1) Goeden morgen, mijnheer, hoe vaart u?2) Spreekt u Engelsch?3) Verstaat u me?4) Vaarwel, mijnheer.
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
D
Dik begaf zich eerst naar Anneke, die een gat in de lucht sprong, toen hij haar het vrijkaartje gaf, zoo blij was zij er mede, en toen ging hij naar huis, waar hij aan zijn vader en moeder vertelde, dat hij den aap verkocht had, en dat hij een toegangskaart voor hen had, en dat hij nu geld genoeg bezat om Nelly met het schoolfeest mede te laten gaan, als de meester daartoe zijn toestemming wilde geven.
"En dat doet hij wel, Dik," zei zijn Moeder. "De meester is een braaf man, en als hij weet, dat het arme kind blind is, zal hij het je niet weigeren..."
"En dat zal hij!" viel zijn vader in.
"Maar Dik, wat ben ik geschrokken, toen ik je daar zoo onverwachts op dien olifant zag zitten," zei Moeder.
"En dat ben ik!" zei zijn vader.
"O Moeder, wat vond ik dat heerlijk! Neen, dat had ik nooit kunnen denken, dat ik nog eens op den rug van een olifant aan een optocht zou deelnemen," zei Dik lachend. "'t Was fijn, hoor! En lachen, dat de menschen deden..."
"En dat deden ze," zei vader Trom.
"Maar hoe kwam je er toch zoo op, Dik?" vroeg zijn moeder.
"De olifant pakte me bij mijn kraag en gooide me zelf over zijn kop heen op zijn rug, Moeder. Ik schrok me eerst haast een ongeluk!"
"En dat deed ik," zei zijn Vader, die zijn dikken zoon met blijkbare bewondering zat aan te staren.
"'t Was goed, dat de kornac me greep..."
"Wie?" vroeg zijn moeder, die nog nooit van een kornac had gehoord.
"De oppasser," zei Dik, — "want anders was ik er stellig afgevallen. Ik kwam tamelijk schots en scheef op zijn rug terecht. Zeg Moeder, is u niet blij met dat kaartje?"
"Of ik!" zei Moeder. "Ik wil er dolgraag heen..."
"En dat wil ik," zei Vader.
"Moeder, weet u, wat ik nu doen ga? Ik ga naar den meester, om te vragen, of Nelly met het schoolfeest meê mag. De meester zal nu wel thuis zijn, denk ik."
"Goed Dik, ga maar, en neem het geld mede, dan behoef jij er niet langer op te passen."
"Ja," zei Dik.
Hij haalde een kwartje uit zijn spaarpot en ging naar het huis van den meester, die naast de school woonde.
Het dienstmeisje kwam voor.
"Wel Dik?" vroeg zij lachend, want zij had Dik op den olifant zien zitten en vond hem een koddigen jongen. "Ben je niet gevallen? Je zat daar hoog en droog, Dik, op dien olifant."
"Ja, hè!" zei Dik. "Is de meester thuis?"
"Jawel, wat is er?"
"'k Wou den meester graag even spreken."
"Kom dan maar zoo lang in de vestibule, Dik," zei het meisje. "Dan zal ik hem gaan roepen."
Dik bleef in de vestibule wachten en verkeerde in spanning, wat de meester zeggen zou.
"Als hij het maar goed vindt," dacht Dik.
Al spoedig kwam de meester.
Dik nam zijn pet in zijn hand, en zei: "Dag meester."
"Dag Dik, — wat is er?"
"Meester," zei Dik, terwijl hij den gulden en het kwartje van tusschen de koekkruimels uit zijn wijden broekzak opdiepte, en ze den meester toestak, — "meester, hier heb ik vijf en twintig stuiver, en nu wou ik u vragen, of asjeblief mijn buurmeisje met het schoolfeest meê mag...."
"Wie is dat?" vroeg de meester.
"Nelly Elswater," zei Dik. "Ze woont nog maar enkele dagen naast ons."
"Zoo. — Maar Dik, ze gaat niet school, — en 't is een feest uitsluitend voor de schoolkinderen. Steek dat geld maar weer in je zak, jongen, want daar kan ik heusch niet aan beginnen. Op die manier zouden er nog wel honderd kunnen vragen, of ze meê mogen. Dat kan niet, hoor."
Dit antwoord was voor Dik een schrikkelijke teleurstelling. Hij keek den meester smeekend aan, en zei:
"Maar meester, 't is..."
"Neen, neen, Dik," viel de meester hem in de rede, "geef haar dat geld maar terug; ik kan er werkelijk niet aan beginnen, zeg haar dat maar."
"Ze weet er niets van, meester," zei Dik droevig, want het speet hem meer dan erg, dat de meester er niets van hooren wilde. "En 't is haar geld niet."
"Is dat geld niet van haar, Dik?" vroeg de meester. "Van wien is het dan?"
"Van mij, meester," zei Dik blozend; hij had het liever voor den meester niet willen weten. Niemand had er immers mede noodig?
"Van jou? — Hoe kom je daaraan?" vroeg de meester verwonderd, daar hij wel wist, dat het geld de familie Trom niet op den rug groeide.
"Meester, ik heb het opgespaard, — ik heb er drie konijntjes voor verloot en vanmiddag heb ik er de rest bijverdiend..."
"Ik begrijp er niets van," zei de meester. "Zeg me nu eens kort en goed, hoe je er toe komt, om zooveel geld voor dat buurkind uit te geven."
