NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.’t Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van ’t bewind, en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort suizend langs ’t oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in ’t weiland beroeren komt, en ’t klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenschuift.Het landgoedDe Zonsbergligt daar almede zwijgend en dorstend in de gloeiende stralen der Juni-zon.Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte, daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote ijzeren hek vanDe Zonsbergverwijderd, voelt nogmaals naar zijn beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen; doet een hopelooze poging om ze weer tot den “kelk te vormen waarin zijn edelst lichaamsdeel—het hoofd—is gevat”, en vraagt zich zelven dan zeerernstigaf: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn plan kan volvoeren? ’t Loopt hem—met permissie—onder den hoed uit, en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij ’t zelf zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans en zomergeur heeft gegeven.Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat juistdeze positie—en jus, en nage—moet meewerken in zijn belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil, een hersenontsteking!’t Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers aanraakt. ’t IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin, alles was heden daarmee in harmonie!En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijnpaille glacéhandschoenen gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om hem over de vochtige “muis” te krijgen, van onder tot boven ziet openbersten, stapt hij—door het ongeluk zoo mogelijk nog meeren nagegeraakt—het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....Daar staat hij dan nu.... inharenabijheid!—Zoo pas uit de felle zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt dat zij ter afwering van muggen en ander “onwellevend gevogelt” een witzijden doek over ’t hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ooken nage, met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt hij niet meer.“’t Hem, kehem!” kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger, ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!—Zij slaapt! O zij slaapt!!—Edele spruit! droomt zij wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken, hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken, en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier is hij van wien gij “droomend waakt en wakend droomt”; die u “wil omstrengelen met de teerheid van zijn hart”. Maar—helaas! paf! daar barst ook de tweedepaillehandschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie maar.—Bah! ’t is te warm voor handschoenen.—Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men niet dat ze kapot zijn.“Juffrouw! juffrouw Jacoba!”De neustop klimt. De sluier valt:“Goeje hemel!—phu!—wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik ’t plezier....?”“Hé, ik dacht....” zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit het veld geslagen: “Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?—Charmant mooi weer. Ik dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!....”“O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan nietwaar....?”“Jules Janin, om u te dienen. Van mama’s kant—de Parladotti’s—Italiaansche origine!—Recht aangenaam u hier te ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame, eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte is instaat om....”Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.—Wat wil die man?!“Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden,” valt ze haastig in: “wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht u aandienen.”“Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier ’t eerst te spreken! ’t Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het eerst voor u mocht ontlasten; indien....”“Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.—Op mijne jaren....” En dan terwijl eenvuurroodhaar aangezicht bedekt, staat mevrouw Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij: “Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur.”De generaal Van Barneveld verkeerde ’t allerminst in een stemming om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en, om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat kon er in ’t geheel niet door.De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor een goed deel zijn “joviale vrijmoedigheid” verliezen.“En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk spreken moest?”“De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren Parladotti.—Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een reisje, in den bloei van ’t leven. Enfin! de eenige spruit, Julus Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende ofvijftiendeeeuw—daar wil ik afwezen. Al vroeg....”“De hoofdzaak, menheer Kippelaan?”Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van ’t gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo “dolks en sabels” aan.“De zaak uw excellentie, de zaak, enfin....” Eensklaps opstaande terwijl hij een snelle buiging maakt: “Mijn bijzonder compliment generaal. ’t Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. ’t Zal uw gloriole zijn; ik wensch u van harte....” Kippelaan is er bijna toegekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen, doch dat scherpziende oog dringt hem terug.“Wàt meen je menheer?”De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. ’t Heeft hem de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op de markt gekocht had.Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds “publiek domein”. Op een avondpartij bij den notaris in ’t laatst van de vorige week—waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was geweest—daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er ’s-avonds met witte handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z’n duim in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem ’s-anderendaags bij ’t scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: “Voor achttienduizend! Spotprijs!” en de majoor heeft toen geheimzinnig met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de fauteuils—hij lette op alles, en de notaris had een “toost geslagen” zei Piet, over “de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen, wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij; wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning uit te strekken.” De majoor Kartenglimp had toen ook een “toost geslagen”, en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde, en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze gemeente, maar tevens—hij mocht met eenige zekerheid spreken—dank zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade, den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het heil van het lieve stedeke waarvanhij, gave het God!—de majoor had toen den blik naar boven geslagen—eenmaal de vader, en zij, die teedere gade, de beschermvrouw, neen, demoederzou worden genoemd.Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies te kunnen teruggeven. ’t Was zeker voor den ouden generaal,die er nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!“Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus ’t nieuwe huis zou betrekken.... en....”“Genoeg menheer....!”“Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon, pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; ’t huis aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!”De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op ’t punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:“Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak waarover....”“Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik...., ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag, charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte.” Opstaande: “Phu! enfin....”“Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag.”“Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een....”Van Barneveld staat op:“Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt gebruiken, menheer Kippelaan, ’t zal me aangenaam zijn, maar wil me ten goede houden....”“En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal, de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van ’t leven; niet onwelgemaakt!—De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier—pardon, een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien tot nietig slijk, dit alles....”Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.Sedert den fatalen avond, toen dat “ijdele overmoedige ding” zulk een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming—ofschoon hij haar zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht—was er niet door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden, toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring, kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben, ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie’s dood is heengegleden, hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten; maar, of de vrees voor Jacoba’s welzijn—nu hij haar werkelijk wat opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen—ach, of die vrees, die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor ’t oogenblik is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart dienietzou voorbijgaan.—Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen zijn!—O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke knie zat er een. August rechts;de anderlinks. Wat staarden die tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde, van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.—Ha, hij ziet die zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan, ’t was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op beider gelaat.—“Gerust maar,” hadde andertot den oudsten broeder gezegd: “het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zaliker je uithalen, op m’n woord van eer.”—En August was er doorgezakt, ende ander, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar, als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar zoo koud en zoo bleek zag; en hij—de pleegvader—hij voelt nog dat inwendig beven, ’twelk hij nooit te voren gevoelde; en ’t is hem nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: “O God, laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen blinken; ik heb die jongenszoo lief!”—Ja, dat zijn oogenblikken die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder, die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs, die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle dagenlater terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting, zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de maat was nog niet volgemeten. ’t Moest August bekend zijn hoe de dwaze familie zijner vrouw—zonder twijfel doorhaargedreven—den ouden luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:“Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, die ZEd.—haars ondanks’ en onbewust—voor het diner had geschonken, ’t welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familieVan Armeloo.”—Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andereEvaheeft, maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij, helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar ’t laatst heeft geroffeld.—Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba’s ongeval bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar gezondheid kwam vernemen..... dat hij....?Op het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken, en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al kloppend met zijn kapottepaillehandschoenen tegen het been, reeds een weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort.“Watblief?—Nee Alexander, ’t spijt me wel, maar ik moet me excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag...... ’t Was maar even om je te zeggen....” en mevrouw Mansburg fluistert den generaal wat in ’t oor.“Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld, dat mijn bloed....” Eensklaps opstaande tot Kippelaan:“Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud man, en.... Nee, ’t spijt me.... maar.... Wat het hoofddoel van je komst betreft....”Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen metde tienpaillehandschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:“O generaal, het is....”“Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die zaken schriftelijk behandelen.”“Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?”Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een man zooals hij in de kracht van ’t leven! Maar toch, alsonmogelijkheeft ze het niet beschouwd.“Mijnheer Kippelaan,” zegt de weduwe met eenige terughouding zeer deftig: “mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats, kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken.”—Och neen, Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan—verrast over zooveel heuschheid—na de hartelijkste respectsverzekeringen aan zijn excellentie, met de oude dame het“bureau” van den generaal zal verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven antwoord aan zijn zuster:“Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem niet kan spreken.—Nee:niet, ’t is immers duidelijk genoeg!”TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Tegen den avond van denzelfden dag stond Thomas Van Hake in de vestibule van het huisDe Zonsberg, en gaf aan Hendrik een brief van dokter voor den generaal.Hendrik zegt: niet te gelooven dat mijnheer op ’t bureau of in huis is; tenminste vóór een half uurtje omtrent is hij de plaats ingewandeld, en Hendrik zag hem niet terugkomen.Welzeker, Van Hake zal dan maar zoolang in de achterkamer gaan en meteen wat rusten; hij moet den generaal toch zelf even spreken en het antwoord op den brief ontvangen.“A propos: is de juffrouw thuis Hendrik?”“Jawel menheer, de juffrouw is binnen. Juist toen u schelde hield zij op met piano-spelen; dat doet ze maar ’t liefst als zij alleen is.”Bij ’t hooren van deze woorden wordt Van Hake eensklaps door een zonderlinge beklemdheid overvallen. Neen, zie, dáárop had hij niet gerekend. De beide vorige keeren, toen hij naar Jacoba’s welstandis komen vragen, toen is hij óók in die kamer gelaten, en weinige minuten later kwam toen de generaal en heeft zeer welwillend een kwartiertje met hem gepraat. Maar, juffrouw Jacoba had hij niet te zien gekregen, neen, ofschoon men toch eenige verplichting aan hem had en het belangstellend bezoek zeker háár gold in de eerste plaats.—Hoe ’t zij, ’t heeft hem eigenlijk niet verwonderd dat het zoo gegaan was, en vooral niet omdat Juffrouw Jacoba nog altijd ongesteld heette. Maar nu, nu hij door dokter met den brief—een speciale zending—is belast, en zijn bezoek alzoo geen uitsluitend belangstellend karakter had, nu heeft hij zich in ’t geheel niet durven voorstellen dat hij háár.... háár, dat zachte teedere schepseltje, zoo aanstonds en alleen zou vinden.“Nee Hendrik, wacht... ik weet niet.... ik heb.... Is.... isse de juffrouw weer heelemaal beter....? Zou het wel goed zijn dat ik.... als de generaal....? Watblief?”“Wou je lievernietbinnengaan menheer Van Hake? Ja, als u in de zaal wilt, of in de eetkamer, dan....”“Nee Hendrik, ik meende alleen....”Diep ademhalend en na een snelle beweging met de hand door de blonde krulharen, herneemt hij: “Ga jij je gang maar Hendrik; dien me maar aan alsjeblief. kHem hém!”Over Jacoba’s bleek gelaat verspreidt zich een licht blosje nu zij den jongen provisor ziet binnenkomen. Nochtans, zij heeft zich spoedig hersteld, want, terwijl haar physiek door het geregeld gebruik van versterkende middelen inderdaad wat verbeterd is, zoo schijnt het verbond met haarwilgesloten, den wil om zich los te scheuren van droombeelden en ijdele wenschen, haar een nieuwe veerkracht te hebben geschonken.—Dien blos, nu ja, zij heeft hem niet in haar macht gehad, en bij het zien van dien blonden knaap moest dat vreeselijk uur in de woning van baas Krul zich immers wel krachtig opdringen aan haar geest.Nu is ’t voorbij.“Ga zitten menheer Van Hake.—Ik hoop dat vader gauw komen zal.—Ik heb nog altijd een oude schuld met u af te doen, en u hartelijk dank te zeggen voor uw goedheid. Papa is u ook zeer erkentelijk. Op dien morgen.... ’t was....”“O, ik bid u, spreek daar niet van juffrouw Van Barneveld; ’t maakte me waarlijk gelukkig dat ik u zoo spoedig behulpzaam kon zijn.—Ja! dat was daar wel een schrikkelijke toestand. Die arme Donerie zoo in den bloei van ’t leven! en zoo knap niewaar!? U kunt er over oordeelen juffrouw; en dan vooral: hij was zoo’n edel best mensch! Och ja, we hadden in ’t laatst nog een soort van orgelkrans.”“Ei zoo!” zegt Coba met eenigszins afgewend gelaat.“Jawel, eigenlijk waren we maar met ons drieën, ’s Zondags avonds, en een paar malen ’s morgens vroeg, kwamen we op ’t orgel bijeen, en dan gaf hij ons les; altijd even fiks en degelijk, en toch zoo heel amikaal. ’t Mocht niet eens den naam vanleshebben, en hij nam er dan ook niemendal voor; we noemden het orgelkransof orgelclub; jammer dat het maar zoo heel kort mocht duren.”“Zoo.... kort?”“Ja, na de zevende les is hij aan ’t sukkelen geraakt. Ik kan u niet zeggen hoe vreemd of ’t me nog altijd is wanneer ik mij nu op dat orgelkamertje ’s morgens heel vroeg wat aan ’t oefenen ben. ’t Is me dan alsof ik hem nog zóó moet zien binnenkomen.”Er volgde een pauze.Van Hake begreep eensklaps dat het misschien niet goed was om zoo over Donerie te spreken; dat lieve meisje heeft immers zenuwaandoeningen, en de herinnering aan dien akeligen morgen bij Krul kon haar nadeelig zijn.—Die blanke engel!“’t Is hier toch een prachtig uitzicht juffrouw Van Barneveld! Wat geeft de ondergaande zon een heerlijken gloed over ’t land, en wat blinkt de Rijn daar helder in ’t verschiet; het donkere hout op den voorgrond maakt het uitzicht hier waarlijk tot een schilderij.”