die wèrke wou”... Dan merkend an de stilte dat-ie ’r nòg geen gelijk gaf, viel ze snel in: “’k maak ’r jou geen verwijt van, nie tot over ’t end van me jore—jij heb ’n goed hart—en jij bin geen kind, maar ’k zeg enkel maar: nou zie je—nou ziè je—wàdde?—Je ken de wereld nie overeind zette—dat doet God zellef as-die ’t wil—wadde?”Aldoor terwijl ze sprak, had-ie in de vlam van de lamp staan kijken, die kleiner werd, rood-peuterend kringde. En toen ze zweeg, had ze de sputterinkjes gehoord, flauw-glimlachend gevraagd of-ie ’r toch maar wou uitblazen—voor de stank en de walm. In de stilte der kamer was de lamp aan de piepende kettingen gezakt, had z’n adem geploft. En samen in ’t duister, hadden ze nagepraat, tot buiten de klok elf dompige slagen gaf.Boven, in z’n kamertje, had-ie getracht ’t venster te openen, rukkend en wringend, de vingers bezeerend. ’t Raamhout was aan het kozijn vastgevroren, de ruiten kartel-glanzend bebloemd, weerden ’t uitzicht op de daken. Hij stikte. Buiten leien vaarten en grachten sinds dagen dicht, buiten werd schaats gerejen, buiten woei ’n felle oostenwind bij aangroeiende maan—hij had ’t benauwd—hij had moeite adem te happen—hij voelde zich gejaagd en róód-wakker en schel-van-denken, als-ie als kind zoo dikwijls bij plots aanluwend voorjaar geweest was. Z’n schoenen uittrappend was-ie op ’t bed gaan liggen, zonder dek, kijkend naar het gevlam op de ruiten, de zilver-schubbige varens en zwammen, de biesjes en splijtende trossen, die scherpten in ’t maanlicht. Het beeld van de blinde vrouw, benejen in ’t donker, stond in z’n hoofd gebeitst—’t gewrijf van ’r handen—’r glimlach—’r vrede. Sterk-snuivend, de oogen gespannen, de tanden geklemd dat de kaken ’m pijn deëen, bèdàcht-ie. Alles kon, alles mocht, dàt niet. ’n Blinde met honger, ’n blinde die dezelfde maag-krimping voelde als hij nóu, was wel ’t liederlijkstdat je je voorstellen kon. Z’n kleeren had-ie verkocht, z’n boeken, z’n sjofel hebben en houen—z’n horloge stond in den lommerd—al leie z’m op de pijnbank, hij wist geen dubbeltje uit den grond te stampen. Wat nou? Wat? Wat? Suikerpeer had zelf niet te eten, zou morgen probeeren met sneeuw-opruimen of bijten-hakken wat te verdienen—Poddy lei ziek, doodziek, met zulke aanvallen van koorts en ijling dat Rebecca ’m tweemaal ’s nachts had gewekt—tante Soor, tante Soor—’t was om te gillen van ’t lachen, as je je hulp overkeek—je hùlp!—Nou liep ’t voor ’t eerst héélemaal spaak. ’t Beloofde ’n afschuwelijken dag—kinderen, ’n hulpelooze voor wie geen kruimel brood, geen turf, geen olie in huis was. ’s Middags was-ie rond gegaan, zoekend ’n karwei, ’t eerste ’t beste, verlegen aanschellend hier en daar of-ie ’t ijs van ’n stoep mocht krabben. Overal had-ie bot gevangen. De bouwvakken stonden stil. Duizenden waren werkeloos, grondwerkers, metselaars, opperlieden—’r was pas dien morgen ’n optocht, ’n honger-optocht van armoedige, genekte kerels geweest en de taaie staking van de diamantslijpers, luie bliksems die werk kondenkrijgen, as ze d’r driestheid van èischen-stellen lieten varen, zette ’n dubbelen wrok. Wat mòrgen? De bevroren ruiten met ’r krinklend gevlam van manelichte-bloesems, ’r sneeuwwitte kelken, bessen, lovers en stekels, brandden in z’n oogen. Nou lag-ie sullig en slap als duizenden rondom. God, god, as-ie opstond, ’n paar straten doorliep, kwam-ie op pleinen waar ze in lekker-warme café’s zaten, kwam-ie bij huizen waar ze met giften en fooien wanhopigen susten. ’t Dek over z’n koud-geworden voeten trekkend, de oogen in gemarteldheid sluitend, had-ie de gekste invallen gehad, misdaden liggen uitpluizen, die-die wist dat-ie nièt zou begaan. Maar ’t was slaap-knufflend en lollig gemeene dingen uit te spinnen, dingen van sluwen diefstal—dat ze je niks konde lappe en je geld bij de vleet kreeg. In z’n gehitste wakkerheid, onrustig, de geluiden van ’t huis beluisterend, ’t hoesten van Poddy, ’t schreeuwen van Bekkie bij Suikerpeer, had-ie ’r plezier in gekregen de detective-verhalen te overdenken, die-die in Amerika had gelezen. As-ie ’t dee met ’n zakkie peper, of met ’n ploertendooier erges op ’n stille gracht—of loerde bij Wolf, ’t pandjeshuis, waarvan Saartje’m had verteld, tot de vrouw of de dochter alléén was, of ’n ruit indrukte van ’n effectenkantoor, of ’s nachts bij rijke menschen—en ’n pond groene zeep meenam voor ’t vallen van de glasscherven. Woelend, dwaas van scherpzinnigheid, had-ie bijzonderheden liggen wikken, hoe-ie ’n pet zou opzetten, die nog niemand van ’m gezien had en z’n jas met de voering naar buiten dragen voor ’t signalement, en ’n groote hoop leggen in de kamer en de klok stil zetten, dat ze naar beroepsmisdadigers zouen zoeken. Toen daarover moeilijk doordenkend, log van murmureeren alsof ’n snikkend-warm ding in z’n middenhoofd wroette, tobde-die hoe ’t kòn, hóé ze ’t deëen de èchte misdadigers, de roovers-van-ras. Slaap-soezend, half in droom, zou-ie nog—want om ’n grooten hoop te doen—most-je—most-je—’t kennen—en datte ging maar niet as je ’t wóu—zoo maar eén-twee-drie—as je geen trek had—al leien ’r tonnen in de brandkast. Poddy, benee, had ’m wakker gehoest, met ’t reutelgeluid als van ’n huil-blaffenden hond. Misschien had-ie geslapen, misschien niet—hoe laat ’t was, kon-ie niet gissen. Even stutte-die op de elbogen, luistrendnaar Rebecca’s stem, ’t rogglen, ’t vloeken, wou-die opstaan om te helpen. De geluiden dempten in nacht-zwijgenis—ver, ver weg, tinkelde ’t carillon van ’n klok, en ’n muis, ’n muis die-die kende, die-die wel had zien loopen, knaagde achter ’t behang. ’t Hoofd in ’t kussen borend, om den slaap te vatten, had-ie gepoogd an wat ànders, ànders te denken, had-ie nijdig tegen ’t behang geklopt om de muis die ’m wakker hield, te verjagen. Maar ’t getob was-ie niet kwijt geraakt. ’t Maanlicht had-ie zien heenbleeken, ’t ochtendscheemren aangrauwen, achter de straffe, kristalwitte ijsbloemen. Vroeg-opgestaan, korzelig, vermoeid, had-ie zich niet kunnen wasschen. ’t Water in de kan was bevroren—de droogdoek stramde in plooien, stijf en weerbarstig. Hoofdpijnachtig, met lust om ruzie te zoeken, was-ie de poort uit gegaan, zonder bij Reggie binnen te loopen. Met leege handen dee-je niks. En hij had gisteravond beloofd, beloofd, gek as-ie was, om te belooven wat je toch niet kon nakomen. Na-suffend over z’n gemurmureer, z’n hersenloos zaniken van inbraak en moord, gromde-die kwaadaardig en wrevelig. De stomheid om over boeken-misdaad te zeuren, as jevoor de werkelijkheid van ’n brood voor ’n blinde en kinderen stond.Eerst was-ie angeloopen bij ’t sneeuw-bureau van de stad, waar honderden drongen, vijandig kijkend naar wie door de queue probeerde te sliepen. Suikerpeer groette. Die was leeper geweest en al om vier uur van huis gegaan, ’n Half uur wachtte-die, verkleumd, trappelend, huilerig van ellende—toen kon-ie inrukken. Alleen de voorste werden genomen. De rest was niet noodig. Mee-sjokkend met ’n paar ouwe stumpers, die in ’n toevluchtsoord sliepen, die teminste ’n kop warme koffie hadden geslikt, had-ie langs de ijsbanen gedrenteld, waar al vroeg de vlaggen vroolijkten, en metselaars, timmerlieden, diamantslijpers, de sneeuwbeddingen veegden. Elke gracht, elk water had z’n banen met hunkrende hongerlijders. Onder de bruggen hakten ze ’t ijs, om vlonders te leggen en centen te bedelen. Stoelen werden aangedragen en schaatsen om te verhuren. Overal was ’t ’n haasten om de ouwe plaatsen in te nemen, overal keken ze den bleeken, jongen jood en de verdane kerels van ’t toevluchtsoord weg. Toen waren ze weer aan ’t aanschellen gegaan, door deurkierenvragend of ze stoepen mochten schoonmaken, asch strooien, bijten hakken. De menschen sliepen nog, de dienstmeiden zeien nee. En zoo, in den star-heldren wintermorgen,op van kou, grimmig van wrok, was-ie alleen verder gegaan, de zwaar-trekkende karrepaarden langs, de zwiepende bezems ontwijkend van de mannen die voor de stadsreiniging werkten. Eén ding had-ie nou nog, ’n màl ding dat ’m in was gevallen, ’n ding waarvan-ie gehoord had. Als ’t ijs-pantser over ’t water lag, kregen de visschen ’t benauwd, mosten ze lucht hebben of stikten en dreven dood naar de bijten. Als-ie den Amstel afliep, de groote banen voorbij, had-ie kans en al most-ie den heelen dag wachten, wat boven kwam was ’n uitkomst, ’n maaltijd. Voortstappend, zonder gedachten—in ’n lichaam dat vier en twintig uur geen voedsel gehad had, waren geen werkende hersenen meer—zag-ie de verlevendiging van ’t water met z’n tenten, planken, zigzaggende rijders. De boomen, norsch en zwart, droegen malsch-witte reepen, bogen soms in den wind, met stuiving van sneeuw. Waar de tramrails sneden, had pekel de keien gebruind, vloeiden plassen met bulten en builen.Klukkend persten z’n schoenen, bleek-dampend berstte z’n adem. Nergens zag-ie ’n bijt. Sneeuw en ijs hadden de gaten verstopt. Stilstaand, grienerig van woede, verkleumdheid, wou-ie terugkeeren, in bed warmte gaan zoeken, toen ’n schelle jongensstem ’m riep.“Dàààg Eli!”Omkijkend herkende-die manken Jan-van-den-schoenmaker.“Gedoomes fijn, hè!”, schreeuwde ’t jogje: “jeezes-mierande wat leit ’t dicht! As ’k geen manke poot had gong ’k rijje! Ga jij d’r mee op?”“Nee”, zei Eleazar: “’t is hier koud genoeg!”“Hù!”, schimpte de rakker: “dat zeg-ie maar—asof ’k nie-weet da-je nie durreft as d’r geen balke onder legge”.Hij zei ’t zoo kinderdriest, dat Eleazar in den lach schoot.“Balken legge d’r genoeg onder”, zei-ie, rillerig: “maar an balken heb-ie nie veel. ’k Zoek ’n bijt voor dooie visschen.”“Wat mot je met dooie vissche?”, vroeg de schelle stem van den jongen.“Eten!”, zei Eleazar.“Verrek! Wat hei-je an dooie bliek? Die zou ik nie luste”...“As ’t maar lekker gekookt wordt,” zei Eleazar, om ’m te overtuigen: “vecht je om ’n graatje!”...“Dooie bliek—die stinkt.—As-je denk da-je mijn ’r tusschen neemt, zeg, mot je vroeger op staan!”Weer lachte Eleazar, ’t ventje dat als ’n oud mannetje praatte bij z’n dunnen nek schuddend.“Dooie bliek en dooie voren, gestoofd met ’n scheutje azijn, Jan—daar zou jij van smulpapen, as ’t warm voor je op tafel sting.”Samen liepen ze op, de man en ’t manke jogje, sprekend als kameraden.“Hei-je dan ’n schepnet?”—, vroeg Jan, geintresseerd.“As ze boven drijve hei-je ze zoo maar te grijpe.”“Boven drijve? Boven drijve? Verrek—dan rake ze toch onder ’t ijs!”“As ’r’nbijt is, zoeke ze lucht—’n visch die geen lucht krijgt stikt—net as wij”...“Hù!”, schreeuwde ’t jogje, schel in deochtendlucht lachend: “hù—’n visch die in ’t wàter stikt—hù—hù!”“Geloof je ’t nie?”“As jij ’t wèl geloof”—, redeneerde het ventje, zwaar hinkend in de sneeuw: “dan hei-je ze je belazerd—en da’s stom genoeg voor zoo’n groote kerel.”“Dank-ie wel”, grinnikte Eleazar, opgewekt door de frissche brutale geluidjes naast ’m: “maar ’k denk dat ’r nog wel ’n páár dingen in ’t leven zijn, die jij èn ik nog nie weten. As ’n visch zóó doet”—stilstaand bootste-die met z’n kaken ’t happen van hijgende kieuwen na: “as ’n visch buiten ’t water leit te trekken, dan wil-ie ademe—snap je?”Even dacht Jan. Toen zei-die helder-betoogend: “Sodejuu—dan zoue ze toch ééns zoo goed leven, bùiten ’t water. Zie je nou wel dat ze je belazerd hebbe! As je ze ophaalt an de hengel binne ze as de weerlicht kapot—nou—nou?—Hoe ken dat nou? In de lucht zit toch meer lucht as in ’t water, werin heelemaal geen lucht zit”.“In ’t water zit óók lucht”, begon Eleazar uit te leggen, maar Jan was ’r als de kippen bij.“...Hù! Hù! In water lucht! Dan zou jetelkes bellen na boven zien komme. As je met ’n ouwe pijpesteel in water blaast, komt ’t ’r net zoo hard uit, as je ’t ’r in fluit! Jij loopt te klesse. As ’k jou met je kop onder water hou, mot je verzuipe. En je zou nie verzuipe as ’r beneejen lucht was.”“Dank-ie voor ’t lesje”, zei Eleazar, in ’n hoek gedreven en nog eens z’n aanloop nemend: “toch zit ’r lucht in water en al zat ’r geen lucht in, dan vin je in ’t water dezelfde dinge die in de lucht zijn—heusch, Jan”...“Nou breek me klomp!”, schetterde de jongen: “as water lucht is en lucht is water, dan zoue de vissche kenne vliege en de vogels vortzwemme!—Jou kenne ze alles wijs make! Je mot ze maar late lulle!”“En wáarom komme ze dan dood boven drijve in de winter?”, lachte Eleazar weer—toch kleintjes, want, och, och, as je dingen van uit de vèrte wist, drukte de eerste de beste slimme rakker je plat—“waarom, as ’t water toeleit gane de vissche met dùizende kapot?”“Omdat”, zei ’t jogje dadelijk: “omdat ze verrekke van de kou, net as de grootvader van de flesschetrekker an de overzij, die ze in de kelder bevroren hei-je gevonden”...“Nee”, zei Eleazar: “benèjen in ’t water is ’t, as de boel toegevroren is wàrmer, net as onder de grond”...“Jij ken wel zóóveel zegge!”“Vraag ’t dan an de meester op school”.“Op school mag-ie niks vrage—enkel je vinger opsteke as je mot pisse”...“Nou Jan—’t is werachtig zoo as ’k ’t zeg.”“Hù!”, schreeuwde spottend ’t ventje: “hù! Ze hei-je jou verneukt, hoor! As ’t nie ken, dan ken ’t nie. As ik ’n visch was, dan gong ’k nou ook kapot van de kou”...“Geef me ’n hand, dan help ’k je op ’t ijs”, zei Eleazar.Ze liepen over de sneeuwbulten naast de baan, naar ’t badhuis, waar groote bijten waren gehakt. En voorzichtig toekruipend naar den rand met z’n opstaande blokken ijs, de lomphoekige blokken die de rijders waarschuwden dat ’r open vakken leien, brak Eleazar ’t versche, knappende vlies. Een enkel grijs-zilvrig vorentje met goud-rooden oogjens en rossige vinnen dreef tusschen de splinters.Jan, ’n eind verder—met z’n tweëen te dicht op den rand was gevaarlijk—kreeg ’n schudding van lol.“Godvergeefme—daar loopt-ie ’n halfuur voor uit! ’n Voren as ’n wòrm!”“D’r komme ’r wel meer, as je geduld heb”, zei Eleazar, ’t vischje grijpend en naast zich leggend. Op de knieën gehurkt, keek-ie naar ’t machtloos gedobber van ’n groote bliek, die telkens op ’r buik dreef, dan weer ’n trillend vinslagje deed.Versteven van kou, klappertandend, zat-ie te lóéren, met de drift van ’n wanhopig-uitgehongerd beest.“’k Wou da’k ’n hengel had”, zei Jan, z’n armen stevig klappend als ’n kouwe schipper: “zeg—gane jullie dat nou heusch thuis vrete?”“Ja,” knikte Eleazar.“Met aarpels?”“Nee—d’r zijne geen aarpels”.“Vrete jullie dan enkel dat kreng!”“’k Wou da-’k vast ’n zoodje had”.“Weet jij wat mijn vader zeit?”“Nee—wat zeit jouw vader?”—, herhaalde Eleazar, opstaand—op de knieën ging ’t niet, snee de kou door je heupen.“Vader zeit dat ’t je èigen schuld is, as je nie hei te vrete, da-je ken werke as je maar wìl.”“Niet zoo dicht bij ’t water komme”, waarschuwde Eleazar:—“je leit ’r in eer je ’t weet—en ik ken niet zwemme.”“Is ’t je eigen schuld, zeg? In plaas dooie visschies te kaaie, kon je toch wèrke”...“Ja-ja”, zei Eleazar: “àlles ken, hè?”—en zich plotsling buigend, greep-ie de bliek, die nog zwakjes leefde, even den staart in schudding rukte en hijgend de slijmrige kieuwen bewoog.“Jeezes mierande!”, riep Jan, snel toeloopend en bewonderend kijkend: “dat hei-je handig geflikt. Hij leeft nog. Mag ik ’m vasthoue?”“As je’mniet loslaat”, zei Eleazar.Het kind nam den visch in z’n zwart handje, hield z’n pink dicht bij den bek.“Zou-die bijte? Nee, hè? Ooge as kraaltjes, hè? Sodejuu, daar spartelt-ie haast los. Ja, dat mot je probeere. Dan mot jij maar niet zoo stom zijn, blinkende dief!”“Rol ze in me zakdoek”, zei Eleazar—dan blijve ze koud”...’n Poos zaten ze stil, opgeschrikt soms door ’t dreunen van ’t ijs als ’n ris rijders voorbijglee.“Waarom kies je geen ander vak, as jegeen lol meer in diamantslijpe heit!”—, begon ’t kind weer.“Lol is niet genoeg”, geeuwde Eleazar, bevangen door de kou: “je mot ’r mee verdiene”.“Ja, voor niks dee ’k ’t ook nie—niks is nimmendal.—Zeg, wat is dat, zoo’n dìng, zoo’n diamant die jullie mot slijpe?”“’n Diamant is ’n steen”.“En werom mot je die slijpe?”“Om ’m glad te make”.“En dan?”“Nou dan—dan is-die klaar en wordt-ie gedragen”.“Door wie?”“Door menschen met duiten”.“Koope ze die?”“O jee! Met ’n half pond van die steentjes, ben je zoo rijk dat je ’n eigen huis ken koope en niks hoeft te doen”.“Da’s lulle”, zei ’t manke jogje, stellig: “met ’n half pond steene—’n huis—’n héél huis! Wat kost dan zoo’n steen?”“Je heit ’r van hònderdduizend gulden”, blufte Eleazar, die schik in de jongens-rapheid had: “van wel meer”...“Van die dinge van hònderdduizend guldes”, schreeuwde Jan, ongeloovig: “en wat doene ze met zoo’n ding?”“Drage”, verklaarde Eleazar, ongeduldiger—je kon niks zeggen of ’r kwam ’n vraag: “drage an d’r oore, an d’r vingers, an d’r hals”...“Verrek!”—, zei ’t jongetje: “hoe ken dat? Wat heì-je an ’n ding van honderdduizend guldes, dat je an je poote draagt!”—Weer schel-de z’n stem in ’n spottend hù!—weer trok-ie ’n gezicht dat-ie zich niet voor de mal liet houen: “godvergeefme de zonde wat ken jij met ’n glad smoel staan liege!”Eleazar lachte hardop en Jan, denkend dat Eli ’t niet langer kon houen, schaterde mee. De zakdoek op ’t ijs stuipte in schudding. De bliek was nog niet dood. Er gingen meer schaatsenrijders voorbij, luchtig van zwier, met ademgevlucht bij de monden. Dichtbij speelden kindren met ’n slee, loopend in draf, met rinkel-raketting van dansende bellen. En in de verte joelde ’t geroep van de menschen in de tentjes die slemp en jenever verkochten. Heen en weer loopend, met voeten die geen bodem meer voelden en ’n vinnige tinteling inde handen van ’t koude water, keek Eleazar naar ’t vak. Jan, die zich verveelde, zei dat-ie ’r vandoor ging.“Blijf-ie nog lang, zeg?”“Hei-je zoo’n haast?”“Nou ja—wat mot ’k hier? Je vangt ommers niks”...“As je maar wácht”.Hij stond haast te bedelen om ’t gezelschap van ’t kind. Alleen hield-ie ’t niet uit.“Is je zussie weer beter?”—, vroeg-ie om te rekken.“Wat voor zussie?”“Die toen zoo ziek was—toen de kelder onder was geloopen?”“Die was ommers nie ziek!”“O nee?”“Wel nee—noem-ie dat zièk?—Daar drijft ’r weer een! Daar komt-ie!”’n Kleine bliek slapte omhoog, ’t buikje rood-lichtend, de vinnen draderig-waaiend als haar. Langzaam door ’t donkere gat van ’t water rees-ie, luchtig van drijving. Liggend op ’t ijs, de armen gestrekt over de bijt, greep Eleazar.Maar ’t vischje in laatste herleving, schoot uit z’n hand, duikend onder het ijs.“Wat ’n sekreet om zich dood te houe”, zei Jan en trapplend van kou, herhaalde-die: “ik ga d’r vandeur, zeg”.“Goed”, zei Eleazar, mat. En ’n paar blokken ijs dompend, ging-ie zitten, de handen in de broekzakken, de beenen gekruist, wachtend op den afval van benee. ’t Jongetje klotste de baan op, zetjes nemend om glijbaan te spelen, ’t Horrelvoetje sleepte na, de armpjes strakten in dwaze cadans.Wezenloos, vaal-van-uitputting, bleef Eleazar, kijkend naar ’t gat, naar den zakdoek die niet meer bewoog. ’t Kind met z’n drieste levenszekerheid had ’m òp gehouen—nou zakte-die in, moe en verstompt. Dezelfde wanhoops-besluiping van de fabriek, toen-ie naast Juda zat, in aanvoeling van ’t onweer, deed z’n wil in ’t futteloos lichaam besterven. Een stap, eén luttele glijing en hij was ’r uit, stikkend als de visschen, verlost uit ’t hijgend getob. Ziekelijk geeuwend, dat de tranen uit z’n ongemakkelijke oogen glibberden, begon-ie weer op en neer te loopen, bang voor ’t water dat ’m aantrok. Als ze ’m nou brood hadden voorgezet, zou-ie ’r van gekikt hebben, te ellendigas-ie zich voelde om ièts te kunnen. Wat was gebrek ’n ding dat je tot ’n beest maakte, dat je alles dee verwenschen, vergeten—wat was je niks, niks met ’n maag die ’t denken uit je kop trapte. Klappertandend, bukkend om den zakdoek met de twee dooie visschen mee te nemen, ’t nog eens in de stad te beproeven, zag-ie twee bliekjes beweegloos naast mekaar drijven. ’t Kikkerde ’m op. Snel met z’n pet scheppend, verraste die ze. Vier. Vièr. As-ie ’t opgaf, bracht-ie niks mee voor de kindren, de blinde, die gisteren gewacht had, vandaag wachtte. De zakdoek op ’ t ijs, trilde zachtjes, de plezierige stuiptrekking echoënd.Tegen vijf, blij met z’n vangst—hij had ’r wel twintig, liep-ie de Sarphatistraat door. Daar waren ze nog bezig met ’t ruimen. Op gelijke afstanden leien puntige hoopen sneeuw en straatvuil. Handkarren werden af en aan gereden om ’t veegsel in de vaarten te storten. Bij het station werkten ploegen met bezems, schoppen en latten. Suikerpeer, ongewoon-rood van gelaatskleur, stond op ’t trottoir de ingevroren sneeuw los te bikken.Rustend op den steel, kapot van den arbeid dien z’n oud joden-lichaam nauwlijks kon volhouden, spuwde-die hijgend.“’k Wou dat ze mijn vanmorrege hadde angenome”, zei Eleazar.“’k Leg net zoo lief ’n week ziek”, sprak de groentenjood, meewiegend ’t gehijg van z’n borst: “dad-is geen werk voor ’n jid”...“Je sleept ’n daalder na huis—wees blij, gammer”.“Blij! Blij! Me lendene krake—’k hei geen droge plek an me lijf. Daar mod-je ’t lichaam van ’n goj voor hebbe. Van zeven uur tot nou an toe! Kijk wad-’n blare an me poote”. Bevend van moeheid, met handen die-die niet stil kon houden, liet-ie de stukgewerkte, bloedrige blaren zien.“Cente verzoete blare”, zei Eleazar, bijna afgunstig.Doorloopend, omdat de stadsopzichter op ’t trottoir kwam, snauwend naar ’t gebabbel keek, wachtte-die op den hoek tot ’n handkar gevuld was. Er werd een lantaren aangestoken, die schamper-geel met ’n groenigen nimbus ’t weifelend daglicht doorschrilde. In de holte van ’t station vurigden de roode signaallichten en op’t plein kil en nevel-schimmig klamde in meerdere kappen ’n vlam, slurperig-kwijnend achter de vetting der glazen. De jodenbuurt inwandelend, hield-ie in zich de ziening van de werkende mannen in de sneeuw, het norsch beweeg der bezem-zwaaiende armen, het strammen der beenen—’t er ùit vallen bij dien spierarbeid van den ouwen jood—gelijk ’n pootige christen-koopman ’r uit viel—die met joden negotie dee.Tante Reggie had van Soor ’n half brood gekregen. Nou Eleazar thuis kwam met visch, kende ze ’r weelde niet.“Hei-je ze gekòch?”—, vroeg ze eerst, den zakdoek betastend, van elken visch door ’t goed heen, de dikte bevoelend.“Nee”, zei-die, ’n homp droog brood in gulzige brokken slikkend—as-ie langer gewacht had, was-ie in mekaar gezakt: “nee, die hei-’k uit’nbijt gehaald”.“Uit ’n bijt”, sprak ze: “hoe ken men z’n leven zoo wàge!” Hij lachte.“Maar nou”, zei ze, bezorgd voor zich heen pratend: “nou hebbe we visch—en wadde lekkere dikke zijne d’r bij—maar nou bin jenet zoo wijd—zonder stoking enne zonder zout”.“Laat ’k ze eerst schoonmake”, zei hij opgemonterd: “dan kijke we verder”. Zij, in den deurpost, luisterde naar ’t geschrap van z’n zakmes. Visch voor visch, lei-die op ’t vensterkozijn en ’t mes malschte de schubben, die in ’t avondscheemren warrelend stoven. Saartje, die van boven kwam, keek met blij-verwonderde oogen.“Bin je an ’t vissche gewees, oome?”“Ja, Saar.”“En wat zijne dat oome?”“Da’s ’n bliek—en dat ’n voren—en dat—da’s ’n ràre die ’k nie ken”.“Mag ’k mee hellepe schrappe?”“Nee—stil nou!”, zei-ie, ineens nijdig, omdat-ie zich stak an ’n rugstekel—: “hè!”, klaagde-die, zuigend en ’t bloed in de sneeuw spuwend.“Hei-je je gesneje, jònge?”—, vroeg de blinde, pijnlijk kijkend.“Nee—me geprikt”.“Mot je goed uitzuige—Sally van Mak heit ’r ’n opgezette hand van gekrege—van belang! Zuig-ie goed?”“Ja, norschte hij, kribbig van pijn.De traptreden kraakten, stugger van knettergeluid in de kou. Essie van Suikerpeer, ’n doek om ’r hoofd, kwam is kijken waar Suikerpeer bleef. Toen ze hoorde dat Eleazar ’m gezien had, bleef ze ’r handen wrijvend staan babbelen.“Wad-’n bemazzel”, zei ze, ’r bandeau-hoofdje wrikkend: “hoe komp iemand zoo bemazzel, as ’t water dich leit as ’n pòt! Hoe kèn men hengele—mijn ’n wonder!”“Heit-ie uit bijte opgehaald—met levensgevaar”, praatte de blinde.“Zal wel twee pond weze”, taxeerde Essie: “zijne dat baarsies?”“Bliek en vores”, vertelde Eleazar geduldig.“Nou zal u nie geloove”, knikkelde Essie: “maar nou loop me ’t water uit me mond—zoo werachtig as ’k leef—wat ’n mazzel!”Ze zei ’t zoo verlekkerd, zoo gretig en ’t heele huis wist zoo wat ieder in z’n kast had, dat Reggie, goedig-lachend, vroeg of ze ’r de helft van wou—want tien voor haar, Dovid, Eli en de kindere was zàdde genog.“Nee, nee,” zei Essie, lacherig, buur-vrindelijk: “nee, laat ’k u niet ontrieve”.