"Ze is blind, m'st'r, en ik heb zoo'n medelijden met haar, en — enne — ze is erg arm, m'st'r, want haar vader is lang erg ziek geweest, enne — enne... Vader en Moeder vinden het goed — van het geld m'st'r..."
De meester keek Dik aan met een eigenaardige tinteling in zijn oogen en Dik keek bedroefd naar den grond. Het speet hem zoo, dat de meester het niet goed vond.
"Ha," dacht de meester in zichzelven, — "daar heb je Dik weer op-en-top. Daar spaart hij me weer uit zuiver medelijden met een arm, blind meisje het geld op, om haar een prettigen dag te bezorgen. 't Is een wonderlijke jongen! —" En luid liet hij er op volgen:
"Zoo zoo, Dik, is dat meisje arm?"
"Ja m'st'r."
"En blind?"
"Ja m'st'r. Ze is blind geboren."
"En heb jij uit medelijden dat geld voor haar opgespaard."
Dik zei niets, maar knikte.
"En weet ze dat?"
"Neen meester, — ze weet er niets van, — niemand weet het, dan alleen Vader en Moeder..."
"En die vinden het dus goed?"
"Ja m'st'r."
"Hoe oud is dat meisje?"
"Twaalf jaar, m'st'r."
"Zoo Dik. Nu, ik vind het ook goed, hoor. Ze mag meê!"
Dik keek den meester dankbaar aan, en een oogenblik later liep hij op een draf naar de buren.
"Nelly!" zei hij met een kleur van blijdschap. "Nelly!"
"Wat is er, Dik?" vroeg het meisje.
"Nelly, ik heb een prettige boodschap voor je. Je mag meê met het schoolfeest. De meester vindt het goed."
Nelly sprong verrast van haar stoel op en kreeg een kleur tot achter haar ooren van blijdschap.
"O Dik!" riep zij uit, terwijl zij in haar handen klapte. "Mag ik meê? Wat heerlijk! Wat lief van den meester! Ik wist niet eens, dat hij me kende. O Dik, wat ben ik blij!"
"Op een dorp kennen de menschen elkander al heel gauw," zei Dik. "De meester heeft zelf tegen me gezegd, dat je meê mag..."
"Maar het geld, Dik —" zei Nelly opeens, terwijl haar gezicht betrok.
"Daar heeft de meester niet eens over gesproken!" zei Dik. "Hij heeft me alleen maar gezegd, dat je meê moogt. Fijn hè? Maar nu ga ik naar huis, want wij gaan vanavond allemaal naar het paardenspel! Dag!"
"Dag!" riep Nelly.
En Dik ging naar huis, minstens even blij als het blinde meisje, dat hij zoo'n groote vreugde had bezorgd. Zijn boterhammen smaakten hem verrukkelijk, en hij vertelde aan zijn vader en moeder, wat de meester gezegd had, en hoe blij Nelly was.
En toen ging hij achter de schuur, om zijn beesten te voeren, maar hij was er pas, of hij hoorde Nelly al aankomen.
"O Dik, wat ben ik blij!" zei ze, terwijl ze de korreltjes graan rondom zich strooide voor de duifjes, die koerden en op den voerbak kwamen zitten.
En Nelly kon zich maar niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat de meester haar kende, en zij zei wel honderdmaal, dat zij hem zoo'n vriendelijk man vond, omdat hij haar zoo maar voor niets aan het schoolfeest wilde laten deelnemen, en dat zij morgen, na kerktijd, als de meester thuis was, met haar vader en moeder naar hem toe zou gaan, om hem te bedanken voor zijn goedheid.
"Ja ja," zei Dik, — "dat is wel goed, hoor. Ik vind het ook vriendelijk van hem."
En hij gaf zijn konijnen een extra portie gras en klaver, omdat hij het zoo'n buitengewoon hoogen feestdag vond. Toen ging hij naar binnen om zijn Zondagsche pak aan te trekken, en om ruim half acht sloot de familie Trom de deur achter zich dicht, om zich naar het Paardenspel te begeven.
De ingang was schitterend verlicht, en Dik zag, hoe de menschen naar binnen stroomden. Er heerschte een bijzondere drukte op het dorp en er was veel gerij, want boeren en boerinnen kwamen met paard en rijtuig, sommigen zelfs van ver uit den omtrek. De stalknechts van Café "Goud uit Schuim" hadden haast geen handen genoeg, om allen op tijd te bedienen, en vele boeren zagen zich verplicht zelf uit te spannen en hun paarden op stal te zetten.
Aan het loket zag het zwart van de menschen, die plaatskaarten kwamen koopen, maar daar behoefde Dik zich niet mede te vermoeien.
"'t Is maar gemakkelijk, dat wij onze kaartjes al hebben," zei hij.
"En dat is het," zei Vader Trom.
"Ga jij maar voor, Dik," zei zijn moeder. "Jij weet hier den weg al zoo'n beetje."
Dat deed Dik, en met behulp van een bediende; wiens taak het was de toeschouwers hun plaatsen aan te wijzen, had hij al spoedig de bank gevonden, die voor hem bestemd was.
Jan Vos en Piet van Dril waren er al en wenkten hem al uit de verte toe, en toen zij nog maar een paar minuten zaten, kwam Anneke binnenstappen en nam naast vrouw Trom plaats.
"Wat een ruimte, wat een ruimte!" zei vrouw Trom vol bewondering.
"En wat een menschen," zei Trom.