“Ja.... ’t is wel een heerlijk gezicht;” zegt Coba, mede naar buiten ziende; en dan: “Is dat een mooi... instrument.... zoo’n orgel? Ik bedoel er achter, waar men speelt? Ik heb nooit... Ja, op een plaat misschien; maar anders heb ik nooit....”“O, als u ’t orgel zien wilt juffrouw; wel, als ik dan de eer mocht hebben?” zegt Thomas snel, en er is een verheffing in zijn stem, alsof hij een vraag doet waarvan de toestemming hem voor zijn gansche leven gelukkig zal maken.“Zien, ja wat dát betreft, maar ’t is tegenwoordig zoo warm op den dag.”“Nee maar in devroegtejuffrouw! Van morgen bijvoorbeeld was ik al om halfzes op ’t orgel. Zie, als ik weten mochtwanneer, dan zou ik zorgen....”“Wel vriendelijk, maar ’t zal toch niet gaan, zoo vroeg; ik moet mij nog wat ontzien, en geloof dat papa....”“Nee, als mijnheer de generaal ’t liever niet had.... dán.... Maar anders, ik zou er mij een feest van maken om u alles eens goed uit te leggen. De brave Donerie kon met zulk een warmte over zijn orgel spreken. Wat speelde hij nog prachtig op den dag van dokters trouwen, niewaar? Wie had kunnen denken dat het zijn laatste toon zou wezen! Maar neem mij niet kwalijk juffrouw, dat ik alweer over mijn vriend spreek, ’t geeft u een sombere herinnering.”“Hebt ú ook gehoord van een plan.... van een monument of zoo iets op het graf, menheer Van Hake?”“Welzeker juffrouw; dokter heeft er al van gesproken; maar ik meen dat u—tenminste de familie er niet vóór waart.”“Wij.... dat is te zeggen: papa heeft geweigerd te teekenen omdat hij in ’t algemeen tegen zulke zaken is; maar wat mij betreft, ik, nee, ik ben er niet tegen.” Even naar buiten ziende en dan snel en bepaald: “Ik moet u ronduit zeggen dat naar mijne meening de stad Romphuizen zoo iets wel verplicht is aan de nagedachtenis van mijnheer....”“Donerie,” helpt Thomas. En dan, terwijl er een bijzondere glans in zijn mooi blauw oog te bespeuren is: “Zou het waarlijk ook ú genoegen doen dat het tot stand kwam, juffrouw Van Barneveld?”“Ik geloof dat het de wensch zal zijn van allen die zijn onderricht ontvingen of die zijn talent op prijs stelden. De wijze waarop hij les gaf was eenig.”“Nu juffrouw, als ú het wilt, dan zal, zoo waar als ik Thomas Van Hake heet, dat monument er komen ook! Dokter wou dat ik er mij eens flink zou voorspannen; maar.... ik was wat bang, en ’t ging niet zoo vlot als ik wenschte, doch nû, ja, nu ik weet dat u.... jawel juffrouw, jawel! dat geeft me courage, dat steekt me, als ik weer werven ga, een riem onder ’t hart. Sapperloot juffrouw, ik kan u niet zeggen met welk een ijver....”Jacoba moet de hand op ’t hart drukken om het hevig kloppen ervan te weerstaan, terwijl ze Van Hake snel in de rede valt, en hem dringend verzoekt om de zaak niet op die wijs te behandelen. Haar naam mag niet genoemd worden.“Nee natuurlijk niet juffrouw,” stemt Thomas eenigszins verrast maar haastig toe: “dat begrijp ik best. Als mijnheer de generaal er niet voor is.... nee natuurlijk, natuurlijk!”“Niewaar, natuurlijk!” herhaalt Coba, en dan zachtjes met een blos: “Eenonbekendeheeft bij u ingeschreven voor een bedrag dat.... later kan worden ingevuld, u verstaat me; enikteeken—een weinig onderaan slechts voor tien gulden.” Rondziende snel: “Maar de onbekende blijft onbekend voor iedereen.... natuurlijk!”“Welzeker,natuurlijkjuffrouw!”—Och hemel, zoo’n engel!De deur werd geopend. De generaal trad binnen.De kloeke vormen van den ouden krijgsman komen in zijn lichtgrijs zomer-tenue nog sterker uit; nochtans nu hij den grooten ronden stroohoed afneemt, nu ziet men dat de uitdrukking van zijn gelaat geenszins in harmonie met dien kloeken bouw is.“Wie daar....? Ahzoo menheer Van Hake, ben jij ’t! Je moeder welvarend?”“Dank u generaal; ma is heel gezond, en het doet me ook recht veel genoegen dat ik de juffrouw hier zoo wél mag vinden. De juffrouw ziet er waarlijk al veel beter uit.”“Ben je druk aan ’t praten geweest? Je hebt zoo’n kleur.”“Niet te druk, lieve pa. Menheer Van Hake heeft een brief voor u gebracht. Hebt u hem niet gekregen?”“Nee, een brief? Van wien?”“Van dokter, generaal. Hendrik zou u buiten gaan opzoeken.”“Ik heb ’em niet gezien;” zegt Van Barneveld en trekt tweemaal met kracht aan de schel: “Jacoba-lief, je zoudt me nu plezier doen met wat naar buiten of naar je kamer te gaan. ’t Is goed dat je menheer Van Hake, die ons zeer verplichtte—ja zeker m’n vrind, ik vergeet dat niet—dat je hem ontvangen hebt; je bent veel beter, en je mocht hem nu zelf wel eens bedanken, maar je ziet er wat vermoeid uit; menheer Van Hake zal je nu zeker excuseeren.”“O wat dat betreft generaal; ik hoop niet....”“Nee ’t zal haar nu geen kwaad hebben gedaan; maar we moeten nog voorzichtig zijn.”Hij geeft Jacoba een gebiedenden wenk.Van Hake tast naar zijn hoed die onder zijn stoel staat:“Indienikanders zoolang ergens anders....?”“O nee, volstrekt niet menheer Van Hake,” zegt Jacoba: “papa heeft gelijk; ’s morgens moet ik me nog wat rustig houden, want ik wil in ’t vervolg ’s morgens wat heel vroeg opstaan en wandelingen maken. Goeden avond! Mijn groeten aan mevrouw uw mama. en ook aan....”“Waar of Willem blijft!” valt Van Barneveld in met krachtige stem: “Ik heb tweemaal gescheld; de oude wordt langzaam.”Gevoelde Jacoba dat haar vader ’t slot van haar opdracht wilde verhinderen, toch zegt ze bij ’t heengaan:“.... En ook mijn groeten aan dokter Helmond en zijn vrouw.”’De oude koetsier—die ’t nooit verleeren zal om bij ’t naderen van zijn generaal, de twee voorste vingers nabij de grijze haren te brengen, krijgt in last om driemaal de groote schel boven ’t huis te doen klinken: dat was ’t sein voor Hendrik dat hij niet meer in de plaats behoefde te zoeken en terugkomen moest.In afwachting van Hendrik sleept het gesprek tusschen den ouden generaal en den jongen provisor. De laatste, ach, hij gevoelt het weer levendiger dan ooit dat hij met “zulke wenschen” een gek, een groote gek is; en toch....En Van Barneveld?—Heeft hij dan daarvoor in Gods schoone schepping wat rust voor zijn ontstemd gemoed gezocht, om bij zijn binnentreden aanstonds weer in dien maalstroom te worden geworpen! Had hij van den babbelaar niet meer dan genoeg vernomen; heeft hij den pleegzoon dezen morgen niet ten tweeden male—en toen met nog wat meer recht dan den eersten keer—een onderhoud geweigerd! Wat moet die brief hem nu melden? Wat wil hij dan? Wil hij liefde van den pleegvader enheulenmet een Delila! Wil hij twee heeren dienen!?—En die jongen daar; voert ook hij iets in zijn schild? Heeft de wauwelaar van ’t stadje dezen morgen waarheid gesproken? Zou dat manneke zich verstouten.... zou hij zich in ’t hoofd hebben gezet dat bij met Jacoba....? Neen, ’t is bijna niet te denken; en toch....Hendrik kwam binnen en overhandigde zijn meester den brief.Van Barneveld heeft toen met een wenk verlof gevraagd of genomen, om den brief in Van Hakes tegenwoordigheid te lezen.Van Hake zit voor op zijn stoel.Van Barneveld leest:“Geëerde oom!”De generaal gaat naar het raam. ’t Werd al wat donker, en, ’t was niet noodig dat die knaap hem zag terwijl hij las. Bij ’t raam leest hij verder:“Voor de tweede maal werd ik aan uw woning afgewezen. Gedachtig aan uw spreuk: “Kruipen doet het laag gedierte”, drong hetbesluit zich aan mij op, dat deze poging om u te ontmoeten de laatste zou geweest zijn.“Goddank, dat ik tot betere gedachten kwam!“Ik wist niet oom, dat het voorgevallene op dien avond,—het opperen van mijn vermoeden omtrent de oorzaak van Coba’s zenuwlijden, en het wel wat vrije gedrag van mijn vrouw,—reeds voldoende zou zijn om mij uwe liefde onwaardig te maken....”“Wátblieft u Generaal?” zegt Thomas, door een paar onverstaanbare woorden van Van Barneveld, plotseling uit een zeker orgelkamertje weggerukt.“Watblief?” herhaalt Van Barneveld, die den provisor vergeten was, terwijl hij omziet. En dan met een vorschenden blik: “Ben je met den inhoud van dezen brief bekend menheer?”Thom die onwillekeurig is opgestaan, aarzelt, maar zegt toch ferm:“De hoofdinhoud is me geen geheim generaal; maar gelezen heb ik hem niet.”“Ahzoo!” zegt Van Barneveld, terwijl hij Thom nog even van terzijde beschouwt. Daarna den brief weer inziende en zoekend naar de woorden, die hem straks onwillekeurig een gesmoorden kreet van verbazing ontlokten, prevelt hij onhoorbaar: “Wel wat vrij gedrag!Ha, mij dunkt!”—Nu leest hij verder:“Diep erkentelijk voor het vele goede, dat gij mij van jongsaf aanbewezen hebt; gedachtig aan zoo menig woord door u gesproken, aan zoo menige les van u ontvangen, moet de vrees dat uw liefde voor mij verloren ging, mij wel bitter kwellen.“En waardoor moest ik haar dan zoo eensklaps verliezen? Door mijn opvatting omtrent Coba? Dat is niet mogelijk. Een enkel oogenblik mocht die meening uw wrevel wekken, uw helder doorzicht zou er mij op den duur geen verwijt van maken, daar ben ik zeker van. En evenmin kan Eva’s ondoordachte handelwijze er oorzaak van zijn.”—Ha,ondoordacht! bromt Van Barneveld in den grijzen knevel; en leest weer voort:“Neen, wat zij in uw oogen misdreef, het kan toch niet voor rekening komen van den man, die ook in zijn vrouw zal afkeuren wat afkeuring verdient. Ik wil Eva’s gedrag op dien avond niet rechtvaardigen: zij heeft den eerbied aan uw jaren verschuldigd zeerzeker een oogenblik uit het oog verloren, maar ook, haar oprecht karakter....”Van Barneveld leest niet meer; zijn oogen staren strak in het dommelig verschiet, waar de zon zooeven is ondergegaan en slechts roode strepen aan den hemel heeft achtergelaten. De hand, waarin hij den brief hield, zakt bij het lichaam neer, terwijl hij de linker tegen ’t hart drukt, ’t Kon hem daar in de laatste weken soms zoo snel, zoo pijnlijk kloppen. Groote God! mocht hij zulk een brief dan nog verder lezen: de verbloeming, de verdediging van een smaad, waarover ieder rechtgeaarde, en die pleegzoon althans, niet dan verontwaardiging gevoelen moest.—Ha! ik heb het gevreesd! zucht Van Barneveld onhoorbaar:Neen, God weet het dat ik niet “trotschenschriel” ben, maar ’t bloed kookt mij al te onstuimig wanneer ik de dwaasheid ten troon, en Gods wetten verkrachten zie. Om dat bruisende bloed, om dat pijnlijk kloppen hierbinnen, ontving ik hem niet. Maar zijn brief kon ik lezen; die brief—lang verwacht—zou me zeggen hoe het stond tusschen hem en mij. En ik weet het nu: Breed en diep is de kloof. Tusschen ons is alles voortaan....“Deert u iets generaal?”Van Barneveld geeft in den beginne geen antwoord. Het blad papier heeft geritseld in zijn hand en viel op den grond.Doch zie, met een krachtige zelfoverwinmng grijpt hij de leuning van zijn stoel. Zijn donkere oogen strak op Van Hake richtend, staart hij hem eenige seconden stilzwijgend aan, als zoekt hij naar een gepasten vorm voor ’tgeen hij spreken wil, en zegt dan met vaste stem:“Je hebt het vertrouwen van.... je patroon, menheer Van Hake, dáárom geef ik je in antwoord op zijn brief een mondelinge boodschap. Zeg aan.... dokter Helmond, dat ik hem aan Simson herinner, hoe deze, sterk met God, schier ongewapend duizend Philistijnen versloeg; maar ook, hoe hij, krachteloos gemaakt door eenvrouw—een heidin—slechts zijn sterkte mocht herwinnen om zich onder ’t puin van den heidentempel te begraven.”Van Hake stond roerloos. Zonder een woord te kunnen zeggen, zag hij den spreker een wijle aan. Wat moest die toon, wat moest dat beeld beduiden? Ach, hij vreest nu maar al te zeer dat die oude man meer reden tot wrevel heeft, dan dokter vermoedde of blijken liet.Helmonds sombere stemming der laatste dagen was Thom niet ontgaan; maar, eerst dezen middag—nadat dokter erg verhit was thuisgekomen—heeft hij zijn hart voor hem uitgestort.—Thom, zoo onverwacht de vertrouwde van zijn weldoener geworden, heeft bescheiden maar toch met veel vrijmoedigheid zijn oordeel gezegd, en, hij gelooft het zeker, ook goeden raad gegeven. Als het niets anders was dan een opvatting tegen mevrouw Helmond—zooals dokter zeide—een verschil van zienswijze; de strijd van een jonge levenslustige vrouw met een grijsaard, die toch ook alleen doorervaringde wereldsche goederen en genietingen als ijdel heeft leeren beschouwen, welnu, dan was er toch zooveel reden tot voorhoofdrimpelen niet.—Och zie, heeft Thom gevleid en gedrongen: als dokter nu eens wilde doen wat hij dacht, namelijk; aan den ouden man een hartelijken brief schrijven, maar eenheel hartelijken, met verzoek om een onderhoud in alle liefde; en als Thom dan zelf dien brief mocht brengen, en dokter het verder eens stilletjes aan hem wilde overlaten, ja, dan geloofde hij zeker dat hij dokter nog dezen avond met een gunstig antwoord zou kunnen verheugen.Wat Thom in die oogenblikken zoo vermetel heeft gemaakt, hij weet het zelf niet. Maar immers, tweemaal is hij zeer welwillend door dien voornamen heer ontvangen; en heeft hij dan toen nietvrij—erg op zijn gemak—over alles kunnen spreken? ’t Was toch een heel verstandig man die generaal, en Thom geloofde vast dat men, wanneer men ’t maar verstandig aanlei, in de redelijkheid wel alles van hem gedaan kon krijgen. Zie, ’t was toch ook bedroevend dat dokter nu in weerwil van al zijn geluk, met zoo’n mooie jonge vrouw en een prachtig huis, en zulke schitterende vooruitzichten—terwijl hij al gedurig zoo stil en afgetrokken geweest is—daar nu neerzat alsof alle geluk is vervlogen; die beste dokter, die edele vriend! En dan—maar nee, waarachtig niet! Nee, op zijn woord van eer, met eenige bijbedoeling heeft hij geen boodschap naarDe Zonsberggezocht. Wat zou het hem voor zich zelven baten, al kon hij door een gepast goedmoedig woord die beide mannen weer wat spoediger tot elkander brengen? Nee zeker, die andere gedachte is achteraan gekomen, als een roover. Hij behoeft zich immers ’t vertelseltje maar te herinneren: Er was eens een koning, en die koning had een dochter. En er was een boerenjongen, en die boerenjongen was een gek.—Uit er mee!—Of hij Jacoba misschien toch even zien zou? Nu ja,zien; wie weet....! zoo heeft hij gedacht.En of het geen dwaasheid van Helmond geweest is om aan het voorstel van zijn jongen vriend gehoor te geven? Och, Helmond wist het toen evenmin. Erg verhit met een bonzend hoofd thuisgekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien braven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.Eva was niet thuis. Indien hij haar terugkomst afwachtte, om haar eerst zijn weervaren mee te doelen, ongetwijfeld zou zij hem, na zulk een afwijzing, het onmiddellijk schrijven als de grootste dwaasheid, ja misschien als een laagheid hebben ontraden. Waarom dan nietaanstondsgedaan, waar een goede geest hem nu toe aanspoorde; uitstel zou licht tot afstel kunnen leiden, en immers, terwijl hij vroeger zoo lang besluiteloos bleef, isspoedighandelen nu geraden. Bovendien, nu hij ten tweeden male werd afgewezen, nu is er zeerzeker bij den ouden manmeergrieve dan August zich heeft voorgesteld. En zie, daar stond die goedmoedige Thom met zijn blonden krullebol en zijn helderblauwe oogen. Helmond had zijn tusschenkomst niet gezocht, Thom heeft ze hem als ’t ware opgedrongen. Nu dan, geen bedenkingen meer; gedachtig aan ooms onverzettelijke gestrengheid tegen Philip, was een algeheele scheuring nog ’t best te voorkomen door de tusschenkomst van zulk een vriend, die nog bovendien het vertrouwen van den grijsaard bezat.En of Thom een warm vriend en zijn zending waard was. Hoor dan:“Generaal, u moet me niet kwalijknemen, maar dat heele verhaal van Simson, dat.... neem mij niet kwalijk, dat durf ik niet aan dokter weeromzeggen. Dokter is een best mensch generaal, een bijzonder best mensch, en.... dat heeft ie van u.... jawel op m’n woord, hij heeft het vroeger honderdmaal gezegd: al wat er goeds aan hem was dat had hij aan u te danken.”—Och! wát is het anders dan de eeuwenheugende geschiedenis van de slang en de vrouw, en de vrouw en de slang, zucht Van Barneveld onhoorbaar, terwijl hij zonder op Thom te letten strak voor zich heen ziet.“Maar als men dan alles weet generaal, van de gevoelens en van de liefde niewaar, dan kan er immers geen misvatting meer zijn, dan....”Van Barneveld ziet op, en Thom van terzijde aan:“Ik heb je, meen ik, ’t antwoord voor den dokter gegeven. Iets anders heb ik niet.”“Maar.... met uw verlof; als ik me niet bedrieg dan hebt u den brief niet heelemaal gelezen generaal.”“Jawel, tenminste....”“Nee! nee waarlijk niet! U moet me niet kwalijknemen dat ik u tegenspreek, maar op m’n woord, als u hem heelemaal gelezen hadt dan liet u zeker weten: dat u dokter met plezier ontvangen zoudt. Och beste dokter—generaal wil ik zeggen, als u nu eens wist hoe blij ik met die boodschap zou wezen. Vijf en twintigmaal zou ik er voor door een heete zon, zooals ’t van morgen was, willen heen en weer loopen. Och, dokter is zoo’n best mensch, generaal, en nee, z’n vrouw is ook zoo kwaad niet, als men haar nader leert kennen. Gul is ze, goedhartig! Kom generaal, u moest die haken en oogen nu maar uit de wereld maken, en maar denken....”Van Barneveld, die weer met de hand op de vensterbank geleund bij ’t raam staat, ziet om, en valt met eenigszins schorre stem nu haastig in:“Je bent nog zeer jong menheer Van Hake, en daarom vergeef ik je dat je een man van mijn jaren de les wilt lezen, en onder ’t oog brengen hoe hij ten opzichte van dokter Helmond en .... zijnvrouwte handelen heeft. Een man....”“Maar.... maar....” aarzelt Thom in bijna smeekende houding: “als u dan toch waarachtig dien brief niet heelemaal gelezen hebt....”“Mijnheer de provisor, ik verzoek je mij niet meer in de rede te vallen.Een manals je patroon, van wien men onderstellen mag dat hij denkt alvorens te schrijven—nee dankje, dien stoel kan ik wel zelf....