Hoe de Dieren sterven.

Twee vogeltjes op een tak.Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft voor het hert en den patrijs te zorgen,maar moet ook aan den panter en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende, waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.Hoe ’t ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken—want het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder zorg—maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat.De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke angst niet instinctmatig is, maar eenvoudigeen zaak van al of niet goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen, naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: “eens kijken wat hij daar uitvoert”, betrapt. Ga eens ergens in het bosch zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid; dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt, en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft.Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft, zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste,het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen, waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden: wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn, geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan denblikvan zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het onderricht in waakzaamheid en schuwheid—die wij angst noemen—,in het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet: nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld, en niet door hun aanleg.En het zijn geen blijken van angst—in de beteekenis die wij aan dat woord hechten—maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich een onbekend geluid hoort.Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige waardoor die angst overwonnen kan worden.Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan—behalve dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren gehoorzamen—; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet.En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje, want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek nu niet over wat wijvan de toekomst die het dier wacht afweten of meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig, zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit zijn ervaring put. Wat den dood betreft—die valt geheel buiten het gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat ooit den dood ziet—behalve insecten of andere dieren die ze eten, natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien, gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden, behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan, kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt, of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle kanten inhet kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten hebben elders zoeken.Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig, er is zoo’n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun geheele leven door elken dag doen.Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood—ziedaar de drie dingen die een dier zich nooit bewust in ’t hoofd haalt; en zijn ondervinding geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen op en neer, in den stroom, die allesmaar goedmoedig toelaat. Beneden hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar zijn—en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde omlaag heeft eten en drinken—hij zal wel komen, als hij hongerig is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen, in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand, zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht, dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden.1Dirca palustris.2Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.Hoe de Dieren sterven.De kreet van een adelaar—een zeldzaam geluid, ’s zomers in de wildernis—maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken, en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden.Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. ’t Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen, ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest.Hijgalmde daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke, wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de jongere adelaars had overgegeven—zijn eigen broed wellicht.Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, ofzijmoeten het hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in ’t oog te houden en te zien wat hij zou doen.Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt, waar de groote adelaar omheen vloog alsof ’t een spil was. De wilde kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen, zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden, langer; verbreedde zich—en toen wist ik dat het recht op mij af naar beneden kwam.Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischenvan zware zij het flauwe geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich boven hem sloot.Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij moeder aarde,—dood.Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak te vervullenen overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder, en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat....zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing......zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing...Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig met de oogen, maar als ikhet aan mijn vingertop een droppel water reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak, waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging.Gevallen bladeren.Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen; zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd—nooit meer zouden ze loslaten—en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn beeld in het hart tot het laatste oogenblik.Hoe sterven de dieren?—Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder de dood in de bosschen optreedt;—onafgebroken gaat hij zijn gang.—Het eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken, want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken.’t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd, wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen.Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo’n dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook, koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden, enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden, de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat “dood” is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en—het is voor den laatsten keer.Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij een ouden beer dien ik ’s zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden, maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem vroolijk wakker riep. ’t Gebeurt ook wel eens met het zegevierende bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen, vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt.Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn ongeoefende wiekjes onophoudelijktegen de tralies van zijn kooi opfladderde—zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem, veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen datgiju geschapen hebt, roept hem tot zich—de stem van de vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog onnatuurlijker dan zijn arme leventje.“Maar,” brengt een lezer hiertegen in, “die vreeselijke dingen, die treurtooneelen dan?” Misschien komen ze wel eens voor, als we meer door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.—Een patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding voor den patrijs,—maar het is bijna altijd een van de zwakkere of domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun broertje,—en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen,die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje, dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt.Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze zorg, evenals wij menschen in zoo’n geval doen. Zelfs de vos kan ze in zoo’n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de moeder er het leven bij inschieten—en bij die veronderstelling is zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan—dan verhongerden de jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen, om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze, en—in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit gezin. Zoo gaat het in het woud.Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is, en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag, zijn arm overdekt met gapende wonden,waarvan hij de litteekens tot aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand maar blij is stil te kunnen blijven liggen—het eenige, tusschen twee haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren, die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten.Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten—konijnen, hazelhoenders, herten—, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er van geheel voor het dier verborgen bleef enhet er zich over verbaasde wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo’n bitter kouden morgen dood en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje er omheen geklemd. Zoo’n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik ben zelf wel ’s winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is.Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle voerplaatsen bevroren houdt,—en dit is ook nog veel minder erg dan ziekte, onder welken vorm dan ook—; dat weet iedereen die wel eens dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.—Soms zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier vast en zeker op zijn pooten of wieken—dat doet hij immers altijd—en gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan ’t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In één woord, zoolang de dieren het eeuwige levennog niet bezitten en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt, want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood.Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood—omdat een mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij ’t nog nooit eerder gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen—het oude, lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hijsluimert in. En zijn laatste bewuste gedachte—van den dood weet hij immers niets af—is dat hij ’s morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept.Hert, van achteren gezien, in het bos.

Twee vogeltjes op een tak.

Twee vogeltjes op een tak.

Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft voor het hert en den patrijs te zorgen,maar moet ook aan den panter en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende, waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.

Hoe ’t ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken—want het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder zorg—maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat.

De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke angst niet instinctmatig is, maar eenvoudigeen zaak van al of niet goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.

Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen, naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: “eens kijken wat hij daar uitvoert”, betrapt. Ga eens ergens in het bosch zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid; dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt, en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft.

Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft, zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste,het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen, waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden: wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn, geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan denblikvan zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het onderricht in waakzaamheid en schuwheid—die wij angst noemen—,in het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet: nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld, en niet door hun aanleg.

En het zijn geen blijken van angst—in de beteekenis die wij aan dat woord hechten—maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich een onbekend geluid hoort.

Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige waardoor die angst overwonnen kan worden.

Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan—behalve dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren gehoorzamen—; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet.

En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje, want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek nu niet over wat wijvan de toekomst die het dier wacht afweten of meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig, zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit zijn ervaring put. Wat den dood betreft—die valt geheel buiten het gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat ooit den dood ziet—behalve insecten of andere dieren die ze eten, natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien, gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden, behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan, kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt, of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle kanten inhet kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten hebben elders zoeken.

Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig, er is zoo’n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun geheele leven door elken dag doen.

Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood—ziedaar de drie dingen die een dier zich nooit bewust in ’t hoofd haalt; en zijn ondervinding geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.

Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen op en neer, in den stroom, die allesmaar goedmoedig toelaat. Beneden hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar zijn—en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde omlaag heeft eten en drinken—hij zal wel komen, als hij hongerig is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen, in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand, zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht, dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden.

1Dirca palustris.2Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.

1Dirca palustris.

2Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.

De kreet van een adelaar—een zeldzaam geluid, ’s zomers in de wildernis—maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken, en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden.

Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. ’t Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen, ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest.Hijgalmde daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke, wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de jongere adelaars had overgegeven—zijn eigen broed wellicht.

Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, ofzijmoeten het hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in ’t oog te houden en te zien wat hij zou doen.

Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt, waar de groote adelaar omheen vloog alsof ’t een spil was. De wilde kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen, zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden, langer; verbreedde zich—en toen wist ik dat het recht op mij af naar beneden kwam.

Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischenvan zware zij het flauwe geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich boven hem sloot.

Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij moeder aarde,—dood.

Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak te vervullenen overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder, en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat.

...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing......zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing...

...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing...

...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing...

Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig met de oogen, maar als ikhet aan mijn vingertop een droppel water reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak, waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging.

Gevallen bladeren.

Gevallen bladeren.

Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen; zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd—nooit meer zouden ze loslaten—en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn beeld in het hart tot het laatste oogenblik.

Hoe sterven de dieren?—Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder de dood in de bosschen optreedt;—onafgebroken gaat hij zijn gang.—Het eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken, want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken.

’t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd, wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen.

Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo’n dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook, koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden, enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden, de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat “dood” is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en—het is voor den laatsten keer.Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij een ouden beer dien ik ’s zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden, maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem vroolijk wakker riep. ’t Gebeurt ook wel eens met het zegevierende bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen, vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt.

Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn ongeoefende wiekjes onophoudelijktegen de tralies van zijn kooi opfladderde—zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem, veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen datgiju geschapen hebt, roept hem tot zich—de stem van de vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog onnatuurlijker dan zijn arme leventje.

“Maar,” brengt een lezer hiertegen in, “die vreeselijke dingen, die treurtooneelen dan?” Misschien komen ze wel eens voor, als we meer door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.—Een patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding voor den patrijs,—maar het is bijna altijd een van de zwakkere of domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun broertje,—en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen,die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje, dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt.

Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze zorg, evenals wij menschen in zoo’n geval doen. Zelfs de vos kan ze in zoo’n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de moeder er het leven bij inschieten—en bij die veronderstelling is zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan—dan verhongerden de jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen, om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze, en—in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit gezin. Zoo gaat het in het woud.

Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is, en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag, zijn arm overdekt met gapende wonden,waarvan hij de litteekens tot aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand maar blij is stil te kunnen blijven liggen—het eenige, tusschen twee haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren, die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten.

Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten—konijnen, hazelhoenders, herten—, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er van geheel voor het dier verborgen bleef enhet er zich over verbaasde wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo’n bitter kouden morgen dood en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje er omheen geklemd. Zoo’n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik ben zelf wel ’s winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is.

Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle voerplaatsen bevroren houdt,—en dit is ook nog veel minder erg dan ziekte, onder welken vorm dan ook—; dat weet iedereen die wel eens dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.—Soms zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier vast en zeker op zijn pooten of wieken—dat doet hij immers altijd—en gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan ’t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In één woord, zoolang de dieren het eeuwige levennog niet bezitten en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt, want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood.

Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood—omdat een mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij ’t nog nooit eerder gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen—het oude, lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hijsluimert in. En zijn laatste bewuste gedachte—van den dood weet hij immers niets af—is dat hij ’s morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept.

Hert, van achteren gezien, in het bos.

Hert, van achteren gezien, in het bos.


Back to IndexNext