"We zitten hier fijn, hè Dik?" zei Jan Vos, die nog schrikkelijk dankbaar was voor het kaartje, dat Dik hem bezorgd had.
"Ja," zei Dik, "we zullen het hier prachtig kunnen zien. Kijk, daar ginds zit de burgemeester — zie je wel? Dáár, — vlak vooraan, beneden..."
"Eerste rang!" zei Piet van Dril.
"En de notaris, en de dokter, en de meester, en de secretaris, en mijnheer Denappel, —" zei Dik. "Dure plaatsen, zeg."
"Maar wij zitten hier ook best," zei Jan Vos. "Zeg Dik, dat heb ik aan jou te danken —"
"'t Mocht wat," zei Dik.
[illustratie]
[illustratie]
"Niet?" zei Jan Vos. "Aan jou niet? Aan wien dan, zou ik wel willen vragen..."
"Aan den aap!" lachte Dik. "Kijk, ze hebben zaagsel op den grond gestrooid, en zand, anders glijden de paarden uit."
"Wat komen er een menschen hè?" zei Piet. "Ze blijven maar..."
"Bom — bom — bom — tetteretet!" viel de muziek in. De muzikanten zaten op een verhooging tegenover de jongens.
Moeder Trom schrok er eventjes van, want zij was er heel niet op verdacht geweest, maar zij vond het prachtig in één woord. Zulke schetterende muziek had zij nog nooit in haar leven gehoord.
"Zie je daar den doorgang naar de stallen?" vroeg Dik. "Daar komen de paarden door den circus binnen."
"'k Wou, dat zij maar alvast begonnen," zei Jan. "Wat zitten we hier fijn, hè? Haast de mooiste plaatsen uit het heele spel, — om alles goed te zien, bedoel ik natuurlijk."
't Werd tjokvol in de tent, en tegen acht uur zweeg de muziek.
Toen zwegen ook de menschen, want zij begrepen, dat de vertooning nu weldra zou beginnen. Ze hoorden eindelijk de torenklok acht slaan.
Even later werden de gordijnen voor den ingang dichtgeschoven, en de gordijnen, die den toegang tot de stallen afsloten, geopend.
Op dat oogenblik heerschte er een ademlooze stilte in de tent. De verwachting was hoog gespannen.
Ha, — daar kwam wat.
Een rijknecht, keurig gekleed, leidde een prachtig raspaard den circus binnen. In het midden bleef hij staan.
Toen verschenen er nog twaalf rijknechts, die zich aan den ingang in twee rijen schaarden. 't Scheen wel een eerewacht, dacht Dik.
En dat had hij nog zoo ver niet mis, want nauwelijks hadden zij hun plaatsen ingenomen, of de beroemde Directeur Mr. Sänger trad tusschen hen door tot in het midden van den circus.
Hij was geheel in het zwart gekleed, met een laag uitgesneden vest. Hij nam zijn hoogen hoed in de hand en boog naar verschillende kanten voor het publiek, dat hem met handgeklap begroette.
[illustratie][Illustratie: "En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen elkander Dik aan, die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van het logge dier zat en zoo den optocht door het dorp ging medemaken. Dik keek triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de lachende menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts toe, zooals de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar feestelijken intocht houdt. (Bladz. 181.)"]
[illustratie][Illustratie: "En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen elkander Dik aan, die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van het logge dier zat en zoo den optocht door het dorp ging medemaken. Dik keek triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de lachende menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts toe, zooals de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar feestelijken intocht houdt. (Bladz. 181.)"]
"Zie je dien gouden horloge-ketting?" vroeg Jan Vos zacht. "Wat zal die man rijk zijn."
Maar Jan en Piet antwoordden niet. Al hun aandacht was bij den Directeur, die zijn hoed weer opzette en met behulp van zijn rijknecht het mooie paard besteeg.
Op een kleinen wenk met zijn rijzweep viel de muziek in, en op de maat daarvan reed de Directeurden circus rond. Hetpaard brieschte vroolijk en scheen wel te dansen, zoo licht en sierlijk waren zijn bewegingen.
"Zoo kan jij het ook wel, Dik," zei Jan Vos. "Daar is niets kunstigs aan."
"Ja," zei Dik. — "Maar zóó niet! Kijk eens, het paard loopt op drie pooten! Zijn rechtervoorpoot houdt het gebogen in de hoogte. Prachtig, hè? Hoe is het mogelijk, dat zoo'n beest het leert!"
Dik keek zijn oogen uit.
Er klonk een daverend applaus, en de Directeur boog. Toen, op zijn bevel, zette het dier zijn rechtervoorpoot neer, en hief het linkervoorbeen op. Weer liep hij op de maat der muziek den circus rond.
"Dat is pas rijden, hè!" zei Dik vol bewondering. "Daar loopt hij met zijn achterbeen in de hoogte," zei Jan Vos.
En even later zagen zij, dat hij zijn vierden poot opgeheven had.
Met een vlugge beweging sprong de directeur van het paard en nam buigend het applaus van de toeschouwers in ontvangst. De rijknecht greep het paard bij de teugels en voerde het naar de stallen terug. Een tweede rijknecht reikte den Directeur een lange zweep aan en nam het korte rijzweepje van hem over. Alle twaalf rijknechten maakten zich schielijk uit de voeten, en onder donderend hoefgetrappel renden acht prachtige paarden, zonder teugels of zadel, achter elkander binnen. De Directeur klapte met zijn lange zweep, en toen renden de dieren in vliegenden galop achter elkander den circus rond. De grond dreunde onder hun hoefslagen.