—ik zeg, zulk een man zal aan ’t slot van zijn geschrift niet weerspreken wat hij vooropstelt. Genoeg, ik ken dien brief, al las ik hem niet ten einde. De kern....”Thom kan zich niet weerhouden en valt in:“Ja maar generaal, juist diekernvan dokter; zijn hart voor u...”Van Barneveld ziet Thomas aan met een blik,waarin zeer duidelijk geschreven staat:Zwijg!Meer niet, maar ’t was voldoende:“Ik dien toch een misverstand bij je weg te nemen jongmensch,” herneemt Van Barneveld met zichtbare inspanning: “Je schijnt te denken dat een verschil, “haken en oogen” zooals je dat gelieft te noemen, mij ’t besluit deed nemen om dokter Helmond niet meer te ontvangen. Maar ik zeg je: zoomin als vuur en water, of duisternis en zonneschijn in vrede kunnen leven, zoomin kan het de geest, diein dokter Helmond gevaren is met mijn waarachtige overtuiging,”Thom bijt zich schier de lippen aan bloed. Hij wil spreken, hij moet spreken..... Maar nee, halt! halt jongmensch, wacht je beurt; halt!“En Helmond kent die overtuiging!” hervat de generaal met verheffing: “Of weet hij niet meer wat ik den worm noem, die knaagt aan den wortel van ons volksbestaan! Die worm is het zinneloos teren op den roem en het geld van een wakker voorgeslacht; ’t is die geest van luie brooddronkenheid, van voorname domheid, maar vooral vanzotte verheffing boven zijn stand. En die duivel in veel gedaanten, moet met kracht worden bestreden zal de geest van ’t voorgeslacht ontwaken in ’t eind: “Met God voor Oranje! Door noeste vlijt, tot Neerlands roem!”Maar hijzalontwaken. Bij God, men zal het ervaren dat Neerland niet rijp is, en niet rijp worden zal voor annexatie! Het juk der dienstbaarheid verdragen wij nooit op den duur. De oude leeuw zal tand en klauwen toonen. Losrukken zal hij zich en vechten tot zijn laatsten droppel bloed, wanneer overmacht hem den nek durft krommen. Wee,weedan de vadsigegasthuis-Nederlanders, ’t ontaarde ras, wanneer het, in zijn dommel, door kanongedonder wordt wakkergeschokt! Wee, wee de verwijfden!”“Generaal, ik bid u, zou mijn beste brave dokter....”“Knaap, kun je niet hooren en verstaan? Zeg, werd dan Helmond sedert zijn vrouw hem regeert, niet mijn tegenstander, een vijand van zijn vaderland!?”“Generaal, waarachtig hij wil niets liever dan in overeenstemming met u handelen.”“Maar wie,wiekiest hij dan!Ikzeg je dat hij steedshaarzal kiezen, al gevoelt hij zelf dat hij zondige weelde boven eenvoud en tevreden zin, dat hij een Delila bovenJehovaverkiest.”“Generaal, nog eens: u trekt het te ver. Mevrouw Helmond is....”“Een duivelin! Zwijg jongen; wie mijn pleegzoon in zulk een korten tijd reeds zóó tot haar slaaf maakte, heeft met satan een verbond gesloten.—Na zulk een avond, mijn God, inplaats van haar te noodzaken aanstonds neer te vallen aan mijn voet, liet hij zich door dievrouw, vier weken lang van zijn grijzen pleegvader terughouden.—’t Is haar wufte zin die hem zand en klatergoud in de oogen strooit.—Wat wil hij nu!—Mij zeggen dat hij de kooper werd van een huis met dertien kamers, zonder het te kunnen betalen. Mij bekennen misschien—zoodra ik hem het geld voor zijn dwaasheid weigeren moet—dat hij nu mede geheel overtuigd is van ’tgeen zijn vrouw mij verwijten dorst, dat ik.... ha! dat ik ben: éntrotschénschriel!”“Goeje hemel, generaal!”“Nu weet je het knaap. En ’t is goed misschien dat de vertrouwde van dokter Helmond het weet, om ervan te kunnen gruwen. Spaar me nu verder; ik was niet voorbereid op dit alles.... Ga! Nee,nietsmeer. Ik ben wél, maar toch....” Van Barneveld, die reeds gedurig de hand ter plaatse van ’t hart heeft gebracht, doet het ooknu, terwijl hij vervolgt: “In een fel bestookte vesting wordt spoedig bres geschoten. Heb ik je soms wat hard toegesproken menheer Van Hake, vergeef ’t den ouden man; jij deedt je plicht.... jij....! Blijf een brave zoon;vergeet je moeder nooit. Wees eenvoudig; tracht niet naar ’tgeen onbereikbaar voor je is; en, als je een vrouw kiest....” Thom werd bloedrood: “neem er dan eene uit je stand, die—zoo noodig, ’t brood mee verdienen durft. Vaarwel!”’t Was Thom na dat laatste zeer beslissend: vaarwel, niet mogelijk een woord meer te spreken.—Ja toch:“Maar ik bid u, generaal!”—Halt! zóó donker heeft hij nog nooit een oog zien worden.—Goeie hemel, moest dit het besluit dan wezen! Die beste dokter!—En dan, ach!.... Daar was eens een koning en die koning had een dochter en, en.... de boerenjongen was een gek, een verduivelde gek!Nog denzelfden avond moest Hendrik een brief aan ’t adres Binzler teGodesberg, op de post bezorgen; en, reeds twee dagen later—bij ’t eerste uchtendkrieken, draafden Victor en Coco, voor de vigilante, met koffers beladen, het hek vanDe Zonsberguit.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.’t Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van ’t bewind, en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort suizend langs ’t oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in ’t weiland beroeren komt, en ’t klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenschuift.Het landgoedDe Zonsbergligt daar almede zwijgend en dorstend in de gloeiende stralen der Juni-zon.Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte, daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote ijzeren hek vanDe Zonsbergverwijderd, voelt nogmaals naar zijn beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen; doet een hopelooze poging om ze weer tot den “kelk te vormen waarin zijn edelst lichaamsdeel—het hoofd—is gevat”, en vraagt zich zelven dan zeerernstigaf: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn plan kan volvoeren? ’t Loopt hem—met permissie—onder den hoed uit, en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij ’t zelf zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans en zomergeur heeft gegeven.Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat juistdeze positie—en jus, en nage—moet meewerken in zijn belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil, een hersenontsteking!’t Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers aanraakt. ’t IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin, alles was heden daarmee in harmonie!En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijnpaille glacéhandschoenen gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om hem over de vochtige “muis” te krijgen, van onder tot boven ziet openbersten, stapt hij—door het ongeluk zoo mogelijk nog meeren nagegeraakt—het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....Daar staat hij dan nu.... inharenabijheid!—Zoo pas uit de felle zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt dat zij ter afwering van muggen en ander “onwellevend gevogelt” een witzijden doek over ’t hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ooken nage, met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt hij niet meer.“’t Hem, kehem!” kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger, ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!—Zij slaapt! O zij slaapt!!—Edele spruit! droomt zij wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken, hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken, en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier is hij van wien gij “droomend waakt en wakend droomt”; die u “wil omstrengelen met de teerheid van zijn hart”. Maar—helaas! paf! daar barst ook de tweedepaillehandschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie maar.—Bah! ’t is te warm voor handschoenen.—Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men niet dat ze kapot zijn.“Juffrouw! juffrouw Jacoba!”De neustop klimt. De sluier valt:“Goeje hemel!—phu!—wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik ’t plezier....?”“Hé, ik dacht....” zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit het veld geslagen: “Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?—Charmant mooi weer. Ik dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!....”“O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan nietwaar....?”“Jules Janin, om u te dienen. Van mama’s kant—de Parladotti’s—Italiaansche origine!—Recht aangenaam u hier te ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame, eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte is instaat om....”Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.—Wat wil die man?!“Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden,” valt ze haastig in: “wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht u aandienen.”“Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier ’t eerst te spreken! ’t Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het eerst voor u mocht ontlasten; indien....”“Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.—Op mijne jaren....” En dan terwijl eenvuurroodhaar aangezicht bedekt, staat mevrouw Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij: “Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur.”De generaal Van Barneveld verkeerde ’t allerminst in een stemming om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en, om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat kon er in ’t geheel niet door.De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor een goed deel zijn “joviale vrijmoedigheid” verliezen.“En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk spreken moest?”“De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren Parladotti.—Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een reisje, in den bloei van ’t leven. Enfin! de eenige spruit, Julus Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende ofvijftiendeeeuw—daar wil ik afwezen. Al vroeg....”“De hoofdzaak, menheer Kippelaan?”Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van ’t gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo “dolks en sabels” aan.“De zaak uw excellentie, de zaak, enfin....” Eensklaps opstaande terwijl hij een snelle buiging maakt: “Mijn bijzonder compliment generaal. ’t Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. ’t Zal uw gloriole zijn; ik wensch u van harte....” Kippelaan is er bijna toegekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen, doch dat scherpziende oog dringt hem terug.“Wàt meen je menheer?”De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. ’t Heeft hem de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op de markt gekocht had.Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds “publiek domein”. Op een avondpartij bij den notaris in ’t laatst van de vorige week—waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was geweest—daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er ’s-avonds met witte handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z’n duim in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem ’s-anderendaags bij ’t scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: “Voor achttienduizend! Spotprijs!” en de majoor heeft toen geheimzinnig met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de fauteuils—hij lette op alles, en de notaris had een “toost geslagen” zei Piet, over “de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen, wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij; wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning uit te strekken.” De majoor Kartenglimp had toen ook een “toost geslagen”, en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde, en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze gemeente, maar tevens—hij mocht met eenige zekerheid spreken—dank zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade, den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het heil van het lieve stedeke waarvanhij, gave het God!—de majoor had toen den blik naar boven geslagen—eenmaal de vader, en zij, die teedere gade, de beschermvrouw, neen, demoederzou worden genoemd.Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies te kunnen teruggeven. ’t Was zeker voor den ouden generaal,die er nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!“Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus ’t nieuwe huis zou betrekken.... en....”“Genoeg menheer....!”“Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon, pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; ’t huis aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!”De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op ’t punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:“Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak waarover....”“Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik...., ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag, charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte.” Opstaande: “Phu! enfin....”“Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag.”“Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een....”Van Barneveld staat op:“Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt gebruiken, menheer Kippelaan, ’t zal me aangenaam zijn, maar wil me ten goede houden....”“En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal, de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van ’t leven; niet onwelgemaakt!—De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier—pardon, een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien tot nietig slijk, dit alles....”Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.Sedert den fatalen avond, toen dat “ijdele overmoedige ding” zulk een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming—ofschoon hij haar zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht—was er niet door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden, toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring, kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben, ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie’s dood is heengegleden, hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten; maar, of de vrees voor Jacoba’s welzijn—nu hij haar werkelijk wat opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen—ach, of die vrees, die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor ’t oogenblik is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart dienietzou voorbijgaan.—Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen zijn!—O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke knie zat er een. August rechts;de anderlinks. Wat staarden die tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde, van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.—Ha, hij ziet die zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan, ’t was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op beider gelaat.—“Gerust maar,” hadde andertot den oudsten broeder gezegd: “het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zaliker je uithalen, op m’n woord van eer.”—En August was er doorgezakt, ende ander, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar, als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar zoo koud en zoo bleek zag; en hij—de pleegvader—hij voelt nog dat inwendig beven, ’twelk hij nooit te voren gevoelde; en ’t is hem nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: “O God, laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen blinken; ik heb die jongenszoo lief!”—Ja, dat zijn oogenblikken die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder, die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs, die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle dagenlater terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting, zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de maat was nog niet volgemeten. ’t Moest August bekend zijn hoe de dwaze familie zijner vrouw—zonder twijfel doorhaargedreven—den ouden luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:“Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, die ZEd.—haars ondanks’ en onbewust—voor het diner had geschonken, ’t welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familieVan Armeloo.”—Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andereEvaheeft, maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij, helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar ’t laatst heeft geroffeld.—Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba’s ongeval bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar gezondheid kwam vernemen..... dat hij....?Op het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken, en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al kloppend met zijn kapottepaillehandschoenen tegen het been, reeds een weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort.“Watblief?—Nee Alexander, ’t spijt me wel, maar ik moet me excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag...... ’t Was maar even om je te zeggen....” en mevrouw Mansburg fluistert den generaal wat in ’t oor.“Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld, dat mijn bloed....” Eensklaps opstaande tot Kippelaan:“Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud man, en.... Nee, ’t spijt me.... maar.... Wat het hoofddoel van je komst betreft....”Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen metde tienpaillehandschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:“O generaal, het is....”“Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die zaken schriftelijk behandelen.”“Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?”Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een man zooals hij in de kracht van ’t leven! Maar toch, alsonmogelijkheeft ze het niet beschouwd.“Mijnheer Kippelaan,” zegt de weduwe met eenige terughouding zeer deftig: “mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats, kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken.”—Och neen, Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan—verrast over zooveel heuschheid—na de hartelijkste respectsverzekeringen aan zijn excellentie, met de oude dame het“bureau” van den generaal zal verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven antwoord aan zijn zuster:“Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem niet kan spreken.—Nee:niet, ’t is immers duidelijk genoeg!”