“Ontrieve! Ontrieve!”, drong Reggie aan: “hoe ken u mijn ontrieve? We hebbe jà visch zonder vuur, en hebbe we jà vuur d’r bij, dan hebbe we geen zout en geene aarpels”.Even soesde Essie in overweging van ’t voor en ’t tegen—dan ineens druk-lachend zei ze:“...Weet uwe wat? Weet uwe wat? Leit u bij mijn uw dalles—dan hebbe we allemaal àlles. Hèhèhè!—Enne dan kenne we bij mijn koke—’k hei nog ’n kooltje over en ’n beetje heete asch—enne dan zalle we verder zien.”“Kanne we met zooveul bij u zitte?”—, vroeg Reggie.“Hoe meer ziel, hoe meer simge”, knikte Essie.Eleazar, die de vischjes in ’n emmer water gemept had, veegde z’n mes schoon.Maar Essie, die ’m enkel had zien schrappen, werd ongerust.“Eli, wat gaat uwe nou beginne? Mot ’t vuil ’r nie uit?”“’t Vuil”, zei hij—“wat voor vuil?”“Og, wad-’n frotzak—me-kan toch geen visch koke met de darme d’r bij! Sjijn zal ’t weze. As de gol d’r in blijf, ken je ze wegsmijte as grate!”“An welleke kant mot ’k ze dan opensnijje?”—vroeg-ie—“links of rechts?”“Snijdt uwe ze ope an de buik”, zei Essie: “dan heit-u links en dan heit-u rechs—as u ze vergalt is de heele maaltijd verschteurd”...Voorzichtig zette Eleazar de punt van ’t mes in ’n buik, snee toe naar den kop en in ’t geschemer der plaats, slipte ’t vuil uit de wond. De gal kon-ie niet vinden. Tastend en trekkend kreeg-ie de groen-bruine smurrie over de vingers.“Adeschim wad-’n mijnse!”, riep Essie: “as z’n hande in boter zijne gebrajen, ken-die ’t nog nie! Stop ’m derek in ’t water, anders kots je je hart uit je lijf”...Saartje liep met ’t vischje naar de kraan, Essie nam ’t mes over van Eleazar. En met handige sneedjes wipte ze de ingewanden er uit.“Zoo—as uwe ’t zoo doet, Eli, kenne d’r nooit geen vergallinge gebeure—enne goed dad-’k ’r bij bin gekomme, Reggie—want uwe had ’t nie gezien—Og, wad-’n bezze gammer, die jà ’n kòningsmaal zal bederve”...’n Koningsmaal. Ja, ’t werd ’n koningsnoen, ’n noen die ’t heele huis in vroolijkheid zette.Want nog terwijl de visch stond te koken, met ’n beetje zout dat Mijntje bij den schoenmaker—’n haurik van ’n vent in de laaste tijd—maar zout weigerde je an niemand, an je grootste vijanden niet!—had geleend, kwam Suikerpeer thuis met harde bokkings. Wat-ie nooit dee, was ’m vandaag overkommen. Rot van moeheid, was-ie baloorig met de andere sneeuwruimers ’n paar brandewijntjes met suiker gaan drinken—enkel jenever lustte-die niet—toen opgeknapt, bang voor Essie die ’n honde-neus had en ’t merkte as-die sjikkerde, had-ie zes harde bokkings voor ’n dubbeltje gekocht. Je kon d’r rauw an smullen en gewarmd op ’n doove-kooltje was ’t om je tien geboden te likken. Visch met ’n scheutje azijn, ’n pietsie peper èn harde bokkings—in geen tijje hadde ze ’t zoo betoeg gehad, zei Reggie, ’r vrindlijke tevredenheid aan de andren opdringend.“Over ’t end van me jare”, praatte Suikerpeer: “mod-’k geen sneeuw meer scheppe. Da’s grùwelwerk. Addeschim, as je ’n uur bezig bin, hei-je geen rug meer—en geen poote meer—hei-je niks meer. Geef mijn ’n kar met negotie—late zìj zich ’n breuk sappele! Niks voor ons!”“’k Wou dad-je d’r nachwerk van had”, zei Essie: “hoe ken men zoo vloeke over ’n kostelijk daggeld!”“Zal ìk me droppele zweet, niet te telle, voor honderd-vijftig rooie cente verkoope!”, rekende de groentenjood: “hei-’k gelijk, Eli?”Bezig de kinderen, die pas gekrijscht en gevochten hadden, stil te houden, knikte Eleazar. As-ie ’t tegendeel zei, zwaar-op-de-hand ging beweren, kreeg-ie ’n heibel als dien avond bij Soor.“Je doeit ’t”, zei Suikerpeer: “omdat je anders krom ken legge van honger—as ’k je weer hei te vloeke, wensch ’k je blare van-de-sneeuw”.Net kwam Rebecca binnen. ’t Petrolie-stel onder de rijst met de grauwe erwten, die ze samen in één pan kookte, was uitgegaan. Of ’t hinderde as ze de pan in ’n leeg gat van de kachel stak? Ze zag blauw van de kou. Dagen lang hadden ze niet gestookt. En Poddy kreeg zoo’n trek, nou-die vandaag wat beter was.“Zal ik je wat zegge?”—, zei Suikerpeer uitbundig: “komme juillie allemaal hier—dan fresse we bij mekaar—botje bij botje”...“Ja doe dat”, knikte Reggie: “gesjogtenheid is geen gesjogtenheid—as je déélt”...“En vàder?”, zei Rebecca, traag-aarzelend—’t was hier zoo lekker warm en zooveel mensche.“Dan gane we je vader ’n borretje van álles brenge”, zei Suikerpeer: “dan krijgt-ie ’n—’n franse maaltijd—eerst visch—pezon—enne dan harde bokking—bekon—enne dan rijs met soger-errette”...Na de hardheid van den dag, ’t sloven en zwoegen in de felle winterkou, schenen ze uitgelaten te worden. Kwam de morgen, dan kwam de morgen. Nou, terwijl de wind langs de hoeken van ’t huis gier-suisde, voelden ze ’n vreemden drang bij mekaar te kruipen.“Zal ’k ’t vader gaan vrage?”“Natuurlijk”, zei Essie.“En mag Joozep meekomme?”“Nou nee! Mot Joozep dan niet ete, nar van ’n meid!”, schreeuwde Suikerpeer.De kamer pufte van ’t rumoer. Esther, Meijer, Jaantje, Flippie en Bekkie, de kindren, praatten en kibbelden. Bekkie, hongerig, sloeg met ’r lepel tegen ’n bord.Mijntje, die van de kast naar de tafel liep, tellend of ’r genoeg vaatwerk was, trok ’rdan nijdig den lepel uit de hand, ’m op ’t tafelvlak kletsend—’t was om stapel te worde, dat lawaai en getik!—en als ze weer bij de kast was, dee Bekkie ’t opnieuw, verwend en brutaal.“As uwe van beneje effen wat borde wil hale?”—, vroeg Essie aan Eleazar: “we komme d’r nie. Nee, we komme dr nie, Mijntje. Wij zijne met z’n achte en u en Reggie en Saartje zijne d’r ellef—enne Bekkie en Joozep—dad-zijne d’r dertien”...“Dertien”, zei tante Reggie, angstig: “dertien—dertien mag nie. Heit-u Dovid wel meegeteld?”“Enne Dovid is veertien”, knikte Essie gerustgesteld. Met z’n dertiene ete, nie voor al ’t geld van de wereld—dan had ’r een weg gemotte.Met bolle stappen dook Eleazar de trap af, mal-vergenoegd. Wel meer had-ie ’t meegemaakt, dat in tijden van armoe, een-hoog en twee-hoog d’r eten bij mekaar brachten. Jaren en jaren geleden, hadden ze nog zoo is gezeten met Juda en Hes, alles scharrelend uit hoeken en gaten—en eens met Isaacs, die op kermissen koek verlootte—telkens was ’t ’nvervroolijking, ’n gijntjes-zeggen zonder eind geweest. Nou, na ’t gezoek, ’t gewroet, ’t getob—z’n wanhoop bij de bijt zwartte nog in z’n hoofd—stond de komende avond als ’n niet gewachte vreugde. Vorken, lepels, borden en schalen greep-ie in ’t donker en haast neuriënd stormde-die de snauwend-krakende trap op. Op ’t portaaltje gaapten de deuren van Suikerpeer en Poddy.Lawaaierig-druk, lollig van lach, hielp de groentenjood Rebecca, om Poddy’s tafel door de posten te wringen. Poddy, in ’t bed, vermagerd, met hoofd- en baardhaar in wilde vergroeiing om ’t scherp gespaak van neus, mond en jukken, zat te schreeuwen hoe ’t most.“Luister dan nie! Luister dan nie! Zoo is-die d’r nie in gekomme! Draai ’m over zijn kop!”“Laat mijn nou trekke!”, riep Suikerpeer koppig, stootend en wrikkend: “waas ist dos voor ’n verschwarzte tafel!”“Draai ’m over zijn kop!”, schreeuwde Poddy weer.“Hoe ken men zien wad-de kop en wad-de togus is?”—, gijnde Suikerpeer.Met viel de la uit de tafel, wat zoo’n smak gaf dat Essie en Mijntje en de kindren op ’t portaaltje te hoop drongen.“Nah! Nou zeg ’k niks meer! Hij heit z’n zin!”, gromde Poddy.“Hoe ken men zoo verstopt, zoo stom zijn”, begon Essie te verwijten.“Groot ongeluk!”, lachte Suikerpeer, oprapend wat in de la had gezeten: “dr leit jà ’n pietekam en ’n zilveren vork in! Hoe bergt men zijn zilver nie beter!”’t Duurde ’n poos eer de tafel door ’t deurgat was. Want iedereen gaf raad.Poddy wou ’m op z’n kòp, Essie overdwars, Mijntje schuingehouen-in-de-lengte. En blinde Reggie stond maar gedwee te roepen dat ze op moste passe om d’r vingers niet te klemme en niet te struikele bij de trap. Toen, bij ’t nieuwe deurgat, moest Eleazar ’n poot afhouen die tegen den muur werkte, ’t kalkgruis met stuivingen dee storten, stompte Suikerpeer tegen ’n knellenden hoek van ’t blad. Rebecca, giegelend, met bedwongen proesten, omdat de groentenjood zich pijn dee, hield de la vast, de la met de kam, de ijzeren lepels, bandjes en klosjes. Eindelijk met ’n hoera van Meijer, Saartje, Jaantje en Flippie, schoof de tafel naar binnen.Eleazar maakte ’n praatje met Poddy. Deheele, hééle nach—sprak de zieke—had-ie legge schwitze en noeste. Nou, gedank, had-ie ’n paar vrije uurtjes—en trek—op z’n woord-van-werachtig trèk. Z’n skelet-handen bewogen als in weving over de deken, z’n oogen leien verdoft in de kassen.“Laat Joozep en Rebecca maar hiernaast eten”, zei-die blazend: “ik stik enne zij krimpe van de kou. Sally enne Rozetje enne Serre hèbbe al gegete—’n wonder hoe kindere door alles heenslape”...“Hei-je ’t zoo warm?”, zei Eleazar, huiverend in de kilte der kamer, na de lekkere warmte bij Suikerpeer.“Warrem?—’k Hei ’t nie warrem en nie koud—’k hei ’t lèkker—’k hei me in geen maande zoo lekker gevoeld. Niks as ’n kou gewees—enkel ’n kou”...De deur werd geopend en Jozef, de oudste zoon, kwam binnen. Voor ’t eerst zag Eleazar ’m van dichtbij—’n jongen van zestien of zeventien, of vijftien, met aankomend snordons, bleek en met vet-rooie lippen.Hij kon ouder geweest zijn, dor mannetje als-ie leek.“Dag”, zei-ie, Eleazar niet herkennend.“Hei-je verkoch?”—, vroeg Poddy, ’n doosovernemend, waarin netjes gerijd de sigaretten lagen.“Nimmendal”, zei de jongen, bot. Den heelen dag had-ie op ’t ijs, bij de tenten, gestaan, zonder eten. As ’t ’m te lam om z’n maag werd, scheurde-die ’t papier van ’n sigaret, kauwde de tabak als ’n pruim.“Nimmendal!”, gromde Poddy: “is mijn nog nooit overkomme!”“Prebeer ’t dan zèllef!”, zei de jongen valsch.“Mod-ik ’t prebeere!”—, rauwde de vader: “vuile hond! Hei-’k ’t nie me heele leven voor juillie gedaan?”Verkleumd ging de jongen bij ’t dakraam zitten.Meelijdend schudde Eleazar ’t hoofd naar de zij van de bedstee, wenkend met de oogen.“Trek z’n partij!”, kregelde Poddy: “leg je hande onder z’n luie poote, dan wordt-ie nòg geen sauger! Ik ’t prebeere! Ik ’t prebeere! Ik met me zieke lichaam en me stijve poot! Vuile hond!”De jongen keek gluuperig-valsch, hield zich in. Rozetje, op ’t matras in den hoek, wakker-geschreeuwd door Poddy’s kwaadaardigheid, zat even op, wreef zich de oogen, keek rond,zakte weer naast Sally, ’t broertje. Eleazar’s oogen gingen van ’t matras naar ’t dor mannetje bij ’t dakraam. En zich den avond herinnerend, toen-ie in den deurpost van den sigaretten-jood had gewacht, toen de lamp walmde en ie Rebecca met Joozep en Serre tezaam had zien liggen op den grond, kreeg-ie ’n dwaze, rillerige, onverklaarbare sensatie—dwaas, dwaas—z’n eigen jeugd was niet anders geweest.’t Was bij achten eer ze aten. ’t Liep van geen leien dak. Essie kwam azijn tekort. Saartje werd naar benejen gezonden, om de flesch te halen, waarin nog ’n restantje most zijn. ’r Geelde ’n dikke laag schimmel op. Beurt om beurt roken Essie, Reggie, Mijntje, Suikerpeer aan den hals of ze nog goed was, of je ze nog mocht gebruiken. En terwijl Essie roerde, met toeterblaasjes van den lepel proevend, slurpend met vinnige haaltjes, stampte Mijntje de trap af, om voor brood te zorgen. Scheelde geen nippertje of ze hadde ’t vergeten. Dovid was ’r nog niet. Ongerust, bang voor ’t getal dertien—zat Reggie in ’t rumoer de buitengeluiden te beluistren. Rebeccamost effen gaan kijken en Eleazar rondzien in de straat, voor. Poddy kreeg vast z’n portie—’n gestoofde bliek, ’n kwak rijst met erwten en ’n halleve harden bokking. Suikerpeer bracht ’t ’m zelf, maakte ’n kuil in de deken, trok ’t vel van den bokking met z’n nagels, omdat Poddy zoo schlemielig tekeer ging dadde de erwte in ’t bed rolde. Dan, hijgend, frisch-rood van de vriezende straat, holde Mijntje terug met ’t brood en de heete centen, die ze van ’t kwartje werom had gekregen. ’t Vierkant brood op de tafel, nam ze ’n mes om ’r op los te hakken.“Schei uit!”, schreeuwde Essie, die de eerste homp met vijandige oogies volgde: “schei uit—dad-is geen snijje—dad-is jàpe!”“Komp ’r wad-op-an! Zoo of zoo”—, zei Mijntje, betweterig.“Blijf d’r af—laat mijn ’t doen!”, riep Essie schel en ’r Reggie in betrekkend, praatte ze over ’t kindergeraas heen: “nog geen nà-gedachte as ’n cent zoo groot! Brood jape is geen brood snijje. Voel u is! Dat noemp ze ’n boterham. Hoeveul boterhamme snijdt u uit ’n brood?”“Zooveul as ’k wìl”, glimlachte de blinde,die jaren op den tast had gesneden—dik of dun, naarmate ’r was—: “boterhamme snijje is ’n kùnst—’k haal d’r wel twintig uit”.“Twintig!”, zong Essie: “nee, dan mod-u is wachte—dan zal ik u wat anders late zien”.—En ’t brood tegen de plank van ’r platte borsten houdend, liet ze ’r snel en sekuur ’t mes in glissen, zonder ’n afwijking, zonder ’n hapering. Meijertje, aandachtig de handen onder ’t hoofd, telde hardop en hoe hooger-ie telde... drie-en-twindig, vier-en-twindig, vijf-en-twindig, tot een en dertig toe, hoe bewonderend-wieglender Reggie’s glimlachend hoofd bewoog.“Jij bin ’n húisvrouw”, zei ze met klank van weten en zegen.“U ken ze nie zien—u heit makkelijk zegge dat moeder ’t verstaat”, zeurde Mijntje: “dat zijne geen boterhamme, dat zijne piemeltjes”.“Zijne dat piemeltjes!”—, riep Essie, nijdig ’n boterham tegen ’t licht houdend, dat de korst op ’r voordeeligst te zien kwam: “doe ’t me na voor veertien perzone, stik schlemiel!”“Ik ken nog wel pietseriger piemeltjes snijje”, bleef Mijntje drenzen: “as je goed kijk binne ’t matzes”...’r Dreigde ’n kleine twist, Suikerpeer lachte,Essie keek giftig, vroeg of-ie gesjikkerd had, dad-ie zoo mesjogge dee? Jaantje, die de broodkruimels van ’t tafelzeil pikte, kreeg ’n tik op ’r hand.Gelukkig knepperden de traptreden onder haastig-trappende voeten.“Dovid”, zei de blinde met vreugde in ’r stem.Hij was buiten adem van ’t loopen, had groote pupillen van opgewondenheid en ’n stem zoo beslagen van zenuwen, dat-ie stond te brabbelen, verward en kuchend.“We hebbe op je gewach! We rammele van de honger!”, schreeuwde Suikerpeer.“Is dat uitblijve! Bij achte!”, klaagde Reggie.“An tafel! An tafel!”, riep Mijntje de lawaaiende kinderen toe.Met groote moeite, de woorden uitblazend, zei Dovid: “Nieuws! Groot nieuws!”“Nieuws?”—, vroeg de blinde ’t sterkst van gehoor.En Dovid, zich voor ’t eerst sinds weken tot Eleazar wendend, riep schor: “wij gane winne!”“Winne?”—, zei Eleazar, schrikkend.Weer zei Dovid wat, maar de kinderen gilden en Bekkie sloeg met den lepel op ’t bord.“Houe juillie je schmoele!”, dreigde Suikerpeer.“Mod-je na bed zonder vrete?”, snauwde Mijntje, die ’r ’t meest ontzag onder had.De herrie zakte en hijgend, kurkig van zenuw-wrokking, klonk nog eens Dovid’s stem: “wij gane winne! De juweliers—de juweliers—hebbe vanmiddag ’n brief—’n brief geschreve—”... Trillend van ’t nieuws dat-ie kwijt was, hapte-die naar adem.Nou-ie door geweld en ruzie, was gedwongen geweest, ’t werk neer te leggen en weken en weken op de stakers had gescholden, de pooiers en vuilike die ’m ’t brood uit z’n bek hadde gescheurd—voelde-die nou toch ièts van den massalen roes, iets van de vreemde vreugde die Eleazar deed opbonzen.“Hebbe de juweliers geschreven!”—, riep-ie: “en wat? Hoe weet jìj dat?”Blazend, hoesterig zat Dovid te glimlacheren.“Hoe ik ’t weet!”, hijgde-die: “van wiè zal ’k ’t wete, gammerkop! Ze vrage om Dekker te spreke—morrege zal d’r konferentie weze—overmorrege ’n meetting in ’t Paleis”...Na de diepe ellende van de staking, ’t tergend geduld van de juweliers, de grijnzende wanhoop dat ’t eind ’r was, dat ze nuttelooshadden gevochten, dat ze verdeeld, uit elkaar geslagen ’n vragende hand zouen moeten ophouen, klonk ’t bericht zoo geweldig, ’t bericht dat duidelijk zei hoe zwak de juweliers zich begonnen te voelen, dat de groote menschen verrast zwegen, kijkend naar Dovid’s lachrig-verheugd gelaat en de kinderen van den weromstuit even stil bleven.De stem van de blinde vrouw, sprak ’t eerst. ’r Doode oogen bezwommen de lampekous, met bewegende glansjes in ’t melkwit. Snuivend van aangedaanheid, op huilen af, zei ze:“God zal ze zegene, omein wie omein, as zij de verstandigste zijne—en—en make dad-’r weer vrede komp... God zal ze zegene”...“Zegene! Zegene!”, vlamde Eleazar en met hartstocht in z’n grijze oogen, driftig op de tafel steunend, ’n spottrek om den smallen mond, riep-ie: “wìj kenne ’t zonder zegen. As ’t deze keer was misgeloope, hadde we ’t na jare weèr gedaan—zònder zegen—zònder zegen—As we verlieze winne we nog—as we winne is de winst ’n futje van wat we later nème. De zegen van God kenne zìj toe krijge!”“Eli! Eli!”, knikkelde de blinde angstig:“hoe ken men zoo uitvare! Hoe ken men zoo vloeke! Is ’t geen mitswe dat God ze de éérste laat zijn—dat-ze simge krijge met de armoei bij ons?”“Simge! Meelijjen, zij!”, driftigde Eleazar: “as ze toegeve is de markt rijzend, hebbe ze stroppe, kost ’t te veel. Maande hebbe de krenge tienduizend mensche met honger gedwonge! Weken en weken heb jij, hebbe de kindere niet te vrete gehad. Nou in-eene simge? Zij meegaan met God! Die weet zoo goed as u en ik, dat-ie ze uit d’r beurs mot blijve! As-die an d’r duite, d’r mezomme komt, verstoort-ie de orde!”“Mag-ie nie zegge, mag-ie nie”, glimlachte vredig de blinde: “God heit wel mijn ooge bezocht—en ’k bin nie in opstand”...“Jij ben ’n engel”, zei Eleazar, ’r ineens zoenend, wat ’r bandeau dee verschuiven dat ’t zilverhaar pluisde in ’t lamplicht en de kindren druk van lol begonnen te gieren.Zij ’r bandeau lacherig terugduwend, zei nog eens: “God zal ze zegene—huillie en juillie”...Essie zette de pan met de visch op tafel—Rebecca nam de rijst met de erwten van ’t vuur—Suikerpeer brak de harde bokkings in drieën. Vroolijk, gijntjes schreeuwend, groepten ze om de twee tafels, pratend over ’t nieuws, over de kou buiten, over de handigheid, ’t gogme, van Eleazar om visch te vangen in ’n bijt. Telkens als Essie, zuinig mikkend, ’n bliek op ’n bord had geschept, vroeg Rebecca zangerig-vrindelijk: “Lus u ook wat van mijn klatsch?”, en als iemand dan ja zei, smeerde ze den potlepel in de brei. Suikerpeer, kijkend voor wie de portie was, deelde de staarten en koppen van de harde bokkings aan de kindren, de middenbrokken aan de grooten. Voor wie ’t wou hebben, roosterde-die ’n stuk in ’t open gat van de kachel, wijkend als de vlam door ’t druipend vet laaide. ’t Doorstonk de heele kamer, niemand had ’r hinder van. ’t Werd een stilte van slurpen, happen en vorkengetik. Reggie, voorzichtig, doorploos den visch met ’r vingers, bang voor de graten, lei de schilferstukjes op de boterham. Dovid, zwijgend, uitgehongerd, vrat den harden bokking met graten en vel, lepelde de rijst en de erwten zoo driftig, dat Essie verwonderd ’r hoofd schudde.“Dovid—jij vreet je ’n barschting!”, waarschuwde ze.Dovid, snel-slikkend, ruig-van-gijn, had moeite te antwoorden: “voor mijn part zalle juillie over twee dage sjiwwe over me zitte, as ’k maar genog krijg!”—, riep-ie ’n vollen lepel ’r bij persend.“Hè! Hè! Wad-’n barschtkeel!”, lachte Mijntje.Bij ’t raam, op mekaar, zaten de kinderen, Saartje naast Meijer—Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie ’r over. Jaantje lustte ’r bokking niet, ruilde met Meijer, die ’n hap rijst afgemikt lepelde. Op den hoek, dicht bij Eleazar hurkten Rebecca en Joozep op ’n sinaasappelkist. Soms klopte Poddy met z’n stok tegen de overzij-deur, ging Rebecca hooren. Of d’r nog bokkum was—of ’n graatje visch? En door den deurkier schreeuwde-die dan van uit de bedstee, dad-ze sigarette konne krijge as ze klaar ware, zooveul as ze woue. Suikerpeer vertelde nòg eens hoe-ie gesàppeld had—wad-’n frot werk ’t was de sneeuw van stoepen te bikken. En ’n haurik as ’r toezich hield. De pest had de vent in gehad, dat ’n jood an was genomen. As de christene vegers geen mieter deëe had-ie z’n smoel gehouen—maarzóo as hij ’n luchie schepte, was de vuilik met rissches begonne, had-ie telkes geroope: nou Mozes!—en nou Semmie! En of hìj dan zee: steek de moord en lek me de maarsch—tot ’t end toe had-ie ’m gesodemieterd. Toen proefde Eleazar, die ’t lekkers voor ’t laatst had bewaard, van z’n èigen visch—brulden ze van ’t lachen, omdat net hij de vergalde bliek had te pakken. Hoe ’t geen haar had gescheeld, lachte Essie, of ’t was met de heele zooi gebeurd.“Wil u nog wat van mijn klatsch?”, vroeg Rebecca weer.Tante Reggie, langzaam happend, prettig van herinnerings-gepraat, zei dan hoe zij in ’r jeugd zùlleke snoek stoofde—snoek—in die tijjen kon je an snoek komme—vandaag de dag, was ’r geen snoek meer en as ze ’r was, kon je ze niet benadere—hoe zij de buike opvulde met koek en wad-’n eten dat was—’n eten zoo fijn as ze ’t op de heere- en keizersgrachte nie krege. Ja, zij had kenne koke in ’r tijd—Essie die kon ’t ook—maar zìj had ’r ’n bijzondere slag van gehad. An een sjabbes, toen ’r man en ’r kindere in leven ware, en femilie overwas, had ze voor zestien persone soep van één ossepoot getrokke—van één ossepoot met twee cente prij, een cent cellerij en wat witte boonen. En geen slappe soep, maar ’n soepìe waarop de kracht dreef. Nou, Essie wou niet bewere dat ze voor zestien persone van één poot kon koke, maar ze bracht ’t ’n heel eind van ’n dubbeltje koppevleesch.Dovid knoopte z’n broek los, zat even te puffen. In geen maande had-ie zoo dik-betoeg gegete. Sappig peuterde z’n wijsvinger in z’n mond om ’n graatje los te werken, dat tusschen de tanden schrijnde.Na ’t eten, rommelden Rebecca en Mijntje den vatenboel bij mekaar. De kou van ’t huis lei om ’t eenig verwarmd kamertje. De wind schoot met fluitingen over de binnenplaats, deed de deuren rammelen alsof ’r geklopt werd. Bij de kachel, de voeten tegen den aschbak, zaten de mannen, Poddy’s natte cigaretten rookend, dat de lamp in melkwitte nevelen bleekte. Als de avond had kunnen duren en duren, waren ze blijven plakken, blij mekanders stem te hooren, blij met de heerlijke gezelligheid. “En nou zalle we juillie nòg is trakteere”, zei Essie.Mijntje most ’r weer op uit, om bij de water-en-vuurvrouw ’n halleve cent heet water te halen, met ’n hallef lood koffie van twee en halleve cent en ’n likkie gebrande stroop. As ze dan langs de melkslijter kwam, kon ze ’n halleve cent melk meebrenge en uit de nasscherijwinkel twee cente zwarte balletjes—je kreeg d’r vier voor ’n cent. In de kast was nog ’n plat toetje kaneel—dan had je alles voor frànsche koffie.“Hebbe we dan komme genog?”—, vroeg Suikerpeer.“Scharrele we wel”, zei Essie: “as Eli van benejen wat haalt”...Met Mijntje samen, liep-ie omlaag, klappertandend van de kou in de gang, na ’t eten. En weer op den tast, nam-ie de kommen, haastte terug naar de warme kamer boven. Op ’t portaal, in ’t donker, botste-die tegen Rebecca, die bij Poddy geweest was.“Bin jij ’t Mijntje?”—, vroeg ze.“Ja”, zei hij vroolijk.“Niewaar!”, lachte ze ’r handen uitstekend en z’n ongeschoren gezicht beaaiend—’r adem blies langs z’n hoofd.Toen ineens, sloeg-ie z’n armen om haarmiddel, drukte ’r tegen zich aan, wild en hartstochtlijk. Den heelen tijd an tafel, had ze ’m zitten kwellen met de gitting van ’r oogen, met de frischheid van ’r mond. Nou hàd-ie ’r, ’r natte lippen op zijn lippen, ’r borst tegen zijn borst, ’r buik tegen zijn buik. Hij tuimelde haast van verrukking, zoo als ze ’r armen om z’n hals klitte, zoo heet als ’r mond den zijne bezoog, zonder ademschepping, zonder zucht. Met gloeiende oogen, vaster aandrukkend, met fel-rosse vlamming in ’t hoofd, voelde-ie de warmte van ’r mond, dien-ie niet zag, de kieteling van ’r haar, dat-ie niet zag, de passie van ’r lichaam, dat-ie niet zag.Mijntje die de trap opsjokte, ketste hen van mekaar.Mal van gebaar, bleek, kwam-ie de kamer binnen, terwijl zij naar ’r vader terug liep. En toen ze ’n oogenblik later, lacherig, dwalend-van-oogen de deur opende, keek ze naar iedereen, niet naar hem, in lichtschuwe beduusdheid.Essie zette koffie, telde de zwarte balletjes—acht voor twee cente, zooas ze gedacht had. Balletje na balletje kraakte ze tusschen ’r kiezen in tweeën, dee in elke kom ’n helft.Gruizelde ’n balletje stuk in ’r mond, dan taxeerde ze de scherfjes die an ’r vingers kleefden, wreef ze langs de randen der kommen. Mijntje strooide voorzichtig kaneel uit ’t toetje en Rebecca, licht-bevend goot ’t water in de kous met de gemalen koffie. Slurpend en blazend dronken ze toen, luidruchtig, dol, gijntjes en grappies vertellend.“In geen jare—in geen jare”, knikte de blinde: “hei-’k zooveul an één stuk hoore lache—in geen jàre”...