Dik zat in stomme verbazing het prachtige schouwspel aan te zien.
Weer klapte de zweep, en als met een tooverslag hielden de beesten halt, keerden zich om, en renden weer in tegengestelde richting voort, de koppen fier opgeheven en met golvende manen.
"Dat is schitterend, — schitterend!" mompelde Dik in verrukking.
De Directeur liet de fiere beesten, enkel door met zijn zweep te klappen, in verschillende richting rennen, nu eens dezen kant, dan weer dien kant op, soms achter elkander, dan weer twee aan twee, of vier aan vier. Zij gehoorzaamden den Directeur op zijn wenken.
Hij hief zijn zweep op, en plotseling kwamen zij naast elkander voor hem te staan, en op zijn bevel bogen zij de voorpooten en knielden voor hem neer.
Het applaus was niet van de lucht, en de Directeur moest herhaaldelijk buigen.
Eindelijk hief hij zijn zweep op, en liet haar driemaal knallen, en opeens verhieven de schoone beesten zich op de achterpooten. 't Was een schitterend staaltje van dressuur.
Daarna klapte hij met zijn zweep, en in vliegenden galop renden de dieren nogmaals achter elkander den circus rond en verdwenen onder daverend hoefgetrappel in de stallen. — De menschen waren verrukt!
Dik vond het haast een sprookje. Hij had nooit kunnen denken, dat er zoo iets moois op de wereld bestond, en hij wilde juist met Jan en Piet een praatje beginnen over hetgeen hij gezien had, toen er al weer wat anders kwam.
[illustratie]
[illustratie]
Van uit de stallen werd het luide geschreeuw van een man gehoord en bijna op hetzelfde oogenblik draafde een oud, armoedig vrouwtje de tent binnen, met een hoofdstel aan en een bit in haar mond, en Dik zag tot zijn diepe verontwaardiging, dat er een groote, zware clown op haar rug zat, die ruw aan de teugels rukte en 't oude mensch met zijn rijzweep en door een luidruchtig geschreeuw onbarmhartig voortjoeg. De stumper zag vuurrood van inspanning, en huppelde en draafde als een jong renpaard, maar het ging den afschuwelijker clown nog lang niet hard genoeg. Hij sloeg het schepsel, dat zich blijkbaar bovenmatig inspande, onbarmhartig met zijn rijzweep tegen de beenen en soms zelfs met zijn groote vuist op haar hoofd.
De menschen werden er eerst stil van, maar sommigen begonnen er al spoedig om te lachen, ja zelfs te schateren.
Dik kon zich dat onmogelijk begrijpen. Hij vond er niets moois aan, integendeel, 't maakte een vreeselijk pijnlijken indruk op hem.
Ach zie, de oude stumper kon al spoedig haast niet meer, zij struikelde en strompelde door den circus en dreigde herhaaldelijk te vallen.
't Was duidelijk, dat zij bijna bezweek onder den zwaren last, dien zij te torsen had. Maar de clown had geen medelijden met haar. Hij rukte haar hoofd door middel van de teugels ruw weer wat omhoog en sloeg haar eindelijk zoo erg, dat Dik het niet langer kon aanzien.
Zijn wangen waren doodsbleek van verontwaardiging, zijn neusvleugels trilden, zijn oogen fonkelden. "Afschuwelijk!" mompelde hij, en hij balde zijn vuisten.
De handelingen van den ruwen clown werden nog wreeder.
Toen richtte Dik zich op van zijn bank, stak zijn vuist dreigend naar den clown uit, en riep hem in de hevigste verontwaardiging toe:
"Monster, — wreedaard, — wil je nu ophouden met die vrouw te mishandelen! 't Is een schande!"
Het vrouwtje stond stil; zij kòn blijkbaar niet meer.
En de clown keek Dik met een spottend gezicht aan en begon de vrouw vreeselijk te mishandelen. Ook de menschen keken lachend naar Dik, die tusschen de toeschouwers door van bank op bank naar beneden stapte en....
[illustratie]
Plotseling bleef hij staan, want het gelach van de menschen klonk daverend door de tent. En toen zag Dik, dat de wreede clown het hoofd van de oude stumper met twee handen aangreep en in stukken scheurde. Hij rukte haar de muts van het hoofd en wierp die naar Dik, — en haar wangen vielen los op den grond, en toen — toen bleef er niets anders over, dan een bos stroo, die de clown van zich af rukte, en lachend boog hij naar alle kanten om te bedanken voor het applaus.
Dik begreep, dat hij een tamelijk dwaas figuur had gemaakt, en hij klauterde zoo gauw mogelijk weer naar zijn plaats terug, waar Piet en Jan bijna van de bank vielen van het lachen. En toen lachte Dik smakelijk mede, wat nog wel het beste was, dat hij doen kon.
Alle menschen zaten lachend naar hem te kijken, maar dat duurde niet lang, want er kwam een dame te paard binnenrijden, die allerlei toeren ging verrichten en daardoor ieders aandacht in beslag nam.
Eerst zat zij op het paard, en reed in galop den circus rond, maar toen sprong zij opeens op den zadel en ging staande rijden. Ook ging zij op één been staan, en sprong zelfs touwtje op den rug van het paard.