’t Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van ’t bewind, en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.

Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.

De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.

Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort suizend langs ’t oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in ’t weiland beroeren komt, en ’t klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenschuift.

Het landgoedDe Zonsbergligt daar almede zwijgend en dorstend in de gloeiende stralen der Juni-zon.

Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte, daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.

Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote ijzeren hek vanDe Zonsbergverwijderd, voelt nogmaals naar zijn beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen; doet een hopelooze poging om ze weer tot den “kelk te vormen waarin zijn edelst lichaamsdeel—het hoofd—is gevat”, en vraagt zich zelven dan zeerernstigaf: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn plan kan volvoeren? ’t Loopt hem—met permissie—onder den hoed uit, en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij ’t zelf zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans en zomergeur heeft gegeven.

Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat juistdeze positie—en jus, en nage—moet meewerken in zijn belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil, een hersenontsteking!

’t Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers aanraakt. ’t IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin, alles was heden daarmee in harmonie!

En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijnpaille glacéhandschoenen gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om hem over de vochtige “muis” te krijgen, van onder tot boven ziet openbersten, stapt hij—door het ongeluk zoo mogelijk nog meeren nagegeraakt—het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....

Daar staat hij dan nu.... inharenabijheid!—Zoo pas uit de felle zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt dat zij ter afwering van muggen en ander “onwellevend gevogelt” een witzijden doek over ’t hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ooken nage, met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt hij niet meer.

“’t Hem, kehem!” kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger, ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!

—Zij slaapt! O zij slaapt!!—Edele spruit! droomt zij wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken, hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken, en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier is hij van wien gij “droomend waakt en wakend droomt”; die u “wil omstrengelen met de teerheid van zijn hart”. Maar—helaas! paf! daar barst ook de tweedepaillehandschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie maar.—Bah! ’t is te warm voor handschoenen.

—Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men niet dat ze kapot zijn.

“Juffrouw! juffrouw Jacoba!”

De neustop klimt. De sluier valt:

“Goeje hemel!—phu!—wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik ’t plezier....?”

“Hé, ik dacht....” zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit het veld geslagen: “Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?—Charmant mooi weer. Ik dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!....”

“O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan nietwaar....?”

“Jules Janin, om u te dienen. Van mama’s kant—de Parladotti’s—Italiaansche origine!—Recht aangenaam u hier te ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame, eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte is instaat om....”

Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.

—Wat wil die man?!

“Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden,” valt ze haastig in: “wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht u aandienen.”

“Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier ’t eerst te spreken! ’t Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het eerst voor u mocht ontlasten; indien....”

“Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.—Op mijne jaren....” En dan terwijl eenvuurroodhaar aangezicht bedekt, staat mevrouw Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij: “Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur.”

De generaal Van Barneveld verkeerde ’t allerminst in een stemming om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en, om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat kon er in ’t geheel niet door.

De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor een goed deel zijn “joviale vrijmoedigheid” verliezen.

“En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk spreken moest?”

“De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren Parladotti.—Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een reisje, in den bloei van ’t leven. Enfin! de eenige spruit, Julus Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende ofvijftiendeeeuw—daar wil ik afwezen. Al vroeg....”

“De hoofdzaak, menheer Kippelaan?”

Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van ’t gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo “dolks en sabels” aan.

“De zaak uw excellentie, de zaak, enfin....” Eensklaps opstaande terwijl hij een snelle buiging maakt: “Mijn bijzonder compliment generaal. ’t Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. ’t Zal uw gloriole zijn; ik wensch u van harte....” Kippelaan is er bijna toegekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen, doch dat scherpziende oog dringt hem terug.

“Wàt meen je menheer?”

De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. ’t Heeft hem de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op de markt gekocht had.

Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds “publiek domein”. Op een avondpartij bij den notaris in ’t laatst van de vorige week—waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was geweest—daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er ’s-avonds met witte handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z’n duim in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem ’s-anderendaags bij ’t scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: “Voor achttienduizend! Spotprijs!” en de majoor heeft toen geheimzinnig met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.

Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de fauteuils—hij lette op alles, en de notaris had een “toost geslagen” zei Piet, over “de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen, wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij; wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning uit te strekken.” De majoor Kartenglimp had toen ook een “toost geslagen”, en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde, en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze gemeente, maar tevens—hij mocht met eenige zekerheid spreken—dank zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade, den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het heil van het lieve stedeke waarvanhij, gave het God!—de majoor had toen den blik naar boven geslagen—eenmaal de vader, en zij, die teedere gade, de beschermvrouw, neen, demoederzou worden genoemd.

Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies te kunnen teruggeven. ’t Was zeker voor den ouden generaal,die er nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!

“Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus ’t nieuwe huis zou betrekken.... en....”

“Genoeg menheer....!”

“Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon, pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; ’t huis aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!”

De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op ’t punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:

“Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak waarover....”

“Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik...., ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag, charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte.” Opstaande: “Phu! enfin....”

“Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag.”

“Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een....”

Van Barneveld staat op:

“Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt gebruiken, menheer Kippelaan, ’t zal me aangenaam zijn, maar wil me ten goede houden....”

“En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal, de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van ’t leven; niet onwelgemaakt!—De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier—pardon, een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien tot nietig slijk, dit alles....”

Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.

Sedert den fatalen avond, toen dat “ijdele overmoedige ding” zulk een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming—ofschoon hij haar zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht—was er niet door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden, toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring, kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.

Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben, ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie’s dood is heengegleden, hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten; maar, of de vrees voor Jacoba’s welzijn—nu hij haar werkelijk wat opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen—ach, of die vrees, die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor ’t oogenblik is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart dienietzou voorbijgaan.

—Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen zijn!—O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke knie zat er een. August rechts;de anderlinks. Wat staarden die tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde, van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.—Ha, hij ziet die zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan, ’t was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op beider gelaat.—“Gerust maar,” hadde andertot den oudsten broeder gezegd: “het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zaliker je uithalen, op m’n woord van eer.”—En August was er doorgezakt, ende ander, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar, als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar zoo koud en zoo bleek zag; en hij—de pleegvader—hij voelt nog dat inwendig beven, ’twelk hij nooit te voren gevoelde; en ’t is hem nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: “O God, laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen blinken; ik heb die jongenszoo lief!”—Ja, dat zijn oogenblikken die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder, die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs, die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle dagenlater terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting, zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de maat was nog niet volgemeten. ’t Moest August bekend zijn hoe de dwaze familie zijner vrouw—zonder twijfel doorhaargedreven—den ouden luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:

“Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, die ZEd.—haars ondanks’ en onbewust—voor het diner had geschonken, ’t welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familieVan Armeloo.”

“Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, die ZEd.—haars ondanks’ en onbewust—voor het diner had geschonken, ’t welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.

Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familie

Van Armeloo.”

—Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andereEvaheeft, maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij, helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.

Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar ’t laatst heeft geroffeld.—Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba’s ongeval bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar gezondheid kwam vernemen..... dat hij....?

Op het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken, en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al kloppend met zijn kapottepaillehandschoenen tegen het been, reeds een weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.

Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort.

“Watblief?—Nee Alexander, ’t spijt me wel, maar ik moet me excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag...... ’t Was maar even om je te zeggen....” en mevrouw Mansburg fluistert den generaal wat in ’t oor.

“Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld, dat mijn bloed....” Eensklaps opstaande tot Kippelaan:

“Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud man, en.... Nee, ’t spijt me.... maar.... Wat het hoofddoel van je komst betreft....”

Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen metde tienpaillehandschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:

“O generaal, het is....”

“Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die zaken schriftelijk behandelen.”

“Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?”

Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een man zooals hij in de kracht van ’t leven! Maar toch, alsonmogelijkheeft ze het niet beschouwd.

“Mijnheer Kippelaan,” zegt de weduwe met eenige terughouding zeer deftig: “mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats, kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken.”

—Och neen, Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan—verrast over zooveel heuschheid—na de hartelijkste respectsverzekeringen aan zijn excellentie, met de oude dame het“bureau” van den generaal zal verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven antwoord aan zijn zuster:

“Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem niet kan spreken.—Nee:niet, ’t is immers duidelijk genoeg!”

