VIERDE HOOFDSTUK.Den volgenden dag was het “regen en wind.” De tuinman vanDe Zonsbergheeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarstenplekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er “donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest.”’sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.’t Is acht uren in den morgen.Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten.”“Om kwart over tienen vóór Willem.”“Zeer wel generaal. Met de koets?”“Nee, met de vigilante.”“....Zeer wel generaal.—Toch ’t koperen tuig?”“’t Zwarte regentuig Willem.”“....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.—Nog iets van je orders generaal?”“Je brengt me eerst met de juffrouw naar ’t stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo.”“Zeer wel generaal.”“Je rijdt dan bruid en bruidegom naar ’t stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naarDe Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis.”“Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?”“Natuurlijk witte handschoenen.”“Natuurlijk generaal.—Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan dekoetsen hetkoperentuig?”“De controleur gaat naar veel regen en wind.”“Niets meer van je orders generaal?”“Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan ’t station. Van daar kom je aanDe Arendterug, en rijden we weer mee naarDe Zonsberg.”“Volgens je orders generaal.—Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!” Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.—De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, ’t welk het voorbijjagend rijtuig vanDe Zonsbergdoet opspatten.“August treft het slecht Coba.”“Droevig weer pa.”“’t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar ’t stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag.”“’t Stemt vroolijker papa.”“Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was.”De wind stond op het raampje aan Coba’s zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. ’t Was haar alsof ze tranen zag.“Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?”“Ingenomen?” zegt Coba verstrooid: “Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa.”“Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; ’t was twee minuten over den tijd. ’t Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.—Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?”In ’t eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:“O heel wel!” en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: “Zie, de lucht is daar nog erg donker. ’t Is zóó wel treurig vandaag.”Zeven minuten later reed de vigilante vanDe Zonsberg,—na den generaal en zijne dochter aan ’t Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.“Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!” zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva’s sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.“’t Is een vigilante lieve!” zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: “’t zal voor papa en mama zijn.”“Nee beste kind, ’t is heusch vanDe Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur.”“Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig.—Nee maar dat vind ik bepaald ridicule.”“’t Is zeker omdat ’t zoo regent;” meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva’s opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.“Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen “met de koets” trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement.”—Roepend aan de openstaande gangdeur: “Pa! Pa-lief! Pa!”Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaatnaar binnen.—Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft “als een gek.” Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; ’t is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!“Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor ’t front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan.”Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze—nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was—op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem—entre nous gezegd—te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de “groote tiendaagsche ruzie” en den “vijf en twintigjarigen dienst” toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond—waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven—was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante vanDe Zonsbergdan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.“O, zijn de rijtuigen daar?” zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: “Zeer goed, je zult wel wachten;” en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: “Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!” Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uitDe Gouden Arend, haar op zij, en zegt:“Menheer Siebold wilde een kistje van devier, en drie pakjes manilla’s voor de partij hebben. De duiten present.”“Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?”“Wat is er Marie?—Watblief Herman?” vraagt Armelo in de deur.“Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s, Kapitein?”“O wacht, met alle....”“God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum!—Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen.”“Ik heb hier anders den sleutel;” zegt Armelo met het wapen vooruit.“Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?”’t Is Eva’s jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.“Wat is daar....?” vraagt Eva.“Niets, volstrekt niets lieve engel;” zegt mevrouw Armelo op den drempel.“Ik zag daar Herman uitDe Arendma. Is er iets.... van ’t déjeuner.... of....?”“Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. ’t Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om ’t zilver kwamen. Men durft maar alles!”“Ik zal het vandaag wel ’t bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;” zegt Helmond.Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.“Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!” zegt mevrouw met een zucht: “maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: eenzoon, Helmond, een zoon die ons liefheeft, niewaar?”Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: “Wij vertrouwen u ons kind August!”—En dan: “Ha, daar is ookonzeequipage!” Straks roepend in de gang: “Louise! mijn engel! ik bid je, kom!”De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich—en nu reeds omstreeks een half uur—de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maarzou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond opDe Zonsberghad ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde—ja, ja, aanstaande bruidjes willen dat wel—had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn “belofte” geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon—die mede geenszins nieuw was—juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze—evenals zijn broekspijpen van achteren—nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de “voorname heeren” gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend—natuurlijk in zoo’n trouwkamer—zegt hij:“Zeker pas gekomen? met de spoor?”“Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht....”“Ken je den oudste van die beide heeren?”“Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?”“Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels.”“Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?”“Juist!”“Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen.”“Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen.”Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.“Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?”“Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?”“De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.—Fameus pleizierig; ’t zal haar goeddoen.”—Naar de deur ziende: “’t Jonge paar laat zich wachten dunkt me.”“Ik begrijp niet wat er aan hapert;” zegt Van Barneveld vrij luid: “’t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!”“Misschien iets met de paarden;” meent dokter Wolf: “De keien liggen hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z’n eigen den poot moet verzwikken.”Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.“Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak....”De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.De bode van ’t stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En—’t was een kloek, aristocratisch schoon paar.De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed—een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin—dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid—die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnenkleed een weinig in orde schikt—een galant woordje toe te spreken, ’twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.“Daar heb je ’t al!” fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote: “de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; ’t is geen smaak meer.”“Welzeker is het ton;” fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.“Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;” zegt Armelo.“Dat is ook méér dan schandalig!” herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: “wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeurgeneraalen ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij.”Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris, treedt de trouwkamer binnen.Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde—welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat—die buiging is een nommer op het programma, ’twelk burgemeester bij de “formeele staats-koppelarij”—zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt—gewoon is te volgen.Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar ’t bordes en zegt—nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd—tot den koetsier van Siebold uitDe Gouden Arend:“Hoe liep het zoo laat Jozef?”“Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd.”“Niet eerder besteld?”“Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant vanDe Zonsberg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen.”Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en ’t was zeker niet naar ’t behoorde, dat hij en Hendrik—zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten—bouguetten op de borst hadden, terwijl Jozef uitDe Arend—die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden—zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft.“Op zij jongens!” zegt Jut, en dan tot Willem: “Was de koets te orde?”“Jawel.”“Waarom nam je dan de.... vieselant....?”“Ingevolge m’n orders!” zegt de oude snorrebaard.Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan ’t eind zijn. Op ’t laatst begint burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men ’t in de gang wel hooren kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je ’t al:“Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijlsverbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag.”’t Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte weer.Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo’s waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. ’t Zou hem niet verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!—“Nee juffrouw Sillemond, d’r zal vandaag geen orgel zijn; menheer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d’r al lang geweest, want ’t is al tien minuten over den tijd.En boek juffrouw Sillemond? Asjeblieft!—Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.—Woudt u liever in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor.... U begrijpt dus....”“Ja maar, zieje—ik,ikben gisteren nog den heelen dag opDe Zonsberggeweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij ’t binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug.”“Maar m’n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij ’t inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan....”“O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!” hij haalt zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: “Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk nemen.—Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?”Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkensrichten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.—Hoor, daar rollen de koetsen.—Nu zullen ze komen!—Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.—Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.’t Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.—Maar ’t is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!—Iedereen weet dat Eva Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó—zóó is zeprachtig, ja prachtig inderdaad!Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen—mede twee aan twee—de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. ’t Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva’s wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.Het pad is lang.—Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend, de woorden toefluistert: “Van harte.... van ganscher, hoor!—Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!—Van harte, van harte!”Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk—waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken—van het schip der kerk gescheiden.Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk,dadelijknaar ’t orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen.“Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit.”“Zoo, Janssen.... Wil jij maar....” Donerie heeft den man een wenk gegeven om naar boven te gaan.En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.—Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....—Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! ’t Wordt tijd, hoog tijd. Voort!En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkendehymne, ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men ’t hun aanzien dat ze getroffen zijn.Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist.—Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, ’t was nu lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken:Lieder ohne Worte!En de hymne ruischte voort, en—het ruischen van Eva’s wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.VIJFDE HOOFDSTUK.De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbondenkostershuis begeven, om er, voor ’t eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, vanzijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.“Nee lieve August, volstrekt niet;” zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals ’t haar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en—ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....“Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;” fluistert Helmond.“Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is ’t heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!”’t Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uitDe Gouden Arendmoest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.—Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken als deze, wanneer de neef—het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden—den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de “liefhebbende pleegvader” geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens bedervenwil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.“Oom heeft ons al op ’t stadhuis gefeliciteerd Eva;” fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.“’t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;” herneemt Eva: “Nee, ’t is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomenlomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken.”Kippelaan die—dank zij zijn straks gegeven fooi—in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoonen:“Tot in lengte van dagen hoorje!—Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt ’t me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen.Parole! A-propos amice!bekend dat ze inDe Arendgemeene champagneglazen hebben. Wil je d’r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama’s kant, de Parladotti’s.M’n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?”“Dankje Kippelaan, dankje bepaald.”“Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal ’em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.—Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.—Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier.—Met den trein van drieën, of....?”Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken—nu van toga en bef ontdaan—de kamer ingetreden.Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar—van dien pleegzoon in ’t bijzonder—ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd. ’t Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante vanDe Zonsbergniet voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva’s moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in ’t nauw gebracht, doordien hij van mijnheer Wolf “den veearts” heeft gesproken, “wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlaktelaarzen had gemaakt”, is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan—en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag—dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva’s toilet nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar ’tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders—anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zoals hij er een aan het “ander ik” van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:“Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt.—’t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk —ja alle geluk—inwaardeeringbestaat. Zeer juist. De mensch mag—ik zou zelfs zeggen hijmoetmet kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van ’tgeen hij goedsbeziten niet slechts van hetbetere’twelk hij elders ziet of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.“Jonge echtgenooten!” vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: “’t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie—onzen Heiland— gesproken: “De liefde zij ongeveinsd!”—Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreekhier, als ’t ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand.—dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggenvolkomengelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dantevredenheid. ’t Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen.Onder ’t marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.“August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand waarin God je plaatste—het allermeest de vrucht van je eigen werk en studie—zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde krijgen in haar oog.—August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en—heb haar lief.”“Oom, ik bid u,” fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan ’t hart!—Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat indezeure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven?—Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dát verdraag ik niet.—En Eva’s wit—witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en—of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van ’t hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva’s hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:“God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat jehem gelukkig zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel—ziezoo....” En—de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeerzeerzelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon dan daar straks een: “Dank u oom,” heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.Zwijgend—als om den storm te doen bedaren—drukte Hoogerberg den grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;“Nee nee dominee, ’t was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, ’t zou me knagen aan ’t hart als ik den jongen niet gelukkig zag.”De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor ’t meerendeel hoorende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de “gelijkheid der partijen” overtuigd was—“allemaal militair”—toch heeft ze, toen de rijke heer vanDe Zonsberghaar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in ’t oor gefluisterd:“O ’t is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?”Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van zijn nieuwe nicht en “schoon-pleegdochter” ten aanschouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij verplicht hier ook iets te zeggen: “Ja ja Marie, ik weet wel! Maar ’t is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!” Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.“Mijnheer Helmond!”—Omziende: “Watblief?—Kinderenmeen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee....”“Guns Armelo!—Hij meent dewereld;” fluistert mevrouw.“Dat het niet goed was in dewereld;” verbetert de kapitein:“En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d’r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en....”Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, “ongewoon aan die groote dingen op de borst”, iets in ’t oog heeft zien schemeren, en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde—een spin of zoo’n ding—heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de “groote tiendaagsche ruzie” voor het jonge paar op den grond is gevallen.Maar ’t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor ’t grootste deel verlaten omdat het—zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt—toch niemendalgafdan eenkletsnat pak.”Behalve eenige straatjongens en meisjes—de laatsten met haar rokken over ’t hoofd—stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. ’t Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op “een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken was”.—Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.“Piet, als je eens iets uitvondt;” zuchtte het meisje heel zacht.“Ja, Marietje,” zuchtte Piet weerom: “als ik eens iets uitvond; maarwat!?” en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar—een rouwfloers heeft hem het uitzicht benomen. ’t Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op ’t laatst, bij ’t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.’t Was haar kleed...—De lijkkoets?—Nu ja detrouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!Op zijn kamer teruggekomen waar zijn “twaalf uur” als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde—na zulk een concert!—Nu is ’t alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.—Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.—Als hij opstaat dan zal dat beter worden.—Ja, zoo is het.—Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn.—Nu is de secretaire geopend.—Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja.—Het binnendeurtje was al open.—Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een ander....? Hahaha!—Wie lachte daar, wie?—Goede God, hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.—Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg,weger mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand!—Wáár ze zijn....?Hier,dáár,hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie’s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine,—ja zie maar, in zeer kleine stukken.Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie—als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.
VIERDE HOOFDSTUK.Den volgenden dag was het “regen en wind.” De tuinman vanDe Zonsbergheeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarstenplekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er “donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest.”’sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.’t Is acht uren in den morgen.Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten.”“Om kwart over tienen vóór Willem.”“Zeer wel generaal. Met de koets?”“Nee, met de vigilante.”“....Zeer wel generaal.—Toch ’t koperen tuig?”“’t Zwarte regentuig Willem.”“....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.—Nog iets van je orders generaal?”“Je brengt me eerst met de juffrouw naar ’t stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo.”“Zeer wel generaal.”“Je rijdt dan bruid en bruidegom naar ’t stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naarDe Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis.”“Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?”“Natuurlijk witte handschoenen.”“Natuurlijk generaal.—Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan dekoetsen hetkoperentuig?”“De controleur gaat naar veel regen en wind.”“Niets meer van je orders generaal?”“Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan ’t station. Van daar kom je aanDe Arendterug, en rijden we weer mee naarDe Zonsberg.”“Volgens je orders generaal.—Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!” Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.—De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, ’t welk het voorbijjagend rijtuig vanDe Zonsbergdoet opspatten.“August treft het slecht Coba.”“Droevig weer pa.”“’t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar ’t stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag.”“’t Stemt vroolijker papa.”“Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was.”De wind stond op het raampje aan Coba’s zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. ’t Was haar alsof ze tranen zag.“Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?”“Ingenomen?” zegt Coba verstrooid: “Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa.”“Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; ’t was twee minuten over den tijd. ’t Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.—Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?”In ’t eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:“O heel wel!” en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: “Zie, de lucht is daar nog erg donker. ’t Is zóó wel treurig vandaag.”Zeven minuten later reed de vigilante vanDe Zonsberg,—na den generaal en zijne dochter aan ’t Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.“Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!” zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva’s sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.“’t Is een vigilante lieve!” zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: “’t zal voor papa en mama zijn.”“Nee beste kind, ’t is heusch vanDe Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur.”“Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig.—Nee maar dat vind ik bepaald ridicule.”“’t Is zeker omdat ’t zoo regent;” meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva’s opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.“Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen “met de koets” trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement.”—Roepend aan de openstaande gangdeur: “Pa! Pa-lief! Pa!”Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaatnaar binnen.—Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft “als een gek.” Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; ’t is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!“Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor ’t front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan.”Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze—nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was—op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem—entre nous gezegd—te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de “groote tiendaagsche ruzie” en den “vijf en twintigjarigen dienst” toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond—waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven—was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante vanDe Zonsbergdan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.“O, zijn de rijtuigen daar?” zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: “Zeer goed, je zult wel wachten;” en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: “Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!” Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uitDe Gouden Arend, haar op zij, en zegt:“Menheer Siebold wilde een kistje van devier, en drie pakjes manilla’s voor de partij hebben. De duiten present.”“Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?”“Wat is er Marie?—Watblief Herman?” vraagt Armelo in de deur.“Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s, Kapitein?”“O wacht, met alle....”“God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum!—Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen.”“Ik heb hier anders den sleutel;” zegt Armelo met het wapen vooruit.“Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?”’t Is Eva’s jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.“Wat is daar....?” vraagt Eva.“Niets, volstrekt niets lieve engel;” zegt mevrouw Armelo op den drempel.“Ik zag daar Herman uitDe Arendma. Is er iets.... van ’t déjeuner.... of....?”“Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. ’t Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om ’t zilver kwamen. Men durft maar alles!”“Ik zal het vandaag wel ’t bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;” zegt Helmond.Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.“Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!” zegt mevrouw met een zucht: “maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: eenzoon, Helmond, een zoon die ons liefheeft, niewaar?”Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: “Wij vertrouwen u ons kind August!”—En dan: “Ha, daar is ookonzeequipage!” Straks roepend in de gang: “Louise! mijn engel! ik bid je, kom!”De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich—en nu reeds omstreeks een half uur—de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maarzou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond opDe Zonsberghad ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde—ja, ja, aanstaande bruidjes willen dat wel—had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn “belofte” geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon—die mede geenszins nieuw was—juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze—evenals zijn broekspijpen van achteren—nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de “voorname heeren” gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend—natuurlijk in zoo’n trouwkamer—zegt hij:“Zeker pas gekomen? met de spoor?”“Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht....”“Ken je den oudste van die beide heeren?”“Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?”“Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels.”“Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?”“Juist!”“Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen.”“Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen.”Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.“Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?”“Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?”“De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.—Fameus pleizierig; ’t zal haar goeddoen.”—Naar de deur ziende: “’t Jonge paar laat zich wachten dunkt me.”“Ik begrijp niet wat er aan hapert;” zegt Van Barneveld vrij luid: “’t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!”“Misschien iets met de paarden;” meent dokter Wolf: “De keien liggen hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z’n eigen den poot moet verzwikken.”Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.“Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak....”De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.De bode van ’t stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En—’t was een kloek, aristocratisch schoon paar.De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed—een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin—dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid—die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnenkleed een weinig in orde schikt—een galant woordje toe te spreken, ’twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.“Daar heb je ’t al!” fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote: “de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; ’t is geen smaak meer.”“Welzeker is het ton;” fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.“Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;” zegt Armelo.“Dat is ook méér dan schandalig!” herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: “wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeurgeneraalen ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij.”Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris, treedt de trouwkamer binnen.Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde—welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat—die buiging is een nommer op het programma, ’twelk burgemeester bij de “formeele staats-koppelarij”—zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt—gewoon is te volgen.Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar ’t bordes en zegt—nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd—tot den koetsier van Siebold uitDe Gouden Arend:“Hoe liep het zoo laat Jozef?”“Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd.”“Niet eerder besteld?”“Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant vanDe Zonsberg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen.”Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en ’t was zeker niet naar ’t behoorde, dat hij en Hendrik—zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten—bouguetten op de borst hadden, terwijl Jozef uitDe Arend—die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden—zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft.“Op zij jongens!” zegt Jut, en dan tot Willem: “Was de koets te orde?”“Jawel.”“Waarom nam je dan de.... vieselant....?”“Ingevolge m’n orders!” zegt de oude snorrebaard.Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan ’t eind zijn. Op ’t laatst begint burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men ’t in de gang wel hooren kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je ’t al:“Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijlsverbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag.”’t Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte weer.Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo’s waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. ’t Zou hem niet verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!—“Nee juffrouw Sillemond, d’r zal vandaag geen orgel zijn; menheer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d’r al lang geweest, want ’t is al tien minuten over den tijd.En boek juffrouw Sillemond? Asjeblieft!—Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.—Woudt u liever in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor.... U begrijpt dus....”“Ja maar, zieje—ik,ikben gisteren nog den heelen dag opDe Zonsberggeweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij ’t binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug.”“Maar m’n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij ’t inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan....”“O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!” hij haalt zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: “Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk nemen.—Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?”Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkensrichten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.—Hoor, daar rollen de koetsen.—Nu zullen ze komen!—Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.—Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.’t Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.—Maar ’t is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!—Iedereen weet dat Eva Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó—zóó is zeprachtig, ja prachtig inderdaad!Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen—mede twee aan twee—de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. ’t Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva’s wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.Het pad is lang.—Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend, de woorden toefluistert: “Van harte.... van ganscher, hoor!—Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!—Van harte, van harte!”Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk—waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken—van het schip der kerk gescheiden.Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk,dadelijknaar ’t orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen.“Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit.”“Zoo, Janssen.... Wil jij maar....” Donerie heeft den man een wenk gegeven om naar boven te gaan.En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.—Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....—Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! ’t Wordt tijd, hoog tijd. Voort!En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkendehymne, ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men ’t hun aanzien dat ze getroffen zijn.Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist.—Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, ’t was nu lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken:Lieder ohne Worte!En de hymne ruischte voort, en—het ruischen van Eva’s wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.