[illustratie]
[illustratie]
Dik, die voor het eerst van zijn leven in een paardenspel was en dus dergelijke kunstverrichtingen nog nooit gezien had, vond alles even buitengewoon, en hij was opgetogen, toen de dame zelfs door een met papier beplakten hoepel sprong, die door twee rijknechts in de hoogte gehouden werd, en toch weer zonder missen op het paard terecht kwam. Eindelijk sprong zij zelfs over een breede vlag heen, waar het paard onderdoor rende. 't Was prachtig, vond Dik.
En nauwelijks was de dame den circus uitgereden, of er rolden drie clowns binnen, die wel hoepels geleken.
Zij rolden vooruit en achteruit en tegen elkander aan, dat het een lust was om te zien, en een poosje later klom de een op de schouders van den ander en stak zijn beenen kaarsrecht in de hoogte, en toen klom de derde tegen hem op en ging op de beenen van no. 2 staan. Maar plotseling liep de onderste weg, zoodat de twee anderen hun steunpunt verloren en toen smakten zij tegen den grond en rolden als hoepels de tent uit.
Dik zat te schudden van 't lachen en Jan en Piet niet minder. Zulke malle dingen hadden zij nog nooit gezien!
Zoo volgde het eene nummer op het andere, en eindelijk werd het laatste nummer vóór de pauze afgespeeld.
Er kwam een vrouwelijke Roodhuid de tent binnenwandelen. Zij had groote veeren op haar hoofd en een klein meisje aan haar hand.
Het tweetal wandelde kalm door den circus heen en weer en ging eindelijk in het midden daarvan op den grond zitten, de vrouw met haar rug tegen den hoogen paal. Zij trok het kind op haar schoot en speelde er mede, en zij scheen ontzaglijk veel van het meisje te houden, want zij drukte het zoo stevig aan haar borst, of zij het dood wilde drukken, en kuste het zoo vurig, dat het haast stikte.
Zij had er geen erg in, dat een man met een paard aan den teugel den circus kwam binnensluipen. Hij had een dolk in zijn hand en liet zijn oogen op afschuwelijke wijze draaien en rollen, zoodat herhaaldelijk alleen het wit er van te zien was.
"Dat is een schurk!" zei Dik tegen Jan en Piet.
"Zie je die oogen?" vroeg Jan.
"Neen," zei Dik, "alleen het wit maar."
De menschen in de tent geraakten in spanning.
Wat ging die schurk doen?
Hij liet zijn paard los en sloop naar de moeder en haar kind, hij liet zijn dolk flikkeren in het licht van de lampen. Zijn oogen draaiden en rolden erger dan ooit.
"Ha," — zei Dik, "ik geef geen dubbeltje meer voor haar leven..."
[illustratie]
[illustratie]
"Ik geen cent," zei Piet van Dril. Opeens wierp de schurk zich op de niets kwaads vermoedende vrouw. De dolk werd opgeheven, daalde neer, — en een allerijselijkste kreet drong den toeschouwers door merg en been.
"Moet je haar niet helpen, Dik?" vroeg Piet van Dril met een lachje.
"Doe jij het!" zei Dik.
De schurk greep het kind in zijn armen, klom op zijn paard, en rende spoorslags den circus in.
De vrouw lag stuiptrekkend op den grond.
Maar zie, de wrekende gerechtigheid waakte.
De man van de stervende roode vrouw reed pijlsnel binnen. Een lasso hing aan zijn zadel.
[illustratie]
[illustratie]
Hij zag zijn vrouw op den grond liggen en bemerkte, hoe de schurk met zijn kind wegrende.
Spoorslags reed hij hem na. 't Werd een wedren, die alle zenuwen der toeschouwers spande. 't Was Dik onmogelijk, om te blijven zitten. Hij stond overeind...
"Sa, sa!" riep hij den Roodhuid toe. "Grijp hem — grijp hem!"
De Roodhuid maakte zijn lasso los, en zwaaide er mede hoven zijn hoofd.
"Ooah! Ooah!" klonk het krijschend van zijn lippen, en op hetzelfde oogenblik doorkliefde zijn lasso de lucht, en kwam om den nek van het paard van den schurk terecht. Men zag, hoe de strik aantrok, hoe de bewegingen van het paard verflauwden, hoe het eindelijk niet meer voortkon en op de knieën nederstortte.
Toen trok de schurk een revolver, maar de Roodhuid deed evenzoo en schoot hem dood. Hij bracht zijn kind naar de moeder, die niet dood bleek te zijn, en...
Toen sprongen er wel zes clowns naar binnen, die onder een ijselijk misbaar de Roodhuiden uit den circus leidden en het paard van den strik verlosten en den schurk met een fietspomp nieuwen adem inbliezen, zoodat hij weldra weer loopen kon en den circus verliet.
Onder de malste grappen verdwenen ook de clowns, en toen was het
PAUZE
PAUZE
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
N
Na de pauze werden nog prachtige staaltjes van rijkunst ten beste gegeven, die Dik in verrukking brachten, en de clowns maakten grappen, die de tent deden schudden van het lachen. Ook kwam de man, aan wien Dik zijn aap had verkocht, met zijn apen en honden, en liet hen allerlei kunststukjes verrichten. Maar de man was hierbij niet als clown gekleed, o neen, hij was geheel in het zwart met een wit vest, en zag er bijna even deftig uit als de Directeur. Maar Dik vond het paardrijden toch veel mooier. Hij was dan ook een groot liefhebber van paarden en kon zelf rijden als de beste.