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Tegen den avond van denzelfden dag stond Thomas Van Hake in de vestibule van het huisDe Zonsberg, en gaf aan Hendrik een brief van dokter voor den generaal.Hendrik zegt: niet te gelooven dat mijnheer op ’t bureau of in huis is; tenminste vóór een half uurtje omtrent is hij de plaats ingewandeld, en Hendrik zag hem niet terugkomen.Welzeker, Van Hake zal dan maar zoolang in de achterkamer gaan en meteen wat rusten; hij moet den generaal toch zelf even spreken en het antwoord op den brief ontvangen.“A propos: is de juffrouw thuis Hendrik?”“Jawel menheer, de juffrouw is binnen. Juist toen u schelde hield zij op met piano-spelen; dat doet ze maar ’t liefst als zij alleen is.”Bij ’t hooren van deze woorden wordt Van Hake eensklaps door een zonderlinge beklemdheid overvallen. Neen, zie, dáárop had hij niet gerekend. De beide vorige keeren, toen hij naar Jacoba’s welstandis komen vragen, toen is hij óók in die kamer gelaten, en weinige minuten later kwam toen de generaal en heeft zeer welwillend een kwartiertje met hem gepraat. Maar, juffrouw Jacoba had hij niet te zien gekregen, neen, ofschoon men toch eenige verplichting aan hem had en het belangstellend bezoek zeker háár gold in de eerste plaats.—Hoe ’t zij, ’t heeft hem eigenlijk niet verwonderd dat het zoo gegaan was, en vooral niet omdat Juffrouw Jacoba nog altijd ongesteld heette. Maar nu, nu hij door dokter met den brief—een speciale zending—is belast, en zijn bezoek alzoo geen uitsluitend belangstellend karakter had, nu heeft hij zich in ’t geheel niet durven voorstellen dat hij háár.... háár, dat zachte teedere schepseltje, zoo aanstonds en alleen zou vinden.“Nee Hendrik, wacht... ik weet niet.... ik heb.... Is.... isse de juffrouw weer heelemaal beter....? Zou het wel goed zijn dat ik.... als de generaal....? Watblief?”“Wou je lievernietbinnengaan menheer Van Hake? Ja, als u in de zaal wilt, of in de eetkamer, dan....”“Nee Hendrik, ik meende alleen....”Diep ademhalend en na een snelle beweging met de hand door de blonde krulharen, herneemt hij: “Ga jij je gang maar Hendrik; dien me maar aan alsjeblief. kHem hém!”Over Jacoba’s bleek gelaat verspreidt zich een licht blosje nu zij den jongen provisor ziet binnenkomen. Nochtans, zij heeft zich spoedig hersteld, want, terwijl haar physiek door het geregeld gebruik van versterkende middelen inderdaad wat verbeterd is, zoo schijnt het verbond met haarwilgesloten, den wil om zich los te scheuren van droombeelden en ijdele wenschen, haar een nieuwe veerkracht te hebben geschonken.—Dien blos, nu ja, zij heeft hem niet in haar macht gehad, en bij het zien van dien blonden knaap moest dat vreeselijk uur in de woning van baas Krul zich immers wel krachtig opdringen aan haar geest.Nu is ’t voorbij.“Ga zitten menheer Van Hake.—Ik hoop dat vader gauw komen zal.—Ik heb nog altijd een oude schuld met u af te doen, en u hartelijk dank te zeggen voor uw goedheid. Papa is u ook zeer erkentelijk. Op dien morgen.... ’t was....”“O, ik bid u, spreek daar niet van juffrouw Van Barneveld; ’t maakte me waarlijk gelukkig dat ik u zoo spoedig behulpzaam kon zijn.—Ja! dat was daar wel een schrikkelijke toestand. Die arme Donerie zoo in den bloei van ’t leven! en zoo knap niewaar!? U kunt er over oordeelen juffrouw; en dan vooral: hij was zoo’n edel best mensch! Och ja, we hadden in ’t laatst nog een soort van orgelkrans.”“Ei zoo!” zegt Coba met eenigszins afgewend gelaat.“Jawel, eigenlijk waren we maar met ons drieën, ’s Zondags avonds, en een paar malen ’s morgens vroeg, kwamen we op ’t orgel bijeen, en dan gaf hij ons les; altijd even fiks en degelijk, en toch zoo heel amikaal. ’t Mocht niet eens den naam vanleshebben, en hij nam er dan ook niemendal voor; we noemden het orgelkransof orgelclub; jammer dat het maar zoo heel kort mocht duren.”“Zoo.... kort?”“Ja, na de zevende les is hij aan ’t sukkelen geraakt. Ik kan u niet zeggen hoe vreemd of ’t me nog altijd is wanneer ik mij nu op dat orgelkamertje ’s morgens heel vroeg wat aan ’t oefenen ben. ’t Is me dan alsof ik hem nog zóó moet zien binnenkomen.”Er volgde een pauze.Van Hake begreep eensklaps dat het misschien niet goed was om zoo over Donerie te spreken; dat lieve meisje heeft immers zenuwaandoeningen, en de herinnering aan dien akeligen morgen bij Krul kon haar nadeelig zijn.—Die blanke engel!“’t Is hier toch een prachtig uitzicht juffrouw Van Barneveld! Wat geeft de ondergaande zon een heerlijken gloed over ’t land, en wat blinkt de Rijn daar helder in ’t verschiet; het donkere hout op den voorgrond maakt het uitzicht hier waarlijk tot een schilderij.”“Ja.... ’t is wel een heerlijk gezicht;” zegt Coba, mede naar buiten ziende; en dan: “Is dat een mooi... instrument.... zoo’n orgel? Ik bedoel er achter, waar men speelt? Ik heb nooit... Ja, op een plaat misschien; maar anders heb ik nooit....”“O, als u ’t orgel zien wilt juffrouw; wel, als ik dan de eer mocht hebben?” zegt Thomas snel, en er is een verheffing in zijn stem, alsof hij een vraag doet waarvan de toestemming hem voor zijn gansche leven gelukkig zal maken.“Zien, ja wat dát betreft, maar ’t is tegenwoordig zoo warm op den dag.”“Nee maar in devroegtejuffrouw! Van morgen bijvoorbeeld was ik al om halfzes op ’t orgel. Zie, als ik weten mochtwanneer, dan zou ik zorgen....”“Wel vriendelijk, maar ’t zal toch niet gaan, zoo vroeg; ik moet mij nog wat ontzien, en geloof dat papa....”“Nee, als mijnheer de generaal ’t liever niet had.... dán.... Maar anders, ik zou er mij een feest van maken om u alles eens goed uit te leggen. De brave Donerie kon met zulk een warmte over zijn orgel spreken. Wat speelde hij nog prachtig op den dag van dokters trouwen, niewaar? Wie had kunnen denken dat het zijn laatste toon zou wezen! Maar neem mij niet kwalijk juffrouw, dat ik alweer over mijn vriend spreek, ’t geeft u een sombere herinnering.”“Hebt ú ook gehoord van een plan.... van een monument of zoo iets op het graf, menheer Van Hake?”“Welzeker juffrouw; dokter heeft er al van gesproken; maar ik meen dat u—tenminste de familie er niet vóór waart.”“Wij.... dat is te zeggen: papa heeft geweigerd te teekenen omdat hij in ’t algemeen tegen zulke zaken is; maar wat mij betreft, ik, nee, ik ben er niet tegen.” Even naar buiten ziende en dan snel en bepaald: “Ik moet u ronduit zeggen dat naar mijne meening de stad Romphuizen zoo iets wel verplicht is aan de nagedachtenis van mijnheer....”“Donerie,” helpt Thomas. En dan, terwijl er een bijzondere glans in zijn mooi blauw oog te bespeuren is: “Zou het waarlijk ook ú genoegen doen dat het tot stand kwam, juffrouw Van Barneveld?”“Ik geloof dat het de wensch zal zijn van allen die zijn onderricht ontvingen of die zijn talent op prijs stelden. De wijze waarop hij les gaf was eenig.”“Nu juffrouw, als ú het wilt, dan zal, zoo waar als ik Thomas Van Hake heet, dat monument er komen ook! Dokter wou dat ik er mij eens flink zou voorspannen; maar.... ik was wat bang, en ’t ging niet zoo vlot als ik wenschte, doch nû, ja, nu ik weet dat u.... jawel juffrouw, jawel! dat geeft me courage, dat steekt me, als ik weer werven ga, een riem onder ’t hart. Sapperloot juffrouw, ik kan u niet zeggen met welk een ijver....”Jacoba moet de hand op ’t hart drukken om het hevig kloppen ervan te weerstaan, terwijl ze Van Hake snel in de rede valt, en hem dringend verzoekt om de zaak niet op die wijs te behandelen. Haar naam mag niet genoemd worden.“Nee natuurlijk niet juffrouw,” stemt Thomas eenigszins verrast maar haastig toe: “dat begrijp ik best. Als mijnheer de generaal er niet voor is.... nee natuurlijk, natuurlijk!”“Niewaar, natuurlijk!” herhaalt Coba, en dan zachtjes met een blos: “Eenonbekendeheeft bij u ingeschreven voor een bedrag dat.... later kan worden ingevuld, u verstaat me; enikteeken—een weinig onderaan slechts voor tien gulden.” Rondziende snel: “Maar de onbekende blijft onbekend voor iedereen.... natuurlijk!”“Welzeker,natuurlijkjuffrouw!”—Och hemel, zoo’n engel!De deur werd geopend. De generaal trad binnen.De kloeke vormen van den ouden krijgsman komen in zijn lichtgrijs zomer-tenue nog sterker uit; nochtans nu hij den grooten ronden stroohoed afneemt, nu ziet men dat de uitdrukking van zijn gelaat geenszins in harmonie met dien kloeken bouw is.“Wie daar....? Ahzoo menheer Van Hake, ben jij ’t! Je moeder welvarend?”“Dank u generaal; ma is heel gezond, en het doet me ook recht veel genoegen dat ik de juffrouw hier zoo wél mag vinden. De juffrouw ziet er waarlijk al veel beter uit.”“Ben je druk aan ’t praten geweest? Je hebt zoo’n kleur.”“Niet te druk, lieve pa. Menheer Van Hake heeft een brief voor u gebracht. Hebt u hem niet gekregen?”“Nee, een brief? Van wien?”“Van dokter, generaal. Hendrik zou u buiten gaan opzoeken.”“Ik heb ’em niet gezien;” zegt Van Barneveld en trekt tweemaal met kracht aan de schel: “Jacoba-lief, je zoudt me nu plezier doen met wat naar buiten of naar je kamer te gaan. ’t Is goed dat je menheer Van Hake, die ons zeer verplichtte—ja zeker m’n vrind, ik vergeet dat niet—dat je hem ontvangen hebt; je bent veel beter, en je mocht hem nu zelf wel eens bedanken, maar je ziet er wat vermoeid uit; menheer Van Hake zal je nu zeker excuseeren.”“O wat dat betreft generaal; ik hoop niet....”“Nee ’t zal haar nu geen kwaad hebben gedaan; maar we moeten nog voorzichtig zijn.”Hij geeft Jacoba een gebiedenden wenk.Van Hake tast naar zijn hoed die onder zijn stoel staat:“Indienikanders zoolang ergens anders....?”“O nee, volstrekt niet menheer Van Hake,” zegt Jacoba: “papa heeft gelijk; ’s morgens moet ik me nog wat rustig houden, want ik wil in ’t vervolg ’s morgens wat heel vroeg opstaan en wandelingen maken. Goeden avond! Mijn groeten aan mevrouw uw mama. en ook aan....”“Waar of Willem blijft!” valt Van Barneveld in met krachtige stem: “Ik heb tweemaal gescheld; de oude wordt langzaam.”Gevoelde Jacoba dat haar vader ’t slot van haar opdracht wilde verhinderen, toch zegt ze bij ’t heengaan:“.... En ook mijn groeten aan dokter Helmond en zijn vrouw.”’De oude koetsier—die ’t nooit verleeren zal om bij ’t naderen van zijn generaal, de twee voorste vingers nabij de grijze haren te brengen, krijgt in last om driemaal de groote schel boven ’t huis te doen klinken: dat was ’t sein voor Hendrik dat hij niet meer in de plaats behoefde te zoeken en terugkomen moest.In afwachting van Hendrik sleept het gesprek tusschen den ouden generaal en den jongen provisor. De laatste, ach, hij gevoelt het weer levendiger dan ooit dat hij met “zulke wenschen” een gek, een groote gek is; en toch....En Van Barneveld?—Heeft hij dan daarvoor in Gods schoone schepping wat rust voor zijn ontstemd gemoed gezocht, om bij zijn binnentreden aanstonds weer in dien maalstroom te worden geworpen! Had hij van den babbelaar niet meer dan genoeg vernomen; heeft hij den pleegzoon dezen morgen niet ten tweeden male—en toen met nog wat meer recht dan den eersten keer—een onderhoud geweigerd! Wat moet die brief hem nu melden? Wat wil hij dan? Wil hij liefde van den pleegvader enheulenmet een Delila! Wil hij twee heeren dienen!?—En die jongen daar; voert ook hij iets in zijn schild? Heeft de wauwelaar van ’t stadje dezen morgen waarheid gesproken? Zou dat manneke zich verstouten.... zou hij zich in ’t hoofd hebben gezet dat bij met Jacoba....? Neen, ’t is bijna niet te denken; en toch....Hendrik kwam binnen en overhandigde zijn meester den brief.Van Barneveld heeft toen met een wenk verlof gevraagd of genomen, om den brief in Van Hakes tegenwoordigheid te lezen.Van Hake zit voor op zijn stoel.Van Barneveld leest:“Geëerde oom!”De generaal gaat naar het raam. ’t Werd al wat donker, en, ’t was niet noodig dat die knaap hem zag terwijl hij las. Bij ’t raam leest hij verder:“Voor de tweede maal werd ik aan uw woning afgewezen. Gedachtig aan uw spreuk: “Kruipen doet het laag gedierte”, drong hetbesluit zich aan mij op, dat deze poging om u te ontmoeten de laatste zou geweest zijn.“Goddank, dat ik tot betere gedachten kwam!“Ik wist niet oom, dat het voorgevallene op dien avond,—het opperen van mijn vermoeden omtrent de oorzaak van Coba’s zenuwlijden, en het wel wat vrije gedrag van mijn vrouw,—reeds voldoende zou zijn om mij uwe liefde onwaardig te maken....”“Wátblieft u Generaal?” zegt Thomas, door een paar onverstaanbare woorden van Van Barneveld, plotseling uit een zeker orgelkamertje weggerukt.“Watblief?” herhaalt Van Barneveld, die den provisor vergeten was, terwijl hij omziet. En dan met een vorschenden blik: “Ben je met den inhoud van dezen brief bekend menheer?”Thom die onwillekeurig is opgestaan, aarzelt, maar zegt toch ferm:“De hoofdinhoud is me geen geheim generaal; maar gelezen heb ik hem niet.”“Ahzoo!” zegt Van Barneveld, terwijl hij Thom nog even van terzijde beschouwt. Daarna den brief weer inziende en zoekend naar de woorden, die hem straks onwillekeurig een gesmoorden kreet van verbazing ontlokten, prevelt hij onhoorbaar: “Wel wat vrij gedrag!Ha, mij dunkt!”—Nu leest hij verder:“Diep erkentelijk voor het vele goede, dat gij mij van jongsaf aanbewezen hebt; gedachtig aan zoo menig woord door u gesproken, aan zoo menige les van u ontvangen, moet de vrees dat uw liefde voor mij verloren ging, mij wel bitter kwellen.“En waardoor moest ik haar dan zoo eensklaps verliezen? Door mijn opvatting omtrent Coba? Dat is niet mogelijk. Een enkel oogenblik mocht die meening uw wrevel wekken, uw helder doorzicht zou er mij op den duur geen verwijt van maken, daar ben ik zeker van. En evenmin kan Eva’s ondoordachte handelwijze er oorzaak van zijn.”—Ha,ondoordacht! bromt Van Barneveld in den grijzen knevel; en leest weer voort:“Neen, wat zij in uw oogen misdreef, het kan toch niet voor rekening komen van den man, die ook in zijn vrouw zal afkeuren wat afkeuring verdient. Ik wil Eva’s gedrag op dien avond niet rechtvaardigen: zij heeft den eerbied aan uw jaren verschuldigd zeerzeker een oogenblik uit het oog verloren, maar ook, haar oprecht karakter....”Van Barneveld leest niet meer; zijn oogen staren strak in het dommelig verschiet, waar de zon zooeven is ondergegaan en slechts roode strepen aan den hemel heeft achtergelaten. De hand, waarin hij den brief hield, zakt bij het lichaam neer, terwijl hij de linker tegen ’t hart drukt, ’t Kon hem daar in de laatste weken soms zoo snel, zoo pijnlijk kloppen. Groote God! mocht hij zulk een brief dan nog verder lezen: de verbloeming, de verdediging van een smaad, waarover ieder rechtgeaarde, en die pleegzoon althans, niet dan verontwaardiging gevoelen moest.—Ha! ik heb het gevreesd! zucht Van Barneveld onhoorbaar:Neen, God weet het dat ik niet “trotschenschriel” ben, maar ’t bloed kookt mij al te onstuimig wanneer ik de dwaasheid ten troon, en Gods wetten verkrachten zie. Om dat bruisende bloed, om dat pijnlijk kloppen hierbinnen, ontving ik hem niet. Maar zijn brief kon ik lezen; die brief—lang verwacht—zou me zeggen hoe het stond tusschen hem en mij. En ik weet het nu: Breed en diep is de kloof. Tusschen ons is alles voortaan....“Deert u iets generaal?”Van Barneveld geeft in den beginne geen antwoord. Het blad papier heeft geritseld in zijn hand en viel op den grond.Doch zie, met een krachtige zelfoverwinmng grijpt hij de leuning van zijn stoel. Zijn donkere oogen strak op Van Hake richtend, staart hij hem eenige seconden stilzwijgend aan, als zoekt hij naar een gepasten vorm voor ’tgeen hij spreken wil, en zegt dan met vaste stem:“Je hebt het vertrouwen van.... je patroon, menheer Van Hake, dáárom geef ik je in antwoord op zijn brief een mondelinge boodschap. Zeg aan.... dokter Helmond, dat ik hem aan Simson herinner, hoe deze, sterk met God, schier ongewapend duizend Philistijnen versloeg; maar ook, hoe hij, krachteloos gemaakt door eenvrouw—een heidin—slechts zijn sterkte mocht herwinnen om zich onder ’t puin van den heidentempel te begraven.”Van Hake stond roerloos. Zonder een woord te kunnen zeggen, zag hij den spreker een wijle aan. Wat moest die toon, wat moest dat beeld beduiden? Ach, hij vreest nu maar al te zeer dat die oude man meer reden tot wrevel heeft, dan dokter vermoedde of blijken liet.Helmonds sombere stemming der laatste dagen was Thom niet ontgaan; maar, eerst dezen middag—nadat dokter erg verhit was thuisgekomen—heeft hij zijn hart voor hem uitgestort.—Thom, zoo onverwacht de vertrouwde van zijn weldoener geworden, heeft bescheiden maar toch met veel vrijmoedigheid zijn oordeel gezegd, en, hij gelooft het zeker, ook goeden raad gegeven. Als het niets anders was dan een opvatting tegen mevrouw Helmond—zooals dokter zeide—een verschil van zienswijze; de strijd van een jonge levenslustige vrouw met een grijsaard, die toch ook alleen doorervaringde wereldsche goederen en genietingen als ijdel heeft leeren beschouwen, welnu, dan was er toch zooveel reden tot voorhoofdrimpelen niet.—Och zie, heeft Thom gevleid en gedrongen: als dokter nu eens wilde doen wat hij dacht, namelijk; aan den ouden man een hartelijken brief schrijven, maar eenheel hartelijken, met verzoek om een onderhoud in alle liefde; en als Thom dan zelf dien brief mocht brengen, en dokter het verder eens stilletjes aan hem wilde overlaten, ja, dan geloofde hij zeker dat hij dokter nog dezen avond met een gunstig antwoord zou kunnen verheugen.Wat Thom in die oogenblikken zoo vermetel heeft gemaakt, hij weet het zelf niet. Maar immers, tweemaal is hij zeer welwillend door dien voornamen heer ontvangen; en heeft hij dan toen nietvrij—erg op zijn gemak—over alles kunnen spreken? ’t Was toch een heel verstandig man die generaal, en Thom geloofde vast dat men, wanneer men ’t maar verstandig aanlei, in de redelijkheid wel alles van hem gedaan kon krijgen. Zie, ’t was toch ook bedroevend dat dokter nu in weerwil van al zijn geluk, met zoo’n mooie jonge vrouw en een prachtig huis, en zulke schitterende vooruitzichten—terwijl hij al gedurig zoo stil en afgetrokken geweest is—daar nu neerzat alsof alle geluk is vervlogen; die beste dokter, die edele vriend! En dan—maar nee, waarachtig niet! Nee, op zijn woord van eer, met eenige bijbedoeling heeft hij geen boodschap naarDe Zonsberggezocht. Wat zou het hem voor zich zelven baten, al kon hij door een gepast goedmoedig woord die beide mannen weer wat spoediger tot elkander brengen? Nee zeker, die andere gedachte is achteraan gekomen, als een roover. Hij behoeft zich immers ’t vertelseltje maar te herinneren: Er was eens een koning, en die koning had een dochter. En er was een boerenjongen, en die boerenjongen was een gek.—Uit er mee!—Of hij Jacoba misschien toch even zien zou? Nu ja,zien; wie weet....! zoo heeft hij gedacht.En of het geen dwaasheid van Helmond geweest is om aan het voorstel van zijn jongen vriend gehoor te geven? Och, Helmond wist het toen evenmin. Erg verhit met een bonzend hoofd thuisgekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien braven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.Eva was niet thuis. Indien hij haar terugkomst afwachtte, om haar eerst zijn weervaren mee te doelen, ongetwijfeld zou zij hem, na zulk een afwijzing, het onmiddellijk schrijven als de grootste dwaasheid, ja misschien als een laagheid hebben ontraden. Waarom dan nietaanstondsgedaan, waar een goede geest hem nu toe aanspoorde; uitstel zou licht tot afstel kunnen leiden, en immers, terwijl hij vroeger zoo lang besluiteloos bleef, isspoedighandelen nu geraden. Bovendien, nu hij ten tweeden male werd afgewezen, nu is er zeerzeker bij den ouden manmeergrieve dan August zich heeft voorgesteld. En zie, daar stond die goedmoedige Thom met zijn blonden krullebol en zijn helderblauwe oogen. Helmond had zijn tusschenkomst niet gezocht, Thom heeft ze hem als ’t ware opgedrongen. Nu dan, geen bedenkingen meer; gedachtig aan ooms onverzettelijke gestrengheid tegen Philip, was een algeheele scheuring nog ’t best te voorkomen door de tusschenkomst van zulk een vriend, die nog bovendien het vertrouwen van den grijsaard bezat.En of Thom een warm vriend en zijn zending waard was. Hoor dan:“Generaal, u moet me niet kwalijknemen, maar dat heele verhaal van Simson, dat.... neem mij niet kwalijk, dat durf ik niet aan dokter weeromzeggen. Dokter is een best mensch generaal, een bijzonder best mensch, en.... dat heeft ie van u.... jawel op m’n woord, hij heeft het vroeger honderdmaal gezegd: al wat er goeds aan hem was dat had hij aan u te danken.”—Och! wát is het anders dan de eeuwenheugende geschiedenis van de slang en de vrouw, en de vrouw en de slang, zucht Van Barneveld onhoorbaar, terwijl hij zonder op Thom te letten strak voor zich heen ziet.“Maar als men dan alles weet generaal, van de gevoelens en van de liefde niewaar, dan kan er immers geen misvatting meer zijn, dan....”Van Barneveld ziet op, en Thom van terzijde aan:“Ik heb je, meen ik, ’t antwoord voor den dokter gegeven. Iets anders heb ik niet.”“Maar.... met uw verlof; als ik me niet bedrieg dan hebt u den brief niet heelemaal gelezen generaal.”“Jawel, tenminste....”“Nee! nee waarlijk niet! U moet me niet kwalijknemen dat ik u tegenspreek, maar op m’n woord, als u hem heelemaal gelezen hadt dan liet u zeker weten: dat u dokter met plezier ontvangen zoudt. Och beste dokter—generaal wil ik zeggen, als u nu eens wist hoe blij ik met die boodschap zou wezen. Vijf en twintigmaal zou ik er voor door een heete zon, zooals ’t van morgen was, willen heen en weer loopen. Och, dokter is zoo’n best mensch, generaal, en nee, z’n vrouw is ook zoo kwaad niet, als men haar nader leert kennen. Gul is ze, goedhartig! Kom generaal, u moest die haken en oogen nu maar uit de wereld maken, en maar denken....”Van Barneveld, die weer met de hand op de vensterbank geleund bij ’t raam staat, ziet om, en valt met eenigszins schorre stem nu haastig in:“Je bent nog zeer jong menheer Van Hake, en daarom vergeef ik je dat je een man van mijn jaren de les wilt lezen, en onder ’t oog brengen hoe hij ten opzichte van dokter Helmond en .... zijnvrouwte handelen heeft. Een man....”“Maar.... maar....” aarzelt Thom in bijna smeekende houding: “als u dan toch waarachtig dien brief niet heelemaal gelezen hebt....”“Mijnheer de provisor, ik verzoek je mij niet meer in de rede te vallen.Een manals je patroon, van wien men onderstellen mag dat hij denkt alvorens te schrijven—nee dankje, dien stoel kan ik wel zelf....—ik zeg, zulk een man zal aan ’t slot van zijn geschrift niet weerspreken wat hij vooropstelt. Genoeg, ik ken dien brief, al las ik hem niet ten einde. De kern....”Thom kan zich niet weerhouden en valt in:“Ja maar generaal, juist diekernvan dokter; zijn hart voor u...”Van Barneveld ziet Thomas aan met een blik,waarin zeer duidelijk geschreven staat:Zwijg!Meer niet, maar ’t was voldoende:“Ik dien toch een misverstand bij je weg te nemen jongmensch,” herneemt Van Barneveld met zichtbare inspanning: “Je schijnt te denken dat een verschil, “haken en oogen” zooals je dat gelieft te noemen, mij ’t besluit deed nemen om dokter Helmond niet meer te ontvangen. Maar ik zeg je: zoomin als vuur en water, of duisternis en zonneschijn in vrede kunnen leven, zoomin kan het de geest, diein dokter Helmond gevaren is met mijn waarachtige overtuiging,”Thom bijt zich schier de lippen aan bloed. Hij wil spreken, hij moet spreken..... Maar nee, halt! halt jongmensch, wacht je beurt; halt!“En Helmond kent die overtuiging!” hervat de generaal met verheffing: “Of weet hij niet meer wat ik den worm noem, die knaagt aan den wortel van ons volksbestaan! Die worm is het zinneloos teren op den roem en het geld van een wakker voorgeslacht; ’t is die geest van luie brooddronkenheid, van voorname domheid, maar vooral vanzotte verheffing boven zijn stand. En die duivel in veel gedaanten, moet met kracht worden bestreden zal de geest van ’t voorgeslacht ontwaken in ’t eind: “Met God voor Oranje! Door noeste vlijt, tot Neerlands roem!”Maar hijzalontwaken. Bij God, men zal het ervaren dat Neerland niet rijp is, en niet rijp worden zal voor annexatie! Het juk der dienstbaarheid verdragen wij nooit op den duur. De oude leeuw zal tand en klauwen toonen. Losrukken zal hij zich en vechten tot zijn laatsten droppel bloed, wanneer overmacht hem den nek durft krommen. Wee,weedan de vadsigegasthuis-Nederlanders, ’t ontaarde ras, wanneer het, in zijn dommel, door kanongedonder wordt wakkergeschokt! Wee, wee de verwijfden!”“Generaal, ik bid u, zou mijn beste brave dokter....”“Knaap, kun je niet hooren en verstaan? Zeg, werd dan Helmond sedert zijn vrouw hem regeert, niet mijn tegenstander, een vijand van zijn vaderland!?”“Generaal, waarachtig hij wil niets liever dan in overeenstemming met u handelen.”“Maar wie,wiekiest hij dan!Ikzeg je dat hij steedshaarzal kiezen, al gevoelt hij zelf dat hij zondige weelde boven eenvoud en tevreden zin, dat hij een Delila bovenJehovaverkiest.”“Generaal, nog eens: u trekt het te ver. Mevrouw Helmond is....”“Een duivelin! Zwijg jongen; wie mijn pleegzoon in zulk een korten tijd reeds zóó tot haar slaaf maakte, heeft met satan een verbond gesloten.—Na zulk een avond, mijn God, inplaats van haar te noodzaken aanstonds neer te vallen aan mijn voet, liet hij zich door dievrouw, vier weken lang van zijn grijzen pleegvader terughouden.—’t Is haar wufte zin die hem zand en klatergoud in de oogen strooit.—Wat wil hij nu!—Mij zeggen dat hij de kooper werd van een huis met dertien kamers, zonder het te kunnen betalen. Mij bekennen misschien—zoodra ik hem het geld voor zijn dwaasheid weigeren moet—dat hij nu mede geheel overtuigd is van ’tgeen zijn vrouw mij verwijten dorst, dat ik.... ha! dat ik ben: éntrotschénschriel!”“Goeje hemel, generaal!”“Nu weet je het knaap. En ’t is goed misschien dat de vertrouwde van dokter Helmond het weet, om ervan te kunnen gruwen. Spaar me nu verder; ik was niet voorbereid op dit alles.... Ga! Nee,nietsmeer. Ik ben wél, maar toch....” Van Barneveld, die reeds gedurig de hand ter plaatse van ’t hart heeft gebracht, doet het ooknu, terwijl hij vervolgt: “In een fel bestookte vesting wordt spoedig bres geschoten. Heb ik je soms wat hard toegesproken menheer Van Hake, vergeef ’t den ouden man; jij deedt je plicht.... jij....! Blijf een brave zoon;vergeet je moeder nooit. Wees eenvoudig; tracht niet naar ’tgeen onbereikbaar voor je is; en, als je een vrouw kiest....” Thom werd bloedrood: “neem er dan eene uit je stand, die—zoo noodig, ’t brood mee verdienen durft. Vaarwel!”’t Was Thom na dat laatste zeer beslissend: vaarwel, niet mogelijk een woord meer te spreken.—Ja toch:“Maar ik bid u, generaal!”—Halt! zóó donker heeft hij nog nooit een oog zien worden.—Goeie hemel, moest dit het besluit dan wezen! Die beste dokter!—En dan, ach!.... Daar was eens een koning en die koning had een dochter en, en.... de boerenjongen was een gek, een verduivelde gek!Nog denzelfden avond moest Hendrik een brief aan ’t adres Binzler teGodesberg, op de post bezorgen; en, reeds twee dagen later—bij ’t eerste uchtendkrieken, draafden Victor en Coco, voor de vigilante, met koffers beladen, het hek vanDe Zonsberguit.