XII.Dat was de dèrde die van toegeven sprak, de derde die ’r ’t beetje moed wou uit trappen. Norsch en verkleumd luisterden de stakers. ’n Uur lang hadden ze in de bevroren modder op Dekker, die niet komen kon, gewacht. ’t Liep mis. Wéer ’n Sjabbes in harde ellende, wéer ’n week zonder vooruitzicht.Nu dicht saamgedrongen om de tent, de voeten doorweekt, de ruggen gebogen, de koppen in botte luistring, schenen zij eene benauwende wanhoop te ondergaan.Eleazar, bij Juda, Hes en Klaroen, balde heftig de vuisten. Wat zij voelden, leed-ie mee, dieper misschien. Hoe dikwijls had-ie de sentimenten van een massa, den haat van een massa, den wrok van een massa, de liefde van een massa, de hartstocht van een massa doorleefd. Hoe dikwijls had-ie getracht ’t juichen, grommen,razen, handelen van ’n massa te benaderen, zich moe-gedacht over haar kracht en geweld, haar slaafschheid, angsten en weiflingen. Toch telkens wanneer je zoo stond, schouder aan schouder, lichaam naast lichaam, eigen gedachten-bewegen naast dat van ’n ander, hoofden ontelbaar rondom, dee je niks meer afzonderlijk. Gelijk de adem uit die koppen in de vaal-grauwe winterlucht zoog, de harten klopten, de oogen staarden, de longen wiegden—werd je driftig met de andren, vroolijk met de andren, neerslagtig met de andren. ’n Massa kon moorden, verwoesten, aanbidden, vervloeken, martlen, vervolgen en je gaf jezelf over even volkomen als vroegere individuen ’t in vroegere massa’s hadden gedaan. Je gilde gezamenlijk als ’n kind te water lag, je krijschte als ’t dreigde te zinken—je schreeuwde mekaar toe als ’t gered werd.—Zoo ging ’t in alles. De massa fantaseerde ’n god, de massa leek onsterfelijk. De massa’s groepeerden zich, botsten, tyraniseerden, lieten zich knechten. De massa had ’n vreemde, groote, kinderlijke, eerlijke ziel en ’n kleine, hardvochtige. Ze was ’n onbereikbaar reuzenlichaam, dat eeuwenlang met ’n verschrompeld verstand tegen zichzelf hadgebeukt, lomp als ’n jonge hond, nu wakker scheen te geraken—schéén—’t duurde zoo sarrend, grùwelijk lang. In ’n massa voelde je je stem grover, je lichaam zwaarder, je spieren sterker, je wil veerkrachtiger, je hoofd ruimer. Maar ook kon ’n massa je laf maken, krankzinnig-bevreesd, melankoliek of wanhopig.Vandaag wàren ze desperaat. De egaalzwart-kille sneeuwlucht lei zwaar op de daken, zonder eenige bulting, zonder diepte van licht. Nergens zag je ’n wolkje—overal vlakte een roerloos vuil, dat naar de huizen-over-de-gracht tot klittend goor-bruin ver-dikte, alsof daar ’n keel stond te gurglen en ’n strottenhoofd angstwalmen hijgde. De gracht, met de vele modder-riolen, glaasde in strak-harden stilstand, staalgrauw weerkaatsend den hemel tusschen ’r steil-groeiende wanden—strekten de boomen hun zwarte, knuistige takken—werd je haast bang dat de grijze lawine zou storten en allereerst breken ’t dor-oude hout, de stug-brooze takken. Doch niet alleen dit drukte de massa. Gehokt om de tent, de plompe schoenen op de knobbels van doortrapte en weerbevroren modder, de voeten koud en in nat gezogen, de lichamen sluiprig-bekropen door de klam-weëe kilheid der lucht, die de huid onder de kleeren als met natte handen betastte, de naakte ruggen langs huiverde, de borsten met rillingen overgleed, de onderste nekhaartjes dee steken, zachtjens kwellend alsof ze haakten aan den plots hard-aanwrijvenden rand van het hemd—zoo ongeveer voelde Eleazar, kort en scherp, de lichamelijke sensatie der menigte—zoo móést ’t wel zijn. O, op een zomerschen dag, bij hel-fleurend groen en wolkjes met zilverkartlingen, op een lentedag-van-enkel-jeugd-siddering, zouen ze niet zwak en ontzenuwd hebben gestaan, zouen ze niet dulden ’t lange gepraat van een paar angstigen, misnoegden, moedeloozen. Sentimentaliteit weekte in ’m op. De pupillen van z’n oogen spanden in zenuw-opwinding. En voor ’t eerst van zijn leven, zonder nadenken, bizar gedreven door eene macht, een geweld, eene ontroering die z’n gelaat verbleekten, z’n stem schel deden klinken, vroeg hij het woord, terwijl ’t applaus nog na-rommelde, schoof door de wijkende stakers, beklom duizlig en lichtschuw de treedjes naar de tent. Zoo nerveus was zijn bewegendat-ie even struikelde, de knie pijnlijk stiet—klemden z’n handen ijskoud, gevoelloos, vreemdelijk-wringend om de opperste lat der balustrade, keek-ie doodsbleek, de oogen vaal-blauw omwald naar de geweldige, plotsling dierlijk-beangstigende koppenmenigte. Ben oogenblik meende hij te zullen stikken, hijgde hij bevend, persten z’n nagels in ’t hout. De hoeden, de gele koppen, de grijze takken, het hekwerk, de keien schimden door z’n bloedleeg hoofd. Schor-droog ademend zei hij: “Kameraden”..., stokte, pogend te slikken. Er ging een angstkramp in z’n hersenen, het zweet bebeet spichtig z’n slapen. Starend, zonder geheugen, de versteende handen om de balustrade, de versteende voeten in de wijder-lijkende schoenen, doorgierde hem de razende, rauw-krijschende angst dat-ie gèk werd. De tram ree door de bocht, nevelde dwazig voorbij. Hij hoorde de bel, de bel van geel-koper, de peervormige gèle bel met het zwabberend leer. Tegen een boom, den poot hoog-getrokken, pieste een groote roodharige hond. Dien zag-ie—hij zàg ’t ruige lijf, den gewipten poot, den staart, de witte ademhijgingen... Hij zàg de pies in de modder-aarde spetteren. Hij zàg—en een opgutsende, knarsend-gillende wanhoopbonsde in zijn leege hersenkas—dat-ie gèk werd—dat z’m gek zouen zièn worden—dat ze àllemaal wezenloos mee zouen kijken naar den piesenden hond, die zoo oneindig redeloos-lang pieste... Maar de stakers die ’m wit en onbeweeglijk-zwijgend zagen staan, meenden dat-ie wachtte op stilte. Er was een napratend gemompel en voeten beknarsten de bevroren modder.Juda, ongeduldig, ook met ’n wrok om ’t laffe geweifel nou Dekker ’r niet was, schreeuwde kwaadaardig, stem die domp knoerste: “Smoel houen!—Hou dan je bekken!”... en een magere, beenige jood àchter de tent, meenend dat Eleazar al sprak, riep nijdig: “Hààààrder!”...Het zwiepte ’m wakker. “Kameraden,” zei hij nog eens. De woorden stamelden z’n mond uit, kurkachtig-droog, z’n lippen trilden, z’n tong bewoog moeilijk, kromp stug naar de keel. Nou wist-ie dat-ie sprak, maar de zin was ’m vreemd.Allesknapte door z’n hersenen—toch praatte hij, verward, snel, onsamenhangend—dingen brauwend die hij niet had willen zeggen, phrases beginnend die hij niet te eindigen wist—zoekend naar ’n slot dat verglipte, kreeglig-verwriemeld in den veeldradigen angstdat-ie zou blijven steken. Zelf hoorde hij klànken—vage klanken, klanken die ratelden, knepperden, klanken die driftig wirwarden om zijn hoofd in ’n benauwenden nevel. Even zweeg-ie. Ze hadden bravo geroepen en geklapt. Klaroen zag-ie knikken en een langbaardige jood, kop als Poddy, schreeuwde: “Gelijk heit-ie”.... Wàt had-ie beweerd? Hij had ’t niet kùnnen herhalen. Maar nou ze bravo-riepen, verhelderde zonderling-vinnig z’n hoofd, zakte de afschuwelijke angst, week de bleuheid van stillen, peinzenden jongen, die nog nooit zoo voor duizenden had gestaan. Bijna werd hij luciede. Z’n stem verscherpte, z’n grijze oogen glansden, z’n dunne bleeke lippen bewogen bits en met nadruk, z’n lichaam leek grooter. De menigte droeg ’m, had ’m te pakken, hitste ’m aan met honderden starende oogen, leefde mee met oneindige melkwitte ademen wier onstuimige damping in de winterlucht vloeide. Ouwe koppen en koppen met baarden, koppen gegroefd, en geelbleeke, ruwe koppen met grijzende snorren, koppen hard en verzieklijkt, waren in luistring, bogen, weken, zwartkantten, schemerden. Een sterke, massale, zware aandacht golfde op hem toe, omwikkelde hem,scheurde de woorden van hartstocht uit zijn keel, wond met machtigen drang de aandoening los, die hij niet meer te zoeken had noch te onderdrukken. En zoo innig was soms de wisselwerking tusschen hem en de massa, de massa van onbekende makkers, dat het hem sprekende toescheen of hij onmeetbaar-lang had gestaan, zij elk woord reeds vóordachten, voorvoelden—hij simpel uitte wat in hen allen gezamenlijk, zonder ééne afwijking of aarzeling omging. Bevende, kleine sneeuwvlokjes dwarrelden neer, stuivend als verschrikte pluisjes in vroeg-zomeravond. Op den rand van een hoed, op een schouder, op een gebogen rug donsden ze zacht, verlegen wittend en smeltend. Het was een teer, onhinderlijk gespeel, een schichtig dolen en wentlen, een timiede gedwaal tusschen de takken, over de hoofden, over het water. Een enkle grooter vlok, sneller en witter van val dreef langs de tent, zuigend op Eleazar’s gebarende hand.....“Toegeven doen we niet, morgen niet—toegeven doen we nòoit! Wat we vandaag willen, willen we morgen. Kameraden—we zijn pas an ’t begin—an ’n begin, an ’nléélijk begin. Kijk om je heen, over de hekken, van ’t Park, kijk over de gracht. We wonen as beesten, we hebben vreugden as beesten, we worden gebruikt as beesten en as beesten vermoord as we ons verzetten”...Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor wie ’m daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-gesloten jongen, sprak-ie in één roes voort: “...As beesten!—Néé, we géven niet toe!—Markus zeit dat ze bij ’m thuis hongerlijjen—dat wèten we, Markus—dat begrijpen we, Markus—we huilen ’r om, Markus—we zouen je willen helpen, Markus—: hebbenwij’t anders?—Krijgen we ’t bèter, as we uiteengaan, as we voortslaven op ’t ouwe loon, op de ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één kans om ’t in de eerste jàren op te halen?—Kameraden, luister niet naar Markus, Levi en Beem! Wààrom zouen we moedeloos zijn, zoolang we màcht hebben. Wìj hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders, wij alleen! Wij hebbende macht, as we staan schouder naast schouder, hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade, oog voor oog, tand om tand, omdat ’r voor òns geen genade is—geen genade, geen rècht!—Eeuwenlang zijn we ’n kudde geweest, ’n getrapte, mishandelde, weerlooze kudde—laten we ’t nou schreeuwen tot mekaar, schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wìj de macht hebben, wij hongerlijjers—as we wìllen”.Het applaus en geroep overdreunden z’n driftige woorden. Dichter drong de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.Van het grimmig luchtpantser naar de zwarte, stevige, harige koppen, plooiden, bewogen, spiraalden, verschoten-weer zacht-witte lijntjes van sneeuw. Het was geen wild dwarrlen noch jagen van vlokken—kinderangstig, spelend, soms schijnbaar stijgend-terug, waaitrilden de stuifjes en pluisjes, even-glanzend in een bruinen volbaard, luw-prikkend stervend op dewarmte van ’n huid, droomrig-meetrillend op het knippend beweeg van een wimper. Eleazar wachtte ontroerd tot ze zwegen, hernam toen met kalmer gebaar, straf-kijkend in het warren der zwarte takken:.... “We zullen lééren te willen, kameraden, leeren te volharden, leeren éénsgezind te blijven. Waarom wonen onze ouders, broers, zusters in krotten waar geen zon schijnt, waar geen plant kan leven? Waarom sterven we zonder licht, lucht, vreugde? Waarom zien onze kinderen ’r ziekelijk uit, worden ze geboren misvormd en mismaakt? Waarom groeien we van onze jeugd tot in ’t graf—in ellenden, ontbering, wanhoop, leed? Waarom staan we hier in de sneeuw te bédelen met schuwe gezichten en benepen harten om ’n verhooging van lóón? Waarom blijven we vervolgden, verschopten, gevloekten, wij die àlles voortbrengen, bewerken?—Kameraden, we zijn gedoemd zoolang we verdeeld zijn, zóodra we verdeeld raken!—We geven nièt toe—Verliezen we ’n éérste staking, dan beginnen we in jaren geen tweede—we móéten! We moeten vooruit, vooruit, vooruit! We willen òns deel van den strijd, dien onze makkers over de hééle wereld met vreugde en opgewektheid strijden—we moeten òns deel van die taak begrijpen, ’r voor vechten, ’r voor aanhouden al striemt ’t bloed van ons lichaam. Wat we vandaag vragen, èischen—is waarachtig geen vraag-van-beteekenis, geen eisch die ’n eind maakt aan den jammer, ’t onrecht, de verdrukking. Dat weten en voelen we. Maar èlke stap is er een, elk voorposten-gevecht telt mee, elke kleine overwinning leert voor de toekomst. Kameraden—denk een voor een an je eigen thuis—an ’t thuis, ’t verdriet, de armoe, ’t ongeluk van je buurman—denk an je eigen wéerloosheid—denk an de mácht van ons allen-tezamen, an de màcht die overwint”...Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend gegrom en geklap op ’m toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend, met armen die plots lomp-willoos slingerden, ’n lichaam ganschelijk onbeholpen van verlegen dronkenschap, ’n gelaat dat zenuwtrok, niet tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige wils-verdwaasdheid ’n plekje om ònopgemerkt te schuilen. Het was of de koortsige bewustheid ’m sullig uit de hersens droop, of-ie gruwelijk-ingespannen’n boek had zitten lezen, zonder overgang in schril morgenlicht keek. De achterhoofd-hoeken tintelden pijnlijk—klopte een kramp-strooming van z’n nek over de steile nekhaartjes—zoog z’n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes dat-ie slècht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an ’t doorslaan was geweest—dat-ie geen woord meer wist—geen wóord.—’n Ander sprak, de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z’n hoofd stond te luistren, bleek en oud, z’n hoofd dat als ’n gedrongen ding, zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde—zag-ie alleen de haren van z’n snor die barstig onder den witten neus wipten.Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrijnde ’n heet-klamme ontevredenheid in ’m op, begonnen z’n handen kleverig te branden, prikkelde ’t vreemd-dor in z’n tong bij ’t denken aan ’t éérst moment van z’n spreken—de hersenleegheid—de volslagen wilde afwezigheid—de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig, drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z’n woorden-van-strakste hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel—waarom kon-ie dan nou niet den eenvoudigen zin van z’n stortvloed formuleeren? Waarom trilde je na? Waarom sprak je tot Juda of Hes of Klaroen géwóon, bedacht, rustig, en kwam ’r als je tot ’n màssa lang-geweten dingen wou zeggen, ’n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in ’n róés... Waarom was je ’t praten tot ’n menigte verleerd, ’t simpel gevoelig praten over absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar kón maken als je stond door allen bekeken? Waarom zei je dan grove, onrustige, plotsling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf, romanphrase-achtig? Toch móést hij er door, voor nu en voor later, als-ie ’n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had... Opgeruimder schudde hij de sneeuwvlokjes van z’n jas. ’t Dee ’r niet toe hóé-die ’t gedaan had. Ongeveer was ’t bereikt. Ja, ’t was ’n verluchting dat-ie ’t dùrfde, dat-ie de dompe,vervalende sfeer van ’t krot waarin-ie leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in ’t volle licht had gestaan om z’n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o, díé schuimende heerlijkheid had-ie bedreven—ze hadden gejuicht—ze hadden begrepen—ze hadden in de handen geklapt om één van d’r ellende-genooten, om één die plóts voor ze was komen te staan. O, o, ’t geluk dat je nou overal, òveral, uit àlle menigten, schuwe mannen zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf ’t pad vonden om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden.... De oude peinzer was in ’m wakker geworden en een zachte blijheid, ’n lieve warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tusschen de menigte liep. Den grauwen hemel zag je niet door ’t wijde gestraal, ’t druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders, sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen, sneeuw om de hoofden.Over de kozijnen, over de goten, over de daken waaide het witte gestuif, klittend tot wallen en rondingen. De huizen schenen te molmen, weg te deinzen zonder omtrek, zonder harde muren, zonder gevels en pijpen. Door de zwarte, mat-starrende ruiten sneden witte sponnen, zacht-soepel wit dat vloeide in ’t geel der kozijnen en spinten. Een enkel spion stak verschrikt ’n veldje van sneeuw in het schuine, gestadig gewirrel en op den hoek van de straat kroop een wigje met spichtige punt langs een raambouw omhoog. Vol leien de tramrails en roosters, week overboog de weg, felwit en breed naar de brug met ’r witzware leuning. Het was een duwend dringen van sneeuw, een vallen, warrlen, bewegen dat de lucht verschemerde, doorduizelde. In het stilwit plantsoen, waar de boomen scherp rezen, diepzwart van stam, de takken omhoog veerden als stalactieten in kalklicht, stoeiden luidschreeuwende kindren. Sneeuwballen ploften en braken, tolden met schimmigen zwaai, patsten dan week in berstende stuiving. Angstig holde een meid, de handen stijf langs ’r hoofd—suisden de ballen haar na, smakkend op ’t roodbruine doekje, deukend in ’t rokkengeraas, bepoedrend denwrong van ’t haar. Greep haar een stevige sjouwer om ’t lijf, smeerde z’n sneeuwprop tot diep in ’r nek, bukte opnieuw en wrong in den gillenden mond ’n klodder die huilend en spuwend ze spoog. Daalde dikker de sneeuw, haastig en smijdig. Onder de voeten nakraakte ze dof, schurend met wrang-zachte wrijving. De koffen in de gracht werden strakwit van dek en tuigage—’t spiegelbeeld klom uit het water in bleekig vlokkengedraaf.Juda, den kraag om de ooren, stapte zwijgend en norsch. Eleazar liep vlug en veerkrachtig. Het stugge geschuier der sneeuw gaf ’m lust om te spreken. De synagoge ging aan. Op de stoep, onder één parapluie stonden Davy en Berlijn van Laboen.“Kijk”, zei Eleazar, minachtend.Berlijn had ’m herkend, trok Davy snel mee. De deur flapte open, doorliet den schijn van veel lichten—de deur flapte dicht.“Was dat nie Davy?”—, vroeg dof-grommend Juda.“Ja”, sprak Eleazar driftig, denkend aan den middag toen de juwelier in ’n wal van agenten vanGolcondanaarAdamaswas geleid.De sneeuw bejoeg met striemende stralen de ruiten der kerk, overheuvelde schuin de kozijnen. Geluwe lampwasem lichtte in ’t groenketsend glas, bleef in stroeve, vervreemde stollingen hangen, bijna teruggeslagen door ’t bleeke, grijs-grauwe druilen van den heengaanden dag. Meerdere joden kwamen ter kerk. Telkens piepte de deur, gaapte de kerkruimte open—geel-wreede lichten en banken-gepuil—knoerste de deur in morrig gesteun van ’r veeren. Herkende Eleazar, Druif, den onderrabijn, dien-ie had zien sjaggeren, broeiend-begeerig, in hetCasino, sjaggeren in blauw-flonkrende diamanten, sjaggeren met dorre grijpvingers, sjàggeren, ’t week-zinlijk gelaat met den ringbaard en den krachtloozen neus achter de vensters.“Druif!”, zei tegelijk Juda en grimmig den jood nakijkend, die in het deurgat verdween, snauwde hij: “die bìdde as wij verrekke—die dùrve bidde!—Dat ’r de bliksem in sloeg!—Wij haast geen vrète door de staking—zij in ’n warreme Schoel—bah! bah!”...“Waarom zoue ze vandaag minder bidde as anders”, antwoordde Eleazar, voortstappend in de sneeuw naar de jodenwijk: “waarom zoueze jùist vandaag méér geweten toone? Geen stàking, wel ’n staking—wie in onze tijd in ’n kerk bidt, bidden kan, slaapt of huichelt. En omdat je d’r goeie trouw wil geloove—ze liege niet allemaal—mot je ze met geduld probeere wàkker te porre. Strakkies, toen ’k in de tent stond en voor ’t éérst van me leven spràk, heb ’k hardop gebeden. ’n Ander gebed ken ’k niemeer”...“Weet jij wàd-’n kerk is”, viel Juda hem in de rede: “’n kerk dat is—dat is ’n drie-dubbel vretende kanker—’n kanker met duizend gezwellen!—Hoe kén ’t bestaan dat onder één dak de dief zit te bidde naast de man die-die daaglijks begapt en beschwindelt?—Hoe ken ’n gód bestaan voor mijn én voor Davy én voor Berlijn én voor Druif?—As Mozes vedaag diamantschlijper was, zoue ze ’m nèt zoo hard uitzuige, kon die zich krom legge met ’n vrouw, ’n zieke dochter en twee kindere as ik!—Nòg, ’n kerk da’s om je d’r onder te hóúen—Waarom speelt zoo’n frotte rebbe geen godverdomme tegen Davy en de andren? ’k Wou dad-’k de poote van Simson had—dan trok ’k ze na de verdommenis”...Hij had zich opgewonden, spuwde giftig in den sneeuwgrond.“Gàmmer”, zei Eleazar: “wìj, onder mekander zalle in ’t gróót doen, wat Simson dee. Wij zijne óok ’n reus met uitgeboorde oogen—en nog niet genóég gesard. Let op: ònze tijd komt. De kerk is ’n onderdeel, de staking ’n onderdeel. De hoofdzaak is—is”—geheimzinnig-kinderlijk lachte hij: “dat de werachtige messias op is gestaan die ons zal verlosse en na Jeruzalem voere”...“Ja”, zei Juda simpel, zonder eenige verklaring te vragen—volkomen begrijpend wàt Eleazar bedoelde—: “hij is ’r—in àl de lande—in àl de lande—’k ben blij dad-k ’r ’n pietsie van beleef”...“Ik ook”, zei Eleazar.Zwijgend, beiden met een bijna weemoedige vreugde dat ze bij allen tegenslag, in alle omstandigheden, verheugenis hervonden door de kracht eener samenwerking, die eenvoudiger, verheffender dan eenige godsdienst de wereld rondging, stapten zij in de sneeuw, de hoofden gebogen tegen het jagend gedwarrel.Als een eerwaardig gevaarte lag de jodenbuurt, indrukwekkend van witte kronkel-alleeën.Ze was nu geheel anders en statig van schoonheid. Straatjes, stegen, sloppen, daken vervloeiden tot ’n gedaantelooze sneeuwromp. Over de modderkeien effende zwaar de sneeuw—sneeuw lei op de karren, op de buigende huifjes. Al ’t gore, vuile, verweerde, verbrokkelde, school achter het wit verkoelend geraas. De ouwe poortjes en bogen stonden bleek en massiever, de kelder-uitbouwen waren als banken in krijtrots gebijteld. Wit, sponzig-wit, wijdden geulen en brokklende dijkjes. Je kon nauwlijks de ruïnen, de stegen en krotten herkennen.Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van-Suikerpeer en Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold, heen en weer, tot-ie ’n reus was geworden, vet en lomp met overal zwarte kinderhandjes er in.“Nou—wat ’n kànjer, sodemerakel!”, schreeuwde ’t manke jogje, pijnlijk de vingers beblazend.“Zou-die niet breke, oome?”, vroeg Saartje, ’t groezelgezichtje rood van het werk.“Ach, bè-je belazerd!”, riep schoenmakers-Jan: “je ken d’r op stáán!”...Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar ’t straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeuw, onder ’t steenen gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante Reggie, die in ’r stoel sliep, den mond hijgend open.
Dat was de dèrde die van toegeven sprak, de derde die ’r ’t beetje moed wou uit trappen. Norsch en verkleumd luisterden de stakers. ’n Uur lang hadden ze in de bevroren modder op Dekker, die niet komen kon, gewacht. ’t Liep mis. Wéer ’n Sjabbes in harde ellende, wéer ’n week zonder vooruitzicht.
Nu dicht saamgedrongen om de tent, de voeten doorweekt, de ruggen gebogen, de koppen in botte luistring, schenen zij eene benauwende wanhoop te ondergaan.
Eleazar, bij Juda, Hes en Klaroen, balde heftig de vuisten. Wat zij voelden, leed-ie mee, dieper misschien. Hoe dikwijls had-ie de sentimenten van een massa, den haat van een massa, den wrok van een massa, de liefde van een massa, de hartstocht van een massa doorleefd. Hoe dikwijls had-ie getracht ’t juichen, grommen,razen, handelen van ’n massa te benaderen, zich moe-gedacht over haar kracht en geweld, haar slaafschheid, angsten en weiflingen. Toch telkens wanneer je zoo stond, schouder aan schouder, lichaam naast lichaam, eigen gedachten-bewegen naast dat van ’n ander, hoofden ontelbaar rondom, dee je niks meer afzonderlijk. Gelijk de adem uit die koppen in de vaal-grauwe winterlucht zoog, de harten klopten, de oogen staarden, de longen wiegden—werd je driftig met de andren, vroolijk met de andren, neerslagtig met de andren. ’n Massa kon moorden, verwoesten, aanbidden, vervloeken, martlen, vervolgen en je gaf jezelf over even volkomen als vroegere individuen ’t in vroegere massa’s hadden gedaan. Je gilde gezamenlijk als ’n kind te water lag, je krijschte als ’t dreigde te zinken—je schreeuwde mekaar toe als ’t gered werd.—Zoo ging ’t in alles. De massa fantaseerde ’n god, de massa leek onsterfelijk. De massa’s groepeerden zich, botsten, tyraniseerden, lieten zich knechten. De massa had ’n vreemde, groote, kinderlijke, eerlijke ziel en ’n kleine, hardvochtige. Ze was ’n onbereikbaar reuzenlichaam, dat eeuwenlang met ’n verschrompeld verstand tegen zichzelf hadgebeukt, lomp als ’n jonge hond, nu wakker scheen te geraken—schéén—’t duurde zoo sarrend, grùwelijk lang. In ’n massa voelde je je stem grover, je lichaam zwaarder, je spieren sterker, je wil veerkrachtiger, je hoofd ruimer. Maar ook kon ’n massa je laf maken, krankzinnig-bevreesd, melankoliek of wanhopig.