Ook waren er gymnasten, die toeren verrichtten, waarbij de menschen zaten te rillen en te beven. Zoo kwam er een gymnast binnen, die een sterken riem om zijn middel droeg. Aan dien riem was een lederen koker bevestigd, waarin hij een langen stok deed met aan het boveneinde een rekstok. Een andere gymnast klom tegen den hoogen stok op, zoodat hij bijna tot boven in de tent kwam, en de man, die den stok in den koker droeg, hield hem in evenwicht.
De klimmersbaas ging dood op zijn gemak op den rekstok zitten en stak een cigaretje op.
[illustratie]
Dik vond het een stout stukje.
Maar 't werd nog erger, want na een paar trekjes aan zijn cigaret te hebben gedaan, wierp hij haar weg, en ging doodbedaard op den stok staan, en hij wuifde het publiek toe, dat bijna niet durfde applaudiseeren van angst, dat de man vallen zou.
"Hij liever dan ik," bromde Dik zijn buren toe.
Op 't volgende oogenblik liet hij zich vallen...
Een kreet van schrik ging uit de menigte op, en Vrouw Trom wilde er niet langer naar kijken, en Anneke ook niet.
"Wat een schrik!" zei moeder Trom.
"En dat is het," zei haar man.
De gymnast was echter niet gevallen, want hij had te juister den stok met beide handen aangegrepen. De man beneden had de grootste moeite, om hem in evenwicht te houden.
[illustratie]
"Zeg," zei Dik, die het zag "die moet óók sterk zijn!"
Maar Piet en Jan antwoordden niet, want zij zagen, hoe de man daar boven in de tent met inspanning van al zijn krachten zich ophief, tot hij met zijn beenen in de hoogte stond en met gestrekte armen den rekstok vasthield.
't Was haast ongelooflijk.
En 't zou nog erger worden.
Hij ging weer rustig op den rekstok zitten, en liet een koord aan één eind naar beneden zakken. Daaraan werd een kleine stoel vastgebonden, dien hij naar boven trok. Toen ging hij weer staan, zette den stoel met de beide achterpooten op den stok, en nam er doodbedaard op plaats.
Dat was het slot van de vertooning en toen hij weer behouden op den grond was aangekomen, slaakte menigeen een zucht van verlichting, en men vond, dat het op die manier spotten was met een menschenleven. Verscheidenen hadden er dan ook niet naar kunnen kijken, en waren blijde, dat het afgeloopen was.
[illustratie]
Toen kwam er iets grappigs.
Een ezel kwam den circus binnen, geheel alleen. Hij was opgetuigd met een bit, en een lederen teugel uit één stuk, die hem om den nek hing, maar hij droeg geen zadel.
De ezel keek niet op of om, maar liep doodbedaard den circus in het rond met een stevigen stap. Hij keek naar den grond.
"Ga er op zitten, Dik," zei Piet van Dril lachend.
"Dat zou ik wel willen," zei Dik. "Kijk, — wie komt daar binnenstappen? Ha ha, dat is de man, die mijn aap gekocht heeft. Maar nu is hij weer als clown gekleed. Kijk, hij leest in een boek."
Dat was ook zoo. Hij kwam den circus binnen juist toen de ezel den ingang naar de stallen weer gepasseerd was, en hij ging ook den circus in het rond loopen, maar in tegengestelde richting. Doch hij was totaal in zijn boek verdiept. Dat er van den anderen kant een ezel aankwam, zag hij in het geheel niet, want hij keek geen oogenblik uit zijn boek op. Zoo gingen zij elkander tegemoet.
De ezel liep, zonder op of om te kijken, verder, precies of hij in ernstige gedachten verdiept was. Hij scheen den lezenden man evenmin te zien, als deze hèm.
Bom!
Zij botsten met kracht tegen elkander op, zodat de clown achterover tegen den grond smakte. De ezel liep verder, of er niets gebeurd was, en keek naar den clown niet meer om, en de clown stond op, keek naar boven, of hij misschien met een of ander hemellichaam in botsing geveest was, sloeg zijn boek open, en liep lezende verder.
't Was zoo'n malle vertooning geweest, dat iedereen er om lachen moest, en 't grappigste was, dat het binnen enkele seconden ongetwijfeld nog eens gebeuren zou, want het tweetal liep kalm door, elkander weer tegemoet.
Bom!
Daar tuimelde de clown ten tweeden male achterover tegen den grond, en nauwelijks was hij opgestaan, of hij bemerkte den ezel, en riep:
"Ha, ha, daar gaat mijn Neef! Nu weet ik, wie me dat koopje geleverd heeft. Van je familie moet je 't maar hebben. Maar ik zal het hem afleeren, daar kan hij op rekenen. Hallo! Hallo!"
Op dit laatste geschreeuw kwam een bediende den circus binnen, die vroeg:
"Heeft u geroepen, mijnheer?"
"Mijnheer!" schreeuwde de clown op hoogen toon.
"Mijnheer!" zei de bediende.
"U bent doof, mijnheer!"
"Neen, mijnheer, ik ben niet doof."
"Als u niet doof was, mijnheer, zou u niet vragen, of ik geroepen heb. Ik heb geschreeuwd, mijnheer."
"Zoo mijnheer, en wat is er van uw dienst?"
"Mijnheer, ga dadelijk naar den Directeur, en zeg hem dat hij mij een rijzweep brengt, — onmiddellijk!"
De knecht bleef staan.
"Ga je, mijnheer, — of ga je niet, mijnheer?" schreeuwde de clown.