Tegen den avond van denzelfden dag stond Thomas Van Hake in de vestibule van het huisDe Zonsberg, en gaf aan Hendrik een brief van dokter voor den generaal.

Hendrik zegt: niet te gelooven dat mijnheer op ’t bureau of in huis is; tenminste vóór een half uurtje omtrent is hij de plaats ingewandeld, en Hendrik zag hem niet terugkomen.

Welzeker, Van Hake zal dan maar zoolang in de achterkamer gaan en meteen wat rusten; hij moet den generaal toch zelf even spreken en het antwoord op den brief ontvangen.

“A propos: is de juffrouw thuis Hendrik?”

“Jawel menheer, de juffrouw is binnen. Juist toen u schelde hield zij op met piano-spelen; dat doet ze maar ’t liefst als zij alleen is.”

Bij ’t hooren van deze woorden wordt Van Hake eensklaps door een zonderlinge beklemdheid overvallen. Neen, zie, dáárop had hij niet gerekend. De beide vorige keeren, toen hij naar Jacoba’s welstandis komen vragen, toen is hij óók in die kamer gelaten, en weinige minuten later kwam toen de generaal en heeft zeer welwillend een kwartiertje met hem gepraat. Maar, juffrouw Jacoba had hij niet te zien gekregen, neen, ofschoon men toch eenige verplichting aan hem had en het belangstellend bezoek zeker háár gold in de eerste plaats.—Hoe ’t zij, ’t heeft hem eigenlijk niet verwonderd dat het zoo gegaan was, en vooral niet omdat Juffrouw Jacoba nog altijd ongesteld heette. Maar nu, nu hij door dokter met den brief—een speciale zending—is belast, en zijn bezoek alzoo geen uitsluitend belangstellend karakter had, nu heeft hij zich in ’t geheel niet durven voorstellen dat hij háár.... háár, dat zachte teedere schepseltje, zoo aanstonds en alleen zou vinden.

“Nee Hendrik, wacht... ik weet niet.... ik heb.... Is.... isse de juffrouw weer heelemaal beter....? Zou het wel goed zijn dat ik.... als de generaal....? Watblief?”

“Wou je lievernietbinnengaan menheer Van Hake? Ja, als u in de zaal wilt, of in de eetkamer, dan....”