Vandaag wàren ze desperaat. De egaalzwart-kille sneeuwlucht lei zwaar op de daken, zonder eenige bulting, zonder diepte van licht. Nergens zag je ’n wolkje—overal vlakte een roerloos vuil, dat naar de huizen-over-de-gracht tot klittend goor-bruin ver-dikte, alsof daar ’n keel stond te gurglen en ’n strottenhoofd angstwalmen hijgde. De gracht, met de vele modder-riolen, glaasde in strak-harden stilstand, staalgrauw weerkaatsend den hemel tusschen ’r steil-groeiende wanden—strekten de boomen hun zwarte, knuistige takken—werd je haast bang dat de grijze lawine zou storten en allereerst breken ’t dor-oude hout, de stug-brooze takken. Doch niet alleen dit drukte de massa. Gehokt om de tent, de plompe schoenen op de knobbels van doortrapte en weerbevroren modder, de voeten koud en in nat gezogen, de lichamen sluiprig-bekropen door de klam-weëe kilheid der lucht, die de huid onder de kleeren als met natte handen betastte, de naakte ruggen langs huiverde, de borsten met rillingen overgleed, de onderste nekhaartjes dee steken, zachtjens kwellend alsof ze haakten aan den plots hard-aanwrijvenden rand van het hemd—zoo ongeveer voelde Eleazar, kort en scherp, de lichamelijke sensatie der menigte—zoo móést ’t wel zijn. O, op een zomerschen dag, bij hel-fleurend groen en wolkjes met zilverkartlingen, op een lentedag-van-enkel-jeugd-siddering, zouen ze niet zwak en ontzenuwd hebben gestaan, zouen ze niet dulden ’t lange gepraat van een paar angstigen, misnoegden, moedeloozen. Sentimentaliteit weekte in ’m op. De pupillen van z’n oogen spanden in zenuw-opwinding. En voor ’t eerst van zijn leven, zonder nadenken, bizar gedreven door eene macht, een geweld, eene ontroering die z’n gelaat verbleekten, z’n stem schel deden klinken, vroeg hij het woord, terwijl ’t applaus nog na-rommelde, schoof door de wijkende stakers, beklom duizlig en lichtschuw de treedjes naar de tent. Zoo nerveus was zijn bewegendat-ie even struikelde, de knie pijnlijk stiet—klemden z’n handen ijskoud, gevoelloos, vreemdelijk-wringend om de opperste lat der balustrade, keek-ie doodsbleek, de oogen vaal-blauw omwald naar de geweldige, plotsling dierlijk-beangstigende koppenmenigte. Ben oogenblik meende hij te zullen stikken, hijgde hij bevend, persten z’n nagels in ’t hout. De hoeden, de gele koppen, de grijze takken, het hekwerk, de keien schimden door z’n bloedleeg hoofd. Schor-droog ademend zei hij: “Kameraden”..., stokte, pogend te slikken. Er ging een angstkramp in z’n hersenen, het zweet bebeet spichtig z’n slapen. Starend, zonder geheugen, de versteende handen om de balustrade, de versteende voeten in de wijder-lijkende schoenen, doorgierde hem de razende, rauw-krijschende angst dat-ie gèk werd. De tram ree door de bocht, nevelde dwazig voorbij. Hij hoorde de bel, de bel van geel-koper, de peervormige gèle bel met het zwabberend leer. Tegen een boom, den poot hoog-getrokken, pieste een groote roodharige hond. Dien zag-ie—hij zàg ’t ruige lijf, den gewipten poot, den staart, de witte ademhijgingen... Hij zàg de pies in de modder-aarde spetteren. Hij zàg—en een opgutsende, knarsend-gillende wanhoopbonsde in zijn leege hersenkas—dat-ie gèk werd—dat z’m gek zouen zièn worden—dat ze àllemaal wezenloos mee zouen kijken naar den piesenden hond, die zoo oneindig redeloos-lang pieste... Maar de stakers die ’m wit en onbeweeglijk-zwijgend zagen staan, meenden dat-ie wachtte op stilte. Er was een napratend gemompel en voeten beknarsten de bevroren modder.
Juda, ongeduldig, ook met ’n wrok om ’t laffe geweifel nou Dekker ’r niet was, schreeuwde kwaadaardig, stem die domp knoerste: “Smoel houen!—Hou dan je bekken!”... en een magere, beenige jood àchter de tent, meenend dat Eleazar al sprak, riep nijdig: “Hààààrder!”...
Het zwiepte ’m wakker. “Kameraden,” zei hij nog eens. De woorden stamelden z’n mond uit, kurkachtig-droog, z’n lippen trilden, z’n tong bewoog moeilijk, kromp stug naar de keel. Nou wist-ie dat-ie sprak, maar de zin was ’m vreemd.Allesknapte door z’n hersenen—toch praatte hij, verward, snel, onsamenhangend—dingen brauwend die hij niet had willen zeggen, phrases beginnend die hij niet te eindigen wist—zoekend naar ’n slot dat verglipte, kreeglig-verwriemeld in den veeldradigen angstdat-ie zou blijven steken. Zelf hoorde hij klànken—vage klanken, klanken die ratelden, knepperden, klanken die driftig wirwarden om zijn hoofd in ’n benauwenden nevel. Even zweeg-ie. Ze hadden bravo geroepen en geklapt. Klaroen zag-ie knikken en een langbaardige jood, kop als Poddy, schreeuwde: “Gelijk heit-ie”.... Wàt had-ie beweerd? Hij had ’t niet kùnnen herhalen. Maar nou ze bravo-riepen, verhelderde zonderling-vinnig z’n hoofd, zakte de afschuwelijke angst, week de bleuheid van stillen, peinzenden jongen, die nog nooit zoo voor duizenden had gestaan. Bijna werd hij luciede. Z’n stem verscherpte, z’n grijze oogen glansden, z’n dunne bleeke lippen bewogen bits en met nadruk, z’n lichaam leek grooter. De menigte droeg ’m, had ’m te pakken, hitste ’m aan met honderden starende oogen, leefde mee met oneindige melkwitte ademen wier onstuimige damping in de winterlucht vloeide. Ouwe koppen en koppen met baarden, koppen gegroefd, en geelbleeke, ruwe koppen met grijzende snorren, koppen hard en verzieklijkt, waren in luistring, bogen, weken, zwartkantten, schemerden. Een sterke, massale, zware aandacht golfde op hem toe, omwikkelde hem,scheurde de woorden van hartstocht uit zijn keel, wond met machtigen drang de aandoening los, die hij niet meer te zoeken had noch te onderdrukken. En zoo innig was soms de wisselwerking tusschen hem en de massa, de massa van onbekende makkers, dat het hem sprekende toescheen of hij onmeetbaar-lang had gestaan, zij elk woord reeds vóordachten, voorvoelden—hij simpel uitte wat in hen allen gezamenlijk, zonder ééne afwijking of aarzeling omging. Bevende, kleine sneeuwvlokjes dwarrelden neer, stuivend als verschrikte pluisjes in vroeg-zomeravond. Op den rand van een hoed, op een schouder, op een gebogen rug donsden ze zacht, verlegen wittend en smeltend. Het was een teer, onhinderlijk gespeel, een schichtig dolen en wentlen, een timiede gedwaal tusschen de takken, over de hoofden, over het water. Een enkle grooter vlok, sneller en witter van val dreef langs de tent, zuigend op Eleazar’s gebarende hand.
....“Toegeven doen we niet, morgen niet—toegeven doen we nòoit! Wat we vandaag willen, willen we morgen. Kameraden—we zijn pas an ’t begin—an ’n begin, an ’nléélijk begin. Kijk om je heen, over de hekken, van ’t Park, kijk over de gracht. We wonen as beesten, we hebben vreugden as beesten, we worden gebruikt as beesten en as beesten vermoord as we ons verzetten”...
Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor wie ’m daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-gesloten jongen, sprak-ie in één roes voort: “...As beesten!—Néé, we géven niet toe!—Markus zeit dat ze bij ’m thuis hongerlijjen—dat wèten we, Markus—dat begrijpen we, Markus—we huilen ’r om, Markus—we zouen je willen helpen, Markus—: hebbenwij’t anders?—Krijgen we ’t bèter, as we uiteengaan, as we voortslaven op ’t ouwe loon, op de ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één kans om ’t in de eerste jàren op te halen?—Kameraden, luister niet naar Markus, Levi en Beem! Wààrom zouen we moedeloos zijn, zoolang we màcht hebben. Wìj hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders, wij alleen! Wij hebbende macht, as we staan schouder naast schouder, hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade, oog voor oog, tand om tand, omdat ’r voor òns geen genade is—geen genade, geen rècht!—Eeuwenlang zijn we ’n kudde geweest, ’n getrapte, mishandelde, weerlooze kudde—laten we ’t nou schreeuwen tot mekaar, schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wìj de macht hebben, wij hongerlijjers—as we wìllen”.
Het applaus en geroep overdreunden z’n driftige woorden. Dichter drong de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.
Van het grimmig luchtpantser naar de zwarte, stevige, harige koppen, plooiden, bewogen, spiraalden, verschoten-weer zacht-witte lijntjes van sneeuw. Het was geen wild dwarrlen noch jagen van vlokken—kinderangstig, spelend, soms schijnbaar stijgend-terug, waaitrilden de stuifjes en pluisjes, even-glanzend in een bruinen volbaard, luw-prikkend stervend op dewarmte van ’n huid, droomrig-meetrillend op het knippend beweeg van een wimper. Eleazar wachtte ontroerd tot ze zwegen, hernam toen met kalmer gebaar, straf-kijkend in het warren der zwarte takken:.... “We zullen lééren te willen, kameraden, leeren te volharden, leeren éénsgezind te blijven. Waarom wonen onze ouders, broers, zusters in krotten waar geen zon schijnt, waar geen plant kan leven? Waarom sterven we zonder licht, lucht, vreugde? Waarom zien onze kinderen ’r ziekelijk uit, worden ze geboren misvormd en mismaakt? Waarom groeien we van onze jeugd tot in ’t graf—in ellenden, ontbering, wanhoop, leed? Waarom staan we hier in de sneeuw te bédelen met schuwe gezichten en benepen harten om ’n verhooging van lóón? Waarom blijven we vervolgden, verschopten, gevloekten, wij die àlles voortbrengen, bewerken?—Kameraden, we zijn gedoemd zoolang we verdeeld zijn, zóodra we verdeeld raken!—We geven nièt toe—Verliezen we ’n éérste staking, dan beginnen we in jaren geen tweede—we móéten! We moeten vooruit, vooruit, vooruit! We willen òns deel van den strijd, dien onze makkers over de hééle wereld met vreugde en opgewektheid strijden—we moeten òns deel van die taak begrijpen, ’r voor vechten, ’r voor aanhouden al striemt ’t bloed van ons lichaam. Wat we vandaag vragen, èischen—is waarachtig geen vraag-van-beteekenis, geen eisch die ’n eind maakt aan den jammer, ’t onrecht, de verdrukking. Dat weten en voelen we. Maar èlke stap is er een, elk voorposten-gevecht telt mee, elke kleine overwinning leert voor de toekomst. Kameraden—denk een voor een an je eigen thuis—an ’t thuis, ’t verdriet, de armoe, ’t ongeluk van je buurman—denk an je eigen wéerloosheid—denk an de mácht van ons allen-tezamen, an de màcht die overwint”...
Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend gegrom en geklap op ’m toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend, met armen die plots lomp-willoos slingerden, ’n lichaam ganschelijk onbeholpen van verlegen dronkenschap, ’n gelaat dat zenuwtrok, niet tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige wils-verdwaasdheid ’n plekje om ònopgemerkt te schuilen. Het was of de koortsige bewustheid ’m sullig uit de hersens droop, of-ie gruwelijk-ingespannen’n boek had zitten lezen, zonder overgang in schril morgenlicht keek. De achterhoofd-hoeken tintelden pijnlijk—klopte een kramp-strooming van z’n nek over de steile nekhaartjes—zoog z’n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes dat-ie slècht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an ’t doorslaan was geweest—dat-ie geen woord meer wist—geen wóord.—’n Ander sprak, de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z’n hoofd stond te luistren, bleek en oud, z’n hoofd dat als ’n gedrongen ding, zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde—zag-ie alleen de haren van z’n snor die barstig onder den witten neus wipten.
Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrijnde ’n heet-klamme ontevredenheid in ’m op, begonnen z’n handen kleverig te branden, prikkelde ’t vreemd-dor in z’n tong bij ’t denken aan ’t éérst moment van z’n spreken—de hersenleegheid—de volslagen wilde afwezigheid—de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig, drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z’n woorden-van-strakste hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel—waarom kon-ie dan nou niet den eenvoudigen zin van z’n stortvloed formuleeren? Waarom trilde je na? Waarom sprak je tot Juda of Hes of Klaroen géwóon, bedacht, rustig, en kwam ’r als je tot ’n màssa lang-geweten dingen wou zeggen, ’n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in ’n róés... Waarom was je ’t praten tot ’n menigte verleerd, ’t simpel gevoelig praten over absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar kón maken als je stond door allen bekeken? Waarom zei je dan grove, onrustige, plotsling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf, romanphrase-achtig? Toch móést hij er door, voor nu en voor later, als-ie ’n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had... Opgeruimder schudde hij de sneeuwvlokjes van z’n jas. ’t Dee ’r niet toe hóé-die ’t gedaan had. Ongeveer was ’t bereikt. Ja, ’t was ’n verluchting dat-ie ’t dùrfde, dat-ie de dompe,vervalende sfeer van ’t krot waarin-ie leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in ’t volle licht had gestaan om z’n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o, díé schuimende heerlijkheid had-ie bedreven—ze hadden gejuicht—ze hadden begrepen—ze hadden in de handen geklapt om één van d’r ellende-genooten, om één die plóts voor ze was komen te staan. O, o, ’t geluk dat je nou overal, òveral, uit àlle menigten, schuwe mannen zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf ’t pad vonden om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden.... De oude peinzer was in ’m wakker geworden en een zachte blijheid, ’n lieve warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.
Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tusschen de menigte liep. Den grauwen hemel zag je niet door ’t wijde gestraal, ’t druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders, sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen, sneeuw om de hoofden.Over de kozijnen, over de goten, over de daken waaide het witte gestuif, klittend tot wallen en rondingen. De huizen schenen te molmen, weg te deinzen zonder omtrek, zonder harde muren, zonder gevels en pijpen. Door de zwarte, mat-starrende ruiten sneden witte sponnen, zacht-soepel wit dat vloeide in ’t geel der kozijnen en spinten. Een enkel spion stak verschrikt ’n veldje van sneeuw in het schuine, gestadig gewirrel en op den hoek van de straat kroop een wigje met spichtige punt langs een raambouw omhoog. Vol leien de tramrails en roosters, week overboog de weg, felwit en breed naar de brug met ’r witzware leuning. Het was een duwend dringen van sneeuw, een vallen, warrlen, bewegen dat de lucht verschemerde, doorduizelde. In het stilwit plantsoen, waar de boomen scherp rezen, diepzwart van stam, de takken omhoog veerden als stalactieten in kalklicht, stoeiden luidschreeuwende kindren. Sneeuwballen ploften en braken, tolden met schimmigen zwaai, patsten dan week in berstende stuiving. Angstig holde een meid, de handen stijf langs ’r hoofd—suisden de ballen haar na, smakkend op ’t roodbruine doekje, deukend in ’t rokkengeraas, bepoedrend denwrong van ’t haar. Greep haar een stevige sjouwer om ’t lijf, smeerde z’n sneeuwprop tot diep in ’r nek, bukte opnieuw en wrong in den gillenden mond ’n klodder die huilend en spuwend ze spoog. Daalde dikker de sneeuw, haastig en smijdig. Onder de voeten nakraakte ze dof, schurend met wrang-zachte wrijving. De koffen in de gracht werden strakwit van dek en tuigage—’t spiegelbeeld klom uit het water in bleekig vlokkengedraaf.
Juda, den kraag om de ooren, stapte zwijgend en norsch. Eleazar liep vlug en veerkrachtig. Het stugge geschuier der sneeuw gaf ’m lust om te spreken. De synagoge ging aan. Op de stoep, onder één parapluie stonden Davy en Berlijn van Laboen.
“Kijk”, zei Eleazar, minachtend.
Berlijn had ’m herkend, trok Davy snel mee. De deur flapte open, doorliet den schijn van veel lichten—de deur flapte dicht.
“Was dat nie Davy?”—, vroeg dof-grommend Juda.
“Ja”, sprak Eleazar driftig, denkend aan den middag toen de juwelier in ’n wal van agenten vanGolcondanaarAdamaswas geleid.
De sneeuw bejoeg met striemende stralen de ruiten der kerk, overheuvelde schuin de kozijnen. Geluwe lampwasem lichtte in ’t groenketsend glas, bleef in stroeve, vervreemde stollingen hangen, bijna teruggeslagen door ’t bleeke, grijs-grauwe druilen van den heengaanden dag. Meerdere joden kwamen ter kerk. Telkens piepte de deur, gaapte de kerkruimte open—geel-wreede lichten en banken-gepuil—knoerste de deur in morrig gesteun van ’r veeren. Herkende Eleazar, Druif, den onderrabijn, dien-ie had zien sjaggeren, broeiend-begeerig, in hetCasino, sjaggeren in blauw-flonkrende diamanten, sjaggeren met dorre grijpvingers, sjàggeren, ’t week-zinlijk gelaat met den ringbaard en den krachtloozen neus achter de vensters.
“Druif!”, zei tegelijk Juda en grimmig den jood nakijkend, die in het deurgat verdween, snauwde hij: “die bìdde as wij verrekke—die dùrve bidde!—Dat ’r de bliksem in sloeg!—Wij haast geen vrète door de staking—zij in ’n warreme Schoel—bah! bah!”...
“Waarom zoue ze vandaag minder bidde as anders”, antwoordde Eleazar, voortstappend in de sneeuw naar de jodenwijk: “waarom zoueze jùist vandaag méér geweten toone? Geen stàking, wel ’n staking—wie in onze tijd in ’n kerk bidt, bidden kan, slaapt of huichelt. En omdat je d’r goeie trouw wil geloove—ze liege niet allemaal—mot je ze met geduld probeere wàkker te porre. Strakkies, toen ’k in de tent stond en voor ’t éérst van me leven spràk, heb ’k hardop gebeden. ’n Ander gebed ken ’k niemeer”...
“Weet jij wàd-’n kerk is”, viel Juda hem in de rede: “’n kerk dat is—dat is ’n drie-dubbel vretende kanker—’n kanker met duizend gezwellen!—Hoe kén ’t bestaan dat onder één dak de dief zit te bidde naast de man die-die daaglijks begapt en beschwindelt?—Hoe ken ’n gód bestaan voor mijn én voor Davy én voor Berlijn én voor Druif?—As Mozes vedaag diamantschlijper was, zoue ze ’m nèt zoo hard uitzuige, kon die zich krom legge met ’n vrouw, ’n zieke dochter en twee kindere as ik!—Nòg, ’n kerk da’s om je d’r onder te hóúen—Waarom speelt zoo’n frotte rebbe geen godverdomme tegen Davy en de andren? ’k Wou dad-’k de poote van Simson had—dan trok ’k ze na de verdommenis”...
Hij had zich opgewonden, spuwde giftig in den sneeuwgrond.
“Gàmmer”, zei Eleazar: “wìj, onder mekander zalle in ’t gróót doen, wat Simson dee. Wij zijne óok ’n reus met uitgeboorde oogen—en nog niet genóég gesard. Let op: ònze tijd komt. De kerk is ’n onderdeel, de staking ’n onderdeel. De hoofdzaak is—is”—geheimzinnig-kinderlijk lachte hij: “dat de werachtige messias op is gestaan die ons zal verlosse en na Jeruzalem voere”...
“Ja”, zei Juda simpel, zonder eenige verklaring te vragen—volkomen begrijpend wàt Eleazar bedoelde—: “hij is ’r—in àl de lande—in àl de lande—’k ben blij dad-k ’r ’n pietsie van beleef”...
“Ik ook”, zei Eleazar.
Zwijgend, beiden met een bijna weemoedige vreugde dat ze bij allen tegenslag, in alle omstandigheden, verheugenis hervonden door de kracht eener samenwerking, die eenvoudiger, verheffender dan eenige godsdienst de wereld rondging, stapten zij in de sneeuw, de hoofden gebogen tegen het jagend gedwarrel.
Als een eerwaardig gevaarte lag de jodenbuurt, indrukwekkend van witte kronkel-alleeën.Ze was nu geheel anders en statig van schoonheid. Straatjes, stegen, sloppen, daken vervloeiden tot ’n gedaantelooze sneeuwromp. Over de modderkeien effende zwaar de sneeuw—sneeuw lei op de karren, op de buigende huifjes. Al ’t gore, vuile, verweerde, verbrokkelde, school achter het wit verkoelend geraas. De ouwe poortjes en bogen stonden bleek en massiever, de kelder-uitbouwen waren als banken in krijtrots gebijteld. Wit, sponzig-wit, wijdden geulen en brokklende dijkjes. Je kon nauwlijks de ruïnen, de stegen en krotten herkennen.
Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van-Suikerpeer en Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold, heen en weer, tot-ie ’n reus was geworden, vet en lomp met overal zwarte kinderhandjes er in.
“Nou—wat ’n kànjer, sodemerakel!”, schreeuwde ’t manke jogje, pijnlijk de vingers beblazend.
“Zou-die niet breke, oome?”, vroeg Saartje, ’t groezelgezichtje rood van het werk.
“Ach, bè-je belazerd!”, riep schoenmakers-Jan: “je ken d’r op stáán!”...
Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar ’t straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeuw, onder ’t steenen gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante Reggie, die in ’r stoel sliep, den mond hijgend open.