Den volgenden dag was het “regen en wind.” De tuinman vanDe Zonsbergheeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarstenplekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er “donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest.”
’sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.
’t Is acht uren in den morgen.
Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten.”
“Om kwart over tienen vóór Willem.”
“Zeer wel generaal. Met de koets?”
“Nee, met de vigilante.”
“....Zeer wel generaal.—Toch ’t koperen tuig?”
“’t Zwarte regentuig Willem.”
“....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.—Nog iets van je orders generaal?”
“Je brengt me eerst met de juffrouw naar ’t stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo.”
“Zeer wel generaal.”
“Je rijdt dan bruid en bruidegom naar ’t stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naarDe Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis.”
“Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?”
“Natuurlijk witte handschoenen.”
“Natuurlijk generaal.—Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan dekoetsen hetkoperentuig?”
“De controleur gaat naar veel regen en wind.”
“Niets meer van je orders generaal?”
“Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan ’t station. Van daar kom je aanDe Arendterug, en rijden we weer mee naarDe Zonsberg.”
“Volgens je orders generaal.—Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!” Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.
—De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.
De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, ’t welk het voorbijjagend rijtuig vanDe Zonsbergdoet opspatten.
“August treft het slecht Coba.”
“Droevig weer pa.”
“’t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar ’t stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag.”
“’t Stemt vroolijker papa.”
“Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was.”
De wind stond op het raampje aan Coba’s zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. ’t Was haar alsof ze tranen zag.
“Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?”
“Ingenomen?” zegt Coba verstrooid: “Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa.”
“Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; ’t was twee minuten over den tijd. ’t Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.—Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?”
In ’t eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:
“O heel wel!” en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: “Zie, de lucht is daar nog erg donker. ’t Is zóó wel treurig vandaag.”
Zeven minuten later reed de vigilante vanDe Zonsberg,—na den generaal en zijne dochter aan ’t Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.
“Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!” zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva’s sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.
“’t Is een vigilante lieve!” zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: “’t zal voor papa en mama zijn.”
“Nee beste kind, ’t is heusch vanDe Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur.”
“Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig.—Nee maar dat vind ik bepaald ridicule.”
“’t Is zeker omdat ’t zoo regent;” meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva’s opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.
“Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen “met de koets” trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement.”—Roepend aan de openstaande gangdeur: “Pa! Pa-lief! Pa!”
Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaatnaar binnen.—Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft “als een gek.” Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; ’t is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!
“Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor ’t front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan.”
Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze—nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was—op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem—entre nous gezegd—te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de “groote tiendaagsche ruzie” en den “vijf en twintigjarigen dienst” toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.
Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond—waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven—was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante vanDe Zonsbergdan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.
In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.
“O, zijn de rijtuigen daar?” zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: “Zeer goed, je zult wel wachten;” en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: “Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!” Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uitDe Gouden Arend, haar op zij, en zegt:
“Menheer Siebold wilde een kistje van devier, en drie pakjes manilla’s voor de partij hebben. De duiten present.”
“Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?”
“Wat is er Marie?—Watblief Herman?” vraagt Armelo in de deur.
“Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s, Kapitein?”
“O wacht, met alle....”
“God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum!—Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen.”
“Ik heb hier anders den sleutel;” zegt Armelo met het wapen vooruit.
“Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?”
’t Is Eva’s jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.
“Wat is daar....?” vraagt Eva.
“Niets, volstrekt niets lieve engel;” zegt mevrouw Armelo op den drempel.
“Ik zag daar Herman uitDe Arendma. Is er iets.... van ’t déjeuner.... of....?”
“Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. ’t Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om ’t zilver kwamen. Men durft maar alles!”