“Nee Hendrik, ik meende alleen....”

Diep ademhalend en na een snelle beweging met de hand door de blonde krulharen, herneemt hij: “Ga jij je gang maar Hendrik; dien me maar aan alsjeblief. kHem hém!”

Over Jacoba’s bleek gelaat verspreidt zich een licht blosje nu zij den jongen provisor ziet binnenkomen. Nochtans, zij heeft zich spoedig hersteld, want, terwijl haar physiek door het geregeld gebruik van versterkende middelen inderdaad wat verbeterd is, zoo schijnt het verbond met haarwilgesloten, den wil om zich los te scheuren van droombeelden en ijdele wenschen, haar een nieuwe veerkracht te hebben geschonken.—Dien blos, nu ja, zij heeft hem niet in haar macht gehad, en bij het zien van dien blonden knaap moest dat vreeselijk uur in de woning van baas Krul zich immers wel krachtig opdringen aan haar geest.

Nu is ’t voorbij.

“Ga zitten menheer Van Hake.—Ik hoop dat vader gauw komen zal.—Ik heb nog altijd een oude schuld met u af te doen, en u hartelijk dank te zeggen voor uw goedheid. Papa is u ook zeer erkentelijk. Op dien morgen.... ’t was....”

“O, ik bid u, spreek daar niet van juffrouw Van Barneveld; ’t maakte me waarlijk gelukkig dat ik u zoo spoedig behulpzaam kon zijn.—Ja! dat was daar wel een schrikkelijke toestand. Die arme Donerie zoo in den bloei van ’t leven! en zoo knap niewaar!? U kunt er over oordeelen juffrouw; en dan vooral: hij was zoo’n edel best mensch! Och ja, we hadden in ’t laatst nog een soort van orgelkrans.”

“Ei zoo!” zegt Coba met eenigszins afgewend gelaat.

“Jawel, eigenlijk waren we maar met ons drieën, ’s Zondags avonds, en een paar malen ’s morgens vroeg, kwamen we op ’t orgel bijeen, en dan gaf hij ons les; altijd even fiks en degelijk, en toch zoo heel amikaal. ’t Mocht niet eens den naam vanleshebben, en hij nam er dan ook niemendal voor; we noemden het orgelkransof orgelclub; jammer dat het maar zoo heel kort mocht duren.”

“Zoo.... kort?”

“Ja, na de zevende les is hij aan ’t sukkelen geraakt. Ik kan u niet zeggen hoe vreemd of ’t me nog altijd is wanneer ik mij nu op dat orgelkamertje ’s morgens heel vroeg wat aan ’t oefenen ben. ’t Is me dan alsof ik hem nog zóó moet zien binnenkomen.”

Er volgde een pauze.

Van Hake begreep eensklaps dat het misschien niet goed was om zoo over Donerie te spreken; dat lieve meisje heeft immers zenuwaandoeningen, en de herinnering aan dien akeligen morgen bij Krul kon haar nadeelig zijn.—Die blanke engel!

“’t Is hier toch een prachtig uitzicht juffrouw Van Barneveld! Wat geeft de ondergaande zon een heerlijken gloed over ’t land, en wat blinkt de Rijn daar helder in ’t verschiet; het donkere hout op den voorgrond maakt het uitzicht hier waarlijk tot een schilderij.”

“Ja.... ’t is wel een heerlijk gezicht;” zegt Coba, mede naar buiten ziende; en dan: “Is dat een mooi... instrument.... zoo’n orgel? Ik bedoel er achter, waar men speelt? Ik heb nooit... Ja, op een plaat misschien; maar anders heb ik nooit....”

“O, als u ’t orgel zien wilt juffrouw; wel, als ik dan de eer mocht hebben?” zegt Thomas snel, en er is een verheffing in zijn stem, alsof hij een vraag doet waarvan de toestemming hem voor zijn gansche leven gelukkig zal maken.

“Zien, ja wat dát betreft, maar ’t is tegenwoordig zoo warm op den dag.”

“Nee maar in devroegtejuffrouw! Van morgen bijvoorbeeld was ik al om halfzes op ’t orgel. Zie, als ik weten mochtwanneer, dan zou ik zorgen....”

“Wel vriendelijk, maar ’t zal toch niet gaan, zoo vroeg; ik moet mij nog wat ontzien, en geloof dat papa....”

“Nee, als mijnheer de generaal ’t liever niet had.... dán.... Maar anders, ik zou er mij een feest van maken om u alles eens goed uit te leggen. De brave Donerie kon met zulk een warmte over zijn orgel spreken. Wat speelde hij nog prachtig op den dag van dokters trouwen, niewaar? Wie had kunnen denken dat het zijn laatste toon zou wezen! Maar neem mij niet kwalijk juffrouw, dat ik alweer over mijn vriend spreek, ’t geeft u een sombere herinnering.”

“Hebt ú ook gehoord van een plan.... van een monument of zoo iets op het graf, menheer Van Hake?”

“Welzeker juffrouw; dokter heeft er al van gesproken; maar ik meen dat u—tenminste de familie er niet vóór waart.”

“Wij.... dat is te zeggen: papa heeft geweigerd te teekenen omdat hij in ’t algemeen tegen zulke zaken is; maar wat mij betreft, ik, nee, ik ben er niet tegen.” Even naar buiten ziende en dan snel en bepaald: “Ik moet u ronduit zeggen dat naar mijne meening de stad Romphuizen zoo iets wel verplicht is aan de nagedachtenis van mijnheer....”

“Donerie,” helpt Thomas. En dan, terwijl er een bijzondere glans in zijn mooi blauw oog te bespeuren is: “Zou het waarlijk ook ú genoegen doen dat het tot stand kwam, juffrouw Van Barneveld?”

“Ik geloof dat het de wensch zal zijn van allen die zijn onderricht ontvingen of die zijn talent op prijs stelden. De wijze waarop hij les gaf was eenig.”

“Nu juffrouw, als ú het wilt, dan zal, zoo waar als ik Thomas Van Hake heet, dat monument er komen ook! Dokter wou dat ik er mij eens flink zou voorspannen; maar.... ik was wat bang, en ’t ging niet zoo vlot als ik wenschte, doch nû, ja, nu ik weet dat u.... jawel juffrouw, jawel! dat geeft me courage, dat steekt me, als ik weer werven ga, een riem onder ’t hart. Sapperloot juffrouw, ik kan u niet zeggen met welk een ijver....”

Jacoba moet de hand op ’t hart drukken om het hevig kloppen ervan te weerstaan, terwijl ze Van Hake snel in de rede valt, en hem dringend verzoekt om de zaak niet op die wijs te behandelen. Haar naam mag niet genoemd worden.

“Nee natuurlijk niet juffrouw,” stemt Thomas eenigszins verrast maar haastig toe: “dat begrijp ik best. Als mijnheer de generaal er niet voor is.... nee natuurlijk, natuurlijk!”

“Niewaar, natuurlijk!” herhaalt Coba, en dan zachtjes met een blos: “Eenonbekendeheeft bij u ingeschreven voor een bedrag dat.... later kan worden ingevuld, u verstaat me; enikteeken—een weinig onderaan slechts voor tien gulden.” Rondziende snel: “Maar de onbekende blijft onbekend voor iedereen.... natuurlijk!”

“Welzeker,natuurlijkjuffrouw!”—Och hemel, zoo’n engel!

De deur werd geopend. De generaal trad binnen.

De kloeke vormen van den ouden krijgsman komen in zijn lichtgrijs zomer-tenue nog sterker uit; nochtans nu hij den grooten ronden stroohoed afneemt, nu ziet men dat de uitdrukking van zijn gelaat geenszins in harmonie met dien kloeken bouw is.

“Wie daar....? Ahzoo menheer Van Hake, ben jij ’t! Je moeder welvarend?”

“Dank u generaal; ma is heel gezond, en het doet me ook recht veel genoegen dat ik de juffrouw hier zoo wél mag vinden. De juffrouw ziet er waarlijk al veel beter uit.”

“Ben je druk aan ’t praten geweest? Je hebt zoo’n kleur.”

“Niet te druk, lieve pa. Menheer Van Hake heeft een brief voor u gebracht. Hebt u hem niet gekregen?”

“Nee, een brief? Van wien?”

“Van dokter, generaal. Hendrik zou u buiten gaan opzoeken.”

“Ik heb ’em niet gezien;” zegt Van Barneveld en trekt tweemaal met kracht aan de schel: “Jacoba-lief, je zoudt me nu plezier doen met wat naar buiten of naar je kamer te gaan. ’t Is goed dat je menheer Van Hake, die ons zeer verplichtte—ja zeker m’n vrind, ik vergeet dat niet—dat je hem ontvangen hebt; je bent veel beter, en je mocht hem nu zelf wel eens bedanken, maar je ziet er wat vermoeid uit; menheer Van Hake zal je nu zeker excuseeren.”

“O wat dat betreft generaal; ik hoop niet....”

“Nee ’t zal haar nu geen kwaad hebben gedaan; maar we moeten nog voorzichtig zijn.”

Hij geeft Jacoba een gebiedenden wenk.

Van Hake tast naar zijn hoed die onder zijn stoel staat:

“Indienikanders zoolang ergens anders....?”

“O nee, volstrekt niet menheer Van Hake,” zegt Jacoba: “papa heeft gelijk; ’s morgens moet ik me nog wat rustig houden, want ik wil in ’t vervolg ’s morgens wat heel vroeg opstaan en wandelingen maken. Goeden avond! Mijn groeten aan mevrouw uw mama. en ook aan....”

“Waar of Willem blijft!” valt Van Barneveld in met krachtige stem: “Ik heb tweemaal gescheld; de oude wordt langzaam.”

Gevoelde Jacoba dat haar vader ’t slot van haar opdracht wilde verhinderen, toch zegt ze bij ’t heengaan:

“.... En ook mijn groeten aan dokter Helmond en zijn vrouw.”’

De oude koetsier—die ’t nooit verleeren zal om bij ’t naderen van zijn generaal, de twee voorste vingers nabij de grijze haren te brengen, krijgt in last om driemaal de groote schel boven ’t huis te doen klinken: dat was ’t sein voor Hendrik dat hij niet meer in de plaats behoefde te zoeken en terugkomen moest.

In afwachting van Hendrik sleept het gesprek tusschen den ouden generaal en den jongen provisor. De laatste, ach, hij gevoelt het weer levendiger dan ooit dat hij met “zulke wenschen” een gek, een groote gek is; en toch....

En Van Barneveld?—Heeft hij dan daarvoor in Gods schoone schepping wat rust voor zijn ontstemd gemoed gezocht, om bij zijn binnentreden aanstonds weer in dien maalstroom te worden geworpen! Had hij van den babbelaar niet meer dan genoeg vernomen; heeft hij den pleegzoon dezen morgen niet ten tweeden male—en toen met nog wat meer recht dan den eersten keer—een onderhoud geweigerd! Wat moet die brief hem nu melden? Wat wil hij dan? Wil hij liefde van den pleegvader enheulenmet een Delila! Wil hij twee heeren dienen!?—En die jongen daar; voert ook hij iets in zijn schild? Heeft de wauwelaar van ’t stadje dezen morgen waarheid gesproken? Zou dat manneke zich verstouten.... zou hij zich in ’t hoofd hebben gezet dat bij met Jacoba....? Neen, ’t is bijna niet te denken; en toch....

Hendrik kwam binnen en overhandigde zijn meester den brief.

Van Barneveld heeft toen met een wenk verlof gevraagd of genomen, om den brief in Van Hakes tegenwoordigheid te lezen.

Van Hake zit voor op zijn stoel.

Van Barneveld leest:

“Geëerde oom!”

“Geëerde oom!”

De generaal gaat naar het raam. ’t Werd al wat donker, en, ’t was niet noodig dat die knaap hem zag terwijl hij las. Bij ’t raam leest hij verder:

“Voor de tweede maal werd ik aan uw woning afgewezen. Gedachtig aan uw spreuk: “Kruipen doet het laag gedierte”, drong hetbesluit zich aan mij op, dat deze poging om u te ontmoeten de laatste zou geweest zijn.

“Goddank, dat ik tot betere gedachten kwam!

“Ik wist niet oom, dat het voorgevallene op dien avond,—het opperen van mijn vermoeden omtrent de oorzaak van Coba’s zenuwlijden, en het wel wat vrije gedrag van mijn vrouw,—reeds voldoende zou zijn om mij uwe liefde onwaardig te maken....”

“Wátblieft u Generaal?” zegt Thomas, door een paar onverstaanbare woorden van Van Barneveld, plotseling uit een zeker orgelkamertje weggerukt.

“Watblief?” herhaalt Van Barneveld, die den provisor vergeten was, terwijl hij omziet. En dan met een vorschenden blik: “Ben je met den inhoud van dezen brief bekend menheer?”

Thom die onwillekeurig is opgestaan, aarzelt, maar zegt toch ferm:

“De hoofdinhoud is me geen geheim generaal; maar gelezen heb ik hem niet.”

“Ahzoo!” zegt Van Barneveld, terwijl hij Thom nog even van terzijde beschouwt. Daarna den brief weer inziende en zoekend naar de woorden, die hem straks onwillekeurig een gesmoorden kreet van verbazing ontlokten, prevelt hij onhoorbaar: “Wel wat vrij gedrag!Ha, mij dunkt!”—Nu leest hij verder:

“Diep erkentelijk voor het vele goede, dat gij mij van jongsaf aanbewezen hebt; gedachtig aan zoo menig woord door u gesproken, aan zoo menige les van u ontvangen, moet de vrees dat uw liefde voor mij verloren ging, mij wel bitter kwellen.

“En waardoor moest ik haar dan zoo eensklaps verliezen? Door mijn opvatting omtrent Coba? Dat is niet mogelijk. Een enkel oogenblik mocht die meening uw wrevel wekken, uw helder doorzicht zou er mij op den duur geen verwijt van maken, daar ben ik zeker van. En evenmin kan Eva’s ondoordachte handelwijze er oorzaak van zijn.”

—Ha,ondoordacht! bromt Van Barneveld in den grijzen knevel; en leest weer voort:

“Neen, wat zij in uw oogen misdreef, het kan toch niet voor rekening komen van den man, die ook in zijn vrouw zal afkeuren wat afkeuring verdient. Ik wil Eva’s gedrag op dien avond niet rechtvaardigen: zij heeft den eerbied aan uw jaren verschuldigd zeerzeker een oogenblik uit het oog verloren, maar ook, haar oprecht karakter....”