XIII.Wrokkend liep-ie den Amstel langs, de tintel-kouwe vingers in de lauwte der broekzakken. De sneeuw klukte onder z’n voeten—z’n adem stoof in ploffend gedamp. ’t Was ’n belabberde nacht, ’n verbijsterende morgen geweest. Toen-ie Reggie wel-te-rusten wenschte, had-ie moeite niet in snikken uit te barsten. Ze zat in de onverwarmde kamer, bij de uitgaande lamp—had niks gegeten dan ’s mòrgens ’n homp brood, ’t laatste dat de bakker borgde—an alles kwam ’n end—nog meer poffe dee-die niet.“Wel te ruste”, had-ie benepen-hijgend gezegd.“Dag jònge—slaap lekker,” had ze geantwoord, de handen, vredig-van-wrijf in den schoot.Toen had-ie de deur achter zich gesloten,even op de binnenplaats staan zinnen, vinnig, triestig en mal. De terging, de vervloekenis, dat ’n blinde niet te vrèten had! Den knop hield-ie in de hand, alsof-ie iets beestigs beging met zóó heen te gaan. En over-gevoelig, gek, niet na-denkend—as je ’n heelen dag had gevast, kreeg je van die helle, waanzinnige oogenblikken, waarin je onstuimige dingen dee, dingen van plotslinge drift en zenuwspanning-op-huilen-af—had-ie de deur weer geopend, was hijgend op ’r toegestapt om ’r dorre handen nog eens en nòg eens te zoenen.“Wat is dat—wat is dat, Eli—nar van ’n jònge?”—, had ze gevraagd.De tanden had-ie in ’t lippenvleesch gegrimd, om ’t niet sentimenteel uit te gillen—toen had-ie hokkend, hoog-van-stem gezegd dat-ie dacht, dat ze—dat z’m geroepen had, nà-geroepen.“Nee”, zei ze, verwonderd-ongeloovig, niet begrijpend, waarom-ie dàt ineens had gedaan.“Mòrge zal ’k zorge dat ’r eten in huis is”, zei-ie onrustig, opgehitst door ’t verwijt van ’r zwijgen.“Da’s goed”, knikte ze: “en anders houe we maar jonkippoer, wàdde? Voor mijn is ’t ’tminste—maar de kindere—de kindere is ’n zòrreg”...“Ja”, had-ie gezegd, weer naar de deur gaand: “zal ’k de lamp uitblaze?”“Nee, nee, jònge. ’k Blijf op Dovid wachte—’k Begrijp nie waar Dovid zit, waar Dovid uithangt. Nou zie-je, nou zie je dad-ie rècht had, toen-die wèrke wou”... Dan merkend an de stilte dat-ie ’r nòg geen gelijk gaf, viel ze snel in: “’k maak ’r jou geen verwijt van, nie tot over ’t end van me jore—jij heb ’n goed hart—en jij bin geen kind, maar ’k zeg enkel maar: nou zie je—nou ziè je—wàdde?—Je ken de wereld nie overeind zette—dat doet God zellef as-die ’t wil—wadde?”Aldoor terwijl ze sprak, had-ie in de vlam van de lamp staan kijken, die kleiner werd, rood-peuterend kringde. En toen ze zweeg, had ze de sputterinkjes gehoord, flauw-glimlachend gevraagd of-ie ’r toch maar wou uitblazen—voor de stank en de walm. In de stilte der kamer was de lamp aan de piepende kettingen gezakt, had z’n adem geploft. En samen in ’t duister, hadden ze nagepraat, tot buiten de klok elf dompige slagen gaf.Boven, in z’n kamertje, had-ie getracht ’t venster te openen, rukkend en wringend, de vingers bezeerend. ’t Raamhout was aan het kozijn vastgevroren, de ruiten kartel-glanzend bebloemd, weerden ’t uitzicht op de daken. Hij stikte. Buiten leien vaarten en grachten sinds dagen dicht, buiten werd schaats gerejen, buiten woei ’n felle oostenwind bij aangroeiende maan—hij had ’t benauwd—hij had moeite adem te happen—hij voelde zich gejaagd en róód-wakker en schel-van-denken, als-ie als kind zoo dikwijls bij plots aanluwend voorjaar geweest was. Z’n schoenen uittrappend was-ie op ’t bed gaan liggen, zonder dek, kijkend naar het gevlam op de ruiten, de zilver-schubbige varens en zwammen, de biesjes en splijtende trossen, die scherpten in ’t maanlicht. Het beeld van de blinde vrouw, benejen in ’t donker, stond in z’n hoofd gebeitst—’t gewrijf van ’r handen—’r glimlach—’r vrede. Sterk-snuivend, de oogen gespannen, de tanden geklemd dat de kaken ’m pijn deëen, bèdàcht-ie. Alles kon, alles mocht, dàt niet. ’n Blinde met honger, ’n blinde die dezelfde maag-krimping voelde als hij nóu, was wel ’t liederlijkstdat je je voorstellen kon. Z’n kleeren had-ie verkocht, z’n boeken, z’n sjofel hebben en houen—z’n horloge stond in den lommerd—al leie z’m op de pijnbank, hij wist geen dubbeltje uit den grond te stampen. Wat nou? Wat? Wat? Suikerpeer had zelf niet te eten, zou morgen probeeren met sneeuw-opruimen of bijten-hakken wat te verdienen—Poddy lei ziek, doodziek, met zulke aanvallen van koorts en ijling dat Rebecca ’m tweemaal ’s nachts had gewekt—tante Soor, tante Soor—’t was om te gillen van ’t lachen, as je je hulp overkeek—je hùlp!—Nou liep ’t voor ’t eerst héélemaal spaak. ’t Beloofde ’n afschuwelijken dag—kinderen, ’n hulpelooze voor wie geen kruimel brood, geen turf, geen olie in huis was. ’s Middags was-ie rond gegaan, zoekend ’n karwei, ’t eerste ’t beste, verlegen aanschellend hier en daar of-ie ’t ijs van ’n stoep mocht krabben. Overal had-ie bot gevangen. De bouwvakken stonden stil. Duizenden waren werkeloos, grondwerkers, metselaars, opperlieden—’r was pas dien morgen ’n optocht, ’n honger-optocht van armoedige, genekte kerels geweest en de taaie staking van de diamantslijpers, luie bliksems die werk kondenkrijgen, as ze d’r driestheid van èischen-stellen lieten varen, zette ’n dubbelen wrok. Wat mòrgen? De bevroren ruiten met ’r krinklend gevlam van manelichte-bloesems, ’r sneeuwwitte kelken, bessen, lovers en stekels, brandden in z’n oogen. Nou lag-ie sullig en slap als duizenden rondom. God, god, as-ie opstond, ’n paar straten doorliep, kwam-ie op pleinen waar ze in lekker-warme café’s zaten, kwam-ie bij huizen waar ze met giften en fooien wanhopigen susten. ’t Dek over z’n koud-geworden voeten trekkend, de oogen in gemarteldheid sluitend, had-ie de gekste invallen gehad, misdaden liggen uitpluizen, die-die wist dat-ie nièt zou begaan. Maar ’t was slaap-knufflend en lollig gemeene dingen uit te spinnen, dingen van sluwen diefstal—dat ze je niks konde lappe en je geld bij de vleet kreeg. In z’n gehitste wakkerheid, onrustig, de geluiden van ’t huis beluisterend, ’t hoesten van Poddy, ’t schreeuwen van Bekkie bij Suikerpeer, had-ie ’r plezier in gekregen de detective-verhalen te overdenken, die-die in Amerika had gelezen. As-ie ’t dee met ’n zakkie peper, of met ’n ploertendooier erges op ’n stille gracht—of loerde bij Wolf, ’t pandjeshuis, waarvan Saartje’m had verteld, tot de vrouw of de dochter alléén was, of ’n ruit indrukte van ’n effectenkantoor, of ’s nachts bij rijke menschen—en ’n pond groene zeep meenam voor ’t vallen van de glasscherven. Woelend, dwaas van scherpzinnigheid, had-ie bijzonderheden liggen wikken, hoe-ie ’n pet zou opzetten, die nog niemand van ’m gezien had en z’n jas met de voering naar buiten dragen voor ’t signalement, en ’n groote hoop leggen in de kamer en de klok stil zetten, dat ze naar beroepsmisdadigers zouen zoeken. Toen daarover moeilijk doordenkend, log van murmureeren alsof ’n snikkend-warm ding in z’n middenhoofd wroette, tobde-die hoe ’t kòn, hóé ze ’t deëen de èchte misdadigers, de roovers-van-ras. Slaap-soezend, half in droom, zou-ie nog—want om ’n grooten hoop te doen—most-je—most-je—’t kennen—en datte ging maar niet as je ’t wóu—zoo maar eén-twee-drie—as je geen trek had—al leien ’r tonnen in de brandkast. Poddy, benee, had ’m wakker gehoest, met ’t reutelgeluid als van ’n huil-blaffenden hond. Misschien had-ie geslapen, misschien niet—hoe laat ’t was, kon-ie niet gissen. Even stutte-die op de elbogen, luistrendnaar Rebecca’s stem, ’t rogglen, ’t vloeken, wou-die opstaan om te helpen. De geluiden dempten in nacht-zwijgenis—ver, ver weg, tinkelde ’t carillon van ’n klok, en ’n muis, ’n muis die-die kende, die-die wel had zien loopen, knaagde achter ’t behang. ’t Hoofd in ’t kussen borend, om den slaap te vatten, had-ie gepoogd an wat ànders, ànders te denken, had-ie nijdig tegen ’t behang geklopt om de muis die ’m wakker hield, te verjagen. Maar ’t getob was-ie niet kwijt geraakt. ’t Maanlicht had-ie zien heenbleeken, ’t ochtendscheemren aangrauwen, achter de straffe, kristalwitte ijsbloemen. Vroeg-opgestaan, korzelig, vermoeid, had-ie zich niet kunnen wasschen. ’t Water in de kan was bevroren—de droogdoek stramde in plooien, stijf en weerbarstig. Hoofdpijnachtig, met lust om ruzie te zoeken, was-ie de poort uit gegaan, zonder bij Reggie binnen te loopen. Met leege handen dee-je niks. En hij had gisteravond beloofd, beloofd, gek as-ie was, om te belooven wat je toch niet kon nakomen. Na-suffend over z’n gemurmureer, z’n hersenloos zaniken van inbraak en moord, gromde-die kwaadaardig en wrevelig. De stomheid om over boeken-misdaad te zeuren, as jevoor de werkelijkheid van ’n brood voor ’n blinde en kinderen stond.Eerst was-ie angeloopen bij ’t sneeuw-bureau van de stad, waar honderden drongen, vijandig kijkend naar wie door de queue probeerde te sliepen. Suikerpeer groette. Die was leeper geweest en al om vier uur van huis gegaan, ’n Half uur wachtte-die, verkleumd, trappelend, huilerig van ellende—toen kon-ie inrukken. Alleen de voorste werden genomen. De rest was niet noodig. Mee-sjokkend met ’n paar ouwe stumpers, die in ’n toevluchtsoord sliepen, die teminste ’n kop warme koffie hadden geslikt, had-ie langs de ijsbanen gedrenteld, waar al vroeg de vlaggen vroolijkten, en metselaars, timmerlieden, diamantslijpers, de sneeuwbeddingen veegden. Elke gracht, elk water had z’n banen met hunkrende hongerlijders. Onder de bruggen hakten ze ’t ijs, om vlonders te leggen en centen te bedelen. Stoelen werden aangedragen en schaatsen om te verhuren. Overal was ’t ’n haasten om de ouwe plaatsen in te nemen, overal keken ze den bleeken, jongen jood en de verdane kerels van ’t toevluchtsoord weg. Toen waren ze weer aan ’t aanschellen gegaan, door deurkierenvragend of ze stoepen mochten schoonmaken, asch strooien, bijten hakken. De menschen sliepen nog, de dienstmeiden zeien nee. En zoo, in den star-heldren wintermorgen,op van kou, grimmig van wrok, was-ie alleen verder gegaan, de zwaar-trekkende karrepaarden langs, de zwiepende bezems ontwijkend van de mannen die voor de stadsreiniging werkten. Eén ding had-ie nou nog, ’n màl ding dat ’m in was gevallen, ’n ding waarvan-ie gehoord had. Als ’t ijs-pantser over ’t water lag, kregen de visschen ’t benauwd, mosten ze lucht hebben of stikten en dreven dood naar de bijten. Als-ie den Amstel afliep, de groote banen voorbij, had-ie kans en al most-ie den heelen dag wachten, wat boven kwam was ’n uitkomst, ’n maaltijd. Voortstappend, zonder gedachten—in ’n lichaam dat vier en twintig uur geen voedsel gehad had, waren geen werkende hersenen meer—zag-ie de verlevendiging van ’t water met z’n tenten, planken, zigzaggende rijders. De boomen, norsch en zwart, droegen malsch-witte reepen, bogen soms in den wind, met stuiving van sneeuw. Waar de tramrails sneden, had pekel de keien gebruind, vloeiden plassen met bulten en builen.Klukkend persten z’n schoenen, bleek-dampend berstte z’n adem. Nergens zag-ie ’n bijt. Sneeuw en ijs hadden de gaten verstopt. Stilstaand, grienerig van woede, verkleumdheid, wou-ie terugkeeren, in bed warmte gaan zoeken, toen ’n schelle jongensstem ’m riep.“Dàààg Eli!”Omkijkend herkende-die manken Jan-van-den-schoenmaker.“Gedoomes fijn, hè!”, schreeuwde ’t jogje: “jeezes-mierande wat leit ’t dicht! As ’k geen manke poot had gong ’k rijje! Ga jij d’r mee op?”“Nee”, zei Eleazar: “’t is hier koud genoeg!”“Hù!”, schimpte de rakker: “dat zeg-ie maar—asof ’k nie-weet da-je nie durreft as d’r geen balke onder legge”.Hij zei ’t zoo kinderdriest, dat Eleazar in den lach schoot.“Balken legge d’r genoeg onder”, zei-ie, rillerig: “maar an balken heb-ie nie veel. ’k Zoek ’n bijt voor dooie visschen.”“Wat mot je met dooie vissche?”, vroeg de schelle stem van den jongen.“Eten!”, zei Eleazar.“Verrek! Wat hei-je an dooie bliek? Die zou ik nie luste”...“As ’t maar lekker gekookt wordt,” zei Eleazar, om ’m te overtuigen: “vecht je om ’n graatje!”...“Dooie bliek—die stinkt.—As-je denk da-je mijn ’r tusschen neemt, zeg, mot je vroeger op staan!”Weer lachte Eleazar, ’t ventje dat als ’n oud mannetje praatte bij z’n dunnen nek schuddend.“Dooie bliek en dooie voren, gestoofd met ’n scheutje azijn, Jan—daar zou jij van smulpapen, as ’t warm voor je op tafel sting.”Samen liepen ze op, de man en ’t manke jogje, sprekend als kameraden.“Hei-je dan ’n schepnet?”—, vroeg Jan, geintresseerd.“As ze boven drijve hei-je ze zoo maar te grijpe.”“Boven drijve? Boven drijve? Verrek—dan rake ze toch onder ’t ijs!”“As ’r’nbijt is, zoeke ze lucht—’n visch die geen lucht krijgt stikt—net as wij”...“Hù!”, schreeuwde ’t jogje, schel in deochtendlucht lachend: “hù—’n visch die in ’t wàter stikt—hù—hù!”“Geloof je ’t nie?”“As jij ’t wèl geloof”—, redeneerde het ventje, zwaar hinkend in de sneeuw: “dan hei-je ze je belazerd—en da’s stom genoeg voor zoo’n groote kerel.”“Dank-ie wel”, grinnikte Eleazar, opgewekt door de frissche brutale geluidjes naast ’m: “maar ’k denk dat ’r nog wel ’n páár dingen in ’t leven zijn, die jij èn ik nog nie weten. As ’n visch zóó doet”—stilstaand bootste-die met z’n kaken ’t happen van hijgende kieuwen na: “as ’n visch buiten ’t water leit te trekken, dan wil-ie ademe—snap je?”Even dacht Jan. Toen zei-die helder-betoogend: “Sodejuu—dan zoue ze toch ééns zoo goed leven, bùiten ’t water. Zie je nou wel dat ze je belazerd hebbe! As je ze ophaalt an de hengel binne ze as de weerlicht kapot—nou—nou?—Hoe ken dat nou? In de lucht zit toch meer lucht as in ’t water, werin heelemaal geen lucht zit”.“In ’t water zit óók lucht”, begon Eleazar uit te leggen, maar Jan was ’r als de kippen bij.“...Hù! Hù! In water lucht! Dan zou jetelkes bellen na boven zien komme. As je met ’n ouwe pijpesteel in water blaast, komt ’t ’r net zoo hard uit, as je ’t ’r in fluit! Jij loopt te klesse. As ’k jou met je kop onder water hou, mot je verzuipe. En je zou nie verzuipe as ’r beneejen lucht was.”“Dank-ie voor ’t lesje”, zei Eleazar, in ’n hoek gedreven en nog eens z’n aanloop nemend: “toch zit ’r lucht in water en al zat ’r geen lucht in, dan vin je in ’t water dezelfde dinge die in de lucht zijn—heusch, Jan”...“Nou breek me klomp!”, schetterde de jongen: “as water lucht is en lucht is water, dan zoue de vissche kenne vliege en de vogels vortzwemme!—Jou kenne ze alles wijs make! Je mot ze maar late lulle!”“En wáarom komme ze dan dood boven drijve in de winter?”, lachte Eleazar weer—toch kleintjes, want, och, och, as je dingen van uit de vèrte wist, drukte de eerste de beste slimme rakker je plat—“waarom, as ’t water toeleit gane de vissche met dùizende kapot?”“Omdat”, zei ’t jogje dadelijk: “omdat ze verrekke van de kou, net as de grootvader van de flesschetrekker an de overzij, die ze in de kelder bevroren hei-je gevonden”...“Nee”, zei Eleazar: “benèjen in ’t water is ’t, as de boel toegevroren is wàrmer, net as onder de grond”...“Jij ken wel zóóveel zegge!”“Vraag ’t dan an de meester op school”.“Op school mag-ie niks vrage—enkel je vinger opsteke as je mot pisse”...“Nou Jan—’t is werachtig zoo as ’k ’t zeg.”“Hù!”, schreeuwde spottend ’t ventje: “hù! Ze hei-je jou verneukt, hoor! As ’t nie ken, dan ken ’t nie. As ik ’n visch was, dan gong ’k nou ook kapot van de kou”...“Geef me ’n hand, dan help ’k je op ’t ijs”, zei Eleazar.Ze liepen over de sneeuwbulten naast de baan, naar ’t badhuis, waar groote bijten waren gehakt. En voorzichtig toekruipend naar den rand met z’n opstaande blokken ijs, de lomphoekige blokken die de rijders waarschuwden dat ’r open vakken leien, brak Eleazar ’t versche, knappende vlies. Een enkel grijs-zilvrig vorentje met goud-rooden oogjens en rossige vinnen dreef tusschen de splinters.Jan, ’n eind verder—met z’n tweëen te dicht op den rand was gevaarlijk—kreeg ’n schudding van lol.“Godvergeefme—daar loopt-ie ’n halfuur voor uit! ’n Voren as ’n wòrm!”“D’r komme ’r wel meer, as je geduld heb”, zei Eleazar, ’t vischje grijpend en naast zich leggend. Op de knieën gehurkt, keek-ie naar ’t machtloos gedobber van ’n groote bliek, die telkens op ’r buik dreef, dan weer ’n trillend vinslagje deed.Versteven van kou, klappertandend, zat-ie te lóéren, met de drift van ’n wanhopig-uitgehongerd beest.“’k Wou da’k ’n hengel had”, zei Jan, z’n armen stevig klappend als ’n kouwe schipper: “zeg—gane jullie dat nou heusch thuis vrete?”“Ja,” knikte Eleazar.“Met aarpels?”“Nee—d’r zijne geen aarpels”.“Vrete jullie dan enkel dat kreng!”“’k Wou da-’k vast ’n zoodje had”.“Weet jij wat mijn vader zeit?”“Nee—wat zeit jouw vader?”—, herhaalde Eleazar, opstaand—op de knieën ging ’t niet, snee de kou door je heupen.“Vader zeit dat ’t je èigen schuld is, as je nie hei te vrete, da-je ken werke as je maar wìl.”“Niet zoo dicht bij ’t water komme”, waarschuwde Eleazar:—“je leit ’r in eer je ’t weet—en ik ken niet zwemme.”“Is ’t je eigen schuld, zeg? In plaas dooie visschies te kaaie, kon je toch wèrke”...“Ja-ja”, zei Eleazar: “àlles ken, hè?”—en zich plotsling buigend, greep-ie de bliek, die nog zwakjes leefde, even den staart in schudding rukte en hijgend de slijmrige kieuwen bewoog.“Jeezes mierande!”, riep Jan, snel toeloopend en bewonderend kijkend: “dat hei-je handig geflikt. Hij leeft nog. Mag ik ’m vasthoue?”“As je’mniet loslaat”, zei Eleazar.Het kind nam den visch in z’n zwart handje, hield z’n pink dicht bij den bek.“Zou-die bijte? Nee, hè? Ooge as kraaltjes, hè? Sodejuu, daar spartelt-ie haast los. Ja, dat mot je probeere. Dan mot jij maar niet zoo stom zijn, blinkende dief!”“Rol ze in me zakdoek”, zei Eleazar—dan blijve ze koud”...’n Poos zaten ze stil, opgeschrikt soms door ’t dreunen van ’t ijs als ’n ris rijders voorbijglee.“Waarom kies je geen ander vak, as jegeen lol meer in diamantslijpe heit!”—, begon ’t kind weer.“Lol is niet genoeg”, geeuwde Eleazar, bevangen door de kou: “je mot ’r mee verdiene”.“Ja, voor niks dee ’k ’t ook nie—niks is nimmendal.—Zeg, wat is dat, zoo’n dìng, zoo’n diamant die jullie mot slijpe?”“’n Diamant is ’n steen”.“En werom mot je die slijpe?”“Om ’m glad te make”.“En dan?”“Nou dan—dan is-die klaar en wordt-ie gedragen”.“Door wie?”“Door menschen met duiten”.“Koope ze die?”“O jee! Met ’n half pond van die steentjes, ben je zoo rijk dat je ’n eigen huis ken koope en niks hoeft te doen”.“Da’s lulle”, zei ’t manke jogje, stellig: “met ’n half pond steene—’n huis—’n héél huis! Wat kost dan zoo’n steen?”“Je heit ’r van hònderdduizend gulden”, blufte Eleazar, die schik in de jongens-rapheid had: “van wel meer”...“Van die dinge van hònderdduizend guldes”, schreeuwde Jan, ongeloovig: “en wat doene ze met zoo’n ding?”“Drage”, verklaarde Eleazar, ongeduldiger—je kon niks zeggen of ’r kwam ’n vraag: “drage an d’r oore, an d’r vingers, an d’r hals”...“Verrek!”—, zei ’t jongetje: “hoe ken dat? Wat heì-je an ’n ding van honderdduizend guldes, dat je an je poote draagt!”—Weer schel-de z’n stem in ’n spottend hù!—weer trok-ie ’n gezicht dat-ie zich niet voor de mal liet houen: “godvergeefme de zonde wat ken jij met ’n glad smoel staan liege!”Eleazar lachte hardop en Jan, denkend dat Eli ’t niet langer kon houen, schaterde mee. De zakdoek op ’t ijs stuipte in schudding. De bliek was nog niet dood. Er gingen meer schaatsenrijders voorbij, luchtig van zwier, met ademgevlucht bij de monden. Dichtbij speelden kindren met ’n slee, loopend in draf, met rinkel-raketting van dansende bellen. En in de verte joelde ’t geroep van de menschen in de tentjes die slemp en jenever verkochten. Heen en weer loopend, met voeten die geen bodem meer voelden en ’n vinnige tinteling inde handen van ’t koude water, keek Eleazar naar ’t vak. Jan, die zich verveelde, zei dat-ie ’r vandoor ging.“Blijf-ie nog lang, zeg?”“Hei-je zoo’n haast?”“Nou ja—wat mot ’k hier? Je vangt ommers niks”...“As je maar wácht”.Hij stond haast te bedelen om ’t gezelschap van ’t kind. Alleen hield-ie ’t niet uit.“Is je zussie weer beter?”—, vroeg-ie om te rekken.“Wat voor zussie?”“Die toen zoo ziek was—toen de kelder onder was geloopen?”“Die was ommers nie ziek!”“O nee?”“Wel nee—noem-ie dat zièk?—Daar drijft ’r weer een! Daar komt-ie!”’n Kleine bliek slapte omhoog, ’t buikje rood-lichtend, de vinnen draderig-waaiend als haar. Langzaam door ’t donkere gat van ’t water rees-ie, luchtig van drijving. Liggend op ’t ijs, de armen gestrekt over de bijt, greep Eleazar.Maar ’t vischje in laatste herleving, schoot uit z’n hand, duikend onder het ijs.“Wat ’n sekreet om zich dood te houe”, zei Jan en trapplend van kou, herhaalde-die: “ik ga d’r vandeur, zeg”.“Goed”, zei Eleazar, mat. En ’n paar blokken ijs dompend, ging-ie zitten, de handen in de broekzakken, de beenen gekruist, wachtend op den afval van benee. ’t Jongetje klotste de baan op, zetjes nemend om glijbaan te spelen, ’t Horrelvoetje sleepte na, de armpjes strakten in dwaze cadans.Wezenloos, vaal-van-uitputting, bleef Eleazar, kijkend naar ’t gat, naar den zakdoek die niet meer bewoog. ’t Kind met z’n drieste levenszekerheid had ’m òp gehouen—nou zakte-die in, moe en verstompt. Dezelfde wanhoops-besluiping van de fabriek, toen-ie naast Juda zat, in aanvoeling van ’t onweer, deed z’n wil in ’t futteloos lichaam besterven. Een stap, eén luttele glijing en hij was ’r uit, stikkend als de visschen, verlost uit ’t hijgend getob. Ziekelijk geeuwend, dat de tranen uit z’n ongemakkelijke oogen glibberden, begon-ie weer op en neer te loopen, bang voor ’t water dat ’m aantrok. Als ze ’m nou brood hadden voorgezet, zou-ie ’r van gekikt hebben, te ellendigas-ie zich voelde om ièts te kunnen. Wat was gebrek ’n ding dat je tot ’n beest maakte, dat je alles dee verwenschen, vergeten—wat was je niks, niks met ’n maag die ’t denken uit je kop trapte. Klappertandend, bukkend om den zakdoek met de twee dooie visschen mee te nemen, ’t nog eens in de stad te beproeven, zag-ie twee bliekjes beweegloos naast mekaar drijven. ’t Kikkerde ’m op. Snel met z’n pet scheppend, verraste die ze. Vier. Vièr. As-ie ’t opgaf, bracht-ie niks mee voor de kindren, de blinde, die gisteren gewacht had, vandaag wachtte. De zakdoek op ’ t ijs, trilde zachtjes, de plezierige stuiptrekking echoënd.Tegen vijf, blij met z’n vangst—hij had ’r wel twintig, liep-ie de Sarphatistraat door. Daar waren ze nog bezig met ’t ruimen. Op gelijke afstanden leien puntige hoopen sneeuw en straatvuil. Handkarren werden af en aan gereden om ’t veegsel in de vaarten te storten. Bij het station werkten ploegen met bezems, schoppen en latten. Suikerpeer, ongewoon-rood van gelaatskleur, stond op ’t trottoir de ingevroren sneeuw los te bikken.Rustend op den steel, kapot van den arbeid dien z’n oud joden-lichaam nauwlijks kon volhouden, spuwde-die hijgend.“’k Wou dat ze mijn vanmorrege hadde angenome”, zei Eleazar.“’k Leg net zoo lief ’n week ziek”, sprak de groentenjood, meewiegend ’t gehijg van z’n borst: “dad-is geen werk voor ’n jid”...“Je sleept ’n daalder na huis—wees blij, gammer”.“Blij! Blij! Me lendene krake—’k hei geen droge plek an me lijf. Daar mod-je ’t lichaam van ’n goj voor hebbe. Van zeven uur tot nou an toe! Kijk wad-’n blare an me poote”. Bevend van moeheid, met handen die-die niet stil kon houden, liet-ie de stukgewerkte, bloedrige blaren zien.“Cente verzoete blare”, zei Eleazar, bijna afgunstig.Doorloopend, omdat de stadsopzichter op ’t trottoir kwam, snauwend naar ’t gebabbel keek, wachtte-die op den hoek tot ’n handkar gevuld was. Er werd een lantaren aangestoken, die schamper-geel met ’n groenigen nimbus ’t weifelend daglicht doorschrilde. In de holte van ’t station vurigden de roode signaallichten en op’t plein kil en nevel-schimmig klamde in meerdere kappen ’n vlam, slurperig-kwijnend achter de vetting der glazen. De jodenbuurt inwandelend, hield-ie in zich de ziening van de werkende mannen in de sneeuw, het norsch beweeg der bezem-zwaaiende armen, het strammen der beenen—’t er ùit vallen bij dien spierarbeid van den ouwen jood—gelijk ’n pootige christen-koopman ’r uit viel—die met joden negotie dee.Tante Reggie had van Soor ’n half brood gekregen. Nou Eleazar thuis kwam met visch, kende ze ’r weelde niet.“Hei-je ze gekòch?”—, vroeg ze eerst, den zakdoek betastend, van elken visch door ’t goed heen, de dikte bevoelend.“Nee”, zei-die, ’n homp droog brood in gulzige brokken slikkend—as-ie langer gewacht had, was-ie in mekaar gezakt: “nee, die hei-’k uit’nbijt gehaald”.“Uit ’n bijt”, sprak ze: “hoe ken men z’n leven zoo wàge!” Hij lachte.“Maar nou”, zei ze, bezorgd voor zich heen pratend: “nou hebbe we visch—en wadde lekkere dikke zijne d’r bij—maar nou bin jenet zoo wijd—zonder stoking enne zonder zout”.“Laat ’k ze eerst schoonmake”, zei hij opgemonterd: “dan kijke we verder”. Zij, in den deurpost, luisterde naar ’t geschrap van z’n zakmes. Visch voor visch, lei-die op ’t vensterkozijn en ’t mes malschte de schubben, die in ’t avondscheemren warrelend stoven. Saartje, die van boven kwam, keek met blij-verwonderde oogen.“Bin je an ’t vissche gewees, oome?”“Ja, Saar.”“En wat zijne dat oome?”“Da’s ’n bliek—en dat ’n voren—en dat—da’s ’n ràre die ’k nie ken”.“Mag ’k mee hellepe schrappe?”“Nee—stil nou!”, zei-ie, ineens nijdig, omdat-ie zich stak an ’n rugstekel—: “hè!”, klaagde-die, zuigend en ’t bloed in de sneeuw spuwend.“Hei-je je gesneje, jònge?”—, vroeg de blinde, pijnlijk kijkend.“Nee—me geprikt”.“Mot je goed uitzuige—Sally van Mak heit ’r ’n opgezette hand van gekrege—van belang! Zuig-ie goed?”“Ja, norschte hij, kribbig van pijn.De traptreden kraakten, stugger van knettergeluid in de kou. Essie van Suikerpeer, ’n doek om ’r hoofd, kwam is kijken waar Suikerpeer bleef. Toen ze hoorde dat Eleazar ’m gezien had, bleef ze ’r handen wrijvend staan babbelen.“Wad-’n bemazzel”, zei ze, ’r bandeau-hoofdje wrikkend: “hoe komp iemand zoo bemazzel, as ’t water dich leit as ’n pòt! Hoe kèn men hengele—mijn ’n wonder!”“Heit-ie uit bijte opgehaald—met levensgevaar”, praatte de blinde.“Zal wel twee pond weze”, taxeerde Essie: “zijne dat baarsies?”“Bliek en vores”, vertelde Eleazar geduldig.“Nou zal u nie geloove”, knikkelde Essie: “maar nou loop me ’t water uit me mond—zoo werachtig as ’k leef—wat ’n mazzel!”Ze zei ’t zoo verlekkerd, zoo gretig en ’t heele huis wist zoo wat ieder in z’n kast had, dat Reggie, goedig-lachend, vroeg of ze ’r de helft van wou—want tien voor haar, Dovid, Eli en de kindere was zàdde genog.“Nee, nee,” zei Essie, lacherig, buur-vrindelijk: “nee, laat ’k u niet ontrieve”.“Ontrieve! Ontrieve!”, drong Reggie aan: “hoe ken u mijn ontrieve? We hebbe jà visch zonder vuur, en hebbe we jà vuur d’r bij, dan hebbe we geen zout en geene aarpels”.Even soesde Essie in overweging van ’t voor en ’t tegen—dan ineens druk-lachend zei ze:“...Weet uwe wat? Weet uwe wat? Leit u bij mijn uw dalles—dan hebbe we allemaal àlles. Hèhèhè!—Enne dan kenne we bij mijn koke—’k hei nog ’n kooltje over en ’n beetje heete asch—enne dan zalle we verder zien.”