"Neen mijnheer, — ik ga niet!"
"Waarom ga je niet, mijnheer!"
"Omdat mijnheer de Directeur het toch niet doet, mijnheer," zei de bediende.
"Doet hij het niet, mijnheer?"
"Neen, mijnheer, wat denkt u wel? De Directeur brengt u geen zweep!"
"Weet je wat, mijnheer, doe jij het dan zelf!"
De bediende haalde een zweep en gaf hem aan den clown. Deze begaf zich naar den ezel, die nog op zijn gemak in het rond kuierde, ging vlak voor hem staan en stak hem zijn hand toe.
"Goeien morgen, Neef!" riep hij hem toe.
De ezel stak onmiddellijk zijn rechtervoorpoot uit en legde dien in de hand van den clown.
"Wel Neef," vroeg deze met een hoog, schreeuwerig stemgeluid, "heb jij me zooeven dat koopje geleverd?"
De ezel schudde met zijn kop van neen.
"O, jou aartsleugenaar!" riep de clown. "Ben je dan niet tegen iets aangeloopen?"
De ezel schudde van ja.
"Dat was ik, Neef!" riep de clown. "Was je kwaad op me?"
"Neen," schudde de kop.
"Heb je 't dan per ongeluk gedaan?"
"Ja!"
"Dan vergeef ik het je!" riep de clown uit. "Kom aan mijn hart dierbare Neef!"
De ezel verhief zich op zijn achterpooten en legde zijn voorpooten op de schouders van den clown, die zijn armen om hem heen sloeg en hem op zijn snoet zoende. De ezel ging weer op zijn vier pooten staan.
"Woon jij hier, Neef?" schreeuwde de clown den ezel toe.
"Ja," schudde de ezelskop.
"Ha, ha, dus ken jij hier de menschen?"
"Ja," knikte de ezel.
"Weet je ook, of de burgemeester hier onder de toeschouwers is?"
"Ja, ja!" schudde de kop.
"Waar zit hij dan?"
De ezel liep den circus rond, met den clown naast zich, en voor de plaats, waar de burgemeester zat, hield hij stand, tot groote verbazing van de toeschouwers.
"Maak je compliment, Neef!" schreeuwde de clown.
De ezel knielde voor den burgemeester, die er smakelijk om zat te lachen, neder, en legde zijn kop op den grond.
"Goed gedaan, Neef!" riep de clown. "En weet je ook, wie de dikste jongen uit deze gemeente is?"
"Ja," knikte de ezelskop.
"Is hij hier?"
"Ja!"
"Breng mij bij hem!"
Dik kreeg twee elleboogstooten in zijn rug, een van Piet van Dril en een van Jan Vos, want zij twijfelden niet, of de ezel zou voor Dik stilhouden. En toen dit inderdaad gebeurde, zat Dik te schudden van het lachen.
Trouwens, iedereen in de tent lachte. De clown wuifde Dik toe en ging met zijn neef naar het midden van den circus. Daar richtte hij zich tot het publiek, haalde vier blanke rijksdaalders uit zijn zak, liet ze rammelen in zijn handen, en schreeuwde:
"Dames en heeren, deze vier mooie rijksdaalders looft de Directeur uit voor hem of haar, die mij nadoet, wat ik hem zal voordoen. De burgemeester zal scheidsrechter zijn, als hij mij die eer wil aandoen."
Toen boog hij zich naar den burgemeester, en vroeg hem, met zijn hooge puntmuts in de hand, of hij daartoe bereid was.
"Met genoegen," zei de burgemeester, en hij nam de vier rijksdaalders in ontvangst.
Toen bracht de clown den ezel tot vlak voor den burgemeester, sprong er kalm op en reed met hem den circus rond, tot hij weer voor den burgemeester aangekomen was. De ezel had den tocht stapvoets en doodbedaard afgelegd.
"Wie doet me dat na?" schreeuwde de clown. "Wie durft dat waagstuk te ondernemen? Vier blanke rijksdaalders zijn het loon voor den dappere!"
De menschen lachten, want er was natuurlijk in het geheel geen kunst aan, om stapvoets op een zoo makken ezel den circus rond te rijden.
"Zeg Dik, dat is wat voor jou!" zei Piet van Dril lachend. "Denk maar, hoe je op den ezel van Bertels rijdt."
"Hij is doodmak!" zei Jan Vos. "Er is immers niets aan!"
"Wel doe het dan," zei Dik, "die vier rijksdaalders kun je gemakkelijk genoeg verdienen."
Maar hij lachte spottend, toen hij dat zeide.
"Vertrouw je hem niet, Dik?" vroeg Piet.
"Neen, — ik moet eerst het katje eens uit den boom kijken. Haha, daar stapt Bruin Boon over den rand den circus binnen. Bruintje wil vier rijksdaaldertjes verdienen, ha, ha, ha, — daar zullen we grappen van beleven!"
"Waarom?" vroeg Piet. "Hè, ik wou, dat ik maar gegaan was; die ezel is doodmak, en ik rijd minstens even goed als Bruin Boon."
"O, je zult nog wel gelegenheid krijgen," zei Dik.
[illustratie]
[illustratie]
"Ha ha, mijn jonge vriend, wou jij op den ezel rijden?" riep de clown Bruin toe. En hij schudde hem zoo hartelijk de hand, dat Bruin ineenkromp van de pijn. Iedereen lachte, behalve Bruin.
"Het beest is zoo mak als een lammetje," schreeuwde de clown: "Spring er maar op!"