Van Barneveld leest niet meer; zijn oogen staren strak in het dommelig verschiet, waar de zon zooeven is ondergegaan en slechts roode strepen aan den hemel heeft achtergelaten. De hand, waarin hij den brief hield, zakt bij het lichaam neer, terwijl hij de linker tegen ’t hart drukt, ’t Kon hem daar in de laatste weken soms zoo snel, zoo pijnlijk kloppen. Groote God! mocht hij zulk een brief dan nog verder lezen: de verbloeming, de verdediging van een smaad, waarover ieder rechtgeaarde, en die pleegzoon althans, niet dan verontwaardiging gevoelen moest.

—Ha! ik heb het gevreesd! zucht Van Barneveld onhoorbaar:Neen, God weet het dat ik niet “trotschenschriel” ben, maar ’t bloed kookt mij al te onstuimig wanneer ik de dwaasheid ten troon, en Gods wetten verkrachten zie. Om dat bruisende bloed, om dat pijnlijk kloppen hierbinnen, ontving ik hem niet. Maar zijn brief kon ik lezen; die brief—lang verwacht—zou me zeggen hoe het stond tusschen hem en mij. En ik weet het nu: Breed en diep is de kloof. Tusschen ons is alles voortaan....

“Deert u iets generaal?”

Van Barneveld geeft in den beginne geen antwoord. Het blad papier heeft geritseld in zijn hand en viel op den grond.

Doch zie, met een krachtige zelfoverwinmng grijpt hij de leuning van zijn stoel. Zijn donkere oogen strak op Van Hake richtend, staart hij hem eenige seconden stilzwijgend aan, als zoekt hij naar een gepasten vorm voor ’tgeen hij spreken wil, en zegt dan met vaste stem:

“Je hebt het vertrouwen van.... je patroon, menheer Van Hake, dáárom geef ik je in antwoord op zijn brief een mondelinge boodschap. Zeg aan.... dokter Helmond, dat ik hem aan Simson herinner, hoe deze, sterk met God, schier ongewapend duizend Philistijnen versloeg; maar ook, hoe hij, krachteloos gemaakt door eenvrouw—een heidin—slechts zijn sterkte mocht herwinnen om zich onder ’t puin van den heidentempel te begraven.”

Van Hake stond roerloos. Zonder een woord te kunnen zeggen, zag hij den spreker een wijle aan. Wat moest die toon, wat moest dat beeld beduiden? Ach, hij vreest nu maar al te zeer dat die oude man meer reden tot wrevel heeft, dan dokter vermoedde of blijken liet.

Helmonds sombere stemming der laatste dagen was Thom niet ontgaan; maar, eerst dezen middag—nadat dokter erg verhit was thuisgekomen—heeft hij zijn hart voor hem uitgestort.—Thom, zoo onverwacht de vertrouwde van zijn weldoener geworden, heeft bescheiden maar toch met veel vrijmoedigheid zijn oordeel gezegd, en, hij gelooft het zeker, ook goeden raad gegeven. Als het niets anders was dan een opvatting tegen mevrouw Helmond—zooals dokter zeide—een verschil van zienswijze; de strijd van een jonge levenslustige vrouw met een grijsaard, die toch ook alleen doorervaringde wereldsche goederen en genietingen als ijdel heeft leeren beschouwen, welnu, dan was er toch zooveel reden tot voorhoofdrimpelen niet.—Och zie, heeft Thom gevleid en gedrongen: als dokter nu eens wilde doen wat hij dacht, namelijk; aan den ouden man een hartelijken brief schrijven, maar eenheel hartelijken, met verzoek om een onderhoud in alle liefde; en als Thom dan zelf dien brief mocht brengen, en dokter het verder eens stilletjes aan hem wilde overlaten, ja, dan geloofde hij zeker dat hij dokter nog dezen avond met een gunstig antwoord zou kunnen verheugen.

Wat Thom in die oogenblikken zoo vermetel heeft gemaakt, hij weet het zelf niet. Maar immers, tweemaal is hij zeer welwillend door dien voornamen heer ontvangen; en heeft hij dan toen nietvrij—erg op zijn gemak—over alles kunnen spreken? ’t Was toch een heel verstandig man die generaal, en Thom geloofde vast dat men, wanneer men ’t maar verstandig aanlei, in de redelijkheid wel alles van hem gedaan kon krijgen. Zie, ’t was toch ook bedroevend dat dokter nu in weerwil van al zijn geluk, met zoo’n mooie jonge vrouw en een prachtig huis, en zulke schitterende vooruitzichten—terwijl hij al gedurig zoo stil en afgetrokken geweest is—daar nu neerzat alsof alle geluk is vervlogen; die beste dokter, die edele vriend! En dan—maar nee, waarachtig niet! Nee, op zijn woord van eer, met eenige bijbedoeling heeft hij geen boodschap naarDe Zonsberggezocht. Wat zou het hem voor zich zelven baten, al kon hij door een gepast goedmoedig woord die beide mannen weer wat spoediger tot elkander brengen? Nee zeker, die andere gedachte is achteraan gekomen, als een roover. Hij behoeft zich immers ’t vertelseltje maar te herinneren: Er was eens een koning, en die koning had een dochter. En er was een boerenjongen, en die boerenjongen was een gek.—Uit er mee!

—Of hij Jacoba misschien toch even zien zou? Nu ja,zien; wie weet....! zoo heeft hij gedacht.

En of het geen dwaasheid van Helmond geweest is om aan het voorstel van zijn jongen vriend gehoor te geven? Och, Helmond wist het toen evenmin. Erg verhit met een bonzend hoofd thuisgekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien braven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.

Eva was niet thuis. Indien hij haar terugkomst afwachtte, om haar eerst zijn weervaren mee te doelen, ongetwijfeld zou zij hem, na zulk een afwijzing, het onmiddellijk schrijven als de grootste dwaasheid, ja misschien als een laagheid hebben ontraden. Waarom dan nietaanstondsgedaan, waar een goede geest hem nu toe aanspoorde; uitstel zou licht tot afstel kunnen leiden, en immers, terwijl hij vroeger zoo lang besluiteloos bleef, isspoedighandelen nu geraden. Bovendien, nu hij ten tweeden male werd afgewezen, nu is er zeerzeker bij den ouden manmeergrieve dan August zich heeft voorgesteld. En zie, daar stond die goedmoedige Thom met zijn blonden krullebol en zijn helderblauwe oogen. Helmond had zijn tusschenkomst niet gezocht, Thom heeft ze hem als ’t ware opgedrongen. Nu dan, geen bedenkingen meer; gedachtig aan ooms onverzettelijke gestrengheid tegen Philip, was een algeheele scheuring nog ’t best te voorkomen door de tusschenkomst van zulk een vriend, die nog bovendien het vertrouwen van den grijsaard bezat.

En of Thom een warm vriend en zijn zending waard was. Hoor dan:

“Generaal, u moet me niet kwalijknemen, maar dat heele verhaal van Simson, dat.... neem mij niet kwalijk, dat durf ik niet aan dokter weeromzeggen. Dokter is een best mensch generaal, een bijzonder best mensch, en.... dat heeft ie van u.... jawel op m’n woord, hij heeft het vroeger honderdmaal gezegd: al wat er goeds aan hem was dat had hij aan u te danken.”

—Och! wát is het anders dan de eeuwenheugende geschiedenis van de slang en de vrouw, en de vrouw en de slang, zucht Van Barneveld onhoorbaar, terwijl hij zonder op Thom te letten strak voor zich heen ziet.

“Maar als men dan alles weet generaal, van de gevoelens en van de liefde niewaar, dan kan er immers geen misvatting meer zijn, dan....”

Van Barneveld ziet op, en Thom van terzijde aan:

“Ik heb je, meen ik, ’t antwoord voor den dokter gegeven. Iets anders heb ik niet.”

“Maar.... met uw verlof; als ik me niet bedrieg dan hebt u den brief niet heelemaal gelezen generaal.”

“Jawel, tenminste....”

“Nee! nee waarlijk niet! U moet me niet kwalijknemen dat ik u tegenspreek, maar op m’n woord, als u hem heelemaal gelezen hadt dan liet u zeker weten: dat u dokter met plezier ontvangen zoudt. Och beste dokter—generaal wil ik zeggen, als u nu eens wist hoe blij ik met die boodschap zou wezen. Vijf en twintigmaal zou ik er voor door een heete zon, zooals ’t van morgen was, willen heen en weer loopen. Och, dokter is zoo’n best mensch, generaal, en nee, z’n vrouw is ook zoo kwaad niet, als men haar nader leert kennen. Gul is ze, goedhartig! Kom generaal, u moest die haken en oogen nu maar uit de wereld maken, en maar denken....”

Van Barneveld, die weer met de hand op de vensterbank geleund bij ’t raam staat, ziet om, en valt met eenigszins schorre stem nu haastig in:

“Je bent nog zeer jong menheer Van Hake, en daarom vergeef ik je dat je een man van mijn jaren de les wilt lezen, en onder ’t oog brengen hoe hij ten opzichte van dokter Helmond en .... zijnvrouwte handelen heeft. Een man....”

“Maar.... maar....” aarzelt Thom in bijna smeekende houding: “als u dan toch waarachtig dien brief niet heelemaal gelezen hebt....”

“Mijnheer de provisor, ik verzoek je mij niet meer in de rede te vallen.Een manals je patroon, van wien men onderstellen mag dat hij denkt alvorens te schrijven—nee dankje, dien stoel kan ik wel zelf....—ik zeg, zulk een man zal aan ’t slot van zijn geschrift niet weerspreken wat hij vooropstelt. Genoeg, ik ken dien brief, al las ik hem niet ten einde. De kern....”

Thom kan zich niet weerhouden en valt in:

“Ja maar generaal, juist diekernvan dokter; zijn hart voor u...”

Van Barneveld ziet Thomas aan met een blik,waarin zeer duidelijk geschreven staat:Zwijg!Meer niet, maar ’t was voldoende:

“Ik dien toch een misverstand bij je weg te nemen jongmensch,” herneemt Van Barneveld met zichtbare inspanning: “Je schijnt te denken dat een verschil, “haken en oogen” zooals je dat gelieft te noemen, mij ’t besluit deed nemen om dokter Helmond niet meer te ontvangen. Maar ik zeg je: zoomin als vuur en water, of duisternis en zonneschijn in vrede kunnen leven, zoomin kan het de geest, diein dokter Helmond gevaren is met mijn waarachtige overtuiging,”

Thom bijt zich schier de lippen aan bloed. Hij wil spreken, hij moet spreken..... Maar nee, halt! halt jongmensch, wacht je beurt; halt!

“En Helmond kent die overtuiging!” hervat de generaal met verheffing: “Of weet hij niet meer wat ik den worm noem, die knaagt aan den wortel van ons volksbestaan! Die worm is het zinneloos teren op den roem en het geld van een wakker voorgeslacht; ’t is die geest van luie brooddronkenheid, van voorname domheid, maar vooral vanzotte verheffing boven zijn stand. En die duivel in veel gedaanten, moet met kracht worden bestreden zal de geest van ’t voorgeslacht ontwaken in ’t eind: “Met God voor Oranje! Door noeste vlijt, tot Neerlands roem!”

Maar hijzalontwaken. Bij God, men zal het ervaren dat Neerland niet rijp is, en niet rijp worden zal voor annexatie! Het juk der dienstbaarheid verdragen wij nooit op den duur. De oude leeuw zal tand en klauwen toonen. Losrukken zal hij zich en vechten tot zijn laatsten droppel bloed, wanneer overmacht hem den nek durft krommen. Wee,weedan de vadsigegasthuis-Nederlanders, ’t ontaarde ras, wanneer het, in zijn dommel, door kanongedonder wordt wakkergeschokt! Wee, wee de verwijfden!”

“Generaal, ik bid u, zou mijn beste brave dokter....”

“Knaap, kun je niet hooren en verstaan? Zeg, werd dan Helmond sedert zijn vrouw hem regeert, niet mijn tegenstander, een vijand van zijn vaderland!?”

“Generaal, waarachtig hij wil niets liever dan in overeenstemming met u handelen.”

“Maar wie,wiekiest hij dan!Ikzeg je dat hij steedshaarzal kiezen, al gevoelt hij zelf dat hij zondige weelde boven eenvoud en tevreden zin, dat hij een Delila bovenJehovaverkiest.”

“Generaal, nog eens: u trekt het te ver. Mevrouw Helmond is....”

“Een duivelin! Zwijg jongen; wie mijn pleegzoon in zulk een korten tijd reeds zóó tot haar slaaf maakte, heeft met satan een verbond gesloten.—Na zulk een avond, mijn God, inplaats van haar te noodzaken aanstonds neer te vallen aan mijn voet, liet hij zich door dievrouw, vier weken lang van zijn grijzen pleegvader terughouden.—’t Is haar wufte zin die hem zand en klatergoud in de oogen strooit.—Wat wil hij nu!—Mij zeggen dat hij de kooper werd van een huis met dertien kamers, zonder het te kunnen betalen. Mij bekennen misschien—zoodra ik hem het geld voor zijn dwaasheid weigeren moet—dat hij nu mede geheel overtuigd is van ’tgeen zijn vrouw mij verwijten dorst, dat ik.... ha! dat ik ben: éntrotschénschriel!”

“Goeje hemel, generaal!”

“Nu weet je het knaap. En ’t is goed misschien dat de vertrouwde van dokter Helmond het weet, om ervan te kunnen gruwen. Spaar me nu verder; ik was niet voorbereid op dit alles.... Ga! Nee,nietsmeer. Ik ben wél, maar toch....” Van Barneveld, die reeds gedurig de hand ter plaatse van ’t hart heeft gebracht, doet het ooknu, terwijl hij vervolgt: “In een fel bestookte vesting wordt spoedig bres geschoten. Heb ik je soms wat hard toegesproken menheer Van Hake, vergeef ’t den ouden man; jij deedt je plicht.... jij....! Blijf een brave zoon;vergeet je moeder nooit. Wees eenvoudig; tracht niet naar ’tgeen onbereikbaar voor je is; en, als je een vrouw kiest....” Thom werd bloedrood: “neem er dan eene uit je stand, die—zoo noodig, ’t brood mee verdienen durft. Vaarwel!”

’t Was Thom na dat laatste zeer beslissend: vaarwel, niet mogelijk een woord meer te spreken.—Ja toch:

“Maar ik bid u, generaal!”—Halt! zóó donker heeft hij nog nooit een oog zien worden.—Goeie hemel, moest dit het besluit dan wezen! Die beste dokter!—En dan, ach!.... Daar was eens een koning en die koning had een dochter en, en.... de boerenjongen was een gek, een verduivelde gek!

Nog denzelfden avond moest Hendrik een brief aan ’t adres Binzler teGodesberg, op de post bezorgen; en, reeds twee dagen later—bij ’t eerste uchtendkrieken, draafden Victor en Coco, voor de vigilante, met koffers beladen, het hek vanDe Zonsberguit.


Back to IndexNext