“Kanne we met zooveul bij u zitte?”—, vroeg Reggie.“Hoe meer ziel, hoe meer simge”, knikte Essie.Eleazar, die de vischjes in ’n emmer water gemept had, veegde z’n mes schoon.Maar Essie, die ’m enkel had zien schrappen, werd ongerust.“Eli, wat gaat uwe nou beginne? Mot ’t vuil ’r nie uit?”“’t Vuil”, zei hij—“wat voor vuil?”“Og, wad-’n frotzak—me-kan toch geen visch koke met de darme d’r bij! Sjijn zal ’t weze. As de gol d’r in blijf, ken je ze wegsmijte as grate!”“An welleke kant mot ’k ze dan opensnijje?”—vroeg-ie—“links of rechts?”“Snijdt uwe ze ope an de buik”, zei Essie: “dan heit-u links en dan heit-u rechs—as u ze vergalt is de heele maaltijd verschteurd”...Voorzichtig zette Eleazar de punt van ’t mes in ’n buik, snee toe naar den kop en in ’t geschemer der plaats, slipte ’t vuil uit de wond. De gal kon-ie niet vinden. Tastend en trekkend kreeg-ie de groen-bruine smurrie over de vingers.“Adeschim wad-’n mijnse!”, riep Essie: “as z’n hande in boter zijne gebrajen, ken-die ’t nog nie! Stop ’m derek in ’t water, anders kots je je hart uit je lijf”...Saartje liep met ’t vischje naar de kraan, Essie nam ’t mes over van Eleazar. En met handige sneedjes wipte ze de ingewanden er uit.“Zoo—as uwe ’t zoo doet, Eli, kenne d’r nooit geen vergallinge gebeure—enne goed dad-’k ’r bij bin gekomme, Reggie—want uwe had ’t nie gezien—Og, wad-’n bezze gammer, die jà ’n kòningsmaal zal bederve”...’n Koningsmaal. Ja, ’t werd ’n koningsnoen, ’n noen die ’t heele huis in vroolijkheid zette.Want nog terwijl de visch stond te koken, met ’n beetje zout dat Mijntje bij den schoenmaker—’n haurik van ’n vent in de laaste tijd—maar zout weigerde je an niemand, an je grootste vijanden niet!—had geleend, kwam Suikerpeer thuis met harde bokkings. Wat-ie nooit dee, was ’m vandaag overkommen. Rot van moeheid, was-ie baloorig met de andere sneeuwruimers ’n paar brandewijntjes met suiker gaan drinken—enkel jenever lustte-die niet—toen opgeknapt, bang voor Essie die ’n honde-neus had en ’t merkte as-die sjikkerde, had-ie zes harde bokkings voor ’n dubbeltje gekocht. Je kon d’r rauw an smullen en gewarmd op ’n doove-kooltje was ’t om je tien geboden te likken. Visch met ’n scheutje azijn, ’n pietsie peper èn harde bokkings—in geen tijje hadde ze ’t zoo betoeg gehad, zei Reggie, ’r vrindlijke tevredenheid aan de andren opdringend.“Over ’t end van me jare”, praatte Suikerpeer: “mod-’k geen sneeuw meer scheppe. Da’s grùwelwerk. Addeschim, as je ’n uur bezig bin, hei-je geen rug meer—en geen poote meer—hei-je niks meer. Geef mijn ’n kar met negotie—late zìj zich ’n breuk sappele! Niks voor ons!”“’k Wou dad-je d’r nachwerk van had”, zei Essie: “hoe ken men zoo vloeke over ’n kostelijk daggeld!”“Zal ìk me droppele zweet, niet te telle, voor honderd-vijftig rooie cente verkoope!”, rekende de groentenjood: “hei-’k gelijk, Eli?”Bezig de kinderen, die pas gekrijscht en gevochten hadden, stil te houden, knikte Eleazar. As-ie ’t tegendeel zei, zwaar-op-de-hand ging beweren, kreeg-ie ’n heibel als dien avond bij Soor.“Je doeit ’t”, zei Suikerpeer: “omdat je anders krom ken legge van honger—as ’k je weer hei te vloeke, wensch ’k je blare van-de-sneeuw”.Net kwam Rebecca binnen. ’t Petrolie-stel onder de rijst met de grauwe erwten, die ze samen in één pan kookte, was uitgegaan. Of ’t hinderde as ze de pan in ’n leeg gat van de kachel stak? Ze zag blauw van de kou. Dagen lang hadden ze niet gestookt. En Poddy kreeg zoo’n trek, nou-die vandaag wat beter was.“Zal ik je wat zegge?”—, zei Suikerpeer uitbundig: “komme juillie allemaal hier—dan fresse we bij mekaar—botje bij botje”...“Ja doe dat”, knikte Reggie: “gesjogtenheid is geen gesjogtenheid—as je déélt”...“En vàder?”, zei Rebecca, traag-aarzelend—’t was hier zoo lekker warm en zooveel mensche.“Dan gane we je vader ’n borretje van álles brenge”, zei Suikerpeer: “dan krijgt-ie ’n—’n franse maaltijd—eerst visch—pezon—enne dan harde bokking—bekon—enne dan rijs met soger-errette”...Na de hardheid van den dag, ’t sloven en zwoegen in de felle winterkou, schenen ze uitgelaten te worden. Kwam de morgen, dan kwam de morgen. Nou, terwijl de wind langs de hoeken van ’t huis gier-suisde, voelden ze ’n vreemden drang bij mekaar te kruipen.“Zal ’k ’t vader gaan vrage?”“Natuurlijk”, zei Essie.“En mag Joozep meekomme?”“Nou nee! Mot Joozep dan niet ete, nar van ’n meid!”, schreeuwde Suikerpeer.De kamer pufte van ’t rumoer. Esther, Meijer, Jaantje, Flippie en Bekkie, de kindren, praatten en kibbelden. Bekkie, hongerig, sloeg met ’r lepel tegen ’n bord.Mijntje, die van de kast naar de tafel liep, tellend of ’r genoeg vaatwerk was, trok ’rdan nijdig den lepel uit de hand, ’m op ’t tafelvlak kletsend—’t was om stapel te worde, dat lawaai en getik!—en als ze weer bij de kast was, dee Bekkie ’t opnieuw, verwend en brutaal.“As uwe van beneje effen wat borde wil hale?”—, vroeg Essie aan Eleazar: “we komme d’r nie. Nee, we komme dr nie, Mijntje. Wij zijne met z’n achte en u en Reggie en Saartje zijne d’r ellef—enne Bekkie en Joozep—dad-zijne d’r dertien”...“Dertien”, zei tante Reggie, angstig: “dertien—dertien mag nie. Heit-u Dovid wel meegeteld?”“Enne Dovid is veertien”, knikte Essie gerustgesteld. Met z’n dertiene ete, nie voor al ’t geld van de wereld—dan had ’r een weg gemotte.Met bolle stappen dook Eleazar de trap af, mal-vergenoegd. Wel meer had-ie ’t meegemaakt, dat in tijden van armoe, een-hoog en twee-hoog d’r eten bij mekaar brachten. Jaren en jaren geleden, hadden ze nog zoo is gezeten met Juda en Hes, alles scharrelend uit hoeken en gaten—en eens met Isaacs, die op kermissen koek verlootte—telkens was ’t ’nvervroolijking, ’n gijntjes-zeggen zonder eind geweest. Nou, na ’t gezoek, ’t gewroet, ’t getob—z’n wanhoop bij de bijt zwartte nog in z’n hoofd—stond de komende avond als ’n niet gewachte vreugde. Vorken, lepels, borden en schalen greep-ie in ’t donker en haast neuriënd stormde-die de snauwend-krakende trap op. Op ’t portaaltje gaapten de deuren van Suikerpeer en Poddy.Lawaaierig-druk, lollig van lach, hielp de groentenjood Rebecca, om Poddy’s tafel door de posten te wringen. Poddy, in ’t bed, vermagerd, met hoofd- en baardhaar in wilde vergroeiing om ’t scherp gespaak van neus, mond en jukken, zat te schreeuwen hoe ’t most.“Luister dan nie! Luister dan nie! Zoo is-die d’r nie in gekomme! Draai ’m over zijn kop!”“Laat mijn nou trekke!”, riep Suikerpeer koppig, stootend en wrikkend: “waas ist dos voor ’n verschwarzte tafel!”“Draai ’m over zijn kop!”, schreeuwde Poddy weer.“Hoe ken men zien wad-de kop en wad-de togus is?”—, gijnde Suikerpeer.Met viel de la uit de tafel, wat zoo’n smak gaf dat Essie en Mijntje en de kindren op ’t portaaltje te hoop drongen.“Nah! Nou zeg ’k niks meer! Hij heit z’n zin!”, gromde Poddy.“Hoe ken men zoo verstopt, zoo stom zijn”, begon Essie te verwijten.“Groot ongeluk!”, lachte Suikerpeer, oprapend wat in de la had gezeten: “dr leit jà ’n pietekam en ’n zilveren vork in! Hoe bergt men zijn zilver nie beter!”’t Duurde ’n poos eer de tafel door ’t deurgat was. Want iedereen gaf raad.Poddy wou ’m op z’n kòp, Essie overdwars, Mijntje schuingehouen-in-de-lengte. En blinde Reggie stond maar gedwee te roepen dat ze op moste passe om d’r vingers niet te klemme en niet te struikele bij de trap. Toen, bij ’t nieuwe deurgat, moest Eleazar ’n poot afhouen die tegen den muur werkte, ’t kalkgruis met stuivingen dee storten, stompte Suikerpeer tegen ’n knellenden hoek van ’t blad. Rebecca, giegelend, met bedwongen proesten, omdat de groentenjood zich pijn dee, hield de la vast, de la met de kam, de ijzeren lepels, bandjes en klosjes. Eindelijk met ’n hoera van Meijer, Saartje, Jaantje en Flippie, schoof de tafel naar binnen.Eleazar maakte ’n praatje met Poddy. Deheele, hééle nach—sprak de zieke—had-ie legge schwitze en noeste. Nou, gedank, had-ie ’n paar vrije uurtjes—en trek—op z’n woord-van-werachtig trèk. Z’n skelet-handen bewogen als in weving over de deken, z’n oogen leien verdoft in de kassen.“Laat Joozep en Rebecca maar hiernaast eten”, zei-die blazend: “ik stik enne zij krimpe van de kou. Sally enne Rozetje enne Serre hèbbe al gegete—’n wonder hoe kindere door alles heenslape”...“Hei-je ’t zoo warm?”, zei Eleazar, huiverend in de kilte der kamer, na de lekkere warmte bij Suikerpeer.“Warrem?—’k Hei ’t nie warrem en nie koud—’k hei ’t lèkker—’k hei me in geen maande zoo lekker gevoeld. Niks as ’n kou gewees—enkel ’n kou”...De deur werd geopend en Jozef, de oudste zoon, kwam binnen. Voor ’t eerst zag Eleazar ’m van dichtbij—’n jongen van zestien of zeventien, of vijftien, met aankomend snordons, bleek en met vet-rooie lippen.Hij kon ouder geweest zijn, dor mannetje als-ie leek.“Dag”, zei-ie, Eleazar niet herkennend.“Hei-je verkoch?”—, vroeg Poddy, ’n doosovernemend, waarin netjes gerijd de sigaretten lagen.“Nimmendal”, zei de jongen, bot. Den heelen dag had-ie op ’t ijs, bij de tenten, gestaan, zonder eten. As ’t ’m te lam om z’n maag werd, scheurde-die ’t papier van ’n sigaret, kauwde de tabak als ’n pruim.“Nimmendal!”, gromde Poddy: “is mijn nog nooit overkomme!”“Prebeer ’t dan zèllef!”, zei de jongen valsch.“Mod-ik ’t prebeere!”—, rauwde de vader: “vuile hond! Hei-’k ’t nie me heele leven voor juillie gedaan?”Verkleumd ging de jongen bij ’t dakraam zitten.Meelijdend schudde Eleazar ’t hoofd naar de zij van de bedstee, wenkend met de oogen.“Trek z’n partij!”, kregelde Poddy: “leg je hande onder z’n luie poote, dan wordt-ie nòg geen sauger! Ik ’t prebeere! Ik ’t prebeere! Ik met me zieke lichaam en me stijve poot! Vuile hond!”De jongen keek gluuperig-valsch, hield zich in. Rozetje, op ’t matras in den hoek, wakker-geschreeuwd door Poddy’s kwaadaardigheid, zat even op, wreef zich de oogen, keek rond,zakte weer naast Sally, ’t broertje. Eleazar’s oogen gingen van ’t matras naar ’t dor mannetje bij ’t dakraam. En zich den avond herinnerend, toen-ie in den deurpost van den sigaretten-jood had gewacht, toen de lamp walmde en ie Rebecca met Joozep en Serre tezaam had zien liggen op den grond, kreeg-ie ’n dwaze, rillerige, onverklaarbare sensatie—dwaas, dwaas—z’n eigen jeugd was niet anders geweest.’t Was bij achten eer ze aten. ’t Liep van geen leien dak. Essie kwam azijn tekort. Saartje werd naar benejen gezonden, om de flesch te halen, waarin nog ’n restantje most zijn. ’r Geelde ’n dikke laag schimmel op. Beurt om beurt roken Essie, Reggie, Mijntje, Suikerpeer aan den hals of ze nog goed was, of je ze nog mocht gebruiken. En terwijl Essie roerde, met toeterblaasjes van den lepel proevend, slurpend met vinnige haaltjes, stampte Mijntje de trap af, om voor brood te zorgen. Scheelde geen nippertje of ze hadde ’t vergeten. Dovid was ’r nog niet. Ongerust, bang voor ’t getal dertien—zat Reggie in ’t rumoer de buitengeluiden te beluistren. Rebeccamost effen gaan kijken en Eleazar rondzien in de straat, voor. Poddy kreeg vast z’n portie—’n gestoofde bliek, ’n kwak rijst met erwten en ’n halleve harden bokking. Suikerpeer bracht ’t ’m zelf, maakte ’n kuil in de deken, trok ’t vel van den bokking met z’n nagels, omdat Poddy zoo schlemielig tekeer ging dadde de erwte in ’t bed rolde. Dan, hijgend, frisch-rood van de vriezende straat, holde Mijntje terug met ’t brood en de heete centen, die ze van ’t kwartje werom had gekregen. ’t Vierkant brood op de tafel, nam ze ’n mes om ’r op los te hakken.“Schei uit!”, schreeuwde Essie, die de eerste homp met vijandige oogies volgde: “schei uit—dad-is geen snijje—dad-is jàpe!”“Komp ’r wad-op-an! Zoo of zoo”—, zei Mijntje, betweterig.“Blijf d’r af—laat mijn ’t doen!”, riep Essie schel en ’r Reggie in betrekkend, praatte ze over ’t kindergeraas heen: “nog geen nà-gedachte as ’n cent zoo groot! Brood jape is geen brood snijje. Voel u is! Dat noemp ze ’n boterham. Hoeveul boterhamme snijdt u uit ’n brood?”“Zooveul as ’k wìl”, glimlachte de blinde,die jaren op den tast had gesneden—dik of dun, naarmate ’r was—: “boterhamme snijje is ’n kùnst—’k haal d’r wel twintig uit”.“Twintig!”, zong Essie: “nee, dan mod-u is wachte—dan zal ik u wat anders late zien”.—En ’t brood tegen de plank van ’r platte borsten houdend, liet ze ’r snel en sekuur ’t mes in glissen, zonder ’n afwijking, zonder ’n hapering. Meijertje, aandachtig de handen onder ’t hoofd, telde hardop en hoe hooger-ie telde... drie-en-twindig, vier-en-twindig, vijf-en-twindig, tot een en dertig toe, hoe bewonderend-wieglender Reggie’s glimlachend hoofd bewoog.“Jij bin ’n húisvrouw”, zei ze met klank van weten en zegen.“U ken ze nie zien—u heit makkelijk zegge dat moeder ’t verstaat”, zeurde Mijntje: “dat zijne geen boterhamme, dat zijne piemeltjes”.“Zijne dat piemeltjes!”—, riep Essie, nijdig ’n boterham tegen ’t licht houdend, dat de korst op ’r voordeeligst te zien kwam: “doe ’t me na voor veertien perzone, stik schlemiel!”“Ik ken nog wel pietseriger piemeltjes snijje”, bleef Mijntje drenzen: “as je goed kijk binne ’t matzes”...’r Dreigde ’n kleine twist, Suikerpeer lachte,Essie keek giftig, vroeg of-ie gesjikkerd had, dad-ie zoo mesjogge dee? Jaantje, die de broodkruimels van ’t tafelzeil pikte, kreeg ’n tik op ’r hand.Gelukkig knepperden de traptreden onder haastig-trappende voeten.“Dovid”, zei de blinde met vreugde in ’r stem.Hij was buiten adem van ’t loopen, had groote pupillen van opgewondenheid en ’n stem zoo beslagen van zenuwen, dat-ie stond te brabbelen, verward en kuchend.“We hebbe op je gewach! We rammele van de honger!”, schreeuwde Suikerpeer.“Is dat uitblijve! Bij achte!”, klaagde Reggie.“An tafel! An tafel!”, riep Mijntje de lawaaiende kinderen toe.Met groote moeite, de woorden uitblazend, zei Dovid: “Nieuws! Groot nieuws!”“Nieuws?”—, vroeg de blinde ’t sterkst van gehoor.En Dovid, zich voor ’t eerst sinds weken tot Eleazar wendend, riep schor: “wij gane winne!”“Winne?”—, zei Eleazar, schrikkend.Weer zei Dovid wat, maar de kinderen gilden en Bekkie sloeg met den lepel op ’t bord.“Houe juillie je schmoele!”, dreigde Suikerpeer.“Mod-je na bed zonder vrete?”, snauwde Mijntje, die ’r ’t meest ontzag onder had.De herrie zakte en hijgend, kurkig van zenuw-wrokking, klonk nog eens Dovid’s stem: “wij gane winne! De juweliers—de juweliers—hebbe vanmiddag ’n brief—’n brief geschreve—”... Trillend van ’t nieuws dat-ie kwijt was, hapte-die naar adem.Nou-ie door geweld en ruzie, was gedwongen geweest, ’t werk neer te leggen en weken en weken op de stakers had gescholden, de pooiers en vuilike die ’m ’t brood uit z’n bek hadde gescheurd—voelde-die nou toch ièts van den massalen roes, iets van de vreemde vreugde die Eleazar deed opbonzen.“Hebbe de juweliers geschreven!”—, riep-ie: “en wat? Hoe weet jìj dat?”Blazend, hoesterig zat Dovid te glimlacheren.“Hoe ik ’t weet!”, hijgde-die: “van wiè zal ’k ’t wete, gammerkop! Ze vrage om Dekker te spreke—morrege zal d’r konferentie weze—overmorrege ’n meetting in ’t Paleis”...Na de diepe ellende van de staking, ’t tergend geduld van de juweliers, de grijnzende wanhoop dat ’t eind ’r was, dat ze nuttelooshadden gevochten, dat ze verdeeld, uit elkaar geslagen ’n vragende hand zouen moeten ophouen, klonk ’t bericht zoo geweldig, ’t bericht dat duidelijk zei hoe zwak de juweliers zich begonnen te voelen, dat de groote menschen verrast zwegen, kijkend naar Dovid’s lachrig-verheugd gelaat en de kinderen van den weromstuit even stil bleven.De stem van de blinde vrouw, sprak ’t eerst. ’r Doode oogen bezwommen de lampekous, met bewegende glansjes in ’t melkwit. Snuivend van aangedaanheid, op huilen af, zei ze:“God zal ze zegene, omein wie omein, as zij de verstandigste zijne—en—en make dad-’r weer vrede komp... God zal ze zegene”...“Zegene! Zegene!”, vlamde Eleazar en met hartstocht in z’n grijze oogen, driftig op de tafel steunend, ’n spottrek om den smallen mond, riep-ie: “wìj kenne ’t zonder zegen. As ’t deze keer was misgeloope, hadde we ’t na jare weèr gedaan—zònder zegen—zònder zegen—As we verlieze winne we nog—as we winne is de winst ’n futje van wat we later nème. De zegen van God kenne zìj toe krijge!”“Eli! Eli!”, knikkelde de blinde angstig:“hoe ken men zoo uitvare! Hoe ken men zoo vloeke! Is ’t geen mitswe dat God ze de éérste laat zijn—dat-ze simge krijge met de armoei bij ons?”“Simge! Meelijjen, zij!”, driftigde Eleazar: “as ze toegeve is de markt rijzend, hebbe ze stroppe, kost ’t te veel. Maande hebbe de krenge tienduizend mensche met honger gedwonge! Weken en weken heb jij, hebbe de kindere niet te vrete gehad. Nou in-eene simge? Zij meegaan met God! Die weet zoo goed as u en ik, dat-ie ze uit d’r beurs mot blijve! As-die an d’r duite, d’r mezomme komt, verstoort-ie de orde!”“Mag-ie nie zegge, mag-ie nie”, glimlachte vredig de blinde: “God heit wel mijn ooge bezocht—en ’k bin nie in opstand”...“Jij ben ’n engel”, zei Eleazar, ’r ineens zoenend, wat ’r bandeau dee verschuiven dat ’t zilverhaar pluisde in ’t lamplicht en de kindren druk van lol begonnen te gieren.Zij ’r bandeau lacherig terugduwend, zei nog eens: “God zal ze zegene—huillie en juillie”...Essie zette de pan met de visch op tafel—Rebecca nam de rijst met de erwten van ’t vuur—Suikerpeer brak de harde bokkings in drieën. Vroolijk, gijntjes schreeuwend, groepten ze om de twee tafels, pratend over ’t nieuws, over de kou buiten, over de handigheid, ’t gogme, van Eleazar om visch te vangen in ’n bijt. Telkens als Essie, zuinig mikkend, ’n bliek op ’n bord had geschept, vroeg Rebecca zangerig-vrindelijk: “Lus u ook wat van mijn klatsch?”, en als iemand dan ja zei, smeerde ze den potlepel in de brei. Suikerpeer, kijkend voor wie de portie was, deelde de staarten en koppen van de harde bokkings aan de kindren, de middenbrokken aan de grooten. Voor wie ’t wou hebben, roosterde-die ’n stuk in ’t open gat van de kachel, wijkend als de vlam door ’t druipend vet laaide. ’t Doorstonk de heele kamer, niemand had ’r hinder van. ’t Werd een stilte van slurpen, happen en vorkengetik. Reggie, voorzichtig, doorploos den visch met ’r vingers, bang voor de graten, lei de schilferstukjes op de boterham. Dovid, zwijgend, uitgehongerd, vrat den harden bokking met graten en vel, lepelde de rijst en de erwten zoo driftig, dat Essie verwonderd ’r hoofd schudde.“Dovid—jij vreet je ’n barschting!”, waarschuwde ze.Dovid, snel-slikkend, ruig-van-gijn, had moeite te antwoorden: “voor mijn part zalle juillie over twee dage sjiwwe over me zitte, as ’k maar genog krijg!”—, riep-ie ’n vollen lepel ’r bij persend.“Hè! Hè! Wad-’n barschtkeel!”, lachte Mijntje.Bij ’t raam, op mekaar, zaten de kinderen, Saartje naast Meijer—Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie ’r over. Jaantje lustte ’r bokking niet, ruilde met Meijer, die ’n hap rijst afgemikt lepelde. Op den hoek, dicht bij Eleazar hurkten Rebecca en Joozep op ’n sinaasappelkist. Soms klopte Poddy met z’n stok tegen de overzij-deur, ging Rebecca hooren. Of d’r nog bokkum was—of ’n graatje visch? En door den deurkier schreeuwde-die dan van uit de bedstee, dad-ze sigarette konne krijge as ze klaar ware, zooveul as ze woue. Suikerpeer vertelde nòg eens hoe-ie gesàppeld had—wad-’n frot werk ’t was de sneeuw van stoepen te bikken. En ’n haurik as ’r toezich hield. De pest had de vent in gehad, dat ’n jood an was genomen. As de christene vegers geen mieter deëe had-ie z’n smoel gehouen—maarzóo as hij ’n luchie schepte, was de vuilik met rissches begonne, had-ie telkes geroope: nou Mozes!—en nou Semmie! En of hìj dan zee: steek de moord en lek me de maarsch—tot ’t end toe had-ie ’m gesodemieterd. Toen proefde Eleazar, die ’t lekkers voor ’t laatst had bewaard, van z’n èigen visch—brulden ze van ’t lachen, omdat net hij de vergalde bliek had te pakken. Hoe ’t geen haar had gescheeld, lachte Essie, of ’t was met de heele zooi gebeurd.“Wil u nog wat van mijn klatsch?”, vroeg Rebecca weer.Tante Reggie, langzaam happend, prettig van herinnerings-gepraat, zei dan hoe zij in ’r jeugd zùlleke snoek stoofde—snoek—in die tijjen kon je an snoek komme—vandaag de dag, was ’r geen snoek meer en as ze ’r was, kon je ze niet benadere—hoe zij de buike opvulde met koek en wad-’n eten dat was—’n eten zoo fijn as ze ’t op de heere- en keizersgrachte nie krege. Ja, zij had kenne koke in ’r tijd—Essie die kon ’t ook—maar zìj had ’r ’n bijzondere slag van gehad. An een sjabbes, toen ’r man en ’r kindere in leven ware, en femilie overwas, had ze voor zestien persone soep van één ossepoot getrokke—van één ossepoot met twee cente prij, een cent cellerij en wat witte boonen. En geen slappe soep, maar ’n soepìe waarop de kracht dreef. Nou, Essie wou niet bewere dat ze voor zestien persone van één poot kon koke, maar ze bracht ’t ’n heel eind van ’n dubbeltje koppevleesch.Dovid knoopte z’n broek los, zat even te puffen. In geen maande had-ie zoo dik-betoeg gegete. Sappig peuterde z’n wijsvinger in z’n mond om ’n graatje los te werken, dat tusschen de tanden schrijnde.Na ’t eten, rommelden Rebecca en Mijntje den vatenboel bij mekaar. De kou van ’t huis lei om ’t eenig verwarmd kamertje. De wind schoot met fluitingen over de binnenplaats, deed de deuren rammelen alsof ’r geklopt werd. Bij de kachel, de voeten tegen den aschbak, zaten de mannen, Poddy’s natte cigaretten rookend, dat de lamp in melkwitte nevelen bleekte. Als de avond had kunnen duren en duren, waren ze blijven plakken, blij mekanders stem te hooren, blij met de heerlijke gezelligheid. “En nou zalle we juillie nòg is trakteere”, zei Essie.Mijntje most ’r weer op uit, om bij de water-en-vuurvrouw ’n halleve cent heet water te halen, met ’n hallef lood koffie van twee en halleve cent en ’n likkie gebrande stroop. As ze dan langs de melkslijter kwam, kon ze ’n halleve cent melk meebrenge en uit de nasscherijwinkel twee cente zwarte balletjes—je kreeg d’r vier voor ’n cent. In de kast was nog ’n plat toetje kaneel—dan had je alles voor frànsche koffie.“Hebbe we dan komme genog?”—, vroeg Suikerpeer.“Scharrele we wel”, zei Essie: “as Eli van benejen wat haalt”...Met Mijntje samen, liep-ie omlaag, klappertandend van de kou in de gang, na ’t eten. En weer op den tast, nam-ie de kommen, haastte terug naar de warme kamer boven. Op ’t portaal, in ’t donker, botste-die tegen Rebecca, die bij Poddy geweest was.“Bin jij ’t Mijntje?”—, vroeg ze.“Ja”, zei hij vroolijk.“Niewaar!”, lachte ze ’r handen uitstekend en z’n ongeschoren gezicht beaaiend—’r adem blies langs z’n hoofd.Toen ineens, sloeg-ie z’n armen om haarmiddel, drukte ’r tegen zich aan, wild en hartstochtlijk. Den heelen tijd an tafel, had ze ’m zitten kwellen met de gitting van ’r oogen, met de frischheid van ’r mond. Nou hàd-ie ’r, ’r natte lippen op zijn lippen, ’r borst tegen zijn borst, ’r buik tegen zijn buik. Hij tuimelde haast van verrukking, zoo als ze ’r armen om z’n hals klitte, zoo heet als ’r mond den zijne bezoog, zonder ademschepping, zonder zucht. Met gloeiende oogen, vaster aandrukkend, met fel-rosse vlamming in ’t hoofd, voelde-ie de warmte van ’r mond, dien-ie niet zag, de kieteling van ’r haar, dat-ie niet zag, de passie van ’r lichaam, dat-ie niet zag.Mijntje die de trap opsjokte, ketste hen van mekaar.Mal van gebaar, bleek, kwam-ie de kamer binnen, terwijl zij naar ’r vader terug liep. En toen ze ’n oogenblik later, lacherig, dwalend-van-oogen de deur opende, keek ze naar iedereen, niet naar hem, in lichtschuwe beduusdheid.Essie zette koffie, telde de zwarte balletjes—acht voor twee cente, zooas ze gedacht had. Balletje na balletje kraakte ze tusschen ’r kiezen in tweeën, dee in elke kom ’n helft.Gruizelde ’n balletje stuk in ’r mond, dan taxeerde ze de scherfjes die an ’r vingers kleefden, wreef ze langs de randen der kommen. Mijntje strooide voorzichtig kaneel uit ’t toetje en Rebecca, licht-bevend goot ’t water in de kous met de gemalen koffie. Slurpend en blazend dronken ze toen, luidruchtig, dol, gijntjes en grappies vertellend.“In geen jare—in geen jare”, knikte de blinde: “hei-’k zooveul an één stuk hoore lache—in geen jàre”...
Wrokkend liep-ie den Amstel langs, de tintel-kouwe vingers in de lauwte der broekzakken. De sneeuw klukte onder z’n voeten—z’n adem stoof in ploffend gedamp. ’t Was ’n belabberde nacht, ’n verbijsterende morgen geweest. Toen-ie Reggie wel-te-rusten wenschte, had-ie moeite niet in snikken uit te barsten. Ze zat in de onverwarmde kamer, bij de uitgaande lamp—had niks gegeten dan ’s mòrgens ’n homp brood, ’t laatste dat de bakker borgde—an alles kwam ’n end—nog meer poffe dee-die niet.
“Wel te ruste”, had-ie benepen-hijgend gezegd.
“Dag jònge—slaap lekker,” had ze geantwoord, de handen, vredig-van-wrijf in den schoot.
Toen had-ie de deur achter zich gesloten,even op de binnenplaats staan zinnen, vinnig, triestig en mal. De terging, de vervloekenis, dat ’n blinde niet te vrèten had! Den knop hield-ie in de hand, alsof-ie iets beestigs beging met zóó heen te gaan. En over-gevoelig, gek, niet na-denkend—as je ’n heelen dag had gevast, kreeg je van die helle, waanzinnige oogenblikken, waarin je onstuimige dingen dee, dingen van plotslinge drift en zenuwspanning-op-huilen-af—had-ie de deur weer geopend, was hijgend op ’r toegestapt om ’r dorre handen nog eens en nòg eens te zoenen.
“Wat is dat—wat is dat, Eli—nar van ’n jònge?”—, had ze gevraagd.
De tanden had-ie in ’t lippenvleesch gegrimd, om ’t niet sentimenteel uit te gillen—toen had-ie hokkend, hoog-van-stem gezegd dat-ie dacht, dat ze—dat z’m geroepen had, nà-geroepen.
“Nee”, zei ze, verwonderd-ongeloovig, niet begrijpend, waarom-ie dàt ineens had gedaan.
“Mòrge zal ’k zorge dat ’r eten in huis is”, zei-ie onrustig, opgehitst door ’t verwijt van ’r zwijgen.
“Da’s goed”, knikte ze: “en anders houe we maar jonkippoer, wàdde? Voor mijn is ’t ’tminste—maar de kindere—de kindere is ’n zòrreg”...
“Ja”, had-ie gezegd, weer naar de deur gaand: “zal ’k de lamp uitblaze?”
“Nee, nee, jònge. ’k Blijf op Dovid wachte—’k Begrijp nie waar Dovid zit, waar Dovid uithangt. Nou zie-je, nou zie je dad-ie rècht had, toen-die wèrke wou”... Dan merkend an de stilte dat-ie ’r nòg geen gelijk gaf, viel ze snel in: “’k maak ’r jou geen verwijt van, nie tot over ’t end van me jore—jij heb ’n goed hart—en jij bin geen kind, maar ’k zeg enkel maar: nou zie je—nou ziè je—wàdde?—Je ken de wereld nie overeind zette—dat doet God zellef as-die ’t wil—wadde?”
Aldoor terwijl ze sprak, had-ie in de vlam van de lamp staan kijken, die kleiner werd, rood-peuterend kringde. En toen ze zweeg, had ze de sputterinkjes gehoord, flauw-glimlachend gevraagd of-ie ’r toch maar wou uitblazen—voor de stank en de walm. In de stilte der kamer was de lamp aan de piepende kettingen gezakt, had z’n adem geploft. En samen in ’t duister, hadden ze nagepraat, tot buiten de klok elf dompige slagen gaf.