“Ik zal het vandaag wel ’t bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;” zegt Helmond.
Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.
“Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!” zegt mevrouw met een zucht: “maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: eenzoon, Helmond, een zoon die ons liefheeft, niewaar?”
Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: “Wij vertrouwen u ons kind August!”—En dan: “Ha, daar is ookonzeequipage!” Straks roepend in de gang: “Louise! mijn engel! ik bid je, kom!”
De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.
Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich—en nu reeds omstreeks een half uur—de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.
De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maarzou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond opDe Zonsberghad ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde—ja, ja, aanstaande bruidjes willen dat wel—had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn “belofte” geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.
Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon—die mede geenszins nieuw was—juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze—evenals zijn broekspijpen van achteren—nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.
Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de “voorname heeren” gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend—natuurlijk in zoo’n trouwkamer—zegt hij:
“Zeker pas gekomen? met de spoor?”
“Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht....”
“Ken je den oudste van die beide heeren?”
“Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?”
“Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels.”
“Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?”
“Juist!”
“Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen.”
“Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen.”
Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.
“Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?”
“Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?”
“De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.—Fameus pleizierig; ’t zal haar goeddoen.”—Naar de deur ziende: “’t Jonge paar laat zich wachten dunkt me.”
“Ik begrijp niet wat er aan hapert;” zegt Van Barneveld vrij luid: “’t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!”
“Misschien iets met de paarden;” meent dokter Wolf: “De keien liggen hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z’n eigen den poot moet verzwikken.”
Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.
“Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak....”
De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.
De bode van ’t stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.
Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En—’t was een kloek, aristocratisch schoon paar.
De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.
Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed—een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.
Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin—dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid—die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnenkleed een weinig in orde schikt—een galant woordje toe te spreken, ’twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.
“Daar heb je ’t al!” fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote: “de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; ’t is geen smaak meer.”
“Welzeker is het ton;” fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.
“Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;” zegt Armelo.
“Dat is ook méér dan schandalig!” herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: “wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeurgeneraalen ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij.”
Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.
De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris, treedt de trouwkamer binnen.
Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde—welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat—die buiging is een nommer op het programma, ’twelk burgemeester bij de “formeele staats-koppelarij”—zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt—gewoon is te volgen.
Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar ’t bordes en zegt—nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd—tot den koetsier van Siebold uitDe Gouden Arend:
“Hoe liep het zoo laat Jozef?”
“Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd.”
“Niet eerder besteld?”
“Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant vanDe Zonsberg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen.”
Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en ’t was zeker niet naar ’t behoorde, dat hij en Hendrik—zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten—bouguetten op de borst hadden, terwijl Jozef uitDe Arend—die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden—zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft.
“Op zij jongens!” zegt Jut, en dan tot Willem: “Was de koets te orde?”
“Jawel.”
“Waarom nam je dan de.... vieselant....?”
“Ingevolge m’n orders!” zegt de oude snorrebaard.
Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan ’t eind zijn. Op ’t laatst begint burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men ’t in de gang wel hooren kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je ’t al:
“Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijlsverbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag.”
’t Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte weer.
Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo’s waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. ’t Zou hem niet verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!
—“Nee juffrouw Sillemond, d’r zal vandaag geen orgel zijn; menheer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d’r al lang geweest, want ’t is al tien minuten over den tijd.En boek juffrouw Sillemond? Asjeblieft!—Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.—Woudt u liever in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor.... U begrijpt dus....”
“Ja maar, zieje—ik,ikben gisteren nog den heelen dag opDe Zonsberggeweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij ’t binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug.”
“Maar m’n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij ’t inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan....”
“O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!” hij haalt zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: “Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk nemen.—Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?”
Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.
Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkensrichten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.
—Hoor, daar rollen de koetsen.
—Nu zullen ze komen!
—Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.
Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.
De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.
—Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.
’t Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.—Maar ’t is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!—Iedereen weet dat Eva Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó—zóó is zeprachtig, ja prachtig inderdaad!
Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen—mede twee aan twee—de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. ’t Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva’s wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.
Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.
Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.
Het pad is lang.—Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend, de woorden toefluistert: “Van harte.... van ganscher, hoor!—Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!—Van harte, van harte!”
Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk—waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken—van het schip der kerk gescheiden.
Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk,dadelijknaar ’t orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen.
“Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit.”
“Zoo, Janssen.... Wil jij maar....” Donerie heeft den man een wenk gegeven om naar boven te gaan.
En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.
—Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....
—Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! ’t Wordt tijd, hoog tijd. Voort!
En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkendehymne, ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.
Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men ’t hun aanzien dat ze getroffen zijn.
Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist.—Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, ’t was nu lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken:Lieder ohne Worte!
En de hymne ruischte voort, en—het ruischen van Eva’s wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.