Bruin greep den teugel, de clown gaf hem een pootje, en Bruin vloog met een gangetje over den ezel heen; hij kwam wel een paar meter verder op den grond terecht. De clown had hem er overheen gegooid, en liep nu met een dom gezicht naar hem te zoeken op alle plaatsen, waar hij niet was.
"Au!" zei Bruin, en hij scheen grooten lust te krijgen, om naar zijn plaats terug te keeren. Maar de clown was veel te blij, toen hij hem eindelijk teruggevonden had en hij omhelsde hem en schreide tranen van aandoening en bracht hem weer naar den ezel, waarop Bruintje nu zonder verdere ongelukken terecht kwam. De clown hief de zweep op, klapte er mede in de lucht, en riep:
"Allo! — Allo! — Voorwaarts, Neef! — Allo! — Allo!"
Maar op hetzelfde oogenblik verhief Neef zich op zijn achterpooten, om Bruin van zich af te laten glijden.
Bruin hield de teugels krampachtig in zijn handen geklemd, zoodat de ezel zijn doel niet bereikte.
"Allo Neef! — Voorwaarts! — Allo! — Allo!" schreeuwde de clown.
Toen sprong de ezel onverwachts vooruit, zette zijn voorpooten schrap, en wierp Bruintje met een verraderlijke beweging over zijn kop.
De clown schrok er blijkbaar van, want hij liep te jammeren: "O wee, o wee!" en hij ijlde op Bruin toe, die nog half versuft op den grond lag, en hielp hem op en wilde hem weer naar den ezel brengen, die doodstil in den circus stond.
Maar Bruintje had er genoeg van en hij liep met een verschrikt gezicht naar zijn plaats terug, onder luid gelach van de toeschouwers.
"Nu jij, Dik!" zei Piet van Dril.
"Daar gaat al een ander," zei Dik. "O, 't is Jaap Kooy. Die kan goed rijden, zeg. Ik ben benieuwd, of de ezel hem eraf krijgt." Na een tal van grappen kwam Jaap Kooy eindelijk op den ezel terecht, en toen begon het spelletje opnieuw, maar. Jaap klemde het beest tusschen zijn knieën in en trok de teugels met al zijn kracht aan, zoodat de kop van den ezel tegen zijn borst werd gedrukt.
"Hij is sterk, hoor," zei Dik. "Ha, daar gaat hij! Kijk dien ezel steigeren! Voorover! Achterover! — Bom daar gaat Jaap! — Maar nu wil ik het toch wel eens probeeren."
Dik verliet zijn hooge zitplaats en stapte den circus binnen.
Piet van Dril en Jan Vos wreven zich de handen van de pret, en zij waren benieuwd, of Dik er ook afgegooid zou worden.
Jaap Kooy was met een pijnlijk gezicht afgedropen, en Dik werd op luidruchtige wijze door den clown verwelkomd.
Hij stak hem in de vreugde zijns harten zijn hand vriendschappelijk toe, maar Dik stak de zijne allebei in zijn diepe zakken, want hij had gezien, hoe hij Bruin geknepen had. Alle menschen lachten om hem.
"Ha, ha, ha —! Daar hebben we den diksten jongen uit de gemeente. Zie je hem wel, Neef?"
"Ja!" knikte de ezelskop.
"Mag hij op je rug zitten, Neef?"
"Ja!"
"Wil je met hem den circus rondrijden?"
"Ja," knikte de ezel.
"Goed dan!" schreeuwde de clown.
Dik trok de klep van zijn pet diep in zijn nek, greep den teugel en stak den clown zijn been toe, om op den ezel getild te worden.
"Ha-ha-ha-ha!" lachte de clown. "Dat is pas een ruiter! Hij weet niet eens, welk been hij moet uitsteken. — Hoepla!"
Daar zat Dik, — maar, evenals op den ezel van Bertels, — achterste voor. Met een vlugge beweging stak hij zijn beenen aan weerskanten van den hals van het dier door den teugel en greep den staart met beide handen vast.
Een vroolijk gelach steeg uit de menigte op, en niet ten onrechte, want het was een dwaas gezicht, Dik daar achterste-voor op den ezel te zien zitten, met den staart van het dier tusschen zijn handen geklemd en zijn beenen aan weerskanten tusschen den teugel gestoken.
Dik keek den clown vastberaden aan en knikte hem toe.
"Vooruit maar!" zei hij.
"Ha-ha!" lachte de clown, die groote pret in het geval had, want hij vond dien dikken jongen meer dan vermakelijk en geloofde geen oogenblik, dat het hem gelukken zou, op den ezel te blijven zitten. 't Was immers nooit iemand gelukt?
Maar Piet van Dril en Jan Vos en zijn andere vrienden geloofden van wèl! Zij wisten wel, dat de ezel van Bertels hem er ook nooit af kon gooien.
"Ha, ha!" schreeuwde de clown. "Allo, Neef! — Allo! — Allo!"
Daar begon het lieve leven!
De ezel sloeg bijna achterover, zoo hoog verhief hij zich op zijn achterpooten, en Dik zou er ongetwijfeld afgegleden zijn, als zijn beenen niet in den teugel hadden gehangen. Als deze niet brak, kon hij onmogelijk vallen.
Toen gooide Neef zijn achterlijf hoog in de lucht, zoodat zijn neus bijna den grond raakte, maar Dik klemde den staart nog vaster tusschen zijn handen en bleef er aan hangen.