Boven, in z’n kamertje, had-ie getracht ’t venster te openen, rukkend en wringend, de vingers bezeerend. ’t Raamhout was aan het kozijn vastgevroren, de ruiten kartel-glanzend bebloemd, weerden ’t uitzicht op de daken. Hij stikte. Buiten leien vaarten en grachten sinds dagen dicht, buiten werd schaats gerejen, buiten woei ’n felle oostenwind bij aangroeiende maan—hij had ’t benauwd—hij had moeite adem te happen—hij voelde zich gejaagd en róód-wakker en schel-van-denken, als-ie als kind zoo dikwijls bij plots aanluwend voorjaar geweest was. Z’n schoenen uittrappend was-ie op ’t bed gaan liggen, zonder dek, kijkend naar het gevlam op de ruiten, de zilver-schubbige varens en zwammen, de biesjes en splijtende trossen, die scherpten in ’t maanlicht. Het beeld van de blinde vrouw, benejen in ’t donker, stond in z’n hoofd gebeitst—’t gewrijf van ’r handen—’r glimlach—’r vrede. Sterk-snuivend, de oogen gespannen, de tanden geklemd dat de kaken ’m pijn deëen, bèdàcht-ie. Alles kon, alles mocht, dàt niet. ’n Blinde met honger, ’n blinde die dezelfde maag-krimping voelde als hij nóu, was wel ’t liederlijkstdat je je voorstellen kon. Z’n kleeren had-ie verkocht, z’n boeken, z’n sjofel hebben en houen—z’n horloge stond in den lommerd—al leie z’m op de pijnbank, hij wist geen dubbeltje uit den grond te stampen. Wat nou? Wat? Wat? Suikerpeer had zelf niet te eten, zou morgen probeeren met sneeuw-opruimen of bijten-hakken wat te verdienen—Poddy lei ziek, doodziek, met zulke aanvallen van koorts en ijling dat Rebecca ’m tweemaal ’s nachts had gewekt—tante Soor, tante Soor—’t was om te gillen van ’t lachen, as je je hulp overkeek—je hùlp!—Nou liep ’t voor ’t eerst héélemaal spaak. ’t Beloofde ’n afschuwelijken dag—kinderen, ’n hulpelooze voor wie geen kruimel brood, geen turf, geen olie in huis was. ’s Middags was-ie rond gegaan, zoekend ’n karwei, ’t eerste ’t beste, verlegen aanschellend hier en daar of-ie ’t ijs van ’n stoep mocht krabben. Overal had-ie bot gevangen. De bouwvakken stonden stil. Duizenden waren werkeloos, grondwerkers, metselaars, opperlieden—’r was pas dien morgen ’n optocht, ’n honger-optocht van armoedige, genekte kerels geweest en de taaie staking van de diamantslijpers, luie bliksems die werk kondenkrijgen, as ze d’r driestheid van èischen-stellen lieten varen, zette ’n dubbelen wrok. Wat mòrgen? De bevroren ruiten met ’r krinklend gevlam van manelichte-bloesems, ’r sneeuwwitte kelken, bessen, lovers en stekels, brandden in z’n oogen. Nou lag-ie sullig en slap als duizenden rondom. God, god, as-ie opstond, ’n paar straten doorliep, kwam-ie op pleinen waar ze in lekker-warme café’s zaten, kwam-ie bij huizen waar ze met giften en fooien wanhopigen susten. ’t Dek over z’n koud-geworden voeten trekkend, de oogen in gemarteldheid sluitend, had-ie de gekste invallen gehad, misdaden liggen uitpluizen, die-die wist dat-ie nièt zou begaan. Maar ’t was slaap-knufflend en lollig gemeene dingen uit te spinnen, dingen van sluwen diefstal—dat ze je niks konde lappe en je geld bij de vleet kreeg. In z’n gehitste wakkerheid, onrustig, de geluiden van ’t huis beluisterend, ’t hoesten van Poddy, ’t schreeuwen van Bekkie bij Suikerpeer, had-ie ’r plezier in gekregen de detective-verhalen te overdenken, die-die in Amerika had gelezen. As-ie ’t dee met ’n zakkie peper, of met ’n ploertendooier erges op ’n stille gracht—of loerde bij Wolf, ’t pandjeshuis, waarvan Saartje’m had verteld, tot de vrouw of de dochter alléén was, of ’n ruit indrukte van ’n effectenkantoor, of ’s nachts bij rijke menschen—en ’n pond groene zeep meenam voor ’t vallen van de glasscherven. Woelend, dwaas van scherpzinnigheid, had-ie bijzonderheden liggen wikken, hoe-ie ’n pet zou opzetten, die nog niemand van ’m gezien had en z’n jas met de voering naar buiten dragen voor ’t signalement, en ’n groote hoop leggen in de kamer en de klok stil zetten, dat ze naar beroepsmisdadigers zouen zoeken. Toen daarover moeilijk doordenkend, log van murmureeren alsof ’n snikkend-warm ding in z’n middenhoofd wroette, tobde-die hoe ’t kòn, hóé ze ’t deëen de èchte misdadigers, de roovers-van-ras. Slaap-soezend, half in droom, zou-ie nog—want om ’n grooten hoop te doen—most-je—most-je—’t kennen—en datte ging maar niet as je ’t wóu—zoo maar eén-twee-drie—as je geen trek had—al leien ’r tonnen in de brandkast. Poddy, benee, had ’m wakker gehoest, met ’t reutelgeluid als van ’n huil-blaffenden hond. Misschien had-ie geslapen, misschien niet—hoe laat ’t was, kon-ie niet gissen. Even stutte-die op de elbogen, luistrendnaar Rebecca’s stem, ’t rogglen, ’t vloeken, wou-die opstaan om te helpen. De geluiden dempten in nacht-zwijgenis—ver, ver weg, tinkelde ’t carillon van ’n klok, en ’n muis, ’n muis die-die kende, die-die wel had zien loopen, knaagde achter ’t behang. ’t Hoofd in ’t kussen borend, om den slaap te vatten, had-ie gepoogd an wat ànders, ànders te denken, had-ie nijdig tegen ’t behang geklopt om de muis die ’m wakker hield, te verjagen. Maar ’t getob was-ie niet kwijt geraakt. ’t Maanlicht had-ie zien heenbleeken, ’t ochtendscheemren aangrauwen, achter de straffe, kristalwitte ijsbloemen. Vroeg-opgestaan, korzelig, vermoeid, had-ie zich niet kunnen wasschen. ’t Water in de kan was bevroren—de droogdoek stramde in plooien, stijf en weerbarstig. Hoofdpijnachtig, met lust om ruzie te zoeken, was-ie de poort uit gegaan, zonder bij Reggie binnen te loopen. Met leege handen dee-je niks. En hij had gisteravond beloofd, beloofd, gek as-ie was, om te belooven wat je toch niet kon nakomen. Na-suffend over z’n gemurmureer, z’n hersenloos zaniken van inbraak en moord, gromde-die kwaadaardig en wrevelig. De stomheid om over boeken-misdaad te zeuren, as jevoor de werkelijkheid van ’n brood voor ’n blinde en kinderen stond.
Eerst was-ie angeloopen bij ’t sneeuw-bureau van de stad, waar honderden drongen, vijandig kijkend naar wie door de queue probeerde te sliepen. Suikerpeer groette. Die was leeper geweest en al om vier uur van huis gegaan, ’n Half uur wachtte-die, verkleumd, trappelend, huilerig van ellende—toen kon-ie inrukken. Alleen de voorste werden genomen. De rest was niet noodig. Mee-sjokkend met ’n paar ouwe stumpers, die in ’n toevluchtsoord sliepen, die teminste ’n kop warme koffie hadden geslikt, had-ie langs de ijsbanen gedrenteld, waar al vroeg de vlaggen vroolijkten, en metselaars, timmerlieden, diamantslijpers, de sneeuwbeddingen veegden. Elke gracht, elk water had z’n banen met hunkrende hongerlijders. Onder de bruggen hakten ze ’t ijs, om vlonders te leggen en centen te bedelen. Stoelen werden aangedragen en schaatsen om te verhuren. Overal was ’t ’n haasten om de ouwe plaatsen in te nemen, overal keken ze den bleeken, jongen jood en de verdane kerels van ’t toevluchtsoord weg. Toen waren ze weer aan ’t aanschellen gegaan, door deurkierenvragend of ze stoepen mochten schoonmaken, asch strooien, bijten hakken. De menschen sliepen nog, de dienstmeiden zeien nee. En zoo, in den star-heldren wintermorgen,op van kou, grimmig van wrok, was-ie alleen verder gegaan, de zwaar-trekkende karrepaarden langs, de zwiepende bezems ontwijkend van de mannen die voor de stadsreiniging werkten. Eén ding had-ie nou nog, ’n màl ding dat ’m in was gevallen, ’n ding waarvan-ie gehoord had. Als ’t ijs-pantser over ’t water lag, kregen de visschen ’t benauwd, mosten ze lucht hebben of stikten en dreven dood naar de bijten. Als-ie den Amstel afliep, de groote banen voorbij, had-ie kans en al most-ie den heelen dag wachten, wat boven kwam was ’n uitkomst, ’n maaltijd. Voortstappend, zonder gedachten—in ’n lichaam dat vier en twintig uur geen voedsel gehad had, waren geen werkende hersenen meer—zag-ie de verlevendiging van ’t water met z’n tenten, planken, zigzaggende rijders. De boomen, norsch en zwart, droegen malsch-witte reepen, bogen soms in den wind, met stuiving van sneeuw. Waar de tramrails sneden, had pekel de keien gebruind, vloeiden plassen met bulten en builen.
Klukkend persten z’n schoenen, bleek-dampend berstte z’n adem. Nergens zag-ie ’n bijt. Sneeuw en ijs hadden de gaten verstopt. Stilstaand, grienerig van woede, verkleumdheid, wou-ie terugkeeren, in bed warmte gaan zoeken, toen ’n schelle jongensstem ’m riep.
“Dàààg Eli!”
Omkijkend herkende-die manken Jan-van-den-schoenmaker.
“Gedoomes fijn, hè!”, schreeuwde ’t jogje: “jeezes-mierande wat leit ’t dicht! As ’k geen manke poot had gong ’k rijje! Ga jij d’r mee op?”
“Nee”, zei Eleazar: “’t is hier koud genoeg!”
“Hù!”, schimpte de rakker: “dat zeg-ie maar—asof ’k nie-weet da-je nie durreft as d’r geen balke onder legge”.
Hij zei ’t zoo kinderdriest, dat Eleazar in den lach schoot.
“Balken legge d’r genoeg onder”, zei-ie, rillerig: “maar an balken heb-ie nie veel. ’k Zoek ’n bijt voor dooie visschen.”
“Wat mot je met dooie vissche?”, vroeg de schelle stem van den jongen.
“Eten!”, zei Eleazar.
“Verrek! Wat hei-je an dooie bliek? Die zou ik nie luste”...
“As ’t maar lekker gekookt wordt,” zei Eleazar, om ’m te overtuigen: “vecht je om ’n graatje!”...
“Dooie bliek—die stinkt.—As-je denk da-je mijn ’r tusschen neemt, zeg, mot je vroeger op staan!”
Weer lachte Eleazar, ’t ventje dat als ’n oud mannetje praatte bij z’n dunnen nek schuddend.
“Dooie bliek en dooie voren, gestoofd met ’n scheutje azijn, Jan—daar zou jij van smulpapen, as ’t warm voor je op tafel sting.”
Samen liepen ze op, de man en ’t manke jogje, sprekend als kameraden.
“Hei-je dan ’n schepnet?”—, vroeg Jan, geintresseerd.
“As ze boven drijve hei-je ze zoo maar te grijpe.”
“Boven drijve? Boven drijve? Verrek—dan rake ze toch onder ’t ijs!”
“As ’r’nbijt is, zoeke ze lucht—’n visch die geen lucht krijgt stikt—net as wij”...
“Hù!”, schreeuwde ’t jogje, schel in deochtendlucht lachend: “hù—’n visch die in ’t wàter stikt—hù—hù!”
“Geloof je ’t nie?”
“As jij ’t wèl geloof”—, redeneerde het ventje, zwaar hinkend in de sneeuw: “dan hei-je ze je belazerd—en da’s stom genoeg voor zoo’n groote kerel.”
“Dank-ie wel”, grinnikte Eleazar, opgewekt door de frissche brutale geluidjes naast ’m: “maar ’k denk dat ’r nog wel ’n páár dingen in ’t leven zijn, die jij èn ik nog nie weten. As ’n visch zóó doet”—stilstaand bootste-die met z’n kaken ’t happen van hijgende kieuwen na: “as ’n visch buiten ’t water leit te trekken, dan wil-ie ademe—snap je?”
Even dacht Jan. Toen zei-die helder-betoogend: “Sodejuu—dan zoue ze toch ééns zoo goed leven, bùiten ’t water. Zie je nou wel dat ze je belazerd hebbe! As je ze ophaalt an de hengel binne ze as de weerlicht kapot—nou—nou?—Hoe ken dat nou? In de lucht zit toch meer lucht as in ’t water, werin heelemaal geen lucht zit”.
“In ’t water zit óók lucht”, begon Eleazar uit te leggen, maar Jan was ’r als de kippen bij.
“...Hù! Hù! In water lucht! Dan zou jetelkes bellen na boven zien komme. As je met ’n ouwe pijpesteel in water blaast, komt ’t ’r net zoo hard uit, as je ’t ’r in fluit! Jij loopt te klesse. As ’k jou met je kop onder water hou, mot je verzuipe. En je zou nie verzuipe as ’r beneejen lucht was.”
“Dank-ie voor ’t lesje”, zei Eleazar, in ’n hoek gedreven en nog eens z’n aanloop nemend: “toch zit ’r lucht in water en al zat ’r geen lucht in, dan vin je in ’t water dezelfde dinge die in de lucht zijn—heusch, Jan”...
“Nou breek me klomp!”, schetterde de jongen: “as water lucht is en lucht is water, dan zoue de vissche kenne vliege en de vogels vortzwemme!—Jou kenne ze alles wijs make! Je mot ze maar late lulle!”
“En wáarom komme ze dan dood boven drijve in de winter?”, lachte Eleazar weer—toch kleintjes, want, och, och, as je dingen van uit de vèrte wist, drukte de eerste de beste slimme rakker je plat—“waarom, as ’t water toeleit gane de vissche met dùizende kapot?”
“Omdat”, zei ’t jogje dadelijk: “omdat ze verrekke van de kou, net as de grootvader van de flesschetrekker an de overzij, die ze in de kelder bevroren hei-je gevonden”...
“Nee”, zei Eleazar: “benèjen in ’t water is ’t, as de boel toegevroren is wàrmer, net as onder de grond”...
“Jij ken wel zóóveel zegge!”
“Vraag ’t dan an de meester op school”.
“Op school mag-ie niks vrage—enkel je vinger opsteke as je mot pisse”...
“Nou Jan—’t is werachtig zoo as ’k ’t zeg.”
“Hù!”, schreeuwde spottend ’t ventje: “hù! Ze hei-je jou verneukt, hoor! As ’t nie ken, dan ken ’t nie. As ik ’n visch was, dan gong ’k nou ook kapot van de kou”...
“Geef me ’n hand, dan help ’k je op ’t ijs”, zei Eleazar.
Ze liepen over de sneeuwbulten naast de baan, naar ’t badhuis, waar groote bijten waren gehakt. En voorzichtig toekruipend naar den rand met z’n opstaande blokken ijs, de lomphoekige blokken die de rijders waarschuwden dat ’r open vakken leien, brak Eleazar ’t versche, knappende vlies. Een enkel grijs-zilvrig vorentje met goud-rooden oogjens en rossige vinnen dreef tusschen de splinters.
Jan, ’n eind verder—met z’n tweëen te dicht op den rand was gevaarlijk—kreeg ’n schudding van lol.
“Godvergeefme—daar loopt-ie ’n halfuur voor uit! ’n Voren as ’n wòrm!”
“D’r komme ’r wel meer, as je geduld heb”, zei Eleazar, ’t vischje grijpend en naast zich leggend. Op de knieën gehurkt, keek-ie naar ’t machtloos gedobber van ’n groote bliek, die telkens op ’r buik dreef, dan weer ’n trillend vinslagje deed.
Versteven van kou, klappertandend, zat-ie te lóéren, met de drift van ’n wanhopig-uitgehongerd beest.
“’k Wou da’k ’n hengel had”, zei Jan, z’n armen stevig klappend als ’n kouwe schipper: “zeg—gane jullie dat nou heusch thuis vrete?”
“Ja,” knikte Eleazar.
“Met aarpels?”
“Nee—d’r zijne geen aarpels”.
“Vrete jullie dan enkel dat kreng!”
“’k Wou da-’k vast ’n zoodje had”.
“Weet jij wat mijn vader zeit?”
“Nee—wat zeit jouw vader?”—, herhaalde Eleazar, opstaand—op de knieën ging ’t niet, snee de kou door je heupen.
“Vader zeit dat ’t je èigen schuld is, as je nie hei te vrete, da-je ken werke as je maar wìl.”
“Niet zoo dicht bij ’t water komme”, waarschuwde Eleazar:—“je leit ’r in eer je ’t weet—en ik ken niet zwemme.”
“Is ’t je eigen schuld, zeg? In plaas dooie visschies te kaaie, kon je toch wèrke”...
“Ja-ja”, zei Eleazar: “àlles ken, hè?”—en zich plotsling buigend, greep-ie de bliek, die nog zwakjes leefde, even den staart in schudding rukte en hijgend de slijmrige kieuwen bewoog.
“Jeezes mierande!”, riep Jan, snel toeloopend en bewonderend kijkend: “dat hei-je handig geflikt. Hij leeft nog. Mag ik ’m vasthoue?”
“As je’mniet loslaat”, zei Eleazar.
Het kind nam den visch in z’n zwart handje, hield z’n pink dicht bij den bek.
“Zou-die bijte? Nee, hè? Ooge as kraaltjes, hè? Sodejuu, daar spartelt-ie haast los. Ja, dat mot je probeere. Dan mot jij maar niet zoo stom zijn, blinkende dief!”
“Rol ze in me zakdoek”, zei Eleazar—dan blijve ze koud”...
’n Poos zaten ze stil, opgeschrikt soms door ’t dreunen van ’t ijs als ’n ris rijders voorbijglee.
“Waarom kies je geen ander vak, as jegeen lol meer in diamantslijpe heit!”—, begon ’t kind weer.
“Lol is niet genoeg”, geeuwde Eleazar, bevangen door de kou: “je mot ’r mee verdiene”.
“Ja, voor niks dee ’k ’t ook nie—niks is nimmendal.—Zeg, wat is dat, zoo’n dìng, zoo’n diamant die jullie mot slijpe?”
“’n Diamant is ’n steen”.
“En werom mot je die slijpe?”
“Om ’m glad te make”.
“En dan?”
“Nou dan—dan is-die klaar en wordt-ie gedragen”.
“Door wie?”
“Door menschen met duiten”.
“Koope ze die?”
“O jee! Met ’n half pond van die steentjes, ben je zoo rijk dat je ’n eigen huis ken koope en niks hoeft te doen”.
“Da’s lulle”, zei ’t manke jogje, stellig: “met ’n half pond steene—’n huis—’n héél huis! Wat kost dan zoo’n steen?”
“Je heit ’r van hònderdduizend gulden”, blufte Eleazar, die schik in de jongens-rapheid had: “van wel meer”...
“Van die dinge van hònderdduizend guldes”, schreeuwde Jan, ongeloovig: “en wat doene ze met zoo’n ding?”
“Drage”, verklaarde Eleazar, ongeduldiger—je kon niks zeggen of ’r kwam ’n vraag: “drage an d’r oore, an d’r vingers, an d’r hals”...
“Verrek!”—, zei ’t jongetje: “hoe ken dat? Wat heì-je an ’n ding van honderdduizend guldes, dat je an je poote draagt!”—Weer schel-de z’n stem in ’n spottend hù!—weer trok-ie ’n gezicht dat-ie zich niet voor de mal liet houen: “godvergeefme de zonde wat ken jij met ’n glad smoel staan liege!”
Eleazar lachte hardop en Jan, denkend dat Eli ’t niet langer kon houen, schaterde mee. De zakdoek op ’t ijs stuipte in schudding. De bliek was nog niet dood. Er gingen meer schaatsenrijders voorbij, luchtig van zwier, met ademgevlucht bij de monden. Dichtbij speelden kindren met ’n slee, loopend in draf, met rinkel-raketting van dansende bellen. En in de verte joelde ’t geroep van de menschen in de tentjes die slemp en jenever verkochten. Heen en weer loopend, met voeten die geen bodem meer voelden en ’n vinnige tinteling inde handen van ’t koude water, keek Eleazar naar ’t vak. Jan, die zich verveelde, zei dat-ie ’r vandoor ging.
“Blijf-ie nog lang, zeg?”
“Hei-je zoo’n haast?”
“Nou ja—wat mot ’k hier? Je vangt ommers niks”...
“As je maar wácht”.
Hij stond haast te bedelen om ’t gezelschap van ’t kind. Alleen hield-ie ’t niet uit.
“Is je zussie weer beter?”—, vroeg-ie om te rekken.
“Wat voor zussie?”
“Die toen zoo ziek was—toen de kelder onder was geloopen?”
“Die was ommers nie ziek!”
“O nee?”
“Wel nee—noem-ie dat zièk?—Daar drijft ’r weer een! Daar komt-ie!”
’n Kleine bliek slapte omhoog, ’t buikje rood-lichtend, de vinnen draderig-waaiend als haar. Langzaam door ’t donkere gat van ’t water rees-ie, luchtig van drijving. Liggend op ’t ijs, de armen gestrekt over de bijt, greep Eleazar.
Maar ’t vischje in laatste herleving, schoot uit z’n hand, duikend onder het ijs.
“Wat ’n sekreet om zich dood te houe”, zei Jan en trapplend van kou, herhaalde-die: “ik ga d’r vandeur, zeg”.
“Goed”, zei Eleazar, mat. En ’n paar blokken ijs dompend, ging-ie zitten, de handen in de broekzakken, de beenen gekruist, wachtend op den afval van benee. ’t Jongetje klotste de baan op, zetjes nemend om glijbaan te spelen, ’t Horrelvoetje sleepte na, de armpjes strakten in dwaze cadans.
Wezenloos, vaal-van-uitputting, bleef Eleazar, kijkend naar ’t gat, naar den zakdoek die niet meer bewoog. ’t Kind met z’n drieste levenszekerheid had ’m òp gehouen—nou zakte-die in, moe en verstompt. Dezelfde wanhoops-besluiping van de fabriek, toen-ie naast Juda zat, in aanvoeling van ’t onweer, deed z’n wil in ’t futteloos lichaam besterven. Een stap, eén luttele glijing en hij was ’r uit, stikkend als de visschen, verlost uit ’t hijgend getob. Ziekelijk geeuwend, dat de tranen uit z’n ongemakkelijke oogen glibberden, begon-ie weer op en neer te loopen, bang voor ’t water dat ’m aantrok. Als ze ’m nou brood hadden voorgezet, zou-ie ’r van gekikt hebben, te ellendigas-ie zich voelde om ièts te kunnen. Wat was gebrek ’n ding dat je tot ’n beest maakte, dat je alles dee verwenschen, vergeten—wat was je niks, niks met ’n maag die ’t denken uit je kop trapte. Klappertandend, bukkend om den zakdoek met de twee dooie visschen mee te nemen, ’t nog eens in de stad te beproeven, zag-ie twee bliekjes beweegloos naast mekaar drijven. ’t Kikkerde ’m op. Snel met z’n pet scheppend, verraste die ze. Vier. Vièr. As-ie ’t opgaf, bracht-ie niks mee voor de kindren, de blinde, die gisteren gewacht had, vandaag wachtte. De zakdoek op ’ t ijs, trilde zachtjes, de plezierige stuiptrekking echoënd.
Tegen vijf, blij met z’n vangst—hij had ’r wel twintig, liep-ie de Sarphatistraat door. Daar waren ze nog bezig met ’t ruimen. Op gelijke afstanden leien puntige hoopen sneeuw en straatvuil. Handkarren werden af en aan gereden om ’t veegsel in de vaarten te storten. Bij het station werkten ploegen met bezems, schoppen en latten. Suikerpeer, ongewoon-rood van gelaatskleur, stond op ’t trottoir de ingevroren sneeuw los te bikken.Rustend op den steel, kapot van den arbeid dien z’n oud joden-lichaam nauwlijks kon volhouden, spuwde-die hijgend.
“’k Wou dat ze mijn vanmorrege hadde angenome”, zei Eleazar.
“’k Leg net zoo lief ’n week ziek”, sprak de groentenjood, meewiegend ’t gehijg van z’n borst: “dad-is geen werk voor ’n jid”...
“Je sleept ’n daalder na huis—wees blij, gammer”.
“Blij! Blij! Me lendene krake—’k hei geen droge plek an me lijf. Daar mod-je ’t lichaam van ’n goj voor hebbe. Van zeven uur tot nou an toe! Kijk wad-’n blare an me poote”. Bevend van moeheid, met handen die-die niet stil kon houden, liet-ie de stukgewerkte, bloedrige blaren zien.
“Cente verzoete blare”, zei Eleazar, bijna afgunstig.
Doorloopend, omdat de stadsopzichter op ’t trottoir kwam, snauwend naar ’t gebabbel keek, wachtte-die op den hoek tot ’n handkar gevuld was. Er werd een lantaren aangestoken, die schamper-geel met ’n groenigen nimbus ’t weifelend daglicht doorschrilde. In de holte van ’t station vurigden de roode signaallichten en op’t plein kil en nevel-schimmig klamde in meerdere kappen ’n vlam, slurperig-kwijnend achter de vetting der glazen. De jodenbuurt inwandelend, hield-ie in zich de ziening van de werkende mannen in de sneeuw, het norsch beweeg der bezem-zwaaiende armen, het strammen der beenen—’t er ùit vallen bij dien spierarbeid van den ouwen jood—gelijk ’n pootige christen-koopman ’r uit viel—die met joden negotie dee.
Tante Reggie had van Soor ’n half brood gekregen. Nou Eleazar thuis kwam met visch, kende ze ’r weelde niet.
“Hei-je ze gekòch?”—, vroeg ze eerst, den zakdoek betastend, van elken visch door ’t goed heen, de dikte bevoelend.
“Nee”, zei-die, ’n homp droog brood in gulzige brokken slikkend—as-ie langer gewacht had, was-ie in mekaar gezakt: “nee, die hei-’k uit’nbijt gehaald”.
“Uit ’n bijt”, sprak ze: “hoe ken men z’n leven zoo wàge!” Hij lachte.
“Maar nou”, zei ze, bezorgd voor zich heen pratend: “nou hebbe we visch—en wadde lekkere dikke zijne d’r bij—maar nou bin jenet zoo wijd—zonder stoking enne zonder zout”.
“Laat ’k ze eerst schoonmake”, zei hij opgemonterd: “dan kijke we verder”. Zij, in den deurpost, luisterde naar ’t geschrap van z’n zakmes. Visch voor visch, lei-die op ’t vensterkozijn en ’t mes malschte de schubben, die in ’t avondscheemren warrelend stoven. Saartje, die van boven kwam, keek met blij-verwonderde oogen.
“Bin je an ’t vissche gewees, oome?”
“Ja, Saar.”
“En wat zijne dat oome?”
“Da’s ’n bliek—en dat ’n voren—en dat—da’s ’n ràre die ’k nie ken”.
“Mag ’k mee hellepe schrappe?”
“Nee—stil nou!”, zei-ie, ineens nijdig, omdat-ie zich stak an ’n rugstekel—: “hè!”, klaagde-die, zuigend en ’t bloed in de sneeuw spuwend.
“Hei-je je gesneje, jònge?”—, vroeg de blinde, pijnlijk kijkend.
“Nee—me geprikt”.
“Mot je goed uitzuige—Sally van Mak heit ’r ’n opgezette hand van gekrege—van belang! Zuig-ie goed?”
“Ja, norschte hij, kribbig van pijn.
De traptreden kraakten, stugger van knettergeluid in de kou. Essie van Suikerpeer, ’n doek om ’r hoofd, kwam is kijken waar Suikerpeer bleef. Toen ze hoorde dat Eleazar ’m gezien had, bleef ze ’r handen wrijvend staan babbelen.
“Wad-’n bemazzel”, zei ze, ’r bandeau-hoofdje wrikkend: “hoe komp iemand zoo bemazzel, as ’t water dich leit as ’n pòt! Hoe kèn men hengele—mijn ’n wonder!”
“Heit-ie uit bijte opgehaald—met levensgevaar”, praatte de blinde.
“Zal wel twee pond weze”, taxeerde Essie: “zijne dat baarsies?”
“Bliek en vores”, vertelde Eleazar geduldig.
“Nou zal u nie geloove”, knikkelde Essie: “maar nou loop me ’t water uit me mond—zoo werachtig as ’k leef—wat ’n mazzel!”
Ze zei ’t zoo verlekkerd, zoo gretig en ’t heele huis wist zoo wat ieder in z’n kast had, dat Reggie, goedig-lachend, vroeg of ze ’r de helft van wou—want tien voor haar, Dovid, Eli en de kindere was zàdde genog.
“Nee, nee,” zei Essie, lacherig, buur-vrindelijk: “nee, laat ’k u niet ontrieve”.
“Ontrieve! Ontrieve!”, drong Reggie aan: “hoe ken u mijn ontrieve? We hebbe jà visch zonder vuur, en hebbe we jà vuur d’r bij, dan hebbe we geen zout en geene aarpels”.
Even soesde Essie in overweging van ’t voor en ’t tegen—dan ineens druk-lachend zei ze:
“...Weet uwe wat? Weet uwe wat? Leit u bij mijn uw dalles—dan hebbe we allemaal àlles. Hèhèhè!—Enne dan kenne we bij mijn koke—’k hei nog ’n kooltje over en ’n beetje heete asch—enne dan zalle we verder zien.”
“Kanne we met zooveul bij u zitte?”—, vroeg Reggie.
“Hoe meer ziel, hoe meer simge”, knikte Essie.
Eleazar, die de vischjes in ’n emmer water gemept had, veegde z’n mes schoon.
Maar Essie, die ’m enkel had zien schrappen, werd ongerust.
“Eli, wat gaat uwe nou beginne? Mot ’t vuil ’r nie uit?”
“’t Vuil”, zei hij—“wat voor vuil?”