VIJFDE HOOFDSTUK.De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbondenkostershuis begeven, om er, voor ’t eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, vanzijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.“Nee lieve August, volstrekt niet;” zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals ’t haar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en—ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....“Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;” fluistert Helmond.“Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is ’t heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!”’t Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uitDe Gouden Arendmoest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.—Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken als deze, wanneer de neef—het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden—den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de “liefhebbende pleegvader” geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens bedervenwil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.“Oom heeft ons al op ’t stadhuis gefeliciteerd Eva;” fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.“’t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;” herneemt Eva: “Nee, ’t is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomenlomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken.”Kippelaan die—dank zij zijn straks gegeven fooi—in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoonen:“Tot in lengte van dagen hoorje!—Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt ’t me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen.Parole! A-propos amice!bekend dat ze inDe Arendgemeene champagneglazen hebben. Wil je d’r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama’s kant, de Parladotti’s.M’n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?”“Dankje Kippelaan, dankje bepaald.”“Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal ’em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.—Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.—Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier.—Met den trein van drieën, of....?”Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken—nu van toga en bef ontdaan—de kamer ingetreden.Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar—van dien pleegzoon in ’t bijzonder—ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd. ’t Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante vanDe Zonsbergniet voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva’s moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in ’t nauw gebracht, doordien hij van mijnheer Wolf “den veearts” heeft gesproken, “wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlaktelaarzen had gemaakt”, is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan—en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag—dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva’s toilet nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar ’tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders—anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zoals hij er een aan het “ander ik” van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:“Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt.—’t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk —ja alle geluk—inwaardeeringbestaat. Zeer juist. De mensch mag—ik zou zelfs zeggen hijmoetmet kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van ’tgeen hij goedsbeziten niet slechts van hetbetere’twelk hij elders ziet of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.“Jonge echtgenooten!” vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: “’t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie—onzen Heiland— gesproken: “De liefde zij ongeveinsd!”—Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreekhier, als ’t ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand.—dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggenvolkomengelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dantevredenheid. ’t Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen.Onder ’t marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.“August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand waarin God je plaatste—het allermeest de vrucht van je eigen werk en studie—zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde krijgen in haar oog.—August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en—heb haar lief.”“Oom, ik bid u,” fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan ’t hart!—Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat indezeure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven?—Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dát verdraag ik niet.—En Eva’s wit—witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en—of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van ’t hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva’s hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:“God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat jehem gelukkig zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel—ziezoo....” En—de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeerzeerzelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon dan daar straks een: “Dank u oom,” heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.Zwijgend—als om den storm te doen bedaren—drukte Hoogerberg den grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;“Nee nee dominee, ’t was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, ’t zou me knagen aan ’t hart als ik den jongen niet gelukkig zag.”De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor ’t meerendeel hoorende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de “gelijkheid der partijen” overtuigd was—“allemaal militair”—toch heeft ze, toen de rijke heer vanDe Zonsberghaar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in ’t oor gefluisterd:“O ’t is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?”Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van zijn nieuwe nicht en “schoon-pleegdochter” ten aanschouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij verplicht hier ook iets te zeggen: “Ja ja Marie, ik weet wel! Maar ’t is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!” Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.“Mijnheer Helmond!”—Omziende: “Watblief?—Kinderenmeen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee....”“Guns Armelo!—Hij meent dewereld;” fluistert mevrouw.“Dat het niet goed was in dewereld;” verbetert de kapitein:“En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d’r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en....”Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, “ongewoon aan die groote dingen op de borst”, iets in ’t oog heeft zien schemeren, en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde—een spin of zoo’n ding—heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de “groote tiendaagsche ruzie” voor het jonge paar op den grond is gevallen.Maar ’t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor ’t grootste deel verlaten omdat het—zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt—toch niemendalgafdan eenkletsnat pak.”Behalve eenige straatjongens en meisjes—de laatsten met haar rokken over ’t hoofd—stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. ’t Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op “een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken was”.—Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.“Piet, als je eens iets uitvondt;” zuchtte het meisje heel zacht.“Ja, Marietje,” zuchtte Piet weerom: “als ik eens iets uitvond; maarwat!?” en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar—een rouwfloers heeft hem het uitzicht benomen. ’t Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op ’t laatst, bij ’t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.’t Was haar kleed...—De lijkkoets?—Nu ja detrouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!Op zijn kamer teruggekomen waar zijn “twaalf uur” als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde—na zulk een concert!—Nu is ’t alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.—Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.—Als hij opstaat dan zal dat beter worden.—Ja, zoo is het.—Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn.—Nu is de secretaire geopend.—Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja.—Het binnendeurtje was al open.—Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een ander....? Hahaha!—Wie lachte daar, wie?—Goede God, hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.—Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg,weger mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand!—Wáár ze zijn....?Hier,dáár,hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie’s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine,—ja zie maar, in zeer kleine stukken.Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie—als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.
De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbondenkostershuis begeven, om er, voor ’t eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.
Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, vanzijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.
Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.
Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.
“Nee lieve August, volstrekt niet;” zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals ’t haar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en—ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....
“Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;” fluistert Helmond.
“Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is ’t heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!”
’t Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uitDe Gouden Arendmoest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.—Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken als deze, wanneer de neef—het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden—den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de “liefhebbende pleegvader” geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens bedervenwil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.
“Oom heeft ons al op ’t stadhuis gefeliciteerd Eva;” fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.
“’t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;” herneemt Eva: “Nee, ’t is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomenlomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken.”
Kippelaan die—dank zij zijn straks gegeven fooi—in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoonen:
“Tot in lengte van dagen hoorje!—Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt ’t me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen.Parole! A-propos amice!bekend dat ze inDe Arendgemeene champagneglazen hebben. Wil je d’r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama’s kant, de Parladotti’s.M’n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?”
“Dankje Kippelaan, dankje bepaald.”
“Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal ’em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.—Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.—Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier.—Met den trein van drieën, of....?”
Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken—nu van toga en bef ontdaan—de kamer ingetreden.
Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar—van dien pleegzoon in ’t bijzonder—ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd. ’t Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante vanDe Zonsbergniet voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva’s moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in ’t nauw gebracht, doordien hij van mijnheer Wolf “den veearts” heeft gesproken, “wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlaktelaarzen had gemaakt”, is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan—en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag—dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva’s toilet nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar ’tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders—anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zoals hij er een aan het “ander ik” van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.
Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:
“Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt.—’t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk —ja alle geluk—inwaardeeringbestaat. Zeer juist. De mensch mag—ik zou zelfs zeggen hijmoetmet kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van ’tgeen hij goedsbeziten niet slechts van hetbetere’twelk hij elders ziet of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.
“Jonge echtgenooten!” vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: “’t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie—onzen Heiland— gesproken: “De liefde zij ongeveinsd!”—Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreekhier, als ’t ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand.—dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggenvolkomengelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dantevredenheid. ’t Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen.Onder ’t marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.
“August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand waarin God je plaatste—het allermeest de vrucht van je eigen werk en studie—zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde krijgen in haar oog.—August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en—heb haar lief.”
“Oom, ik bid u,” fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.
Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan ’t hart!—Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat indezeure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven?—Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dát verdraag ik niet.—En Eva’s wit—witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en—of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van ’t hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva’s hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:
“God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat jehem gelukkig zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel—ziezoo....” En—de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.
Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeerzeerzelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon dan daar straks een: “Dank u oom,” heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.
Zwijgend—als om den storm te doen bedaren—drukte Hoogerberg den grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;
“Nee nee dominee, ’t was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, ’t zou me knagen aan ’t hart als ik den jongen niet gelukkig zag.”
De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor ’t meerendeel hoorende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de “gelijkheid der partijen” overtuigd was—“allemaal militair”—toch heeft ze, toen de rijke heer vanDe Zonsberghaar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in ’t oor gefluisterd:
“O ’t is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?”
Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van zijn nieuwe nicht en “schoon-pleegdochter” ten aanschouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!
Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.
Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij verplicht hier ook iets te zeggen: “Ja ja Marie, ik weet wel! Maar ’t is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!” Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.
“Mijnheer Helmond!”—Omziende: “Watblief?—Kinderenmeen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee....”
“Guns Armelo!—Hij meent dewereld;” fluistert mevrouw.
“Dat het niet goed was in dewereld;” verbetert de kapitein:“En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d’r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en....”
Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, “ongewoon aan die groote dingen op de borst”, iets in ’t oog heeft zien schemeren, en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde—een spin of zoo’n ding—heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de “groote tiendaagsche ruzie” voor het jonge paar op den grond is gevallen.
Maar ’t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.
Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor ’t grootste deel verlaten omdat het—zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt—toch niemendalgafdan eenkletsnat pak.”
Behalve eenige straatjongens en meisjes—de laatsten met haar rokken over ’t hoofd—stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. ’t Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op “een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken was”.—Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.
“Piet, als je eens iets uitvondt;” zuchtte het meisje heel zacht.
“Ja, Marietje,” zuchtte Piet weerom: “als ik eens iets uitvond; maarwat!?” en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.
De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar—een rouwfloers heeft hem het uitzicht benomen. ’t Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op ’t laatst, bij ’t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.’t Was haar kleed...—De lijkkoets?—Nu ja detrouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.
Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!
Op zijn kamer teruggekomen waar zijn “twaalf uur” als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde—na zulk een concert!—Nu is ’t alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!
Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.—Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.—Als hij opstaat dan zal dat beter worden.—Ja, zoo is het.—Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn.—Nu is de secretaire geopend.
—Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja.—Het binnendeurtje was al open.
—Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een ander....? Hahaha!—Wie lachte daar, wie?—Goede God, hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.—Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg,weger mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand!—Wáár ze zijn....?Hier,dáár,hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie’s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine,—ja zie maar, in zeer kleine stukken.
Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie—als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.