“Og, wad-’n frotzak—me-kan toch geen visch koke met de darme d’r bij! Sjijn zal ’t weze. As de gol d’r in blijf, ken je ze wegsmijte as grate!”
“An welleke kant mot ’k ze dan opensnijje?”—vroeg-ie—“links of rechts?”
“Snijdt uwe ze ope an de buik”, zei Essie: “dan heit-u links en dan heit-u rechs—as u ze vergalt is de heele maaltijd verschteurd”...
Voorzichtig zette Eleazar de punt van ’t mes in ’n buik, snee toe naar den kop en in ’t geschemer der plaats, slipte ’t vuil uit de wond. De gal kon-ie niet vinden. Tastend en trekkend kreeg-ie de groen-bruine smurrie over de vingers.
“Adeschim wad-’n mijnse!”, riep Essie: “as z’n hande in boter zijne gebrajen, ken-die ’t nog nie! Stop ’m derek in ’t water, anders kots je je hart uit je lijf”...
Saartje liep met ’t vischje naar de kraan, Essie nam ’t mes over van Eleazar. En met handige sneedjes wipte ze de ingewanden er uit.
“Zoo—as uwe ’t zoo doet, Eli, kenne d’r nooit geen vergallinge gebeure—enne goed dad-’k ’r bij bin gekomme, Reggie—want uwe had ’t nie gezien—Og, wad-’n bezze gammer, die jà ’n kòningsmaal zal bederve”...
’n Koningsmaal. Ja, ’t werd ’n koningsnoen, ’n noen die ’t heele huis in vroolijkheid zette.Want nog terwijl de visch stond te koken, met ’n beetje zout dat Mijntje bij den schoenmaker—’n haurik van ’n vent in de laaste tijd—maar zout weigerde je an niemand, an je grootste vijanden niet!—had geleend, kwam Suikerpeer thuis met harde bokkings. Wat-ie nooit dee, was ’m vandaag overkommen. Rot van moeheid, was-ie baloorig met de andere sneeuwruimers ’n paar brandewijntjes met suiker gaan drinken—enkel jenever lustte-die niet—toen opgeknapt, bang voor Essie die ’n honde-neus had en ’t merkte as-die sjikkerde, had-ie zes harde bokkings voor ’n dubbeltje gekocht. Je kon d’r rauw an smullen en gewarmd op ’n doove-kooltje was ’t om je tien geboden te likken. Visch met ’n scheutje azijn, ’n pietsie peper èn harde bokkings—in geen tijje hadde ze ’t zoo betoeg gehad, zei Reggie, ’r vrindlijke tevredenheid aan de andren opdringend.
“Over ’t end van me jare”, praatte Suikerpeer: “mod-’k geen sneeuw meer scheppe. Da’s grùwelwerk. Addeschim, as je ’n uur bezig bin, hei-je geen rug meer—en geen poote meer—hei-je niks meer. Geef mijn ’n kar met negotie—late zìj zich ’n breuk sappele! Niks voor ons!”
“’k Wou dad-je d’r nachwerk van had”, zei Essie: “hoe ken men zoo vloeke over ’n kostelijk daggeld!”
“Zal ìk me droppele zweet, niet te telle, voor honderd-vijftig rooie cente verkoope!”, rekende de groentenjood: “hei-’k gelijk, Eli?”
Bezig de kinderen, die pas gekrijscht en gevochten hadden, stil te houden, knikte Eleazar. As-ie ’t tegendeel zei, zwaar-op-de-hand ging beweren, kreeg-ie ’n heibel als dien avond bij Soor.
“Je doeit ’t”, zei Suikerpeer: “omdat je anders krom ken legge van honger—as ’k je weer hei te vloeke, wensch ’k je blare van-de-sneeuw”.
Net kwam Rebecca binnen. ’t Petrolie-stel onder de rijst met de grauwe erwten, die ze samen in één pan kookte, was uitgegaan. Of ’t hinderde as ze de pan in ’n leeg gat van de kachel stak? Ze zag blauw van de kou. Dagen lang hadden ze niet gestookt. En Poddy kreeg zoo’n trek, nou-die vandaag wat beter was.
“Zal ik je wat zegge?”—, zei Suikerpeer uitbundig: “komme juillie allemaal hier—dan fresse we bij mekaar—botje bij botje”...
“Ja doe dat”, knikte Reggie: “gesjogtenheid is geen gesjogtenheid—as je déélt”...
“En vàder?”, zei Rebecca, traag-aarzelend—’t was hier zoo lekker warm en zooveel mensche.
“Dan gane we je vader ’n borretje van álles brenge”, zei Suikerpeer: “dan krijgt-ie ’n—’n franse maaltijd—eerst visch—pezon—enne dan harde bokking—bekon—enne dan rijs met soger-errette”...
Na de hardheid van den dag, ’t sloven en zwoegen in de felle winterkou, schenen ze uitgelaten te worden. Kwam de morgen, dan kwam de morgen. Nou, terwijl de wind langs de hoeken van ’t huis gier-suisde, voelden ze ’n vreemden drang bij mekaar te kruipen.
“Zal ’k ’t vader gaan vrage?”
“Natuurlijk”, zei Essie.
“En mag Joozep meekomme?”
“Nou nee! Mot Joozep dan niet ete, nar van ’n meid!”, schreeuwde Suikerpeer.
De kamer pufte van ’t rumoer. Esther, Meijer, Jaantje, Flippie en Bekkie, de kindren, praatten en kibbelden. Bekkie, hongerig, sloeg met ’r lepel tegen ’n bord.
Mijntje, die van de kast naar de tafel liep, tellend of ’r genoeg vaatwerk was, trok ’rdan nijdig den lepel uit de hand, ’m op ’t tafelvlak kletsend—’t was om stapel te worde, dat lawaai en getik!—en als ze weer bij de kast was, dee Bekkie ’t opnieuw, verwend en brutaal.
“As uwe van beneje effen wat borde wil hale?”—, vroeg Essie aan Eleazar: “we komme d’r nie. Nee, we komme dr nie, Mijntje. Wij zijne met z’n achte en u en Reggie en Saartje zijne d’r ellef—enne Bekkie en Joozep—dad-zijne d’r dertien”...
“Dertien”, zei tante Reggie, angstig: “dertien—dertien mag nie. Heit-u Dovid wel meegeteld?”
“Enne Dovid is veertien”, knikte Essie gerustgesteld. Met z’n dertiene ete, nie voor al ’t geld van de wereld—dan had ’r een weg gemotte.
Met bolle stappen dook Eleazar de trap af, mal-vergenoegd. Wel meer had-ie ’t meegemaakt, dat in tijden van armoe, een-hoog en twee-hoog d’r eten bij mekaar brachten. Jaren en jaren geleden, hadden ze nog zoo is gezeten met Juda en Hes, alles scharrelend uit hoeken en gaten—en eens met Isaacs, die op kermissen koek verlootte—telkens was ’t ’nvervroolijking, ’n gijntjes-zeggen zonder eind geweest. Nou, na ’t gezoek, ’t gewroet, ’t getob—z’n wanhoop bij de bijt zwartte nog in z’n hoofd—stond de komende avond als ’n niet gewachte vreugde. Vorken, lepels, borden en schalen greep-ie in ’t donker en haast neuriënd stormde-die de snauwend-krakende trap op. Op ’t portaaltje gaapten de deuren van Suikerpeer en Poddy.
Lawaaierig-druk, lollig van lach, hielp de groentenjood Rebecca, om Poddy’s tafel door de posten te wringen. Poddy, in ’t bed, vermagerd, met hoofd- en baardhaar in wilde vergroeiing om ’t scherp gespaak van neus, mond en jukken, zat te schreeuwen hoe ’t most.
“Luister dan nie! Luister dan nie! Zoo is-die d’r nie in gekomme! Draai ’m over zijn kop!”
“Laat mijn nou trekke!”, riep Suikerpeer koppig, stootend en wrikkend: “waas ist dos voor ’n verschwarzte tafel!”
“Draai ’m over zijn kop!”, schreeuwde Poddy weer.
“Hoe ken men zien wad-de kop en wad-de togus is?”—, gijnde Suikerpeer.
Met viel de la uit de tafel, wat zoo’n smak gaf dat Essie en Mijntje en de kindren op ’t portaaltje te hoop drongen.
“Nah! Nou zeg ’k niks meer! Hij heit z’n zin!”, gromde Poddy.
“Hoe ken men zoo verstopt, zoo stom zijn”, begon Essie te verwijten.
“Groot ongeluk!”, lachte Suikerpeer, oprapend wat in de la had gezeten: “dr leit jà ’n pietekam en ’n zilveren vork in! Hoe bergt men zijn zilver nie beter!”
’t Duurde ’n poos eer de tafel door ’t deurgat was. Want iedereen gaf raad.
Poddy wou ’m op z’n kòp, Essie overdwars, Mijntje schuingehouen-in-de-lengte. En blinde Reggie stond maar gedwee te roepen dat ze op moste passe om d’r vingers niet te klemme en niet te struikele bij de trap. Toen, bij ’t nieuwe deurgat, moest Eleazar ’n poot afhouen die tegen den muur werkte, ’t kalkgruis met stuivingen dee storten, stompte Suikerpeer tegen ’n knellenden hoek van ’t blad. Rebecca, giegelend, met bedwongen proesten, omdat de groentenjood zich pijn dee, hield de la vast, de la met de kam, de ijzeren lepels, bandjes en klosjes. Eindelijk met ’n hoera van Meijer, Saartje, Jaantje en Flippie, schoof de tafel naar binnen.
Eleazar maakte ’n praatje met Poddy. Deheele, hééle nach—sprak de zieke—had-ie legge schwitze en noeste. Nou, gedank, had-ie ’n paar vrije uurtjes—en trek—op z’n woord-van-werachtig trèk. Z’n skelet-handen bewogen als in weving over de deken, z’n oogen leien verdoft in de kassen.
“Laat Joozep en Rebecca maar hiernaast eten”, zei-die blazend: “ik stik enne zij krimpe van de kou. Sally enne Rozetje enne Serre hèbbe al gegete—’n wonder hoe kindere door alles heenslape”...
“Hei-je ’t zoo warm?”, zei Eleazar, huiverend in de kilte der kamer, na de lekkere warmte bij Suikerpeer.
“Warrem?—’k Hei ’t nie warrem en nie koud—’k hei ’t lèkker—’k hei me in geen maande zoo lekker gevoeld. Niks as ’n kou gewees—enkel ’n kou”...
De deur werd geopend en Jozef, de oudste zoon, kwam binnen. Voor ’t eerst zag Eleazar ’m van dichtbij—’n jongen van zestien of zeventien, of vijftien, met aankomend snordons, bleek en met vet-rooie lippen.Hij kon ouder geweest zijn, dor mannetje als-ie leek.
“Dag”, zei-ie, Eleazar niet herkennend.
“Hei-je verkoch?”—, vroeg Poddy, ’n doosovernemend, waarin netjes gerijd de sigaretten lagen.
“Nimmendal”, zei de jongen, bot. Den heelen dag had-ie op ’t ijs, bij de tenten, gestaan, zonder eten. As ’t ’m te lam om z’n maag werd, scheurde-die ’t papier van ’n sigaret, kauwde de tabak als ’n pruim.
“Nimmendal!”, gromde Poddy: “is mijn nog nooit overkomme!”
“Prebeer ’t dan zèllef!”, zei de jongen valsch.
“Mod-ik ’t prebeere!”—, rauwde de vader: “vuile hond! Hei-’k ’t nie me heele leven voor juillie gedaan?”
Verkleumd ging de jongen bij ’t dakraam zitten.
Meelijdend schudde Eleazar ’t hoofd naar de zij van de bedstee, wenkend met de oogen.
“Trek z’n partij!”, kregelde Poddy: “leg je hande onder z’n luie poote, dan wordt-ie nòg geen sauger! Ik ’t prebeere! Ik ’t prebeere! Ik met me zieke lichaam en me stijve poot! Vuile hond!”
De jongen keek gluuperig-valsch, hield zich in. Rozetje, op ’t matras in den hoek, wakker-geschreeuwd door Poddy’s kwaadaardigheid, zat even op, wreef zich de oogen, keek rond,zakte weer naast Sally, ’t broertje. Eleazar’s oogen gingen van ’t matras naar ’t dor mannetje bij ’t dakraam. En zich den avond herinnerend, toen-ie in den deurpost van den sigaretten-jood had gewacht, toen de lamp walmde en ie Rebecca met Joozep en Serre tezaam had zien liggen op den grond, kreeg-ie ’n dwaze, rillerige, onverklaarbare sensatie—dwaas, dwaas—z’n eigen jeugd was niet anders geweest.
’t Was bij achten eer ze aten. ’t Liep van geen leien dak. Essie kwam azijn tekort. Saartje werd naar benejen gezonden, om de flesch te halen, waarin nog ’n restantje most zijn. ’r Geelde ’n dikke laag schimmel op. Beurt om beurt roken Essie, Reggie, Mijntje, Suikerpeer aan den hals of ze nog goed was, of je ze nog mocht gebruiken. En terwijl Essie roerde, met toeterblaasjes van den lepel proevend, slurpend met vinnige haaltjes, stampte Mijntje de trap af, om voor brood te zorgen. Scheelde geen nippertje of ze hadde ’t vergeten. Dovid was ’r nog niet. Ongerust, bang voor ’t getal dertien—zat Reggie in ’t rumoer de buitengeluiden te beluistren. Rebeccamost effen gaan kijken en Eleazar rondzien in de straat, voor. Poddy kreeg vast z’n portie—’n gestoofde bliek, ’n kwak rijst met erwten en ’n halleve harden bokking. Suikerpeer bracht ’t ’m zelf, maakte ’n kuil in de deken, trok ’t vel van den bokking met z’n nagels, omdat Poddy zoo schlemielig tekeer ging dadde de erwte in ’t bed rolde. Dan, hijgend, frisch-rood van de vriezende straat, holde Mijntje terug met ’t brood en de heete centen, die ze van ’t kwartje werom had gekregen. ’t Vierkant brood op de tafel, nam ze ’n mes om ’r op los te hakken.
“Schei uit!”, schreeuwde Essie, die de eerste homp met vijandige oogies volgde: “schei uit—dad-is geen snijje—dad-is jàpe!”
“Komp ’r wad-op-an! Zoo of zoo”—, zei Mijntje, betweterig.
“Blijf d’r af—laat mijn ’t doen!”, riep Essie schel en ’r Reggie in betrekkend, praatte ze over ’t kindergeraas heen: “nog geen nà-gedachte as ’n cent zoo groot! Brood jape is geen brood snijje. Voel u is! Dat noemp ze ’n boterham. Hoeveul boterhamme snijdt u uit ’n brood?”
“Zooveul as ’k wìl”, glimlachte de blinde,die jaren op den tast had gesneden—dik of dun, naarmate ’r was—: “boterhamme snijje is ’n kùnst—’k haal d’r wel twintig uit”.
“Twintig!”, zong Essie: “nee, dan mod-u is wachte—dan zal ik u wat anders late zien”.—En ’t brood tegen de plank van ’r platte borsten houdend, liet ze ’r snel en sekuur ’t mes in glissen, zonder ’n afwijking, zonder ’n hapering. Meijertje, aandachtig de handen onder ’t hoofd, telde hardop en hoe hooger-ie telde... drie-en-twindig, vier-en-twindig, vijf-en-twindig, tot een en dertig toe, hoe bewonderend-wieglender Reggie’s glimlachend hoofd bewoog.
“Jij bin ’n húisvrouw”, zei ze met klank van weten en zegen.
“U ken ze nie zien—u heit makkelijk zegge dat moeder ’t verstaat”, zeurde Mijntje: “dat zijne geen boterhamme, dat zijne piemeltjes”.
“Zijne dat piemeltjes!”—, riep Essie, nijdig ’n boterham tegen ’t licht houdend, dat de korst op ’r voordeeligst te zien kwam: “doe ’t me na voor veertien perzone, stik schlemiel!”
“Ik ken nog wel pietseriger piemeltjes snijje”, bleef Mijntje drenzen: “as je goed kijk binne ’t matzes”...
’r Dreigde ’n kleine twist, Suikerpeer lachte,Essie keek giftig, vroeg of-ie gesjikkerd had, dad-ie zoo mesjogge dee? Jaantje, die de broodkruimels van ’t tafelzeil pikte, kreeg ’n tik op ’r hand.
Gelukkig knepperden de traptreden onder haastig-trappende voeten.
“Dovid”, zei de blinde met vreugde in ’r stem.
Hij was buiten adem van ’t loopen, had groote pupillen van opgewondenheid en ’n stem zoo beslagen van zenuwen, dat-ie stond te brabbelen, verward en kuchend.
“We hebbe op je gewach! We rammele van de honger!”, schreeuwde Suikerpeer.
“Is dat uitblijve! Bij achte!”, klaagde Reggie.
“An tafel! An tafel!”, riep Mijntje de lawaaiende kinderen toe.
Met groote moeite, de woorden uitblazend, zei Dovid: “Nieuws! Groot nieuws!”
“Nieuws?”—, vroeg de blinde ’t sterkst van gehoor.
En Dovid, zich voor ’t eerst sinds weken tot Eleazar wendend, riep schor: “wij gane winne!”
“Winne?”—, zei Eleazar, schrikkend.
Weer zei Dovid wat, maar de kinderen gilden en Bekkie sloeg met den lepel op ’t bord.
“Houe juillie je schmoele!”, dreigde Suikerpeer.
“Mod-je na bed zonder vrete?”, snauwde Mijntje, die ’r ’t meest ontzag onder had.
De herrie zakte en hijgend, kurkig van zenuw-wrokking, klonk nog eens Dovid’s stem: “wij gane winne! De juweliers—de juweliers—hebbe vanmiddag ’n brief—’n brief geschreve—”... Trillend van ’t nieuws dat-ie kwijt was, hapte-die naar adem.
Nou-ie door geweld en ruzie, was gedwongen geweest, ’t werk neer te leggen en weken en weken op de stakers had gescholden, de pooiers en vuilike die ’m ’t brood uit z’n bek hadde gescheurd—voelde-die nou toch ièts van den massalen roes, iets van de vreemde vreugde die Eleazar deed opbonzen.
“Hebbe de juweliers geschreven!”—, riep-ie: “en wat? Hoe weet jìj dat?”
Blazend, hoesterig zat Dovid te glimlacheren.
“Hoe ik ’t weet!”, hijgde-die: “van wiè zal ’k ’t wete, gammerkop! Ze vrage om Dekker te spreke—morrege zal d’r konferentie weze—overmorrege ’n meetting in ’t Paleis”...
Na de diepe ellende van de staking, ’t tergend geduld van de juweliers, de grijnzende wanhoop dat ’t eind ’r was, dat ze nuttelooshadden gevochten, dat ze verdeeld, uit elkaar geslagen ’n vragende hand zouen moeten ophouen, klonk ’t bericht zoo geweldig, ’t bericht dat duidelijk zei hoe zwak de juweliers zich begonnen te voelen, dat de groote menschen verrast zwegen, kijkend naar Dovid’s lachrig-verheugd gelaat en de kinderen van den weromstuit even stil bleven.
De stem van de blinde vrouw, sprak ’t eerst. ’r Doode oogen bezwommen de lampekous, met bewegende glansjes in ’t melkwit. Snuivend van aangedaanheid, op huilen af, zei ze:
“God zal ze zegene, omein wie omein, as zij de verstandigste zijne—en—en make dad-’r weer vrede komp... God zal ze zegene”...
“Zegene! Zegene!”, vlamde Eleazar en met hartstocht in z’n grijze oogen, driftig op de tafel steunend, ’n spottrek om den smallen mond, riep-ie: “wìj kenne ’t zonder zegen. As ’t deze keer was misgeloope, hadde we ’t na jare weèr gedaan—zònder zegen—zònder zegen—As we verlieze winne we nog—as we winne is de winst ’n futje van wat we later nème. De zegen van God kenne zìj toe krijge!”
“Eli! Eli!”, knikkelde de blinde angstig:“hoe ken men zoo uitvare! Hoe ken men zoo vloeke! Is ’t geen mitswe dat God ze de éérste laat zijn—dat-ze simge krijge met de armoei bij ons?”
“Simge! Meelijjen, zij!”, driftigde Eleazar: “as ze toegeve is de markt rijzend, hebbe ze stroppe, kost ’t te veel. Maande hebbe de krenge tienduizend mensche met honger gedwonge! Weken en weken heb jij, hebbe de kindere niet te vrete gehad. Nou in-eene simge? Zij meegaan met God! Die weet zoo goed as u en ik, dat-ie ze uit d’r beurs mot blijve! As-die an d’r duite, d’r mezomme komt, verstoort-ie de orde!”
“Mag-ie nie zegge, mag-ie nie”, glimlachte vredig de blinde: “God heit wel mijn ooge bezocht—en ’k bin nie in opstand”...
“Jij ben ’n engel”, zei Eleazar, ’r ineens zoenend, wat ’r bandeau dee verschuiven dat ’t zilverhaar pluisde in ’t lamplicht en de kindren druk van lol begonnen te gieren.
Zij ’r bandeau lacherig terugduwend, zei nog eens: “God zal ze zegene—huillie en juillie”...
Essie zette de pan met de visch op tafel—Rebecca nam de rijst met de erwten van ’t vuur—Suikerpeer brak de harde bokkings in drieën. Vroolijk, gijntjes schreeuwend, groepten ze om de twee tafels, pratend over ’t nieuws, over de kou buiten, over de handigheid, ’t gogme, van Eleazar om visch te vangen in ’n bijt. Telkens als Essie, zuinig mikkend, ’n bliek op ’n bord had geschept, vroeg Rebecca zangerig-vrindelijk: “Lus u ook wat van mijn klatsch?”, en als iemand dan ja zei, smeerde ze den potlepel in de brei. Suikerpeer, kijkend voor wie de portie was, deelde de staarten en koppen van de harde bokkings aan de kindren, de middenbrokken aan de grooten. Voor wie ’t wou hebben, roosterde-die ’n stuk in ’t open gat van de kachel, wijkend als de vlam door ’t druipend vet laaide. ’t Doorstonk de heele kamer, niemand had ’r hinder van. ’t Werd een stilte van slurpen, happen en vorkengetik. Reggie, voorzichtig, doorploos den visch met ’r vingers, bang voor de graten, lei de schilferstukjes op de boterham. Dovid, zwijgend, uitgehongerd, vrat den harden bokking met graten en vel, lepelde de rijst en de erwten zoo driftig, dat Essie verwonderd ’r hoofd schudde.
“Dovid—jij vreet je ’n barschting!”, waarschuwde ze.
Dovid, snel-slikkend, ruig-van-gijn, had moeite te antwoorden: “voor mijn part zalle juillie over twee dage sjiwwe over me zitte, as ’k maar genog krijg!”—, riep-ie ’n vollen lepel ’r bij persend.
“Hè! Hè! Wad-’n barschtkeel!”, lachte Mijntje.
Bij ’t raam, op mekaar, zaten de kinderen, Saartje naast Meijer—Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie ’r over. Jaantje lustte ’r bokking niet, ruilde met Meijer, die ’n hap rijst afgemikt lepelde. Op den hoek, dicht bij Eleazar hurkten Rebecca en Joozep op ’n sinaasappelkist. Soms klopte Poddy met z’n stok tegen de overzij-deur, ging Rebecca hooren. Of d’r nog bokkum was—of ’n graatje visch? En door den deurkier schreeuwde-die dan van uit de bedstee, dad-ze sigarette konne krijge as ze klaar ware, zooveul as ze woue. Suikerpeer vertelde nòg eens hoe-ie gesàppeld had—wad-’n frot werk ’t was de sneeuw van stoepen te bikken. En ’n haurik as ’r toezich hield. De pest had de vent in gehad, dat ’n jood an was genomen. As de christene vegers geen mieter deëe had-ie z’n smoel gehouen—maarzóo as hij ’n luchie schepte, was de vuilik met rissches begonne, had-ie telkes geroope: nou Mozes!—en nou Semmie! En of hìj dan zee: steek de moord en lek me de maarsch—tot ’t end toe had-ie ’m gesodemieterd. Toen proefde Eleazar, die ’t lekkers voor ’t laatst had bewaard, van z’n èigen visch—brulden ze van ’t lachen, omdat net hij de vergalde bliek had te pakken. Hoe ’t geen haar had gescheeld, lachte Essie, of ’t was met de heele zooi gebeurd.
“Wil u nog wat van mijn klatsch?”, vroeg Rebecca weer.
Tante Reggie, langzaam happend, prettig van herinnerings-gepraat, zei dan hoe zij in ’r jeugd zùlleke snoek stoofde—snoek—in die tijjen kon je an snoek komme—vandaag de dag, was ’r geen snoek meer en as ze ’r was, kon je ze niet benadere—hoe zij de buike opvulde met koek en wad-’n eten dat was—’n eten zoo fijn as ze ’t op de heere- en keizersgrachte nie krege. Ja, zij had kenne koke in ’r tijd—Essie die kon ’t ook—maar zìj had ’r ’n bijzondere slag van gehad. An een sjabbes, toen ’r man en ’r kindere in leven ware, en femilie overwas, had ze voor zestien persone soep van één ossepoot getrokke—van één ossepoot met twee cente prij, een cent cellerij en wat witte boonen. En geen slappe soep, maar ’n soepìe waarop de kracht dreef. Nou, Essie wou niet bewere dat ze voor zestien persone van één poot kon koke, maar ze bracht ’t ’n heel eind van ’n dubbeltje koppevleesch.
Dovid knoopte z’n broek los, zat even te puffen. In geen maande had-ie zoo dik-betoeg gegete. Sappig peuterde z’n wijsvinger in z’n mond om ’n graatje los te werken, dat tusschen de tanden schrijnde.
Na ’t eten, rommelden Rebecca en Mijntje den vatenboel bij mekaar. De kou van ’t huis lei om ’t eenig verwarmd kamertje. De wind schoot met fluitingen over de binnenplaats, deed de deuren rammelen alsof ’r geklopt werd. Bij de kachel, de voeten tegen den aschbak, zaten de mannen, Poddy’s natte cigaretten rookend, dat de lamp in melkwitte nevelen bleekte. Als de avond had kunnen duren en duren, waren ze blijven plakken, blij mekanders stem te hooren, blij met de heerlijke gezelligheid. “En nou zalle we juillie nòg is trakteere”, zei Essie.
Mijntje most ’r weer op uit, om bij de water-en-vuurvrouw ’n halleve cent heet water te halen, met ’n hallef lood koffie van twee en halleve cent en ’n likkie gebrande stroop. As ze dan langs de melkslijter kwam, kon ze ’n halleve cent melk meebrenge en uit de nasscherijwinkel twee cente zwarte balletjes—je kreeg d’r vier voor ’n cent. In de kast was nog ’n plat toetje kaneel—dan had je alles voor frànsche koffie.
“Hebbe we dan komme genog?”—, vroeg Suikerpeer.
“Scharrele we wel”, zei Essie: “as Eli van benejen wat haalt”...
Met Mijntje samen, liep-ie omlaag, klappertandend van de kou in de gang, na ’t eten. En weer op den tast, nam-ie de kommen, haastte terug naar de warme kamer boven. Op ’t portaal, in ’t donker, botste-die tegen Rebecca, die bij Poddy geweest was.
“Bin jij ’t Mijntje?”—, vroeg ze.
“Ja”, zei hij vroolijk.
“Niewaar!”, lachte ze ’r handen uitstekend en z’n ongeschoren gezicht beaaiend—’r adem blies langs z’n hoofd.
Toen ineens, sloeg-ie z’n armen om haarmiddel, drukte ’r tegen zich aan, wild en hartstochtlijk. Den heelen tijd an tafel, had ze ’m zitten kwellen met de gitting van ’r oogen, met de frischheid van ’r mond. Nou hàd-ie ’r, ’r natte lippen op zijn lippen, ’r borst tegen zijn borst, ’r buik tegen zijn buik. Hij tuimelde haast van verrukking, zoo als ze ’r armen om z’n hals klitte, zoo heet als ’r mond den zijne bezoog, zonder ademschepping, zonder zucht. Met gloeiende oogen, vaster aandrukkend, met fel-rosse vlamming in ’t hoofd, voelde-ie de warmte van ’r mond, dien-ie niet zag, de kieteling van ’r haar, dat-ie niet zag, de passie van ’r lichaam, dat-ie niet zag.
Mijntje die de trap opsjokte, ketste hen van mekaar.
Mal van gebaar, bleek, kwam-ie de kamer binnen, terwijl zij naar ’r vader terug liep. En toen ze ’n oogenblik later, lacherig, dwalend-van-oogen de deur opende, keek ze naar iedereen, niet naar hem, in lichtschuwe beduusdheid.
Essie zette koffie, telde de zwarte balletjes—acht voor twee cente, zooas ze gedacht had. Balletje na balletje kraakte ze tusschen ’r kiezen in tweeën, dee in elke kom ’n helft.Gruizelde ’n balletje stuk in ’r mond, dan taxeerde ze de scherfjes die an ’r vingers kleefden, wreef ze langs de randen der kommen. Mijntje strooide voorzichtig kaneel uit ’t toetje en Rebecca, licht-bevend goot ’t water in de kous met de gemalen koffie. Slurpend en blazend dronken ze toen, luidruchtig, dol, gijntjes en grappies vertellend.
“In geen jare—in geen jare”, knikte de blinde: “hei-’k zooveul an één stuk hoore lache—in geen jàre”...